hoofdstuk1 IOL Suriname Wikash Behari Na

advertisement
1.Sterrenbeeld
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het verschijnen van het sterrenbeeld stier aan de hemel
Een sterrenbeeld is een verzameling sterren die ogenschijnlijk een figuur vormt als men ze door
lijnen zou verbinden. De sterren van een sterrenbeeld lijken dichtbij elkaar te staan aan het
hemelgewelf in een herkenbare vorm. Sterrenbeelden krijgen de naam die de menselijke fantasie
heeft gegeven aan de vorm.
Reeds in de oude tijden herkende men bepaalde patronen aan de nachtelijke hemel waaraan men
macht toeschreef. Meestal bevinden zich een of meer heldere sterren in de figuur. De samenstand
is in de meeste gevallen slechts een schijnbare: het is vaak zo dat de ene ster veel verder weg
staat dan de andere.
Inhoud
[verbergen]




1 Naamgeving
2 Tekens van de dierenriem
3 Namen van sterren in sterrenbeelden
4 Zie ook
1
[bewerk]
Naamgeving
In de klassieke oudheid was er een lijst van sterrenbeelden die opgesteld was door Ptolemeus.
Veel van de sterrenbeelden die vanaf het noordelijk halfrond te zien zijn hebben nog steeds de
namen die hij gebruikte. Het enige sterrenbeeld van Ptolemeus dat 'vervallen' is is het Schip
Argo (Argo Navis). Omdat dit een onpraktisch groot stuk van de hemel beslaat is het opgedeeld
in vier kleinere beelden, t.w. Carina (Kiel), Puppis (Achtersteven), Pyxis (Kompas) en Vela
(Zeilen).
De sterrenbeelden die te zien zijn vanaf de landen van de klassieke oudheid hebben veelal namen
gekregen die afkomstig zijn uit de Griekse of Romeinse mythologie of van dieren. Vanaf de
breedte van de Middellandse Zee is echter niet de gehele hemel te zien. Naarmate de ontdekking
van de wereld en dus ook van de hemelkoepel vorderde zijn de nieuwe sterrenbeelden vaak
genoemd naar navigatiehulpmiddelen of andere zaken die toen "high-tech" waren, zoals het
slingeruurwerk en de microscoop.
De huidige indeling in sterrenbeelden is voornamelijk gebaseerd op de sterrenatlas die in 1603
werd uitgegeven door Johannes Bayer. Hierbij maakte hij al gebruik van gegevens die door
ontdekkingsreizigers zoals Cornelis de Houtman verzameld waren.
De Internationale Astronomische Unie (IAU) heeft rond 1930 de exacte begrenzingen en
aanduidingen van alle 88 sterrenbeelden vastgesteld. Hierbij is niet meer de vorm van het
sterrenbeeld bepalend maar het gebied aan de hemel. Op die manier kan het sterrenbeeld
gebruikt worden om objecten in dat gebied te benoemen.
[bewerk]
Tekens van de dierenriem
2
Sterrenkaart van de noordelijke sterrenhemel uit 1515
Twaalf van de bekendste sterrenbeelden zijn de tekens van de dierenriem of Zodiak: dit zijn 12
sterrenbeelden waardoor de zon schijnbaar beweegt gedurende het jaar, de ecliptica. De klassieke
verdeling van één sterrenbeeld per maand klopt niet helemaal, de zon staat niet even lang in alle
sterrenbeelden en er is een 13de sterrenbeeld Slangendrager (Ophiuchus) waar de ecliptica ook
doorheen loopt. Ook verschuift het lentepunt door de precessie met ongeveer één sterrenbeeld
(30°) per 2150 jaar, waardoor de tijdstippen dat de zon in een sterrenbeeld staat verschuiven. De
klassieke verdeling berekende het jaar met de aarde als middelpunt, de huidige verdeling van
twaalf maanden is van het zonnejaar.
[bewerk]
Namen van sterren in sterrenbeelden
Niet alle sterren hebben een unieke naam. Johannes Bayer heeft met zijn atlas ook de methode
geïntroduceerd om de sterren van een sterrenbeeld te noemen naar het sterrenbeeld waar ze in
staan, en ze naargelang hun helderheid of magnitude een Griekse letter mee te geven in volgorde
van het Grieks alfabet. Alpha is dan de helderste, beta de op één na helderste en zo verder. Zo is
b.v. alpha Ursa Majoris de ster Dubhe in de Grote Beer (Ursa Major) en beta Ursa Majoris de
ster Merak.
De volgorde klopt overigens niet altijd, de letters zijn toegekend in een tijd dat de helderheid van
een ster nog niet precies meetbaar was, en sommige sterren zijn veranderlijk van helderheid. In
bijvoorbeeld de Grote Beer is de ster epsilon Ursae Majoris (Alioth) nog net een fractie
helderder dan Dubhe (alpha), terwijl epsilon de vijfde letter van het Griekse alfabet is.
Later bleek overigens het aantal letters onvoldoende en zijn er verschillende andere systemen
verzonnen. John Flamsteed gebruikte nummers in plaats van Griekse letters, en latere
