Samenvatting Klassieke Sociologische Theorie - Socio

advertisement
UNIVERSITEIT ANTWERPEN
Samenvatting Klassieke
Sociologische Theorie
Walter Weyns: Klassieke Sociologen en hun
Erfenis
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren.
Te verkrijgen op www.socioeconomica.be
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Inleiding
-
Boek over de grondleggers van de sociologie: Comte, Marx, Durkheim en Weber
Hebben nog steeds invloed!
Onderzoeken hen, beseffen dat we veel niet kunnen verklaren
Bestemd voor de studerende lezer, met ruimte voor sociologische verbeelding
Hoofdstuk 1: Saint-Simon en Comte - Sociologie als een positieve
wetenschap
De natuurwetenschappen als voorbeeld
Newton: kan wetmatigheden vastleggen, op wiskundige manier zekerheden uiten 
Physique social van Comte
Darwin: evolutie theorie, niet wiskundig, niet voorspellen wel verklaren  sociobiologen
Giambattista Vico: tijdgenoot van Newton, pleitbezorger van de humane wetenschappen
Alleen wat we zelf schapen kunnen we écht begrijpen
 Sociologie als Nuovo Scienza zal de natuurwetenschap overschaduwen. (toch een
impliciete verwijzing naar oude wetenschap: de natuurkunde)
De link met de natuurwetenschappen probeert men te doen vervagen.
TOCH kan niemand ontsnappen aan de link met de natuurwetenschap, zelfs Weber me z’n
Verstehen niet.
 Alleen Comte niet onder de indruk van de natuurwetenschap
= vader van de sociologie (of toch voor de positivistische sociologie)
Comtes megalomanie
Ambitieus:
Reorganisatie wetenschap met sociologie als overkoepelende synthetische wetenschap
Kan alleen sociologie zijn want is de enige die de hele mensheid als onderwerp van studie
heeft.
Oorzaak: sociologie omvat alles wat er te weten is over de ontwikkeling van de mens.
=> ook de kennis die verworven is & de manier waarop ze verworven is geweest.
Voordien: taak van religie & metafysica  zochten naar samenhang, orde en overzicht
Waren deel van de kinder- & pubertijd van de mensheid, sociologie = de erfgenaam van
religie & metafysica.
Cultus van de mensheid met hemzelf als hogepriester, vieren van het positieve tijdperk .
Handelen is vanaf nu toegepaste wetenschap.
De buitenissige levenswandel der positivisten
Saint-Simon = leermeester van Comte
De positivisten waren vaak extreme persoonlijkheden, prometheïsche figuren
 grootheids- en almacht waanzin
1
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Doel: de wereld veroveren en herinrichten
 wetenschappelijk totalitarisme: mensen en dingen te pakken willen krijgen, hen op
een juiste plaats zet en optimaal laat functioneren.
Daartoe: succes boeken, efficiënt zijn,…
Tot heden veel effect: kijk maar naar de opvatting dat feitenkennis ons handelen bepaald, en
wetenschap en technologie die tegenwoordig de wereld en haar economie stuurt, …
Saint-Simon (S-S)
Hij maakte Franse Revolutie & Amerikaanse Revolutie mee.
Grootheidswaanzin, “stamt af van Karel de Grote”
Encyclopedisch project: Zijn honger naar kennis was onverzadigbaar. (mensen uitnodigen,
wonen bij ingenieursschool vb. Ecole Polytechnique & Ecole de Médicine)
Zijn ethiek: Hij had zeker en vast esprit. Hij vond het evangelisch beginsel te negatief: “doe
anderen niet aan wat gij niet wilt dat u gedaan wordt”
 Hij zoekt naar het positieve, wat men wel moet doen: ‘De mens moet werken’
Veel publicaties (plannen, manifesten, traktaten & brieven), benaderden iedereen met veel
macht om te bekeren tot de ‘positivistische filosofie’
Waanzin als eretitel – de ontdekking van ‘le principe organisateur’
Kennis van de natuurwetenschappen: ‘geneesmiddel voor alle kwalen van de mensheid’
 Fysio-politiek, zou grondbeginsel worden van het leven
Travail sur la gravitation universelle: Wet van de zwaartekracht die het heelal eenheid
geeft, zou ook de basis voor de orde in de menselijke samenleving moeten zijn.
 Herinrichting van de Europese samenleving
 Iedere natie zou binnen haar eigen wetenschappelijke, natuurlijke grenzen blijven,
beperkt zijn in haar omvang en invloedsfeer en dit allen evenredig aan haar
zwaartekracht.
 Vrede en voorspoed
De link tussen zwaartekracht en samenlevingsordening = duizelingwekkende sprong.
 S-S werd betiteld als waanzinnig
Antwoord: Waanzin is onontbeerlijk om grote dingen te doen.
Nieuwe kennis is een vorm van waanzin, daarom kan niet iedereen dat doen.
Kennis moet verspreid, verbeterd en toegepast worden. Deze moet gesystematiseerd
worden. =>Positieve fusie: alle kennis samenbrengen , de positieve filosofie zou
maatschappelijke orde in overeenstemming brengen met de kosmische orde.
De achttiende eeuw was revolutionair en kritisch, maar moet nu ontdekkend en organiserend
zijn.
Zijn grote ontdekking = Het organiserend principe zelf
2
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Je had maar enkele grote gekken nodig om dat te verwezenlijken.
L’ organisateur: tekent de contouren van zijn ontdekking uit: de vestiging van een
kennismaatschappij: wetenschappelijk gestuurde samenleving
 bepleite de koppeling van
1. macht
2. kennis
3. organisatie
 heilige graal van de menselijke vooruitgang
 Tijdperk van fysico-politiek en sciëntistisch centrallisme = positieve tijdperk
Politiek als wetenschap van productie
Van regeren naar bestuur
Niet langer legisten & edellieden (geen partijen ed meer) maar door de natuurlijke leiders van
de samenleving, leiders van de productie
Parlement hervormen:
Niet stem van hel volk WEL stem van de wetenschap
3 kamers
Kamer van Uitvinding: Ontwerpers, architecten, dichters, schilders etc
 moeten Frankrijk verfraaien (bedenken wegen etc) & feesten organiseren
Kamer van Onderzoek natuurkundigen, wiskundigen
 toetsen plannen van Kamer van Uitvinding op haalbaarheid en organiseren het
onderwijs
Kamer van Uitvoering: vertegenwoordiging van iedere industrietak
 uitvoering goedgekeurde ontwerpen
Overige wetgeving: combinatie directe democratie & wetenschappelijk despotisme
= iedere Fransman kan wetsvoorstellen doen, parlement beslist wat er doorkomt
omdat zij meest instaat zijn tot goede beslissingen
 Comte: moest niets hebben van het gewone volk  wou autoritair technocratisch elitisme
Actueel: zie huidige hervormingsvoorstellen ter modernisering ook mengeling van
technocratie en populisme
Le parabole: gedachtenexperiment in L’Organisateur
Gedachten experiment: (Hof van Assissen voor majesteitsschennis)
Wat als X deel van de savants, artistes en artisans zouden sterven zou Frankrijk in
rampspoed terecht komen.
Als X van de edelieden, belangrijke van de kerkelijke orde, zelfs de broer van de
koning zou overlijden: bedroefd maar niet zo schadelijk voor de Franse samenleving.
 In de cel voor majesteitsschennis
! doel ≠ politieke macht geven aan arbeidende klasse
= werk goed combineren waar mogelijk => land al 1 groot bedrijf
 Geleerde kunstenaars en bedrijfsleiders moesten het land leiden
 mogelijk een bondgenootschap tussen koningschap en industrie als
overgangsmaatregel.
Zouden samen een systeem van zedenleer en staatskunde ontwerpen waar iedereen
zich aan moet houden. Over details moet je niet struikelen.
3
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Arbeid & liefde
Doel: een echte industriële samenleving maken, iedereen efficiënt aan het werk.
Lagere klassen waren in fysieke en morele zin aan het wegkwijnen.
 Goed voedsel & onderwijs moet voor een arbeidzaam leven zorgen.
! Legt nadruk op belang rationele en efficiënte werkverdeling (voor Taylor)
Beloning: evenredig met wat men deed
 Geen liefdadigheid & armenzorg meer,
want het enige wat men aan armen moet geven is de grootst mogelijke hoeveelheid
arbeid
Liefde in de vorm van filantropie & bereidwillige samenwerking hoofdbestanddeel van de
arbeidende samenleving
 broeders liefhebben ondersteunen & helpen
 Overal op het werk zou liefde en medegevoel heersen
In combinatie: zorgt dit ervoor dat de samenleving verlost zal zijn armoede.
 Comte: zou spreken over altruïsme, wat Saint Simon bedoelt is eerder team spirit
Tout par l’industrie, tout pour elle
≠ utopische socialist terwijl hij er wel bijgerekend werd.
Waarom niet?:
- Predikte geen gemeenschappelijk bezit van goederen
- Sprak al helemaal niet over revolutie
- Niet tegen privaat bezit
Eigendomsvraagstuk van S-S: Hoe kan het eigendomsrecht hervormend worden opdat
productiviteit & rijkdom van de hele samenleving verhoogt?  lofrede over industrie en
wetenschap
& hard werken moest beloond worden.
Zweeg over:
- Grove ongelijkheid
- Zwakkeren die niet in staat waren tot werken
- Het lot van de huidige bezittende klasse
Hoe dan naar de nieuwe industriële orde?
 vanzelf als er maar hard genoeg gewerkt werd volgens de ideeën van de wetenschap
volgens het beginsel: “Tout par l’industrie, tout pour elle”
(EXAMENVRAAG: leg dit citaat uit, wat bedoelde S-S hier mee?)
4
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Saint-Simonisten
Aanhangers in Frankrijk, Duitsland, VK
 wél voor afschaffing privé bezit, half-mystiek geloof in samenwerking & mensenliefde.
Sekte met eigen ‘zedenwetten’
Saint-Simon tussen zelfmedelijden & zelfoverschatting
Bedelbrieven: Er wordt wanhoop & zelfmedelijden uitgesproken. Maar de boventoon is altijd
weer zelfoverschatting en grootheidswaan.
Vond zich erg belangrijk want was bedenker van le doctrine industrielle et scientifique die
met wetschappelijke zekerheid einde kon maken aan actuele sociale onrust.
Vaak onbeantwoord => ontgoocheling => mislukte zelfmoordpoging
Le catéchisme des industriels: legt hiërarchie van de industriële samenleving vast.
 meritocratische piramide, iedereen krijgt plaats in overeenstemming met
verdiensten. De klasse van de industriëlen zou de leiding nemen.
 Enkel nog bepalen wat de rol was van de wetenschappers in de industriële
samenleving.
Sv: S-S’s werken
Travail sur la gravitation universelle: wet van de zwaartekracht die het heelal eenheid gaf
ook de basis voor de menselijke samenleving.
 Herinrichting van de Europese samenleving
 iedere natie zou binnen zijn eigen wetenschappelijke, natuurlijke grenzen blijven.
 Vrede en voorspoed
L’ organisateur: tekent de contouren van zijn ontdekking uit: de vestiging ervan
 bevat zijn Parabole
August Comte: in het spoor van Saint-Simon
Biografie: geestelijk Dauphin & secretaris van Saint-Simon
Vroeg rijp (op 14de vertelde hij z’n ouders dat het irrationeel was om in God te geloven)
Studeerde aan Ecole Polytechnique, was autodidact & studeerde wiskunde
Zin voor synthese was complementair aan Saint-Simon maar miste diens wolligheid.
Werk: werkte me aan artikels van Saint-Simon.
L’Industrie, L’Organisateur, Le Système industriel (vooral over politieke actualiteit)
Eerste grote publicatie onder eigen naam: derde hoofdstuk van Le catéchise industriel –
Système de politique positive.
 1 van de meest invloedrijke boeken van 19de eeuw
Veel ideeën kwamen van Saint-Simon, maar Comte maakte er een overzichtelijk
denkenstelsel van & legde eigen accenten.
5
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Het positieve
Comtes denken = erg consistent met wat extraordinaire kanten.
Na de dood van zijn platonische geliefde Clotilde De Vaux maakte Comte van het
positivisme een cultus (1945).
Positivistische kerk met priesters, heilige dagen, rituelen (Catholisism minus Christianity)
 Bewonderaars zoals Stuart Mill behielden afstand
Système de politique positive:
 Marx & Engels die voor revolutie pleiten
Comte: ware, wetenschappelijke kennis zou orde en rust brengen in de samenleving.
 bracht dit in praktijk: als vrijwillige docent in volwassenen onderwijs arbeiders
inwijden in astronomie
Beoogde systematische doorbraak van de wetenschap in alle levensdomeinen, dat zou het
leven beter maken, in de eerste plaats voor de werkende bevolking.
Proletariërs opjutten en tot revolutie aansporen heeft geen zin. Het is beter dat iedereen zijn
plaats inneemt in de nieuwe, op wetenschappelijke organisatie gestoelde samenleving.
Positieve politiek was er een van orde en vooruitgang, niet van oproer en revolutie.
Het reële versus de verbeelding
Wat is het ‘positieve’?
Zie citaat blz 27
= het reële, het nuttige en het zekere
1. Het reële
Toewijding aan het onderzoek naar de zaken die we werkelijk kunnen begrijpen met ons
denkvermogen.
Uitsluiting van ondoordringbare mysteries
 Verbeelding & fabula uitsluiten als men tot echte kennis wil komen (dat is voor theologen,
metafysici & kinderen)
 wetenschap kan niets aan met fantastische bedenksels : verbeelding moet onderworpen
zijn aan de waarneming
Dweept met Francis Bacon: uit in zijn Organum Novum: het eerste methodeboek van de
moderne wetenschap begint met een meedogenloze kritiek op alle mogelijke idolen.
 wil feiten niets dan feiten, want kennis die op niets betrekking heeft is niets waard.
Maar wat is het reële?
Nietzsche: er zijn enkel interpretaties, de feiten zijn er niet
Bakoenin: sociale realiteit = 80% verbeelding
Rousseau: je hebt onnozelaars nodig om in eigendom te geloven
 brave, naïeve, die geloven instituties en daar naar handelen = noodzakelijk
Geldt ook voor een maatschappij ( Tatcher ‘there is no such thing as society’)
Als er minder mensen in geloven verliest de institutie ook aan kracht
 Onderscheid tussen realiteit en verbeelding = ongelukkige keuze
Leviathan van Hobbes: had nood aan een monster (niet reële) om de maatschappij uit te
leggen. Niemand had het monster gezien maar het bestaat wel.
6
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
 bewijst dat je in de institutie moet geloven opdat je wilt dat het waar is, dat sociale
werkelijkheid niet enkel te vatten is als we enkel naar de ‘feiten’ kijken. Zonder ons is er geen
realiteit en zeker geen sociale realiteit.
Nut versus ledigheid – soorten kennis
2. Het nuttige
Maar wat is dat? Voor wie?
 slechts vage omschrijving
“ Het nuttige (l’utile) contrasteert met het ledige (l’oiseux)”
L’oiseux= nietsdoen, lege tijd
Komt uit het oude Rome: het niet vervullen van een maatschappelijke opdracht
 Comte verbindt positieve kennis aan activiteit
 Kennis MOET dienen ter permanente verbetering van onze bestaansvoorwaarden”
Dat het ook een ander doel heeft, wordt ontkend in het ‘positieve tijdperk’.
Bacon: “waarheid en nuttigheid zijn 2 volkomen dezelfde zaken”
Maar:
Andere kennisvormen
- Contemplatie & bezinning als doel
- Socrates: weten dat je niets weet is echte wijsheid
Kennis ≠  onwetendheid als je iets te weten komt besef je hoeveel je niet weet
- Paracelsus: (holistisch) kennen verondersteld intimiteit met het gekende 
liefdevol vereniging met het te kennen.
- Plato: ware dingen zijn niet zien maar herinneren
- Homo ludens: spelende mens die zo de wereld ontdekt
Comte vindt dat spinsels onzin en bedrog & metafysica, theologie, animisme en fetisjisme
Wie in het industriële tijdperk nog afkomt met nutteloze kennis dwaalt. Kennis die niet
aanspoort tot productieve activiteit is geen kennis maar geklets dat mensen zind in de ogen
strooit. => Herdefiniëring van de ‘wetende mens’ in de lijn van le grand organisateur SaintSimon.
Homo Positivus: zoekt niet naar zin maar houdt zich enkel bezig met waarneembare feiten,
lost praktische problemen op en organiseert zijn leven zo goed mogelijk.
Bestreed overgeleverde achterlijkheid
 Stuart Mill uit hierom zijn waardering voor Comte
Maar vindt de positivistische reductie van kennis wel heel vergaan, zeker bij Comte.
 Herleidt verhouding kenner en gekende tot iets instrumenteel, je moet het gewoon
kunnen gebruiken.
RAAR: Comte heeft zoveel aandacht voor het medemenselijke & altruïsme
MAAR stoot medemenselijke kennis af: verstehen, interpretatie, inleving,
verstandhouding, wederzijds begrip, medeleven en participatie.
7
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Zekerheid versus twijfel
3. Zekerheid
Lijnrecht tov onwetendheid volgens Comte
 twijfel = achterlijk => geen misschien, ongeveer,…
Kennis is precies & ondubbelzinnig en helpt de harmonie in de gehele samenleving vestigen.
Kennis ≠ dogmatisch
want veranderd voortdurend, gaat vooruit .
 Positief bestuurde maatschappij : op basis van best kennis die beschikbaar is
 geen twijfel, bestuurders maken de enig mogelijke keuzes .
Sciëntistisch autoritarisme wetenschappelijke consensus = beste & enige inzicht
 geen tegenstem geduld, denken tegen de wetenschappelijke consensus = achterlijk
Onnuttige kennis is overbodig, schadelijk en onwenselijk. Wetenschap dient niet
gericht te zijn op ontbinding maar op organisatie.
4. Het tegenovergestelde van het negatieve
(zie verder!)
Comtes sciëntocratie en repressieve tolerantie
1. Op het vlak van de samenleving
Sciëntocraat: samenleving moet geregeerd worden door wetenschappelijk geschoolde
bestuurders, een elite van deskundigen.
 het gewone volk moet maar vertrouwen op hen want zich verzetten tegen feiten
heeft geen zin.
 positieve politiek: regeren op basis van feiten
 garantie voor stabiliteit & consolideert de macht in de handen van wie ze bezit
Conservatisme & zijn aanhangers:
Gelijkenissen: obsessie voor orde
Tegenstellingen: Conservatieven wilden de sociale orde herstellen terwijl Comte alles
dddverwachtte van een op wetenschap gegrondveste orde. Die orde zou solider zijn.
2. Binnen de wetenschap zelf
- Zijn de verhoudingen minder autoritair
- Kennis: nooit absoluut, geen enkele theorie kan als dogma gelden, geen enkele is
verheven
boven de twijfel.
MAAR gevaarlijke en extreme theorieën worden wel afgewezen.
- Repressieve tolerantie: alleen beantwoordbare vragen (naar waarneembare
feiten) zijn legitiem
Onoplosbare vragen (linken met theologie & metafysica) worden verworpen. Ze
worden niet verboden want dit zou strijdig zijn met de enige geldige methode. Het
moet systematisch in onbruik te geraken.
- Positivisme wijs niets af dus er zijn geen tegenstanders (behalve orde verstoorders).
Het laat zijn tegenstanders systematisch in onbruik raken.
8
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De impasse van het logisch positivisme
Neo-positivistisme: Ernst Mach & Logisch-positivistische kringen: Schlick, Carnap
 Weense school
Wittgenstein & Popper spelen ook een rol.
Wat is een feit?
Comte: feit is een feit
Misleidende waarneming, zintuigen, hoe in taal uitdrukken?
 Logische positivisten zochten wijze om een feit uit te drukken en enkel een feit
= Protocol zinnen = atomaire zinnen
≠ gelukt => conclusie dat simpele feiten niet bestaan
Zinvolle (louter op feiten gebaseerde kennis) van het niet zinvolle is niet te onderscheiden
Popper heeft het geprobeerd door de omweg van het falsifiëren, maar lukte om dezelfde
reden niet:
Geen verificatiebeginsel, en ook geen falsificatiebeginsel (Je kan dit nooit voor 100%)
Onmogelijk om atomaire zinnen te maken
Gevolg: scepticisme en relativisme in de wetenschapstheorie
Alle methoden zijn toegestaan, men weet nooit op voorhand wat het oplevert, en alles
zijn interpretaties.
Comte: was niet bekommerd over logische/positieve grondslag van zijn positivisme, vond
dat iets voor metafysici. Comte zou wijzen op de idee dat kennis nuttig zou moeten zijn om
kennis te zijn. Dan pas is deze zinvol.
Positivisme als geestelijke macht
 Saint-Simon: wetenschappers moeten bepalen wat zinvolle kennis is.
 Industriëlen en organisateurs bepalen wat wet is
 Bovenaan in de maatschappelijke hiërarchie
Comte
Niet alleen praktische noden van de dag moet orde bepalen
 ook het doel van de maatschappij in de gaten houden.
 Moet een overtuigd positivist zijn om te weten wat nuttig is.
Dit stond in het Exposé général van zijn Système de politique possitive.
Mogelijke dwalingen van het positivisme:
1. Denken dat de samenleving in 1 klap kan veranderen
Revolutie ≠ juiste weg, traag zoals de natuur
2. Alles te verwachten van de praktische daad
Sommigen missen de theoretische capaciteiten om alle kleine feiten te synthetiseren
tot een groter geheel. Ze houden zich bezig met de banaliteiten van het
dagdagelijkse.
Conclusie: enkel positivistische wetenschappers (zoals Comte) kunnen de samenleving
leiden. Niet de organisateurs et industriëls munten uit in het bepalen wat nuttig is.
Gebruikt geen echte argumenten om te bepalen wat wetenschappelijk is en wat niet.
 zegt slechts dat hij gelijk heeft, de rest is te wantrouwen want is theologisch etc.
9
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Wat is het effect hiervan op de organisatie van de samenleving?
Exposé général  tweevoudige leiding van de samenleving
Comte was bewonderaar van de middeleeuwen: orde door kerkelijk gezag MAAR miste
vooruitgangsdenken.
 wou terugkeer naar middeleeuwen in positivistische gedaante.
Weer onderscheid tussen:
1. Wereldlijke macht: TOEN koning & adel NU industriëlen
2. Geestelijke macht: TOEN kerk NU positivistische wetenschappers, mannen met
ervaring
Breuk tussen Saint-Simon en Comte: mini-investituurstrijd
De Investituurstrijd was een machtsstrijd tussen de Rooms-Duitse keizer en de paus van
Rome tijdens de 11e en 12e eeuw. De twistvraag ging steeds over de benoeming van
hogere geestelijken (rijksbisschoppen) en de abten en abdissen van rijksabdijen (geestelijke
instellingen onder voogdij van de keizer) naar Wikipedia
2 redenen
1. Verschillende visie over de organisatie van de samenleving
Saint-Simon wou dat de industriëlen van boven zouden staan, heeft het altijd voor die
klassen opgenomen, en goede ervaringen mee gehad.
 Kon het niet hebben dat Comte de geestelijke klasse, boven de industriëlen wou
plaatsen.
 zag het als een nieuwe parasitaire klasse
Waren het wel eens over: soevereiniteit van het volk = voorbij gestreefd, dwaas om
macht aan het volk te geven. Soevereiniteit is een kritisch begrip geen positief. Je
kon er met afbreken maar niet mee opbouwen.
 deskundigen kunnen beter sturen maar welke?
= mini-investituurstrijd
- Comte: mannen van de rede (wetenschappers-experten)
- Saint-Simon: mannen van praktijk (industriëlen )
2. Erkenning
Comte vond dat hij weinig erkenning kreeg, en discussie over auteurschap van de
wet van de 3 stadia (Comtes grootste ontdekking = Saint-Simons herwerkte werk)
10
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Wet der drie stadia
1. Theologische fase
Verbeelding, naïve vertelsels over natuur, geesten en goden
Vb van de politiek
 feodaliteit
Gezag koning beruste op traditie en werd omgekleden met sage en legenden.
2. Metafysische fase
Streng kritisch hanteren van algemene beginselen, op abstracte wijze
 Geen band met empirische realiteit
 Franse & Amerikaanse revolutie
=> verlichte geesten & revolutionairen bedachten abstracte principes zoals dé
vrijheid en de universele rechten van de mens. Dit zijn bovenhistorische
begrippen. Ze bedachten ook de begrippen: contrat social & volonté général
van Rousseau.
3. Positieve fase
Door tussenkomst van Comte op aanbreken stond
Het onverdroten bijsturen van kennis door nieuw & beter onderzoek van de feiten
 bestuur zou steunen op feitenkennis & daaruit zien waar de samenleving naartoe
moet.
≠ nieuw idee
Oorsprong in de 12de eeuw
Verschillende malen in verschillende vormen herhaald
Bv Bij Hegel krijgt ze een klassiekeneerslag in de idee van het ‘einde van de geschiedenis’.
Comte houdt vol dat hij het bedacht omdat hij zich er zo mee vereenzelvigt
Positief  negatief: voorbij kritiek, gewetensvrijheid en democratie
Laatste betekenis het positieve = tegenovergestelde van het negatieve
Huidige connotatie van het woord is mede gedragen door de positivisten:
 opgewekt, gunstig, optimistisch (recente connotatie) ‘het niet op ontbinding
gericht zijnde maar op organisatie’ (Comtes connotatie)
Link met Saint-Simon: Het positieve is het georganiseerde.
Taak philsophie positive bijeenbrengen van brokjes positieve kennis tot één groot,
geïntegreerd geheel. Systematiek en volledigheid zijn immers de 2 voorwaarden waaraan
wetenschap moet voldoen.
 negatieve : fragmentaristische, kritische, ontbindende, toevallige
 Consensusbehouder: de wetenschap
Juridische wetten zijn niet van natuurwetten te onderscheiden, het zijn lois naturelles dus
niet mogelijk te bekritiseren.
11
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Rol sociologie: alleen het morele en sociale vraagstuk is nog niet aan wetenschap
onderworpen,
 taak sociologie: deze verschijnselen naar het positieve niveau brengen
“Das Wahre ist das Ganze” maar dan Ganze als het kennissysteem (niet Absolute
Geest) die de samenleving bestuurd.
 machtige positieve wetenschap is dus positief in die zin dat er geen plaats is voor het
negatieve, en dus geen plaats voor kritiek
Bewegingen in de samenleving:
Desorganisatie: De kritische stem als beweging die naar politieke en morele
anarchie leidt.
 reorganisatie: definitieve sociale toestand van de menselijke soort
 Desorganisatie als grote vijand
Desorganisatie = kritische doctrine als dwaze koppeling van ‘onbeperkte
gewetensvrijheid’ aan volkssoevereiniteit.
