SYLLABVS LATIJN

advertisement
SYLLABVS LATIJN
2009 • 2010
DR.
ADRIE
VAN DER
LAAN
We shall not cease from exploration
And the end of all our exploring
Will be to arrive where we started
And know the place for the first time
T.S. Eliot
—2—
Inhoudsopgave
Uitdrukkingen ............................................................................................................................. 5
Studiehandleiding Latijn-I ........................................................................................................ 7
Vormleer (morfologie) .............................................................................................................. 9
Zinsbouw (syntaxis) ................................................................................................................. 23
Lijst van grammaticale termen ............................................................................................... 32
Nuttige links .............................................................................................................................. 32
Zinsanalyse ................................................................................................................................ 33
Teksten ...................................................................................................................................... 34
—3—
—4—
Uitdrukkingen
1. Dies diem docet ......................................................................................................... Agricola
2. Res facit amicos ........................................................................................................... Plautus
3. Historia est testis temporum, lux veritatis, vita memoriae, magistra vitae ........... Cicero
4. Audere est facere ..................................................................................... Tottenham Hotspurs
5. Errare humanum est
6. Ars est celare artem .................................................................................................... Ovidius
7. Summum ius summa iniuria ........................................................................................ Cicero
8. Varium et mutabile semper femina ....................................................................... Vergilius
9. Silent leges inter arma ................................................................................................... Cicero
10. Mens sana in corpore sano ..................................................................................... Iuvenalis
11. Cogito, ergo sum ..................................................................................................... Descartes
12. Veni, vidi, vici ............................................................................................................... Caesar
13. Caute .............................................................................................................................Spinoza
14. Tu quoque, Brute! ........................................................................................................ Caesar
15. Ubi bene, ibi patria ....................................................................................................... Cicero
16. Quot homines, tot sententiae ................................................................................ Terentius
17. E pluribus unum ...................................................................................... Benjamin Franklin
18. Homo homini lupus ................................................................................... Hobbes < Plautus
19. Amor tussisque non celatur ................................................................................... Erasmus
20. Possunt, quia posse videntur ................................................................................. Vergilius
21. Docendo discimus ....................................................................................................... Seneca
22. Luctor et emergo ....................................................................................................... Zeeland
23. Morituri te salutant ................................................................................................. Gladiator
24. Non omnia possumus omnes ................................................................................ Vergilius
25. Oderint, dum metuant ................................................................................................ Accius
26. Per ardua ad astra ............................................................................................. Cicero, Seneca
27. Video meliora proboque, deteriora sequor ........................................................... Ovidius
28. Regibus boni quam mali suspectiores sunt ........................................................ Sallustius
29. Summa scelera incipiuntur cum periculo, peraguntur cum praemio .................. Tacitus
30. Abusus non tollit usum
31. Verba volant, scripta manent
32. Veritas odium parit
33. Non scholae, sed vitae discimus
34. Concordia res publica crescit
—5—
—6—
Studiehandleiding Latijn I
Colleges: 10 november 2009 tot en met 15 januari 2010 = wk 46–51 + wk 1–2
wanneer
wk 46
wk 47
wk 48
wk 49
wk 50
wk 51
wk 1
wk 2
hele blok
wk 3–4
wat
vormleer : zelfstandig naamwoord
zinsbouw : naamwoord : vorm & functie
vormleer : werkwoord
zinsbouw : werkwoord : persoonsvormen (persoon, getal, tijd, gezichtspunt, passieve vormen)
vormleer : regelmatige werkwoordsvormen
zinsbouw : werkwoord : naamwoordelijke vormen (infinitivus, AcI)
vormleer : bijvoeglijk naamwoord • trappen van vergelijking • bijwoord
zinsbouw : werkwoord : naamwoordelijke vormen (participium)
vormleer : voornaamwoorden (aanwijzend, betrekkelijk)
zinsbouw : werkwoord: persoonsvormen (modus, imperativus, coniunctivus)
vormleer : voornaamwoorden (vragend, onbepaald, persoonlijk, bezittelijk)
zinsbouw : zinsbouw • de tekst
vormleer : werkwoordsvormen (gerundium, gerundivum)
zinsbouw : werkwoord: naamwoordelijke vormen (gerundium, gerundivum)
vormleer : onregelmatige werkwoordsvormen (esse, posse, velle, nolle, malle, ire, fieri, ferre)
zinsbouw : werkwoord: naamwoordelijke vormen (ablativus absolutus)
bestuderen van Tore Janson, Latijn : Cultuur, Geschiedenis en Taal (Amsterdam 2004)
woordenschat aanleren via Wellink’s Basisvocabularium Latijn (Deurne 1997)
tentamina
syllabus blz.
9
23
15
24
16–19
21, 26
10–11
21, 26
12
24–25
13
28–31
20–21
27
20–21
27
—7—
—8—
ZELFSTANDIG NAAMWOORD (ZN)
Ieder zn is bepaald op drie manieren:
1. geslacht mannelijk (m) • vrouwelijk (v) • onzijdig (o)
2. getal
enkelvoud (ev) • meervoud (mv)
3. naamval nominativus (1) • genitivus (2) • dativus (3) • accusativus (4) • ablativus (5)
Er zijn vijf verbuigingsgroepen voor zelfstandige naamwoorden:
Groep I
Geslacht
vrouwelijk,
tenzij het om
een man gaat
Getal
ev
Naamval
nom puella
gen puellae
dat puellae
acc puellam
abl puella
Getal
mv
Naamval
nom puellae
gen puellarum
dat puellis
acc puellas
abl puellis
Groep II
Geslacht
mannelijk
Getal
ev
Naamval
nom servus
gen servi
dat servo
acc servum
abl servo
Getal
mv
Naamval
nom servi
gen servorum
dat servis
acc servos
abl servis
onzijdig
ev
nom
gen
dat
acc
abl
mv
nom
gen
dat
acc
abl
Groep III
Geslacht
mannelijk of
vrouwelijk als
nom/acc mv
eindigt op -es
onzijdig als
nom/acc mv
eindigt op –a
Getal
ev
ev
donum
doni
dono
donum
dono
Naamval
nom rex
gen regis
dat regi
acc regem
abl rege
Getal
mv
nom
gen
dat
acc
abl
mv
nomen
nominis
nomini
nomen
nomine
dona
donorum
donis
dona
donis
Naamval
nom reges
gen regum
dat regibus
acc reges
abl regibus
nom
gen
dat
acc
abl
N.B.
• enkele mannelijke znn in groep II hebben een afwijkende nom ev die meestal eindigt op –er
(bijv. puer, magister, minister, liber, vesper en ook vir)
• de zesde naamval is de aanspreekvorm en altijd gelijk aan de eerste naamval, behalve bij
een zn op -us in groep II : servus—serve • Marcus—Marce • Lucius—Luci
• enkele znn in groep III wijken af in acc ev (-im), abl ev (-i) en gen mv (-ium)
• onzijdige znn op –e (bijv. mare), -al (bijv. animal) of –ar (bijv. calcar) wijken af in de
abl ev (-i), nom/acc mv (-ia) en gen mv (-ium)
• een paar znn hebben een sterk onregelmatige verbuiging (bijv. vis)
• er zijn wel richtlijnen voor het geslacht van woorden in groep III, maar het handigste is om
in een woordenboek het geslacht van een woord uit deze groep op te zoeken
Groep IV
Geslacht
mannelijk
Getal
ev
Naamval
nom manus
gen manus
dat manui
acc manum
abl manu
Getal
mv
Naamval
nom manus
gen manuum
dat manibus
acc manus
abl manibus
onzijdig
ev
nom
gen
dat
acc
abl
mv
nom
gen
dat
acc
abl
cornu
cornus
cornu
cornu
cornu
cornua
cornuum
cornibus
cornua
cornibus
N.B.
• enkele znn op –us in groep IV zijn vrouwelijk: manus, domus, Idus
Groep V
Geslacht
vrouwelijk
Getal
ev
Naamval
nom res
gen rei
dat rei
acc rem
abl re
Getal
mv
Naamval
nom res
gen rerum
dat rebus
acc res
abl rebus
N.B.
• het woord dies is mannelijk
nomina
nominum
nominibus
nomina
nominibus
—9—
BIJVOEGLIJK NAAMWOORD (BN)
• een
• een
• een
• alle
bn sluit zich aan bij een zn en is daaraan gelijk in geslacht, getal en naamval
bn heeft een vaste bijwoordelijke vorm die nooit wordt verbogen
bn heeft trappen van vergelijking
vergrotende trappen volgen de znn van groep III in alle naamvallen
N.B.
• bnn uit groep II volgen de znn van groep III, maar niet in alle naamvallen:
— ev abl :
-i
— mv nom/acc onz :
-ia
— mv gen :
-ium
• enkele bnn hebben een afwijkende nom ev mannelijk die eindigt op –er, bijv. acer (acris,
acre)
Er zijn twee hoofdgroepen bijvoeglijke naamwoorden:
I • longus, longa, longum
Getal
ev
Naamval
nom
gen
dat
acc
abl
Mannelijk
longus
longi
longo
longum
longo
Vrouwelijk
longa
longae
longae
longam
longa
Onzijdig
longum
longi
longo
longum
longo
mv
nom
gen
dat
acc
abl
longi
longorum
longis
longos
longis
longae
longarum
longis
longas
longis
longa
longorum
longis
longa
longis
N.B.
• bnn uit groep I volgen in alle naamvallen de znn van groep I en II
• enkele bnn hebben een afwijkende nom ev mannelijk die eindigt op –er, bijv. pulcher
(pulchra, pulchrum) en miser (misera, miserum)
Bijvoeglijke vormen van een bn
a. als een bijvoeglijke bepaling bij een zn: het bn zegt iets over het zn:
—gloriosus miles • de beroemde soldaat
—pulcher equus • het mooie paard
b. als dubbelverbonden bepaling in een zin: het bn zegt iets over zowel de handeling als een
ander naamwoord:
—servi irati salutem dicunt • de slaven zeggen boos goeiedag
—te iratum facio
• ik maak jou kwaad
Bijwoordelijke vorm van een bn
• een bijwoord wordt nooit verbogen
• een bijwoord slaat op een werkwoord of geeft een nadere bepaling bij een bn of bijwoord:
—miles fortiter pugnat
• de soldaat vecht dapper
—femina pulchre scribit • de vrouw schrijft mooi
N.B.
• bij koppelwerkwoorden (zijn, worden, e.a.) kan een bn als aanvulling in de nominativus
staan (= naamwoordelijk deel van het gezegde), bijv. rex magnus est • de koning is groot
• een bn kan zelfstandig in de zin staan, bijv. dives salutem dicit • de rijkaard zegt goeiedag
II • fortis, forte — ingens
Getal
ev
Naamval
nom
gen
dat
acc
abl
m/v
fortis
fortis
forti
fortem
forti
o
forte
fortis
forti
forte
forti
m/v
ingens
ingentis
ingenti
ingentem
ingenti
o
ingens
ingentis
ingenti
ingens
ingenti
mv
nom
gen
dat
acc
abl
fortes
fortium
fortibus
fortes
fortibus
fortia
fortium
fortibus
fortia
fortibus
ingentes
ingentium
ingentibus
ingentes
ingentibus
ingentia
ingentium
ingentibus
ingentia
ingentibus
—10—
TRAPPEN VAN VERGELIJKING
BIJWOORD (BW)
Vergrotende trap
longior = langer • vrij lang • te lang • langst (van twee)
longior quam = langer dan
Bijwoordelijke vormen van het bn
Overtreffende trap
longissimus = langst • zeer lang
quam longissimus = zo lang mogelijk
Vorming
bn
longus
fortis
ingens
vergrotend
–ior
longior
fortior
ingentior
overtreffend
–issimus
longissimus
fortissimus
ingentissimus
pulcher
miser
acer
pulchrior
miserior
acrior
pulcherrimus
miserrimus
acerrimus
facilis
similis
facilior
similior
facillimus
simillimus
Verbuiging
m/v
longior
longioris
longiori
longiorem
longiore
longiores
longiorum
longioribus
longiores
longioribus
o
longius
longioris
longiori
longius
longiore
longiora
longiorum
longioribus
longiora
longioribus
De overtreffende trap (longissimus, –a, –um) wordt verbogen zoals longus, –a, –um
Onregelmatige vormen
bijvoeglijk
bonus
melior
malus
peior
magnus
maior
parvus
minor
multus
plus
optimus
pessimus
maximus
minimus
plurimus
goed
slecht
groot
klein
veel
bijwoordelijk
bene
male
magne
parve
multum
melius
peius
maius
minus
plus
optime
pessime
maxime
minime
plurimum
-e / -ter
vergrotende trap
-ius
overtreffende trap
-issime
-e
longus
pulcher
longe
pulchre
longius
pulchrius
longissime
pulcherrime
-iter
fortis
ferox
fortiter
ferociter
fortius
ferocius
fortissime
ferocissime
-ter
audax
diligens
audacter
diligenter
audacius
diligentius
audacissime
diligentissime
facilis
facile
facilius
facillime
N.B.