stercatalogi hebben meestal een nummersysteem dat onafhankelijk is van de sterrenbeelden.
3
2.
Dierenriem
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zodiak in een synagoge in Israël (6e eeuw)
De dierenriem of zodiak is een ongeveer 20 graden brede zone aan de hemelbol, waarbinnen de
schijnbare banen van de zon, de maan en de planeten verlopen.
De zon heeft altijd een voorname rol gespeeld bij veel oude beschavingen. En dan speciaal haar
veranderlijke positie ten opzichte van de sterren. Dat het de aarde was die telkens een andere
positie aannam, wist men nog niet.
Volgens oude astrologische tradities verdeelde men de weg die de zon aflegde (zoals later bleek:
de aarde) in twaalf parten of tekens met een lengte van 30 graden. De baan die de zon en de
planeten aan de hemel afleggen noemen we ook wel ecliptica. Als startpunt voor een eclips werd
de positie van de zon genomen aan het begin van de lente: het lentepunt. Dat lentepunt stond in
het sterrenbeeld Ram. Het jaar door beweegt de zon zich dan door alle tekens of sterrenbeelden
die voornamelijk levende wezens of dieren voorstellen. Omdat de tekens hoofdzakelijk dieren
zijn, werd de strook van sterrenbeelden 'dierenriem' of zodiak genoemd (uit het Grieks: zooion =
levend wezen of dier). Het enige niet-levende wezen uit de dierenriem, de Weegschaal, is pas in
4
latere tijden toegevoegd. Aanvankelijk werden de schalen van de Weegschaal gezien als de
klauwen van de Schorpioen.
De volgorde van de dierenriem is gemakkelijk te onthouden doordat er in het Nederlands
toevallig alfabetische reeksen te herkennen zijn: RST - KLM - W - SSS - WV. En de drie SSSsterrenbeelden staan ook nog in alfabetische volgorde: Schorpioen, Schutter, Steenbok.
De sterrentekens van de dierenriem
Naam
Astrologisch teken
Nederlandse naam
Vanaf
Aries
Ram
Ram
21 maart
Taurus
Stier
Stier
20 april
Gemini
Tweelingen
Tweelingen
21 mei
Cancer
Kreeft
Kreeft
21 juni
Leo
Leeuw
Leeuw
23 juli
Virgo
Maagd
Maagd
23 augustus
Libra
Weegschaal
Weegschaal
23 september
Scorpius*
Schorpioen
Schorpioen
23 oktober
Sagittarius
Boogschutter
Schutter
22 november
Capricornus
Steenbok
Steenbok
22 december
Aquarius
Waterman
Waterman
20 januari
Pisces
Vissen
Vissen
19 februari
*
In de astrologie ook vaak Scorpio genoemd.
[bewerk]
Relatie met de moderne astronomie
Ongeveer 2000 jaar geleden stond de zon vanaf ongeveer 21 maart inderdaad in het sterrenbeeld
Ram, maar door de precessie van de equinoxen schuift het lentepunt 30 graden per 2148 jaar op,
waardoor de zon op die datum thans in de Vissen staat. Binnenkort zal dat de Waterman zijn, en
dat is dan de aanvang van het tijdperk van de Waterman (the Age of Aquarius), volgens
sommige astrologen een belangrijk moment.
Toch houdt de astrologie vast aan de oorspronkelijke indeling, zodat de zon aan het begin van de
lente 'officieel' in de Ram staat. Merkwaardig is dat de periodes van de sterrenbeelden van deze
zogenaamde Westerse astrologie nagenoeg samenvallen (soms één dag verschillen) met de
Indiase kalender.
5
De sterrenbeelden zijn overigens niet allemaal even groot, terwijl de astrologie ervan uitgaat dat
ieder sterrenbeeld 30 graden van de dierenriem in beslag neemt. Officieel staat de zon dus
precies een maand in ieder sterrenbeeld, maar in werkelijkheid is dat meer of minder. Volgens de
moderne begrenzingen van de sterrenbeelden is er zelfs een sterrenbeeld, Slangendrager
(Ophiuchus), dat niet tot de dierenriem behoort, hoewel de ecliptica er wel doorheen loopt.
3.
Steenbokskeerkring
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De rode lijn geeft de steenbokskeerkring aan.
Tropic of Capricorn Monument, gelegen langs de Australische Stuart Highway net ten noorden
van Alice Springs.
De Steenbokskeerkring is een bijzondere parallel, een kleincirkel rond de aarde die op ongeveer
23½° Zuiderbreedte (exact: 23,439° of 23° 26′ 22″) ligt. De naam is afgeleid van het sterrenbeeld
Steenbok (Capricornus), het teken van de dierenriem dat ingaat op het moment dat de zon
loodrecht boven deze keerkring staat. De steenbokskeerkring wordt ook wel zuiderkeerkring
genoemd.
De steenbokskeerkring markeert de hoogste breedte op het zuidelijk halfrond waarop de zon
gedurende eenmaal per jaar schijnbaar recht boven het aardoppervlak staat. Dit gebeurt elk jaar
rond 21 december, en luidt het begin van de zomer in op het zuidelijk halfrond.
De Steenbokskeerkring loopt door de volgende landen:
6











