Hoofdstuk 2. Federale milieuheffingen

advertisement
FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID
VAKGROEP FISCAAL RECHT
Milieuheffingen
Hoofdstuk 1. Een aantal basisbegrippen
A. Fiscale bevoegdheid
Art. 170 G.W.:
[...]
§2 Geen belasting ten behoeve van een gemeenschap of een gewest kan worden ingevoerd dan door
een decreet of een in art 134 bedoelde regel. De wet bepaalt ten aanzien van de in het vorige lid
bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt
§3. Geen last of belasting kan door de provincie worden ingevoerd dan door een beslissing van haar
raad. De wet bepaalt ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen
waarvan de noodzakelijkheid blijkt.De wet kan de in het eerste lid bedoelde belastingen geheel of
gedeeltelijk afschaffen.
§4. Geen last of belasting kan door de agglomeratie, de federatie van gemeenten en de gemeente
worden ingevoerd dan door een beslissing van hun raad. De wet bepaalt ten aanzien van de in het
vorige lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.
Wet 23 januari 1989 betreffende de in art 110, §§1 en 2 van de Grondwet bedoelde
belastingbevoegdheden.
[...]
Art 2. De staat en de gemeenschappen zijn niet gemachtigd om belastingen te heffen op de in art.
6,§1,II,eerste lid van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen
bedoelde materies water en afval, noch opcentiemen te heffen op belastingen en heffingen op deze
materies, noch kortingen hierop toe te staan.
B. Belastingen, retributies en bijdragen
1. Begrippen
Belastingen zijn eenzijdige financiële verplichtingen, die door de daartoe grondwettelijk gemachtigde
overheden worden opgelegd aan de personen die een band hebben met hun grondgebied, teneinde in de
openbare uitgaven als geheel genomen te voorzien.
retributies zijn billijke vergoedingen voor een door de overheid gepresteerde dienst waarvan de
persoon die de retributie moet betalen vrijwillig gebruik maakt en waaruit hij een individueel voordeel
haalt.
2. Belang onderscheid
- Fiscaal eenjarigheidsbeginsel (art 171 Gw) en fiscaal legaliteitsbeginsel (art 170 Gw) gelden
alleen voor belastingen, niet voor retributies.
- Retributies moeten langs burgerrechtelijke weg worden ingevorderd en zijn normaal nioet aan
sancties onderworpen
- Art 198 WIB: als beroepskosten worden niet aangemerkt: 5° de gewestelijke belastingen,
heffingen en retributies andere dan deze bedoeld in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari
1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsmede de
verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot deze nietaftrekbare belastingen, heffingen en retributies;
C. Materieel – formeel fiscaal recht
Waar het materieel fiscaal recht de regels bevat omtrent belastingplichtige, belastbaar feit, berekeningsbasis, tarieven, vrijstellingen e.d., kunnen in het formeel fiscaal recht de regels gevonden worden
die een vlotte en correcte vestiging en invordering van de belasting mogelijk moeten maken. Het zijn
regels m.b.t. de aangifteplicht, de onderzoeksmachten, de bewijsmiddelen, de invorderingwijze, de
dwangmiddelen, de geschillenprocedure edm. Gelet op het beschikbare tijdsbestek wordt niet
ingegaan op het formeel fiscaal recht inzake milieubelastingen.
Hoofdstuk 2. Federale milieuheffingen
A. De Milieutaksen of ecotaksen
De milieutaks of ecotaks is een met de accijnzen gelijkgestelde belasting die werd ingevoerd door de
Gewone wet van 16 juli 1993 ter vervollediging van de federale staatsstructuur, en die wordt geheven
op een in het verbruik gebracht product, wegens de schade die dit product aan het milieu wordt
geacht te veroorzaken. De belastingplichtige van de milieutaks is iedere natuurlijke of rechtspersoon
die overgaat tot het in het verbruik brengen van producten onderworpen aan een milieutaks. Onder
het ‘ in verbruik brengen’ verstaat men de levering van producten aan kleinhandelaars
Milieutaksen zijn er vandaag nog voor
- wegwerpfototoestellen ( 7,44 €): zij worden vrijgesteld indien er een ophaalsysteem bestaat dat
het mogelijk maakt de toestellen voor minstens 80 % te hergebruiken of te recycleren
- batterijen (0,50 €): zij worden vrijgesteld indien zij onderworpen worden aan een systeem van
statiegeld of retourpremie of wanneer voor batterijen een ophaal- en recyclagesysteem wordt
opgezet dat gefinancierd wordt door een inzamel- en recyclagebijdrage waar bij voor het jaar 2004
en volgende 65% van de in België op de markt gebrachte batterijen wordt opgehaald.