• bij sommige bnn wordt de acc. ev. gebruikt als bijwoord:
—multum = veel
—parum = weinig
—solum = slechts
—tantum = slechts
• bij sommige bnn wordt de abl. ev. gebruikt als bijwoord:
—cito = snel
—subito = plotseling
• onregelmatige bijwoorden:
—bene
= goed
—male
= slecht
—valde
= zeer
—magnopere = zeer
—nimis
= te
—11—
VOORNAAMWOORD (VNW)
Aanwijzend
ev
nom
gen
dat
acc
abl
deze, dit
m
hic
huius
huic
hunc
hoc
mv
nom
gen
dat
acc
abl
hi
horum
his
hos
his
v
haec
huius
huic
hanc
hac
hae
harum
his
has
his
o
hoc
huius
huic
hoc
hoc
v
illa
illius
illi
illam
illa
o
illud
illius
illi
illud
illo
haec
horum
his
haec
his
illi
illorum
illis
illos
illis
illae
illarum
illis
illas
illis
illa
illorum
illis
illa
illis
N.B.
• een derde aanwijzend vnw is iste, ista, istud
• iste, ista, istud wordt op dezelfde manier verbogen als ille, illa, illud
• soms heeft ille een positieve bijklank en iste een negatieve
Aanwijzend
ev
mv
nom
gen
dat
acc
abl
deze, dit, die, dat
m
v
is
ea
eius
eius
ei
ei
eum
eam
eo
ea
o
id
eius
ei
id
eo
nom
gen
dat
acc
abl
ei
eorum
eis
eos
eis
ea
eorum
eis
ea
eis
eae
earum
eis
eas
eis
Betrekkelijk
die, dat
m
ille
illius
illi
illum
illo
N.B.
• is, ea, id worden ook vaak zelfstandig gebruikt = hij, zij, het
• afgeleid hiervan is idem, eadem, idem = dezelfde, hetzelfde
• idem, eadem, idem worden verbogen als is, ea, id + dem behalve:
—acc ev m eundem — acc ev v eandem
—gen mv m/o eorundem — gen mv v earundem
ev
nom
gen
dat
acc
abl
mv
nom
gen
dat
acc
abl
die, dat
m
qui
cuius
cui
quem
quo
qui
quorum
quibus
quos
quibus
v
quae
cuius
cui
quam
qua
o
quod
cuius
cui
quod
quo
quae
quarum
quibus
quas
quibus
quae
quorum
quibus
quae
quibus
N.B.
• een betrekkelijk vnw komt altijd op twee manieren overeen met het naamwoord waarnaar
het verwijst (= het antecedent):
1. in getal
2. in geslacht
• een betrekkelijk vnw hoeft met zijn antecedent niet overeen te komen in naamval. De
naamval van het betrekkelijk vnw wordt namelijk bepaald door de functie die het
betrekkelijk vnw heeft in de zin waarin het staat, terwijl de naamval van het antecedent
wordt bepaald door de functie in de zin waarin dat antecedent staat. Het betrekkelijk vnw
staat nooit in dezelfde zin als zijn antecedent.
• een betrekkelijk vnw kan ook aan het begin van een nieuwe zin staan, dat wil zeggen, het
kan twee zelfstandige zinnen verbinden. Dit heet relatieve aansluiting.
Voorbeelden:
• servus, qui vocat, magnus est
• servus, quem video, fortis est
• femina, quae vocat, magna est
• femina, quam video, fortis est
• virum, cui pecuniam das, video
— de slaaf, die roept, is groot
— de slaaf, die ik zie, is sterk
— de vrouw, die roept, is groot
— de vrouw, die ik zie, is sterk
— ik zie de man, aan wie jij geld geeft
• Filia ad domum venit. Quam pater accipit. — De dochter komt naar huis. Vader ontvangt
haar.
—12—
VOORNAAMWOORD (VNW)
Vragend
ev
mv
nom
gen
dat
acc
abl
m/v
quis
cuius
cui
quem
quo
o
quid
cuius
cui
quid
quo
nom
gen
dat
acc
abl
qui
quorum
quibus
quos
quibus
quae
quorum
quibus
quae
quibus
Onbepaald
zelfstandig
m/v
aliquis
o
aliquid
iemand
iets
m/v
o
quidam
quiddam
m/v
o
quisquam
quicquam
De vormen links hiernaast zijn
van het zelfstandige vragende
vnw — bijv. Wie heeft gerend?
Er zijn aparte vormen voor het
bijvoeglijke vragende vnw —
bijv. Welke vrouw heeft gerend?
De bijvoeglijke vormen zijn
gelijk aan die van het
betrekkelijk vnw.
Bijvoeglijk
m
aliqui
v
aliqua
o
aliquod
een (zekere)
een
een
iemand
iets
m
v
o
quidam
quaedam
quoddam
een
een
een
iemand
iets
m
v
o
ullus
ulla
ullum
een
een
een
N.B.
• het onbepaalde vnw wordt verbogen zoals het vragende vnw
• voorvoegsels (ali-) en achtervoegsels (-dam, -quam, -que, -cumque) worden niet verbogen
• quisquam, quicquam (iemand, iets) en ook ullus, ulla, ullum (enige) komen alleen voor in
combinatie met een ontkenning (bijvoorbeeld non)
• na si, nisi, num, ne gaat ali- niet met -quis mee, bijvoorbeeld:
— ne quid nimis = ne aliquid nimis = “niets te” (ofwel: “alles met mate”)
Persoonlijk
nom
ego
gen
mei
dat
mihi
acc
me
abl
me
tu
tui
tibi
te
te
x
sui
sibi
se
se
nos
nostri
nobis
nos
nobis
vos
vestri
vobis
vos
vobis
N.B.
• het persoonlijke vnw wordt alleen gebruikt voor nadruk of duidelijkheid
• sui, sibi, se, se (zich) verwijzen altijd naar het onderwerp van de zin
• er zijn twee vormen voor de tweede naamval:
—i
: mei, tui, sui, nostri, vestri
: deze vormen komen alleen voor als gen. obiectivus
: metus tui = angst voor jou (nooit : angst van jou / jouw angst)
—um : nostrum, vestrum
: deze vormen komen alleen voor als gen. partitivus (die een groter geheel aangeeft)
: aliqui nostrum = sommigen van ons
• de genitivus van het persoonlijke vnw duidt nooit de bezitter aan, daarvoor dient het
bezittelijke vnw
Bezittelijk
meus
tuus
suus
noster
vester
• meus, tuus, suus worden verbogen zoals longus, longa, longum
• noster, vester worden verbogen zoals pulcher, pulchra, pulchrum
• het bezittelijke vnw gedraagt zich als een bn — het komt dus overeen met het woord waar
het bijhoort en wel in getal, geslacht en naamval
• suus, sua, suum slaat altijd terug op het onderwerp van de zin (zowel ev als mv):
—vir suam filiam videt
= de man ziet zijn (eigen) dochter
—vir suos amicos videt
= de man ziet zijn (eigen) vrienden
—femina suos amicos videt
= de vrouw ziet haar (eigen) vrienden
—vir et femina suos amicos vident = de man en de vrouw zien hun (eigen) vrienden
• als de eigenaar niet het onderwerp van de zin is, wordt de tweede naamval van is, ea, id
gebruikt, dus in het ev. eius en in het mv. eorum, earum:
—puer suos amicos videt
= de jongen ziet zijn (eigen) vrienden
—puer suam sororem et eius amicos videt = de jongen ziet zijn (eigen) zus en haar vrienden
—13—
TELWOORDEN
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
unus
duo
tres
quattuor
quinque
sex
septem
octo
novem
decem
1e
2e
3e
4e
5e
6e
7e
8e
9e
10e
decem
viginti
triginta
quadraginta
quinquaginta
sexaginta
septuaginta
octoginta
nonaginta
centum
primus
secundus
tertius
quartus
quintus
sextus
septimus
octavus
nonus
decimus
10e
20e
30e
40e
50e
60e
70e
80e
90e
100e
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
undecim
duodecim
tredecim
quattuordecim
quindecim
sedecim
septendecim
duodeviginti
undeviginti
viginti
decimus
vicesimus
trigesimus
quadragesimus
quinquagesimus
sexagesimus
septuagesimus
octogesimus
nonagesimus
centesimus
Verbuiging van unus, duo, tres
m
v
o
nom
unus
una
unum
gen
unius
unius
unius
dat
uni
uni
uni
acc
unum
unam
unum
abl
uno
una
uno
100
200
300
400
500
600
700
800
900
1000
2000
3000
m
duo
duorum
duobus
duo(s)
duobus
11e
12e
13e
14e
15e
16e
17e
18e
19e
20e
undecimus
duodecimus
tredecimus
quartus decimus
quintus decimus
sextus decimus
septimus decimus
duodevicesimus
undevicesimus
vicesimus
centum
ducenti
trecenti
quadringenti
quingenti
sescenti
septingenti
octingenti
nongenti
mille
duo milia
tria milia
enz.
v
duae
duarum
duabus
duas
duabus
o
duo
duorum
duobus
duo
duobus
m/v
tres
trium
tribus
tres
tribus
o
tria
trium
tribus
tria
tribus
© The New Yorker / Richard Decker, 1958
—14—
WERKWOORD (WW)
Persoonsvormen
Persoonsvormen zijn op vijf punten bepaald:
1. Persoon:
eerste, tweede, derde persoon = ik, jij, hij/zij/het
2. Getal:
ev, mv
3. Tijd:
praesens, imperfectum, futurum
perfectum, plusquamperfectum, futurum exactum
4. Modus:
indicativus, coniunctivus, imperativus
5. Perspectief: actief, passief
Werkwoordstammen
praesensstam
vocahabeimpleaudi-
a-stammen
e-stammen
i-stammen
perfectumstam
vocavhabuimplevaudiv-
voltooid deelwoord
vocatus
habitus
impletus
auditus
Persoonsvorm = werkwoordstam + kenletter(s) + bindvocaal + persoonsuitgang
Medeklinkerstammen hebben een onregelmatig perfectum en voltooid deelwoord. Dat geldt
ook voor sommige werkwoorden uit de hierboven genoemde klinkerstammen.
N.B.
• niet in alle persoonsvormen zitten kenletters
• een bindvocaal is een klinker die tussen medeklinkers is gezet om de uitspraak te
vereenvoudigen; niet in elke persoonsvorm zit een bindvocaal
Persoonsuitgangen
Er zijn drie werkwoordstammen waarmee in totaal negen tijden worden gemaakt:
praesensstam
perfectumstam
voltooid deelwoord
praesens actief
praesens passief
perfectum actief
perfectum passief
imperfectum actief
imperfectum passief
plusqmperf. actief
plusqmperf. passief
futurum actief
futurum passief
futur. exact. actief
futur. exact. passief
actief
-o • -m
-s
-t
-mus
-tis
-nt
passief
-r • -or
-ris
-tur
-mur
-mini
-ntur
perfectum
-i
-isti
-it
-imus
-istis
-erunt
Stamgroepen
De Latijnse werkwoorden zijn ingedeeld in vier stamgroepen:
1. a-stammen
2. e-stammen
3. medeklinkerstammen
4. i-stammen
Ook is er een gemengde groep: werkwoorden waarvan de infinitivus doet vermoeden dat ze
bij de groep van de medeklinkerstammen horen, maar die grotendeels worden vervoegd zoals
de i-stammen. Een voorbeeld is capere (pakken) : capio (ik pak).
Uiteraard zijn er onregelmatige werkwoorden, zoals in elke taal, en ook in het Latijn zijn het
de usual suspects, bijvoorbeeld esse, posse, ire, fieri, ferre, velle
Ten slotte zijn er werkwoorden die in het Latijn enkel passieve vormen hebben, maar een
actieve betekenis. Deze werkwoorden heten deponentia (ev = deponens)
—15—
WERKWOORD
perfectumstam: vocav
praesensstam: voca
actief
indicativus
praesens
ik roep
voco
vocas
vocat
vocamus
vocatis
vocant
imperfectum
futurum
kenletters: ba
ik riep
vocabam
vocabas
vocabat
vocabamus
vocabatis
vocabant
kenletter: b
ik zal roepen
vocabo
vocabis
vocabit
vocabimus
vocabitis
vocabunt
coniunctivus
kenletter: e
vocem
voces
vocet
vocemus
vocetis
vocent
kenletters: re
vocarem
vocares
vocaret
vocaremus
vocaretis
vocarent
x
x
x
x
x
x
passief
indicativus
ik word geroepen
vocor
vocaris
vocatur
vocamur
vocamini
vocantur
kenletters: ba
ik werd geroepen
vocabar
vocabaris
vocabatur
vocabamur
vocabamini
vocabantur
kenletter: b
ik zal worden geroepen
vocabor
vocaberis
vocabitur
vocabimur
vocabimini
vocabuntur
coniunctivus
kenletter: e
actief
indicativus
perfectum
ik heb geroepen
vocavi
vocavisti
vocavit
vocavimus
vocavistis
vocaverunt
vocer
voceris
vocetur
vocemur
vocemini
vocentur
kenletters: re
plusquamperf.
