arbeidsrecht nu en straks

advertisement
HR UPDATE 2014/2015
ARBEIDSRECHT
NU EN STRAKS
NIEUWE ARBEIDSRECHTELIJKE WET- EN REGELGEVING
Versie 4: november 2014
2
Leeswijzer
Adecco Group Nederland stelt zich ten doel u als kennispartner nauwgezet te
informeren over relevante ontwikkelingen in de wereld van werk. Hiertoe geven we
met ingang van 2014 periodiek HR Updates uit. Deze White Papers geven tekst en uitleg
over actuele en relevante wet- en regelgeving die van invloed kan zijn op beslissingen
in relatie tot de organisatie van arbeid.
Zo gaat deze inmiddels vierde uitgave van de “HR Update 2014/2015” dieper in op
aanstaande veranderingen in de flexwetgeving, het ontslagrecht, wijzigingen in de
ABU CAO voor Uitzendkrachten voor wat betreft de beloningsregeling en op de nieuwe
Ziektewet die per 1 januari 2014 van kracht is geworden. Al deze ontwikkelingen
kunnen in meer of mindere mate een impact hebben op bedrijven voor wat betreft de
organisatie, inzet en benutbaarheid van ‘arbeid’. Alle beschreven veranderingen zijn
inmiddels definitief.
Op 18 februari 2014 is het wetsvoorstel Werk en Zekerheid (na enkele laatste
aanpassingen) aangenomen door de Tweede Kamer. Een belangrijke stap richting
het definitief maken van de voorgenomen wettelijke wijzigingen. Daarna heeft ook
de Eerste Kamer een oordeel geveld en zijn de voorgenomen wettelijke wijzigingen
omgezet naar definitieve nieuwe wet- en regelgeving.
De wijzigingen in de ABU CAO voor Uitzendkrachten zijn het resultaat van een CAO
akkoord dat op 30 september 2014 is bereikt. Ook hier is dus sprake van definitief
aangepaste dan wel nieuwe regelingen in de ABU CAO voor Uitzendkrachten.
Aan de geboden informatie kunnen geen rechten worden ontleend. Wel biedt de
informatie inzicht in de nieuwe contouren die (zullen gaan) gelden voor en bij de
organisatie en inzet van arbeid (waaronder uw eigen medewerkers maar ook extern
ingehuurde medewerkers).
Gezien de ambities van de huidige regeringscoalitie met betrekking tot arbeidsmarkthervormingen en de specifieke aandacht daarbij voor tijdelijke arbeid, blijven wij u de
komende tijd vanuit onze expertise met HR Updates op de hoogte houden.
3
4
Inhoudsopgave
•Voorwoord
Patrick Bakker, CEO Adecco Group Nederland
6
1.
Flexwetgeving – nu en straks
1.1 De ketenregeling 1.2 De terugvalregeling 1.3 Uitzendbeding 1.4 Aanzegplicht 1.5 Ragetlieregel 1.6 Proeftijd 1.7 Non-concurrentiebeding 1.8 Scholingsplicht 1.9 Opvolgend werkgeverschap
9
9
11
11
12
12
13
13
14
14
2.
Ontslagrecht – nu en straks
2.1 Ontslagrouting 2.2 Vaststellingsovereenkomst 2.3 Ontslag bij AOW-gerechtigde leeftijd 2.4 Opzegtermijn 2.5 Hoger beroep en cassatie 2.6 Transitievergoeding 2.7 Billijke vergoeding 17
17
18
18
19
19
20
21
3. De nieuwe Ziektewet per 1 januari 2014
23
4. Beloningsregeling ABU CAO voor Uitzendkrachten – nu en straks 4.1Inlenersbeloning
25
25
•
Over Adecco Group Nederland
29
•
Overzicht veranderende wet- en regelgeving
30
5
Volgens de regels
De flexibilisering van de arbeidsmarkt zet in hoog tempo door. Het aantal mensen
met een tijdelijke arbeidsovereenkomst groeit snel. Vooral werkende jongeren
worden ingezet op basis van flexmodellen. Volgens berekeningen van het CBS steeg
tussen 2002 en 2012 het aantal werkende jongeren tot 27 jaar met een tijdelijke
arbeidsovereenkomst van 24% naar 40%. 4 op de 10 jongeren zijn dus “flexwerkers”,
rechtstreeks bij bedrijven of via uitzend- of detacheringsorganisaties. Alles wijst erop
dat deze trend blijft doorzetten. Trendwatcher Adjiedj Bakas, met wie wij het afgelopen
jaar een serie netwerksessies hebben georganiseerd voor onze relaties, schenkt in
ons laatst verschenen trendboekje veel aandacht aan het begrip Flexicurity. Deze uit
Denemarken overgewaaide mix van ogenschijnlijke tegengestelde waarden geeft
het toekomstperspectief goed aan: verdere flexibilisering van werk in combinatie met
voldoende zekerheden en rechtsbescherming voor “flexwerkers”.