Chili
Argentinië
Paraguay
Brazilië
Namibië
Botswana
Zuid-Afrika
Mozambique
Madagaskar
Australië
Frankrijk (Frans-Polynesië)
Kreeftskeerkring
4.
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De rode lijn geeft de kreeftskeerkring aan.
De Kreeftskeerkring is een bijzondere parallel, een kleincirkel rond de Aarde die op ongeveer
23½° Noorderbreedte (exact: 23,439°) ligt. De naam is afgeleid van het sterrenbeeld Kreeft
(Cancer), het teken van de Dierenriem dat ingaat op het moment dat de zon boven deze
keerkring staat. De Kreeftskeerkring wordt ook wel noorderkeerkring genoemd.
De Kreeftskeerkring markeert de noordelijkste breedtegraad waarop de zon eenmaal per jaar in
het zenit (loodrecht boven je) staat. Dit gebeurt tijdens de zonnewende, rond 21 juni, en luidt het
begin in van de zomer op het Noordelijk Halfrond.
De Kreeftskeerkring loopt door de volgende landen:








Mexico
Westelijke Sahara
Mauritanië
Mali
Algerije
Libië
Egypte
Saoedi-Arabië
7







Verenigde Arabische Emiraten
Oman
India
Bangladesh
Myanmar
China
Taiwan
Poolster
5.
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Poolster, Polaris, is de naam van de ster die dichtbij het verlengde van de aardas aan de
hemelpool ligt. Gedurende de nacht lijken alle sterren door de rotatie van de aarde in een baan
om de pool heen te draaien, de Poolster beweegt vrijwel niet zodat hij altijd op dezelfde plaats
aan de hemel te vinden is.
Algemeen duidt men met de term poolster een ster aan die zich in een van de hemelpolen
bevindt. Momenteel is de ster Polaris (alpha Ursae Minoris) poolster voor de noordelijke
hemelpool, de zuidelijke hemelpool heeft geen heldere ster die duidelijk poolster is. Het
Zuiderkruis (Crux) staat vrij ver van de hemelpool vandaan, maar dankt zijn naam aan de
opvallende kruisvorm waarvan de staande poot naar de zuidelijke hemelpool wijst.
baan van de noordelijke hemelpool tussen de sterren
8
baan van de zuidelijke hemelpool tussen de sterren
Door de precessie beschrijft de aardas in 25 770 jaar een grote (dubbele) kegel aan de hemel,
zodat zowel de noordelijke als de zuidelijke hemelpool in een cirkel bewegen. Hierdoor zullen in
de loop van deze periode verschillende sterren de rol van poolster vervullen.
Door Polaris wordt tegenwoordig vrij nauwkeurig de plaats van de noordelijke hemelpool
aangegeven: zij staat nu (Epoche 2000) op minder dan 1 graad van de pool, of anderhalf keer de
schijnbare diameter van de maan. De kortste afstand van de Poolster tot de noordelijke
hemelpool zal worden bereikt in 2102 (0° 27' 31,5" ofwel minder dan de diameter van de maan).
[bewerk]







Wega alpha Lyrae (ca. 12 000 v.Chr.)
Thuban alpha Draconis (ca. 2800 v.Chr.)
Kocab beta Ursae Minoris (ca. 1000 v.Chr.)
Polaris alpha Ursae Minoris (2100 n.Chr.)
gamma Cephei (ca. 4145 n.Chr.)
Adleramin alpha Cephei (ca. 7530 n.Chr.)
Wega alpha Lyrae (ca. 14 000 n.Chr.)
[bewerk]




Noordelijke poolsterren
Zuidelijke poolsterren
De zuidelijke hemelpool heeft momenteel geen ster die vergelijkbaar is met de Poolster.
omega Carinae (ca. 5770)
upsilon Carinae (ca. 6850)
Turais (iota Carinae, ca. 8075)
9

6.
delta Velorum (ca. 9240).
Lichtjaar
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een lichtjaar, symbool ly (lightyear), is een lengtemaat die wordt gebruikt in de astronomie. Een
lichtjaar is geen eenheid van tijd. Het is de afstand die licht aflegt in één jaar: ongeveer
9,46 × 1015 meter (9,46 petameter). Om precies te zijn is een lichtjaar gedefinieerd als de afstand
die een foton zou afleggen in vrije ruimte, oneindig ver weg van elk zwaartekrachtsveld en
magnetisch veld in één Juliaans jaar (365,25 dagen van elk 86.400 seconden). Omdat de
lichtsnelheid in vacuüm per definitie exact gelijk is aan 299.792.458 m/s is een lichtjaar exact
gelijk aan 9.460.730.472.580.800 m.[1]
Het lichtjaar wordt vaak gebruikt om de afstand tot sterren, sterrenstelsels en andere objecten in
het heelal aan te duiden. In de astronomie wordt voor zulke afstanden echter vaker de parsec
gebruikt, die gedefinieerd is als de afstand op welke een object een parallax van één
boogseconde genereert als het geobserveerde object zich één astronomische eenheid zou
verplaatsen loodrecht op de zichtlijn van de waarnemer. Een parsec is ongeveer gelijk aan 3,26
lichtjaar. De voorkeur wordt gegeven aan de parsec omdat deze gemakkelijker kan worden
afgeleid uit en vergeleken met gegevens uit observaties. Bij het algemene publiek buiten
wetenschappelijke kringen wordt de term lichtjaar echter vaker gebruikt.
Een lichtjaar is ook gelijk aan 63.241 astronomische eenheden (AE).
Eenheden gerelateerd aan het lichtjaar zijn de lichtminuut en lichtseconde, de afstand die het
licht aflegt in vacuüm in respectievelijk één minuut en één seconde. Een lichtminuut is gelijk aan
17.987.547.480 m. Omdat licht per seconde een afstand van 299.792.458 m aflegt, is een
lichtseconde gelijk aan 299.792.458 m.
[bewerk]




Enkele feiten
De afstand tussen de aarde en de maan is ongeveer 1,3 lichtseconde.
Het licht doet er 8 minuten en 20 seconden over om van de zon naar de aarde te reizen
(een afstand van 1,58 × 10-5 lichtjaar).
Het ruimtevaartuig dat het verst van ons verwijderd is, Voyager 1, was 13 lichtuur
(slechts 1,5 × 10-3 lichtjaar) van ons verwijderd in september 2004. De Voyager heeft er
27 jaar over gedaan om die afstand af te leggen.
De dichtstbijzijnde ster na onze zon, Proxima Centauri, is 4,22 lichtjaar van ons
verwijderd.
10



