LJN: BP8602, Rechtbank Zwolle , Awb 10/1598

advertisement
LJN: BP8602, Rechtbank Zwolle , Awb 10/1598
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Inhoudsindicatie:
07-03-2011
22-03-2011
Sociale zekerheid
Eerste aanleg - enkelvoudig
Artikel 4:2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning in
strijd met de Wmo; beroep gegrond.
Uitspr
aak
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht
Registratienummer: Awb 10/1598
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Eiser te woonplaats,
gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes,
en
het college van burgemeester en wethouders van Lelystad,
gevestigd te Lelystad, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder de aanvraag voor een voorziening als
bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.
Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 augustus 2010 ongegrond
verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Het beroep is ter zitting van 25 januari 2011 behandeld. Eiser is niet verschenen,
evenmin als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de
heer D.F. de Fretes.
Overwegingen
1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht heeft besloten de aanvraag
voor een verhuiskostenvergoeding
op grond van de Wmo af te wijzen.
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser wenst te verhuizen naar een gelijkvloers appartement in een andere wijk van
Lelystad. Op zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij wil verhuizen mede omdat de
buurt waarin hij woont onveilig is geworden. Om die verhuizing te kunnen bekostigen
heeft eiser een aanvraag ingediend voor verhuiskostenvergoeding op grond van de Wmo.
Verweerder heeft de aanvraag 16 december 2009 afgewezen, onder verwijzing naar het
advies van het Centrum voor Indicatiestelling Zorg (CIZ). Er heeft een door de
indicatiesteller uitgevoerd huisbezoek plaatsgevonden.
Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit
van 16 december 2009 ongegrond verklaard. Voor de motivering is verwezen naar het
ambtelijk advies van de Commissie bezwaarschriften (hierna: Commissie). De
commissie heeft zich blijkens dit advies op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van
een medische noodzaak tot verhuizing naar een driekamerappartement.
De commissie baseert zich op het door het CIZ uitgebrachte advies van 8 maart 2010. In
het kader van dit advies is medische informatie bij behandelaars opgevraagd en heeft een
medische anamnese plaatsgevonden. Eiser wordt beperkt geacht voor zwaar
huishoudelijk werk. Hij mag in staat worden geacht meer dan 100 meter te voet in
eenmaal te overbruggen en kan zelfstandig fietsen. Eiser kan in redelijkheid ten minste
één trap op- en aflopen. Het CIZ heeft in het advies geoordeeld dat de beperkingen van
eiser niet van dien aard zijn dat hij op medische gronden geen gebruik meer zou kunnen
maken van zijn huidige woning en dat er geen directe medische urgentie is tot
verhuizing.
3. De rechtbank overweegt het volgende.
3.1 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop
berustende bepalingen, voor zover hier van belang, verstaan onder: “(…)
g. maatschappelijke ondersteuning: (…)
6° het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking ten behoeve van het
behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren (…).
Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang, dat ter
compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder g, onderdeel 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid, het college van burgemeester
en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die
hem in staat stellen zich te verplaatsen in en om de woning.
Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en
wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en
behoeften van de aanvrager van de voorzieningen.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad bij verordening regels
vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele
voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op
dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura,
het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.
Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Lelystad uitvoering gegeven
door vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning (hierna: de
Verordening).
Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, onder b, van de Verordening kan een voorziening op
grond van deze verordening bestaan uit een woonvoorziening.
Artikel 1.2, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening luidt, voor zover hier van
belang: Een voorziening kan worden toegekend indien de aanvrager als gevolg van zijn
verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of zijn chronisch psychische
probleem of psychosociale probleem, niet in aanvaardbare mate in staat is om zich in en
om de woning te verplaatsen.
Ingevolgde artikel 4.1 van de Verordening, voor zover hier van belang, kunnen de door
het college te verlenen woonvoorzieningen bestaan uit een voorziening voor verhuizing
en inrichting.
Artikel 4.2 van de Verordening luidt: Een voorziening als bedoeld in artikel 4.1 kan
worden verleend indien aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het
normale gebruik van de woning belemmeren en de aanvrager zijn hoofdverblijf in de
woning heeft of zal hebben.
3.2 De rechtbank stelt vast dat de in artikel 1, eerste lid onder g, onderdelen 5 en 6 van de
Wmo omschreven maatschappelijke ondersteuning betrekking heeft op mensen met een
beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wmo volgt dat onder ‘mensen met een beperking’ moet
worden verstaan: mensen met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische of
anderszins chronische psychische aandoening of beperking, of een verstandelijke ,
lichamelijke of zintuiglijke handicap (zie bijvoorbeeld de uitspraak van Centrale Raad
van Beroep (CRvB) van 29 april 2009 (LJN: BI6832). Deze omschrijving is ruimer dan
de definiëring van het begrip ‘gehandicapte’ in de Wet voorziening gehandicapten
(Wvg).
Ingevolge artikel 4.2 van de Verordening, voor zover hier van belang, kan een
voorziening voor verhuizing en inrichting worden verleend indien aantoonbare
beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning
belemmeren. Deze bepaling heeft mitsdien tot gevolg dat de doelgroep die voor een
tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten in aanmerking kan komen,
beperkt is tot personen die als gevolg van een ziekte of gebrek beperkingen ondervinden.
Dit resultaat is strijdig met de door de wetgever beoogde, in artikel eerst lid onder g,
onderdelen 5 en 6 neergelegde, verbreding van de doelgroep die in aanmerking kan
komen voor maatschappelijke ondersteuning, nu deze ook personen met een chronisch
psychisch probleem of een psychosociaal probleem omvat. In zover is het bepaalde in
artikel 4.2 van de Verordening in strijd met de Wmo.
4. Het hierop berustende besluit kan dan ook niet in stand blijven. De rechtbank ziet
aanleiding om ingevolge artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht de
rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat
eiser niet meer heeft gesteld dan dat hij, mede, is verhuisd omdat hij de ‘oude’ buurt
waarin hij woonde als onveilig heeft ervaren. De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld
noch gebleken is dat de door eiser gestelde onveiligheid van de buurt zodanige gevoelens
van onveiligheid hebben opgeroepen bij eiser dat sprake zou zijn van psychische
problemen, dan wel psychosociale problemen die tot een tegemoetkoming voor
verhuiskosten op basis van de Wmo zouden moeten leiden.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, en door hem en mr. J.W.
Sijnstra-Meijer als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep
open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van
deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de
Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Download