Kwalificatieprofiel: Vakfunctionaris Natuur en Techniek

advertisement
Kwalificatieprofiel: Vakfunctionaris Natuur en Techniek
Examenstandaard: Agrarisch en Groen Loonwerk en Techniek (150-4c)
Leeractiviteit: Differentieel
Oefensituatie:
Repareren machines
Leervragen:
Hoe werkt een differentieel?
Wanneer gebruik je een differentieel?
Is er onderhoud aan een differentieeel?
Beschrijving van de activiteit:
1.
ALGEMEEN.
fig. 3.1.
1.1.
Wat is de stand van de pignonas t.o.v. de beide zonnewielassen (wielassen)?
_____________________________________________
1.2.
Welke tandwielsoort is toegepast voor het kroonwiel?
_____________________
Pagina 1 van 5
1.3.
Welke tandvorm is toegepast voor de zonnewielen en de satellietwielen?
______________________________
1.4.
Geef in fig. 3.1.met een pijl aan waar het differentieel zit bij de trekker?
1.5.
Benoem de onderdelen A t/m F in fig. 3.1.
A.
_______________________
B.
_______________________
C.
_______________________
D.
_______________________
E.
_______________________
F.
_______________________
2.
OPDRACHT DIFFERENTIEEL
2.1.
Welke tandwielsoorten zijn toegepast en voor welke onderdelen?
____________________________________________________________________
2.2.
Welke tandvormen zijn toegepast en op welke onderdelen?
____________________________________________________________________
Pagina 2 van 5
3.
OVERBRENGINGSVERHOUDING
3.1.
Hoeveel omwentelingen maakt het kroonwiel als je het pignonwiel 10x ronddraait?
_____________________________________
3.2.
De overbrengingsverhouding = ingaand toerental : uitgaand toerental
i
= n pignonwiel
: n kroonwiel
i
= 10
: ____________
i
=1
: ____________
3.3
Nu controleren m.b.v. de formule:
z1 x n1 = z2 x n2
Tel het aantal tanden van het pigon z pignonwiel = ______
Hier:
z kroonwiel = ______
z pignonwiel
x
n pignonwiel
=
z kroonwiel
x
n kroonwiel
______
x
10
=
______
x
n kroonwiel
n kroonwiel
= _____________
i = n pignonwiel : n kroonwiel = _____ : _____ = 1 : _____
De uitkomst moet natuurlijk hetzelfde zijn als bij 3.1 en 3.2!
4.
TOEPASSING DIFFERENTIEEL
4.1.
Draai het kroonwiel 1x rond.
Hoeveel omwentelingen maken de zonnewielen? ____________________
4.2.
Draai het kroonwiel nog 1x rond, maar houd één wiel vast.
Hoeveel omwentelingen maakt het andere wiel?
_______________
Dus wat het ene wiel te weinig draait, draait het andere wiel te veel
4.3.
Stel het kroonwiel maakt 50 omw. De ene wiel maakt 40 omw.
De andere wiel maakt dan: _____________ omw.
4.4.
Wat is de functie van het differentieel?
____________________________________________________________________
4.5.
Stel het kroonwiel maakt 50 omw. De linkerwiel slipt en maakt 100 omw.
De rechter wiel maakt nu ___________ omw.
De trekker staat nu dus stil.
Pagina 3 van 5
5.
DIFFERENTIEELSLOT
5.1.
Kijk bij de gele Renaultbak.
Trap het differentieelslot in.
Hoeveel omwentelingen maakt het linkerwiel t.o.v. het rechter wiel? ______
5.2.
Wat is nu de functie van het differentieelslot?
____________________________________________________________________
5.3.
Op welke manier wordt hier het slot tot stand gebracht:
differentieelas aan kroonwiel
differentieelas aan huis
differentieelassen aan elkaar
wielassen aan elkaar
(zie figuur: van linksboven naar rechtsonder)
1.
3.
5.
7.
hefboom
vaste klauw
zonnewiel
eindvertraging
2.
4.
6.
verschuifbare klauw
huis
holle wielas
Pagina 4 van 5
Tips voor de uitvoering:
Bijz. Hulpmiddelen: differentieel.
Toelichting, gewenst resultaat en criteria:
De leerling kent/kan…
- de onderdelen van het differentieel benoemen.
- het doel van het differentieel vertellen.
- het doel van het differentieelslot vertellen.
- een eenvoudige overbrengingsverhouding
Bronnen:
Literatuur:
Theorie boek
Bijbehorende competenties:
Repareren van machines
Pagina 5 van 5
Download