Het centrum van ons sterrenstelsel, de melkweg, is ongeveer 28.000 lichtjaar weg. De
diameter van de melkweg is ongeveer 100.000 lichtjaar.
Het dichtstbijzijnde grote cluster, het Virgocluster, is ongeveer 60 miljoen lichtjaar weg.
Het zichtbare deel van het heelal heeft een straal van ongeveer 46 miljard lichtjaar,
hoewel het licht van de rand van het zichtbare deel van het heelal 13,7 miljard jaar
geleden werd uitgezonden (de leeftijd van het heelal). De getallen verschillen omdat in de
loop van de tijd het heelal is uitgedijd.
7.
Magnitude
(grootteklasse)
Eenheid waarin de helderheid van hemellichamen wordt uitgedrukt. De magnitude-schaal (magnitudo
betekent 'grootte') werd al in de Oudheid opgesteld, waarbij de helderste sterren in de eerste
grootteklasse werden ingedeeld, en de zwakste sterren die nog net met het oog zichtbaar waren in de
zesde grootteklasse. Later is de magnitudeschaal opnieuw gedefinieerd, waarbij men heeft
afgesproken dat een verschil van vijf magnituden exact overeenkomt met een helderheidsverhouding
van 100; 驮 magnitude verschil komt dan overeen met een helderheidsverhouding van 2,512.
11
Opgave 1.5
Poolshoogte (term)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Poolshoogte is de hoogte van de hemelpool ten op zichte van de horizon. Deze hoogte is gelijk
aan de breedtegraad van de waarnemer. De poolshoogte kan worden bepaald aan de hand van de
poolster en wordt gemeten met een sextant. Het bepalen van de poolshoogte of het "nemen"
ervan, zoals de uitdrukking luidt is belangrijk geweest bij navigeren op plekken waar
herkenningspunten of bakens ontbreken zoals op volle zee.
In het gezegde ergens poolshoogte nemen, dat onderzoeken hoe de toestand op een bepaalde
plaats of in een bepaalde kwestie is, betekent, wordt de term overdrachtelijk gebruikt
12
Antwoorden
Opgave 1.1
hemelbol
hemelbol, de denkbeeldige bol waarop alle sterren en andere waarneembare hemellichamen van de
waarnemer uit worden geprojecteerd. De straal van deze bol is willekeurig groot; het middelpunt ervan is
het oog van de waarnemer. Voor een aardse waarnemer schijnt de hemelbol in 23 h56m om een as te
draaien (de hemelas of poolas), die de bol in twee punten snijdt (de hemelpolen). Van deze polen ligt de
noordelijke niet ver van de poolster.
planeet
planeet (v. Gr. planètès = zwervend, dwalend), hemellichaam dat zich in een bijna cirkelvormige baan
om de zon beweegt en dus tot ons zonnestelsel behoort. Een planeet zendt zelf geen licht uit, maar
weerkaatst een deel van het opvallende zonlicht. Met het blote oog waargenomen lijkt een planeet op een
ster, die niet of nauwelijks scintileerd (fonkelt of flikkert).
ster
ster [astronomie] gloeiend, gasvormig lichtuitstralend object met temperaturen en afmetingen
vergelijkbaar met die van de zon. Met het blote oog zijn 4000 à 5000 sterren zichtbaar; het totale aantal
sterren alleen al in het Melkwegstelsel wordt op 100 miljard getaxeerd.
geocentrisch heelal
4.1 Geocentrisch wereldbeeld
Dit beeld, dat door Claudius Ptolemaeus in zijn Grote samenvatting van de astronomie (bekend onder de
verbasterde Arabische naam Almagest) is beschreven en dat men daarom de naam van het stelsel van
Ptolemaeus geeft, steunt voornamelijk op beginselen die Aristoteles eeuwen tevoren had opgesteld de
‘natuurlijke’ plaats van de aarde is rustend in het centrum (geocentrisch wereldbeeld); de ‘volmaakte’
beweging van de hemellichamen is cirkelvormig; het heelal kan niet anders dan eindig zijn. Andere
opvattingen ontbraken niet de oude atomisten bijv. meenden dat de ruimte oneindig was en dat daarin
overal atomen voorkwamen. Zo zegt Lucretius in zijn De rerum natura ‘De ruimte is zonder eind of grens
en spreidt zich onmeetbaar uit in alle richtingen gelijkelijk.’ Verder ontwierp reeds Aristarchus van Samos
(ca. 250 v.C.), een eeuw later gevolgd door Seleucus van Babylon, een heliocentrisch systeem. (zon is
het middelpunt van het heelal)
eclips
eclips, verduistering van een hemellichaam, m.n. van zon en maan, doordat het licht onderschept wordt
door een ander hemellichaam.
zenit
zenit of schedelpunt, het punt aan de hemelbol dat precies verticaal boven de waarnemer is gelegen.
Het tegenovergestelde punt heet nadir.
nadir
zie zenith
horizon
horizon, ook wel horizont of gezichtseinder, de schijnbare grenslijn tussen hemel en aarde. Is het
13
uitzicht onbelemmerd, zoals op zee, dan is de horizon (kim) een cirkel met de waarnemer als middelpunt.
De straal van deze cirkel is groter naarmate de waarnemer zich hoger boven het aard- of zeeoppervlak
bevindt.
noordelijke en zuidelijke hemelpool
hemelpool, het denkbeeldige punt aan de hemel waar de sterren als gevolg van de aardrotatie omheen
lijken te draaien. In feite zijn er twee hemelpolen, de noordelijke (nabij de poolster) en de zuidelijke, beide
op het verlengde van de aardas. Als gevolg van de precessie van deze as verschuiven de hemelpolen in
de loop der jaren. De periode van de precessie bedraagt 26000 jaar.
hemelmeridiaan
meridiaan [astronomie] (v. Lat. meridianus = de middag betreffende) of hemelmeridiaan, een halve
grote cirkel op de hemelbol die beide hemelpolen verbindt, zie coördinaten [astronomie].
hemelequator
hemelequator of hemelevenaar, grote cirkel op de hemelbol die men verkrijgt wanneer men het vlak van
de (aardse) evenaar met de hemelbol laat snijden.
declinatie
coördinaten [astronomie]. Voor het bepalen van een punt aan de hemel kan men gebruik maken van
vijf coördinatenstelsels. Meestal wordt gebruik gemaakt van de declinatie en de rechte klimming. De
rechte klimming  wordt gemeten vanaf het lentepunt tegen de dagelijkse beweging van de sterren in en
uitgedrukt in uren, minuten en seconden, van 0 uur tot 24 uur. De declinatie  geeft de boogafstand tot
de hemelequator aan, gemeten van 0° tot +90° noordelijk van de hemelequator (noordelijke hemel
genoemd) en van 0° tot -90° zuidelijk van de hemelequator (zuidelijke hemel).
geografische breedte en lengte
breedte [aardrijkskunde], de dwarsafmeting van een object. Tevens verstaat men onder breedte een
14
van beide coördinaten waarmee de positie van een punt op een bol wordt vastgelegd (de andere is de
lengte). Deze breedte is de boogafstand waarop het bedoelde punt ligt ten noorden of ten zuiden van een
equator (evenaar) die men op de bol getrokken heeft. Onder de geografische lengte van een punt wordt
verstaan de boogafstand vanaf de nulmeridiaan in westelijke richting tot de meridiaan waarop het punt
ligt.
circumpolaire sterren