vocarer
vocareris
vocaretur
vocaremur
vocaremini
vocarentur
futurum
exactum
x
x
x
x
x
x
kenletters: era
ik had geroepen
vocaveram
vocaveras
vocaverat
vocaveramus
vocaveratis
vocaverant
coniunctivus
kenletters: eri
vocaverim
vocaveris
vocaverit
vocaverimus
vocaveritis
vocaverint
passief
indicativus
coniunctivus
ik ben geroepen
vocatus sum
vocatus es
vocatus est
vocati sumus
vocati estis
vocati sunt
vocatus sim
vocatus sis
vocatus sit
vocati simus
vocati sitis
vocati sint
ik was geroepen
vocatus eram
vocatus eras
vocatus erat
vocati eramus
vocati eratis
vocati erant
vocatus essem
vocatus esses
vocatus esset
vocati essemus
vocati essetis
vocati essent
kenletters: isse
vocavissem
vocavisses
vocavisset
vocavissemus
vocavissetis
vocavissent
kenletters: eri
ik zal hebben geroepen
vocavero
vocaveris
vocaverit
vocaverimus
vocaveritis
vocaverint
x
x
x
x
x
x
ik zal zijn geroepen
vocatus ero
vocatus eris
vocatus erit
vocati erimus
vocati eritis
vocati erunt
x
x
x
x
x
x
—16—
WERKWOORD
praesensstam: habe
actief
indicativus
praesens
ik houd
habeo
habes
habet
habemus
habetis
habent
imperfectum
futurum
kenletters: ba
ik hield
habebam
habebas
habebat
habebamus
habebatis
habebant
kenletter: b
ik zal houden
habebo
habebis
habebit
habebimus
habebitis
habebunt
perfectumstam: habu
coniunctivus
kenletter: a
habeam
habeas
habeat
habeamus
habeatis
habeant
kenletters: re
haberem
haberes
haberet
haberemus
haberetis
haberent
x
x
x
x
x
x
passief
indicativus
ik word gehouden
habeor
haberis
habetur
habemur
habemini
habentur
kenletters: ba
ik werd gehouden
habebar
habebaris
habebatur
habebamur
habebamini
habebantur
kenletter: b
ik zal worden gehouden
habebor
habeberis
habebitur
habebimur
habebimini
habebuntur
coniunctivus
kenletter: a
actief
indicativus
perfectum
ik heb gehouden
habui
habuisti
habuit
habuimus
habuistis
habuerunt
habear
habearis
habeatur
habeamur
habeamini
habeantur
kenletters: re
plusquamperf.
haberer
habereris
haberetur
haberemur
haberemini
haberentur
futurum
exactum
x
x
x
x
x
x
kenletters: era
ik had gehouden
habueram
habueras
habuerat
habueramus
habueratis
habuerant
coniunctivus
kenletters: eri
habuerim
habueris
habuerit
habuerimus
habueritis
habuerint
passief
indicativus
coniunctivus
ik ben gehouden
habitus sum
habitus es
habitus est
habiti sumus
habiti estis
habiti sunt
habitus sim
habitus sis
habitus sit
habiti simus
habiti sitis
habiti sint
ik was gehouden
habitus eram
habitus eras
habitus erat
habiti eramus
habiti eratis
habiti erant
habitus essem
habitus esses
habitus esset
habiti essemus
habiti essetis
habiti essent
kenletters: isse
habuissem
habuisses
habuisset
habuissemus
habuissetis
habuissent
kenletters: eri
ik zal hebben gehouden
habuero
habueris
habuerit
habuerimus
habueritis
habuerint
x
x
x
x
x
x
ik zal zijn gehouden
habitus ero
habitus eris
habitus erit
habiti erimus
habiti eritis
habiti erunt
x
x
x
x
x
x
—17—
WERKWOORD
perfectumstam: mis
praesensstam: mitt
actief
indicativus
praesens
ik zend
mitto
mittis
mittit
mittimus
mittitis
mittunt
imperfectum
futurum
kenletters: ba
ik zond
mittebam
mittebas
mittebat
mittebamus
mittebatis
mittebant
kenletter: e
ik zal zenden
mittam
mittes
mittet
mittemus
mittetis
mittent
coniunctivus
kenletter: a
mittam
mittas
mittat
mittamus
mittatis
mittant
kenletters: re
mitterem
mitteres
mitteret
mitteremus
mitteretis
mitterent
x
x
x
x
x
x
passief
indicativus
ik word gezonden
mittor
mitteris
mittitur
mittimur
mittimini
mittuntur
kenletters: ba
ik werd gezonden
mittebar
mittebaris
mittebatur
mittebamur
mittebamini
mittebantur
kenletter: e
ik zal worden gezonden
mittar
mitteris
mittetur
mittemur
mittemini
mittentur
coniunctivus
kenletter: a
actief
indicativus
perfectum
ik heb gezonden
misi
misisti
misit
misimus
misistis
miserunt
mittar
mittaris
mittatur
mittamur
mittamini
mittantur
kenletters: re
plusquamperf.
mitterer
mittereris
mitteretur
mitteremur
mitteremini
mitterentur
futurum
exactum
x
x
x
x
x
x
kenletters: era
ik had gezonden
miseram
miseras
miserat
miseramus
miseratis
miserant
coniunctivus
kenletters: eri
miserim
miseris
miserit
miserimus
miseritis
miserint
passief
indicativus
coniunctivus
ik ben gezonden
missus sum
missus es
missus est
missi sumus
missi estis
missi sunt
missus sim
missus sis
missus sit
missi simus
missi sitis
missi sint
ik was gezonden
missus eram
missus eras
missus erat
missi eramus
missi eratis
missi erant
missus essem
missus esses
missus esset
missi essemus
missi essetis
missi essent
kenletters: isse
misissem
misisses
misisset
misissemus
misissetis
misissent
kenletters: eri
ik zal hebben gezonden
misero
miseris
miserit
miserimus
miseritis
miserint
x
x
x
x
x
x
ik zal zijn gezonden
missus ero
missus eris
missus erit
missi erimus
missi eritis
missi erunt
x
x
x
x
x
x
—18—
WERKWOORD
perfectumstam: audiv
praesensstam: audi
actief
indicativus
praesens
ik hoor
audio
audis
audit
audimus
auditis
audiunt
imperfectum
futurum
kenletters: ba
ik hoorde
audiebam
audiebas
audiebat
audiebamus
audiebatis
audiebant
kenletter: e
ik zal horen
audiam
audies
audiet
audiemus
audietis
audient
coniunctivus
kenletter: a
audiam
audias
audiat
audiamus
audiatis
audiant
kenletters: re
audirem
audires
audiret
audiremus
audiretis
audirent
x
x
x
x
x
x
passief
indicativus
ik word gehoord
audior
audiris
auditur
audimur
audimini
audiuntur
kenletters: ba
ik werd gehoord
audiebar
audiebaris
audiebatur
audiebamur
audiebamini
audiebantur
kenletter: e
ik zal worden gehoord
audiar
audieris
audietur
audiemur
audiemini
audientur
coniunctivus
kenletter: a
actief
indicativus
perfectum
ik heb gehoord
audivi
audivisti
audivit
audivimus
audivistis
audiverunt
audiar
audiaris
audiatur
audiamur
audiamini
audiantur
kenletters: re
plusquamperf.
audirer
audireris
audiretur
audiremur
audiremini
audirentur
futurum
exactum
x
x
x
x
x
x
kenletters: era
ik had gehoord
audiveram
audiveras
audiverat
audiveramus
audiveratis
audiverant
coniunctivus
kenletters: eri
audiverim
audiveris
audiverit
audiverimus
audiveritis
audiverint
passief
indicativus
coniunctivus
ik ben gehoord
auditus sum
auditus es
auditus est
auditi sumus
auditi estis
auditi sunt
auditus sim
auditus sis
auditus sit
auditi simus
auditi sitis
auditi sint
ik was gehoord
auditus eram
auditus eras
auditus erat
auditi eramus
auditi eratis
auditi erant
auditus essem
auditus esses
auditus esset
auditi essemus
auditi essetis
auditi essent
kenletters: isse
audivissem
audivisses
audivisset
audivissemus
audivissetis
audivissent
kenletters: eri
ik zal hebben gehoord
audivero
audiveris
audiverit
audiverimus
audiveritis
audiverint
x
x
x
x
x
x
ik zal zijn gehoord
auditus ero
auditus eris
auditus erit
auditi erimus
auditi eritis
auditi erunt
x
x
x
x
x
x
—19—
WERKWOORD
Gebiedende wijs
a-stam
e-stam
med.stam
i-stam
ev
voca
habe
mitte
audi
mv
vocate
habete
mittite
audite
deponens
ev
hortare
verere
loquere
orire
mv
hortamini
veremini
loquimini
orimini
N.B.
Soms hebben ww. een onregelmatig gevormde gebiedende wijs, bijv. fac, dic, duc, fer, ferte
Belangrijke onregelmatige werkwoorden
esse (zijn)
indicativus
sum
es
est
sumus
estis
sunt
coniunctivus
sim
sis
sit
simus
sitis
sint
posse (kunnen)
indicativus
possum
potes
potest
possumus
potestis
possunt
coniunctivus
possim
possis
possit
possimus
possitis
possint
imperfectum
eram
eras
erat
eramus
eratis
erant
essem
esses
esset
essemus
essetis
essent
poteram
poteras
poterat
poteramus
poteratis
poterant
possem
posses
posset
possemus
possetis
possent
futurum
ero
eris
erit
erimus
eritis
erunt
potero
poteris
poterit
poterimus
poteritis
poterunt
fui
potui
praesens
perfectum
enz.
enz.
coni.
velim
velis
velit
velimus
velitis
velint
(niet willen)
nolle
indic.
coni.
nolo
nolim
non vis
nolis
non vult
nolit
nolumus
nolimus
non vultis
nolitis
nolunt
nolint
(liever willen)
malle
indic.
coni.
malo
malim
mavis
malis
mavult
malit
malumus
malimus
mavultis
malitis
malunt
malint
vellem
enz.
nolebam
enz.
malebam
enz.
(willen)
velle
indic.
volo
vis
vult
volumus
vultis
volunt
imperf.
volebam
enz.
futurum
volam
voles
enz.
nolam
noles
enz.
malam
males
enz.
perf.
volui
enz.
nolui
enz.
malui
enz.
praesens
nollem
enz.
ire (gaan)
indic.
eo
is
it
imus
itis
eunt
coni.
eam
eas
eat
eamus
eatis
eant
fieri (gebeuren)
indic.
fio
fis
fit
fimus
fitis
fiunt
coni.
fiam
fias
fiat
fiamus
fiatis
fiant
imperf.
ibam
enz.
irem
enz.
fiebam
enz.
fierem
enz.
futurum
ibo
ibis
enz.
fiam
fies
enz.
perf.
ii
factus sum
praesens
mallem
enz.
—20—
WERKWOORD
Het ww. ferre (dragen, brengen) wordt vrijwel volledig verbogen zoals elk ww. van de
medeklinkerstam-groep, op een paar vormen na:
praes.
imperf.
Participium = deelwoord
tegenwoordig deelwoord
vorm: praesensstam + (e)ns
verleden
toekomst
vocans, -ntis
habens, -ntis
mittens, -ntis
audiens, -ntis
indic. act.
fero
fers
fert
ferimus
fertis
ferunt
coni. act.
feram
feras
ferat
feramus
feratis
ferant
indic. pass.
feror
ferris
fertur
ferimur
ferimini
feruntur
coni. pass.
ferar
feraris
feratur
feramur
feramini
ferantur
voltooid deelwoord
eigen vorm
a-stam
e-stam
e-stam
medekl. stam
i-stam
vocatus, a, um
habitus, a, um
completus, a, um
onregelmatig
auditus, a, um
ferebam
ferebas
enz.
ferrem
ferres
enz.
ferebar
ferebaris
enz.
ferrer
ferreris
enz.
toekomend deelwoord
vorm: volt. deelw. – us + urus
a-stam
e-stam
e-stam
i-stam
vocaturus, a, um
habiturus, a, um
completurus, a, um
auditurus, a, um
Gerundium
Infinitivus
heden
a-stam
e-stam
medekl. stam
i-stam
infinitivus praesens actief
praesensstam + (e)re
vocare
mittere
habere
audire
roepen
infinitivus praesens passief
praesensstam + (r)i
vocari
mitti
haberi
audiri
geroepen worden
infinitivus perfectum actief
perfectumstam + isse
vocavisse
misisse
habuisse
audivisse
geroepen hebben
infinitivus perfectum passief
ppp + esse
vocatus esse
missus esse
habitus esse
auditus esse
geroepen zijn
infinitivus futurum actief
participium futurum + esse
vocaturus esse missurus esse
habiturus esse
auditurus esse
zullen roepen
infinitivus futurum passief
ppp op –um + iri
vocatum iri
missum iri
habitum iri
auditum iri
geroepen zullen worden
gen
dat
acc
abl
= het werkwoord gebruikt als zelfstandig naamwoord
= praesensstam + (e)nd–
a-stam
vocandi
vocando
vocandum
vocando
e-stam
habendi
habendo
habendum
habendo
medekl.stam
mittendi
mittendo
mittendum
mittendo
i-stam
audiendi
audiendo
audiendum
audiendo
Gerundivum = het werkwoord gebruikt als bijvoeglijk naamwoord
= praesensstam + (e)nd-
a-stam
e-stam
medekl. stam
i-stam
m
vocandus
habendus
mittendus
audiendus
v
vocanda
habenda
mittenda
audienda
o
vocandum
habendum
mittendum
audiendum
N.B.
