De wetten van Newton 1. Bereken de weg die een massa van 4,0 kg aflegt in 3,0 s onder invloed van een kracht van 32 N. De beginsnelheid van deze massa is 2,0 m/s in de zin van de kracht. Hoe groot is de snelheid na deze 3,0 s? (42 m; 26 m/s) 2. Op een voorwerp met een volume van 1,0 dm3 en een massadichtheid van 6,0.103 kg/m3 werkt gedurende 1,0 min een kracht van 30 N. Bereken de afgelegde weg gedurende die tijd als het voorwerp uit rust vertrekt. (9,0.103 m) 3. Drie krachten liggen in hetzelfde vlak en werken tegelijkertijd in op een massa van 6,0 kg. De componenten in de x- en y-richting van elke kracht zijn gegeven: F1 (3,0 N; 7,0 N) – F2 (2,0 N; 6,0 N) – F3 (-9,0 N; 1,2 N). Bepaal de grootte van een vierde kracht die nodig is om het stelsel in rust te houden. (12 N) 4. Een vrachtwagen van 15,4 ton trekt een aanhanger van 9,3 ton over een horizontale weg. De motorkracht bedraagt 15,0 kN. Bepaal de grootte van de reactiekracht die de aanhanger op de trekker uitoefent. (5,6 kN) 5. Drie krachten liggen in hetzelfde vlak en werken in op een massa m. De grootte van de drie krachten is respectievelijk 20 N, 30 N en 50 N. De hoek tussen de eerste en de tweede kracht is 40°, die tussen de tweede en de derde kracht bedraagt 50°, telkens in wijzerzin gemeten (krachten 1 en 3 staan dus loodrecht op elkaar). Bepaal de grootte en de oriëntatie van de resultante. (81,3 N; 26° met F2) 6. Een auto heeft een massa van 1000 kg. De auto vertrekt uit rust terwijl er eerst gedurende 6,0 s een kracht op inwerkt van 3,0 kN, dan gedurende 8,0 s een kracht van 1,0 kN en tenslotte gedurende 10,0 s een kracht van 800 N. Welke snelheid heeft de auto na die 24,0 s? Welke weg legt hij af? (137 km/h; 586 m) 7. Een auto met een massa van 1000 kg rijdt 108 km/h wanneer hij begint te remmen. Gedurende 5,0 s is de remkracht gelijk aan 4,0 kN, maar daarna komt hij op een wegstrook waar het wegdek nat is waardoor de remkracht tot 40 % terugvalt. Na welke totale afstand en na hoeveel tijd komt de auto tot stilstand? (11,3 s; 131m) 8. Twee blokken, een van 12,0 kg en een van 9,0 kg liggen op een wrijvingsloos oppervlak en zijn met een touw met elkaar verbonden. Met een kracht van 40 N trekt men aan de massa van 9,0 kg. Hoe groot is de versnelling van het stel, en de trekkracht in het verbindingskoord? (1,9 m/s2; 23 N) 9. Twee blokken, een van 15 kg en een van 12 kg, hangen elk aan de uiteinden van een touw dat over een vaste katrol loopt. We verwaarlozen de wrijving. Als de blokken los worden gelaten, daalt het zwaarste blok natuurlijk. Bereken de versnelling, en de spankracht in het touw. (1,1 m/s2; 130 N)