Vrijheid en democratie als grootse vijanden van Comte
Waarom?: waartoe dienen de superieure inzichten van de wetenschap al iedereen kan
beslissen. Als je al dan niet rekening moet houden met iedereen?  geen sociale orde
mogelijk met onwetenschappelijke meningen en opvattingen.
Les pricipes critique hebben bijgedragen tot vernietigen feodaalen theologische systeem
Maar niet nodig voor het nieuwe positieve systeem
(gewetensvrijheid en volkssoevereiniteit niet meer nodig)
Er is toch ook geen gewetensvrijheid in de natuuurkunde, astronomie, chemie, …
 Ook niet nodig voor sociale en politieke aangelegenheden
Want niet geschikt voor reorganisatie van de samenleving, zouden enkel naar
anarchie leiden
 We moeten denken zoals de wetenschap het voorschrijft overal en altijd
In het positieve tijdperk staat leven gelijk aan toegepaste positieve wetenschap
Conclusie – de gerealiseerde technocratie
Comte en Saint-Simon niet vaak meer gelezen omdat ze worden bespot vanwege hun
pretentes en onbeholpenheid
= onterecht
1. Toont juist de groteske megalomane zijde van de sciëntocratie op z’n scherpst
2. Veel van hun ideeëen zijn gerealiseerd vandaag!
Positieve discours in de politiek verengd politiek tot feiten bekijken en info verzamelen
- ‘de wetenschap heeft gesproken’ de depolitisering van debatten. Wetenschap
heeft de geestelijke leiding genomen van de samenleving.
 alleen experten, technocraten, wetenschappers begrijpen de complexiteit
van de samenleving te beheersen.
- Heeft wetenschap burgerschap bevorderd? -> zou onbevooroordeeld spreken
versterken
 Onderwerping aan objectieve feiten en wegcijferen van zichzelf
Vs autonomie en weerstand en eigen gevoelens
Beperkt het aantal ‘haalbare alternatieve’
12
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
-
-
-
Wetenschap is zo complex geworden dat het niet meer kennen is in de oude
manier van kennen
‘wetenschap heeft de mens alleen maar dommer gemaakt’ omdat het zo complex
is dat alles tweedehandskennis is geworden vertrouwen we niet op onze
waarnemingen
≠ in lijn met het positivisme: ‘vertrouw slechts op feitenkennis’
De taal van wetenschappers is zo complex dat het een code is
Wetenschap maakt ons niet meer vertrouwd met de wereld maar vervreemd ons
ervan
= ok voor positivisten, kennis leidt ook naar eenzaamheid en dient vooral voor
beheersing en controleren.
Ook nu is kennis een beheersingsinstrument, en wordt niet meer gewaardeerd
voor wat het is.  Kennis is macht.
Alle onbeantwoordbare vragen en normatieve vragen worden afgedaan.
Ze reduceert de wereld tot wat te controleren valt en de mensen tot cipiers of
gevangenen van diverse regimes die hun gedrag stuurt.
Hoofdstuk2: Kennis als strijd, strijd als kennis – De wereld volgens
Karl Marx
Marx als wereldhistorische figuur
Werd zowel geliefd als gehaat. Zijn visioen? De droom van een vrije, klasseloze wereld.
Communisme vs. De rest van de wereld.
Hoe Marx interpreteren?
Hoe complexer een werk, hoe groter de interpretatieruimte. In het geval van Marx’ werk is
die interpretatieruimte immens. Veel mensen hebben een interpretatie proberen te geven
aan het werk, je vindt dan ook vele uitersten terug.
Wat de interpretatie nog meer bemoeilijkt, is dat de betekenis niet enkel in zijn werk of
intellectuele denken ligt, maar ook in wat die teksten teweegbrengen. Zijn boeken dienden
niet alleen om gelezen te worden, maar moesten ook iets doen.
De inzichten van ‘Das Kapital’ in het licht van hun ‘vergankelijkheid’ plaatsen.
 Geen enkel idee heeft eeuwigheidswaarde. In het beste geval weerspiegelen ideeën hun
tijd, of zijn ze hun tijd vooruit. Een idee is een historisch product. Je mag een idee nooit
onveranderd laten, zijn denken was nooit afgerond.
De beste manier om Marx verkeerd te begrijpen is door je enkel in zijn teksten te verdiepen.
Het moet u tot handelen aanzetten.
13
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Een biografische schets
Burgerlijke afkomst – de verlichting thuis
-
Geboren 1818, te Trier.
Komt uit een Joodse familie.
Vader van Marx was de eerste niet-rabbijn  advocaat  dankzij anti-joodse wetten
werd er joden verboden om een vrij beroep uit te oefenen  bekeerde zich tot het
protestantisme om toch advocaat te kunnen blijven
Invloed van judaïsme – de joodse geschiedenisopvatting
-
-
-
Terughoudend ten opzichte van zijn joodse afstamming.  toch bestaan er
overeenkomsten tussen Marx’ stijl en methoden en die van de rabbijnen. Marx’
geschiedenisopvatting draagt een stempel van de joodse, profetische erfenis.
In de joodse traditie is geschiedenis niet zozeer wat zich in het verleden heeft
voorgedaan. Het is dat wat gebeurt, wat zich voltrekt en wat voleindigd zal worden. 
voortzetting en afronding van de schepping  heilsgeschiedenis
Zonder de onderstroom van joodse messianisme en eschatologie (de leer van het
einde der tijden) zou Marx heel wat van zijn aantrekkingskracht verliezen.
Marx en de literatuur
-
Gebruikte heel veel hyperbolen en citaten uit de wereldliteratuur.
Studeerde rechten en geschiedenis aan de universiteit van Bonn en later Berlijn.
Belijdenisbrief aan zijn vader – breuk met het idealisme
Beschreef in een brief aan zijn vader welke weg hij als negentienjarige met vallen en opstaan
al had meegemaakt. Brak zichzelf constant af, eindigde met de zin (levensmotto): ‘Ik kwam
ertoe mijn ideeën niet meer te zoeken in idealisme … maar in de werkelijkheid.’
Hegels dialectisch systeem op z’n kop
Hegel was voor Marx de belangrijkste filosoof. Je diende met Hegel tegen Hegel in te gaan.
Marx paste de dialectiek van Hegel toe op zichzelf.
Hegel vatte de wereldgeschiedenis samen in een dialectische formule van thesen,
antithesen en synthesen. Die werden voortgedreven door een geest die, eerst sluimerend en
halfbewust, gaandeweg, van zichzelf bewust wordt en ten slotte, na de hele wenteltrap van
opeenvolgende thesen, antithesen en synthesen te zijn opgewandeld, belandt bij het
absolute weten.
<-> Marx: de dialectiek van Hegel beviel hem zeer, maar Hegels adoratie van de geest
vond hij bespottelijk. De geschiedenis wordt namelijk niet bepaald door de geest, maar
door de mens van vlees en bloed. Niet de geest is de motor van de geschiedenis, maar de
economie, arbeid. De materiële werkelijkheid moet in de aandacht komen te staan.
Frankrijk: na de revolutie had het denken zijn weg gevonden naar de politiek.
<-> Duitsland: de kloof tussen denken en doen bleef onoverbrugbaar, denken en doen
gingen hun eigen weg. Ook in Rusland was er censuur alom.
14
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Dus: de enige weg die kritisch ingestelde intellectuelen overbleef, was de vluchtweg van het
‘zuivere denken’ in het idealisme.
Het idealisme was een product van de maatschappelijke omstandigheden. Denken werd
gedoogd op voorwaarde dat het zich ver hield van de politiek en de macht.  Toen Marx
naar zijn vader schreeft dat hij zich niet meer op het idealisme, maar op de werkelijkheid ging
richten, legde hij de tragische positie van vele intellectuelen bloot. Het idealisme de rug
toekeren en de ‘werkelijkheid’ opzoeken was geen vrijblijvende paradigmawissel. Het was
een daad die moed vergde.
Journalist
Was journalist bij Die Rhenische Zeitung. Hij had kritiek op iedereen en vele vrienden,
vorsten, … kregen er van langs. Hij maakte vele vijanden. Hij kon geen andere standpunten
verdragen dan de zijne.
Parijse tijd – ontdekking van het proletariaat – wapen van de kritiek
Marx vond dat de Duitsers, zoals de Fransen, revolutionair moesten leren denken. In Parijs
had hij contact met veel grote figuren en filosofen en die contacten zorgde ervoor dat Marx’
visie nog radicaler werd. Hij noemde zich vanaf nu wel communist.
Meer en meer kwam hij tot het inzicht dat kritiek op ideeën, niet tot de kern gingen. Je zou
dieper moeten gaan en doorstoten naar de economische verhoudingen.
Af en toe ging hij naar arbeidsovereenkomsten en hier lag dan ook de kiem van zijn geloof in
de historische rol van het proletariaat. Hij droomde van een verbond tussen zijn radicale
filosofie en de kracht van de massa.:
“Zoals de filosofie in het proletariaat zijn materiële wapen vindt, zo vindt het proletariaat in de filosofie
zijn geestelijke wapen, en zodra de bliksemstraal van de idee voldoende ingeslagen is in deze
natuurlijke volksbodem, zal de emancipatie van de Duitsers tot mensen zich voltrekken.”
Friedrich Engels en de ‘echte economie’
Friedrich Engels was de zoon van een Duits industrieel en later de mede-eigenaar van zijn
vaders bedrijf. Hij was een goede vriend van Marx. Dankzij het bedrijf van zijn vader kende
Engels de moderne economie van binnenuit. Hij leidde daar enerzijds het leven van een rijke
bourgeois, maar anderzijds verzamelde hij vlijtig materiaal over de ellende van de Britse
fabrieksarbeiders en beleed hij het communisme. Hij leidde dus een dubbelleven.
Met zijn familiekapitaal werd een groot deel van de communistische publicaties gefinancierd.
Hij verschafte Marx waardevolle informatie over hoe het leven in een fabriek er werkelijk aan
toeging.
Ze ontmoetten elkaar in 1844, wisselde ideeën uit en het kwam tot ‘de volledige
overeenstemming op ieder theoretisch gebied’. Die verhouding bleef bestaan tot Marx’ dood,
en ook daarna bleef Engels Marx’ inzichten ordenen en uitleggen. De hartelijke en duurzame
verhouding met Engels was buitengewoon, en atypisch voor Marx.
15
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Engels hielp Marx zijn weg in de economie te vinden en Marx stortte zich op de lectuur van
economische klassiekers. De vele aantekeningen die hij toen maakte, vormde een vroege
aanzet voor Das Kapital. Het was nu voor Marx duidelijk dat je niet over God of ideeën moest
schrijven, maar over geld. In het toenmalige Parijs hing er revolutie in de lucht, dus als hij
wou dat het boek enige rol van betekenis ging spelen dan moest het nu uitkomen.  het zou
nog 15 jaar duren voor Das Kapital gepubliceerd wordt.
Brussel – ‘Democratische dictator’ – Het Communistische Manifest
1845: Pruisische koning belachelijk gemaakt door Marx  Marx moest Frankrijk verlaten 
Naar België
Marx moest koning Leopold beloven niets over politiek te publiceren  in plaats daarvan
deed hij aan politiek
Intensief communicatienetwerk uitbouwen tussen socialistische groeperingen in Europa.
(links politiek leven)
Bond van communisten: onder indruk van Marx. Vervolgens hebben Marx & Engels de
opdracht gekregen voor uitschrijven manifest voor de bond  één van de invloedrijkste
teksten uit wereldgeschiedenis.
Marx ontvouwde in het Manifest zijn visie op de geschiedenis als permanente
klassenstrijd.
-
Communistische partij als belangrijkste macht (spookcommunisme)
Strijd tussen klassen (verborgen en openlijk)
Onderdrukkers en onderdrukten in tegengestelde posities tov elkaar
Na deze klassenstrijd zouden volgens Marx de klassen verdwijnen  verzoening mensheid
Bourgeoisie is de vijand in de klassenstrijd, maar Marx erkend wel de vele
verwezenlijkingen die de bourgeoisie heeft uitgevoerd (zoals: toepassing scheidkunde in
industrie, spoorwegen, scheepvaart met stoomboten,..) Bourgeoisie was een revolutionaire
klasse.
Na het verwerven van economische macht, wou de bourgeoisie ook politieke macht.
Bourgeoisie heeft zowel een constructieve als destructieve verdienste (= typisch voor een
revolutionaire klasse).
Het afbraakwerk van de burgerij houdt niet op met het opdoeken van de feodale orde
 ook in nieuwe burgerlijke orde worden de sociale verhoudingen onophoudelijk
omvergegooid. (innoveren)
Globalisering is een onvermijdelijk gevolg van het afbraakwerk van de bourgeoisie; over de
staatsgrenzen heen. Overal worden verbindingen gelegd.
Contrast: reusachtig productieapparaat dat genoeg kan voortbrengen om iedereen een
menselijk bestaan te garanderen ten opzicht van de ellendige toestand van het
proletariaat die van de rijkdommen niets te zien krijgen.
16
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Niet schaarste maar overvloed is voor de bourgeoisie het grote probleem. Hoe bestrijden?
Besparingen gekoppeld aan efficiëntere investeringen  ontstaan spiraal  overproductie
leidt tot overproductie  ‘epidemie van de overproductie’
Wetenschappelijk socialisme – ontwikkelingswetten – historisch
materialisme: productiekrachten/productieverhoudingen
Communistisch manifest ≠ wetenschappelijk traktaat, maar moest arbeiders bewust maken
van hun situatie, en hen tot organisatie en revolutie aansporen.
Communistische revolutie  maken van geschiedenis: juiste conclusies te trekken uit
historische ontwikkelingen. Kennis van geschiedenis en economie = noodzakelijk.
Ontdekkingen Marx:
1- Aantonen dat bestaan van klassen aan bepaalde historische ontwikkelingsfasen der
productie is gebonden
2- Klassenstrijd leidt onvermijdelijk tot de dictatuur van het proletariaat
3- Deze dictatuur zal slechts de overgang zijn tot de opheffing van alle klassen 
klassenloze maatschappij
2 & 3: wetmatigheden, over de toekomst = wetmatigheden van het historisch materialisme
‘materialisme’ = noodzakelijke, onverbiddelijke, onvermijdbare kant van het menselijk
bestaan
‘historisch’ = voluntaristische aspect, vermogen mens om arbeidend de wereld om te
werken tot andere dan die hij bij zijn geboorte aantrof
Leidraad Manifest wordt verduidelijkt in het voorwoord: visie mens als historisch wezen.
Citaat p 76-77
Profetie en wetenschap, actie en theorie, vallen bij Marx niet te scheiden.  volgens velen
grootste tekortkoming werk Marx  niet objectief, niet gedistantieerd.
‘Wetenschap is mensenwerk en kennis is een strijdbare praxis.’
 Marx’ nadruk op ‘wetenschappelijkheid’ is een bron van misverstanden 
‘wetenschap’ kan van alles betekenen.
17
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
1848 – revolutie, of toch bijna – revolutionaire strategie
1848: Marx ontvangt twee brieven
1e uit Parijs; van Folon  lid provisorische regering  uitnodiging komen naar
Frankrijk
(revolutie daar)
2e van Koning der Belgen: verzoek land verlaten binnen 24h  schrik revolutie Parijs
zou overslaan naar Brussel en zagen Marx als gevaar politieke stabiliteit
In Parijs: revolutionair strateeg, ideeën andere richting van voorlopige regering
(republikeinen en socialisten)
Kort na revolutie in Parijs, ook een revolutie in Berlijn, Wenen en andere Duitse en
Oostenrijkse steden.  Marx wil hierbij zijn en trekt naar deze steden.
In Berlijn: pikt journalistiek terug op  richt ‘Neue Rheinische Zeitung’ op  financiering met
eigen middelen
1849: Marx trekt naar Londen
Armoede, ‘emigratiedrek’ en journalistiek in London
In London:
- Marx zet studie en journalistiek werk voort  economische richting
-
Miserabele levensomstandigheden
Leven echt zo ellendig? Dat wordt betwist.
Gulle schenkingen van Engels, Laselle en oom uit Amsterdam + inkomsten uit
journalistieke activiteiten
Journalistiek werk blonk uit in ‘investigative journalism’  streefde naar ontmaskering.
Toppunt ‘onthullingsjournalistiek’: reeks artikelen gewijd aan Lord Palmerstone: minister
buitenlandse zaken en premier. Marx beweerde dat de liberale politicus de bondgenoot was
van de Russische Tsaar (later onderzoek toonde aan dat Marx gelijk had).
Naast journalistiek stak Marx ook veel tijd in een venijnige polemiek met socialisten 
weken af van rechte lijn, ze hebben geen geduld, geschiedenis moest haar werk doen, je
kan er niet op vooruit lopen.  Marx raakte meer en meer geïsoleerd van socialistische
beweging
Manuscript ‘Die grossen Männer des Exils’ : viert agressieve spotlust bot op emigranten,
zijn lotgenoten.
Pas na economische crisis in 1857 bracht hem terug tot schrijven van het doorgronden
van het naderende, onherroepelijke einde van het kapitalisme.
18
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Continuïteit in Marx’ werk – ontdekking van de Frühschriften – Althusser –
Das Kapital lezen I
Evolutie merkbaar in Marx’ oeuvre. De jonge Marx is ‘filosofischer’ (Parijse Manuskripten),
de late Marx ‘economischer’ (Das Kapital).
Marx’ hoofdwerken kenden aanvankelijk een lauwe ontvangst. Zur Kritik der politischen
Oekonomie en Das Kapital kregen ondanks pogingen van Engels (goede recensies,..) niet
de gehoopte aandacht.
Pas met Der Bürgerkrieg in Frankreich (1871) kreeg Marx de grote aandacht. Met ‘Franse
burgeroorlog’ bedoelde Marx de opstand en bloedige onderdrukking van de Parijse
Commune in 1870 -> voor Marx een ‘nieuw uitgangspunt van wereldhistorisch belang’, voor
de ‘strijd van de arbeidersklasse tegen kapitalistenklasse en haar staat’.
Dit standpunt bracht opschudding teweeg bij ‘brave burgers’.
Eind 19e eeuw: belangstelling Das Kapital groot en groeiend. Marx verdeelde.
Aanhangers aanschouwde Marx als ‘visionair en wetenschappelijk’. Hij had de
bewegingswetten van kapitalisme ontdekt en voorspelde diens onherroepelijke ineenstorting.
Tegenstanders zagen Marx als revolutionair aanstoker (hadden grootste moeite met zijn
materialisme en dialectische methode).
1930: socioloog Landshut ontdekt in SPD-archief te Berlijn onuitgegeven manuscripten van
Marx. Deze zorgde voor een schok in de Marx-receptie. Marx bleek meer te zijn dan een
politiek econoom en revolutionair (ontdekking van de ‘humanistische kant’ van Marx). Hij
had een wijsgerige visie op de mens als een tot vrijheid bestemd, arbeidend wezen dat van
zichzelf vervreemd was geraakt.
Deze eerste manuscripten legden de geestelijke achtergronden bloot waardoor het historisch
materialisme en Das Kapital in hun juiste betekenis konden begrepen worden.
Marx’ ontdekte ‘humanistische kant’ maakte weinig indruk op hardliners in de
communistische partijen, zeker in Moskou.
Wel had het een groot effect op de hele Frankfurter Schule (Adorno,..).
Verder is de twintigste-eeuwse maatschappijkritiek ondenkbaar zonder notie
‘zelfvervreemding’ (oorspronkelijk begrip van Hegel, tot wapen van kritiek omgesmeed door
Marx). Dit begrip sijpelde door in het Europese onderwijs. Studenten die streefden naar
‘zelfbevrijding’ in jaren ’60 waren aangetrokken door zachtere, mindere deterministische kant
van Marx. Marx als bondgenoot voor eigen worstelingen.
Zeer dialectisch kwam er een eind aan deze romantisering van Marx. Auteurs wilden terug
naar rechtlijnig, hard-wetenschappelijk, deterministisch opgevatte Marx. Het exponent was
Louis Althusser.
19
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Althusser trok duidelijke lijn tussen jonge en oude Marx. Hij sprak van ‘epistemologische
breuk’ tussen Marx-humanist en Marx-de-wetenschapper.
Werk van jonge Marx (voor 1845) = naïef en waardeloos. Echte Marx = Das Kapital.
In het jonge werk sprak Marx nog over ‘de mens’ -> aldus Althusser een fout die alle
humanistische filosofen maakten. Een ‘wezen mens’ bestaat niet, na 1845 zou Marx ‘de
mens’ niet langer als wezen opvatten.
Mens als resultaat van samenspel economische onderbouw (productiekrachten en
productieverhoudingen) en bovenbouw (bestaand uit recht, moraal, ideologie) door
economie bepaald.
! Duidelijke link tussen nieuwe definitie van ‘de mens’ en Marx’ analytische methode die niet
vertrekt van de mens, maar van de economische gegeven maatschappijperiode.
Volgens Althusser diende je Marx correct te lezen: radicaal anti-humanistisch. Ieder spoor
van ‘de mens’ moet eruit worden verwijderd.
Enkel zo krijg je objectivistische kijk op structuren en krachten = een ‘puur
wetenschappelijke’ kijk op ‘de mens’.
In termen van Althusser: ‘diepteboringen’ ; je moet boren in een tekst = filosofische
bodemmonsters.
Waarom aandacht geven aan Althusser met betrekking tot bestuderen van Marx?
Althussers aanpak maakt op een duidelijke manier duidelijk dat Marx lezen geen sinecure is.
Citaten als commentaar – Marx en Dante in de hel – Das Kapital lezen II
Citaat dubbele functie in Das Kapital.
Soms doet citaat functie als gewone verwijzing naar een empirisch gegeven.
Maar wanneer Marx andermans theorieën citeert is dit om andere redenen. Hij citeert
anderen om te laten zien welke plaats ze innemen in de geschiedenis van het economisch
denken. De citaten dienen niet om Marx’ betoog te onderbouwen maar zijn bedoeld als ‘een
doorlopende commentaar’ op de tekst.
Je kan deze uitspraken op twee verschillende, tegenstrijdige manieren interpreteren.
1. Das Kapital als soort van codex waar andere auteurs worden afgemeten aan de mate
waarin ze in de buurt komen van Marx. Marx lezen is een vorm van intellectuele
onderwerping.
2. ‘De werkelijke tekst, het werkelijke denken van Marx, blijft altijd enigszins aan het
zicht onttrokken, we zullen er nooit helemaal hoogte van krijgen, omdat het
voortdurend in beweging is, en net als we denken dat we het vatten, glipt het ons
door de vingers. Dat heb je nu eenmaal met dialectisch denken. ‘
Oneindig star of oneindig caleidoscopisch. Tussen die twee uitersten bewegen zich de
interpretaties van Marx’ oeuvre.
20
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Bewering dat citaten in Marx’ werk commentaren zijn op zijn immer voortvlietend denken.
Marx citeerde naast economen ook uit de wereldliteratuur. Shakespeare, Cervantes,
Goethe,.. staan geciteerd in Das Kapital omdat ze ‘totale menselijke wezens’ zijn , of toch
minstens een niet reducerende kijk op de mens open houden.
In de literatuur ontmoeten auteurs mekaar als mensen (zelfs in de moeilijkste
maatschappelijke omstandigheden en over alle historische hindernissen heen).
Vraag die rest: lezen we Das Kapital in humanistisch of pos humanistisch perspectief?
Zur Kritik der Politischen Oekonomie – Lasalle – Eerste Internationale
Schrijfwoede bij Marx in periode 1857-58: wereldcrisis. Marx vond dat hij kapitalisme nog niet
helemaal had onthuld.
De politieke toestand, wereldcrisis, smeekte dringend om zijn boek.
1859: Zur Kritiek der politischen Oekonomie. In Woord Vooraf schetst hij helder zijn
historisch materialistische methode. Verder bevatte boek vooral samenvattingen van
andermans theorieën over geld, ruil, circulatie en waarde. Over dynamiek kapitaal en
onvermijdelijke ineenstorting van de burgerlijke economie was weinig gezegd. Het boek
kreeg nauwelijks aandacht. Jenny klaagde over een ‘samenzwering van stilte’.
Karl Vogt noemde Marx ‘het hoofd van een chantagebende in Londen’. Marx’ woedende
replix vertaalde zich in een heel boek: Herr Vogt (1860)
Motivatie die Marx vond voor schrijven Das Kapital: na-ijverige eerzucht.
In 1863 had Ferdinand Lassalle, een Duitse socialist (die met zijn boeken/pamfletten de
massa wist te bereiken) een ‘Arbeiter-Programm’ gepubliceerd, dat beschouwd wordt als
uitgangspunt van de sociaaldemocratie in Duitsland.
Marx keek dit met lede ogen aan. Hij vond het een ‘slechte vulgarisatie van het
Communistisch Manifest’. Marx noemde Lassalle een jood.
Marx en Lassalle kende elkaar al langer. Ze hadden elkaar ontmoet in het revolutiejaar 1848
en zelfs vriendschap aangeknoopt.
Gaandeweg kwamen er ‘knopen in hun relatie’. Vermoedelijk door toedoen van Engels die
roddels over Lassalle influisterde.
Lassalle zat er warmpjes in, leidde in Berlijn een riante levensstijl en steunde Marx af en toe
financieel. Had om het zo te zeggen ‘alles wat Marx ontbrak’. Was vermogend, zijn boeken
hadden veel bijval en zijn pamfletten vonden hun weg naar de massa.
Marx slaagde er meesterlijk in zijn vijandschap ten opzichte van Lassalle te verbergen.
Lassale geloofde naïef in Marx’ vriendschap.
Er waren ook politieke meningsverschillen tussen de twee. Deze hadden betrekking op de
te volgen revolutionaire tactiek.
Lassalle: was sociaaldemocraat met minder hooggestemde verwachtingen over de revolutie.
Hij zette zich liever in voor de arbeidersbelangen in het hier en nu.
21
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Marx besluit ‘aan de definitieve versie van dat rotboek te beginnen (Das Kapital). Urenlang
zat hij te werken in The British Library.