- De verpakking van sommige nijverheidsprodukten zoals inkt, lijm, oplosmiddelen bestemd voor
beroepsmatig gebruik (0,6197 € per verpakkingsvolume-eenheid). De kwalificatie als zijnde voor
niet-beroepsmatig gebruik is afhankelijk van het verpakkingsvolumes (artikel 379bis) (bv inkt: <
2,5 l) Ook hier is een vrijstelling voorzien indien de verpakkingen onderworpen zijn aan een stelsel
van statiegeld (min. 0.30 €), van retourpremie(min. 0.12 €), van verpakkingskrediet of van een
speciale en aangepaste ophaling, waarbij het bewijs van hergebruik, verwijdering of nuttige
toepassing wordt geleverd en waarbij welbepaalde (toenemende) ophalingspercentages moeten
worden gehaald. Indien de doelstellingen ivm de ophalingspercentages niet worden behaald, moet
een boete worden betaald en vervalt de vrijstelling voor het volgende jaar
De milieuheffing op wegwerpscheermesjes, bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische producten
(pesticiden), papier en drankverpakkingen is in de loop der jaren verdwenen.
Naast de milieutaks is er sedert de wetwijziging van 30 december 2002 ook sprake van een verpakkingsheffing’, i.e. een heffing die wordt geheven op drankverpakkingen voor eenmalig gebruik, en die
verschuldigd is door de schuldenaar van de accijns (wanneer de inning van de verpakkingsheffing
samenvalt met de inning van de accijns) of door de persoon die dranken verpakt in individuele
verpakkingen (wanneer de accijns voorafgaandelijk werd betaald op deze dranken).
De verpakkingsheffing vervangt de vroegere milieutaks op drankverpakkingen, en is verschuldigd bij
het in het verbruik brengen van water (al dan niet bruisend, al dan niet aangevuld met zoet- of
smaakstoffen, bier wijn, fruit- en groetensap, vermout, gegiste dranken en alcoholische dranken en
likeuren verpakt in individuele verpakkingen. De verpakkingsheffing bedraagt 9,8537 EUR per
hectoliter product dat aldus is verpakt. De verpakkingsheffing is niet verschuldigd wanneer de
verpakking vervaardigd is uit hout, porselein, kristal of aardewerk.
De individuele herbruikbare verpakkingen worden vrijgesteld van de verpakkingsheffing, op
voorwaarde dat de drankenverpakker het bewijs levert dat de verpakking minstens zevenmaal kan
worden hervuld, dat ze worden teruggenomen via een systeem van statiegeld van minstens 0.08 of
0.16 € (naargelang volume), en dat ze daadwerkelijk opnieuw worden gebruikt.
B. Andere federale milieutaksen
Sedert de afschaffing van de federale energietaks (wet 22 juli 1993) bestaan er geen andere
specifieke federale milieutaksen. Wel is er in de douane wetgeving, de BTW- wetgeving en wetgeving
omtrent de inkomstenbelastingen sprake van een (trage) vorm van ecologisering van de belasting,
waar bv. milieuvriendelijke investeringen fiscaalgunstiger worden behandeld.
Hoofdstuk 3. Gewestelijke milieuheffingen
A. Algemeen
Het Vlaamse gewest is vrij actief geweest met het invoeren van allerhande milieubelasting en
vergoedingen omwille van de afgifte van diverse vergunningen, attesten e.d.m. Het Vlaamse gewest
heeft deze heffingen bijna steeds als ‘retributie’ willen invoeren, maar werd hiervoor doorgaans
teruggefloten door de afdeling wetgeving van de raad van State of door het Arbitragehof. De
ingevoerde heffingen met een milieuoogmerk betreffen:
-
de belasting op afvalstoffen
de belasting op oppervlaktewateren
de belasting op grondwaterwinning
saneringsbijdrage
watervangvergunningsheffing
-
dossierrecht milieuvergunning
dossierrecht bodemattest
afvaltransportheffing
de belasting op mestoverschotten
de heffing op grindwinning
elektriciteitsheffing en aardgasheffing
De andere gewesten hebben vooralsnog veel minder gebruik gemaakt van hun fiscale bevoegdheden.
Melding kan worden gemaakt van:
Voor het Brussels gewest:
- de heffing op het lozen van afvalwater (Ordonnantie 29 maart 1996)
- dossierrecht milieuvergunning (Ordonnantie 5 juni 1997)
Voor het Waalse gewest:
- de heffing op het lozen van afvalwater (Decreet 30 april 1990)
- de belasting op afvalstoffen (Decreet 25 juli 1991)
- heffing op waterwinningen (Decreet 30 april 1990)
B. De Vlaamse heffing op afvalstoffen
De belasting op het verwijderen van afvalstoffen, in het decreet milieuheffing genoemd, werd eerst
ingevoerd door het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen.