circumpolair, benaming voor hemelobjecten die altijd boven de horizon blijven en dus nooit ondergaan.
Voor deze objecten geldt dat hun afstand tot de hemelpool kleiner is dan de hoogte van de hemelpool
boven de horizon (die gelijk is aan de geografische breedte van de waarneemplaats). Voor een
waarnemer op de noordpool is de halve hemelbol circumpolair, voor iemand op de evenaar geen enkel
deel van de hemelbol.
astronomische eenheid (AE)
astronomische eenheid (symb. AE), astronomische lengtemaat de gemiddelde afstand van de aarde
tot de zon, in gebruik voor afstanden binnen ons zonnestelsel en de fundamentele eenheid waarop de
parsec, de afstandsmaat die buiten ons zonnestelsel gebruikt wordt, betrokken is. De AE is door de
International Astronomical Union vastgesteld op 149,597870 ×106 km.
ecliptica
ecliptica, de baan die de zon – van de aarde uit gezien – in de loop van een jaar tussen de sterren
beschrijft in feite een afspiegeling van de beweging van de aarde om de zon.
lentepunt
zie zomer / wintersolstitium.
herfstpunt
zie zomer / wintersolstitium.
zomer / wintersolstitium (zonnewendepunten)
De zon passeert tweemaal per jaar de hemelequator, nl. op 21 maart (lentepunt) en op 23 sept.
(herfstpunt). Dan zijn dag en nacht even lang; lentepunt en herfstpunt worden daarom
nachteveningspunten (equinoxen) genoemd. De twee punten op de ecliptica waar de zon zich het verst
ten noorden of ten zuiden van de equator bevindt, noemt men de zonnewendepunten of solstitiën. Dan
duurt de dag resp. de nacht het langst.
poolcirkel
poolcirkels, de beide breedtecirkels (noordpoolcirkel en zuidpoolcirkel) van de aarde op ca. 66 °33
breedte, waarvan de afstand tot de pool gelijk is aan de hellingshoek van de ecliptica (ca. 23 °27). De
langste dag van het jaar duurt hier juist een etmaal (zie poolnacht).
Sterrenbeeld
sterrenbeeld oorspronkelijk een formatie van sterren waarin men een figuur meende te kunnen zien;
tegenwoordig een nauwkeurig gedefinieerd gebied aan de hemel, met als functie het benoemen van
objecten in dat gebied. Op oude sterrenkaarten werden sterrenbeelden soms met veel fantasie als
voorstellingen ingetekend; thans volstaat men met verbindingslijnen tussen de meest opvallende sterren,
als een hulpmiddel om gedeelten van de hemel te herkennen.
Dierenriem of zodiak
dierenriem of zodiak (v. Laat-Gr. zooidiakos kuklos, v. zooidion = dier), gordel aan de hemel langs de
15
ecliptica, ter breedte van ca. 20°, waarin de zon, de maan en de planeten zich schijnbaar bewegen. De
dierenriem is verdeeld in twaalf vakken, elk 30° lang, beginnend bij het lentepunt (het punt dat de zon
omstreeks 21 maart passeert). De twaalf vakken vallen ongeveer samen met twaalf sterrenbeelden die
dieren of althans mythologische wezens representeren, vandaar de naam. (Het sterrenbeeld Weegschaal
past niet in de dierenfamilie; het is later toegevoegd.) Vele van deze sterrenbeelden zijn ontstaan bij de
eerste landbouwvolken, die bij het bepalen van zaaitijden e.d. een soort kalender nodig hadden. In
welhaast alle oude beschavingen vindt men een dierenriem, bestaande uit twaalf tekens.
Ten gevolge van de precessie verplaatst het lentepunt zich ten opzichte van de sterren ca. 1° in 70 jaar.
Sinds de tijd van de Assyrisch-Babylonische beschaving, toen aan de twaalf vakken van de dierenriem
twaalf sterrenbeelden met de corresponderende tekens werden toegevoegd, is het lentepunt ca. 40°
verschoven, nl. van de Ram tot de grens tussen Vissen en Waterman.
De tekens van de dierenriem spelen een belangrijke rol in de astrologie. Doordat de astrologen sedert het
ontstaan hiervan in Babylonië ca. 2800 jaar geleden nooit correctie voor precessie hebben toegepast, zijn
deze astrologische tekens thans één plaats opgeschoven ten opzichte van de werkelijke sterrenbeelden.
Steenbokskeerkring en
Kreeftkeerkring
keerkring, cirkel op de hemelbol en op de aardbol, evenwijdig aan de equator en op een afstand van 23°
27 daarvan. Op de twee keerkringen ligt een solstitium (keerpunt, zonnewende), waar de schijnbare
beweging van de zon op 21 juni (noordelijke keerkring of Kreeftskeerkring) en op 22 december
(zuidelijke keerkring of Steenbokskeerkring) van richting verandert.
Poolster
Poolster of Stella Polaris, de ster  Ursae Minoris, de helderste ster in het sterrenbeeld Kleine Beer
(schijnbare helderheid +2, 0). In feite is het een Cepheïdeveranderlijke met een periode van 4 dagen; de
helderheidsverandering wordt echter steeds geringer. De ster dankt haar naam aan het feit dat zij zich
vlak bij de noordelijke hemelpool bevindt; momenteel is de afstand slechts 1°. De Poolster neemt dan ook
een vrijwel vaste stand aan de hemel in, terwijl de andere sterren ten gevolge van de rotatie van de aarde
dagelijkse cirkelbanen om de Poolster beschrijven. De hoogte van de Poolster boven de horizon is (na
bepaalde correcties) gelijk aan de plaatselijke geografische breedte (zie poolshoogte). De Poolster is
gemakkelijk te vinden door de denkbeeldige verbindingslijn van de helderste twee sterren ( en ) van de
Grote Beer 5 maal te verlengen. Ten gevolge van precessie zal de hemelpool in het jaar 2102 minder
dan 28 boogminuten van de Poolster verwijderd zijn; daarna wordt de afstand echter weer groter.
Duizend jaar voor de christelijke jaartelling was de ster Kochab ( Ursae Minoris), de tweede ster in
helderheid van de Kleine Beer, het dichtst bij de noordelijke hemelpool, en dus poolster. Een oude
Arabische naam voor deze ster was dan ook ‘de trouwe’; zij gold als een symbool van standvastigheid.
De Griekse astronoom Pytheas van Massalia ontdekte in 320 v.C. dat de toenmalige poolster niet precies
in de hemelpool stond en dit maakte een einde aan het tot dan geldende idee dat de hemelpool absoluut
vast lag.
Lichtjaar
lichtjaar, astronomische lengte-eenheid gelijk aan de afstand die het licht in één jaar aflegt,
overeenkomend met 9461 miljard km en met 0,3068 parsec, ofwel 63240 maal de afstand aarde–zon.
Grootte-klasse of magnitude
helderheid [astronomie], een maat voor de straling van een hemellichaam, uitgedrukt in grootte of
magnitude. De schijnbare helderheid (symbool m) van bijv. een ster correspondeert met de fractie van
haar straling die per seconde door een eenheidsoppervlak op aarde kan worden opgevangen. De
absolute helderheid (symbool M) van een ster is de schijnbare helderheid die zij zou aannemen voor een
waarnemer op een afstand van 10 parsec wanneer het licht op generlei wijze zou worden onderschept.
16
Antwoorden.
OPMERKING: in de syllabus zijn de nummers 1.5 en 1.6 overgeslagen.
Opgave 1.2