Zijn enigste tijdrovende aangelegenheid die overbleef was zijn betrokkenheid bij de Eerste
Internationale. Marx speelde een merkwaardige rol bij oprichting te Londen van Eerste
Internationale Arbeidersassociatie (1864). Hij was opgenomen in Algemeen Bestuur en
werd gevraagd de statuten te schrijven en een inhuldigingsrede te houden. Dit was voor
Marx eerder tijdverlies omdat hij bezig was met het afronden van Das Kapital (eerste deel).
Hoe intenser het werk aan het boek werd, hoe zieker Marx werd. In 1867 was het boek af.
Het kapitaal is als een vampier
De essentie van het kapitaal is dat het geen essentie heeft. Het is een spook zonder eigen
levenskracht. Het zuigt als een monster het leven uit al wat bestaat, uit mensen en dingen.
Marx gebruikt metaforen uit horror stories, huiveringwekkende vergelijkingen.
Het monster begrijpen en de wapens tonen om het te verslaan, was de inzet van Marx’
jarenlange worsteling.
Beginnen doet hij bij ‘de waar’.
Een kapitalistische maatschappij wordt het meest van al gekenmerkt door een ‘kolossale
opeenhoping van waren’. Daarom start hier het onderzoek, bij de analyse van de waar.
De waar – gebruikswaarde en ruilwaarde
Wat is een waar?
Een concreet voorwerp, een ding dat menselijke behoefte bevredigt.
Ze hebben een concreet nut in het gebruik (een appel die je opeet) = gebruikswaarde.
Maar deze voorwerpen maken deel uit van een maatschappij waarin mensen dingen ruilen =
ruilwaarde.
Wat is ruil?
De verschuiving van een waar van de ene naar de andere. Om dingen als waren te kunnen
ruilen moeten mensen mekaar dus eerst beschouwen als eigenaars van die dingen. Ze
moeten ‘tegenover elkaar staan als wederzijdse onafhankelijke personen’. Niet zo
vanzelfsprekend!
De notie ‘eigenaar’ is verre van natuurlijk. In primitieve samenlevingen kwam dit niet voor
(jagers-verzamelaars), geen notie van ruilen. (Marx) <-> Adam Smith: ruil als oerverhouding
tussen mensen.
‘De ruil van waren begint pas waar de gemeenschap eindigt’ -> op contactpunten tussen
vreemde gemeenschappen of onderling tussen leden van vreemde gemeenschappen.
Gevolg: sociale betrekkingen veranderen. Mensen ontpoppen tot eigenaars en handelaars.
Hier ontstaat de ruilwaarde van een ding.
22
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Probleem: hoe bepalen we de ruilwaarde van iets? Twee potentiële ruilobjecten moeten (tot
zover zij ruilwaarden zijn) tot een ‘derde ding’ worden teruggebracht. Maar wat kan dit ‘derde
ding’ zijn? -> Objecten zijn arbeidsproducten, voortbrengselen van arbeid.
Niet denken aan de concrete arbeid, maar aan de abstract opgevatte arbeid (die beide
producten vergelijkbaar maakt)!
Dus: arbeidsuren als maatstaf om arbeidsproducten te kunnen ruilen.
Notie: maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd (vermijden dat brood van luie bakker
waardevoller is dan vlijtige bakker die meer produceert op minder tijd!).
Het fetisjkarakter van de waar
De ruil is slechts mogelijk door enkele vervreemdende abstracties:
1) gemeenschapsbanden tussen mensen vervangen door verhouding tussen eigenaars
2) gebruikswaarde -> ruilwaarde
3) concrete arbeid -> abstracte arbeid m.b.t. bepalen van ruilwaarde
4) abstracte arbeid = statistische variabele doe verandert met schommelingen van
gemiddelde productiviteit, de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd.
In de analyse van de ‘waar’ zit de sleutel tot het begrip van het kapitalisme, aldus Marx.
Waar komt mystieke, raadselachtige karakter van ‘waar’ vandaan?
Dat komt omdat mensen vergeten wat de oorsprong is van de ruilwaarde van een waar. Zo
gewend om te ruilen dat de ruilwaarde ogenschijnlijk een eigenschap van ‘het ding’ zelf
wordt.
De ruilwaarde, in werkelijkheid iets heel abstracts, doet zich voor als iets héél concreets,
namelijk als geldprijs.
De warenruil dirigeert mensen, als was zij een natuurwet.
De warenruil is één grote sluier waarachter de werkelijke maatschappelijke relaties
verborgen blijven. In samenlevingen waar diensten en prestaties in natura werden geleverd,
kwamen de werkelijke maatschappelijke verhoudingen open en bloot aan het licht (denk aan
een lijfeigene die buigt voor zijn heer).
In de burgerlijke maatschappij worden de werkelijke maatschappelijke verhoudingen aan
het oog onttrokken. Je koopt een waar en denkt niet aan de omstandigheden waarin de
arbeiders dit waar hebben tot stand gebracht (denk aan textielarbeiders in Bangladesh).
De menselijke verhoudingen worden gemaskeerd achter verhoudingen tussen waren.

de maatschappelijke verhoudingen tussen mensen, neemt voor hen de
fantasmagorische vorm aan van een verhouding tussen dingen.
= fetisjkarakter van de warenwereld
Waren zijn net als fetisjen -> leiden een bovennatuurlijk leven, grillig en beangstigend, door
mensen vervaardigd.
23
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Geld
Geld is een heel bijzondere waar met uitsluitend ruilwaarde (m.a.w. de gebruikswaarde van
geld bestaat erin dat je ermee kan ruilen).
De gebruikswaarde van geld is haar ruilwaarde. Een waar in zijn puurste vorm!
‘Geld is de radicale nivelleerder’ -> heeft betrekking op het feit dat je haast zou vergeten
dat waren nog over een gebruikswaarde beschikken. Ze lijken alleen te bestaan omdat ze
een prijs hebben en in geld kunnen worden omgezet. Geld ontkent de bijzondere
eigenschappen van dingen en stuwt de ‘algemene vervreemding van de waren’ tot grote
hoogten op.
Marx maakt in zijn betoog, Das Kapital, gebruik van allerhande literaire en historische
bronnen (Shakespeare, Goethe, Dante, Luther,..). Vrij ongewoon in een economischwetenschappelijke studie over kapitaal.
De reden waarom Marx gebruik maakt van deze stijlbloempjes is door de zakelijke analyse
van het kapitaal onder te dompelen in de taal van schrijvers en dichters er ook iets van het
gewone, volle, ongedeelde menselijke leven in het betoog naar boven komt.
Marx wil laten zien dat goed gedefinieerde termen (geld, eigenaar, kapitaal,..) geen eeuwige
toestand aanduiden. De moderne kapitalistische economie is geen natuurlijk fenomeen.
Marx’ analyse is door en door historisch!
Kapitalistische economie is voor de mens een vervreemdende constellatie.
Maar het hoeft zo niet te zijn, meent Marx. De economie is door mensen bedacht en
gecreëerd en dus in zekere zin veranderbaar. Waarom zou de mens zich als een rationele
eenzaat, naar het model van de homo economicus, moeten gedragen? Er is geen
menselijke natuur die dit voorschrijft, meent Marx.
Gewone economen worden verblind door hun wiskundige precisie. Daarom meent Marx dat
ruimhartige geesten als Shakespeare, Dante,… van meer nut kunnen zijn dan wiskundige
modellen.
Verder is Marx dialectisch genoeg om te beseffen dat het geld enorme mogelijkheden voor
de mens heeft gecreëerd. Hij noemt geld zelfs ‘het veruiterlijkte vermogen van de mens’. Wel
heeft geld vervreemdende verhoudingen tussen mensen in het leven geroepen.
De algemene formule van het kapitaal – geld als doel – beweeglijkheid van
het kapitaal – kapitaal als God
De volgende stap in het vervreemdend abstractieproces is deze van de overgang van geld
naar kapitaal.
De moderne geschiedenis van het kapitaal neemt een aanvang in de 16e eeuw, na de
ontdekking van de Nieuwe Wereld waarbij de wereldhandel en de wereldmarkt op gang
kwamen.
24
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Bij gewone geldcirculatie: geld als middel om warenruil te vergemakkelijken. Geld is hier een
middel.
Directe vorm van warencirculatie = GELDKRINGLOOP: W – G – W (verkopen om te kopen)
Doel : de gebruikswaarde
Stap naar kapitaal wordt gezet wanneer geld niet meer als middel maar als doel wordt
gebruikt. De waren worden nu zelf tot middel. Ze dienen niet meer om vele concrete
behoeften te bevredigen. Slechts één doel: winst maken, meer geld verwerven. Het concrete
–behoeften, mensen, waren- wordt ondergeschikt aan abstracte principes van het
kapitalisme: de accumulatie van geld.
Vorm van circulatie = KAPITAALKRINGLOOP: G – W – G (kopen om te verkopen). Geld dat
op deze wijze circuleert verandert in kapitaal.
Doel : de ruilwaarde zelf
Kapitaal is dus geld dat je inzet om nog meer geld voort te brengen.
Doel van de economie (bevredigen van behoeften) doet er niet meer toe.
Resterende vraag: doet consumptie er dan niet toe in een kapitalistische economie? Tuurlijk
wel!
Maar hier schuilt een paradox. De consumptiemaatschappij creëert kunstmatige behoeften
(via reclame en beïnvloeding). Enige doel: winst maken. Dit is de ultieme vorm van
vervreemding. We worden niet gedreven door onze behoeften, maar wel door onze
oneigenlijke drijfveren en verlangens.
Terug naar de kapitaalkringloop. Deze lijkt een vruchteloze onderneming te zijn. Want wat
heb je eraan als je op het einde van de kringloop nog altijd evenveel hebt als in het begin?
Daarom een nieuwe kringloop: G- - G’ waarbij G’ meer is dan G. Er heeft een
vermeerdering plaatsgehad van het oorspronkelijke kapitaal = meerwaarde. De kringloop GW-G gaat oneindig door.
Marx gaat zo ver dat hij kapitaal vergelijkt met God.
God de Vader (het beginkapitaal) verwekt in zichzelf God de Zoon (de meerwaarde). Net
zoals kapitaal is ook God een door de mensen voortgebracht wezen.
25
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Arbeid als waar – uitbuiting
De sleutel tot de ontmaskering van het kapitaal is het antwoord op de vraag: waar komt de
meerwaarde vandaan?
Het gehele systeem van de kapitalistische productie is gebaseerd op de verkoop door de
arbeider van zijn arbeidskracht als waar.
‘Proletariaat’ komt van proles: nageslacht. In het oude Rome was proletarius de laagste
klasse van mensen die enkel meetelden omwille van hun kinderen.
Herkomst van meerwaarde wordt nu duidelijk. De arbeider produceert per dag namelijk meer
aan ‘waarde’ dan het kost om hem een dag ‘in leven te houden’.
Kapitaalaccumulatie voert het kapitalisme ten top en… naar de afgrond
Kapitaal als monster dat zich onverzadigbaar voedt met arbeid. De verlenging van de
arbeidsdag, de harde werkomstandigheden en het lage loon storten arbeiders in een totaal
vervreemd, ellendig bestaan. Dit zal vanzelf leiden tot ondergang van kapitalisme, aldus
Marx.
‘een enkele kapitalist vernietigt vele kapitalisten’ : kapitalisten zitten in een continue
concurrentiestrijd tegenover mekaar. Ze moeten hun kosten verlagen en winst vergroten.
Meerwaarde als ‘enige bron van winst’. Weinig kapitalisten zijn bestand tegen deze
concurrentiestrijd waardoor aantal kapitalisten alleen maar krimpt.
Aangezien verder alle methoden om meerwaarde voort te brengen (verlenging
arbeidsdag,…) ten koste gaan van de fysieke en mentale gezondheid van de arbeiders, zal
de verelendung van de arbeidersklasse op de spits worden gedreven met als enige
uitkomst: opstand. Een apocalyptische situatie van totale klassenpolarisatie.
Accumulatie van kapitaal vereist een overeenkomstige accumulatie van ellende.
Das Kapital: tussen ‘wet’ en ‘hoop’
Axioma: ‘Winst komt voor uit de onttrekking van meerwaarde aan levende arbeid’.
Begrippen gebaseerd op dit axioma (zie voor volledige uitleg p.113-114):
Constant kapitaal (c) , deel van kapitaal dat tijdens productieproces niet van grootte
verandert. Grondstoffen en machines.
Variabel kapitaal (v) , bestaat uit de tijdens het productieproces door de arbeidskracht
‘bestendigde waarde’ + de meerwaarde (m).
Organische samenstelling van het kapitaal
Meerwaardevoet of uitbuitingsvoet
Winstvoet
26
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De Eerste Wet van de Meerwaarde
Wet van de dalende Winstvoet
Kapitaal zal in zijn onbegrensde groei verwikkeld geraken in een onoplosbaar dilemma. Hoe
verder technologische ontwikkeling evolueert, hoe minder arbeid nodig voor een grotere
hoeveelheid producten.
Winst van kapitalist zal onherroepelijk dalen. Kapitaal probeert daling van winst tegen te
gaan door verdere uitbuiting.
Maar! Er is een grens aan de uitbuiting -> de bron van meerwaarde droogt op en winstvoet
zal dalen. Gevolg: zeer klein aantaal superrijke kapitalisten en een massa van werkloze
arbeiders.
Het is kwestie van wachten op de ineenstorting van het kapitalistische systeem…

op basis van empirische vaststellingen is uitgangspunt van Marx uiterst betwistbaar!
Verder zwaait Marx de plak met zijn profetische argument van de hoop waarmee hij
appelleert aan de ‘totale mens’.
Hij wil de lezer laten meevoelen met de miserie, de onmenselijke werkelijkheid schetsen,…
Das Kapital kan via deze weg ook gelezen worden in het licht van ‘de hoop’.
Marxistische en ‘burgerlijke’ economie: een dovemansgesprek
Groot deel van de economische begrippen in Das Kapital afkomstig van klassieke
economen.
Enkel begrip ‘meerwaarde’ beschouwde Marx als iets van hem (alhoewel J.S. Mill dit al
eerder formuleerde).
Grote verschil klassieke economen en marxistische economen?
Niet-marxistische economen hebben in hun wetenschap geen plaats voor de notie
‘vervreemding’ of ‘fetisj’. Marktonevenwichten ervaren zij als ‘natuurlijke’ processen. Marx
was het daarmee volstrekt oneens.
Wat ‘burgerlijke’ economen natuurlijk/rationeel vinden, is in zijn ogen een redeneerfout die
zelf voortkomt uit vervreemding!
Burgerlijke economen schijnen niet te zien dat het kapitalisme een historisch gegroeide
maatschappijvorm is die mensen aantast in alle dimensies van hun bestaan.
Daarom voeren marxistische economen en niet-marxistische economen altijd
dovemansgesprekken met elkaar.
27
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Een kritische appreciatie
Weinig tot geen van Marx’ uitspraken kwamen uit. MAAR als je Marx opvat als de dialecticus
die hij in de eerste plaats was, dan komt zijn theorie in een ander licht te staan!
Zij is dan niet langer een verzameling van ware of onware uitspraken maar eerder een denkof bestaanswijze: een erkenning, een zelfverklaring van de mens als een worstelend, naar
vrijheid snakkend, sociaal wezen, vechtend tegen alles wat die vrijheid verhindert.
Spanning potentiële en reële vrijheid. Nieuwe technologieën (zoals de stoommachine)
maken mensen potentieel vrijer. Maar tegelijk maakt diezelfde machine mensen reëel
onvrijer in de fabriek, waar arbeiders in onmenselijke verhoudingen tegenover elkaar staan.
Op deze spanning wijst Marx uitvoerig in Das Kapital.
19e eeuw: verelendung bestond uit honger, verpaupering, ziekte, morele degeneratie.
Nu: gereduceerde, verzakelijkte sociale verhoudingen.
Marx vreesde voor de ultieme vervreemding/vernedering. Dit wanneer mensen zich bij de
onvermijdelijkheid van een kwalijk maatschappelijk systeem (dat ze nota bene zelf hadden
voortgebracht) gaan neerleggen.
In dit opzicht is Marx actueler dan ooit!
Marx’ hartstochtelijke pleidooien voor vrijheid contrasteren met de dictators die aanspraak
maakten op Marx’ werk.
Waarom populair bij dictators?
- revolutietheorie als makkelijk excuus voor dictators
- ideeën Marx leken vaak op de wetenschap gestoeld, maar was vaak niet meer dan
profetieën.
Hoofdstuk 3: De sociologisch verbeelding van Emile Durkheim
Durkheim en de erkenning van de sociologie als wetenschap
Durkheim stampte de sociologie als een nieuwe academische discipline uit de grond. Hij is
veruit de belangrijkste socioloog, die een erg grote invloed heeft gehad op de Franse
samenleving en het Franse onderwijs. Durkheim heeft ervoor gezorgd dat de sociologie in
Frankrijk een relevante wetenschap was, die maatschappelijke debatten voedde. Ook
internationaal werd hij erkend als toonaangevend socioloog.
4 hoofdwerken van Durkheim:
1. De la division du travail social, 1893
2. Les règles de la méthode sociologique, 1895
3. Le suicide, 1897
4. Les formes élémentaires de la vies religieuse, 1912
28
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Daarnaast riep Durkheim een sociologisch tijdschrift in het leven : l’année sociologique
waarin alleen artikels die beantwoordden aan zijn opvatting van sociologie een kans
maakten.
Durkheim verdedigde het rationele: Serieuze kennis verwierf je via rationele methoden. Hij
was ervan overtuigd dat kennis vooruit ging via objectieve waarnemingen.
Durkheim geloofde in de rede en in de maatschappijopbouwende mogelijkheden van de
sociologie.
Durkheims leven:
Hij stierf op vrij jonge leeftijd aan een beroerte. Het nieuws over zijn zoon André, die aan het
Servische front sneuvelde trof hem zo dat hij het niet meer te boven kwam.
Durkheim, Tarde, Le Bon, Worms: Wil de ware socioloog opstaan?
In het Frankrijk van het fin de siècle bruiste het van de denkers en wetenschappers die zich
inlieten met sociologische onderwerpen. Naast Durkheim waren er dus nog een heel aantal
anderen die zich bezighielden met sociologische onderwerpen.
Enkele andere ‘wetenschappers’:
1. Gustave Le Bon
2. Gabriel Tarde
- De maatschappij is een interpsychisch verschijnsel.
De maatschappij bestaat uit ideeën, wensen en voorstellingen van individuen die
zich bij onderling contact tussen mensen voortplanten.
- Hij sprak niet van sociologie, maar van interpsychologie
- De wet van de imitatie (= basiswet van die interpsychische wisselwerking).
Verschillende soorten imitatie. Imitiatie kan zich snel/traag verspreiden:
a. Imitatie verpreidt zich traag: veranderingen zijn onmerkbaar, maar werken
diepgaand en zijn blijvend (héréditaire)
b. Imitatie verspreidt zich snel: (vibratoire)
3. Worms
- Richtte een eigen tijdschrift op (zelfs nog voor Durkheim dat deed) en een
internationale vereniging voor sociologie.
- Hij streefde naar de vestiging van de sociologie als een eigen wetenschap (net
zoals Durkheim).
Dat niet Worms of Tarde maar wel Durkheim geldt als dé Franse klassieke socioloog, heeft
niet zozeer te maken met zijn kwaliteit van briljante wetenschapper. Het kwam vooral door
de ideale combinatie van twee vaardigheden: wetenschappelijke systematiek (die Worms
miste) en organisatietalent (dat Tarde miste).
29
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Kleine excursus over ‘grote mannen’ – over het nut van klassieke auteurs
lezen
Het is een sociologische gemeenplaats dat prestaties van ‘grote mannen’ niet op zich
staan. De omstandigheden moeten er naar zijn. De sociale netwerken, de
machtsverhoudingen, de conflicten en de dynamieken, … alles moet juist zitten! In welk
domein dan ook: de configuratie van voorwaarden moet samenvallen als een puzzel waar
die ‘grote man’ dan als laatste puzzelstukje in past.
De verering van die grote mannen is blind voor die complexe puzzel: We houden ons
enkel bezig met het bespreken van die bepaalde ‘grote man’, en vergeten alle andere
voorwaarden/factoren die een belangrijke rol hebben gespeeld.
Zelfs in bepaalde studies ontkomt men niet aan die verering:
1. Wie wordt geraakt door een kunstwerk of een intellectuele prestatie, krijgt het niet
over zijn hart om die prestatie ‘weg te verklaren’. Dan blijft de studie liever onvoltooid.
Voorbeeld: Adorno’s studie over Beethoven
2. Alleen als er specifieke motieven in het spel zijn om ‘individuen en hun uitzonderlijke
prestaties’ te relativeren, lijkt het te lukken.
Voorbeeld: Bourdieus boek over Flaubert: Dat boek was tegen Sartre gericht,
bedoeld om de filosoof te onttronen. Het diende niet om Sartre, noch Flaubert te
begrijpen.
Het sociale milieu van Durkheim – de twee gezichten van de maatschappij
Durkheims jeugd:
- Durkheim groeide op in Epinal,in de Vogezen
- Van Joodse afkomst
- Groeide op in een arm rabbijnengezin.
- Als jongste zoon, kleinzoon en achterkleinzoon van een rabbijn was hij zelf ook
bestemd voor het rabbinaat.
- Besliste als schooljongen dat hij geen rabbijn wilde worden.
- Was een vlijtige leerling en een ernstige werker
Durkheim nam afstand van de Joodse gemeenschap. De rede hiervoor was het dubbele
gelaat v/d maatschappij.
Het dubbele gezicht van de maatschappij (streng & hartelijk) dat Durkheim schetst is
gebaseerd op zijn joods-orthodoxe jeugdervaringen: Ritualisme en ontzag voor de Wet aan
de ene kant, en warme uitgelatenheid op sabbat en andere feesten aan de andere kant. Als
het werk gedaan is, wordt er in de gemeenschap ongeremd en intens gefeest en gevierd
(die opwinding = de effervescence).
30
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Durkheim als ‘normalien’ – de mens als homo duplex – individu VS
maatschappij
Na zijn opleiding op het Lyceum in Epinal, zette hij zijn studie verder aan de Ecole
Normale te Parijs. L’Ecole normale was een elitaire instelling die opgericht was tijdens de
Franse Revolutie met de bedoeling om veelbelovende jongeren klaar te stomen voor
verantwoordelijke posities. Studenten werden er als kloosterlingen behandeld, afgeschermd
van alle afleiding van de buitenwereld.
Aan de Ecole Normale legde hij het hoofdthema van zijn sociologie vast: het probleem
van de spanning en verzoening tussen individu en maatschappij. Volgens Marcel
Mauss, neef en medewerker van Durkheim benaderde hij dit onderwerp aanvankelijk
ideologisch. Maar vanaf 1883 had Durkheim door dat die verhouding tussen individu en
maatschappij objectiever, en dus ook wetenschappelijker benaderd zou moeten worden.
De spanning1 die Durkheim in de Ecole Normale ondervond werd de basis van zijn mensmaatschappijbeeld.
De mens is een duaal wezen, een homo duplex: De mens bestaat als het ware uit twee
delen (tweespalt):
- Lagere substantie Het zintuiglijke, zinnelijke wezen dat handelt uit egoïstische
motieven.
VS
- Hogere substantie De rede, het conceptuele denken en het religieuze en morele
besef
Het beste in de mens, zijn redelijkheid en morele besef komt volgens Durkheim rechtstreeks
uit de maatschappij. De tegenstelling tussen lagere en hogere natuur van de mens komt dus
neer op de tegenstelling tussen individu en maatschappij.
Durkheim benadrukte het waardeverschil tussen de beide ‘naturen’. De ene is alles, de
andere nagenoeg niets waard. Uit zichzelf is het individu niets. Al het menselijke ontspruit
aan de maatschappij. De samenleving staat boven het individu!
Frankrijk – het individualisme – kritiek op het contractdenken – naweeën
van de revolutie
De spanning tussen individu en maatschappij was geen ontdekking van Durkheim. Men hield
zich in Frankrijk al eerder bezig met het bekritiseren van het individualisme.
De mens was een individueel wezen dat ‘over zichzelf beschikte en een onbetwistbaar recht
had op politieke vrijheid’. Maar hij leeft niet alleen. De mens, zo verkondigde Diderot, is
bereid een deel van zijn onafhankelijkheid op te geven en te delegeren aan een macht die
de veiligheid en de eigendom verdedigde, zolang die macht maar uit henzelf voortkwam.
De natuur heeft twee doeleinden: de instandhouding van het individu en het voortbestaan
van de soort. Hoe sterker, zelfbewuster, en bevrijder het individu, hoe waardevoller het
sociale leven dat zij samen met alle tot stand kan brengen:
1
De spanning tussen het hoge doel dat de studenten werd voorgehouden en het onophoudelijke, moeizame
geploeter om daaraan te beantwoorden.
31
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De kern van het contractdenken!
Contractdenken:
De samenleving komt tot stand door contracten tussen individuen, waarbij ieder individu zijn
oorspronkelijke vrijheid behoudt.
Het contractdenken werd door Rousseau uitgebreid besproken in Le Contract Social. Het
grondprobleem, dat Rousseau besprak, is dat er een vorm van samenleven gevonden zou
moeten worden waarin de persoon en de goederen van iedere deelgenoot verdedigd en
beschermd wordt met z’n allen, maar waarbij ieder toch slechts aan zichzelf gehoorzaamt en
even vrij blijft als tevoren.
Durkheim is ervan overtuigd dat de bron van de oplossing niet in het individu ligt, maar in de
maatschappij. De samenleving als een ‘contract’ tussen mensen, is volgens Durkheim onzin!
Kritiek op het contractdenken
Durkheim: Het sociale leven kan nooit tegemoetkomen aan de oorspronkelijke vrijheid van
de mens. De samenleving kan niet tot stand komen door een rationele, contractuele daad
van individuen die hun eigenbelang volgen.
“Niets is zo veranderlijk als eigenbelang. Vandaag verenigt het mij met jou, morgen maakt
het me tot jouw vijand.”
Naweeën v/d revolutie:
Anti-individualistische bezorgdheid. De geur van het individualisme verpestte het leven. Het
tastte het gevoel van solidariteit aan.