De vormen van het gerundivum worden verbogen zoals bijvoeglijke naamwoorden van de
eerste groep (longus, longa, longum)
—21—
—22—
NAAMWOORD : VORM & FUNCTIE
Hoofdfuncties
eerste naamval
tweede naamval
derde naamval
vierde naamval
vijfde naamval
zesde naamval
nominativus
genitivus
dativus
accusativus
ablativus
vocativus
onderwerp
bijvoeglijke bepaling
meewerkend voorwerp
lijdend voorwerp
bijwoordelijke bepaling
aanspreekvorm
Nominativus
Een woord(groep) in de eerste naamval heeft een van deze functies:
1. Onderwerp van de zin
— Caesar consul est
2. Verplichte aanvulling
— Caesar consul est
Genitivus
Een woord(groep) in de tweede naamval heeft een van deze functies:
1. Bijvoeglijke bepaling. De genitivus vormt een groep met een zn en kan aangeven:
a. van wie iets is of waar het bijhoort
— amor matris = liefde van de moeder
— ianua templi = de deur van de tempel
b. waaruit iets bestaat of waarvan het deel uitmaakt
— multitudo feminarum = een menigte vrouwen
— multum vini = veel wijn
c. een eigenschap
— femina multae sapientiae = een vrouw met veel wijsheid
d. tot wie iets is gericht
— amor matris = liefde voor de moeder
2. Verplichte aanvulling bij een ww.
— patris mei memini = ik herinner me m’n vader
3. Verplichte aanvulling bij een bnw.
— iuris peritus = deskundig in het recht
Dativus
Een woord(groep) in de derde naamval heeft een van deze functies:
1. Meewerkend voorwerp. De dativus kan aangeven:
a. aan wie/wat de handeling wordt verricht
— pater filiae panem dat = de vader geeft brood aan de dochter
b. voor wie/wat de handeling is bestemd
— mater filio librum scribit = de moeder schrijft een boek voor de zoon
c. tegen wie/wat de handeling is gericht
— rex hostibus bellum infert : de koning voert oorlog tegen de vijanden
2. Verplichte aanvulling bij een ww.
— canis domino fidet = de hond vertrouwt het baasje
3. Verplichte aanvulling bij een bnw.
— Ada matri similis est = Ada lijkt op haar moeder
4. Doel van de handeling
— rex milites praesidio relinquit = ter bescherming laat de koning soldaten achter
5. De handelende persoon (vooral bij gerundiva of passieve ww.vormen)
— bono viro honesta quaeruntur = door een goede man wordt het eervolle nagestreefd
— mihi epistola scribenda est = door mij moet een brief worden geschreven
Accusativus
Een woord(groep) in de vierde naamval heeft een van deze functies:
1. Lijdend voorwerp
— epistolam scribo = ik schrijf een brief
— discipulos docet Latinam linguam = hij onderwijst z’n leerlingen Latijn
2. Onderwerp in de zogenaamde ACI-constructie
3. Bijwoordelijke bepaling als antwoord op de vraag:
a. waarheen?
— domum venit = zij komt naar huis
b. hoe lang?
— multos annos regnavit = zij is vele jaren koningin geweest
c. hoe ver?
— multa milia passuum ambulant = ze wandelen vele mijlen
Ablativus
Een woord(groep) in de vijfde naamval heeft een van deze functies:
1. Bijwoordelijke bepaling met informatie over:
a. plaats:
waarvandaan? Roterodamo venit = ze komt uit Rotterdam
waar? Roterodamo nata est = ze is geboren in Rotterdam
waarlangs? ponte Erasmi venit = hij komt over de Erasmusbrug
b. tijd:
wanneer? aestate felix est = ’s zomers is ze gelukkig
in hoeveel tijd? duobus diebus me invenit = ze vond me in twee dagen
c. manier: waarmee? stilo scribit = ze schrijft met een pen
waardoor? sole illuminatur = het wordt verlicht door de zon
hoe? silentio legimus = wij lezen in stilte
magna lascivia vivit = hij leeft erg losbandig
in welke mate? multo peior = veel slechter
in welk opzicht? sapientia antecellit = ze blinkt uit in wijsheid
NB. voor de ablativus absolutus, zie naamwoordelijke werkwoordsvormen
2. Bijvoeglijke bepaling. De abl. vormt een groep met een zn en geeft een eigenschap aan
— uxor magna prudentia = een erg verstandige echtgenote
3. Verplichte aanvulling bij een ww.
— vita fruimini = jullie genieten van het leven
4. Verplichte aanvulling bij een bnw.
— vita dignae haec res sunt = deze dingen zijn het leven waardig
5. Aanvulling na een vergrotende trap
— Erasmus Hugone Grotio senior est = Erasmus is ouder dan Hugo de Groot
—23—
WERKWOORD : PERSOONSVORMEN
Persoon en getal
Persoon en getal komen tot uitdrukking in de persoonsuitgang. Het persoonlijke vnw. wordt
alleen gebruikt voor nadruk.
Tijd
1. Verleden tijden: perfectum • imperfectum • plusquamperfectum
• Het perfectum is de meest gebruikte tijd voor het verleden. Het perfectum wordt gebruikt
voor veranderingen in een toestand en voor ontwikkelingen in een verhaal, kortom, voor de
actie en de feiten. Het perfectum is de neutrale tijd om iets uit het verleden weer te geven.
Let op: Om onderscheid te maken tussen perfectum en imperfectum, vertalen we het perfectum
hier steeds als een voltooid tegenwoordige tijd (vocavit = ze heeft geroepen), maar dat is niet het
wezenlijke verschil; vocavit is even goed te vertalen als ze riep.
• Het imperfectum wordt gebruikt om een toestand, een situatie uit het verleden aan te geven,
kortom, voor achtergrondinformatie, voor context. Het imperfectum benadrukt de tijdsduur.
Het is dus geen neutrale tijd om het verleden weer te geven. Voorbeeld: vocabat = ze was aan het
roepen, of: ze bleef roepen, of: ze probeerde te roepen, of: ze riep steeds.
• Het plusquamperfectum wordt gebruikt om de voorverleden tijd aan te duiden (vocaverat = ze
had geroepen).
N.B. Om een tekst te verlevendigen, kan voor een beschrijving van het verleden ook de
tegenwoordige tijd worden gebruikt (praesens historicum) of de infinitivus van het praesens
(infinitivus historicus).
2. Toekomende tijden: futurum • futurum exactum
• Het futurum duidt een gebeurtenis in de toekomst aan.
• Het futurum exactum duidt een gebeurtenis in de toekomst aan die vooraf zal gaan aan een
andere gebeurtenis in de toekomst. Bijvoorbeeld: Si scripserim, epistolam mittam = Ik zal de brief
sturen, als ik ‘m zal hebben geschreven. Het schrijven gaat vooraf aan het sturen, maar beide
gebeurtenissen liggen in de toekomst. Het futurum exactum kennen we in het Nederlands niet,
omdat we minder zorgvuldig formuleren. Wij zouden zeggen: “Ik zal de brief versturen, als ik
‘m heb geschreven.”
Perspectief
Het verschil tussen actieve en passieve bewoordingen is een verschil in perspectief. Actieve
vormen benaderen de handeling vanuit de handelende persoon. Passieve vormen benaderen
de handeling vanuit degene die de handeling ondergaat. Het lijdend voorwerp in een actieve
formulering wordt het onderwerp in een passieve formulering. Bij passieve werkwoordsvormen wordt de oorzaak (door) aangeduid in de ablativus (Roterodamum bello deletum est), de
dader (door) met het voorzetsel a/ab + ablativus (Roterodamum a Germanis deletum est).
Gebruik van passieve vormen
1. Vaak wordt de handelende persoon niet genoemd. Je kunt dan op twee manieren vertalen:
a. femina vocatur = de vrouw wordt geroepen = men roept de vrouw
b. domum reditur = er wordt naar huis teruggekeerd = men keert naar huis terug
2. De handeling heeft betrekking op het onderwerp, dat wil zeggen, het onderwerp is eigenlijk
ook lijdend voorwerp: filius lavatur = de zoon wast zich
3. Deponens (ev)—Deponentia (mv)
Sommige Latijnse ww. hebben alleen passieve vormen, maar een actieve betekenis:
mater filium hortatur = moeder spoort haar zoon aan
mater filium hortata est = moeder spoorde haar zoon aan
philosophus cerebro utitur = een filosoof gebruikt z’n hersenen
Roterodamum Erasmo usum est = Rotterdam heeft Erasmus gebruikt
N.B.
• Een voltooid deelwoord van een deponens kan ook gelijktijdigheid uitdrukken, terwijl
voltooide deelwoorden van gewone ww. alleen voortijdigheid uitdrukken.
• Sommige werkwoorden zijn halve deponentia, dat wil zeggen: ze hebben een actieve
praesensstam en een passieve perfectumstam (met actieve betekenis):
audere — ausus sum = durven
solere — solitus sum
= gewend zijn
fidere — fisus sum
= vertrouwen
Modus
Het Latijn kent drie modi (wijzen): indicativus, coniunctivus en imperativus.
De indicativus stelt vast, presenteert een feit: objectieve weergave.
De coniunctivus presenteert het standpunt van de spreker: subjectieve beleving.
De imperativus is de gebiedende wijs: opdracht, verzoek.
Coniunctivus
De spreker neemt afstand van de werkelijkheid, hij geeft z’n eigen beleving weer. In onze taal
gebruiken we de coniunctivus niet meer, behalve in vaste uitdrukkingen zoals “Leve de
koningin”. In het Duits is de coniunctivus nog wel gebruikelijk, bijv. in de journalistiek om een
uitspraak ondubbelzinnig voor rekening van de geciteerde te laten komen: “Die Kanzlerin sagt,
Kanada sei wunderschön = Merkel zegt dat volgens haar Canada erg mooi is.”
Als je een coniunctivus tegenkomt, stel jezelf dan altijd de volgende vragen:
1. Staat de coniunctivus (a) in een hoofdzin of (b) in een bijzin?
2. a. Hoofdzin: welke tijd?
b. Bijzin: verplicht of niet verplicht?
—24—
Coniunctivus (vervolg)
Bij het vertalen van de coniunctivus moet je kiezen voor een omschrijving. Voor je keuze zijn
van belang:
1. Staat de coniunctivus in een hoofdzin of in een bijzin? (Zie hieronder.)
2. In welke tijd staat de coniunctivus?
a. Praesens = heden/toekomst = mogelijkheid, waarschijnlijkheid
—Si librum habeat, illum legat = Stel, ze heeft een boek, dan zal ze dat wel lezen
b. Imperfectum = heden = onwerkelijk
—Si librum haberet, illum legeret = Als ze een boek had, zou ze dat wel lezen
c. Plusquamperfectum = verleden = onwerkelijk
—Si librum habuisset, illum legisset = Als ze een boek had gehad, had ze het wel gelezen
Bij het maken van een keuze voor de vertaling/interpretatie van de coniunctivus kan alleen de
context je helpen. Let daarbij op kleine signaalwoorden.
Coniunctivus in de hoofdzin
1. Praesens
aansporing
verbod
wens
mogelijkheid
waarschijnlijkheid
twijfel (in vragen)
hoc faciat
ne hoc facias
(utinam) hoc faciat
hoc faciat
hoc faciat
quid faciam?
laat ze dit doen
doe dit niet
hopelijk doet ze dit
ze zou dit kunnen doen
ze zal dit wel doen
wat moet ik doen?
2. Perfectum
verbod
ne hoc feceris
doe dit niet
3. Imperfectum
irreële wens
irreële situatie
(utinam) hoc faceret
hoc faceret (si...)
deed ze dit maar
ze deed dit vast wel (als...)
4. Plusquamperfectum
irreële wens
irreële situatie
(utinam) hoc fecisset
hoc fecisset (si...)
had ze dit maar gedaan
ze had dit vast wel gedaan (als...)
Coniunctivus in de bijzin
1. Verplicht
De coniunctivus in de bijzin is verplicht als:
a. de bijzin begint met cum = toen, nadat, omdat, hoewel
— medicus cum venisset, adiuvit = toen de dokter was gekomen, hielp hij
— cum medicus venisset, non iuvit = hoewel de dokter was gekomen, hielp hij niet
— cum medicus esset, iuvit = omdat hij dokter was, hielp hij
b. de bijzin begint met ut = opdat, zodat
— do, ut des = ik geef, opdat jij geeft
— aeger est, ut domi maneat = ze is ziek, zodat ze thuis blijft
— non aeger est, ut non domi maneat = ze is niet ziek, zodat ze niet thuis blijft
c. de bijzin begint met ne = opdat niet
— do, ne des = ik geef, opdat jij niet geeft
d. de bijzin begint met quin = dat (na een ontkenning in de hoofdzin)
— non dubitat, quin legere possis = ze betwijfelt niet, dat je kunt lezen
e. de bijzin een afhankelijke/indirecte vraag is
— rogat, quid putes = ze vraagt, wat jij vindt
N.B.
• na werkwoorden van angst, gevaar, risico e.d. begint de bijzin altijd met ne; voor
ontkenningen wordt in zulke gevallen ne non gebruikt:
— timeo, ne venias = ik ben bang, dat je komt
— timeo, ne non venias = ik ben bang, dat je niet komt
• ut kan zowel “opdat” als “zodat” betekenen, maar ne alleen “opdat niet”
2. Niet verplicht
In alle andere gevallen is de coniunctivus niet verplicht. Hij voegt dan een extra nuance toe die
tot uiting moet komen in de vertaling.
a. In bijvoeglijke bijzinnen, dus zinnen die beginnen met een betrekkelijk vnw:
1. Doel, bedoeling
— rex legatos misit, qui auxilium peterent = de koning stuurde gezanten, die om hulp moesten
vragen
2. Reden
— Newton, qui orator non esset, pauca locutus est = Newton zei weinig, omdat hij geen spreker
was
3. Nadrukkelijke bijvoeglijke bepaling
— Newton non est, qui multa dicat = Newton is niet iemand, die veel zegt
b. Na quod, quia om expliciet een subjectieve reden aan te geven
— Germanis bellum intulimus, quia nobis nihil restaret = we hebben de Germanen de oorlog
verklaard, omdat ons niets anders restte (volgens ons, in onze ogen)
—25—
WERKWOORD : NAAMWOORDELIJKE VORMEN
Een naamwoordelijke werkwoordsvorm is tegelijk werkwoord (ww) en naamwoord (nw).
