Samenvatting tekst 4

advertisement
Tekst 4 - De zorg voor welzijn: actuele antwoorden op oude vragen
De vragen en antwoorden in het artikel betreffende zorg worden behandeld in een viertal groepen:
→ Wie? (Wie heeft waarop recht?)
→ Wat? (Welke zorg wordt er geboden aan degenen die in aanmerking komen?)
→ Hoe? (Hoe wordt deze zorg georganiseerd?)
→ Wie betaalt?
1. Wie? De bases voor allocatie
Wat zijn de pricipes die gehanteerd worden bij de toewijzing van zorg
1.1 Oude vragen
Universalisme en selectiviteit
Universalisme: voorzieningen die als een sociaal recht ter beschikking staan van de gehele bevolking.
→ openbare arrangementen die aan de behoeften tegemoetkomen als sociaal recht
→ is sociaal effectief (tast cohesie in maatschappij niet aan)
Selectiviteit: voorzieningen die ter beschikking worden gesteld op basis van een individuele behoefte
(onderzoek naar bestaansmiddelen)
→ zijn verdelend & benadrukken verschillen in maatschappij
→ voelt als faling
→ voorzieningen enkel gericht op zie die het moeilijk hebben en niet voor zichzelf kunnen
zorgen
→ zuinig met middelen omspringen, komt enkel te goede aan degenen met de meeste behoefte
→ kosteneffectiviteit staat centraal
Argumenten van de ene worden ook gebruikt door de andere:
→ Universalisten: hun manier kan ook herverdelend zijn + enkel tegemoetkomen aan zij die het het
meest nodig hebben + kosteneffectief want minder kostelijk qua beheer
→ Selectivisten: policy of the poor leidt tot poor policy. Hun beleid is ook sociaal effectief (vermindert
ongelijkheid als enkel armen het krijgen)
Continiuüm van keuzes
Sociaal politieke maatregelen: zelden eentonig karakter en bevatten meestal elementen van beide
stromingen.
Selectiviteit kan ook in een bredere betekenis worden gebruikt: los van financiële criteria (vb:
geogragische gebieden)
→ Toewijzingsprincipe 1: veronderstelde gemeenschappelijke behoefte door lidmaatschap groep, kan
niet door markt bevredigd worden.
→ Toewijzingsprincipe 2: allocatieprincipe. Een groep die een sociale bijdrage heeft geleverd aan de
maatschappij of onrechtvaardig behandeld is door de maatschappij wordt bevoordeeld (ook hier
groepsgebonden allocatie)
→ Toewijzingsprincipe 3: diagnostische differentiatie. Individuele toewijzing op basis van technisch
diagnostische criteria.
→ Toewijzingsprincipe 4: aanwezigheid van een middelengetoetste behoefte. (vb onvermogen om op
de markt te functioneren)
1.2 Actuele antwoorden
Voorbije jaren steeds meer in richting van selectiviteit. Vraag is welke selectiviteit? (in enge of brede
betekenis woord)
Selectiviteit in functie van economische behoeftecriteria
Als maar meer sectoren sociaal beleid worden in dit idee gemoduleerd.
Vb: schorsing werkloosheidsuitkering als gezinsinkomen bepaald bedrag overschrijdt.
1
Vb: debat in zorg voor ouderen tussen uitkering op basis van inkomen en uitkeren op basis van de mate
van afhankelijkheid (onafhankelijkheidsverzekering)
Selectiviteit in functie van een tegenprestatie
Er wordt meer en meer een soort tegenprestatie voor geleverde zorg verwacht.
→ Om zorg te mogen blijven genieten moet men bewijs leveren werkelijk bereid zijn zijn toestand aan
te passen (→ geen inzet, geen uitkering)
→ Uitkering als contraprestatie (wordt verschaft als er sprake is van inzet, prestatie)
Vb: vrijwilligerswerk met behoud van uitkering
Wat gebeurt er in praktijk van de zorg voor welzijn?