Dreyfus-affaire – aansluiting en kritiek op Rousseau – individualisme als
bindmiddel – ‘cultus van het individu’
Durkheim was geen anti-individualist. Zolang individuen hun lagere natuur weten te
onderwerpen aan hun hogere natuur, is ‘het individu’ zelfs het meest waardevolle dat er is.
Als je onder individualisme verstaat: de cultus van dat ‘hogere individu’, dan is er niets
mooier dan dat. Dan kan individualisme zelfs de grondslag vormen van de nieuwe morele
orde.
Deze stelling verdedigde Durkheim naar aanleiding van de Dreyfus-affaire!
Wat houdt de Dreyfus-affaire in?
Dreyfus,een joodse officier in het Franse leger, werd in 1894 gearresteerd wegens
hoogverraad. Hij werd veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Dreyfus zou
geheime legerdocumenten hebben doorgespeeld aan de Duitsers.
Later doken er aanwijzingen op dat er geknoeid was met bewijsmateriaal, en vond men
sporen van een doofpotoperatie. Er volgde een heftige openbare pennenstrijd pro en contra
Dreyfus!
32
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De Dreyfus-affaire verdeelde de Franse samenleving in twee haatkampen:
1. Dreyfusards, onder leiding van Emile Zola
Zij verweten de Franse staat dat ze haar eigen beginselen niet ernstig nam. Zij
vonden dat Dreyfus’ eer hersteld zou moeten worden.
2. Anti-dreyfusards
Een bonte verzameling van conservatieven, pragmatici en antisemieten die zich
beriepen op la patrie. Hun ideeën:
- Staatsbelang boven individuele belangen
- Individuen ondergeschikt aan de sociale orde
- Eer van de staat moest hersteld worden
De hele discussie raakte Durkheims onderneming in de kern. Het ging immers om de
verhouding individu-maatschappij.
Oppervlakkig gezien leek het betoog van de anti-dreyfusards een beetje op dat van
Durkheim zelf. Beiden namen het op voor sociale orde. Maar juist omdat er een zweem van
overeenkomst was, voelde Durkheim zich geroepen om zijn standpunt tegenover de antidreyfusards uit de doeken te doen en hun ideeën te weerleggen. Dat deed hij in zijn werk
Het individualisme en de intellectuelen.
Omdat Durkheims standpunt, oppervlakkig gezien, lijkt op dat van de anti-dreyfusards zet hij
meteen de puntjes op de i. Er zijn namelijk twee vormen van individualisme, die niets met
elkaar te maken hebben:
a. Het individualisme van Spencer (Utilitaristisch)
- Elk gemeenschapsleven wordt onmogelijk als er geen belangen zijn, die zwaarder
wegen dan die van het individu.
- Het draait om het individuele welzijn en belang, bijna egoïsme.
- Het individualisme dat is afgeleid van individuele en dus egoïstische gevoelens
B. Het individualisme van Kant & Rousseau (universalistisch en gericht op
algemeen belang)
- Het stelt geenszins het eigenbelang tot criterium van het handelen, maar
beschouwt integendeel elke persoonlijke drijfveer als de bron van alle kwaad.
- = Het individualisme van de verantwoordelijke burger die zich richt op het
algemeen belang. Het handelen is alleen moreel, wanneer het op alle mensen
zonder onderscheid van toepassing kan zijn, dat wil zeggen als het volgt uit het
algemeen begrip van de mens.
- Individualisme ingesteld door de maatschappij
- Dit is ook het individualisme waar dat Durkheim voor staat
Durkheim:
Een samenleving kan alleen blijven bestaan als ze een ‘morele eenheid’ vormt. Er moet in
iedere maatschappij een geloof bestaan, wat het ook weze, dat door al haar leden wordt
gedeeld. Zonder een religie die hen verbindt, kan een maatschappij niet samenhangen.
Maar het gaat natuurlijk niet om deze of gene God. Het gaat om gedeelde overtuigingen.
“In wezen is een religie niets anders dan het geheel van collectieve overtuigingen en
praktijken die een bijzonder gezag hebben.”
33
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De kern van religie is, volgens Durkheim, een of ander ideaal dat door een heel volk wordt
nagestreefd. Die gedeelde overtuiging krijgt zo een ‘religieus karakter’ en vormt hét
bindmiddel van de maatschappij. Dat religie onmisbaar is, zegt niets over de inhoud van die
religie.
De religie in de moderne maatschappij is ‘het individualisme’. Het is natuurlijk
paradoxaal dat datgene wat moderne mensen verbindt juist is wat hen van elkaar
onderscheidt, namelijk hun waarde als individu.
Deze paradox lost snel op als we kijken naar de dynamiek van de moderne
maatschappijen: Individuen verschillen teveel van elkaar om nog gedeelde overtuigingen te
hebben. Mensen denken en voelen nog weinig gemeenschappelijks. In de eeuwige sociale
flux van het moderne leven is er geen enkel gemeenschappelijk kenmerk meer, behalve dat
we allen mensen zijn!
Durkheims besluit: Het enige dat ons in de moderne maatschappij nog verbindt, is het
abstracte besef dat ze allen mensen zijn. Alles wijst er op dat het enige dat mensen nog
gemeenschappelijk kunnen vereren of liefhebben, de mens zelf is. Dat is het hele
individualisme en dat is de rede waarom het een onontkoombare overtuiging is.
Me, my selfie and I
De menselijke persoon is een individu, dus is het normaal dat je die menselijke persoon
aandacht geeft; te beginnen, uiteraard met de persoon die je zelf bent.
De selfie-rage van de facebookgeneratie is een uiting van het nieuwe sociale bindmiddel: de
cultus van het ik, een zelf-gerichtheid die mensen niet uiteendrijft, maar bijeen brengt. (De
selfie is er namelijk om te delen).
vanuit Durkheimiaans perspectief is de vraag natuurlijk welk deel van de homo duplex in de
huidige ik-cultus wordt gestimuleerd; het lage asociale ego, of het hoge sociale zelf?
Wilhelm Wundt en de experimentele psychologie
Wilhelm Wundt, de grondlegger van de experimentele psychologie, maakte veel indruk op
Durkheim. Wundt was wars van metafysica en wees de vage definitie van de psychologie als
‘wetenschap van de geest’ of de ‘ziel’ af. Psychologie was volgens hem immers de
‘wetenschap van het bewustzijn’. Zij moest zich houden aan objectieve methoden:
experiment en observatie. Psychische feiten waren dus objectief vaststelbaar. Dat maakte
grote indruk op Durkheim, die later hetzelfde zou zeggen over ‘sociale feiten’. Een feit is
immers maar een feit als het objectief is: uitwendig gegeven. Dat is voor de natuurkunde zo,
Wundt liet zien dat het in de psychologie niet anders was, en Durkheim nam zich voor om
ook de sociologie op dit principe te grondvesten.
Naast objectiviteit is er nog iets wat wetenschap verenigt: causaliteit. Wetenschap begint
immers met het onderzoek naar causale relaties, volgens Wundt. Maar psychische feiten zijn
inderdaad anders dan fysische feiten. Volgens John Stuart Mill ontstaat er bij bepaalde
verbindingen van elementen soms iets nieuw. In de psyche gebeurt dit voortdurend: ‘Het
resultaat van de scheppende synthese verschilt van de som van de samenstellende
elementen’, scheef Wundt.
34
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Volgens Durkheim zijn volgende 3 wetenschappelijke principes dan ook erg vruchtbaar:
1. Wetenschap is de studie van objectieve, uitwendige feiten
2. Feiten zijn verbonden door causale relaties
3. Een nieuw feit is, als geheel, meer dan de som van de delen
Deze grondideeën vormden later de rode draad van Les règles de la méthode
sociologique. Durkheim had dus veel geleerd van de grondlegger van de moderne
psychologie.
De la division du travail social – de notie arbeidsdeling
De hoofdvraag van Durkheims doctoraat: ‘Hoe komt het dat het individu almaar meer afhangt
van de maatschappij, terwijl het tegelijk toch autonomer is geworden?’ ‘Hoe kan het namelijk
tegelijk meer persoonlijk en meer solidair zijn?’
De redenering van het antwoord gaat als volgt. Hoe meer arbeidsdeling, hoe meer individuen
van elkaar verschillen en hoe minder ze zich in elkaar herkennen; maar ook: hoe meer ze
van elkaar afhankelijk zijn, en hoe meer ze, in al hun verscheidenheid, op elkaar zijn
aangewezen. Arbeidsdeling is voor Durkheim dus de sleutel van de dubbele paradox dat, ten
eerste, toenemende afhankelijkheid van individuen samengaat met een toename van
autonomie; en dat, ten tweede, individuen die zelfbewuster, dus persoonlijker zijn, tegelijk
een hogere vorm van solidariteit met andere opbrengen.
Durkheim denkt echter niet alleen aan arbeidsdeling in de sfeer van arbeid en economie, al
is die zeer belangrijk. Hij heeft het over ‘sociale arbeidsdeling’. Hij doelt op de functionele
differentiatie van heel de samenleving. In eenvoudige samenlevingen worden sociale
functies niet onderscheiden. Daar zijn de sociale functies ook niet toegewezen aan
specifieke instituties.
Dit zie je immers pas in de functioneel gedifferentieerde samenlevingen met z’n scholen,
kerken, banken, kloosters, gevangenissen, etc. Het onderscheid tussen samenlevingen
zonder arbeidsdeling en met arbeidsdeling lijkt op het eerste gezicht simplistisch. Toch
komen tweedelige opdelingen van maatschappijen veel voor onder sociologen, omdat ze
zorgen voor helderheid.
De la division du travail social – het ‘conscience collective’ en het internet
Iedere samenleving is altijd een morele orde. Zij wordt samengehouden door dwingende
collectieve voorstellingen die het handelen, denken en voelen van individuen bepalen. Het
begrip collectieve voorstelling is misschien wel het belangrijkste begrip in de sociologie van
Durkheim, volgens wie het sociale leven volledig bestaat uit voorstellingen. Zonder
collectieve voorstellingen opgeslagen in verhalen, wetboeken, huizen, kleding, etc, dus
zonder al die in de dingen belichaamde collectieve voorstellingen zouden deze dingen geen
sociale dingen zijn. Collectieve voorstellingen vormen het wezen van de maatschappij. De
kern van de maatschappij is dus mentaal. Één van de problemen waarvoor Durkheim stond
is de vraag: Hoe verhouden collectieve voorstellingen zich tot individuele voorstellingen?
35
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Ieder individu heeft immers voorstellingen van de wereld. Voor zover die subjectief zijn, zijn
ze in wezen niet-sociaal. We zullen nooit precies weten wat er in het hoofd van een mens
omgaat. Hij alleen heeft toegang tot zijn subjectieve wereld. Collectieve voorstellingen zijn
uiteraard ook van mentale aard. Het zijn immers ook producten van de geest, maar dan niet
van deze of gene individuele geest. De samenleving heeft haar eigen mentale bestaan.
Durkheim bedoelt dit heel letterlijk. Overal waar sociaal leven is, duiken er onder de vorm
van symbolen, totems of onder welke vorm dan ook voorstellingen op die door het collectieve
leven zelf worden geproduceerd. Collectieve voorstellingen zijn dus werkelijk het product van
het collectieve leven zelf.
Telkens opnieuw hamert Durkheim zijn grondgedachte er bij de lezer in: hoe zou een
individu echt kunnen denken als zijn geest niet eerst was gevormd door collectieve
voorstellingen? De maatschappij gaat vooraf aan het individu, en is er moreel en intellectueel
superieur aan.
Voor veel sociologen is ‘conscience collective’ een verzinsel. Hoe kan een collectiviteit, een
groep, nu denken? Heeft zij misschien een verborgen stel hersenen? Is wat Durkheim
conscience collective noemt geen slecht gekozen metafoor? …. Sinds 1994, met het
ontstaan van internet werd de discussie nieuw leven ingeblazen. Is het internet geen mooi
voorbeeld van collectief leven mer een eigen soort van mentale productie? Internet is de
nieuwste uitingsvorm van het collectieve karakter van menselijke intelligentie. Durkheim zou
zeggen: dat is toch niets om je over te verwonderen? Al sinds er sociaal leven bestaat,
bestaan er collectieve ‘mentale voorzieningen’ zonder dewelke een individu niet kan. Bv: wat
is de mens zonder taal, het medium van het conscience collective bij uitstel? Zolang er
sociaal leven is, is er een collectief bewustzijn.
Het segment- de Irokezen – individuen zonder individualiteit –
mechanische solidariteit – repressief recht
Het collectieve bewustzijn is volgens Durkheim niet alleen intellectueel superieur. Het is ook
moreel superieur. Conscience betekent naast bewustzijn ook geweten. Conscience collective
kan je dus evengoed vertalen door collectief geweten. Zodra een kind collectieve
voorstellingen leert, leert het, bewust en onbewust, hoe de wereld in elkaar steekt, wat juist
is en verkeerd, hoe hij zich moet gedragen en wat hij moet voelen. Gesocialiseerde
individuen denken, handelen en voelen niet hun hoogst individuele gedachten, daden en
gevoelens. Ze denken, handelen en voelen wat de maatschappij hen, via haar instituties,
aanleert.
Aangezien individuen worden gekneed en gevormd door collectieve voorstellingen,
produceert iedere maatschappij individuen volgens haar eigen beeld. De vraag is dan: Welke
maatschappij brengt welk soort individuen voort?
36
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Durkheim meent dat er maar twee principes zijn van sociale organisaties: wel of geen
arbeidsdeling. Of weinig. Want ‘geen arbeidsdeling’ is een onbereikbare ondergrens; de
sociale organisatie is er in ieder geval eenvoudig. Onder een ‘segment’ verstaat Durkheim
een kleinschalige samenleving, een clan, met leden die nauw bij mekaar betrokken zijn,
mekaar persoonlijk kennen, en een intens sociaal leven leiden. Alles wat er gebeurt, wordt
door de hele groep mee beleefd. Het individu wordt dan helemaal omsloten door de groep.
Individuen lijken als twee druppels water op elkaar: ze delen dezelfde denkbeelden, dezelfde
emoties, ze koesteren dezelfde waarden en vereren dezelfde heilige plaatsen en objecten.
Die gelijkenissen vormen het cement, het bindende element van de groep. Zij wekken
gevoelens van samenhang op. De één herkent zich in de ander, en die herkenning zorgt
voor een specifieke soort van solidariteit: mechanische solidariteit. Die maakt individualiteit
onmogelijk en overbodig.
Er is sprake van een repressieve regel, hoe intensiever de groepsgevoelens en onderlinge
gelijkenissen hoe minder men duldt dat iemand uit de band springt. Hoe hechter de
segmentaire groep, hoe repressiever het rechtssyteem. Zo zwaar wordt er getild aan
afwijkingen dat het recht een religieus karakter krijgt. Zowel religie als recht hebben maar
één referent. Repressief recht is de index van het collectieve bewustzijn in maatschappijen
met mechanische solidariteit. ( ‘ De gelijkheid van conscience, schrijft Durkheim, doet
repressieve rechtsregels ontstaan die aan iedereen uniforme geloofsopvattingen en
praktijken opleggen.’)
Organische solidariteit – Durkheims organicisme – restitutief recht –
waarde van het individu
Zodra arbeidsdeling optreedt en de maatschappij functioneel wordt opgedeeld, kan
mechanische solidariteit niet lager het bindmiddel zijn. De sociale organisatie bestaat dan
niet meer uit identieke segmenten maar uit functionele onderdelen die van mekaar
verschillen. Ook individuen verschillen meer en meer van mekaar. Om die transformatie
mogelijk te maken moet de maatschappij een nieuwe vorm van sociale solidariteit
voortbrengen. Één die de functionele diversiteit van de maatschappij uitdrukt en versterkt:
organische solidariteit. Durkheim vergelijkt de beide vormen van solidariteit als volgt:
Terwijl mechanische solidariteit individuen veronderstelt die op elkaar gelijken, veronderstelt
de organische solidariteit dat ze van elkaar verschillen.
Voor Durkheim bestaat de kern van sociologisch onderzoek uit een analyse van functies.
Eenmaal je functies hebt onderscheiden, begrijp je de structuur van de maatschappij pas
echt. Je kunt immers zeggen, aldus Durkheim, ‘dat de structuur de functies veronderstelt en
er uit voortkomt. De structuur is de geconsolideerde functie, de handeling de gewoonte is
geworden en die zich heeft uitgekristalliseerd.
37
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Ook organische solidariteit kan je maar begrijpen als je ziet hoe functioneel noodzakelijk ze
is voor het voortbestaan van een complexe maatschappij. In tegenstelling tot de
mechanische solidariteit is de organische solidariteit minder gedetailleerd en abstracter. Het
recht is dus niet langer repressief maar restitutief. Om die reden wordt ook kritiek getolereerd
en tot op zekere hoogte aangemoedigd. De conscience collective is immers niet meer zo
homogeen en heilig als voordien. Zij domineert het individuele bewustzijn van mensen niet
meer.
Anomie
Zo opgevat is de transformatie van mechanische naar organische solidariteit een zegen voor
individu en mensheid. Maar wie de twee maatschappijmodellen tegenover mekaar stelt,
vraagt zich af hoe de sprong van het ene naar het andere kon gebeuren. Anomie is het
kernbegrip van de Durkheimiaanse maatschappijkritiek, maar als je kritiek wil uitoefenen doe
je dit volgens Durkheim best op egoïstische individuen en niet op de ‘maatschappij’. Dit is
wat de notie ‘anomie’ doet. Zij duidt een toestand aan waarin een algemene consensus
ontbreekt over sociale normen; een toestand waarin om de één of andere reden de normen
nog niet zijn doordrongen tot het bewustzijn van individuen. En dus is anomie voor
Durkheim wat ‘vervreemding’ is voor Marx en ‘rationalisering’ voor Weber; een begrip
waarmee het gevoelde onbehagen in de moderne samenleving kan worden geduid en
verklaard.
Kritiek op economisering – pleidooi voor corporaties – het ‘middenveld’
In onze maatschappij, schrijft Durkheim, is de organische solidariteit nog niet zo ver
ontwikkeld als nodig’. Er heerst anomie, normloosheid. Om het gevaar van demoralisering en
anomisering te keren, ziet Durkheim maar één remedie: er moet een nieuw en sterk moreel
gezag komen. Dat moet niet de individuele vrijheid aan banden leggen maar wel het
egoïsme. Echte vrijheid die de mens optilt tot sociaal wezen, is niet de vijand van regels.
Integendeel zelfs: ‘ vrijheid is een product van reglementering’. Het regelloze en redeloze
egoïsme reduceert de mens tot zijn bekrompen eigenbelang. Er moet dus gewenst gezag
zijn, van een collectiviteit, een groep. Zo’n groep, meent Durkheim, is de corporatie.
Syndicaten van werknemers of werkgevers blijven steken in eigenbelang of verkeerd
begrepen groepsbelang. Alleen de corporatie, die allen verenigt, zou in staat zijn om
individuen uit hun egoïstische sluimer te wekken. Durkheim betreurt het echter niet dat oude
ambachten en corporaties zijn afgeschaft. Maar hij erkent wel dat er tussen staat en individu
intermediaire groepen nodig zijn om mensen te verenigen (risico: dat individuelen belangen
of belangen van deelgroepen niet meer worden gehoord).
38
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Waar komt arbeidsdeling vandaan?
Wat sociaal is komt van de maatschappij, niet van het individu. Een ruil tussen individuen
kan dan onmogelijk een nieuw sociaal feit, zoals arbeidsdeling, doen ontstaan. Als individuen
door ruil tot arbeidsdeling komen , moet de collectieve voorstelling van arbeidsdeling reeds
gegeven zijn, anders konden ze dat zelfs niet denken. Ruil kan dus nooit arbeidsdeling
hebben doen ontstaan. Durkheim verwerpt dus economische en psychologische
verklaringen. Niet in het individu laar buiten hem ligt de verklaring van het ontstaan van
arbeidsdeling.
De belangrijkste factor is de toename van bevolking. De middelen zijn schaarser en er is
geen ordelijke regeling om samen te leven. Ofwel overleven enkel de sterkste en daalt het
bevolkingspeil. Ofwel, ten tweede, komt er arbeidsdeling. Het bevolkingspeil blijft constant op
een hoog peil omdat de functionele voorwaarden zijn vervuld. Eenmaal mensen loskomen
van hun segmenten en ze met meer mensen in contact komen, ontstaat een niet rijker
sociaal milieu. Hun opvattingen worden opener, dus de organische solidariteit wordt in het
leven geroepen. Hier is dus sprake van een causale verklaring (bevolkingstoename
arbeidsdeling),. De functionele verklaring laat vzien dat een verschijnsel, eenmaal in het
leven geroepen, blijft bestaan omdat het functies vervult.
De betekenis van De la division du travail social
Er was heel veel kritiek op het boek: Durkheims onvermogen om verschillen te zien, vage
bespreking over verbanden, zijn argumenten zijn ongelijksoortig. Durkheim besefte zijn
tekortkomingen in zijn latere werk maakt hij bijvoorbeeld geen gebruik meer van de noties
‘mechanische en organische solidariteit’ . Ook was hij niet meer zo zeker over het verband
tussen arbeidsdeling en moraliteit.
Maar belangrijker is wat het boek wel toonde, namelijk wat de sociologische zienswijze
vermag. Een moreel fenomeen werd nu eens niet in theologische of filosofische termen
beschreven, een economisch fenomeen niet in economische termen, …, al deze
verschijnselen bleken als sociale feiten sociologisch te kunnen worden geanalyseerd en
verklaard. Dat is de echte betekenis van De la division du travail social.
Montesquieu – ‘sociologie van het sociale’ versus ‘sociologie van dingen’
Het onderscheid tussen ‘fysiek milieu’ en ‘sociaal milieu’ wordt pas duidelijk als Durkheim het
hoofdwerk van Montesquieu gebruikt: De l’esprit des lois. Hierin laat Montesquieu zien dat
alle wetten die er zijn, bestaan uit elementen. Tussen al deze elementen bestaan verbanden,
de wet is niet zomaar een regel maar drukt een geest uit. Wie de wet begrijpt, begrijpt dat de
wet niet willekeurig is; haar geest drukt immers de samenleving als geheel uit.
Hierin ligt één van de verklaringen waarom Durkheim het recht een bijzondere status geeft.
Het recht is een objectief gegeven, maar wie het recht begrijpt, begrijpt de samenleving. Dit
komt eigenlijk van Montesquieu [= l’esprit des lois].
39
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Maatschappij betekende aanvankelijk: iemand die gezelschap houdt. In de 17e en 18e eeuw
kreeg het een ruimere betekenis: eerst als ‘high society’ voor de hogere kringen, maar later
werd het een woord om alle sociale betrekkingen mee aan te duiden. Iedereen behoort tot
de maatschappij, civil society of la société. Montesquieu was al voor op zijn tijd. Hij zag de
maatschappij als alle mensen en hun complexe relaties. Volgens Montesquieu is de mens
zowel fysiek als redelijk. Wie de samenleving wil begrijpen moet dus het samenspel van ‘de
wetten van de natuur’ en ‘de wetten van de rede’ onderzoeken.
Durkheim vindt de samensmelting van fysieke en morele factoren van Montesquieu te ver
gaan. Voor Durkheim zijn sociale feiten uitsluitend van morele aard. Materiele dingen kunnen
alleen ‘sociaal’ zijn als ze tot het ‘conscience collective’ behoren.
Er bestaat verwantschap tussen Montesquieus ‘geest der wetten’(=GDW) en Durkheims
‘conscience collective’ (=CC). Maar de GDW is omvattender dan de CC, want zij bevat ook
de ‘geest’. [bijv. Eilandbewoners hebben een ander karkater dan bergbewoners wist
Montesquieu]. Durkheim hield zich verre van veralgemeningen over het verband tussen
‘milieu’ en ‘mensen’. Hij hield zich aan de stelregel dat de maatschappij enkel uit mensen
bestaat en de socioloog dienst zich enkel met sociale feiten bezig te houden.
Recente tendens in de sociologie: de opmars van een sociologie van dingen. Het idee dat
de maatschappij alleen maar uit menselijke relaties bestaat is bizar stelt Latour. Men stelt
ook dat sociale feiten hybride zijn, ze zijn niet zo exclusief sociaal als Durkheim dacht. Je
zou kunnen zeggen dat de huidige sociologie wat de appreciatie van ‘fysieke dingen’ betreft
,teruggrijpt op Montesquieu voorbij Durkheim. Hij richtte ook een tijdschrift op en vooral: de
vorming en disciplinering van medewerkers en sociologen in opleiding. Er waren regels
nodig om het collectief bewustzijn van sociologen te vormen, daarom schreef hij Les règles
de la méthode sociologique. Het is een gebruiksaanwijzing. Het geeft de gewenste
disciplinering van sociologen, maar geeft ook aanleiding voor discussie tussen sociologen.
Eerste regel: sociale feiten als dingen beschouwen – Weber versus
Durkheim
Durkheim gaat fel in op kritiek over zijn ‘eerste en meest fundamentele regel’: Men moet
sociale feiten beschouwen als dingen. Durkheim stelt hiermee dat sociale feiten een
objectief karakter hebben. Hij stelt niet dat ze materieel zijn, maar dat het net zo goed dingen
zijn.
Er zijn twee dingen om iets te kennen volgens Durkheim:
- Rechtstreekse kennis ken ik ‘van binnenuit’. Men weet wat een driehoek is of wat je
behoefte is, zonder de buitenwereld erbij te betrekken.
- Onrechstreekse kennis heeft wel betrekking op iets ‘buiten jezelf’. Iets wat de geest
niet van nature kan bevatten, maar wat d.m.v. experiment of observatie geleerd kan
worden.
40
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Voor Durkheim is een ding de naam voor al wat ik niet rechtstreeks ken. Om het beter te
leren kennen moet je buiten jezelf treden.
Durkheim is bezeten door de wil om van sociologie een objectieve wetenschap te maken, dat
de objectieve methode bij hem voorafgaat aan de feiten. De uitwendigheid van de sociale
werkelijkheid wordt verondersteld. Maar wat is dit niet waar is, zoals Max Weber stelt?
Weber stelt dat de sociale werkelijkheid bestaat uit sociale handelingen, die niet uitwendig
bestaan of gegeven zijn. Ze komen voort uit subjectieve handelingsmotieven.
Weber verwijt Durkheim dat Durkheim de ware aard van de sociale werkelijkheid geweld aan
doet. Durkheim verwijt Weber dat Weber niet aan serieuze (objectieve) wetenschap doet.