Hoe heeft Eratosthenes de omtrek van de aarde bepaald?
Hij heeft dit bepaald aan het verschil van schaduwlengte op verschillende breedte graden maar op dezelfde
tijdstippen van de dag en het seizoen en op dezelfde lengtegraad.
Opgave 1.3

Wat is de declinatie van de sterren die op onze breedtegraad circumpolair zijn?
declinatie is:  380

Hoe groot is de declinatie van het Zenit op onze breedte?
Deze staat 520 af van de hemelequator (=declinatie)
Opgave 1.4

Hoe groot is de declinatie van de zon in de zonnewendepunten?
respectievelijk 23,5 0 en  23,5 0
Het zomerwendepunt ligt in Tweelingen en het winterwendepunt in Waterman.

Waarom spreken we dan toch over Kreeftskeerkring en Steenbokskeerkring?
Omdat de zon dan respectievelijk loodrecht boven de kreeftskeerkring en steenbokskeerkring staat.
Het verschijnen van bepaalde sterren blijkt seizoensgebonden te zijn.

Hoe komt dat?
Alle sterren die niet circumpolair zijn, zijn seizoensgebonden. In een bepaald jaargetijde kijken we s’nachts in
een bepaalde richting; diezelfde richting is een half jaar later overdag waardoor we die sterren in die richting niet
zien.
17

Waar aan de horizon komt de zon in de loop van het jaar op?
21 december : Z.O.
21 maart : O
21 juni : NO
21 september : O

Bepaal de maximale zonshoogte als hij in het zomerwendepunt staat.
op 21 juni 380+23,50 = 61,50 (boven zuidelijke horizon)

Idem als hij in het winterwendepunt staat.
op 21 december 380 – 23,50 = 14,50 (boven zuidelijke horizon)
Opgave 1.7

Hoe kun je de poolster op een heldere avond het makkelijkst vinden?
Zoek ongeveer in het noorden het sterrenbeeld de grote beer op. Verleng de 2 achterste sterren van het
"steelpannetje" ongeveer 5x en dan kom je uit bij de poolster. (op ca 520 boven de horizon) (Zie plaat)
18

Op welke hoogte staat de poolster op onze breedte boven de horizon?
op 520 boven de noordelijke horizon (declinatie is 900)

Waar komt de uitdrukking vandaan: "Poolshoogte nemen"?
Voor de plaatsbepaling werd vroeger met behulp van een sextant de hoogte van de poolster gemeten.
Met behulp van deze waarde kon nagegaan worden op welke breedte graad men zich bevond.
19
Opgave 1.8

Breken de lichtsterkteverhoudina van de ster Sirius en de Poolster.
In appendix 5 vind je de magnitudes van deze sterren.
Magnitude van Sirius is  1,46 Magnitude van Polaris is 2,02
Verschil is 2,02  ( 1,46)=3,48 magnitudes. Elke magnitude een factor van 2,512.
Verschil schijnbare helderheid tussen Sirius en Poolster is 2,5123,48 = 24,66
Sirius is dus ca 25 x helderder dan polaris..