→ Werkloosheidsuitkeringen:
 begeleidingsplan voor werklozen: voorkomen langdurige werkloosheid, beperkt tot
laaggeschoolden (hogere efficiëntie) en niet vrijblijvend (verlies recht op uikering
door weigering)
 plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen: arbeidskansen langdurige werklozen
verbeteren. Als werklozen oproep van deze PWA's negeren riskeren zij een
schorsing van hun uitkering.
→ Ook van mensen die aangewezen zijn op het OCMW wordt een grote inzet verwacht als
voorwaarde voor hun sociale steun:
 werkbereidheid
 geïndividualiseerd project voor sociale integratie: bepaalt vorm en inhoud integratie,
niet-naleving resulteert in tijdelijke schorsing. Moet een hefboom worden voor
sociale inschakeling in de samenleving, vraagt ook actieve medewerking (enkel voor
jongeren, < 25 jaar)
Algemene trend in Europese landen: voor wat hoort wat.
Vb: Franse RMI (revenu minimum d'insertion), doelt op sociale en professionele integratie
Vb: VSA workfare; wie openbare steun ontvangt, moet in ruil daarvoor een of andere vorm van arbeid
verrichten.
Gedachte hierachter beschreven door L. Mead:
→ verzorgingsstaat gaat tenonder aan haar permessiviteit
→ armoede en sociale kwalen te wijten aan individuele gedrag jongeren
→ enkel maatschappelijke integrate door om te vormen als gedisciplineerde werk-nemers die
behoefte bevredigen van de industrie
→ tegenreactie welvaartstaat die maar geld geeft zonder tegenprestatie
Hoe moet men die verschuiving naar tegenprestaties in professionele integratie interpreteren?
→ naast legitimatie van de overheidswegen (marginaliteit burgers tegenhouden) is er een andere
interpretatie van maatschappelijke controle. Cultuur van nieuwe flinkheid, rechts denken.
In welke mate zijn die voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering legitiem?
→ P.Rosanvallon: geen terugkeer naar negetiende-eeuws paternalisme, vroeger viseerde men het
morele individu, nu het sociale individu: er wordt niet gedacht in termen van "morele opvoeding" en
"bekering van de armen" maar in kosten en effectiviteit. Stelt dat dit (voorbeeld van RMI) een nieuw type
van sociaal recht is, dat balanceert tussen recht en contract:
→ Sociaal recht: toegankelijk voor iedereen, om zo terug een weg te vinden in de samenleving
→ Contract: is verbonden met de tegenvoorwaarde van persoonlijk engagement van de
rechthebbende in zijn (her)inschakeling
Het object is niet alleen een tegemoetkoming, ook een algemeen principe van sociaal leven (recht op
inschakeling). Individuen zijn actieve burgers, niet enkel te redden bijstandtrekkers (recht op sociale
2
nuttigheid). Dit alles gaat verder dan het klassieke sociaal recht, het is een recht op leven in een
gemeenschap.
→ groeiende consensus omtrent het breken van de onafhankelijkheidscultuur
→ is kernprobleem van de verzorgingsstaat, moet vermindert worden
In plaats van een passieve verzorgingsstaat ontwikkelt zich een actieve verzorgingsstaat: met sociale
rechten EN plichten. Wat moet er tegenover die plichten komen vanuit de samenleving? Twee mogelijke
wegen:
→ Britse en Amerikaanse weg:
→ maatschappij geplooit naar de markt
→ mensen vinden gemakkelijker weg naar arbeidsmarkt
→ ! berust op verlaging lonen
→ breuklijn binnen sfeer economie: economische integratie samen met sociale desintegratie
→ Intermediaire economie:
→ radicalere economische integratie (maatregelen toegang jongeren vermakkelijken, technieken
sociale herkwalificatie...)
→ intermediaire economie van de sociale integratie
→ tussen solidaristische sfeer verzorgingsstaat en efficiëntiewereld onderneming
→ ook hier nog wel vele problemen, oplossing door verzorgingsstaat actief te maken en uitkering
en inschakeling niet langer te scheiden, door autonome sociale instellingen te maken die
uitkeringen beheren...