Het is een belasting die in theorie uitgaan van het principe ‘de vervuiler betaald’ maar die in de praktijk
geheven wordt van de uitbaters van inrichtingen voor afvalverwerking alsook van de ophalers van
afvalstoffen die buiten het Vlaamse gewest worden verwerkt.
Uiteraard is het hierbij de bedoeling dat deze belastingplichtigen de belasting verhalen van de
aanvoerders van de afvalstoffen, hetgeen zeer goed tot uiting komt in de - weliswaar pas achteraf
ingevoerde – mogelijkheid tot terugvordering van de belasting indien de medecontractant die de
afvalstoffen heeft aangevoerd aantoonbaar failliet blijkt te zijn.
De belastingtarieven zijn in het decreet vrij gedetailleerd uitgewerkt, in die zin dat er maar liefst 38
verschillende tarieven zijn variërend van € 0,74 tot € 148,74, en dit zonder rekening te houden met
verdere onderverdelingen. Het betreffen tarieven per ton verwerkt afval waarbij vervolgens rekening
wordt gehouden met de verwerkingswijze, de eventuele energie- en grondstoffenrecuperatie en
het soort afval waarvoor de installatie vergund is.
Qua verwerkingswijze zijn er twee grote categorieën te weten het storten (nrs 6- 24 art 36) en het
verbranden (1-5 en 25 -37bis art 36). Op het vlak van afvalstoffen wordt een onderscheid gemaakt
tussen gevaarlijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen, verkleind afval en
recyclageresidu’s, alsook een ganse reeks heel specifieke afvalstoffen. Voorts zijn er nog een aantal
specifieke tarieven die bepaalde specifieke problemen moesten oplossen, zoals het afval veroorzaakt
door overstromingsrampen of het afval gestort n.a.v. de tijdelijke sluiting van de verbrandingsoven.
Noteer dat de heffing dus niet noodzakelijk wordt bepaald in functie van het soort afval, maar wel van
de installatie waar dit afval wordt verwerkt.
Wanneer een afvalstof verschillende verwerkingswijzen ondergaat, is de heffing enkel verschuldigd
voor de heffingsplichtige verwerkingswijze die het eerst wordt toegepast
Voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden opgehaald met het oog op het
verwerken ervan buiten het Vlaamse Gewest, gelden voor gelijkaardige verwerkingswijzen dezelfde
bedragen als in Vlaanderen. Indien in het gewest of land waar bedoelde afvalstoffen worden verwerkt
een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het
bedrag van voormelde gelijksoortige milieuheffing, zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan
worden herleid
Op deze heffingen kunnen de gemeenten opcentiemen heffen. Zij kunnen hiervoor een beroep doen
op de nodige medewerking van de OVAM met het oog op de inning van de opcentiemen, voor zover
deze maximaal 20 opcentiemen bedragen.
De milieuheffing is verschuldigd op het tijdstip dat de afvalstoffen worden verwerkt in de bedoelde
inrichtingen of op het tijdstip dat de afvalstoffen worden opgehaald met het oog op het verwerken
ervan buiten het Vlaamse Gewest. De inning van de heffing gebeurt evenwel per kwartaal, in een
systeem dat vergelijkbaar is met dat van de BTW en dat ook gepaard gaat met kwartaalaangiften.
C. De heffing op waterverontreiniging
1. De heffing’ ter bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging
De belasting ter bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, vaak ook belasting op
afvalwater genoemd, werd door een decreet van 21 december 1990 ingevoerd in de wet van 26 maart
1971. De basisconcepten van de huidige bepalingen dateren evenwel van een decreet van 25 juni
1992.
De belasting is verschuldigd door elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar
voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest
- water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet
- of op dit grondgebied over een eigen waterwinning heeft beschikt
- of op dit grondgebied water heeft geloosd, ongeacht de herkomst van het water.
Hierbij wordt de persoon aan wie een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het
Vlaamse Gewest factureert in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, onweerlegbaar vermoed de
heffingsplichtige te zijn terzake van het aan hem gefactureerde waterverbruik afgenomen van een
openbare watervoorzieningsmaatschappij, onverminderd diens verhaal op de werkelijke verbruiker
van het water.