Waar staat Sirius op de foto op pagina 15?
aangegeven met rode pijl

Welke sterren op deze foto vormen het sterrenbeeld Orion?
aangegeven met lichtblauwe lijntjes.

Welke ster is Rigel en welke Betelgeuse?
aangegeven met rode pijl
20
Antwoorden
Opgave 1.9

Waar bevindt
zich de horizon
op de foto op
pagina 19?
Horizon is de ronde omtrek
van de foto.

Waar onder de
horizon staat de
zon?
Schuin links onder (zie
rode pijl)
Opgave 1.10
Bekijk de tekening op pagina 7.

Waarom mag je de Aarde in deze tekening als een punt beschouwen?
Omdat je de hemelbol als oneindig ver mag beschouwen

Teken de dagelijkse baan van de Zon in deze tekening voor de dag van
vandaag.
Dag vandaag is 1 maart.
De baan van de zon ligt evenwijdig en vlak onder de hemelequator.
Op 21 juni  = + 23,50; op 21 dec  =  23,50 ; dus in 6 maanden 470 verschuiving. (= in 26
weken)
Per week dus een verschuiving van  = 1,8 0
op 1 maart is de  ca 3 x  1,80 = ca  5,40
(ongeveer de gele lijn op de tekening).
21
22
Opgave 1.11

Maak een
schatting van de
belichtingstijd van
de bovenste foto
op pagina 8.
De strepen die de sterren
hebben getrokken zijn ca
1/3 van een kwart van een
cirkel lang
hele cirkel = 3600 = 24 uur
kwart cirkel = 900 = 6 uur
1/3 hiervan is ca 2 uur
Dus de belichtingstijd is een
kleine 2 uur.

Waar ligt de
hemelnoordpool
voor een
waarnemer op de
evenaar?
Op de horizon.
Opgave 1.12

Bepaal met het plaatje op pagina 10 de maximale hoogte van de zon
boven de horizon op onze breedte.
De hemel equator maakt op onze breedte een hoek van 380 met de horizon (900
520)
De ecliptica maakt een hoek van 23,50 met de hemelequator.
Als de zon in het zomersolstitium staat dan is de declinatie  = +23,50; hierbij
opgeteld de hoek van de ecliptica met de horizon geeft 23,5 + 38 = 61,50.
23

Beschrijf de dagelijkse beweging van de zon aan de hemel op 21 juni
als je
a. in Utrecht staat
De zon komt op in het noordoosten' bereikt een grootste hoogte boven de
horizon van 61,50 en gaat onder in het noordwesten.
b. op de noordpool bent
De zon draait rondjes boven de horizon op een hoogte van 23,50.
c. op de evenaar staat
De zon komt op iets noordelijk van het oosten, en bereikt z'n grootste
hoogte in het noorden op 66,50 , en gaat onder iets noordelijk van het
westen.
24
Opgave 1.13
Op het zuidelijk halfrond staat de zon 21 december 's middags omstreeks 12
uur in het zenit.

Hoe hoog staat hij dan voor een waarnemer (op dezelfde meridiaan)
op de kreeftskeerkring boven de horizon?
Op 21 december staat de zon loodrecht boven de steenbokskeerkring.
Voor iemand die dan op dezelfde meridiaan staat op de kreeftskeerkring staat de
zon
900 (2 x 23,50) = 900  470 = 430 hoog in het zuiden ten opzichte van de horizon.
25
Opgave 1.14
Hartje zomer staat de volle maan veel lager in het zuiden dan hartje winter.

Leg dit uit aan de hand van het plaatje op pagina 10.
De maan beweegt zich in het vlak van de aardbaan (ecliptica vlak).
Midden in de zomer staat de maan evenals de zon hoog aan de hemel als de maan
bij de zon in de buurt staat (nieuwe maan).
Als we 's nachts echter de andere kant opkijken en het is volle maan dan zal de
maan langs de ecliptica
zijn bewogen naar het zuiden (De zon staat dan in het noorden ca 23,50 onder de
horizon)
De maan zal dan in het zuiden op ca 23,50 boven de horizon staan. (in de winter is
het precies andersom)
zie plaatje.
26
Opgave 1.15

Bepaal de geografische breedte van de poolcirkel met behulp van het
plaatje op pagina 11.
Van de noordpool tot de rand van de schaduw op de linker aardbol (in de winter) is
23,50.
De geografische breedte van de poolcirkel is 900  23,50 = 66,50 noorderbreedte
Opgave 1.16

Geef globaal de richting aan van het noorden, oosten, zuiden en
westen op de foto op pagina 12 en 13 . (niet afgebeeld; zie voor foto
boek: Sterren)
Waar de zon het laagst staat (ongeveer in het midden) is het noorden op de foto.
Het zuiden is dan achter de maker van de foto.
Links is het westen en rechts het oosten. De kijkhoek (of brandpuntsafstand van
het gebruikte objectief) is niet bekend van de foto dus veel nauwkeuriger kan het
niet aangegeven worden.
Aardig zou ook geweest zijn als er bij had gestaan met welke tussentijd de
verschillende belichtingen gedaan waren.
27
Opdracht 1.
De beweging van de planeten aan de hemel.
De beweging van de zon, maan en planeten t.o.v. de sterren is in oostelijke richting.
De beweging van de planeten is moeilijker te zien dan die van de maan omdat hun schijnbare snelheid
aan de hemel veel lager is omdat ze veel verder wegstaan.
tijdstip 10 februari 1999 om 19:00 uur in het westen.
zie onderstaande tekening. (print van de Sky)
28
Verder zijn op de tekening nog te vinden Saturnus en Venus. (zelfde tijdstip)
Plattegrond deel zonnestelsel met als middelpunt de aarde (opdracht a t/m d)
nederlandse naam
latijnse naam
 (h)