→ nieuw solidariteitscontract: Individu verkrijgt zorg en bindt zich tot tegenprestatie enerzijds,
overheid van inschakeling niet op als uitkering maar recht op nuttigheid anderzijds.
Ten slotte kunnen naast integratiebevordering en gedragscontrole ook simpelweg besparingsnood en
verfraaiing van de werkloosheidsstatistieken motieven zijn.
Twee criteria om te bepalen of overheid nieuw beleid serieus neemt:
1. Mate mogelijkheden, tijd & middelen voorzien voor begeleidende instanties (OCMW, VDAB)
2. Mate waarin beantwoord wordt aan opgelegde (contract)voorwaarden van jongeren,
langdurig werklozen...
2. Wat? Welke zorg wordt er geboden
Wat is er in het voorzieningenpakket veranderd?
2.1 Oude vragen
Sociale voorzieningen onder te brengen in zes categorieën: kansen, diensten, goederen, vouchers,
uitkeringen, macht.
'In cash' of 'in kind'?
Discussiepunt betreffende de aard van de zorg:
In cash-voorzieningen: uitkeringen, tegemoetkomingen, geldelijke middelen...
→ argument van soevereiniteit en keuzevrijheid van de consument
→ efficiëntie-argument in-kind klopt niet (komt nog): technlogie laat geen standardisatie toe
→ inkomentransfers veel efficiënter om problemen zoals armoede reduceren (minder middelen
naar apparaat en personeel)
In kind-voorzieningen: goederen, diensten
→ argument van efficiëntie (meer mensen kunnen genieten door standardisatie)
→ effectiever dan geldsommen ter beschikking stellen
→ controlemogelijkheid
Problemen met beide: indien in cash, hoe hoog uitkeringen enz. Indien in kind, locatie van de goederen
en diensten.
3
'Cheques', kansen, macht
Vouchers: tegemoetkomingen met een ruilwaarde, kunnen gebruikt worden voor aankopen
goederen/diensten gesitueerd binnen een duidelijk afgebakende sector.
Cheques:
→ aantrekkelijk voor beleidsverantwoordelijken
→ verenigen voordelen in cash en in kind
= soevereiniteit aan gebruiker en laten controle toe
Kansen: stimuli en sancties gebruikt met oog op bereiken bepaalde doelstellingen.
→ rechten, extra kansen
Macht: herverdeling van invloed over de controle op goederen en middelen
→ door vertegenwoordiging zorgbegruikers in organen
2.2 Actuele antwoorden
Discussie tussen in-kind en in-cash wordt hier nader bekeken aan de hand van "twee voorzieningen die
betrekking hebben op de zorg voor mensen met ernstige beperkingen op het vlak van zelfredzaamheid:
het systeem van persoonsgebonden financiering en de onafhankelijkheidsverzekering."
Het systeem van persoonsgebonden financiering
Mensen die door fysieke, psychische & mentale beperkingen niet meer zelfredzaam zijn, moeten beroep
doen op hulpmiddelen, hulp van derden
 Persoonsgebonden financiering: persoonlijk budget
→ individuele tegemoetkoming, rechtstreeks betaalbaar aan zorgvrager
→ systeem omdat naast nood aan financiële middelen, ook aan steun articuleren hulpvraag,
technische ondersteuning & coördinatie
Hoopt hiermee vele tekorten aan huidige systeem van zorg te vermijden:
1. Elk van de uitgebouwde diensten heeft zijn eigen territorium
Gevolg: lacunes & overlappingen: de cliënt past zich aan aan de voorziening, niet
omgekeerd. Structureel parternalisme, niet één persoon maar een structuur, wijze van
organiseren bepaalt wat goed is voor iemand.
2. Als zorgbehoevende in het huidige systeem zit je met een of/of-keuze
OF beroep doen op de door gemeenschap ingestelde dienstverlening OF beroep doen op
mantelzorg, daartussen is er niets. Leidt tot financiële en belastingsproblemen.