Een vijstelling van milieuheffing wordt torgekend aan heffingsplichtigen die door investeringen in het
productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit
het productieproces. Deze vrijstelling wordt toegekend voor een hernieuwbare periode van 10
heffingsjaren. Ook de kleinverbruikers die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer hun
huishoudelijk afvalwater hebben gezuiverd in een private waterzuiveringsinstallatie zijn volledig
vrijgesteld, op voorwaarde dat de woning/woningen niet aansluitbaar was/waren op een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Ook sociaal zwakkeren genieten van een vrijstellingen van belasting
(genieters van gewaarborgd inkomen voor bejaarde, leefloon, inkomensvervangende tegemoetkoming
voor personen met een handicap e.d.m.) voor het Waterverbruik in hun wettelijk domicilie
Het bedrag van de heffing wordt vastgesteld volgens de formule H = N x T, waarin :
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor de wateroverontreiniging;
N = de vuilvracht veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
T = het eenheidstarief van de heffing, vastgesteld op € 22,3 en wordt jaarlijks automatisch
geïndexeerd.
Voor het bepalen van de vuilvracht zijn er drie verschillende methodes, die in tegenstelling tot bv.
het Waalse gewest geen functie zijn van het soort afvalwater, maar wel van de vraag of de betrokken
verbruiker een grootverbruiker of een kleinverbruiker van water is.
a. Kleinverbruikers
Voor heffingsplichtigen die minder dan 500 m³ hebben afgenomen van een openbaar waterdistributienet of die over een eigen waterwinning beschikken met een debiet van minder dan 5 m³/u
wordt de vuilvracht berekend op basis van de formule N. = 0,025 x Qw, waarin :
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het
heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik. Dit bedrag wordt ingeval de heffingsplichtige (tevens)
over een eigen waterwinning beschikt, verhoogd met (30 x M) of (10 x M) naargelang de enige
waterwinning al dan niet de enige waterbron is, en waarin M het aantal personen is dat op 1 januari
van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin.
Kleinverbruikers kunnen vragen om op grond van hun werkelijke vervuiling belast te worden, maar
moeten dan zelf voor de nodige meet- en bemonsteringsresultaten zorgen. Omgekeerd kan de met
toezicht belaste ambtenaar van de Maatschappij kan zonder verhaal van de betrokken
heffingsplichtige kiezen voor een van de andere berekeningsmethoden, mits de hiervoor nodige
gegevens voorhanden zijn en voor zover dit resulteert in een grotere vuilvracht.
B. Grootverbruikers
Voor grootverbruikers wordt de vuilvracht berekend op basis van de formule: N=N1 + N2 + N3 + Nk
waarin :
N1 : de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen
N2 : de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde zware metalen
N3 : de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde nutriënten (natrium en fosfor);
Nk : de vuilvracht veroorzaakt door het lozen van koelwater.
Omtrent deze meetgegevens worden geregeld betwistingen gevoerd, en dit voornamelijk rond de
‘maand van grootste bedrijvigheid’ waarin N1 moet worden gemeten, alsook over de thermische
vervuiling die volgens het decreet niet hoger kan zijn dan de vergunde hoeveelheid.
Indien het in een bepaald oppervlaktewater geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is
van water opgenomen uit hetzelfde oppervlaktewater, mag de vuilvracht verminderd worden met de
vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater.
De bemonstering en de analyses om bovenstaande formule te kunnen toepassen moeten worden
uitgevoerd door een door de Executieve erkend laboratorium. Dit kan zowel op vraag van de
belastingadministratie als van de heffingsplichtige. Heffingsplichtigen die de toepassing wensen van
deze berekeningsmethode moeten zelf zorgen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van
een op eigen initiatief uitgevoerde meetcampagne door een door de regering erkend laboratorium.
c. Berekening van de vuilvracht op basis van omzettingscoëfficiënten.
Indien de gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater die nodig zijn voor de toepassing van
de berekeningsmethode op grond van de werkelijke vuilvracht niet of onvolledig voorhanden zijn,
wordt de vuilvracht berekend op grond van omzettingscoëfficiënten. Hierbij wordt enerzijds rekening
gehouden met het gefactureerde waterverbruik en anderzijds met het soort activiteit en de omvang
van de activiteit. In een vrij gedetailleerde lijst werd hiervoor bepaald welke verschillende vervuilingscoëfficiënten (N1, N2, en N3) gelden voor bv. het kuisen van 1000 kg schorseneren, het maken van
1000 kg bessenconfituur, 1000 kg bier edm.