Als ww kan hij een woordgroep vormen met objecten en bepalingen.
Als nw neemt hij de functie van een znw of bnw aan.
Infinitivus
Infinitivus, infinitivuswoordgroep en ACI hebben in de zin de functies van een zn als
onderwerp of als lijdend voorwerp.
1. Onderwerp
— errare humanum est = vergissen is menselijk
— librum legere humanum est = een boek lezen is menselijk
— in sole librum legere humanum est = in de zon een boek lezen is menselijk
— homines libros legere constat = het staat vast dat mensen boeken lezen
2. Lijdend voorwerp
— legere volo = ik wil lezen
— in sole librum legere volo = ik wil een boek lezen in de zon
— me librum legere velle putas = jij denkt dat ik een boek wil lezen
Accusativus Cum Infinitivo = ACI
Een ACI bestaat uit een infinitivus(woordgroep) met een accusativus als onderwerp daarvan:
navis venit
= nominativus + persoonsvorm
videmus navem venire
= persoonsvorm + accusativus + infinitivus
Een ACI hangt altijd af van een persoonsvorm. De accusativus en de infinitivus zijn de twee
vaste herkenningspunten in de ACI, ongeacht de hoeveelheid bepalingen die zijn toegevoegd:
navem hodie magnum in portum celebris Roterodami celeriter venire videmus = we zien het schip
vandaag snel naar de grote haven van roemrucht Rotterdam komen.
Infinitivi in de ACI
Praesens actief
feminam virum vocare video = ik zie dat de vrouw de man roept
feminam virum vocare vidi = ik zag dat de vrouw de man riep
Praesens passief
virum vocari video = ik zie dat de man wordt geroepen
virum vocari vidi = ik zag dat de man werd geroepen
Perfectum actief
feminam virum vocavisse video = ik zie dat de vrouw de man heeft geroepen
feminam virum vocavisse vidi = ik zag dat de vrouw de man had geroepen
Perfectum passief
virum vocatum esse video = ik zie dat de man is geroepen
virum vocatum esse vidi = ik zag dat de man was geroepen
Futurum actief
feminam virum vocaturam esse video = ik zie dat de vrouw de man zal roepen
feminam virum vocaturam esse vidi = ik zag dat de vrouw de man zou roepen
Futurum passief
feminam vocatum iri video = ik zie dat de vrouw zal worden geroepen
feminam vocatum iri vidi = ik zag dat de vrouw zou worden groepen
N.B.
• de infinitivus van het perfectum passief en de infinitivus van het futurum actief komen in de
ACI vaak voor zonder esse
Participium = Deelwoord
Het participium is tegelijk een werkwoord (ww) en een bijvoeglijk naamwoord (bn).
Als ww vormt het een groep met objecten en bepalingen.
Als bn sluit het zich aan bij een ander naamwoord in geslacht, getal en naamval.
— rex populis victis parcit = de koning spaart de overwonnen volkeren
Vaak staat het participium als dubbelverbonden bepaling in de zin:
— rex vocans venit = de koning komt roepend
— rex vocans uxorem venit = de koning komt, terwijl hij z’n vrouw roept
Evenals een infinitivus kan ook een participium een woordgroep met meerdere bepalingen
vormen. In de praktijk gebeurt dit vooral in het perfectum (dus met voltooide deelwoorden).
— praesens: uxorem intrantem rex vocat
= de koning roept z’n vrouw die binnenkomt
— perfectum: uxorem vocatam rex salutat
= de koning groet z’n vrouw die is geroepen
— deponens: uxorem ingressam rex salutat = de koning groet z’n vrouw, nadat ze is
binnengekomen
N.B.
• persoonvormen van het perfectum passief en het plusquamperfectum passief bestaan uit een
voltooid deelwoord met een persoonsvorm van esse; deze persoonsvorm van esse wordt nogal
eens weggelaten, zodat alleen het deelwoord overblijft—dat dan dus een persoonsvorm is!
• het toekomend deelwoord kan aangeven dat iemand zal, maar ook dat iemand van plan is om
te of op het punt staat om te of voorbestemd is om te
• het participium kan zelfstandig worden gebruikt, zoals elk bn:
— morituri te salutant = zij die gaan sterven, groeten u
• soms ligt de nadruk op de handeling die door het participium wordt uitgedrukt:
— laesa maiestas = het schenden van de majesteit = majesteitsschennis
—26—
WERKWOORD : NAAMWOORDELIJKE VORMEN
Ablativus absolutus = abl. abs.
Een abl. abs. bestaat uit een naamwoord en een participium(woordgroep) in de ablativus.
Een abl. abs. vormt een bijwoordelijke bepaling in de zin. Het wezenlijke verschil met andere
participiumwoordgroepen is dat de abl. abs. grammaticaal volledig losstaat van de rest van de
zin. Vandaar z’n naam: absolutus = losgemaakt. Het naamwoord in de abl. abs. heeft dus geen
andere grammaticale taak in de zin, het heeft alleen een taak als onderdeel van de abl. abs.
• praesens:
viro vocante rex intrat
= terwijl de man roept, komt de koning binnen
viro filium vocante rex intrat
= terwijl de man z’n zoon roept, komt de koning binnen
• perfectum:
viro ad uxorem ducto filius abiit = toen de man naar zijn vrouw was gebracht, vertrok de zoon
• deponens:
rege ingresso vir uxorem vocavit = toen de koning was binnengekomen, riep de man z’n vrouw
N.B.
Een dubbelverbonden bepaling kan op diverse manieren worden vertaald:
— a rege vocatus = door de koning geroepen
= toen/nadat/wanneer hij is geroepen
= omdat/hoewel hij is geroepen
Hetzelfde geldt voor de ablativus absolutus.
ND-vormen
1. Gerundium
Het gerundium is het ww. gebruikt als zelfstandig naamwoord. Er zijn vier vormen,
afhankelijk van de functie die het gerundium heeft in de zin:
gen
dat
acc
abl
bibendi ars
bibendo operam dat
ad bibendum tempus est
bibendo tempus fugit
de kunst van het drinken
ze doet moeite voor het drinken
het is tijd om te drinken
de tijd vervliegt door het drinken
N.B.
Als het ww. de functie van onderwerp of lijdend voorwerp heeft, wordt de infinitivus gebruikt:
— bibere facile est = drinken is gemakkelijk
— bibere amat = ze houdt van drinken
2. Gerundivum
Het gerundivum is het ww. gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. Er zijn evenveel vormen als bij
een gewoon bijvoeglijk naamwoord. Het gerundivum komt op twee manieren voor:
a. Gerundivumwoordgroep
Bij ww. die een lijdend voorwerp kunnen hebben (transitieve ww.), kan een gerundivumwoordgroep worden gebruikt in plaats van een gerundium + lijdend voorwerp:
— ars gerendi bellum = de kunst van het oorlog voeren = ars gerendi belli
— tempus bibendi aquam = de tijd van het water drinken = tempus bibendae aquae
De gerundivumwoordgroep wordt in dezelfde functies gebruikt als het gerundium:
gen
dat
acc
abl
aquae bibendae ars
aquae bibendae operam dat
ad bibendam aquam tempus est
bibenda aqua tempus fugit
de kunst van het water drinken
ze doet moeite voor het water drinken
het is tijd voor het water drinken
de tijd vervliegt door het water drinken
b. Gerundivum van verplichting
Als aanvulling in de nominativus bij het ww. esse geeft het gerundivum aan dat iets moet
worden gedaan. In dit geval is het gerundivum ook in getal en geslacht gelijk aan het
onderwerp van de zin:
— aqua bibenda est
= er moet water worden gedronken
— bellum gerendum est = de oorlog moet worden gevoerd
Dit gerundivum van verplichting is altijd passief. Handelende personen worden aangegeven
door een dativus of door het voorzetsel a/ab + ablativus:
— aqua mihi bibenda est
= ik moet water drinken
— a praeside bellum gerendum est = de president moet oorlog voeren
Bij ww. die geen lijdend voorwerp kunnen hebben (intransitieve ww.), is een gerundivum van
verplichting altijd onzijdig, zonder onderwerp:
— cenandum est
= er moet worden gedineerd
— tibi cenandum est
= jij moet dineren
— tibi pecuniae parcendum est = jij moet bezuinigen
N.B.
Een gerundivum kan ook als een zuiver bnw. worden gebruikt:
— bellum horrendum = een huiveringwekkende oorlog
—27—
ZINSBOUW
Een lange samengestelde zin heet een periode. Een periode is een combinatie van één of meer
hoofdzinnen, bijzinnen en woordgroepen. Het is meestal moeilijker om de woordgroepen in
een zin te herkennen dan om bijzinnen te onderscheiden. Let daarom bij het analyseren van een
periode op alle werkwoordsvormen, want niet alleen persoonsvormen, maar alle
werkwoordvormen zijn de sleutel tot het ontdekken van de zinsopbouw.
Voor het vormen van een zin heb je minimaal een persoonsvorm nodig. Voor alle andere
functies in een zin kunnen bijzinnen worden gebruikt.
Iedere persoonsvorm heeft een onderwerp, maar dat onderwerp hoeft niet expliciet in de zin te
zijn uitgedrukt. Het kan opgesloten zijn in de persoonsvorm zelf (audit = zij hoort).
De aard van het werkwoord (ww.) bepaalt of er andere aanvullingen kunnen zijn:
1. ww. zonder aanvulling, zoals dormire, surgere, ridere (slapen, opstaan, lachen)
2. ww. met als aanvulling een naamwoord in de nominativus
—regina est = ze is koningin
—rex habetur = hij wordt beschouwd als koning
3. ww. met als aanvulling een naamwoord in de genitivus
—matris suae meminit = ze herinnert zich haar moeder
4. ww. met als aanvulling een naamwoord in de dativus
—matri suae credit = ze gelooft haar moeder
5. ww. met als aanvulling een naamwoord in de accusativus
a. één aanvulling : accusativus
—feminam videt = ze ziet de vrouw
b. twee aanvullingen : accusativus + dativus
—feminae librum dat = ze geeft de vrouw een boek
c. twee aanvullingen : accusativus + accusativus
—discipulos linguam docet = ze leert de leerlingen een taal
d. twee aanvullingen : accusativus + ablativus
—Graecos libertate spoliat = hij berooft de Grieken van vrijheid
e. twee aanvullingen : accusativus + genitivus
—eum laesae maiestatis damnat = ze veroordeelt hem voor majesteitsschennis
6. ww. met als aanvulling een naamwoord in de ablativus
—sole utitur = ze gebruikt de zon
N.B.
• ww. met betekenissen als “maken tot, beschouwen als, noemen, zich betonen” gaan ook
vergezeld van twee aanvullingen in de accusativus. In dit geval is de tweede aanvulling geen
lijdend voorwerp, maar een zogenaamde dubbelverbonden bepaling, d.w.z. een bepaling die
verbonden is met zowel het lijdend voorwerp als de persoonsvorm:
—sapientem Cartesius se praebet = Descartes betoont zich slim (doet zich slim voor)
7. ww. met als aanvulling een infinitivus(woordgroep) als lijdend voorwerp
—libros legere solet = ze is gewend om boeken te lezen
8. ww. met als aanvulling een ACI als lijdend voorwerp
—reginam vivere gaudes = je bent blij dat de koningin leeft
N.B.
• sommige ww. kunnen als aanvulling een infinitivus of ACI als lijdend voorwerp hebben:
—legere volo
= ik wil lezen
—te legere volo = ik wil dat jij leest (want: ik wil jou lezen is onzin)
—te ridere volo = ik wil dat jij lacht
• onpersoonlijke uitdrukkingen kunnen een inf. of ACI als aanvulling als onderwerp hebben:
—libros legere necesse est = boeken lezen is nodig
—te libros legere necesse est = jij moet boeken lezen
9. ww. met als aanvulling een bijzin
a. een bijzin die met ut of ne kan beginnen
—hortamur, ut bibatis = we sporen jullie aan om te drinken
—hortatur, ne bibas
= ze spoort je aan om niet te drinken
b. een bijzin die alleen met ne kan beginnen (na ww. van angst, gevaar, verhindering)
—timet, ne bibas = ze is bang, dat jij drinkt
—impedit, ne bibas = ze belet, dat jij drinkt
Bij deze ww. begint de bijzin met quin of quominus, als de hoofdzin ontkennend is:
—non impedimus, quin bibatis = we beletten niet, dat jullie drinken
ESSE
Sommige werkwoorden hebben verschillende betekenissen afhankelijk van de aanvulling
waarmee ze gepaard gaan. Het ingewikkeldst is esse.
1. met een aanvulling in de nominativus
a. diverse passieve persoonsvormen
(vocatus sum)
b. infinitivus futurum actief
(vocaturus esse)
c. gerundivum van verplichting
(aqua est bibenda)
d. naamwoord als aanvulling als onderwerp (rex pater est)
2. met een aanvulling in de genitivus : kenmerk, eigenschap
—res nullius momenti est = de zaak is van geen belang
—boni civis est oboedire = een burger hoort te gehoorzamen
3. met een aanvulling in de dativus
a. één aanvulling : bezit
—est tibi domus = er is voor jou een huis = jij hebt een huis
b. twee aanvullingen : doel, strekking
—domus tibi cordi est
= het huis gaat jou ter harte
—tuum ingenium tibi honori est = je karakter strekt jou tot eer
—28—
Vraagzinnen
Een enkelvoudige vraag wordt ingeleid door:
a. een vragend vnw.
quis fecit? = wie heeft het gedaan?
qui vir fecit? = welke man heeft het gedaan?
b. een vragend bijwoord
ubi est? = waar is ze?
quando mortua est? = wanneer is ze gestorven?
c. een vraagwoordje
tune librum legisti? = heb jij een boek gelezen?
nonne librum legisti? = jij hebt toch een boek gelezen? (ja)
num librum legisti? = jij hebt toch geen boek gelezen? (nee)
Een tweeledige vraag wordt gemaakt met :
a. utrum ... an
utrum tu me amas an illa? = hou jij van me of zij?
b. ne ... an
tune me amas an illa? = hou jij van me of zij?
c. an
tu me amas an illa? = hou jij van me of zij?