3. Systeem van traditionele voorzieningen voor gehandicapten is opgebouwd volgens een
hiërarchish model: de gehandicapten zelf staan helemaal vanonder, hebben geen
verantwoordelijkheid.
Alternatief: zorgsysteem met "recht op autonomie"-filosofie, behoeftigen hebben structurele middelen
om een invloed uit te oefenen op aard geboden diensten. Binnen die structuur aandacht voor
machtsverhoudingen tussen componenten, belangenconflicten & erkenning legitimiteit vraag naar
rechten.
→ gericht op versterking positie zorgontvanger ( drie maatregelen)
→ hulp bij articuleren hulpvraag
→ technische ondersteuning en coördinatie
→ systeem van geïndividualiseerde financiering
→ aanwezigheid ene maatregel versterkt effectiviteit andere maatregel.
De (on)afhankelijkheidsverzekering: centen of diensten
→ Wederom discussie tussen in kind en in cash, hier in onafhankelijkheidsverzekering
J. Pacolet en H. Spinnewyn opteren voor diensten, voorkeur vanuit kostenbesparing en allocatieoverwegingen.
→ paternalistische visie op consument, die maakt niet noodzakelijk de beste keuzes
→ men beïnvloedt de allocatie van middelen
4
→ betere controle op het aanbod en de kwaliteit hiervan
→ verwijdert het permanente probleem dat men de zorg moet vormen in functie van de behoefte
en afhankelijkheid zoals bij in cash
Anderen hebben voorkeur voor uitkeringen, in vorm van diensten-of zorgcheques
→ Probleem bij dienstecheques: discriminatie in zorgvormen
→ enkel financiëring van formele zorg
→ oplossing: informele zorg ook financieren als professionele zorg, probleem: gebrek aan
middelen van de verzorgingsstaat
Afhankelijkheidsverzekering: tussenkomst voor niet-medische kosten en extra uitgaven die optreden bij
afhankelijkheid inzake de dagdagelijkse levensactiviteiten en die een rechtstreeks gevolg zijn van een
vermindering van zelfredzaamheid bij bejaarden.
Een zorg in de gemeenschap
Tendens: verschuiving van de residentiële/intramurale zorg over semiresidentiële zorg naar
ambulante/extramurale zorg (belangrijk hierin is de thuiszorg).
→ men neemt maatregelen om mensen in het eigen milieu te laten verblijven, niet in een instelling
Vb: thuisbegeleidingsdiensten, diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen...
Bedenking over evolutie: contradictie tussen enerzijds verhogen van het belang van ambulante zorg en
anderzijds de omzetting in de praktijk:
1. Uitbouw ambulante voorzieningen in de bejaardenzorg staat nog in kinderschoenen.
2. Hoe belangrijk ambulante zorg en thuiszorg ook zijn, residentiële zorg blijft nodig voor
bepaalde categoriëen.
3. Gecoördineerd aanbod van vele soorten voorzieningen is nodig, anders is beleid ineffectief
4. Belang van zorg door de gemeenschap benadrukken, niet enkel in gemeenschap.
Kwaliteit- "Onze specialiteit, een tevreden klant"
Zowel product van zorg ( wat, de dienst) als het proces (het hoe) moeten worden getoetst op hun
kwaliteit en zo nodig worden bijgestuurd. Paginas 37 en 38 in de cursustekst bevatten twee
uitgeschreven voorbeelden van publicaties die handelen over dit onderwerp.
3. Hoe? De organisatie van de zorg
Heeft betrekking op de organisatie van de zorg voor welzijn en de wijze waarop de diensten worden
toebedeeld aan de behoeftigen. Gaat over vragen in verband met organisatorische regelingen tussen
de onderscheiden zorgverstrekkers en tussen de zorgverstrekkers en de consumenten in de context
van een lokale gemeenschap.
3.1 Oude vragen
→ het aantal keuzes, mogelijkheden in het organisatorisch vormgeven aan de zorg is enorm uitgebreid.
Men zoekt steeds naar een verbetering van de organisatie van de zorg, maar met vier problemen:
1. Fragmentering: Een hulpzoekende moet zich voor verschillende soorten problemen tot
verschillende instanties wenden.