In Nederland zijn we die weg al in 1996 ingeslagen. In de geest van de Wet
Flexibiliteit en Zekerheid is onze branchevertegenwoordiger, de Algemene Bond
Uitzendondernemingen (ABU), in een vroeg stadium met de vakbonden om de
tafel gaan zitten om tot algemeen geldende afspraken te komen. Er kon snel een
convenant worden gesloten. In 1999 werd met de eerste ABU CAO voor Uitzendkrachten
een mijlpaal bereikt. De ketenregeling deed zijn intrede, een regeling waaraan
uitzendkrachten belangrijke rechten ontlenen. Ook werden afspraken gemaakt over
pensioen en scholing. Als ABU-lid van het eerste uur heeft Adecco de afspraken altijd
van harte ondertekend.
In totaal zetten iedere dag opnieuw duizenden uitzendkrachten en professionals
zich namens onze organisatie bij onze opdrachtgevers in. Wij nemen onze
verantwoordelijkheid voor al deze mensen zeer serieus. Het gaat in de tijd waarin we
leven niet langer om ‘vast werk’, het gaat om werkzekerheid en blijvende inzetbaarheid.
Daar horen nieuwe maatschappelijke pijlers bij.
Wet- en regelgeving is dynamisch. Met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid en de eerste
ABU CAO voor Uitzendkrachten zijn nieuwe, noodzakelijke normen neergezet voor hoe
we als bedrijfsleven en maatschappij willen omgaan met flexibele arbeid.
6
Voortschrijdend inzicht levert altijd veranderingen, verfijningen en soms aanscherpingen
op in bestaande afspraken. Zoals nu. Met de nieuwe wet- en regelgeving wordt de
arbeidsmarkt in zekere zin hervormd. De flexwetgeving wordt aangepast, het ontslagrecht
verandert, de Ziektewet is al aangepast, met verstrekkende gevolgen als uw organisatie
medewerkers op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst in dienst neemt. Eén ding
is duidelijk: ‘zelf doen’ wordt gecompliceerder. De mogelijkheden om opvolgende tijdelijke
arbeidsovereenkomsten aan te gaan, worden aan banden gelegd.
De modernisering van de Ziektewet brengt zelfs serieuze kostenrisico’s met zich mee rond
werknemers die ziek zijn terwijl hun tijdelijke arbeidsovereenkomst afloopt, of kort nadien
alsnog ziek worden.
Flexibiliteit is een kernvoorwaarde om in de ‘nieuwe economie’ en bij constant
veranderende marktomstandigheden het verschil te blijven maken. De werkelijkheid van
toenemend flexwerk betekent dat zekerheden en rechtsbescherming goed geregeld
moeten zijn en dat wet- en regelgeving zorgvuldig moet worden nageleefd.
Om dat te kunnen, is het onvermijdelijk die wet- en regelgeving goed te kennen en te
interpreteren. Voor ons is dit onderdeel van ons dagelijkse werk. Onze kennis delen
we graag met u, onder meer via deze HR Update 2014/2015, waarvan er indien van
toepassing meer zullen volgen. U vindt de meest in het oog springende veranderingen
beschreven en geschematiseerd. Heeft u vragen, vertrouw dan op de kennis van uw
contactpersoon. Wilt u zorgeloos ondernemen met maximale inzet van uitzendkrachten
en professionals, met 100% garantie op naleving van de steeds veranderende weten regelgeving en zonder verrassingen achteraf, vertrouw dan op de expertise en
betrokkenheid van Adecco Group Nederland. Vanuit de internationale kernwaarden van
de wereldwijde Adecco Group – Entrepreneurship, Passion, Customer Focus, Team Spirit
en Responsibility – dragen wij met flexoplossingen op maat bij aan het succes van uw
bedrijf of organisatie.