Nominativus Cum Infinitivo = NCI
Als wat er wordt gezegd belangrijker is dan wie het zegt, kan een NCI worden gebruikt in
plaats van een ACI. De handelende persoon is onbekend of onbelangrijk. De persoonsvorm is
passief. De woordgroep met nominativus en infinitivus is onderwerp van de persoonsvorm. In
het Nederlands wordt de handelende persoon hier meestal aangeduid als “ze” of “men”.
—ACI : Graeci dicunt Homerum fuisse caecum = de Grieken zeggen dat Homerus blind was
—NCI : Homerus caecus fuisse dicitur
= ze zeggen dat Homerus blind was
DE TEKST
Woordgroep
Een woordgroep is een groep woorden rondom een kernwoord die een grammaticale band
hebben. Het kernwoord is meestal een zelfstandig naamwoord (zn) of een werkwoordsvorm.
Een werkwoordsvorm kan een woordgroep vormen met een onderwerp, een meewerkend
voorwerp, een lijdend voorwerp en bijwoordelijke bepalingen. De vorming hangt af van het
ww. in kwestie. Een woordgroep rondom een persoonsvorm is een hoofdzin of bijzin. Een
woordgroep rondom een naamwoordelijke werkwoordsvorm speelt de rol van naamwoord.
Een zn kan een woordgroep vormen met bijvoeglijke bepalingen en voorzetsels.
Een woordgroep bestaat uit minimaal twee woorden, maximaal uit een hele zin. Vaak zie je
kleinere woordgroepen binnen een grotere woordgroep.
Woordvolgorde
De plaats en volgorde van woorden en woordgroepen in de zin is niet doorslaggevend voor
hun betekenis of functie, wat in moderne talen vaak wel zo is. Maar: Cicero dobbelt niet. Dat wil
zeggen, de woordvolgorde in een Latijnse zin is niet willekeurig of toevallig. Door de plaatsing
van de woorden legt de schrijver nadruk op bepaalde woorden. Daarom is het goed om bij het
vertalen zoveel als mogelijk de volgorde van het Latijn aan te houden. Vertalen is interpreteren
en kiezen. Woorden moet je interpreteren in hun samenhang met andere woord(groep)en.
Bepaal je keuze altijd op basis van het zinsverband en het tekstverband. Bedenk altijd dat je
geen sudoku oplost, maar een tekst, een mededeling, een boodschap met een logische inhoud,
met een bedoeling, met een communicatieve functie. Grammatica en inhoud ondersteunen
elkaar. Gebruik ze allebei om een Latijnse zin te begrijpen en vertalen.
Bij het interpreteren van een tekst bieden bepaalde soorten woorden hulp. Let voor de
zinsbouw op verbindingswoorden, voor de inhoud op signaalwoorden.
—29—
Verbindingswoorden
De hoofdbouwstenen van een zin worden duidelijk uit de persoonsvormen.
De ordening van de hoofdbouwstenen worden duidelijk uit de verbindingswoorden, want zij
vormen het cement tussen de diverse woorden, woordgroepen, hoofdzinnen en bijzinnen. Er
zijn twee soorten verbindingswoorden: nevenschikkend en onderschikkend.
Nevenschikkende verbindingswoorden
Nevenschikkende verbindingswoorden zetten twee gelijksoortige bouwstenen op één lijn:
—twee znn
: matrem et patrem videt
= ze ziet vader en moeder
—twee bnn
: bonus et sapiens filius est
= hij is een goede en wijze zoon
—twee bijwoorden
: velociter et pulchre scribit
= ze schrijft snel en mooi
—twee persoonsvormen
: veni et vidi
= ik kwam en ik zag
—twee werkwoordsvormen : venire et videre volo
= ik wil komen en zien
1. Tussen twee woord(groep)en
—et, ac, atque, -que
—aut, -ve
2. Tussen twee werkwoordsvormen
—at, autem
—sed
—nam, enim
3. Tweeledig
—et ... et, cum ... tum
—non solum ... sed etiam
—neque ... neque, nec ... nec
—aut ... aut, sive ... sive, seu ... seu, vel... vel
—modo ... modo, nunc ... nunc
= opdat niet, om niet te • (vrezen) dat
= (aarzelen) om
= (niet beletten) dat
3. voegwoorden met indicativus of coniunctivus
—cum
+ indic.
+ coni.
—dum
+ indic.
+ coni.
—donec
+ indic.
+ coni.
—ut
+ indic.
+ coni.
= wanneer, toen
= toen, nadat • omdat • hoewel
= terwijl • zolang als • totdat
= totdat, opdat intussen • mits
= zolang als • totdat
= opdat intussen
= zoals • zodra
= opdat, om te • zodat
= en
= of
= maar, en (verder)
= maar
= want
= zowel ... als
= niet alleen ... maar ook
= niet ... en evenmin
= of ... of, hetzij ... hetzij
= nu eens ... dan weer
Onderschikkende verbindingswoorden
Een bijzin wordt ingeleid door een voegwoord, een vraagwoord of een betrekkelijk vnw. Een
voegwoord leidt meestal een bijwoordelijke bijzin in. Een betrekkelijk voornaamwoord leidt
een bijvoeglijke bijzin in. Er zijn drie soorten voegwoorden:
1. voegwoorden met indicativus
—quia, quod, quoniam
—quamquam, etsi, tametsi, etiamsi
—si • nisi • quodsi
—sicut, tamquam
—tamquam, quasi, velut
—priusquam, antequam
—postquam
—simul, simulac, ubi primum, cum primum
2. voegwoorden met verplichte coniunctivus
—ne
—quin
—quin • quominus
= omdat
= hoewel
= als • als niet • maar als
= zoals
= alsof
= voordat
= nadat
= zodra
Signaalwoorden
Signaalwoorden ondersteunen de inhoud van een mededeling. Ze leggen inhoudelijke
verbanden tussen bijvoorbeeld hoofdzin en bijzin, zinnen onderling of delen van een tekst.
Zo helpen ze bij een goede interpretatie. Signaalwoorden geven ook informatie over de
opbouw van een tekst. In een verhaal zeggen ze bijvoorbeeld iets over duur en volgorde
van gebeurtenissen en hun onderlinge verband. In een pleidooi brengen ze ordening aan.
tijdsverhouding
nunc, tunc, tum
olim, quondam, aliquando
modo, nuper
subito, repente
mox, statim
iam, tandem, denique
interea, interim, simul
nondum, adhuc, diu
interdum, saepe
volgorde
primo, deinde, inde, postremo
antea, postea
iterum, rursus
argument
nam, enim, quippe
toevoeging
quoque, etiam, praeterea
immo, quin etiam
tegenstelling
sed, at
verum, vero, autem, tamen
quidem ... sed
conclusie
igitur, itaque, ergo
propterea, ideo
—30—
Verwijswoorden
Verwijswoorden zijn woorden die in een zin een ander woord vervangen. Er zijn twee groepen:
1. Voornaamwoorden
Voornaamwoorden vervangen een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord. Voornaamwoorden
ontlenen hun inhoud aan de context: Het tekstverband bepaalt, wie of wat er schuilt gaat achter
woorden zoals ille (die, hij), id (dat) of quibus (bv. waardoor). Aanwijzende voornaamwoorden
hebben de ruimste verwijsfunctie. Ze verwijzen naar een woord, een woordgroep, een zin of
zelfs naar een groter tekstdeel.
N.B.
• ille ... hic
• illud ... hoc
= eerstgenoemde ... laatstgenoemde
= het voorafgaande ... het volgende
2. Bijwoordelijke verwijswoorden
Bijwoordelijke verwijswoorden vervangen een uitgebreidere bijwoordelijke bepaling
De verwijzende functie van onderstaande bijwoorden zijn te vergelijken met die van
voornaamwoorden:
plaats
ubi
ibi
hic
illic
usquam
nusquam
ubique
alibi
waar
daar
hier
daar
ergens
nergens
overal
elders
unde
inde
hinc
illinc
undique
waarvandaan
daarvandaan
hiervandaan
daarvandaan
van alle kanten
quo
eo
huc
illuc
waarheen
daarheen
hierheen
daarheen
tijd
quando
tum, tunc
umquam
numquam
aliquando
wanneer
toen
ooit
nooit
eens, ooit
manier
quomodo
ut
(sic)ut
quemadmodum
adeo
sic
tam
tam
hoe
hoe
(zo)als
(zo)als
zo(zeer)
zo (bij ww.)
zo (bij bijv. nw.)
zo (bij bijwoorden)
—31—
Grammaticale termen
ablativus = vijfde naamval
accusativus = vierde naamval
adiectivum = bijvoeglijk naamwoord
adverbium = bijwoord
attributief = bijvoeglijk
comparativus = vergrotende trap
coniunctivus = aanvoegende wijs
dativus = derde naamval
declinatie = verbuiging(sgroep)
femininum = vrouwelijk
futurum = onvoltooid toekomende tijd
futurum exactum = voltooid toekomende tijd
genitivus = tweede naamval
imperativus = gebiedende wijs
imperfectum = onvoltooid verleden tijd
indicativus = aantonende wijs
infinitivus = hele werkwoord (onbepaalde wijs)
intransitief = onovergankelijk ww. (ww. zonder lijdend voorwerp, bijv. ambulare = lopen)
masculinum = mannelijk
neutrum = onzijdig
nominativus = eerste naamval
participium = deelwoord
perfectum = voltooid tegenwoordige tijd
plurale = meervoud
plusquamperfectum = voltooid verleden tijd
positivus = stellende trap
ppa = participium praesens actief = tegenwoordig deelwoord
ppp = participium perfectum passief = voltooid deelwoord
praesens = onvoltooid tegenwoordige tijd
predicatief = dubbelverbonden
pronomen = voornaamwoord
relativum = betrekkelijk (voornaamwoord)
singulare = enkelvoud
substantivum = zelfstandig naamwoord
superlativus = overtreffende trap
transitief = overgankelijk ww (ww. met lijdend voorwerp, bijv. facere = maken)
vocativus = zesde naamval
Nuttige links
www.koxkollum.nl — incl. cursus Latijn met oefeningen
www.latijnnederlands.nl — woordenboek Latijn online (tegen betaling)
www.auxilium-online.net
www.thelatinlibrary.com
www.ancientlibrary.com
www.columbia.edu/acis/ets/Graesse/contents.html — plaatsnamen in het Latijn
www.erasmus.org
—32—
Zinsanalyse
1. Lees een zin helemaal door. Let op de verbindingswoorden.
2. Schrijf de zin volledig uit. Begin bij een leesteken steeds op een nieuwe regel.
3. Onderstreep alle werkwoordsvormen:
a. Persoonsvormen: __________________
b. Participia (deelwoorden), infinitieven, -nd-vormen: _ _ _ _ _ _ _ _ _ _
4. Omcirkel alle verbindingswoorden die een bijzin inleiden:
a. Voegwoorden zoals ut, quamquam, dum, quia, cum, quod.
b. Betrekkelijke voornaamwoorden zoals qui, quae, quod.
c. Vraagwoorden zoals cur, quando.
5. Bestudeer de persoonsvormen:
a. Welke persoonsvormen staan in een hoofdzin? Schrijf HZ in de kantlijn.
b. Welke persoonsvormen staan in een bijzin? Schrijf BZ in de kantlijn.
6. Bekijk de overige werkwoordsvormen.
Bepaal de woordgroep en zet deze tussen strepen: /.../
Vraag jezelf daarbij af:
a. Participium: Participiumwoordgroep of ablativus absolutus? In het eerste geval:
Hoe staat het participium als bijvoeglijk naamwoord in de zin?
b. Infinitivus: Infinitivuswoordgroep of ACI? In beide gevallen: Waarmee moet de
woordgroep als onderwerp of lijdend voorwerp worden verbonden?
c. –nd-vorm: Gerundium, gerundivum of gerundivum van verplichting? In de eerste
twee gevallen: Welke functie in de zin? Bekijk de naamval!
—33—
Phaedrus, Fabulae
XXIV. Rana rupta et Bos
Inops perit, dum potentem vult imitari.
In prato quondam rana conspexit bovem
et tacta invidia tantae magnitudinis
rugosam inflavit pellem. Tum natos suos
interrogavit, an bove esset latior.
Illi negaverunt. Rursus intendit cutem
maiore nisu et simili quaesivit modo,
quis maior esset. Illi dixerunt ‘bovem’.
Novissime indignata, dum vult validius
inflare sese, rupto iacuit corpore.
bos, bovis : koe
corpus, corporis (onz.) : lichaam
cutis, -is (vr.) : huid
iaceo (iacēre), iacui : liggen
indignātus, a, um : verontwaardigd
intendo (intendere), intendi, intentum :
spannen
invidia, -ae : jaloezie
latus, a, um : breed
modus, -i : manier
nisus, -us : inspanning
novissime (bw.) : voor de laatste keer
pellis, -is (vr.) : huid
pratum, -i : weiland
quaero (quaerere), quaesīvi, quaesītus :
vragen
rana, -ae : kikker
rugōsus, a, um : rimpelig, ruig
rumpo (rumpere), rupi, ruptus : breken
rursus (bw.) : opnieuw
similis, e : gelijke, gelijksoortige
tango (tangere), tetigi, tactus : aanraken
validus, a, um : sterk
volo (velle), volui : willen
—34—
De oosterse koning Astyages heeft een boze droom, die hem bang maakt.