2. Discontinuïteit: Hindernissen die zich in de hulpverlening voordoen wanneer een cliënt zich
voor de oplossing van één probleem tot meerdere hulpverleners moet wenden (gebrek in
opvolging).
3. Ontoegankelijkheid: Obstakels die hulpzoekenden ondervinden bij de toegang tot het netwerk
van dienstverlenende organisaties (zoals taalgebruik).
4. Niet-aanspreekbaarheid: Het gebrek aan mogelijkheden voor cliënten om gehoor te vinden
voor hun klachten over de hulpverlening (oplossing: participatie)
3.2 Actuele antwoorden
Eerste reeks: besluitvorming en gezagsstructuur
Tweede reeks: antwoord op wie er verschillende taken zal uitvoeren
5
Derde reeks: sleutelen aan de organisatie van de zorg door in te werken op de samenstelling van het
zorgsysteem.
Coördinatie
Problemen van cliënten hebben meestal niet één maar meerdere oorzaken, terwijl er bij de
hulpverleners en organisatieseen tendens plaatsvindt richting steeds meer specialisatie (en dus
fragmentering van verschillende oorzaken)
→ antwoord hierop is coördinatie
→ gericht op ontwikkelen geïntegreerd & globaal dienstverleningssysteem
Drie voorstellen om fragmentatie tegen te gaan:
 federatie: op basis van vrijwillige samenwerking van de autonome diensten
 centralisatie: door opgelegde, hiërarchische structuur, vb OCMW
 samenwerking op case level niveau: gedecentraliseerde interacties tussen sociale
voorzieningen en hun personeel, niet formele en gestructureerde vormen van eenmaking of
federatie van voorzieningen.
! De hedendaagse zorgsysteem zijn zo complex dat getraind personeel nodig is om mensen in contact
te brengen met voorzieningen, vb: maatzorg.
→ speciale hulpverleningsmethodieken voor het werken met kansarmen, intensieve persoonlijke
begeleiding.
Participatie
Cliënten moeten mee beslissingsmacht hebben over hoe de voorzieningen georganiseerd worden. Pas
als ze mee kunnen beslissen zal een zorg die aangepast is aan hun behoeften gegarandeerd zijn.
 Niet betuttelend denken, maar emancipatorisch
3 patronen in de huidige samenwerking tussen cliënten en organisaties:
1. Pseudoparticipatie: weinig of geen herverdeling van macht tot gevolg, vb bejaarden-tehuizen
2. Normale participatie: reële doch marginale invloed op besluitvorming
3. Redisbutrieve participatie: verschuiving in de mate waarin burgers invloed hebben op
beslissingen betreffende organisatie zorg in de machtsstructuur.
Sterke sociale structuur vereist om sociale rechten van zorggebruikers te actualiseren, zoals rechten op
het autonoom handelen, ondanks de afhankelijkheid van iemand.
'Welfare pluralism'
→ Vraag betreffende bestuur, beheer & financiering van de voorzieningen.
Welfare mix: er zijn altijd al veel verschillende actoren actief geweest op de formele en informele
domeinen van de zorg
Nieuw: proportionele verschuivingen in de samenstelling ervan
 Informele & commerciële sector meer naar voor als alternatieven voor de grotendeels door nonprofitsector en op overheidsinitiatief uitgevoerde zorg. Maar zijn zij hiervoor uitgerust, en komen
welzijnsdoelstellingen zo niet in het gedrang?
Informele sector:
 Overheid bekemtoont het belang hiervan
 Zorgzame samenleving: gezin gepromoot als aanvuller of plaatsvervanger voor de
onbetaalbaar geworden formele zorg van de verzorgingsstaat
 Meestal verstrekt in de woning van de zorgbehoevende
 Gezins- en familieleden zijn het belangrijkst: persoonlijker, emotioneler, langduriger
 Empirisch onderzoek:
o Mantelzorg wordt bijna altijd uitgevoerd door de vrouw!