Ram
Aries
3
+20
Stier
Taurus
5
+20
29
Tweelingen
Gemini
7
+20
Kreeft
Cancer
8,5
+15
Leeuw
Leo
11
+15
Maagd
Virgo
13
0
Weegschaal
Libra
15
 15
Schorpioen
Scorpus
17
 30
Boogschutter
Sagittarius
19
 25
Steenbok
Capricornus
21
 20
Waterman
Aquarius
22
 10
Vissen
Pisces
1
+10
30
Constructie van de planeetbanen met de zon als middelpunt en de banen van venus, aarde en jupiter.
(zie tekening hieronder)
(vraag e t/m g)
Bij vraag g heb ik de posities opgegeven van februari 2001 en van 10 augustus 1999
De posities opgezocht met het programma "the Sky"
Dan de aarde zo plaatsen dat de zon in het goede sterrenbeeld staat; vervolgens de planeten jupiter en
31
Venus hun plaats geven. De plaats van de sterrenbeelden is afgeleid van de vorige tekening.
Positie februari 2001.
Positie augustus 2001
Positie 10 augustus 1999
32
Als je op een heldere nacht buiten bent, ver van de bebouwing, lijkt het alsof je in het
middelpunt staat van de hemelbol. Op de bol zitten de hemellichamen.
De bol roteert om de aardas (zie pagina 7).
De Zon, Maan en planeten bewegen t.o.v. de sterren.

In welke richting doen ze dat. (Pas op!)?
De schijnbare diameter van de zon en de maan is ongeveer een halve graad.
In een dag verplaatst de maan zich over ongeveer 24 diameters aan de hemel. En dat
is goed waarneembaar! De beweging van de planeten tussen de sterren is veel
moeilijker waar te nemen.

Hoe komt dat?
Dat de zon beweegt t.o.v. de sterren is natuurlijk overdag niet zichtbaar.
Door de zonsbeweging zien we in de winter andere sterrenbeelden dan in de zomer.
Vanaf de aarde gezien doet de zon er 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 46 seconden
over om éénmaal rond te gaan langs alle tekens van de dierenriem
Eén jaar duurt 365 dagen. Per jaar kom je dus een kwart dag te kort. Als je hier niets
aan doet wordt het verschil steeds groter en na verloop van tijd vier je het Kerstfeest in
de zomer.
Dat is de reden dat we een schrikkeljaar hebben ingevoerd. Om de vier jaar heeft
februari 29 dagen i.p.v. 28 met uitzondering van de eeuwgetallen die niet deelbaar zijn
door 400. Dus 1900 was geen schrikkeljaar maar 2000 was dat wel.
De dierenriem speelt een grote rol in de sterrenwichelarij. Dit bijgeloof is vermoedelijk in
Mesopotamië ontstaan, meer dan duizend jaar voor het begin van onze jaartelling. Het
belangrijkste uitgangspunt is de geboortedatum. Iemand die bijvoorbeeld tussen 21 april
en 21 mei geboren is is een Stier. In de tijd van de Babyloniërs stond de zon in die
periode ook in het sterrenbeeld Stier, maar in onze tijd is dat anders. De zon staat dan
in het sterrenbeeld Ram!
Ook nu nog is het maken van een horoscoop een stukje sterrenkunde. Een horoscoop
is een kaart waarop de positie van de planeten staat aangegeven, op het ogenblik van
je geboorte. Het duiden van een horoscoop is een ingewikkelde zaak. De invloed van
de planeten is zo complex en er zijn zoveel regels dat er altijd wel iets van klopt.
Statistisch onderzoek van horoscopen van tienduizenden personen heeft aangetoond
dat er geen verband bestaat tussen geboortedatum en een specifieke begaafdheid.
Heel lezenswaardig is paragraaf 1.3 van René van Helden, uit het ANW-leerboek voor
HAVO en VWO "Synthese". Zie bijlage 1.1 syllabus.
Op 10 februari 1999 was Jupiter te zien boven de westelijke horizon.
33


Ga dat na met het Sky-programma. De begeleider zal het demonstreren
Welke ander planeten kun je omstreeks dat tijdstip waarnemen? Raadpleeg ook
de sterrengids. Deze ligt ter inzage op de hogeschool.
Nu ga je een plattegrond maken van een deel van het zonnestelsel. Hiermee kun je
bepalen waar de betreffende planeten op 10 augustus 1999 aan de hemel stonden.
a. Construeer op een vel wit papier (A4) een zo groot mogelijke cirkel. De aarde
valt samen met het middelpunt. Het tekenvel is dus het eclipticavlak, en de cirkel
is een denkbeeldige lijn aan de hemel die we de ecliptica noemen. Verdeel de
cirkel in 12 gelijke delen en zet er de namen van de dierenriemtekens bij. Hoe
doe je dat, tegen de klok in of met de klok mee? Ga in gedachten "op de aarde"
in je tekening staan.
b. Teken waar Jupiter omstreeks 10 februari 1999 in de dierenriem staat.
c. In welk sterrenbeeld staat de Zon?
d. Geef ook de plaats van Venus in de dierenriem aan.
e. Je weet nu in welke richting de Zon, de maan, Jupiter en Venus staan. Met deze
kennis kun je op schaal het planetenstelsel construeren. De plaats van de aarde
heb je al. Je weet in welke richting de zon staat. Neem nu voor 1 astronomische
eenheid een afstand van 1 cm. Hiermee kun je de positie van de zon tekenen.
Construeer nu de banen van de Aarde, Jupiter en Venus. Neem aan dat het
cirkels zijn. Teken de positie van deze planeten.
f. Je gaat nu onderzoeken waar deze hemellichamen een half jaar later staan. Je
moet dan wel weten hoe ze in hun baan om de zon bewegen. Ga dit na met het
Sky-programma of met het leerboek.
g. Construeer nu de positie van de bovengenoemde hemellichamen voor 10
augustus 1999.
34
Download