Patrick Bakker
CEO Adecco Group Nederland
7
8
1. F lexwetgeving nu en straks
In 1999 is de Wet Flexibiliteit en Zekerheid ingevoerd, ook wel bekend als de Flexwet.
Het doel was tweeledig. De wet moest werkgevers meer ruimte geven om gebruik
te maken van flexibele arbeidskrachten en voor die arbeidskrachten een betere
rechtspositie garanderen. In de Flexwet zijn zaken vastgelegd als verplichte loondoorbetaling, proeftijd en de overgang naar een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd via de ketenregeling. Intussen flexibiliseert de arbeidsmarkt steeds
verder. Om deze reden wil de regeringscoalitie een aantal wijzigingen doorvoeren
in de flexwetgeving. Hiertoe zijn in april 2013 afspraken gemaakt in het Sociaal
Akkoord. In het Najaarsakkoord van oktober 2013 zijn deze bekrachtigd. De hierna
beschreven veranderingen hadden de status van een wetsvoorstel, ingediend op
29 november 2013. De Tweede Kamer heeft, met een aantal aanpassingen, het wetsvoorstel met ruime meerderheid aangenomen. De wet is ook door de Eerste Kamer
aangenomen (juni 2014). Deze nieuwe wet wordt gefaseerd ingevoerd: o.a. de ketenregeling en de terugvalregeling (en het opvolgend werkgeverschap) zullen ingaan per
1 juli 2015 (één jaar later dan verwacht) en de overige onderwerpen per 1 januari 2015.
In dit hoofdstuk zijn de voornaamste wijzigingen in kaart gebracht.
1.1 De ketenregeling per 1 juli 2015
NU
Er mogen maximaal 3 arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden aangegaan
binnen een periode van maximaal 3 jaar.
STRAKS
Er mogen nog steeds maximaal 3 arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden
aangegaan, maar de periode waarin dit is toegestaan wordt beperkt tot maximaal
2 jaar. Deze aangepaste ketenregeling geldt niet voor werknemers tot 18 jaar die een
gemiddelde arbeidsduur hebben van niet meer dan 12 uur per week.
In de nieuwe ketenregeling blijft het mogelijk om één langdurige arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd aan te gaan, dat wil zeggen voor een duur langer dan 2 jaar. In dat
geval is namelijk geen sprake van ‘elkaar opvolgende’ arbeidsovereenkomsten en is de
ketenregeling niet van toepassing.
De ketenregeling binnen een CAO
In CAO verband mag een afwijkende (ruimere) ketenregeling worden afgesproken.
Er wordt echter wel een begrenzing gesteld aan zowel het aantal tijdelijke arbeidsovereenkomsten als de maximale duur van de periode waarin deze tijdelijke
arbeidsovereenkomsten elkaar opvolgen. Binnen een CAO kan de ketenregeling
worden opgerekt tot maximaal 6 arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in een
periode van maximaal 4 jaar. Om binnen een CAO te kunnen afwijken van de wettelijke
ketenregeling, gelden de volgende voorwaarden:
9
1. Het betreft een uitzendovereenkomst;
of
2. Verruiming van de wettelijke ketenregeling is vereist
in verband met de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering.
De ketenregeling en de ABU CAO voor Uitzendkrachten
Ten aanzien van een uitzendovereenkomst is het toegestaan om bij CAO af te wijken
van de wettelijke ketenregeling. Hierdoor is het mogelijk om in de ABU CAO voor
Uitzendkrachten een van de wet afwijkende ketenregeling overeen te komen. Hierbij
dient wel rekening te worden gehouden met de wettelijk vastgestelde begrenzing
van maximaal 6 arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd binnen een periode van
maximaal 4 jaar. Dit gaat consequenties hebben voor fase B, waarin volgens de huidige
regeling maximaal 8 arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd binnen maximaal
2 jaar zijn toegestaan. In het CAO akkoord is afgesproken dat fase B per 1 juli 2015
wordt aangepast. Per 1 juli 2015 zijn in fase B maximaal 6 arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd mogelijk in een periode van maximaal 4 jaar. Het maximaal aantal
arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in fase B wordt dus teruggebracht van 8
naar 6, maar de maximale periode waarbinnen deze arbeidsovereenkomsten voor
bepaalde tijd kunnen worden aangegaan, wordt verruimd van 2 jaar naar 4 jaar.