 Wil/kan deze die zorg blijven verlenen?
o Toename van het aantal (hoog)bejaarden = zorgbehoevenden
6
o
Vermindering van de capaciteit van gezinnen om zorg te verstrekken
 Door verminderde omvang van huishoudens
 Door toenemende arbeidsmarktparticipatie van vrouwen
 Door stijgende echtscheidingscijfers
 Ondanks bereidheid, toenemende draaglast en minder draagkracht. Steun vanuit de overheid
blijft nodig en gebeurt door:
 Voorzieningen die informele zorgverleners ondersteunen (vb dienst voor
thuisverpleging)
 Maatregelen om de informele zorgverleners tijdelijk te ontlasten (vb dag- of
nachtopvang)
 Vergoedingen voor informele zorg, op verschillende manieren: betaalde nietprofessionele zorg, formele hulp in niet-professioneel kader, betaalde hulp
 Positie van de vrijwilliger
 Financiële ondersteuning van informele zorgverleners en hun statuut (vb systemen
van loonbaanonderbreking, … tijden waarin men niet werkt, maar wel sociale
rechten verwerft waar hij bij eventuele latere problemen beroep op kan doen)
! Momenteel verschaffen noch de federale overheid, noch de regeringen in de
deelstaten directe financiële steun aan mantelzorgers, qua initiatieven zijn er grote
verschillen tussen provincies. Hoe dan ook, er zijn (weliswaar meer symbolische)
spontane initiatieven van ondersteuning voor de mantelzorg.
De commerciële sector
Privéprofitsector heeft in veel verzorgingsstaten aan terrein gewonnen, ook in België doch
wederom opvallende verschillen tussen gewesten:
 Vlaanderen: verschuiving naar de commerciële sector ging ten koste van de
openbare tehuizen, maar er heeft geen spectaculaire verandering plaatsgevonden
→ vooral publiek
 Wallonië en Brussel: vooral privé
! onbeperkte groei van de commerciële sector kan leiden tot ernstige verstoringen in de sociale
voorzieningen: zowel qua omvang als qua kwaliteit
→ gevaar voor duale zorgstructuur: private zorgverlening is enkel voor rijken, of voor minst erge
situaties
→ algemene vaststelling: systeem met oog op winst bevordert de sociale gelijkheid niet
De deskundige: vriend of vijand?
Veranderende rol:
1. Personeel uit de zorgsector pleit voor de erkenning van zorgverlening als volwaardige arbeid,
eist volwaardig loon en sociale rechten
2. Jaren 1970:
 Start van proces voor hogere kwalificate van het personeel
 Klassenkloof: argwaan tegenover meer kwalificatie want verzorgers zullen dan uit de
middenklasse komen, terwijl cliënten uit de lagere socio-economische klassen
afkomstig zijn, wat kan leiden tot miscommunicatie.
 Moeilijkheden op vlak toegankelijkheid & continuïteit zorg.
3. Proces van professionele socialisatie: opgezet voor betere hulpverlening, maar kan ook
barrieres opwerpen tussen hulpverlener en cliënt.
 Elke professionele groep hanteert en eigen perspectief en is ervan overtuigd dat dit
de beste benaderingsmethode is.
 Beperkte interactie tussen verschillende expertengroepen
 Beperkte interactie tussen de cliënt en de deskundige, alleen wat relevant
is voor die hulpverlener wordt verteld
 Voorkeur voor bepaalde cliënten, uitgedrukt in bepaalde professionele
termen
7

Fenomeen cliëntselectiviteit wordt versterkt door de organisatorische structuur: geen
persoonlijke maar "departementale" kijk op cliënt
Gevolg van deze evoluties: pleiten voor humane link:
 Inschakelen van ervaringsdeskundigen, vb bij kansarme gezinnen, hun problemen vertalen
naar zorg
 Inschakelen van vrijwilligers, vb garantie bieden aan vrijwilligers betreffende
kwaliteit/continuïteit werk
Gewoon waar mogelijk, speciaal waar nodig
Betreft criteria die men kan hanteren voor het uitbouwen van de zorg.