Met uitzondering van de kleinverbruikers, zijn de heffingsplichtigen verplicht voor 15 maart van elk
heffingsjaar een aangifte bij de Maatschappij in te dienen met de nodige gegevens voor de
berekening van de vuilvracht. De heffingsplichtige die de in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar
een eigen waterwinning in gebruik neemt of die ophoudt de beschikking te hebben over een eigen
waterwinning, is verplicht dit te melden binnen een termijn van twee maanden.
2. De saneringsbijdrage
In de traditionele regeling was de ‘heffing ter bescherming van de oppervlaktewateren tegen
verontreiniging’ duidelijk een belasting. Hoewel deze belasting n.a.v. het programmadecreet van 24
december 2004 op het eerste gezicht nauwelijks werd gewijzigd, heeft de invoering van een nieuw art
35, ter §3 het ‘heffingslandschap’ toch fundamenteel gewijzigd.
Dit nieuwe artikel bepaalt inderdaad dat de hierboven omschreven kleinverbruikers m.i.v. het
heffingsjaar 2006 geen heffing meer verschuldigd zijn op het in het jaar voorafgaand aan het
heffingsjaar gefactureerde waterverbruik, voor zover op dit waterverbruik een ‘saneringsbijdrage’ voor
de bovengemeentelijke sanering werd aangerekend.
Ook voor grootverbruikers is de heffing aangepast, in die zin dat de traditioneel verschuldigde
belasting wordt verminderd met de ‘saneringsbijdrage’ voor de bovengemeentelijke sanering
aangerekend gedurende het heffingsjaar, alsook met de contractueel met (aquafin) afgesproken
vergoeding voor bovengemeentelijke sanering van niet-huishoudelijk afvalwater geloosd in een
openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie. Deze
bepaling gaat in vanaf heffingsjaar 2005.
Door deze bepalingen wordt een vrij verregaande vorm van inwisselbaarheid tussen de ‘afvalwaterbelasting’ en de ‘saneringsbijdrage’ tot stand gebracht, waarbij kleinverbruikers geen ‘belasting’
verschuldigd zijn indien hen de identiek berekende ‘saneringsbijdrage voor bovengemeentelijke
sanering’ werd aangerekend. Deze ‘inwisselbaarheid’ wordt nog verstrekt doordat een nieuwe art.
35duodecies, §2, 2° lid toelaat vooralsnog een heffing of een aanvullende heffing te vestigen na een
definitieve regeling van een geschil m.b.t. de saneringsbijdrage of na de bevestiging door de
exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk dat ten onrechte een bijdrage werd aangerekend.
Het is duidelijk dat deze regeling grotendeels is ingegeven door het feit dat gewestbelastingen en retributies in de vennootschapsbelasting niet langer aftrekbaar zijn als beroepskost. Of deze
constructie, waarbij de vergoeding nav waterverontreiniging al naargelang het geval een ‘bijdrage, een
retributie of een belasting kan zin, haar doel zal bereiken en ‘en passant’ geen andere rechtsregels
miskent zal in de toekomst moeten blijken.
De ‘saneringsbijdrage’ zelf werd opgenomen in het decreet van 24 Mei 2002 betreffende water
bestemd voor menselijke aanwending.
In dit decreet wordt vooreerst in een nieuw art. 6bis aan de exploitant van een openbaar
waterdistributienetwerk de taak toevertrouwd van de sanering van het aan de abonnees geleverde
water. Om aan zijn saneringsverplichting te voldoen, kan hij de sanering zelf organiseren of hiervoor
beroep doen op een derde. Onder ‘sanering’ verstaat het decreet ‘alle acties nodig voor de organisatie
en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van afvalwater’. Er wordt
hierbij een onderscheid gemaakt tussen de gemeentelijke saneringsverplichting (elke verplichting
inzake sanering die op de gemeenten rust) en de bovengemeentelijke saneringsverplichting (elke
verplichting inzake sanering die op het Vlaamse Gewest rust).
De exploitant voldoet aan de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting door met de
gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale.. een overeenkomst af te sluiten, waarin o.m. de door de
abonnees te betalen vergoeding wordt bepaald. Hij voldoet aan de bovengemeentelijke
saneringsplicht door met (aquafin) een overeenkomst af te sluiten.
Andere grote nieuwigheid is dat de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk lastens hun
abonnees in de kostprijs van het water een bijdrage voor de opgelegde gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting kunnen aanrekenen. Deze bijdragen worden als onderdeel van
de integrale prijs voor het leveren van water opgenomen in de waterfactuur. Abonnees worden in het
decreet omschreven als de personen die een recht van eigendom, vruchtgebruik, opstal of enig
zakelijk recht genieten op het op het openbaar waterdistributienetwerk aangesloten of aan te sluiten
onroerend goed.
