schema ond., pv., rest van de zin

advertisement
Hoe vind ik het onderwerp ?
 wie of waarover wordt er in de zin iets gezegd?
 Wie of wat (+pv.)?
Let op!
- Bestaat uit één of meer woorden
- Zegt over wie of wat de zin gaat
Bv. Bart en Jozefien sporten elke week.
-> Wie? Bart en Jozefien.
Hoe vind ik de persoonsvorm ?
 Maak de ja/neen-vraag
 De persoonsvorm staat dan helemaal vooraan (1 werkwoord)
 Persoonsvorm aanduiden met blauwe fluostift
Bv. Bart en Jozefien sporten elke week.
-> Sporten Bart en Jozefien elke week?
Hoe vind ik de rest van de zin ?
 Alles behalve het onderwerp
Bv. Bart en Jozefien sporten elke week.
Hoe vind ik de werkwoorden ?
 Het eerste werkwoord is gemakkelijk te vinden:
-> Maak een ja/neen-vraag
-> Het eerste werkwoord staat dan helemaal vooraan (dus 1 woord)
 Er kunnen nog andere werkwoorden zijn in de zin, hoe vind je die?
-> Ga telkens ALLE woorden in de zin goed bekijken!
-> Om zeker te weten of het een werkwoord is, moet je er deze vormen kunnen
voor zetten: ik, jij, hij, wij, jullie, zij
Bv. Jelle heeft de brief verstuurd.
-> Ik heb, jij hebt, hij heeft, wij hebben, jullie hebben, zij hebben
-> Ik verstuur, jij verstuurt, hij verstuurt, wij versturen,
jullie versturen, zij versturen
Gebeurt er iets in de zin of niet?
 VRAAG: Welke zinsdelen in de rest van de zin zeggen wat het onderwerp
doet of wat ermee gebeurt?: een actie, er gebeurt iets
 ALLE werkwoorden in de zin
 De werkwoorden vertellen je wat het onderwerp doet
Bv. Tijdens de show is de zangeres gevallen.
Pieter zoekt zijn zus.
 VRAAG: Welke zinsdelen in de rest van de zin zeggen wat of hoe het
onderwerp is of wordt?: een toestand, het is gewoon zo
 Het enige werkwoord + extra deel
 Het werkwoord alleen zegt dus niet voldoende, het heeft een extra deel
nodig
 Het vertelt je wat het onderwerp is, wordt of blijft
Bv. Anne is schatrijk.
Het boek wordt een groot succes.
Welke zinsdelen in de rest van de zin geven een antwoord op de vraag: ……?







Wat?
Waar?
Wanneer?
Waarmee?
Hoe?
Aan wie?
…?

Zoek in de zin het antwoord op de vraag!
Bv. De jongen verdrinkt in de Schelde.
-> Waar? In de Schelde
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

Create flashcards