Door de specificiteit van bepaalde problemen hebben deze een speciale zorg nodig, afhankelijk van:
 Veranderende inzichten in de problematiek van de personen in kwestie
 Maatschappelijke wil om bestaande grenzen te verschuiven (vb toestaan van euthanasie voor
ondraaglijk lijden, werd eerst als onaanvaardbaar beschouwd)
! elke specifieke behandeling heeft voor- en nadelen:
 Wordt de sociale integratie van deze groepen beperkt of net vergroot door de speciale
hulpverlening?
o Vb uitgesloten door sociale stigma’s of stempels die mensen voor de rest van hun leven
meedragen
o Vb gehandicapten die door het installeren van bredere deuren ook musea kunnen
bezoeken
 Doordat speciale voorzieningen bestaan doen de algemene voorzieningen weinig moeite om
deze categorieën te helpen → mensen worden te snel bij de probleemcategorieën geduwd
 Tegenstelling tussen op integratie gerichte programma’s en de institutionele belangen van de
voorzieningen?
Zorg op maat
Specialisatie van het zorgaanbod:
→ Verschuiving van een "resources-based" naar een "needs-based" service: zorgverlening mag niet
langer aanbodgericht zijn, maar moet in dialoog treden met de cliënt en diens vrije keuze respecteren.
→" tailor made support system"
Implicaties van het "zorg op maat"-principe:
1. Appèl gedaan op afzonderlijke voorzieningen, moeten hun werken zo veel mogelijk
afstemmen op individuele problematief gebruikers, differentiatie als sleutelbegrip.
2. Nodigt uit tot grotere differentiatie hulpverleningsvormen (zowel ambulante al intramurale
sector)
3. Coördinatie van zorg rond bepaalde zorgvrager beter op punt gesteld.
In Vlaanderen werd sterk gedacht in termen van het aanbieden van een standaardpakket van
voorzieningen, nu ook meer en meer verandering daar in: meer aanbieden van pakketten van
"persoonlijke ondersteuning".
4. Financiering (Wie betaalt?)
Fundamentele beleidskeuzes zijn hier onder te brengen in twee groepen:
1. Bronnen van financiëring
2. Transfersysteem/schikkingen die stroom financiële middelen van oorsprong tot bestemming
omkaderen alsook voorwaarden hierrond.
4.1 Oude vragen
8
De financieringsbronnen
"Mixed economy of welfare": financiering van een bepaalde voorziening gebeurt meestal door een
mengeling van bronnen:
 Particuliere, niet-commerciële instanties
→ Financiële inbreng is gaandeweg verminderd, net als de ontvangen giften
→ Meer geld afkomstig van gebruikers en overheid
→ Instanties meer onderhevig aan overheidsreglement
→ Grote discussie omtrent instanties: effectiviteit, mate autonomie...
 Overheid
→ Middelen afkomstig van: belastingsgelden, bijdrage gebruikers, gelden sociale
verzekeringen en giften.
→ Toelagen voor zorg afkomstig uit diverse overheidsinstanties
 Commerciële voorzieningen
→ Middelen afkomstig van: hoofdzaak bijdrage cliënteel, belastingsgelden
→ Met oog op winst middelen investeren in de zorg en aanbieden aan de bevolking, beweegt
zicht op de markt.
→ Vragen omtrent: betaalbaarheid alle bevolkingsgroepen & differentiatie kwaliteit
Transfers
Hoe verloopt de geldstroom tussen zender en ontvanger? Welke voorwaarden zijn hieraan verbonden?
Klassieke vragen: (de)centralisatie, federale of regionale/lokale controle?
Vier fundamentele voorwaarden als een overheid aan een andere overheid (of instelling) middelen
toekent:
1. Programmavoorwaarden: bepalen van de doelstelling van de toelage, activiteiten waarvoor
financiële middelen worden gebruikt.
2. Financiële voorwaarden: hogere overheid verstrekt pas middelen aan lagere instantie als die
zelf instaat voor een deel van de middelen.