De sociale werkelijkheid is een op zichzelf staande collectieve werkelijkheid met een eigen
leven, dat boven en tegenover het individu staat. Durkheim is het niet eens met het idee dat
individuen de maatschappij construeren. De maatschappij maakt individuen volgens
Durkheim. Het individu is afhankelijk en minderwaardig. Durkheim betwijfelt zelfs of mensen
worden geboren met een sociale aanleg, hij acht het waarschijnlijker dat de neiging tot
sociabiliteit een product is van de maatschappij.
Kenmerken van ‘le fait social’
Alle wetenschappers bestuderen feiten, maar sociale feiten zijn te onderscheiden van bijv.
fysische of biologische verschijnselen. Sociale feiten maken een nieuw soort feiten uit
aangezien ze behoren tot een eigen werkelijkheidsdomein, de maatschappij.
Sociale feiten = sociale instituties (wordt door elkaar gebruikt door Durkheim).
1. Kenmerk van sociaal feit: ze zijn extern aan individuen.
We treffen de sociale feiten aan bij onze geboorte (taal, rituelen, religie).
Maar de instituties veranderen voortdurend. Sociale feiten bestaan buiten ons,
ongeacht het gebruik dat we ervan maken. Ook een sfeer die ontstaat in een groep is
een sociaal feit. Het ene feit verandert sneller dan het andere feit.
2. Kenmerk van een sociaal feit: ze oefenen een verplichtende en dwingende macht uit
op individuen. Mensen hebben dit niet altijd door. Als je niet aan de verwachting
voldoet (rare taal gaat spreken), merk je hoe dwingend een sociaal feit is (zonder kan
je bijv. niet communiceren).
Sociale instituties: Wijzen van handelen, denken en voelen, extern aan het individu, die
begiftigd zijn met een dwingende macht waardoor ze zich aan het individu opdringen.
Op zoek naar sociale feiten
De alledaagse taal is de vijand van de wetenschap. De taal zit vol dwaze begrippen die het
uitzicht op de feiten beletten of ze verminken de dingen, terwijl we denken met ‘werkelijke
dingen’ te maken te hebben. We menen dat moraal een verzameling is van nobele ideeën,
en als we die ideeën kennen weten we wat moraal is. Maar morele ideeën hangen samen
met sociaal substraat. Maar om dat te begrijpen moeten we de feiten onderzoeken.
Algemene ideeën kunnen hooguit nut hebben als indicator, maar in het algemeen moetje ze
wantrouwen. De feiten spreken voor zich, meent Durkheim. Theorie is secundair, want er
kan pas theorie zijn als de wetenschap ver genoeg gevorderd is.
Samenvattend: Wetenschap begint bij de feiten en sociale feiten bevinden zich niet in
onszelf maar buiten ons.
41
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Omgangstaal: obstakel of toegangspoort?
Er is een probleem met de verhouding tussen wetenschappelijke en alledaagse taal. Na
Durkheim gingen o.a. ook Adorno en Bourdieu het gevecht met de alledaagse taal aan.
Een simpele begrijpelijke tekst is in hun ogen slechte sociologie. Comfortabele lectuur is
slecht voor de sociologische verbeelding, ze knoopt aan bij de vooroordelen. Sociologisch
denken ontstaat wanneer men zich bevrijdt van clichés en omgangstaal. Daarom schreven
Adorno en Bourdieu moeilijke zinnen die snelle lectuur bemoeilijken.
Ander sociologen beweren juist dat de sociologie wegens wetenschappelijke en
emancipatoire redenen niet te ver van de omgangstaal mag afdrijven. De zogenaamde
objectieve houding die die wetenschapper moet innemen en de argwaan voor de
omgangstaal doet de levende bronnen van de sociologische kennis opdrogen. Empathie is
volgens Richard Sennett de manier om de poorten tot Verstehen te openen. Volgens hem is
het de afstandelijkheid die het onderzoek schaadt. Wel zegt hij dat een wetenschapper blijft
observeren en niet gewoon lid wordt van de groep die hij onderzoekt. Patricipatie en
dieptegesprekken hebbeneen doel:
- Kennis vergaren.
- Emancipatie. Je houdt de ondervraagde een spiegel voor. Ze krijgen inzicht in hun
manier van leven en in de beperkingen en mogelijkheden. De opgedane kennis
verruimt hun blik.
Durkheim vindt bovenstaande vreselijk. De slechtste manier om toegang te rijgen tot de
sociale werkelijkheid is via de belevingswereld van individuen. Het moet precies andersom:
hoe verder je verwijderd blijft van het subjectieve, hoe beter. Een van Durkheims regels luidt:
Wanneer de socioloog sociale feiten begint te onderzoeken, moet hij ze benaderen van
hun meest objectieve zijde, dus los van hun individuele manifestaties.
Waarom recht en statistiek belangrijk zijn
Er zijn twee soorten feiten in de ogen van Durkheim die een prominente status in het
sociologisch onderzoek hebben: recht en statistiek.
Recht
Bij de bespreking van De la division du travail social werd het belang van het recht
duidelijk. Niets heeft zo overduidelijk de kenmerken van een sociaal feit als het recht. Het is
extern, het is de meest objectieve uitdrukking van de maatschappij. Het neemt een tastbare
vorm aan in het wetboek. Niemand kent het wetboek helemaal, maar men kan het
consulteren. Een illustratie van het eigen leven van het recht is het feit dat ook al zou je alle
kennis van iedereen bij elkaar nemen, je nog niet precies de totale inhoud van het recht kunt
laten samenvallen.
Helaas heeft Durkheim hier een zwak momentje, hij zegt dat een rechtsregel ‘is wat het is’,
maar iedereen weet dat rechtsregels verschillend kunnen worden uitgelegd en
geïnterpreteerd.
Het recht is ook normatief dwingend. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de taal, is het recht
overduidelijk normatief. Het recht is de meest zichtbare uitdrukking van de normatieve dwang
die de maatschappij op individuen uitoefent.
42
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Statistiek
In La suïcide laat Durkheim zien hoe belangrijk statistiek is. Statistiek onthult feiten die
niemand uit zichzelf kan kennen. Statistiek toont slechts ‘zuivere sociale feiten’. Door
statistiek neemt de socioloog de perfecte wetenschappelijke houding aan: objectief, zonder
vooroordeel, wachtend op de feiten. De socioloog oogst door statistiek nieuwe kennis.
Statistiek lever per definitie informatie niet iets over een individu, maar uitsluitend iets over
een hele populatie, dus volgens Durkheim over het collectivum.
Als x% van de katholieken zelfmoord pleegt en y% van de protestanten, zegt dat niets over
individuele katholieken of protestanten, maar wel heel veel over de gemeenschap of over de
collectieve ziel.
Durkheim verloor zichzelf in de cijfers. Want de cijfers waarover Durkheim beschikte worden
opgesteld door ambtenaren, die administratieve overwegingen maakten bij het opstellen van
deze cijfers, in plaats van wetenschappelijke vragen.
Wetenschappen en grensgeschillen – ‘bestaat’ de collectiviteit?
Durkheim was van mening dat hoewel sociologische feiten ook mentaal zijn, ze totaal
verschillen van psychische feiten. Een wetenschap moet zich houden aan de feiten binnen
haar domein.
In de 21ste eeuw echter gaan wetenschappers en grenzen erg slecht samen. Grenzen zijn er
om verlegd te worden. Het wetenschappelijk landschap beweegt voortdurend.
Durkheims opvatting over de afbakening van wetenschap was statisch. Hij meende dat de
wereld is ingedeeld in aparte domeinen, door drempels gescheiden.
Wat in ieder domein gebeurt, kan enkel worden verklaard door domeinspecifieke
wetmatigheden. Daarmee komt hij weer terug op zijn regel: sociale feiten kunnen alleen
worden verklaard door sociale feiten.
Durkheim tast naar de fundamenten van de sociologie, vooral in de psychologie. Hij stelt zich
de overgang van het psychische naar het sociale domein voor als een fusie, waardoor de
elementen die er deel van uitmaken van karakter veranderen en opgaan in een groter geheel
met nieuwe, totaal andere kenmerken. Durkheim was de enige socioloog die zich zo
bezonnen had over de aard van ‘de collectiviteit’. Hij wist, de maatschappij bestaat, zij is
reëler dan individuen.
Hedendaagse systeemtheoretici zien in Durkheim een voorloper. Hij had het regelmatig over
maatschappij als systeem. Toch valt dit deels te verwerpen, want Durkheim praatte net
zoveel over de maatschappij als een systeem als de maatschappij als een principe dat
individuele mensen moreel verheft. Durkheim droomde van een harmonieuze wereld waarin
de mensheid op weg is naar een hogere bestemming. ‘De mens is voor ons geen
vertrekpunt, maar een punt van aankomst.’
43
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Sociologisch verklaren: causaal en functioneel
Hoe moet je sociale feiten verklaren? Volgens Durkheim zijn er 4 regels:
1. Je moet afzonderlijk zoeken naar de oorzaak die het voorbrengt en de functie die het
vervult.
2. Zoek de determinerende oorzaak van een sociaal verschijnsel bij de voorafgaande
sociale feiten, niet bij individuele bewustzijnstoestanden.
3. De functie van een sociaal feit moet altijd worden gezocht in de relatie waarin het
staat tot één of ander sociaal doel.
4. De eerste oorzaak van ieder sociaal proces van enig belang moet worden gezocht in
de samenstelling (constitution) van het intern sociaal milieu.
De causale verklaring
Causaliteit is het basisprincipe van iedere wetenschap, stelt Durkheim. Wie een (sociaal)
verschijnsel wil verklaren, moet dus op zoek gaan naar (sociale) feiten die het hebben
veroorzaakt. Het is soms ingewikkeld om alle determinerende factoren te onderscheiden.
Meer dan een eeuw geleden bleef statistiek meestal beperkt tot bivariate correlaties.
Durkheim besefte dat correlaties niet altijd wijzen op een direct causaal verband en dat de
richting van de causaliteit niet altijd voor de hand ligt, maar hij was zo euforisch over
statistische correlaties, dat hij het bestempelde als de beste methode voor sociologisch
onderzoek.
Wanneer is de causale verklaring afgerond? Volgens Durkheim wanneer het
oorspronkelijke feit van de associatie is blootgelegd. Dat smeedt individuen samen tot
een geheel van nieuwe eigenschappen. Als de socioloog dat kan reconstrueren en er de
constituerende kenmerken van ziet, dan is de causale verklaring afgerond. Dan kent men de
grondoorzaak, ‘de voorwaarden van de soiale entiteit in haar geheel’.
[voorbeeld zien we in de la division du travail social waar Durkheim moeite deed het
segment te reconstrueren. Binnen dat segment ontstond mechanische solidariteit als een
nieuw sociaal feit. Het segment veroorzaakte mechanische solidariteit. Naar zo’n verband
tussen een sociaal feit (mechanische solidariteit) en een oorspronkelijke associatie (het
segment) ben je opzoek.
Causale en functionele verklaring
In het verlengde van de causale verklaring ligt de functionele verklaring. De functionele
verklaring bepaalt het ‘nut’, het ‘sociaal doel’ van sociale verschijnselen. De kern van een
functionele verklaring: Een gevolg bestaat niet zonder een oorzaak, maar deze bestaat
niet zonder gevolg.
44
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
A veroorzaakt B (causale verklaring), B levert een functionele bijdrage aan A
(functionele verklaring). Door hard werken kunnen mensen meer en beter producten maken
maar deze beter producten zijn nodig om de inspanningen te vergoeden die dit harde werken
met zich meebrengt. De collectieve gevoelens van een gemeenschap leiden tot straf zodra
een groepslid de morele normen schendt, omgekeerd verhoogt de strafvoltrekking de
collectieve gevoelens van een groep.
Functionele processen zijn sociale processen, de individu heeft er vaak geen weet van. De
straf, bijvoorbeeld is niet bedoeld om collectieve gevoelens intenser te maken. Het is
bedoeld om overtreders af te schikken en te heropvoeden. Hier gelooft Durkheim niet in. ‘De
echte functie van straf is het bewaren van de sociale cohesie, door de conscience
collective in al zijn vitaliteit in tact te houden’.
Het normale en het pathologische – Durkheim meets Darwin
Durkheim voert de analogie tussen sociale en biologische organismen nog verder door. Wat
functioneel is voor het collectieve organisme, is goed, wat niet functioneel of schadelijk is, is
slecht. Durkheim leidt waardeoordelen af uit feiten. Hoe kan je dat doen (vraag bijv. Hume).
Durkheim vraagt zich af wat voor nut een wetenschap heeft die de wereld verklaart, maar
ons in de steek laat als we ons afvragen hoe we moeten handelen. Zo’n wetenschap is niets
waard (dit is in lijn met Comte, maar tegen Weber zijn standpunt). Niet ideeën en
opvattingen moeten de wereld regeren, maar feiten.
Hoe kun je vaststellen of iets functioneel of niet functioneel is voor een samenleving, en dus
goed of slecht is? Durkheim heeft hier een ‘objectief criterium’ voor. Het gemiddelde is zijn
referentiepunt van gezondheid, of zoals hij nu zegt: normaliteit. Durkheim beredeneert dus
dat de statische norm fungeert als het objectieve criterium. De sociale feiten zelf zijn de
dragers en de behoeders van de waarden. ‘Het normale ligt in de dingen zelf’.
Het ultieme argument is gebaseerd op Darwin. Wat het meeste kans op overleven biedt is
moreel of waardevol. Moraal is dan puur een overlevingsmechanisme.
Het geval Socrates – nood aan vernieuwing – de normaliteit van misdaad
In Durkheimse termen zou je Socrates’ filosofie gerust ‘ziek’ kunnen noemen. Dat besefte
Durkheim zelf ook. Hier komt hij tot zijn beruchte stelling: de samenleving heeft nood aan
overtreders. Misdaad is functioneel noodzakelijk.
Het geval Socrates: ‘Volgens het Atheense recht was Socrates een misdadiger en was zijn
veroordeling niet meer dan juist. Toch was zijn misdrijf, namelijk onafhankelijkheid van geest,
nuttig.
Dit werp een interessant licht op criminaliteit. In tegenstelling tot gangbare opvattingen, is
voor ons de misdadiger geen asociaal wezen. Integendeel: hij is een normaal element in het
sociale leven. Je moet misdrijven niet beschouwen als het kwaad. Zo af en toe heeft de
maatschappij blijkbaar uitzonderingen nodig, die dus op hun manier ook ‘normaal’ worden.
‘Een zekere wanorde is normaal’. Zo wordt potentieel alles normaal, en schiet er van het
vermeende ‘objectieve criterium’ weinig over.
45
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Le suicide als schoolvoorbeeld van sociologisch onderzoek
Le suicide is volgens Durkheim alles wat een sociologisch onderzoek moest hebben. Over
zelfdoding werd tot dan toe vooral in morele en psychologische termen gesproken.
Zelfdoding was puur individueel gedrag. Maar Durkheim toont dat achter de individuele,
psychologische werkelijkheid (die er natuurlijk ook is), een andere sociale werkelijkheid
steekt die pas aan het licht komt door statistieken. Zelfdoding is een sociaal feit, en moet dus
door andere sociale feiten worden verklaard.
Het onderwerp was niet nieuw. Durkheim gebruikte bijna alle reed gepubliceerde data. Eén
van de redenen dat Durkheim zelfdoding als onderwerp koos, was omdat hij dacht dat
zelfdoding een eenduidig verschijnsel was. Het zou relatief makkelijk zijn om de feiten voor
zich te laten spreken.
Zelfdoding volgens Durkheim = alle sterfgevallen die, direct of indirect, het gevolg zijn van
een positieve of negatieve handeling van het slachtoffer dat weet dat die handeling tot zijn
dood zal leiden.
Het kwam Durkheim niet toe om zelfdoding op een individueel niveau te verklaren. Maar als
hij keek naar de frequentie van zelfdoding in een bepaalde periode, merkt hij dat dit niet
eenvoudig de som is van onafhankelijke eenheden, maar een nieuw feit is met zijn eigen
eenheid, individualiteit en zijn eigen natuur. Dat is ongeveer Durkheims definitie van ‘fait
social’.
Le suicide als schoolvoorbeeld van sociologisch onderzoek (reprise)
Le suicuide, étude de sociologie
Zelfdoding werd gezien als puur individueel gedrag (= domein vd psychologie)
Durkheim toont dat er een andere sociale werkelijkheid schuilt achter de psychologische
werkelijkheid. Zelfdoding = sociaal feit. (moet dr andere sociale feiten verklaard worden)
Sinds 18e eeuw publicaties over zelfdoding -> cijfers over echtscheiding, abortus, prostitutie
en zelfdoding= indicatoren vd morele toestand vd maatschappij.
Durkheim dacht dat zelfdoding een eenduidig verschijnsel was. Maar wat men voor
zelfdoding aanziet is meer een kwestie van definitie, dit geldt ook voor de registratie:
Registreren is een versie geven van de feiten, meer dan alleen de feiten noteren.
Objectieve definitie van Durkheim: ‘Zelfdoding heeft betrekking op alle sterfgevallen die,
direct of indirect, het gevolg zijn van een positieve of negatieve handeling van het slachtoffer
dat weet dat die handeling tot zijn dood zal leiden.’
-> Sociale distributie van zelfdodingen is een sociaal feit. Niet individueel verklaren -> het is
geen optelsom van onafhankelijke eenheden maar een nieuw feit met eigen individualiteit en
natuur.
46
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Egoïstische zelfdoding – te weinig sociale integratie
Zelfmoordstatistieken: verschillen tussen Europese landen
-> sociaal feit want ieder jaar andere individuen die zelfmoord plegen -> stabiele
cijfers, dus verklaren adhv sociale factoren
Verschillen tussen geloofsgemeenschappen: Hoe sterker de sociale integratie, dus hoe
hechter de leden verbonden zijn met de geloofsgemeenschap, hoe lager de
zelfmoordratio. (protestantisme: denkvrijheid <-> katholicisme: gemeenschapsreligie)
Maar ook: Hoe sterker de nationale gemeenschapsband, hoe kleiner de kans op
zelfdoding.
Waarom? povere conditie van individu dat alleen voor zichzelf leeft -> afgesneden van
bronnen die waarde kunnen verschaffen .(mens = homo duplex)
Een mens in de steek gelaten dr maatschappij valt terug op lager, egoïstisch deel van
zichzelf = egoïstische zelfmoord.
Altruïstische zelfdoding – te veel sociale integratie
Zichzelf opofferen in het belang van de groep. (of eer om als weduwe man te volgen in
dood)
Zelfdoding kan je opvatten als een overdrijving of verdraaiing van een deugd.
In traditionele maatschappijen heeft dood zin <-> moderne: zelfmoord omdat leven geen zin
heeft.
Anomische zelfmoord – te weinig regulering
Geen consensus over waarden en normen -> geen sociale regulering: individu wordt moreel
aan lot overgelaten. (Versterkt in tijden van plotse veranderingen)
Arbeidsdeling brengt anomie teweeg en anomie kan leiden tot zelfdoding.
Hoe hoger op de socio-economische ladder, hoe meer kans op zelfdoding
(<-> utilitaristische veronderstelling dat beloning gelukkig maakt)
Waarom? Dooreengeschudde waarden; minder gedisciplineerde verlangens; verlangen op te
klimmen en winst te maken
Fatalistische zelfmoord – te veel regulering
Grens tussen egoïstische en anomische zelfdoding niet altijd even duidelijk.
Egoïstische: door desintegratie
Anomische: door deregulering
Tegenover anomische zelfdoding heeft men fatalistische zelfmoord= ‘Zelfmoord die
voortkomt uit excessieve regulering, begaan dr mensen wier toekomst uitzichtloos is, omdat
hun verlangens gewelddadig worden ingeperkt door een verstikkende discipline’ (bv slaven
oude Rome: collectief zelfmoord plegen)
47
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Les formes élémentaires de la vie religieuse – niets buiten de
maatschappij
‘Literatuurverslag’ met ideeën, nagenoeg geen directe gegevens, over religie en
maatschappij en over denkcategorieën en de maatschappij.
De begrippen totaliteit, maatschappij, goddelijkheid zin verschillende aspecten van één en
dezelfde notie.
Notie? Een sociologisch begrip? God, maatschappij, totaliteit in één? (~metafysica)
De maatschappij is het begin en einde van alles, zij ontwerpt de categorieën vh denken.
Idealisme? -> belangrijkste bestaansvoorwaarde vd maatschappij is haar vermogen tot
idealiseren. Ze bestaat maar in de voorstelling die ze van zichzelf maakt. (Plato)
Toch geen idealisme -> Durkheim: Er bestaat geen ideeënwereld, ideeën bestaan niet op
zichzelf.
Materialisme? Het maatschappelijke leven is afhankelijk van zijn onderbouw. Maar geen
materialisme want maatschappij is een realiteit op zichzelf. Je kunt ze niet herleiden.
Durkheim verwerpt materie of idee als grondcategorie en vervangt het door société.
Breuk in zijn denken? -> Neen al langer interesse in religie.
Hij wil inzicht vergaren in de meest elementaire samenleving ‘de maatschappij puur’.
Religie onthult meer over de maatshappij dan omgedeerd.
Oorsprong van religie interesseerde Durkheim enorm. -> oorzaken of basisvoorwaarden van
een religie onderzoeken
Wetenschap versus religie – de realiteit van het geloof
Rede en wetenschap verdringen magie en religie. Hoe meer de mensheid weet en kan, hoe
meer religie overbodig wordt.
Durkheim vindt wetenschappelijke kennis superieur aan het religieuze wereldbeeld.
Maar kennis is slechts één aspect van de religie. Er zit iets eeuwigs in religie: de cultus, het
geloof. Je hebt dit nodig om boven jezelf uit te stijgen. Maar geloofsovertuigingen zijn pas
werkzaam als je met anderen deelt, anders ontstaan geloofsovertuigingen niet en worden zo
ook niet verworven.
Het profane en het sacrale
Hoe definieer je religie? Grenslijn tussen natuur en bovennatuur? <-> Durkheim:
bovennatuur is reactie op de wetenschap dus kom je niet tegen bij primitieve culturen.
-> Onderscheid tussen het profane en het sacrale
Profane: wereld van alledaagse leven, verschilt radicaal van sacrale wereld. In profane
wereld zijn er ook hiërarchische verschillen
Energieverschil tussen beide. Sacrale is veel krachtiger, kan van alles zijn.
Universeel: als iets sacraal is, mag het absoluut niet vermengd worden met het profane.
Maar ze hebben mekaar nodig -> uitwisseling
48
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Onderscheid sacrale en profane brengt rituelen en geloosfopvattingen voort (hoe omgaan
met sacale)
- initiatieritueel ( jongeling inwijden in religieuze leven)
- offer (leven van profane wereld klaarmaken vr opname in sacrale wereld)
- Geloofsopvattingen ( bv heilige verhalen en mythes)
KERN religie = samenspel van deze 3 elementen (sacraliteit, rituelen en
geloofsopvattingen.)
‘Een gemeenschappelijk systeem van geloofsopvattingen en praktijken die betrokken zijn op
heilige, afgescheiden en verboden dingen , die alle volgelingen in één een dezelfde morele
gemeenschap.’
Oorsprong van religie – sociale effervescence
Onderscheid sacraal en profaan in het leven geroepen toen de mens een écht sociaal wezen
werd. Overal waar mensen samenkomen, vind het plaats.
Sociale leven van vandaag zeer hard bepaald door instituties en overgeleverde gebruiken
(zijn er als het ware altijd al) -> op zoek naar elementaire samenlevingen: hoe zij probleem
van maatschappijvorming oplossen.
Corrobori: regels schenen niet te bestaan, opperste opwinding = effervescence
Mens wordt verlost uit treurniswekkende toestanden v individu -> omgesmolten tot sociaal
wezen
= ontstaan vd sacrale wereld
Sighele ‘Uit de massa kan niets goeds komen.’
<-> zichzelf verliezen id groep, onbeschrijfelijke opwinding -> oerervaring groep: sociale
wezens. Zich steeds deze gebeurtenissen terug herinneren
Totemisme
Verhouding individu en maatschappij?
Hoe intense ervaring meedragen -> totemisme.
Gevoelens zo overweldigend en rijk dat niemand vd deelnemers ze zelf kan vatten: nood aan
stabiele, eenvoudige drager = totem (alle clanleden zelfde totemnaam). De totem drukt de
groep uit en niets anders dan de groep. De totemnaam is verbonden aan hele reeks
geboden en verboden.
(churinga steen of hout waarop totemteken is gegraveerd)
Via totemisme bepaalt groep wat individu moet voelen, hoe hij moet handelen en, wat hij
moet denken. -> eerste sociale institutie.
Totem symboliseert de verbondenheid -> sociale integratie
Totem zorgt voor handelsregulering.
Het ontstaan van de sacrale wereld en het ontstaan van het sociale leven , de
maatschappij,… vormen één en hetzelfde.
Religie = oerfeit van de samenleving
49
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Denkcategoriën
Groep = bron van alle moraliteit. Ook denkcategorieën zijn van sociale oorsprong. Buiten
de maatschappij geen bron van kennis -> alles is dus van religieuze oorsprong.
Totemisme leerde mens om dingen, dieren, mensen, natuurverschijnselen,.. in te delen
volgens totemindelingen
Ruimte en tijd ontspringen aan de maatschappij net zoals de basiscategorieën van soort,
persoonlijkheid, causaliteit zouden afstammen van sociale onderscheidingen.
Het totemisme en de samenleving van de toekomst
Sinds totemisme wel wat veranderd.
Denken niet meer in particuliere stamcategorieën; geen herinnering aan ingrijpend,
overweldigend moment.
Maar niet volledig veranderd, want er kan geen sociaal feit bestaan zonder dat het aan de
voorwaarde van het eerste sociale feit voldoet: ‘Een institutie die te veel van haar
oorsprokelijke vialiteit verliest, wordt een dode schelp.
Hoofdstuk 4: Het tragisch verstehen van Max Weber
Weber als mensentype
Max Weber is de grondlegger van de verstehende sociologie. Hij schreef uitvoerig over de
grondslagen en grenzen van de wetenschap en is de meest geciteerde socioloog aller tijden.