Dit betekent dat het binnen de ABU CAO voor Uitzendkrachten mogelijk is voor de
uitzendonderneming om in een periode van in totaal maximaal 5,5 jaar (fase A: 78
weken en fase B: 4 jaar) op tijdelijke basis arbeidsovereenkomsten met uitzendkrachten
aan te gaan. Een opvallend verschil met de maximale wettelijke periode (2 jaar).
Overgangsregeling
De wetgeving voorziet in speciale overgangsregelingen:
-Overgangsregeling 1: De nieuwe wettelijke ketenregeling geldt wanneer
een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangegaan per (of na)
1 juli 2015 en die arbeidsovereenkomst binnen 6 maanden volgt op een
eerdere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Dat betekent dat op een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die is aangegaan vóór 1 juli 2015, de ‘oude’
wettelijke ketenregeling (“3 in 3”) van toepassing is en blijft zolang die betreffende
arbeidsovereenkomst duurt.
-Overgangsregeling 2: De nieuwe fase B regeling geldt wanneer in fase B een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangegaan per (of na) 1 juli
2015 en die arbeidsovereenkomst binnen 6 maanden volgt op een eerdere
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Dat betekent dat op een in fase B
afgesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die is aangegaan vóór 1 juli
2015, de ‘oude’ fase B regeling (“8 in 2”) van toepassing is en blijft zolang die
betreffende arbeidsovereenkomst duurt.
-Overgangsregeling 3: Om lopende CAO’s waarin een van de wet afwijkende
ketenregeling is opgenomen aangepast te krijgen naar de nieuwe wettelijke
regeling (maximaal 3 arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd binnen een
periode van maximaal 2 jaar, eventueel als daar een legitieme grondslag voor is
opgerekt tot maximaal 6 arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd binnen een
periode van maximaal 4 jaar), geldt een uitloopperiode tot maximaal 1 juli 2016.
10
1.2 De terugvalregeling per 1 juli 2015
NU
De telling voor de ketenregeling (zowel ten aanzien van het aantal arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd als voor de maximale duur) begint opnieuw na een onderbreking van
langer dan 3 maanden.
STRAKS
Bij wet: de telling voor de ketenregeling begint opnieuw na een onderbreking van
langer dan 6 maanden.
Bij CAO: er mag niet (meer) bij CAO worden afgeweken van de wettelijke
terugvalregeling. De bij wet vastgelegde terugvalregeling van 6 maanden geldt dus
onder alle omstandigheden.
Dit betekent dat de wettelijke terugvalregeling ook verankerd wordt in de ABU CAO voor
Uitzendkrachten: per 1 juli 2015 geldt binnen het fasesysteem van de ABU CAO voor
Uitzendkrachten alleen nog maar een terugvalmogelijkheid van 26 weken. Dit ziet er als
volgt uit:
Fase A: onderbreking > 26 weken  terugval naar begin fase A
Fase B: onderbreking > 26 weken  terugval naar begin fase A
Fase C: onderbreking < 26 weken  terugval naar fase C
Fase C: onderbreking > 26 weken  terugval naar begin fase A
Overgangsregeling
Om lopende CAO’s waarin een van de wet afwijkende terugvalregeling is opgenomen
aangepast te krijgen naar de nieuwe wettelijke terugvalregeling, geldt een
uitloopperiode tot maximaal 1 juli 2016.
1.3 Uitzendbeding
per 1 januari 2015
NU
Op grond van de wet mag er gedurende 26 weken een uitzendbeding in de
uitzendovereenkomst worden opgenomen. Bij CAO kan deze periode van 26 weken
(nog) onbeperkt worden verruimd.
STRAKS
Bij wet: de wettelijk toegestane termijn om in een uitzendovereenkomst het
uitzendbeding op te nemen blijft 26 weken. Aan de mogelijkheid om deze periode bij
CAO te verruimen, wordt een grens gesteld van maximaal 78 weken.
Bij ABU CAO voor Uitzendkrachten: voor fase A binnen de ABU CAO voor
Uitzendkrachten geldt al het maximum van 78 weken. Deze CAO past hiermee binnen
de kaders van de nieuwe wet. Zolang de huidige ABU CAO voor Uitzendkrachten loopt,
heeft deze wetswijziging dus geen impact op de duur en inrichting van fase A.