Voor het bepalen van deze bijdragen worden in het decreet een aantal regels voorgeschreven.
Zo mag de bijdrage voor de sanering op gemeentelijke vlak, en die bestemd is voor de financiering
van de gemeentelijke saneringsverplichting, maximaal 1,5 keer de bijdrage voor de sanering op
bovengemeentelijke vlak bedragen. Bij het bepalen van deze bijdrage moet voorts rekening gehouden
met de volgende elementen :
1° de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het « de vervuiler betaalt »-beginsel;
2° de vergoeding voor de saneringskost per m 3 water;
3° een aandeel van de niet-inbare bijdragen;
4° een aandeel voor de door de gemeente respectievelijk het Vlaams Gewest opgelegde vrijstellingen
of sociale correcties;
5° de door de gemeente respectievelijk het Vlaams Gewest toegekende tussenkomst in de
financiering.
De bijdrage (B) m.b.t. de bovengemeentelijke saneringsverplichting die lastens de abonnees
wordt aangerekend is gelijk aan ‘P x N’, waarbij P staat voor de prijs per vervuilingseenheid, en N voor
de vervuiling. N is op zijn beurt gelijk aan ‘0,025 x Q’, waarbij Q staat voor het te factureren
waterverbruik inclusief het gratis geleverde water uitgedrukt in m 3. Dit systeem is dus identiek aan de
afvalwaterbelasting geheven lastens kleinverbruikers. Ook hier zijn een minimumbijdrage en een
regeling voor sociale correcties voorzien.
Er mag geen bijdrage worden gevraagd van grootverbruikers die verplicht zijn hun afvalwater zelf te
zuiveren en in oppervlaktewater lozen.
D. De heffingen op grondwaterwinning en op watervang
De heffing op grondwaterwinningen werd met een decreet van 20 december 1996 ingevoerd in het
decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, teneinde een
rationeel gebruik van grondwater te stimuleren. De heffing op de winning van grondwater is van
toepassing op elke natuurlijke of rechtspersoon die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het
grondgebied van het Vlaamse Gewest één van de volgende grondwaterwinningen heeft
geëxploiteerd:
- grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
- grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar;
- grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30. 000 m3 per jaar.
Sommige grondwaterwinningen zijn van heffing vrijgesteld. Het betreft o.m.:
- grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
- grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen van minder dan drie maanden ;
- draineringen die noodzakelijk zijn om de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken;
- grondwaterwinningen die gebruikt worden voor koude-warmtepompen,
- enz
Het bedrag van de heffing hangt af van de omvang en de bestemming van de waterwinning en
bedraagt 7,7 eurocent per m³ grondwater dat tot drinkbaar water kan worden verwerkt en 5 eurocent
per m³ voor grondwaterwinningen die niet bestemd zijn voor de openbare drinkwatervoorziening en
met een volume tussen 500 tot en met 30.000 m³. Deze bedragen worden jaarlijks automatisch
geïndexeerd. Voor grondwaterwinningen die niet bestemd zijn voor de openbare drinkwatervoorziening, met een volume van meer dat 30.000 m³ geldt een complexe berekeningsformule
Specifieke regels gelden indien de hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het
heffingsjaar werd opgepompt niet gekend is.
De heffing kan nooit lager zijn dan het minimum bedrag van 124 € (te indexeren).
De heffing op grondwaterwinningen moet onderscheiden worden van de vergunning voor watervang
uit waterwegen en havens ingevoerd bij decreet van 18 december 1992 (art 80-89). Deze heffing is
ten laste van de houder van de vergunning.
De heffing bedraagt :
0,043381 €/m³ voor de schijf minder dan 1.000.000 m³,
0,025161 €/m³ voor de schijf 1.000.000 - 9.999.999 m³,
0,012643 €/m³ voor de schijf 10.000.000 - 99.999.999 m³
en 0,002380 €/m³ voor de schijf daarboven.
Deze bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd.
E. Dossiertaksen
1. Dossiertaks milieuvergunning
Een dossiertaks voor de afgifte milieuvergunningen wordt vermeld in het decreet van 28 juni 1985
betreffende de milieuvergunningen en wordt geheven lastens elke natuurlijke of rechtspersoon die op
eigen initiatief een aanvraag indient met het oog op het bekomen van een milieuvergunning, alsmede
lastens elke natuurlijke of rechtspersoon die op eigen initiatief een beroep indient tegen een beslissing
in eerste aanleg over een milieuvergunningsaanvraag. De dossiertaks is verschuldigd op het tijdstip
dat de natuurlijke of rechtspersoon een vergunningsaanvraag of een beroep bedoeld indient.