Weber werd door anderen gezien als een ‘menstype’ op zichzelf, een van de nobelste soort
zoals Socrates, Nietzsche of Da Vinci ook mensentypes zijn omdat zij op exemplarische
wijze tonen wat een mens die zijn leven vervult kan zijn. Weber had geen gemakkelijk leven,
hij had last van slapeloosheid, angstaanvallen, stress, depressie en agressieve neigingen
ten aanzien van zichzelf. Weber was een man die de waarheid zoekt over zichzelf en dus
over de samenleving, want die twee zijn niet gescheiden.
Wetenschap als beroep- Webers mensbeeld
Van dat mensbeeld (de illusieloze, lijdende waarheidszoeker) heeft Weber zelf een
huiveringwekkend beeld opgehangen in de beroemde lezing: Wetenschap als beroep (1918).
Het gaat erover dat een wetenschapper zonder illusies achter de waarheid aan moet
gaan, de waarheid over de wereld en over zichzelf.
Volgens Weber zorgt de wetenschap voor een paradox: een gestegen subjectieve
onwetendheid gaat hand in hand met een spectaculair toegenomen objectieve
beheersing van de wereld.
 wat weten we bijvoorbeeld van een tram, we rekenen erop dat de tram rijdt maar we
kennen er niets van, alleen specialisten beschikken over echte kennis, maar dan maar voor
een klein deeldomein van de wetenschap. De wetenschap lijkt eerder kennis te vervreemden
dan omgekeerd. Wat wetenschap wel doet is de overtuiging dat we alles wat we willen
weten, zouden kunnen te weten komen.
50
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Wetenschappelijke kennis is meteen achterhaald, dit is niet alleen het lot van de
wetenschap, het is ook haar zin.
Waarom zou iemand wetenschapper willen worden? Hij stelt deze vraag om de illusies door
te prikken dat een wetenschapper zijn gelukkig zou maken of zin zou geven. De zin van de
wetenschap ligt volgens Weber niet in de toepassing, ook voorziet het niet in nut of comfort.
De enige motivatie om aan wetenschap te doen is ‘het brengen van klaarheid
(verklaren)’, het is de opheldering die telt, niet het onderwerp. Hoe meer Weber bij de kern
van zijn levensopvatting komt hoe meer hij grijpt naar mythische beeldspraak: het leven is
een tragisch strijdperk waar de grote waarden het tegen mekaar opnemen. Het Schone, het
Ware, het Rechtvaardige en alle andere waarden en levenskeuzes spreken een
verschillende taal en ze verstaan elkaar nooit. Het leven is een worsteling met demonen,
ieder met de zijne. Laat ieder van ons op zoek gaan naar de ‘goede demonen die de draden
van ons leven in de hand houdt’. In dit mensbeeld herkennen we trekken van Nietzsche’s
Ubermensch, maar dan zonder levensvreugde en de sprankeling van vrijheid (zonder deze
illusies).
Ook de wetenschap kan de strijd die het leven is niet beslechten, maar ze kan wel helpen
om voor onszelf de zin ervan te vinden. Weber verwoordt hier Humboldts notie van bildung
maar dan radicaler en zonder illusies.
Weber: Zoals het individu klaarheid wil scheppen in zijn ziel om te beslissen wat het leitmotiv
wordt in zijn leven, zo moet de socioloog achterhalen wat de motiverende principes zijn
van alle individuen wier gedrag hij bestudeert.
Dit vraagt om een methode die inzicht geeft in handelingsmotieven van mensen, zonder dat
hij door de veelheid aan concrete motieven van concrete mensen de kluts kwijt raakt die
methode is het ideaaltype.
Om het begrip ideaaltype echt te kunnen begrijpen is een inzicht in de cultuur- of
geesteswetenschap nodig, de beste weg is via een kritiek op het objectieve denken van de
natuurwetenschap.
Kritiek op ‘objectiviteit’
Vergeleken met andere klassieke sociologen schreef Weber tamelijk veel over methodologie
(ook om de chaos in zijn eigen hoofd te verhelderen). In 1904 schreef hij het
methodologische essay: de ‘objectiviteit’ van sociaalwetenschappelijke kennis.
Wetenschappers (sociologen) zeggen nogal snel dat ze objectief bezig zijn, zonder echt te
beseffen wat dat is. De succesvolle natuurkunde is hét toonbeeld van de wetenschap, wat
maakt dat iedere wetenschapper zich daaraan spiegelt of een beetje als
natuurwetenschapper gaat gedragen.
Dit is de grootste vergissing die een sociale wetenschapper kan maken. Hoe ‘objectiever’
de socioloog, hoe minder zijn kennis waard is. Maar wat is er dan mis met objectiviteit?
(Voor natuurwetenschappen is er niks mis mee). Heinrich Rickert, die Weber goed kende
noemde natuurwetenschappelijke kennis nomothetisch
51
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
kennis die feiten terugbrengt tot (algemene) wetten. De geroemde objectiviteit van de
natuurwetenschappen komt dus neer op de onophoudelijke reductie van het concrete,
bijzondere, individuele tot het abstracte, het wetmatige, het algemene. Dit werkt niet voor de
sociale/cultuurwetenschappen. Niet dat de socioloog zijn mening als wetenschap mag
verpakken, hij moet streven naar betrouwbare kennis.
Cultuur vergt interpretatie: een knipoog naar Gilbert Ryle
Weber zegt dat de objectieve blik de sociale werkelijkheid niet ziet (ze kan hier geen
betekenis aan geven). De objectieve blik registreert/constateert alleen maar , terwijl voor
het begrijpen van de sociale werkelijkheid meer nodig is. Jaren na Weber maakte Gilbert
Ryle dit duidelijk met een voorbeeld: een jongen geeft een knipoog, voor de objectieve
beschouwer is dit alleen iemand die zijn oog dicht doet, terwijl een niet-objectieve
beschouwer weet dat dit een samenzweederig teken van verstandhouding is. Om de sociale
werkelijkheid te verstaan, is het nodig om de culturele betekenis van een knipoog te
kennen en de concrete situatie te kennen.
De wereld als een ‘stand van zaken’ vs de wereld als een ‘stand van
waarden’ (Heinrich Rickert)
Heinrich Rickert stelt dat je de wereld op twee manieren kan bekijken: als een stand
van zaken (dan neem je causale relaties waar). Of als een stand van waarden (dan
neem je betekenissen waar). Cultuurverschijnselen ontlenen hun bestaan aan de waardeideeën waarmee ze in verband worden gebracht. De sociologie is volgens Weber:
‘de wetenschap die sociaal handelen interpreterend wil begrijpen en daardoor in zijn
verloop en gevolgen oorzakelijk wil verklaren’. Weber trekt in de lijn van Rickert een
scherpe lijn tussen natuur- en cultuurwetenschappen. Maar daar blijft het niet bij Weber vind
wel dat de socioloog zich op basis van zijn verstehende kennis mag wagen aan causale
verklaringen.
Hermeneutiek: met Schleiermacher in het spoor van Hermes
Hermeneutiek de leer van het interpreteren , het vertalen en het begrijpen van
boodschappen. Een vraag staat de hermeneuticus (leerlingen van Hermes) permanent voor
ogen: Wat betekend dit? Mythologisch gesproken was hermes de god van de handelaren en
reizigers. Hermes leert men dat de waarheid zich nooit prijs geeft, toch niet helemaal, de
waarheid zit verhuld in sluiers. Onmythologisch gesproken komt dit neer op: al wat betekenis
heeft, kan nooit helemaal worden doorgrond. De hermeneutische methode is niet echt een
methode omdat het geen solide houvast geeft, er zijn enkel wat vuistregels en hulpmiddelen
die je met wijsheid moet gebruiken.
52
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De klassieke hermeneutiek in de oudheid was het werk van theologen, juristen en filosofen,
om de bijbel uit te leggen. Omdat er veel uiteenlopend werd uitgelegd over de bijbel, was er
behoefte aan regeltjes. Aristoteles komt met zijn organon regels voor logica en retoriek.
Hiernaast ontstaat in de oudheid de regel: Je kunt een onderdeel van een tekst pas
begrijpen als je de hele tekst begrijpt, en omgekeerd
 deze regel staat bekend als het probleem van de hermeneutische cirkel.
Eind 18e begin 19e eeuw kwam men erachter dat betekenis niet enkel het toepassen van
regeltjes was, het had ook temaken met gevoel en psychologie. Als de auteur en lezer niet
gelijkgestemd waren, dan kwam er weinig van begrijpen terecht Friedrich Schleiermacher
(vader moderne hermeneutiek). “De bijbel verstaan is de boodschap voelen.” Een lezer kan
een tekst maar verstaan wanneer hij zich verplaatst in de geest, als het kan het leven
van de auteur. Hij moet het kunnen ‘herleven’/ ’opnieuw voortbrengen’. Omdat de
auteur en lezer de zelfde algemene menselijke natuur hebben zijn ze instaat elkaar te
verstaan.
Verstehen: het leven volgens Dilthey
Dilthey ging verder met de verbinding tussen hermeneutiek en levensfilosofie. (Weber: Hoe
het leven in al zijn omvatbaarheid begrijpen?) Dilthey vatte de opdracht van de hermeneutiek
op als het verstaan van alle levensuitingen (van simpel tot complex). Voor de
hermeneutische vicieuze cirkel betekend dit: om een levensuiting echt te kunnen begrijpen,
moet je het hele leven en de hele historische inbedding van dat leven begrijpen.
Dilthey maakte het zichzelf moeilijk en wilde dan ook het leven en de geschiedenis zelf
beschrijven (dit werkt kwam nooit af). Ook Weber maakt het zich gemakkelijk, om iets te
begrijpen van het kapitalisme een hele vergelijkende godsdienstgeschiedenis te ontwerpen.
Weber was een specialist die alles wilde weten. Maar Dilthey ging zelfs verder: echt verstaan
mag niet beperkt blijven tot het achterhalen van de betekenis van een levensuiting. Het doel
van het hermeneutische onderzoek moest zijn “de auteur beter verstaan dan hij zichzelf
had verstaan”. Dilthey hoort hierbij in het rijtje van Marx, Nietzsche en Freud, zij wilden
allemaal mensen uit hun sluimer wekken en doordringen tot de droesem van de menselijk
ziel waar motivaties opborrelen en het handelen ontstaat
 mensen beter verstaan dan ze zichzelf verstaan.
Het begrip ‘ideaaltype’ (eerste kennismaking)
Weber vaart op dezelfde levensoceaan als Dilthey, Weber wijst de stelling af dat het doel
van cultuurwetenschappen een gesloten begripssysteem zou zijn, waarin de werkelijkheid
definitief samengevat is.
Dilthey  laat je levenshorizon samenvallen met de levenscontext van de mensen die je
bestudeert, zuig het leven dat je bestudeert op, zo kan je het je toe eigenen en herbeleven.
Dilthey’s aanbeveling bevredigt Weber echter niet, Je hoeft geen Ceasar te zijn om
Ceasar te begrijpen. Het leven is altijd groter, ruimer, dieper, wie denkt het te vatten maakt
zich iets wijs.
53
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Er is een betere manier om andermans leven en handelingen te verstaan (een die de
logica’s blootlegt bij het handelen van mensen) de ideaaltypische methode (probeert
dus niet het werkelijke handelen van mensen te verstaan).
Zij verklaart reële
handelingen van mensen maar voor zover die volgens een bepaalde logica verlopen. Als je
de logica kent kun je het handelen zelfs voorspellen. Je weet alleen niet of iemand zich aan
de handelslogica zal houden.
Ideaaltype en statistiek (geen goede vrienden)
Statistiek wordt in alle wetenschappelijke disciplines gebruikt, min of meer op dezelfde
manier, wat maakt dat deze methode minder is toegesneden op de sociale werkelijkheid.
Een gemiddelde is gewoon een gemiddelde, of het nou om aardappels of kleuters gaat.
Maar wat doe je als je een gemiddelde van mensen berekent?
Quetelet bedacht de notie de ‘gemiddelde mens’, hiermee vlakte hij het onderscheid uit
tussen oorzakelijke ketens en handelingen. Hij zag niet meer het verschil tussen natuur- en
cultuurwetenschappen. Het gaat er hierbij niet om slecht te spreken over statistiek. Het gaat
erom dat sociologische, verstehende methodes zoals ideaaltypes vaak niet voor vol worden
aanzien, maar als halfwetenschappelijk, terwijl ze wiskunde en natuurwetenschappen baden
in een aura van wetenschappelijkheid. Dit is onevenwichtig en het schaadt het inzicht in de
sociale werkelijkheid.
Ideaaltype (Hierbij ook de stappen bij het gebruik van ideaaltypes)
Het ideaaltype streeft niet naar een objectieve weergave van de feiten. Het probeert
echter orde te scheppen in de chaos van feiten. Sociaalwetenschappelijk onderzoek
begint bij de subjectieve waarden van de onderzoeker, bij zijn belangstelling (1).
Cultuur is een waardebegrip zegt Weber Rickert na. De verschijnselen in de wereld bestaan
maar omdat wij, mensen betekenis geven aan onnoemelijk veel dingen en handelingen. De
culturele wereld bestaat alleen omdat wij verbanden zien die voor ons waarden
vertegenwoordigen. Overzichtelijk is deze cultuurwereld niet er bestaan veel betekenissen
door elkaar. Om door de bomen het bos te zien moet de onderzoeker een zelf
geconstrueerde zinvolle uitsnede maken uit de culturele wereld(2).
Hierna moet hij een begrippenkader creëren (dit gebeurt ook aan de hand van waardeideeën) (3).
Samengevat:
- Als leerling van Kant benadrukt Weber dat kennis tot stand komt doordat het verstand
categorieën oplegt aan de wereld.
- Als collega van Rickert weet Weber dat culturele categorieën zijn verankerd in waarden.
(Rickert culturele wereld is geen ‘stand van zaken’ maar ‘stand van waarden’)>
- En als leerling van Dilthey weet Weber dat kenniscategorieën niet aangeboren zijn maar
historisch variabel.
Hij doet hier zelf bovenop: de onderzoeker moet zelf de categorieën kiezen, de onderzoeker
weet wat voor hem waardevol is. De onderzoeker moet volgens Weber de kunst beheersen
om een persoonlijk waardestandpunt te verbinden met ‘universele cultuurwaarden’.
54
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Het misverstand genaamd ‘waardevrijheid’
Waarde- ideeën zijn zonder twijfel subjectief, dat betekent echter niet dat resultaten van een
onderzoek ook subjectief zijn. In het onderzoek moet men zich laten leiden door onze
gerichtheid op cultuur, onze gerichtheid op waarden waardenbetrokkenheid, dit is iets heel
anders dan waardering. Bijv. muziek begrijpen is iets anders dan muziek graag horen.
Waardevrijheid: waardevrij onderzoek, wil niet zeggen dat de onderzoek de werkelijkheid
objectief registreert en doet alsof waarden er niet toe doen, in tegendeel. Waardevrij wil
alleen zeggen dat de onderzoeker die een waardeperspectief moet innemen omdat hij
anders zijn object niet eens kan waarnemen, er voor moet oppassen dat hij zijn eigen
persoonlijke waardevoorkeuren niet in het onderzoek betrekt.
Is het ideaaltype een utopie?
Volgens Weber is het niet de bedoeling dat elke wetenschapper: ‘de werkelijkheid zoals ze
werkelijk is of geweest is’ beschrijft. Nee, dat levert enkel een onverteerbare rommelboel. Hij
moet een beeld vormen dat het kenmerkende van een verschijnsel op een praktische manier
aanschouwelijk en verstaanbaar maakt. Zonder zulke, onvermijdelijk eenzijdige, maar altijd
logisch consistente, ideaaltypische constructies is de sociaalculturele werkelijkheid
ontoegankelijk en onbegrijpelijk.
Met ‘utopie’ bedoelt Weber alleen maar dat het ideaaltype geen empirisch begrip is.
Bijvoorbeeld het kapitalisme dat bestaat niet, toch niet in zijn zuiver ideaaltypische vorm.
Deze begrippen zijn ‘utopisch’ in de zin dat mensen er hoopvol naar uitkijken.
Ideaaltype- een catechismus van mogelijk misverstanden.
Aan interpretaties en duidingen komt nooit een einde aan. Het ideaaltype werd alleen maar
moeilijker en moeilijker te begrijpen naarmate Weber het probeerde te verduidelijken. VB:
zijn ideaaltypes hypothesen? Nee, maar ze kunnen wel helpen om hypothesen op te stellen.
Zo zijn er talrijke voorbeelden: beschrijvingen, empirisch weerlegbaar, idealen, ideeën,
statisch,… .
Het ideaaltype is niet concreet. Het is onmogelijk om in de werkelijkheid iets aan te duiden
dat er precies zo uitziet als het ideaaltype schetst. Het is een ideeënconstructie, puur logisch
concept dat dienst doet als grensbegrip waarmee de werkelijkheid wordt vergeleken.
Het is dus eigenlijk helemaal niet zo eenduidig zoals Weber zou willen.
55
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Naar een ideaaltype van het ideaaltype.
Het ideaaltype is een gedachtenconstructie met een fundament (de waarde-idee), een
opbouw (begrippenkader) en een afsluiting (logisch consistente zinsamenhang).
De ontwikkeling van een reconstructie van een logisch samenhangend beeld van ‘het
ideaaltype’
1) Een fundament- --> waarde-idee ( geestelijk vermogen om een verschijnsel te zien
vanuit het perspectief van een waarde). Op zich is er niets aan een verschijnsel dat
ons dwingt om het te verbinden met een bepaalde waarde. Niet de objectieve
verschijnselen, maar de subjectieve waarde-ideeën van de onderzoeker bepalen de
richting van de belangstelling. Enkel relevant wanneer hij zijn subjectieve
waardegezichtspunt verbindt aan een universele cultuurwaarde.
2) Een opbouw, begrippenkader --> Vervolgens moet de onderzoeker zijn
waarnemings- en analysevermogen aanscherpen met behulp van categorieën. Deze
verfijnen en nuanceren waarde-ideeën. Deze ontwerpen dus het begrippenkader. Hij
kan enkel iets zinnig zeggen wanneer hij het ontvouwt in een veelheid van begrippen
die hem toelaten om verfijnde onderscheidingen te maken. Uit die wirwar, die de
culturele wereld is, kan hij nu zinvolle uitsnedes maken van betekenisvolle
fenomenen. Wanneer dit kader in orde is, kan hij beginnen aan het eigenlijke
onderzoek.
3) Een verbinding maken tot alles een geheel vormt. Er komt dus een soort van
afronding om alles zinvol te maken. Dit bestaat erin om verschillende betekenisvolle
fenomenen die los van mekaar schijnen te zweven, ‘door abraheren, accentueren,
selecteren en herordenen’, met mekaar te verbinden tot een ‘zinvol’ geheel. Dit tot
een logiscg consistente zinsamenhang, een afgerond gedachtebeeld. Deze
afronding, als ze goed gebeurt, kan een gevoel van geestelijke opluuchting of
verheldering teweeg brengen.
Volgens Weber is een ideaaltype geen doel op zich. Het is alleen ‘een middel om kennis te
vergaren over de samenhang van verschijnselen die vanuit bepaalde indiviudele
gezichtspunten betekenisvol zijn. Verstehend, interpretatief onderzoek is nooit ten einde.
Een voorbeeld: de gotiek
De gotiek is niet op één waarde-idee gebaseerd maar wel op twee: technisch rationalisme
en religieus gevoel.
Weber had plannen voor een soort van kunstsociologie, alleen is er niet al te veel van
uitgekomen. Wel heeft hij een mooi voorbeeld gegeven over de gotiek.
1: Gotiek bestaat uit technisch rationalisme en religieus gevoel, hij vertrekt dus vanuit een
dubbelperspectief. Ze zijn in tegenstelling tot wat we zouden denken een eeuwige vrede.
56
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
2: Dit zorgt voor een logische ontwikkeling van bouwkundige technieken en een nieuwe
soort manier van voelen, het gevoel dat hemels licht de aarde bescheen. De gotiek begint in
een kerkgebouw maar eindigt er niet (oa beeldhoudkunst). Gotiek wordt gekenmerkt door
horizontaliteit en stilering maar de gotische logica ging veel verder.
Weber wijst er op dat deze primair door technische factoren omwenteling samenviel met een
nieuwe, door sociologische en religieuze factoren bepaalde, manier van voelen.
3: De afsluiting: de eigenaardige ‘tweepoligheid’ is het belangrijkste kenmerk van de gotiek.
Deze is typisch voor zijn visie op rationaliteit. (zie pg. 257 onderste alinea)
De les van de neogotiek – de beperking van de ideaaltypische methode
Het ideaaltypische is interessant voor bepaalde inzichten, maar in vele kathedralen werd
deze geschetste logica niet tot in de puntjes toegepast. Er zijn mensen die de logica tot in de
puntjes hebben toegepast, het resultaat was niet altijd zo geloofwaardig. Ideaaltypische
gotiek is ‘niet echt’. Dat leert neogotiek.
Andere beperkingen van de ideaaltypische methode
Het ideaaltype kan steeds op een andere manier begonnen worden, wat er voor zorgt dat er
zoveel verschillende mogelijkheden zijn dat je er geen concrete lijn in kan trekken. Hij
gebruikt zelfs niet altijd dezelfde betekenis voor zijn centrale begrippen.Bijvoorbeeld het
begrip rationaliteit had na een tijd meer dan 20 betekenissen bij Weber.
Een extremer voorbeeld is, Zygmunt Bauman. De andere ideaaltypes zorgen voor een
stimulerende prikkeling van de geest. Maar door die snelle wisseling van begrippen en
standpunten dreig je het voordeel kwijt te spelen dat je hoopte te bereiken met het
ontwikkelen van een ideaaltypisch begrip: een zekere samenhang in het denken. Zo is en
blijft alles liquide.
Als subjectieve waarde-ideeën aan de basis liggen van de keuze van een onderwerp, en als
deze moeten worden verbonden met ‘universele waarden’ = ‘dominante waarden’, dan
dreigen de waarde-ideeën van de onderzoeker min of meer een doorslagje te zijn van de
waarden en vooroordelen in zijn samenleving. Je kunt moeilijk én loskomen én
aanknopen bij de waarden van de samenleving die je wilt onderzoeken.
57
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Rationalistisch karakter van ideaaltypes – de vier basistypes van handelen
Weber veranderde soms wel eens het accent dat hij legde op een ideaaltype, na een tijd
beklemtoonde hij meer het rationele karakter van een ideaaltype. Hij maakte het verschil
tussen ideaaltypes via het begrip begrijpelijkheid.
Gerangschikt volgens dalende lijn van begrijpelijkheid:
1: doelrationeel
2: waarderationeel
3: emotioneel
4: traditioneel
1) Meest exacte ideaaltypes neigen naar formele logica en wiskundige precisie. Dus
met een duidelijk doel. Deze zijn perfect voorspelbaar. Deze zijn volgens Weber
volledig zin-adequaat. Dit kan je ook zien bij economische wetmatigheden wanneer
men denkt volgens de homo economicus (Wet van Vraag en Aanbod).
2) Dit komt voort uit vaste overtuigingen en waarden. Je kan deze ook beter begrijpen
wanneer je meevoelt met deze waarden. Je kan hier doelreationeel gesproken een
irrationele daad verstaan (vb. pamflettenmeisje uit Duitsland pg. 262) Je kan ze dus
intellectueel wel snappen wat wil zeggen dat je de logica van de handeling kunt
snappen. Hier blijft het ook bij.
3) Handelingen die komen vanuit emoties/ affecten. Er is minder logica bij emoties. Het
is moeilijk te begrijpen als iemand kwaad is dat hij een Chinese vaas kapot moet
slaan of iemand bij elkaar slaagt. Hier wordt de grens met het sociologisch verstehen
bereikt en kan een puur causale verklaring, die statistische verbanden legt tussen
prikkels en reacties, wellicht soelaas brengen.
4) Weber ziet dit anders dan de overgedragen waarden/ tradities. Voor hem staan
‘waarde’ en ‘traditie’ op gespannen voet. Traditie is al wat wordt doorgegeven van de
ene generatie op de andere. Hoe langer iets ongewijzigd wordt doorgegeven, hoe
traditioneler. De zin van traditioneel handelen en gewoonten is minimaal. Men doet
iets uit traditie, maar weet niet waarom men het doet. Als zij het al niet weten, hoe
kan jij dan begrijpen waarom zij het doen? Tradities zijn bijna zinledig. Ze zitten vol
versteende, vergeten betekenissen. Webers eigenzinnige definitie van traditie brengt
een paradox met zich mee. Een fervente voorstander van traditie kan nooit
traditioneel zijn. Hij doet zijn best om het te zijn, maar de inspanning belet hem om
traditioneel te zijn. Hij mist het essentiële: argeloosheid.
58
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De ladder van rationaliteit
De 4 types, traditioneel/emotioneel/waarderationeel/doelrationeel, vormen een trap van
toenemende rationaliteit.
Traditioneel is het laagste, hieronder staat het dierlijke niveau. Dit is nauwelijks te
onderscheiden met uitsluitend biologisch te begrijpen processen.
Als er emoties en gevoelens bijkomen dan klimmen we naar een hoger niveau. Dit ligt nog
dicht bij de ondergrens van het zinvolle en verstaanbare. Hoe geraffineerder het
gevoelsleven wordt, des te meer neigt een emotie of een gevoel ‘naar een waarde, of naar
een doel’.
Waarderationeel heeft met emotioneel gemeen dat de zin van het handelen niet in het
daarbuiten liggende resultaat ligt. De zin van affecten ligt in die ontlading of expressie zelf.
Het verschil tussen affect en waarde is gradueel: hoe meer een gevoel de gedaante
aanneemt van een plicht of een gebod, des te meer is het een waarde.
De opstap naar het vierde niveau (doelrationeel) komt er wanneer iemand voor het probleem
komt te staan hoe hij verschillende waarden tegen mekaar moet afwegen. Wanneer ze
worden afgewogen, verliezen ze aan absolute geldingskracht.
Het vierde en derde niveau hebben gemeen dat de keuze van het doel, net als de keuze van
een waarde, niet helemaal rationeel gebeurt. Dit zou nochtans moeten: het ligt in de volstrekt
rationele aard van het doelrationele type.
Volgens Weber handelt iemand doelrationeel als hij: ‘zijn handelen op doel, middelen en
neveneffecten oriënteert en daarbij de middelen en de doelen, de doelen en de
neveneneffecten, en tenslotte ook de verschillende mogelijke doelen, rationeel tegenover
elkaar afweegt.