Hij ontbiedt waarzeggers om zijn droom te laten verklaren.
Astyages erat rex Medorum Persarumque. Quadam nocte rex ille somnium habebat de
filia sua, quod eum valde terrebat. Statim servos ad se vocavit. Timore vexatus clamavit:
“Cito magos vocate eosque ante me ducite.” Cum magi advenissent, terribile somnium
suum rex narravit et dixit: “Nunc dicite, quid somnium significet.” Illi responderunt:
“Magne rex, filia tua, quae inter Persas vivit, mox filium habebit, qui te regno tuo
spoliabit.”
Astyages erat rex Medorum Persarumque.
Quadam nocte rex ille somnium habebat de filia sua,
quod eum valde terrebat.
Statim servos ad se vocavit.
Timore vexatus clamavit:
“Cito magos vocate
eosque ante me ducite.”
Cum magi advenissent,
terribile somnium suum rex narravit
et dixit:
“Nunc dicite,
quid somnium significet.”
Illi responderunt:
“Magne rex, filia tua,
quae inter Persas vivit,
mox filium habebit,
qui te regno tuo spoliabit.”
advenio (advenire), advēni, adventus :
aankomen, arriveren
ante + acc. : voor
cito (bw.) : snel
clamo (clamare) : schreeuwen
dico (dicere), dixi, dictus : zeggen
duco (ducere), duxi, ductus : brengen, leiden
filia, -ae : dochter
inter + acc. : tussen
magus, -i : waarzegger, wijze
Medus, -i : Meed
mox (bw.) : binnenkort
narro (narrare) : vertellen
nox, noctis (vr.) : nacht
Persa, -ae : Pers
quidam, quaedam, quoddam : een of andere
regnum, -i : koninkrijk
respondeo (respondēre), respondi,
responsus : antwoorden
rex, regis (m.) : koning
servus, -i : slaaf
significo (significare) : betekenen, beduiden
somnium, -ii : droom
spolio (spoliare) + abl. : beroven van
statim (bw.) : onmiddellijk
terreo (terrēre), terrui, territus : bang maken
terribilis, e : angstaanjagend
timor, -ōris (m.) : angst
valde (bw.) : zeer
vexo (vexare) : kwellen
vivo (vivere), vixi, victus : leven
—35—
Gaius Iulius Caesar, De bello Gallico commentarii
Julius Caesar beschrijft Gallië voor zijn Romeinse lezers. Onder Gallië verstaan de Romeinen
niet alleen het tegenwoordige Frankrijk, maar ook het hedendaagse België en Zwitserland.
Gallia est omnis divisa in partes tres, quarum unam incolunt Belgae, aliam
Aquitani, tertiam illi, quos nostra lingua Gallos appellamus. Hi omnes lingua,
institutis et legibus inter se differunt. Horum omnium fortissimi sunt Belgae, quia
a cultu atque humanitate Romanorum longissime absunt et quia minime
important ea, quae ad effeminandos animos pertinent. Cum Germanis
continenter bellum gerunt. Helvetii quoque reliquos Gallos virtute praecedunt,
quod fere cotidie cum Germanis contendunt.
absum (abesse), afui : verwijderd zijn (van :
ab; ex; abl.)
alius, alia, aliud : andere (van meer dan twee)
appello (appellare) : noemen
Aquitānus, -i : Aquitaniër
Belga, -ae : Belg
bellum, -i : oorlog
contendo (contendere), contendi, contentus
: strijden
continens, -ntis: onafgebroken
cotidie (bw.) : dagelijks
cultus, -us : beschaving
differo (differre), distuli, dilatus : verschillen
divīdo (dividere), divīsi, divīsus : verdelen
effemino (effeminare) = verwijven, week
maken
fere (bw.) : bijna
fortis, e : sterk, dapper
Gallus, -i : Galliër
Germanus, -i : Germaan
gero (gerere), gessi, gestus : voeren
Helvetius, -i : Zwitser
humanitas, -ātis : cultuur
importo (importare) : invoeren
incolo (incolere), incolui, incultus + acc. :
bewonen
institutum, -i : gewoonte, gebruik
inter se : onderling
lex, legis (vr.) : wet
lingua, -ae : tong, taal
longus, a, um : lang, ver
minimus, a, um : minst
omnis, e : gehele
pars, partis (vr.) : deel, gedeelte
pertineo (pertinēre) ad : betrekking hebben
op
praecēdo (praecedere), praecessi, praecessus
(+ abl.) : overtreffen (in)
reliquus, a, um : overige
Romānus, -i : Romein
tertius, a, um : derde
unus, una, unum : één
virtus, -ūtis : dapperheid, deugd
—36—
NOVUM TESTAMENTUM
Nieuwe Testament in de vertaling van Erasmus, Evangelie van Mattheus, 5:1–17
Cum vidisset autem turbas, ascendit in montem. Et cum consedisset, accesserunt ad
illum discipuli eius. Et postquam aperuisset os suum, docebat illos dicens: “Beati
pauperes spiritu, quoniam illorum est regnum caelorum. Beati, qui lugent, quoniam illi
consolationem accipient. Beati mites, quoniam ipsi haereditatem accipient terrae. Beati,
qui esuriunt et sitiunt iustitiam, quoniam ipsi saturabuntur. Beati misericordes, quia ipsi
misericordiam consequentur. Beati, qui mundo corde sunt, quoniam ipsi Deum
videbunt. Beati pacifici, quoniam ei filii Dei vocabuntur. Beati, qui persecutionem
patiuntur propter iustitiam, quoniam illorum est regnum caelorum. [...] Gaudete et
exsultate, quoniam merces vestra multa est in caelis. [...] Vos estis lux mundi. Non potest
oppidum abscondi supra montem situm. Neque accendunt lucernam et ponunt illam
subter modium, sed super candelabrum, et lucet omnibus, qui sunt in domo. Sic luceat
lux vestra coram hominibus, ut videant vestra bona opera glorificentque Patrem vestrum,
qui est in caelis. Ne existimetis, quod venerim ad destruendam legem aut prophetas.
Immo non veni, ut destruam, sed ut compleam.”
abscondo (abscondere), abscondi,
absconditus : verbergen
accendo (accendere), accendi, accensus :
aansteken, ontsteken
aperio (aperire), aperui, apertus : openen
ascendo (ascendere), ascendi, ascensus :
klimmen, beklimmen
candelabrum, -i : standaard, kandelaar
compleo (complēre) : vullen, vervullen
consequor (consequi), consecūtus sum :
bereiken, verkrijgen
consīdo (considere), consēdi : gaan zitten
consolatio, -ōnis (vr.) : troost
cor, cordis (m.) : hart
coram + abl. : in aanwezigheid van
destruo (destruere), destruxi, destructus :
verwoesten
discipulus, -i : leerling
esurio (esurire) + acc. : hongeren naar
existimo (existimare) : menen
exsulto (exsultare) : jubelen
glorifico (glorificare) : eren, roemen
haereditas, -ātis (vr.) : erfenis
lex, legis (vr.) : wet
luceo (lucēre) : licht geven, schijnen, stralen
lucerna, -ae : lamp
lugeo (lugēre) : rouwen
merces, mercēdis (vr.) : beloning
misericordia, -ae : barmhartigheid
misericors, -rdis : barmhartig
mitis, e : zacht
modium, -i : korenmaat
mundus, a, um : schoon, zuiver
opus, operis (onz.) : werk
os, oris (onz.) : mond
pacificus, a, um : vredestichtend
patior (pati), passus sum : lijden, verdragen,
verduren
pauper, -ris : arm, armoedig
persecutio, -ōnis (vr.) : vervolging
saturo (saturare) : verzadigen
sitio (sitire) + acc. : dorsten naar
spiritus, -us : geest
—37—
Digitale Nieuwsbrief van de Europese Unie, No. 1, d.d. 30–6–2006
Conspectus rerum Latinus 1/2006
Finnis Unioni Europaeae praesidentibus in morem venit, ut de rebus ad
praesidentiam
spectantibus
Conspectus
Latinus
divulgaretur.
Anno
undebismillesimo (1999), cum Finnia praesidentiam teneret, ille conspectus
oculos animosque Europaeorum in se convertit atque multis et benignis
commentariis apud eos acceptus est. Quae cum ita sint, Conspectus etiam anno
bis millesimo sexto (2006) Latine redigitur. Accedit, quod usus linguae Latinae
cultui humano Europaeo honorem habet et de radicibus societatis Europaeae
usque ad Antiquitatem classicam pertinentibus omnes commonefacit.
accēdit, quod : daar komt bij, dat
accipio (accipere), accēpi, acceptus :
aanvaarden, opnemen
antiquitas, -ātis (vr.) : oudheid
benignus, a, um : welwillend, vriendelijk
classicus, a, um : klassiek
commentarius, -ii : opmerking
commonefacio (commonefacere) de + abl. :
herinneren aan, wijzen op
conspectus, -us : waarneming, overzicht
converto (convertere) in + acc. : richten op
cultus, -us : vorming, ontwikkeling,
beschaving, cultuur
divulgo (divulgare) : verspreiden
Europaeus, a, um : Europees
Finnia, -ae : Finland
Finnus, -i : Fin
honor, -ōris (m.) : eer, achting
humānus, a, um : menselijk
lingua, -ae : tong, taal
pertineo (pertinēre) : zich uitstrekken, reiken
praesidentia, -ae : voorzitterschap
praesideo (praesidēre), praesēdi, praesessus :
voorzitten
radix, radīcis (vr.) : wortel
redigo (redigere), redēgi, redactus :
terugbrengen, brengen
societas, -ātis (vr.) : gemeenschap,
gezelschap
specto (spectare) ad + acc. : betrekking
hebben op
unio, -ōnis (vr.) : eenheid, unie
usque ad + acc. : helemaal tot aan
—38—
Lorenzo Valla (1407–1457), Elegantiae linguae Latinae
Valla’s boek—Finesses van de Latijnse Taal—is een woordenboek, grammatica en naslagwerk van het
Latijn. Dit voorwoord bij het eerste hoofdstuk is een lofzang op het Latijn. Valla vertelt hoe vele volkeren het juk
van de Romeinse overheersing allang hebben afgeworpen, maar nog steeds het Latijn koesteren.
Cum saepe mecum nostrorum maiorum res gestas aliorumque considero, mihi videntur
nostri homines non modo dicionis propagatione, verum etiam linguae propagatione
antecelluisse ceteris omnibus. Qui per totum paene occidentem, per septemtrionis, per
Africae non exiguam partem brevi spatio linguam Romanam celebrem et quasi reginam
fecerunt: opus nimirum multo praeclarius multoque speciosius quam ipsum imperium
propagavisse. Itaque nostri maiores bellis ceteros homines superaverunt, sed suae linguae
ampliatione se ipsos superaverunt. Haec lingua enim gentes illas populosque omnes
omnibus artibus, quae liberales vocantur, instituit. Haec viam eisdem ad omnem
sapientiam munivit. Haec denique praestitit, ne barbari amplius dici possent. Illud
imperium Romanum iam pridem (tamquam ingratum onus) gentes nationesque
abiecerunt. Hunc sermonem quasi deum quendam e caelo dimissum apud se retinuerunt.
Quare nobis Romanis gaudendum est: amisimus regnum, verum per hunc splendidiorem
dominatum in magna adhuc orbis parte regnamus. Ibi namque Romanum imperium est,
ubi Romana lingua dominatur.
abicio (abicere), abiēci, abiectus : afwerpen,
wegwerpen
amitto (amittere), amīsi, amissus: verliezen
ampliatio, -ōnis (vr.) : uitbreiding
antecello (antecellere) + dat. + abl. : overtreffen
(iemand in iets)
artes liberāles (vr.) : vrije kunsten (zeven
basisvakken in onderwijs)
celeber, bris, bre : veelgebruikt, beroemd
denique (bw.) : ten slotte
dicio, -ōnis (vr.) : gezag
dimitto (dimittere), dimīsi, dimissum : neersturen
dominātus, -us : heerschappij
dominor (dominari), dominatus sum : heersen
exiguus, a, um : klein, gering
gens, gentis (vr.) : familie, stam
iam pridem : allang
instituo (instituere), institui, institutus (+ acc.)
(+ abl.) : onderwijzen (iemand) (in iets)
maiōres, -rum (mv.) : voorouders
mecum = cum me
munio (munire) : veiligstellen, waarborgen
nimīrum (bw.) : inderdaad, werkelijk
occidens, -ntis (m.) : westen
onus, oneris (onz.) : last
praeclārus, a, um : schitterend
praesto (praestare), praestiti, praestitus : leveren,
verrichten, bewerkstelligen
propago (propagare) : verbreiden
propagatio, -ōnis (vr.) : verbreiding
quare : daarom
quasi : bijna als, als het ware als
regno (regnare) : koning zijn, heersen
res gestae, rerum gestārum : daden
sapientia, -ae : wijsheid
septemtrio, -ōnis (m.) : noorden
speciōsus, a, um : prachtig
splendidus, a, um : prachtig
—39—
Jacobus de Voragine (1230–1298), Legenda Aurea
De Legenda Aurea (Gouden Vertellingen) van Jacobus de Voragine is de beroemdste verzameling van
heiligenlegendes uit de Middeleeuwen. Het woord legenda (onz. mv.) heeft voor de auteur de betekenis
van biografie. De invloed van dit werk op beeldende kunst en literatuur is groot geweest.