De dossiertaks bedraagt:
- 495,79 € voor beroepen tegen beslissingen mbt een inrichting van klasse 1 die onderworpen is
aan een milieueffectrapport en/of veiligheidsrapport;
- 247,89 € voor vergunningsaanvragen voor inrichting van klasse 1 die onderworpen is aan een
milieueffectrapport en/of veiligheidsrapport en voor beroepen tegen beslissingen mbt een inrichting
van klasse 1
- 123,95 € voor vergunningsaanvragen voor inrichting van klasse 1 en voor beroepen tegen beslissingen mbt een inrichting van klasse 2
- 61,97 € voor vergunningsaanvragen voor inrichting van klasse 2
- 6,2 € voor beroepen ingesteld door derde personen
Een dossierrecht is eveneens verschuldigd door elke persoon die een kennisgevingsdossier of een
toelatingsaanvraag met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetische gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient (art 19ter). De heffing varieert tussen 123,95 € en
2478,94 € afhankelijk van het risiconiveau. Voor de verlenging van de vergunning en voor de vraag tot
heroverweging gelden specifiek tarieven.
Een bewijs van betaling van voormelde dossiertaks moet worden gevoegd bij de
vergunningsaanvraag, of het beroepsschrift. Het niet bijvoegen van het bewijs van volledige betaling
heeft van rechtswege de onvolledigheid van bedoelde vergunningsaanvraag tot gevolg.
2. Dossierrecht bodemattest
De bodemattestheffing maakt deel uit van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de
bodemsanering. Eén van de belangrijke doelen van dat decreet bestaat erin bescherming te bieden
aan een onwetende potentiële koper van een mogelijk verontreinigde grond. OVAM speelt hierin een
belangrijke rol en moet o.a. de vervuilde gronden identificeren en in een register opnemen en moet
ook een lijst opstellen van activiteiten en inrichtingen die bodemvervuiling kunnen veroorzaken.
Alvorens een grond te kunnen verkopen of overdragen, moet de overdrager vanaf 1 oktober 1996 bij
de OVAM een bodemattest aanvragen. Indien op deze grond een activiteit werd uitgeoefend of een
inrichting aanwezig was die vermeld staat op de lijst, is een overdracht slechts mogelijk na een
oriënterend onderzoek.
De afgifte van het bodemattest is onderworpen aan de betaling van een ‘retributie’ van 25 € per
kadastraal perceel.
3. Afvaltransportheffing.
De afvaltransportheffing is een heffing ter vergoeding van de administratieve kosten verbonden aan
de kennisgevings- en toezichtsprocedure m.b.t. de invoer en uitvoer van afvalstoffen overeenkomstig
de EEG-verordening 259/93, die de Vlaamse regering overeenkomstig art 33 van het het decreet van
2 juli 1981 mag instellen.
Dit werd geregeld in het Besluit Vl.R. van 17 december 1997 (Vlarea) (art 6.4), die vergoedingen
instelt gaande van 5 € tot 125 €.
F De Heffingen op mestoverschotten
De wettelijke basis voor de heffingen op mestoverschotten is terug te vinden in het decreet van 23
januari 1991 inzake de verontreiniging van het milieu door meststoffen
Het decreet heeft zes verschillende heffingen ingevoerd :
-
Er is vooreerst een basisheffing BH1 ten laste van elke producent op wiens bedrijf de dierlijke
mestproductie gedurende het voorbije kalenderjaar, meer bedroeg dan 300 kg difosforpentoxyde
of P205. Het bedrag van deze heffing wordt berekend op grond van de bruto-productie van dierlijke
mest uitgedrukt in kg de P205 en stikstof.