Maar hoe bepaal je het doel? Weber: Wie volstrekt doelrationeel handelt, zou de mogelijke
doelen rationeel tegen mekaar moeten afwegen. Het rationeel afwegen van doelen kan
alleen als ze onder een gemeenschappelijke noemer komen te staan, zodat je ze met elkaar
kan vergelijken. Ook Weber realiseert zich dat het volstrekt doelrationaliseren van het leven
een ideële fictie is: het is niet meer dan een geconstrueerd grensgeval.
De wetenschappelijke bruikbaarheid van de vier handelingstypes
Weber zegt dat de grenzen tussen affecten, emoties, gevoelens, verlangens, waarden en
doelen in werkelijkheid niet bestaan. Ze vloeien voortdurend in elkaar over. Binnenin de
mens wordt een krachtsstrijd uitgevochten. Allerlei om de voorrang strijdende aandriften van
fysieke, psychische en ideële aard nemen het tegen elkaar op en over de strijd tussen
motieven kunnen we weinig met zekerheid zeggen. Het innerlijk van de individu is een
slagveld.
59
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Toch blijft de ideaaltypische reconstructie de beste manier om toegang te krijgen tot althans
de zinvolle motivaties van individuen. Daarbij geldt: hoe rationeler een motief, hoe
begrijpelijker. En verder hoe meer een handeling werkelijk een rationeel motief volgt, hoe
beter de socioloog die handeling verstaat en de afloop ervan kan verklaren.
Men zou zeggen dat alleen een doelrationeel ideaaltype in aanmerking komt voor een
wetenschappelijke verklaring maar dat is niet zo. Dit is het meest rationele, maar de
socioloog is vrij om gebruik te maken van andere ideaaltypes.
Verstehen voor gevorderde beginners….
De simpelste vorm van verstehen is het ‘direct begrijpen’. (vb. Segway pg. 268) Dan heb je
het ‘verklarend begrijpen’, dit gaat heel wat verder, omdat het een fenomeen of een
handeling in een ruimere zinvolle samenhang plaatst.Hiervoor moeten we het doel of de
waarde kennen van de actor. Dit komt neer op het begrijpen van de logica, de zin van de
handeling. In die zin is de verstehende methode rationalistisch. Dit geeft een antwoord op
de vraag waarom iets doet.
Causaal verklaren (oorzaak-gevolg) en verstehend verklaren (zinsamenhang construeren)
zijn twee verschillende dingen. Een causaal verband geeft op zichzelf nog geen inzicht in
een handelingsverloop. Je begrijpt niet steeds waarom handelingen op elkaar volgen.
Causale verbanden gaan niet verder dan het leggen van een uitwendig verband. Ze zijn dus
pover in vergelijking met ideaaltypische verklaringen die een zinmatig verband leggen. Die
laatsten hebben weer het nadeel dat zij empirisch vaak niet correct zijn. In de mate waarin
individuen zich volgens een bepaalde handelingslogica gedragen, heeft het ideaaltype een
voorspellende waarde. Maar voorspellen is ondergeschikt aan verstehen.
Bestaan collectiviteiten? Over structuren, individuen en kansen
Het kans-begrip staat centraal in het denken van Weber over sociale structuren. Weber
vervangt het sociologische structuurbegrip consequent door een handelingsbegrip. En wat
anderen structuurkenmerken zouden noemen, de regelmaat en samenhang van een sociale
structuur, vervangt Weber door een kansbegrip. Weber dacht niet deterministisch, noch
structuralistisch maar possibilistisch: niet in termen van structuren maar in
handelingskansen.
Weber gelooft niet in een overkoepelende structuur. Deze bestaat niet of toch niet op
dezelfde manier als individuen bestaan. Zelfs sociale relatie bestaat niet. Wat wel bestaat,
zijn individuen die een regelmaat tentoonspreiden in hun handelen. De individuen doen dit
niet als een deel van een groter, collectief geheel. Zij zijn geen deel. Ieder individu is als een
handelend geheel op zich. Waarom dan handelen als gehuwden? Omdat ze, ieder
individueel, zich oriënteren op een idee dat zij, ieder individueel, zinvol vinden. Zelfs wanneer
dit begrip juridisch is, verandert dit niets aan de zaak. Het zorgt er enkel voor dat het idee
aan stabiliteit wint.
60
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Een sociale relatie stelt Weber: ‘bestaat dus uitsluitend en alleen in de kans dat op een naar
de subjectief bedoelde zin specifieerbare wijze sociaal wordt gehandeld, waarbij het in eerste
instantie onverschillig is waarop deze kans berust.
Alle collectieve begrippen verwijzen slechts naar een idee, én naar een ontzaglijk
ingewikkeld kluwen van individuen die zich in hun handelen, min of meer, richten op dat idee.
Het collectieve leven bestaat niet. Wat bestaat zijn handelende individuen, die handelen met
een bepaalde waarschijnlijkheid.
Weber over staat:
De moderne staat dant zijn wijze van bestaan – een complex van specifieke handelingen die
de mensen gezamenlijk uitvoeren – voor een deel aan het feit dat bepaalde mensen hun
handelen oriënteren op het denkbeeld dat de staat bestaat, of dat zo’n staat hoort te
bestaan, dat wil zeggen dat een dergelijke orde van juridisch-formele aard op een bepaalde
wijze geldt. Een “staat” houdt sociologisch op te bestaan, zodra er geen kans meer is dat
zich bepaalde patronen van zinmatig georiënteerd sociaal handelen zullen voordoen.
Weber haat dus collectieve begrippen. Je kan allee, sociologie bedrijven, als je vertrekt van
enkelingen, dus strikt individualistisch in de methode.
Sociaal handelen
In Wirtschaft und Gesellschaft omschrijft Weber sociologie als handelingswetenschap in
volgende 3 begrippen:
 De sociologie is een wetenschap die sociaal handelen interpreterend wil begrijpen
en daardoor in zijn verloop en gevolgen oorzakelijk wil verklaren.
 Een handeling is: menselijk gedrag waaraan de handelen persoon een subjectieve
zin verbindt.
 Een sociale handeling is: een handelen dat, in de door de actor(en) bedoelde zin, op
het gedrag van anderen wordt betrokken en in zijn verloop op dat gedrag is
georiënteerd.
Deze zijn vaag en moeten interpreterend en duiden bekeken worden per casus 
Verstehende methode is geen echte methode!
Voorbeelden
Zo is een paraplu opsteken als anderen het doen zinvol handelen, maar niet sociaal
handelen volgens Weber (niet nat worden).
Het kan echter ook als sociaal handelen geïnterpreteerd worden (Er niet kletsnat en slecht
uitzien bij sollicitatiegesprek).
Massabegrip
In navolging van Gustave Le Bon stelde Weber: een mens te midden van een massa handelt
niet sociaal. Alleen een individu dat bewust en zinvol zijn gedrag op andere afstemt kan
sociaal handelen. In de massa zou hij alleen reageren, niet handelen.
 Massagedrag = psychologie, scheidingslijn is vloeiend want er wordt altijd wel een deeltje
zinvol gehandeld.
 Durkheim zet de massa als kern van samenleving.
61
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Weber als de ‘atoomfysicus van de sociologie’
Natuur wordt pas ontcijferd als men in atomen kijkt, en atoomkracht houdt fysieke wereld
samen.
 Sociale leven wordt pas ontcijferd als men in individuen kijkt, en zin houdt sociale
wereld samen.
Maar: zin van handeling is niet puur psychisch (en dus niet psychologie)!
-Psycholoog zoekt als innerlijke drijfveren naar factoren.
-Socioloog zoekt als innerlijke drijfveren naar zinvolle motieven die mensen in staat stellen
om sociaal en zinvol op elkaar betrokken te handelen.
Klein en groot: in het spoor van Webers rationaliseringstheorieën
Weber schrijft zeer onprettig maar weet toch menig man te fascineren. Dit heeft te maken
met de duizelingwekkende sprongen die hij maakt tussen het allergrootste en het
allerkleinste en de inzichten die daaruit voortvloeien. Protestantse ethiek en de geest van
het kapitalisme is daar een goed voorbeeld van.
Met de snelheid van een machinegeweer vuurt Weber de grote vragen – allemaal
pertinent,fundamenteel en omvangrijk genoeg om er een heel onderzoeksprogramma aan te
wijden –op de lezer af.
Zijn methodologisch getrouw, beantwoordt Weber de algemene vragen, vragen die een
geweldig synthetisch vermogen vergen, door een ideaaltypische bril op te zetten en te kijken
hoe concrete individuen zin geven aan hun handelen.
De protestantse ethiek – de Weberthese is niet van Weber
Hoe kon, in de tijd dat de Europeanen mekaar naar het leven stonden in bloedige
godsdienstoorlogen, het kapitalisme wortel schieten en beginnen aan zijn opmars?
Antwoord Weber: het kapitalisme is niet ontstaan tegenover maar uit de godsdienst, met
name het protestantisme.
Weberthese: De geest van het kapitalisme een doorgerationaliseerde vorm is van religieuze
ideeën die je, eerst in bescheide mate bij Luther, en vervolgens radicaal bij Calvijn,
terugvindt. Het was common knowledge in de ogen van Weber.
De aanleiding voor Weber om zich met de hele kwestie bezig te houden , was het werk van
Martin Offenbacher, een van Webers studenten, die een statistisch verband aantoonde
tussen geloof en studieorïentatie en geloof en belastingen.
Weber toont geen enkel nieuw feit aan, hij verwijst enkel naar bestaande bronnen. Weber
deed dus niet aan eigen empirisch onderzoek. Hij wilde het verband niet aantonen, want
hiervan ging hij uit, maar wou het verklaren.
62
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De zogenaamde Weberthese wordt dus door Weber in twijfel getrokken. Dat er een verband
is, wat hebben we daaraan? Voor een verstehende sociologie doen alleen die verbander
ertoe die je ook begrijpt. De vraag die Weber stelt, is: wat is de zin van het verband tussen
het protestantisme en kapitalisme?
Natuurlijk staat onderzoek naar de zin van zo’n verband niet los van empirie. Maar Weber
denkt hier toch anders over. Volgens Webers denkwereld hebben ideaaltypische
reconstructies een waarde op zich. De logica van een ideaaltype heeft andere kwaliteiten
dan empirische geldigheid. Dus zelfs indien er geen empirisch verband zou zijn tussen
beide, zou dat de ideaaltypische verklaring van Weber nog niet onderuithalen.
Zoals Reinhard Benedix schrijft: het gaat Weber niet om de sterkte van de correlatie tussen
proteestntisme en kapitalisme; het ggaat hem erom dat, ‘zelfs al is een correlatie zwak, dan
nog moet ze “interpreterend verklaard” worden’. Dat geldt zelfs als er geen empirische
correlatie zou zijn.
Weber en Marx
Protestantse Ethiek is de tegenhanger van Das Kapital. Zoals Marx de verklaring voor het
kapitalisme zoekt in de veranderingen van de productiekrachten en productieverhoudingen,
dus in de onderbouw, zo zoekt Weber de verklaring voor de verspreiding van het kapitalisme
in de religie, dus in de sfeer van de bovenbouw. Volgens Weber zijn beide benaderingen
mogelijk en verwerpt een marxistische benadering dus niet.
Wel kritisch ten opzichte van Marx:
- Ideeën niet meer dan een afspiegeling van economische verhoudingen, doet hij af als
‘naïef historisch materialisme’
- Opvatting dat in de geschiedenis noodzakelijke ‘ontwikkelingswetten’ aan het werk
zijn, doet hij af als een eenzijdige dwaasheid.
-
De protestantse ethiek als een schilderijententoonstelling
Protestantste ethiek en de geest van het kapitalisme is het meest geciteerde werk, vloeide
voort uit de vraag: hoe kon het juist dat in de westerse wereld, en alleen hier,
cultuurverschijnselen optraden die toch een universele betekenis en geldigheid hebben
gekregen? Kapitalisme is niet ontstaan tegenover, maar uit godsdienst. Komt nl. voort uit
arbeidsethos en ascetisch vlijtig leven, met soberheid en spaarzaamheid als gevolg,
gepredikt door Luther en Calvijn.
Hij toont niets nieuws aan, maar verklaart de verbanden van onderzoeken van andere
onderzoekers. Niet: bestaat het verband. Wel: wat is de zin van het verband.
Weber gebruikte 5 ideaaltypische portretten van protestanten en verklaarde hierbij het
ontstaan van het kapitalisme. Hij gebruikte hier preken, traktaten en dagboekschriften van
om zijn analyse te maken.
63
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Benjamin Franklin en de geest van het kapitalisme (1)
Benjamin Franklin belichaamt de zuivere geest van het kapitalisme en is het eindpunt van
alle ontwikkelingen. Tijd is geld is het belangrijkste, leven moet ingesteld zijn op geld. Niet
geldbezit, maar geldvermeerdering is belangrijk.
Alles, zelfs karaktereigenschappen en deugden, wordt afgemeten aan hun vermogen om bij
te dragen tot dat ene doel (=geldvermeerdering). Deze kan je zelf veinzen en verbeteren (bv
door de indruk te wekken dat je vlijtig en eerlijk bent verhoogt je kredietwaardigheid bij
anderen). Hij hield ook een boekhouding bij met alle details, om zo de kleinste verspilling
tegen te gaan. Hij had dus ook een methode zijn doel te bereiken.
De ethos die het hele leven doordringt, het karakter mensen bepaald en de verhoudingen
tussen mensen beheerst is simpel: time is money, en leven is geld verdienen.
Luther en de uitvinding van ‘het beroep’ (2)
Luther gaf een nieuwe interpretatie aan ‘beroep’, die niet voort kwam uit de Bijbel. Vroeger
bestond die eruit in in eigen levensonderhoud voorzien, en dat wie niet werken wil niet zal
eten. Nu werd dit werken om te werken. Hij maakte van beroep (Beruf) een samenvoegsel
van de betekenis van Roeping (God roept iemand tot eeuwig heil) en beroep (werken voor
levensonderhoud)
 Wie een beroep uitvoert, werd daartoe tot God opgeroepen. Men werkte enkel voor God,
niet t.o.v. zichzelf of andere, noch voor genot of gewin.
Wel geloofde hij in sola fide: alleen geloof redt de mens, niet zijn werken. De hemel is niet te
verdienen.
Calvijn: angst voor het hiernamaals – arbeid als uitkomst (3)
Calvijn was het kernfiguur in Webers analyse.
Hij deed het traditionele train de vie omslaan naar een rationele methodisch opgezette
levenswijze, en liet met zijn dogma over predestinatie de kapitalistische geest ontstaan.
Predestinatie: God is almachtig, in duisternis en mysterie gehuld en er is een
onoverbrugbare kloof tussen hem en de onwaardige schepsels. Alleen God doet ertoe, en
alles ligt ook al vast voor de mens door Gods besluit bij de grondlegging van de wereld. Wij
kunnen er niets aan veranderen.
Gevolg 1 predestinatieleer:
Angst in de wereld en innerlijke vereenzaming van het individu. “Eenzaam gaat de mens
zijn, sinds het begin der tijden vastgelegd, lot tegemoet”.
Ook gevoelsmatige en persoonlijke relaties van mens tot mens worden niet aangeraden.
Puriteinse literatuur zegt: wantrouw iedereen, reken niet op hulp van anderen en laat je niet
meeslepen in vriendschappen. Gij zult aan niets hechten behalve aan God. (bv: Christian uit
The Pelgrim’s Progress verlaat poel van verderf waar hij woont en doet pelgrimstocht naar
Jeruzalem. Vrouw en kinderen die zich aanklampen negeert hij en hij loopt er van weg met
vingers in oren en roepend: “Leven, eeuwig leven!”)
64
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Gevolg 2 Predestinatieleer:
Onttovering van de wereld wordt tot consequent eindpunt gevoerd. Sinds Joods-christelijke
geschiedenis is dit onttoveringsproces al bezig. Dit betekent dat alle verbindingsmiddelen
tussen God en de mens gradueel uit de wereld verdwijnen, verboden worden of aan belang
verliezen (bv: spreuken, amuletten, heilige plaatsen, verschijningen, enz.). Hierbij speelden
de protestantste hervormen en vooral Calvijn een belangrijke rol in. Ook religieuze
ceremoniën (zelfs aan het graf) werden verworpen, en er bestaan geen middelen meer om
Gods genade af te roepen.
De mens kan enkel hopen dat hij uitverkorenen (electi) is. Er ontstond een tekenleer die
peilde naar aanwijzingen van iemand uitverkiezing.
1ste criterium: zelfvertrouwen en dus geen twijfel aan uitverkiezing.
2de criterium (2de zoeken betekent wel reeds dat men al twijfelt aan zichzelf..):
Onafgebroken beroepsarbeid.
Hoe zekerheid krijgen over hiernamaals? Twee mogelijke pistes:
1) Mystieke: unio mystica of mystieke godsvereniging. Zichzelf als vat gedragen en
behoeften en verlangens ledigen. Als lichaam en geest leeg is, kan God als hij het belieft,
erin volstromen met goddelijke aanwezigheid en genade. (Luther neigde hier naar maar
calvinisten vonden dit belachelijk; een almachtige God in een nietig schepsel?!).
2) God werkt door in mens: mens is een werktuig van God en staat ook het dichts bij God als
hij arbeid. Succes wijst op uitverkiezing. Goede werken zijn echter ongeschikt als middel,
enkel een teken! Wie gunstige tekens zag bereikte het mooiste volgens een calvinist:
zekerheid over eigen heil (certitudo salutis).
Iedere daad en ingreep werd zo geëvalueerd tot op het paranoïde af. Vandaag een goede
opbrengst is geen zekerheid, morgen misschien niet meer. Gevolg is het ontstaan van een
morele boekhouding, er kwam een systeem in.
In de 18de eeuw ontstond zo het methodisme. Een strikt methodische indeling van het leven
is de manier om zicht uit het slijk van de irrationele driften te trekken. Door het actief,
gepland en gecontroleerd leven, met het succes tot gevolg, kreeg men een gunstig teken, en
er ontstond bij de calvinisten keurslijf van arbeid, planning en permanente controle.
Baxter – kapitaalvorming door ascetische spaardwang (4)
Richard Naxter predikte het noeste werken: “werk hard in je beroep”. Tijdverspilling was eerste
en zwaarste van alle zonden, en gezelligheid en langer slapen dan nodig zetten genieten van
de arbeidsopbrengst boven de arbeid zelf. Van rijkdom genieten is moreel verwerpelijk, en
aards bezit veroordeelde hij (feller dan Calvijn deed). Het kon mensen aanzetten tot stoppen
met werken, terwijl hij niets anders moet doen dan arbeiden om zicht van zijn staat van
genade te verzekeren.
65
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
De bezitter die alles in overvloed heeft, is in moreel gevaar, en degene die in zijn eigen
levensonderhoud kan voorzien heeft de arbeid des te meer nodig in moreel opzicht. De vaste
uitoefening van een beroep is een goddelijk bevel (“Gij zult arbeiden, en al de rest laten”). Een
vast en nuttig beroep is het welgevallist in Gods ogen.
Winst was in tegenstelling tot bezit een gevolg van arbeid, en dus een goed teken. Wie een
minder winstgevende activiteit verkiest boven een winstgevende, handelde zelfs tegen Gods
bevel in. De winst mag niet gebruikt worden om vleselijke lusten te bevredigen, maar ter glorie
van God. Er ontstond kapitaalvorming door ascetische spaardwang.
John Wesley: geld verdienen als verweermiddel tegen… geldzucht (5)
John Wesley is de grondlegger methodisme. Hij besefte dat de door Calvijn en Baxter
gepredikte ascetische werkzame levensstijl gevaarlijke effecten had op de ziel. Want hoe
moest de hardwerkende, winst vergarende, weinig consumerende puritein omgaan met de
opbrengsten die zich rondom hem opstapelden?
Hij stelde (en Weber zag dit ook) dat alle vormen van sociale vereniging (en vooral religie)
vol voor en overtuigingen beginnen en aangewakkerd worden door charismatische
predikanten of sekteleiders, maar de neiging hebben om uit te doven. Wesley hield daarom
overal waar hij ging prediken, opwekkingsbijeenkomsten (tot op vandaag nog te zien in de
Pinksterbeweging en charismatische bewegingen in bv de VS).
Een andere aanbevolen middel door Wesley om verval tegen te gaan was simpel: geld
verdienen. Hij moest worden aangetrokken tot een nog grotere verlokking (dienst van God
volgens Wesley). Meer winst maken om te ontsnappen aan de verlokking van winst. De
Calvinistische arbeids- en spaarascese werd geherdefinieerd naar: maak zoveel mogelijk
winst.
Hier ontstond het kapitalisme volgens Weber. De economische betekenis ervan ontstond
toen het religieuze enthousiasme over zijn hoogtepunt was. Toen bleef enkel de nuchtere
beroepsmoraal over. Ondertussen had de hele ontwikkeling ervoor gezorgd dat de
traditionalistische (katholieke bezwaren tegen rijkdom en winst weggeredeneerd waren, en
winst werd nu als goed beschouwd.
Wij moeten beroepsmens zijn…
Conclusie van het werk:
Op het einde van zijn werk blikt Weber terug op zijn ideaaltypische reconstructie en maakt
een spring van de gedetailleerde analyse van de motivatie van concrete mensen naar de
wereldhistorische betekenis van het kapitalisme voor de hele mensheid. Deze sprong van
micro naar macro was één van de indrukwekkendste momenten uit de geschiedenis van de
sociologie. (zie tekst p297-299).
Zijn conclusie is dat hij de ‘laatste mens’ verwenst. Deze laatste mens is een louter
functionerende mens die zijn gehalveerde mens-zijn voor lief neemt en meedraait in een
zinloze, van zijn ziel ontdane productie-en consumptiemachinerie, goed wetend dat hij net zo
goed in die machinerie gevangen zit als eender wie. Hier spreekt Weber niet als
wetenschapper maar meer als een profeet.
66
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Het tragisch verstehen van Weber
De sociologie van Weber is tragisch volgens een aantal opzichten
1- Tragisch beeld van de mens: we zijn vaten vol tegenstrijdigheden en we begrijpen dat
we nooit volledig onszelf zijn door tragische onoplosbare spanningen en
tegengestelde motieven die ieder mensenleven verscheuren.
2- Tragisch beeld van de moderniteit: de spelers in de wereld zitten gevangen in een
logica waar ze niet uit geraken. Ze zien in wat hen overkomt, maar begrijpen niet
waarom. De zin van alles ontsnapt ons.
3- Tragiek in Webers methode: het verstehen is een inzichtzoekende methode die nooit
tot een eindresultaat leidt. Interpreteren kan altijd anders, en er is een grote vrijheid,
maar de hele onderneming lijdt tot niets want het kan altijd anders. Het is echter wel
de enige weg tot een echt begrijpen van het menselijk samenleven.
4- Tragiek in de relatie tussen onderwerp en onderzoeken: de onderzoeken kan een
onderwerp alleen maar begrijpen voor zover hij de sleutel in zichtzelf vindt die het
onderwerp ontsluiten. Hij kan sociaal handelen alleen maar begrijpen vertrekkend
van zijn eigen waarde ideeën. Je moet jezelf tot ophelderingen dwingen en op het
spel zetten.
Hoofdstuk 5: Het sociale als het nieuwe – Het optimisme van G.H.
Mead
Mead als lesgever en schrijver
Mead schreef niet graag want schrijven hinderde zijn denken. Spreken was zijn element.
Hij schreef enkele artikelen maar nooit een boek
 In feite opgepoetste, in elkaar gepaste studentennotities
 Hoofdwerk: Mind, Self and Society niet door hemzelf geschreven maar door enkele
vorsers die aangevoerd werden door Hans Joas
 In wat Mead zélf schreef, waren zijn ideeën niet veel beter verwoord dan in de
studentennotities
De geschriften van Mead leveren in zekere zin slechts informatie uit de tweede hand over
zijn denken. -> verscheidenheid aan interpretaties van zijn werk zo groot
Hans Joas onderscheidt 6 verschillende strekkingen in de Mead-receptie die soms amper
weet hebben van elkaar. Hij werd gezien als behaviorist, metafysicus, idealist, pragmatist en
semioticus. Onder sociologen staat hij bekend als de grondlegger van het symbolisch
interactionisme. (Term bedacht door Herbert Blumer)
We brengen Meads baanbrekende ideeën uit Mind, Self and Society (over sociale oorsprong
van de menselijke geest) in verband met zijn ideeën uit The Philosophy of the Present.
(over het verband tussen het nieuwe en het sociale)
67
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Filosoof van het nieuwe
Mead boog zich over de vraag hoe iets volkomen onverwachts, iets nieuws, kon voorvallen
in een volgens natuurwetten geordende wereld. Hij ervoer dit in levende lijve. Veel collega’s
en leerlingen getuigen, soms vanuit een hagiografie neigende bewondering, dat Mead een
onuitputtelijke bron van nieuwe ideeën was. Zijn belangstelling voor ‘het nieuwe’ kwam
vanuit een persoonlijke ervaring. Hij voelde een geestelijke bron in zichzelf. Hij was die bron:
aan de stroom van opborrelende inzichten kwam maar geen einde. Ieder mens is een bron
van nieuwigheid, zou hij later beweren.
Meads fascinatie voor ‘het nieuwe’ reflecteerde het evolutiedenken. Mead was onder de
indruk van Darwins theorie: nieuwe soorten ontstonden door differentiatie en natuurlijke
selectie. Wat hem aansprak was hoe Darwin ‘het nieuwe’ verklaarde zonder een beroep te
moeten doen op aan het levensproces externe factoren.
Aan de ene kant zag Mead in dat bepaalde eigenschappen, op het moment dat ze zich
voordeden, volkomen nieuw waren, en dat ze tot op dat ogenblik niet causaal konden
worden verklaard. Aan de andere kant besefte hij dat het nieuwe niet buiten de wereld staat.
Deze paradox vormt het achtergrondmotief van het hele oeuvre van Mead, ook van zijn
sociaalpsychologische en sociologische werk.
De tijd als het nu
Mead behandelt ‘het nieuwe’ zeer abstract in The Philosophy of the Present. Hij zou deze
tekst uitwerken tot een boek maar dat is er nooit van gekomen.
Mead stelt hierin een paar grote vragen met betrekking tot de tijd, het verleden en de
verhouding tussen de twee. Het verleden is niet op dezelfde manier werkelijk als het nu.