HISTORIA DE SANCTO GEORGIO
Georgius tribunus, genere Cappadocum, pervenit olim in provinciam Libyae in
civitatem, quae dicitur Silena. Iuxta quam civitatem erat stagnum instar maris, in quo
draco pestifer latitabat, qui saepe populum contra se armatum in fugam converterat
flatuque suo ad muros civitatis accedens omnes inficiebat. Quapropter compulsi cives
duas oves quotidie illi dabant, ut eius furorem sedarent. Alioquin sic muros civitatis
invadebat et aerem inficiebat, ut plurimi interirent.
Cum ergo iam oves paene deficerent, maxime cum harum copiam habere non possent,
inito consilio ovem cum adiuncto homine tribuebant. Cum igitur sorte omnium filii et
filiae hominum darentur et sors neminem exciperet et iam paene omnes filii et filiae
essent consumpti, filia regis unica sorte est deprehensa et draconi adiudicata. Tunc rex
contristatus ait: “Tollite aurum et argentum et dimidium regni mei et filiam mihi
dimittite, ne taliter moriatur.” Cui populus cum furore respondit: “Tu, o rex, hoc
edictum fecisti et nunc omnes pueri nostri mortui sunt et tu vis filiam tuam salvare! Nisi
in filia tua compleveris, quod in aliis ordinasti, succendemus te et domum tuum.” Quod
rex videns coepit filiam suam flere dicens: “Heu me, filia mea dulcissima, quid de te
faciam? Aut quid dicam? Unquam videbo nuptias tuas?” Et conversus ad populum dixit:
“Oro, ut indutias octo dierum lugendi mihi filiam tribuatis.” Quod cum populus
admisisset, in fine octo dierum reversus populus est cum furore dicens: “Quare perdis
populum tuum propter filiam tuam? En omnes afflatu draconis morimur.” Tunc rex
videns, quod non posset filiam liberare, induit eam vestibus regalibus et amplexatus eam
cum lacrimis dixit: “Heu me, filia mea dulcissima, de te filios in regali gremio nutrire
credebam et nunc vadis, ut a dracone devoreris. Heu me, filia mea dulcissima, sperabam
ad tuas nuptias principes invitare, palatium margaritis ornare, tympana et organa audire,
—40—
et nunc vadis, ut a dracone devoreris.” Tunc illa procidit ad pedes patris petens ab eo
benedictionem suam. Quam cum pater cum lacrimis benedixisset, ad lacum processit.
Ut filiam beatus Georgius casu inde transiens plorantem vidit, eam, quid haberet,
interrogavit. Et illa: “Bone iuvenis, velociter equum adscende et fuge, ne mecum pariter
moriaris.” Cui Georgius dixit: “Noli timere, filia, sed dic mihi, quid hic praestolaris omni
plebe spectante!” Et illa: “Ut video, bone iuvenis, magnifici cordis es tu, sed mecum
mori desideras! Fuge velociter.” Cui Georgius: “Hinc ego non discedam, donec mihi,
quid habeas, intimabis.” Cum ergo totum sibi exposuisset, ait Georgius: “Filia, noli
timere, quia in Christi nomine te iuvabo.” Et illa: “Bone miles, te ipsum salvare festines,
mecum non pereas. Sufficit enim, si sola peream. Nam me liberare non posses et tu
mecum perires.”
Dum haec loquebantur, ecce draco veniens caput de lacu levavit. Tunc puella tremefacta
dixit: “Fuge, bone domine, fuge velociter.” Tunc Georgius equum ascendens et cruce se
muniens draconem contra se advenientem audaciter aggreditur et lanceam fortiter
vibrans et se Deo commendans illum graviter vulneravit et ad terram deiecit dixitque
puellae: “Proice zonam tuam in collum draconis nihil dubitans, filia.”
Quod cum fecisset, sequebatur eam draco velut mansuetissima canis. Cum ergo eum in
civitatem duceret, populi hoc videntes per montes et colles fugere coeperunt dicentes:
“Vae nobis, quia iam omnes peribimus!” Tunc beatus Georgius innuit iis dicens: “Nolite
timere, ad hoc enim me misit Dominus ad vos, ut a poenis vos liberarem draconis.
Tantummodo in Christum credite et omnes baptizemini et draconem istum occidam.”
Tunc rex et omnes populi baptizati sunt, beatus Georgius evaginato gladio draconem
occidit et ipsum extra civitatem efferri praecepit. Baptizati autem sunt in illa die XX milia
exceptis parvulis et mulieribus. Rex autem in honorem beatae Mariae et beati Georgi
ecclesiam mirae magnitudinis construxit. De cuius altari fons vivus emanat, cuius potus
omnes languidos sanat. Rex vero infinitam pecuniam beato Georgio obtulit, quam ille
recipere nolens pauperibus eam dari praecepit.
—41—
Meditationes de Prima Philosophia
RENATVS CARTESIVS (1596–1650)
Meditatio Prima • De iis, quae in dubium revocari possunt
Animadverti jam ante aliquot annos, quàm multa ineunte aetate falsa pro veris admiserim
& quàm dubia sint, quaecunque istis postea superextruxi; ac animadverti proinde
funditus omnia semel in vitâ esse evertenda atque a primis fundamentis denuo
inchoandum, si quid aliquando firmum & mansurum cupiam in scientiis stabilire. Sed
ingens opus esse videbatur eamque aetatem expectabam, quae foret tam matura, ut
capessendis disciplinis aptior nulla sequeretur. Quare tamdiu cunctatus sum, ut deinceps
essem in culpâ, si, quod temporis superest ad agendum, deliberando consumerem.
Opportune igitur hodie mentem curis omnibus exsolvi, securum mihi otium procuravi,
solus secedo, seriò tandem & libere generali huic mearum opinionum eversioni vacabo.
—42—
Desiderius Erasmus (1466–1536), Brief aan Sir Thomas More
Erasmus Roterodamus Thomae Moro suo S.D.
Superioribus diebus cum me ex Italia in Angliam reciperem, ne totum hoc tempus, quo
fuit equo insidendum, illitteratis fabulis tereretur, malui mecum aliquoties vel de
communibus studiis nostris aliquid agitare vel amicorum, quos hic ut doctissimos ita et
suavissimos reliqueram, recordatione frui. Inter hos tu, mi More, vel in primis
occurrebas; cuius equidem absentis absens memoria non aliter frui solebam quam
praesentis praesens consuetudine frui consueveram. Qua dispeream, si quid unquam in
vita contigit mellitius. Ergo quoniam omnino aliquid agendum esse duxi et id tempus ad
seriam commentationem parum videbatur esse accommodatum, visum est Moriae
Encomium ludere.
aliquoties (bw.) : een aantal keren
commentatio, -ōnis (vr.) : bestudering
consuetūdo, -inis (vr.) : dagelijkse omgang, gezelschap
consuēvi (pf.) : ik ben gewend, ik ben gewoon
contingo (contingere), contigi, contactus : ten deel vallen
dispereo (disperire), disperii : omkomen
duco (ducere), duxi, ductus : leiden; trekken; achten, vinden
fruor (frui), fructus sum + 5 : genieten van
insideo (insidēre), insedi, insessus + 3/5 : zitten op
mellītus, -a, -um : (honing)zoet
occurro (occurrere), occurri, occursus : voor ogen komen
me recipio (recipere), recēpi, receptus : zich begeven
recordatio, -ōnis (vr.) : herinnering
serius, a, um : ernstig, serieus
tero (terere), trivi, tritus : verslijten, slijten
—43—
Benedictus de Spinoza, Tractatus Theologico-Politicus, caput XX
Ostenditur in libera republica unicuique et sentire, quae velit, et quae sentiat, dicere licere.
[1] Si aeque facile esset animis ac linguis imperare, tuto unusquisque regnaret et nullum
imperium violentum foret. Nam unusquisque ex imperantium ingenio viveret et ex solo
eorum decreto judicaret, quid verum vel falsum, bonum vel malum, aequum vel iniquum
esset. Sed hoc [...] fieri nequit, ut scilicet animus alterius juris absolute sit. Quippe nemo
jus suum naturale (sive facultatem suam libere ratiocinandi et de rebus quibuscunque
judicandi) in alium transferre neque ad id cogi potest. Hinc ergo fit, ut illud imperium
violentum habeatur, quod in animos est, et ut summa majestas injuriam subditis facere
eorumque jus usurpare videatur, quando unicuique praescribere vult, quid tanquam
verum amplecti et tanquam falsum rejicere [...] debeat. Haec enim uniuscujusque juris
sunt, quo nemo, etsi velit, cedere potest.
[4] Si itaque nemo libertate sua judicandi et sentiendi, quae vult, cedere potest, sed
unusquisque maximo naturae jure dominus suarum cogitationum est, sequitur in
republica nunquam nisi admodum infoelici successu tentari posse, ut homines (quamvis
diversa et contraria sentientes) nihil tamen nisi ex praescripto summarum potestatum
loquantur. Nam nec peritissimi, ne dicam plebem, tacere sciunt. Hoc hominum
commune vitium est: consilia sua, etsi tacito opus est, aliis credere. Illud ergo imperium
violentissimum erit, ubi unicuique libertas dicendi et docendi, quae sentit, negatur; et
contra id moderatum imperium, ubi haec eadem libertas unicuique conceditur.
[11] At ponatur hanc libertatem opprimi et homines ita retineri posse, ut nihil mutire
audeant nisi ex praescripto summarum potestatum. Hoc profecto nunquam fiet, ut nihil
etiam, nisi quid ipsae velint, cogitent. Atque adeo necessario sequeretur, ut homines
quotidie aliud sentirent, aliud loquerentur, et consequenter ut fides (in republica apprime
necessaria) corrumperetur, et abominanda adulatio et perfidia foverentur, unde doli et
omnium bonarum artium corruptio. Verum longe abest, ut id fieri possit, ut omnes
scilicet praefinito loquantur. Sed contra quo magis libertas loquendi hominibus adimi
curatur, eo contumacius contra nituntur—non quidem avari, adulatores et reliqui
impotentes animi, quorum summa salus est nummos in arca contemplari et ventres
distentos habere; sed ii, quos bona educatio, morum integritas et virtus liberiores fecit.
—44—
Ita homines plerumque constituti sunt, ut nihil magis impatienter ferant quam quod
opiniones, quas veras esse credunt, pro crimine habeantur, et quod ipsis sceleri reputetur
id, quod ipsos ad pietatem erga Deum et homines movet. Ex quo fit, ut leges detestari et
quid vis in magistratum audeant, nec turpe, sed honestissimum putent, seditiones hac de
causa movere et quodvis facinus tentare. Cum itaque humanam naturam sic comparatam
esse constet, sequitur leges, quae de opinionibus conduntur, non scelestos, sed ingenuos
respicere, nec ad malignos coercendum, sed potius ad honestos irritandum condi, nec
sine magno imperii periculo defendi posse.
[15] Ut autem porro constet ex hac libertate nulla oriri incommoda, quae non possint
sola summae potestatis authoritate vitari, et hac sola homines, etsi palam contraria
sentientes, facile retineri, ne invicem laedant, exempla praesto sunt nec opus mihi est ea
longe petere: urbs Amstelodamum exemplo sit, quae tanto cum suo incremento et
omnium nationum admiratione hujus libertatis fructus experitur. In hac enim
florentissima republica et urbe praestantissima omnes cujuscunque nationis et sectae
homines summa cum concordia vivunt. Et ut alicui bona sua credant, id tantum scire
curant, num dives an pauper sit et num bona fide an dolo solitus sit agere. Caeterum
religio vel secta nihil eos movet, quia haec coram judice ad justificandam vel damnandam
causam nihil juvat. Et nulla omnino tam odiosa secta est, cujus sectarii (modo neminem
laedant et suum unicuique tribuant honesteque vivant) publica magistratuum authoritate
et praesidio non protegantur. Contra cum olim Remonstrantium et Contraremonstrantium controversia de religione a politicis et ordinibus provinciarum agitari incepit,
tandem in schisma abiit et multis tum exemplis constitit leges, quae de religione
conduntur, ad dirimendas scilicet controversias, homines magis irritare quam corrigere,
alios deinde infinitam ex iisdem licentiam sumere, praeterea schismata non oriri ex
magno veritatis studio (fonte scilicet comitatis en mansuetudinis), sed ex magna libidine
regnandi. Ex quibus luce meridiana clarius constat eos potius schismaticos esse, qui
aliorum scripta damnant et vulgum petulantem in scriptores seditiose instigant, quam
scriptores ipsi, qui plerumque doctis tantum scribunt et solam rationem in auxilium
vocant; deinde eos revera perturbatores esse, qui in libera republica libertatem judicii,
quae non potest opprimi, tollere tamen volunt.
—45—
[18] His, quae in hoc tractatu agere constitueram, absolvi. Superest tantum expresse
monere me nihil in eo scripsisse, quod non libentissime examini et judicio summarum
potestatum patriae meae subjiciam. Nam si quid horum, quae dixi, patriis legibus
repugnare vel communi saluti obesse judicabunt, id ego indictum volo. Scio me
hominem esse et errare potuisse. Ne autem errarem, sedulo curavi et apprime, ut,
quicquid scriberem, legibus patriae, pietati bonisque moribus omnino responderet.
—46—
Download