-
Vervolgens een tweede basisheffing BH2, lastens elke producent en/of gebruiker die andere
meststoffen, uitgedrukt in kg P205 en in kg N, opbrengt op cultuurgrond gelegen in het Vlaamse
Gewest Het bedrag van deze heffing wordt bepaalt op basis van de hoeveelheid op de
cultuurgronden opgebracht meststoffen, uitgedrukt in kg P205 en stikstof
-
Een derde basisheffing BH3 is verschuldigd door de ebruiker die chemische meststoffen
-
een aanvullende afzetheffing wordt geheven van elke producent die in het voorbije kalenderjaar,
dierlijke mest heeft verhandeld met tussenkomst van de Mestbank. Deze afzetheffing heeft tot
doel de kosten van ophaling, transport, opslag, kwaliteitsonderzoek, enz te recupereren en is in
beginsel alleen vergoiedend van aard
-
Verder is een nog een basisheffing voor de invoerder van mestoverschotten. Het bedrag van
deze heffing bedraagt 2,4789 € per ton ingebrachte mestoverschot
-
Tenslotte zijn er nog de superheffingen SH1 en SH2 verschuldigd door producent die niet heeft
voldaan aan de mestverwerkingsplicht en/of exportplicht of op wiens bedrijf meer dierlijke mest
werd geproduceerd dan toegelaten
In geval het bedrag van de drie basisheffingen of van de twee superheffing kleiner is dan 25 €, dan
wordt dat bedrag niet geïnd. De heffingsplichtige moet de verschuldigde heffing betalen binnen een
termijn van zestig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Een intrest van 1 procent per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer de heffing niet tijdig
werd betaald
G De Grindheffing
Het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van een grindfonds en tot regeling van de grindwinning
bepaalt dat de houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind in een grindwinning
aan een halfjaarlijkse grindheffing zijn onderworpen. Deze grindheffing is bedoeld om het grindfonds,
dat werd ingesteld om de sluiting van de grindwinningen sociaal te begeleiden wordt berekend op het
gewonnen tonnage grind met inbegrip van het breekzand dat tijdens een periode van 6 maand werd
afgevoerd.
De heffing wordt vastgesteld op een bedrag gelijk aan het product van een heffingscoëfficiënt
(vastgesteld door de Vlaamse regering) en et 1,24 € per ton valleigrint of 0,87 € per ton berggrind.
H De elektriciteit- en gasheffingen
De elektriciteitsheffing werd ingevoerd door het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van
de elektriciteitsmarkt. Het betreft een heffing lastens de exploitant/netbeheerder van een distributienet
voor elektriciteit, die berekend wordt op de hoeveelheid stroom die jaarlijks wordt geïnjecteerd op het
distributienet, verminderd met de hoeveelheid ‘groene stroom’. De bedragen variëren van 1.860 € voor
inbrengen van minder dan 100 GWH tot 2.231.040 € voor inbrengen van meer dan 50.000 GWH.
Deze bedragen worden automatisch geïndexeerd.
De gasheffing werd ingevoerd door het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de
gasmartkt. Het betreft een heffing ten laste de aardgasnetbeheerder, die berekend wordt op de
hoeveelheid gas die jaarlijks wordt geïnjecteerd in het aardgasdistributienet. De bedragen variëren
van 1.040 € voor inbrengen van minder dan 100 GWH tot 1.145.270 € voor inbrengen van meer dan
50.000 GWH. Deze bedragen worden automatisch geïndexeerd.
Hoofdstuk 4. Lokale milieuheffingen
Voor de volledigheid kan tenslotte nog worden vermeld dat ook vele gemeenten en uitzonderlijk ook
bepaalde provincies, tal van belastingen heffen waarbij milieuaspecten (al dan niet terecht) dienen als
verantwoording voor een belasting, gebruikt worden als differentiatiecriterium, een invloed hebben op
het tarief e.d.m.
Gelet op de fiscale autonomie waarover deze overheden beschikken en de onwaarschijnlijk grote
diversiteit aan regelingen die hierdoor bestaan, is het onmogelijk deze heffingen in het kader van dit
tijdsbestek naderbij te bekijken.
Hieronder toch een greep uit de lokale belastingreglementen die vaak doorgaan voor milieuheffingen.
-
Huisvuilbelastingen
Huisvuilretibuties
Belasting op de afgifte van huivuilzakken, -recipiënten, -stickers
belasting op het ophalen van nijverheidsvuil
belasting op het sluikstorten
belasting op het ophalen en bergen van op de openbare weg gevonden voertuigen en goederen
Belasting op de afgifte van stukken voor gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven
Belasting op de afgifte van verkavelingsvergunningen
Belasting op het leggen van rioleringen
rioolonderhoudsbelasting
Belasting op de op het rioleringsnet aangesloten of aansluitbare gebouwen
Belasting op de aansluiting op riolen
Belasting op de op het watervoorzieningsnet aangesloten of aansluitbare gebouwen
Belasting op de ruiming van aalputten
Milieubelasting
Belasting op het gebruik van gemeentelijke containers
Belasting op tanks en vergaarbakken
Belasting op steenbakkerijen
Belasting op stortplaatsen
Belasting op de chemische nijverheid
Belasting op het kosteloos verspreiden van reclame
Belasting op het kosteloos verspreiden van reclamebladen
Belasting op stapelplaatsen voor schroot
Belasting op gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven
Belasting op kermissen
Belasting op frituurkramen
Belasting op grote bouwwerken
Belasting op privé-zwembaden
Hondenbelasting
Algemene belasting
***
Download