Strikt genomen bestaat alleen wat actueel is werkelijk. Wat het verleden is, wordt alleen
duidelijk in zijn relatie tot het nu. Het verleden is dat waaruit het nu is voortgekomen en wat
het geconditioneerd heeft tot wat het is. Het belangrijkste aan het verleden is dat het
onherroepelijk vastligt, en in zijn onherroepelijkheid het nu bepaalt. Deze verhouding is in
lijn met het wetenschappelijk determinisme.
Dit is enkel een gedeelte vanhet verhaal. Het nu moet ook begrepen worden als locus van
het nieuwe, als de tijdsruimte waar iets abrupt gebeurt dat niet kan voorspeld worden. Op die
manier is het nu dan weer een breuk met het verleden.
Hoe deze paradox begrijpen?: Mead wil dit niet oplossen door één van beide uiteinden van
de vork in te korten. Hij zweert zowel bij het determinisme als bij de nieuwheid. Hij houdt
vast aan de continuïteit van een ‘nu’ dat deterministisch volgt uit het verleden, én aan een
volstrekt nieuw en onverklaarbaar ‘nu’. De oplossing van Mead volgt uit zijn uitganspunt: Als
‘het verleden’ strikt genomen niet bestaat, als het alleen bestaan in relatie tot ‘het nu’,
dan volgt daaruit dat ieder ‘nu’ zijn eigen verleden heeft, een verleden dat volkomen
vastligt en waaruit het oorzakelijke is voortgekomen. Hier volgt ook uit dat ‘het’ verleden
niet eenzinnig vastligt. Ieder moment heeft zijn eigen verleden, en het is zeer goed mogelijk
dat deze verledens van elkaar verschillen. (Zo verklaren waarom iets nieuw kan plaatsvinden
zonder het causaliteitsmodel op te geven)
68
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Een nieuwe ervaring creëert een ‘nieuw’, bijpassend verleden waaruit het is voortgekomen.
(afs. Augustinus) Het begin creëert zijn eigen verleden. Mead gaat nog wat verder. Als op
gelijk welk moment iets nieuws kan gebeuren, dan bezit ieder moment de eigenschap die
Augustinus voor het eerste scheppingsmoment voorbehield: Het krijgt een verleden dat
door dit moment in het leven wordt geroepen.
De opvatting ‘nu’ heeft weinig consequenties voor de natuurwetenschap maar dit is anders
voor de sociale wetenschappen. Menselijke geschiedenis zit vol nieuwe gebeurtenissen en
processen die niet konden worden voorspeld, maar achteraf wel oorzakelijk worden
verklaard. (Vb. Franse Revolutie)
Socialiteit – het nieuwe is het sociale
Mead vatte nieuwheid op als het kenmerk bij uitstek van het sociale. Dit werd vaak over het
hoofd gezien, zelfs binnen het paradigma van het ‘symbolisch interactionisme’. Dit is te
neutraliseren door het feit dat Mead wel erg ver ging. Socialiteit genereert nieuwheid.
Nieuwheid is niet enkel een kenmerk van het sociale, maar omgekeerd is ook overal waar
iets ‘nieuws’ gebeurt, sprake van socialiteit. Centraal in het denken van Mead staat de
socialiteit die in heel het universum terug te vinden is en die fungeert als het principe en de
vorm van nieuwheid.
Wat verstaat Mead onder socialiteit?: Het is de capaciteit om verschillende dingen
tegelijkertijd te zijn. Een object bestaat ‘nu’ waardoor het een verleden heeft. Het is dus het
resultaat van de causale keten. Een object kan tevens een resultaat zijn van meer dan één
oorzakelijke keten van gebeurtenissen, het kan dus behoren tot meer dan één systeem. Dit
kan zowel bij levenloze objecten als bij levende wezens. (vb. mus: Dit behoort tot het
systeem van fysische relaties maar ook tot dat van levende wezens. Beide systemen zijn
relatief onafhankelijk. Mus fungeert dus als fysisch lichaam maar ook als levend wezen. Dit is
het resultaat van minstens twee oorzakelijke ketens van een verschillende orde. Dit wil
zeggen dat het onderworpen is aan verschillende soorten wetten.
Waarom noemt Lead het samenvallen van twee systemen nu ‘sociaal’?: Systemen bestaan
niet zomaar naast elkaar maar ze fusioneren. Het samenvallen noemt hij ‘socialiteit’. Hij
onderscheidt er twee aspecten in. Ten eerste past het levende systeem zich aan aan het
fysische systeem. En terwijl ze zich aanpast aan haar omgeving, grijpt ze, ten tweeede, ook
in die omgeving in. Het in elkaar overgaan van het fysische en het levende systeem
vertoont tezelfder tijd kenmerken van aanpassing en nieuwheid. (Dit is een bijzonder
geval van de ‘algemene structuur van het nu’)
Fysische systeem = oude systeem & levende systeem = nieuwe systeem. Het fysische
systeem is het verleden van het levende systeem. Mead definieerde nieuwheid in termen
van socialiteit: ‘De aanwezigheid van een ding in twee of meer verschillende systemen,
en wel zo dat zijn aanwezigheid in een nieuw systeem zijn karakter verandert in het
oude systeem of systemen waartoe het behoort.’
69
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Er is een kloof tussen het abstract omschreven ‘socialiteit’ en de sprankelende, levende
socialiteit die we ervaren in de omgang tussen mensen. Volgens Mead dekt dit beide
ladingen. Dit kan bewust en onbewust gebeuren. De sprong van het één naar het ander is
gigantisch, maar het mechanisme is identiek. Er wordt in beide gevallen uit het
samenvallen van ‘twee systemen’ iets nieuws gecreëerd. Mens en maatschappij zijn een
product van een lange rij van gebeurtenissen waarin socialiteit voorkwam en telkens iets
nieuws werd geproduceerd. Meads opvatting over ontwikkeling socialiteit is zeer speculatief.
Sociaal behaviorisme – de act
Belangrijk zijn zijn opvattingen van tijd. Beide standpunten hierover zijn ingegeven door
intellectuele scepsis. Dezelfde scepsis die hem deed ontkennen dat het verleden op
zichzelf bestaat, brengt hem ertoe om het bestaan te ontkennen van gedrag dat niet
uitwendig waarneembaar is.
J.B. Watson reduceerde innnerlijke ervaringen tot uitwendig waarneembare gedragingen.
Mead was niet zo radicaal. Mead beweerde dat ‘het subjectieve’ en ‘het objectieve’ niet a
priori gegeven waren. Ze kwamen tot stand in het gedrag. In het begin was er interactie – het
samenvallen van twee systemen. Daaraan ontsproot al het nieuwe.
Mead ging dus uit van de act. Dit is een impuls die het levensproces in stand houdt door
de selectie van bepaalde… stimuli waaraan het behoefte heeft. (def in behavioristische
termen maar week af van stimulus-respons-schema) Volgens S-R-schema gaat een
organisme over tot het gedrag als het door een stimulus uit de omgeving wordt geprikkeld.
Mead daarentegen beaamde dat een organisme tot gedrag overgaat als het geprikkeld
wordt. Maar het organisme selecteert zelf de prikkels die de impulsen vrijmaken waaraan
hij behoefte heeft!
Hoewel gedrag uitwendig waarneembaar is, speelt het zich volgens Mead ook af in het
organisme. Door die selectie komt het organisme tot een gedrag. De objectief
waarneembare act begint in het organisme. Attitude is het voor de externe waarnemer niet
waarneembare begin van de act. Dit is een even reëel onderdeel van de act als het
uitwendig, waarneembare deel. Dus Mead wijst dogmatische behaviorisme af maar blijft
behavioristisch. De innerlijke ervaring is een onderdeel van de act. Hiermee wijst Mead de
illusie af dat er zoiets bestaat als een op zichzelf staand bewustzijn. Innerlijke
ervaringen zijn attitudes die potentieel aanzetten tot gedrag. De opvatting van een
‘substantieve, het individu aangeboren geest’ moet worden verworpen. De daad is het
begin.
De sociale act
De geest is geen afzonderlijke entiteit, hij ontstaat in het gedrag. De belangrijkste
voorwaarde is dat menselijk gedrag sociaal is, dwz gedrag dat aanvangt in een organisme
en maar vervoleindigd kan worden in de gedragingen van anderen. Vanzelfsprekend is zo’n
gedrag geen voldoende voorwaarde voor ‘het oprijzen van de geest’. Sociaal gedrag speelt
zich af op verschillende niveaus. Alles hangt ervan af hoe de organismen elkaar ertoe
overhalen om de stimuli waaraan ze behoefte hebben, vrij te geven. Het hangt dus af van
hoe ze communiceren.
70
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Gebarencommunicatie
Mead onderscheidt gebarencommunicatie van symbolische communicatie.
Hoe kon de mens de stap zetten van het gebaar naar het symbool?: Darwin omschreef
gebaren als evolutionaire overblijfselen. Ze waren ooit nuttig maar nu niet meer. Het feit
dat er nog stukjes van deze overbodige gedragingen zijn, verklaarde Darwin met een andere
functie: expressie. Mead wijst dit af! Ze vertrekt vanuit een verkeerde opvatting dat er een
apparte ‘subjectieve wereld’ zou bestaan, die dan uitgedrukt wordt zodra er
expressiemiddelen voorhanden zijn. Voor Mead zijn en blijven gebaren ‘acts’.
Samen met Wilhelm Wundt definieert hij een gebaar als het bin van een act dat fungeert als
een teken van het vervolg van de act. Het gebaar komt dus ipv de hele act, maar heeft
dezelfde prikkelwaarde. De respons die een gebaar uitlokt, is dezelfde als wanneer de
hele act uitgevoerd wordt. Het gebaar is tegelijk minder en meer dan de act waarvan het het
begin vormt. Het is minder, omdat ze maar een deel van de oorsponkelijke act is maar is
meer doordat ze dezelfde reacies opwekt zonder dat de hele handeling moet uitgevoerd
worden.
Wat is nu de betekenis van het gebaar? De betekenis bestaat uit de latere sequenties van
de act waarvan het gebaar de beginfase was, en uit de responsen die deze act normaliter
teweegbrengt. De betekenis van een gebaar ligt dus objectief vast. De betekenis van het
gebaar is immers de handeling. Toch heeft een dierlijk gebaar geen gemeenschappelijke
betekenis. Als twee dieren gebaren uitwisselen, hebben ze allebei zicht op een ander deel
van de objectieve betekenis van het gebaar.
Symbolische communicatie – vocal gestures
Een gebaar wordt een symbool als het gebaar dezelfde respons opwekt bij A (die het
gebaar maakt) als bij B (tot wie het gebaar is gericht). Dit kan moeilijk bij alle gebaren
maar er is een type waarbij de kans dat ze eenzelfde respons opwekken bij de maker en de
bestemmeling, veel groter is. Dit is zo bij vocal gestures, geluidsgebaren. Je kan jezelf
horen waardoor het dezelfde impact heeft. Een vocaal gebaar verwekt in onszelf de respons
die we bij anderen opwekken. Helemaal identiek zijn de responsen wel niet. Iemand die
vocal gestures maakt, reageert doorgaans impliciet erop, terwijl de toehoorder expliciet zal
reageren. Zoals Mead goed besefte, is deze verklaring niet sluitend. Waarom wel de mens
en niet het dier de reacties van anderen kon verinwendigen, wist hij niet want honden
beschikken bijvoorbeeld over meer zelf-prikkelende gebaarsoorten.
Noot: Mead vond zijn reconstructie zelf fictief. Ze had slechts een didactische waarde.
71
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Kleine excursus over internalisatie en de ontdekking van spiegelcellen
Mead kon bovenstaande dus niet goed verklaren. Hierdoor verwees hij naar de hersenen en
de ruggenmerg; hier zou je de verklaring vinden voor het internalisatievermogen van de
mens.
In 1986 kreeg Mead bevestiging. Het team van de Italiaanse neuroloog Rizzolatti ontdenkte
spiegelneuronen. Rizzolatti ontdekte nu door toeval dat er hersencellen bestaan die vuren
als ik iemand anders een beweging zie maken. Het gebeurt onbewust en onzichtbaar.
Spiegelcellen zijn hersencellen die in mij actief zijn als anderen iets doen. Spiegelcellen
kunnen getriggerd worden door het horen, de zin, de intentie,… Onze spiegelcellen
decoderen dus blijkbaar andermans intenties.
De conclusie van Marco Iacoboni was voortvarend: ‘We begrijpen dus de mentale
toestanden van andere mensen vrijwel voortdurend, vaak zonder er veel over na te denken.’
Mead poneerde het bestaan van een neutraal gefundeerd internalisatievermogen.
Sommige van onze zenuwcellen zijn zo empatisch dat ze vuren wanneer niet ikzelf maar een
ander actief is. De ‘ander’ zit dus letterlijk in ons. Ook filosoof Merleau-Ponty had een
gelijkaardige visie.
Het gebeurt niet vaak dat natuurwetenschappelijk onderzoek een sociologische
theorie bevestigt. Maar de ontdekking van de spiegelcel geeft Meads theorie een duwtje in
de rug. Overigens bracht het spiegelcelonderzoek toch één inzicht van Mead aan het
wankelen want er zijn ook dieren die spiegelneuronen hebben. Dit kan erop wijzen dat ook
dieren een internalisatievermogen hebben, en dat wat Mead de ‘menselijke geest’ noemt, in
zekere zin ook bij sommige dieren bestaat. (walvissen, dolfijnen, honden, vogels en apen)
Denken als innerlijke conversatie
Wanneer A op zijn eigen gebaar identiek reageert als B, vallen prikkel en respons samen. A
moet dus niet wachten op respons van B want men heeft die al. Die respons vormt dan op
zijn beurt een prikkel aan A, die vervolgens weer een geëigende respons in zichzelf opwekt
en dit tot in het oneindige. Er ontstaat een lange keten van stimulus-respons-reacties in
A. Het gebruik van symbolen laat A toe het sociale proces te internaliseren. Dit is denken.
De denkende mens kan de gevolgen van zijn gebaar overzien. Meer nog, hij kan het gebaar
dat hij wilde maken, wijzigen als hij ‘in zichzelf’ merkt dat dit niet het verhoopte effect zou
hebben. Het gebruik van symbolen geeft hem tijd. Het maakt hem vrij.
Het samenvallen van prikkel en respons maakt immers dat het organisme’verschillende
dingen tegelijkertijd is, en wel zo dat het organisme als responderend wezen ‘het karakter
verandert’ van het organisme als stimulerend wezen. Dit is kenmerkend voor nieuwheid. De
dubbele toestand van het organisme dat reageert op zijn eigen gebaren, verandert het in een
bron van voortdurende nieuwe acts.
Niet enkel handelen maar ook denken werd door Mead sociaal-behavioristisch geduid. Een
persoon denkt als hij in zichzelf de respons opwekt die hij opwekt bij een ander. Wie zowel
de ander is als zichzelf, voert een ‘innerlijke conversatie’. Denken is verinwendigde
sociale interactie. Dan is er sprake van geestelijke activiteit.
72
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Van ‘omgeving’ naar ‘meerduidige wereld’ – de ‘objectieve wereld’ –
praten met dingen
De overgang van gebaar naar symbool zet de mens niet alleen aan tot denken, die verandert
ook het aanzien van de wereld. Die verandert van een omgeving in een sociaal
geconstrueerd, symbolisch universum.
Hoe verschijnt de wereld op het niveau van gebarencommunicatie?: Het is een reservoir van
prikkels waarop men reageert met een gepaste respons. Dat wil niet zeggen dat de
omgeving het gedrag eenzijdig bepaalt. Het is in feite het tegenovergestelde. Men
organiseert dus de omgeving in termen van zijn eigen gedrag. Toch is voor het dier de
wereld eenduidig. Iedere prikkel roept een welbepaalde respons op en heeft dus een vaste,
objectieve betekenis.
Voor wezens die symbolisch communiceren verliest de wereld haar eenduidigheid. De
selectie van prikkels verloopt complexer. De betekenis ligt niet meer objectief vast. Deze
wordt vastgelegd in de sociale interactie. Een prikkel roept alle responsen op die de prikkel
bij de verinwendigde anderen opwekt. De wereld bestaat uit meerduidige, te interpreteren
stimuli. De wereld wordt dus op de meest radical manier gevormd in het sociale
interactieproces. (Berger & Luckmann zouden dit later the social construction of reality
noemen)
Mind, Self & Society is een even stroef als baanbrekend boek. De mens gedraagt zich
spontaan sociaal. Hij knoopt met alles een interactie aan. En hij verinwendigt de attitude
van alles waarmee hij interageert. In de interactie met dingen gebeurt dus aanvankelijk
hetzelfde als in de sociale interactie: het subject reageert op de prikkels van de natuur en
internaliseert de houding die de natuur aanneemt. De mens, het wezen dat prikkels eerst
verinwendigt en dan pas handelt, is principieel een sociale partner van alles wat hij op zijn
weg tegenkomt. Hij verinwendigt altijd de attitude van de ander, ook als die ander een ding
is. Dit is niet altijd makkelijk te doen waardoor we een verzameling van dingen afbakenen tot
de objectieve wereld. Maar in oorsprong is er uitsluitend een sociale wereld.
De oorspronkelijke houding van de mens is sociaal. Dit verklaart de sociale houding van
kinderen tegenover wat hen omringt. Ze zijn sociaal tegen alles en iedereen. Na verloop van
tijd worden de ‘zwijgende dingen’ uit de aanvankelijke allesomvattende sociale wereld
gestoten en worden ze verbannen naar de aparte, objectieve dingenwereld. Ze worden
precies gestraft voor de onsociale houding. Maar de oersociale houding tegenover de dingen
verdwijnt nooit helemaal.
73
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Zelfbewustzijn
Eén van de belangrijkste gevolgen van de overstap van gebaren- naar symbolische
communicatie is het ontstaan van een organisme met een zelf. Het zelfbewustzijn wordt
wel eens gezien als het wezenskenmerk van de mens, als dat wat hem onderscheidt
van het dier. Dit onderschrijft Mead. Maar hij ondersscheidt ze rigoreus van de verkeerde
opvatting dat de mens de bezitter is van een ziel/geest waarmee hij op een mysterieuze,
bovennatuurlijke wijze begiftigd is. Het is onherleidbaar omdat het nieuw is in het
evolutieproces. Maar toch is het er op causale manier uit voortgekomen.
Mead definieert een ‘zelf’ als een object ‘dat tezelfder tijd subject en object kan zijn’.
Hoe kan een individu een ‘object voor zichzelf’ worden? Een individu kan niet op z’n eentje
zelfbewust worden. Hij moet zichzelf ervaren vanuit het standpunt van de andere leden van
de groep. Zonder anderen is zelfbewustzijn onmogelijk.
Dit loopt parallel met Cooley. Deze noemde het ‘zelf’ en ‘spiegelzelf’ omdat het zelf ontstaat
in de weerspiegeling van het eigen gedrag in de houding van de ander. Cooley kon niet
verklaren waarom attitudes van anderen overgenomen konden worden. Hij schreef dit toe
aan ‘reflectieve introspectie’. Mead wou niets horen van deze mysterieuze a priori
capaciteiten. Het ‘zelf’ is het onvermijdelijke gevolg van sociale interactieprocessen. Zodra
je wordt gestimuleerd door eigen gebaren, zodra je op eigen uitingen reageert, word je
een ‘object van jezelf’.
Als het ‘zelf’ de resultante is van sociale processen, wat gebeurt er dan als die vol
tegenstrijdigheden en spanningen zitten?: Dit kan desastreus zijn. De ‘eenheid van het
zelfweerspiegelt de eenheid van het sociaal proces’. Als die eenheid ontbreekts, kan de
ontbinding van het zelf in ‘dezelven’ het gevolg zijn. In het ergste geval komt het tot een
‘splitsing van de persoonlijkheid’. Mead liep daarmee vooruit op Gregory Batesons –
omstreden – verklaring van schizofrenie.
‘I’ & ‘Me’ – socialiteit en temporaliteit van de persoo nlijkheid
Denken, zelfbewustzijn en een meerduidige sociale wereld zijn 3 emergentia van het
sociale interactieproces. Ze vormen samen onze rede, ons zelfbewustzijn en onze sociale
wereld. (menselijk) De persoonlijkheid is wezenlijk een sociale structuur. Het algemene
patroon is bij iedereen hetzelfde.
Mead onderscheidt 2 aspecten aan de persoonlijkheid (aanknopend bij William James): het
‘Me’ en het ‘I’. Mijn ‘Me’ is het geheel van andermans houdingen in mezelf. Het is de
verzameling van verinwendigde houdingen. Mijn ‘I’ is dat wat in mezelf reageert op het ‘Me’.
Mead zegt: ‘de houdingen van anderen constitueren het ‘Me’, en daarop reageert man als
een ‘I’. Het ‘I’ is eigenzinnig. Wij zijn ons niet van ons ‘I’ bewust. Zoals Freud ook zei,
behoort het geweten tot het ‘Me’. Maar het ‘I’ is onverbeterlijk.
Het ‘I’ is maar ‘I’ in de opwelling. Het moment nadat het de kop opstak, is het al zichzelf niet
meer. Volgens Mead is het ‘I’ van het moment opgegaan in het ‘Me’ van het volgende
ogenblik. In congruentie met The philosophy of the Present kan je zeggen: het zelf
bestaat uit ‘2 systemen’ (<-> nieuwheid en socialiteit), een ‘oud’ (ME) en een ‘nieuw’ systeem
(I) die samenvallen. We zijn als zelven, nieuw en sociaal tegelijk.
74
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Ook het ‘I’ en ‘Me’ kunnen veranderen. Als ‘I’ verandert ieder individu voortdurend de sociale
orde. Conformisten zijn mensen wier gedrag volledig wordt gedomineerd door het ‘Me’. Zij
hebben hun ‘I’ blijkbaar opgesloten in een diepe inwendige kerker. Ze dragen niets bij tot de
vernieuwing van de groep waar ze deel van uitmaken. <-> Fonteinen van vernieuwing: Zij
kunnen de inwenige bron van hun ‘I’ soms niet stelpen. (Vb. ontdekkers, kunstenaars,
godsdiensstichters,…) Maar we zijn allen mensen en sociale wezens. Allen zijn we een
sociale structuur. We bestaan uit een ‘I’ en een ‘Me’ die met mekaar interageren.
De sociale wereld – ‘play’ en ‘game’ – de ander
De sociale interachtie vormt op analoge wijze de maatschappij. Hij toont dit aan met het
voorbeeld van spelende kinderen. Het beginstadium is ‘vrij spelen,’ (play). Hier is de sociale
interactie eigenlijk nog onbestaande, en is er van ‘maatschappij’ ook geen sprake. Dat
gebeurt met de overgang naar het ‘georganiseerde spelen’ (game)
Spelen is een opeenvolging van prikkels die reacties uitlokken. ‘Een bepaalde prikkel lokt
een bepaalde reactie uit die op zijn beurt een prikkel is voor weer een nieuwe reactie.’ Dit is
‘vrij spelen’ (game). Het verschil tussen play en game is dat het kind dat een ‘game’ speelt,
klaar moet staan voor om de attitude van iedere andere deelnemer over te nemen. In een
game wordt iedere handeling bepaald door het geheel der verwachtingen. Dit is de ander.
Volgens Mead is de ander dus niet de concrete persoon met wie men toevallig te maken
heeft. Hij is een knooppunt in een netwerk van handelingsverwachtingen. De ander is ‘de
organisatie van verschillende houdingen’ die in de game worden aangenomen. De
ander is dus een rol.
Generalized other – de wereldwijde ‘universe of discourse’
Als je voorbij de verschillen kijkt, kom je tot ‘het geheel van anderen’. Dit dus van alle
‘clusters van gedragsverwachtingen of rollen. Dat geheel is de ‘generalized other’. Als het
kind die weet te verinwendigen, zit de hele maatschappij in hem. Ook rollen die de mensheid
ooit heeft gespeeld of zou kunnen spelen, behoren tot de generalized other. Als we erin
slagen om die onvoorstelbare samenhang van geclusterde attitudes en rollen te
verinwendigen, ja dan zit de hele mensheid in ons. Dan zijn we echt ‘dragers van de
mensheid’. Deze vormen de horizon van Mead maatschappijbegrip.
Mead heeft vaak de kritiek gekregen dat hij te microsociologisch is. (sociale interactie en
rolspelende individuen) Dit is echter niet zo. Zoals voor hem een rol een clustering is van
attitudes, dus van ‘potentiële aanzetten tot gedrag’, zo is de maatschappij een clustering van
alle mogelijke rollen. Maar wezenlijk bestaat de maatschappij ook uit niets anders dan
gedragingen of potentiële gedragingen.
De maatschappij oefent een morele kracht uit op haar leden. Hier nadert Mead Durkheim.
(wel andere visie over sociaal leven) Maar in 1 opzicht zijn ze het roerend eens: de
maatschappij is moreel. Hoe meer je deelneemt aan het maatschappelijke leven, hoe
moreler je wordt. Deelnemen betekent dat je de houdingen van anderen internaliseert. Hoe
meer ‘anderen ik verinwendig, hoe meer mijn innerlijk een parlement wordt waar ak die
verinwendigde anderen overleggen. Hoe meer communicatie, hoe meer uitwisseling, des te
meer mensen met allerlei standpunten en houdingen worden geconfronteerd. Dit leidt tot de
vorming van een wereldgemeenschap (universe of discourse). Dankzij massamedia
worden we terug mens.
75
Samenvatting door: Saena Chakkar, Margot Maes, Jorien Froeyen, Sebastien Dinet, Imane Boujdaini,
Milou Audenaerd, Tinne De Veth, Renee Beerens, Kristof Van Breda, Jeroen Neegers
& Ignace Vercauteren
Het optimisme van Mead omvatte ook de economie. De commercie springt gezwind over
politieke, sociale en culturele barrières. Het economisch proces brent groepen dichter bij
elkaar. Het is de meest universele socialiserende factor in de hele moderne maatschappij.
(Mead had dus enorm veel vertrouwen in de universe of discourse, massamedia en
economie.) Hierdoor ontzag hij de neveneffecten van de geglobaliseerde media en de
wereldwijde economie en zo dacht hij ook te kwantitatief. Mead wijst er wel op dat de
sociale werkelijkheid ieder moment, ‘nu’, in het leven wordt geroepen en gehouden. De
maatschappij is een orde, maar zij houdt vele opties open. De bron van vrijheid werd
het best gevonden onder Mead van de klassieke sociologen.
76
Download