3. Cliëntbetrokken voorwaarden: wie er in aanmerking komt voor het gebruik van de middelen.
4. Procedurele voorwaarden: voorschriften die te volgen zijn door de ontvangende instantie. (vb.:
verslaggeving, rechten clïent...)
4.2 Actuele antwoorden
Overheid op zoek naar privépartners
Onbetaalbaarheid van bepaalde zorgprogramma's zorgt ervoor dat de overheid een zoektocht heeft
gestart naar privégelden.
De bijdrage van de gebruiker: omvang en betaalbaarheid
Gebruikers leveren reeds een grote bijdrage in de kosten voor de zorg van welzijn en gezondheid.
→ Zorg die bepaalde mensen nodig hebben zijn voor hen niet langer betaalbaar
→ Financiële positie bepaalt de zorg waar men gebruik van maakt, los van of dit de beste zorg
zou zijn
Onderhoudsplicht en terugvordering
Mate waarin de algemene solidariteit dan wel de familiale solidariteit de hulpverlening moet bekostigen.
Onderdeel behandelt voorbeelden van wetten/KB’s betreffende het OCMW en wat de impact is als men
kinderen en gezinnen laten instaan voor financiële kost zorg ouderen.
→ Kosten laten dragen door gezin creëert nieuwe afhankelijkheid, engageert familie dan meteen
ook in de hulpvraag.
Over verzekeringen en solidariteit
Er is een niet-onaanzienlijke omvang van de eigen bijdragen van de gebruikers van zorg. Die individuele
premie zou veel hoger zijn, mocht de sociale verzekering niet verplicht zijn en/of de kostprijs niet
gedragen worden door iedereen.
9
→ zorg voor welzijn en gezondheid blijft betaalbaar omdat ze gesolidariseerd is.
P. Rosanvallon: mutualisering van de risico's werkt niet meer, oude mechanismen die zorgden voor
solidariteit in verzorgingsstaat vallen uiteen. Evolutie naar een scheiding tussen "wereld van de
verzekering en wereld van de solidariteit", drie ooraken:
1. Aantal uitkeringsgerechtigden wordt te groot voor het aantal bijdragebetalenden
(kunnen/willen er niet meer voor instaan)
2. Rechtvaardigheid & solidariteit: berusten op het idee dat risico’s gelijk verspreid zijn over de
bevolking en toevallig voorkomen → wetenschap weerlegt dit
3. Hoe langer hoe meer de druk op de individuele verantwoordelijkheid
→
Vooruitgang
in
genetica:
risico’s
kunnen
gepersonaliseerd
worden.
Verzekeringsprincipe is aangetast omdat die zich basseert op algemene kenmerken
populatie, geen individuele gegevens.
Verzekering:
 Bevorderend voor solidariteit
 Socialisatie- en aggegratiefunctie: wanneer aangeboren kenmerken belangrijker zijn dan
verworven kenmerken, resulteert dit in een andere soort rechtvaardigheids-opvatting.
→ Met personaliseerbare risico's verdwijnt notie van een verzekerbaar risico
Nood aan het herdenken van de solidariteit in functie van het weten, van de kennis van de individuele
lotsbestemming individu.
P. Rosanvallon: als gevolg van deze evolutie is er een nieuwe soort verzorgingsstaat nodig
1. Andere financiering: financiering meer op inkomen, minder op arbeid
2. Actieve in plaats van passieve verzorgingsstaat
Transfer van middelen
Vanuit het oogpunt van een betere beheersbaarheid van de geldstroom wordt er naar nieuwe formules
gezocht.
5. Besluit
Welke van de vele besproken keuzealternatieven haalt het? Afhankelijk van:
→ macht voor/tegenstanders bepaalde projecten
→ sociaal-economische omstandigheden
→ tijdsgeest
→ politieke omstandigheden
→ ideologische overtuigingen
→ visie op de problemen van mensen waarvoor zorg voor welzijn en gezondheid is uitgebouwd
(uiteenlopende duidingen). Vb: is een oudere iemand die zoveel mogelijk autonomie moet
kunnen blijven genieten of een gehandicapte?
10
Download