11
1.4 Aanzegplicht per 1 januari 2015
NU
Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege na verloop van de
overeengekomen duur en hoeft niet te worden opgezegd. Noch de werkgever noch de
werknemer is verplicht om op welke manier dan ook mededelingen te doen over de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
STRAKS
Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd blijft van rechtswege eindigen. Maar ten
aanzien van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van 6 maanden of langer gaat
gelden dat de werkgever verplicht is minimaal 1 maand voor de einddatum aan de
werknemer schriftelijk mee te delen of de arbeidsovereenkomst komt te eindigen of dat
de arbeidsovereenkomst kan worden voortgezet (en onder welke voorwaarden). Deze
aanzegplicht is niet van toepassing als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van
6 maanden of langer tussentijds wordt beëindigd.
Er zal per arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd moeten worden gekeken naar de
duur van die arbeidsovereenkomst voor de vraag of er al dan niet een aanzegplicht
geldt; periodes van eerdere arbeidsovereenkomsten worden dus niet mee- of opgeteld.
Als een werkgever zich niet, of niet op tijd, aan deze wettelijk vastgestelde aanzegplicht
houdt, dan wordt de werkgever schadeplichtig. De werkgever moet de werknemer in dit
geval een vergoeding betalen ter hoogte van één maandsalaris, of naar rato als door
de werkgever een te korte aanzegtermijn in acht is genomen. De werknemer heeft in dit
geval na het einde van de arbeidsovereenkomst 2 maanden de tijd om aanspraak te
maken op deze vergoeding.
Als de werkgever aangeeft de arbeidsovereenkomst te willen voortzetten maar daarbij
niet vermeldt onder welke voorwaarden, dan wordt de nieuwe arbeidsovereenkomst
geacht te worden voortgezet onder dezelfde voorwaarden als de eerdere
arbeidsovereenkomst, met een maximale verlenging van één jaar.
Overgangsregeling aanzegplicht
Voor de aanzegplicht is een overgangsregeling ingesteld. Deze houdt in dat de nieuwe
aanzegplicht niet van toepassing is op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van
6 maanden of langer die eindigen vóór 1 februari 2015.
1.5 Ragetlieregel
per 1 juli 2015
NU
Ter vergroting van de rechtszekerheid voor werknemers is in de Wet Flexibiliteit en
Zekerheid de zogeheten ‘Ragetlieregel’ opgenomen. Deze regeling bepaalt dat als
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd binnen 3 maanden wordt opgevolgd
door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, de arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd niet automatisch van rechtswege eindigt. Voor de werkgever geldt in
dit geval een rechtsgeldige opzeggingsplicht (als ware het een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd), waardoor de werknemer zijn recht op ontslagbescherming
behoudt. Deze Ragetlieregel is niet van toepassing als de arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd is beëindigd door rechtsgeldige opzegging door de werkgever of door
ontbinding door de rechter; in die gevallen eindigt de binnen 3 maanden opvolgende
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dus wél gewoon van rechtswege.
12
STRAKS
De bestaande Ragetlieregel blijft bestaan alleen wordt er een tweetal wijzigingen
doorgevoerd. De eerste wijziging houdt een aanvulling in van de situaties waarin de
Ragetlieregel niet van toepassing is, namelijk ook niet als een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.
Dus als er in die situatie nadien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt
aangegaan, dan zal die arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege
eindigen na verloop van de overeengekomen duur. De tweede wijziging heeft tot
gevolg dat de termijn, waarbinnen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd opvolgt, wordt opgerekt van 3 maanden
naar 6 maanden, zodat deze termijn gelijk komt te lopen met de termijn van de
terugvalregeling.
1.6 Proeftijd per 1 januari 2015
NU
Om een proeftijd te kunnen opnemen in een arbeidsovereenkomst, geldt binnen de
bestaande regelgeving geen minimumduur van de arbeidsovereenkomst. Wel geldt
dat in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 2 jaar de proeftijd maximaal
1 maand mag duren. In een arbeidsovereenkomst voor 2 jaar of langer en in een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd mag de proeftijd maximaal 2 maanden duren.
STRAKS
In de nieuwe situatie waarin de wet voorziet, mag alleen nog maar een proeftijd
worden opgenomen in een arbeidsovereenkomst van langer dan 6 maanden. In dat
geval geldt dat als de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor langer dan 6 maanden
maar korter dan 2 jaar, de proeftijd maximaal 1 maand mag duren. In een arbeids­
overeenkomst voor 2 jaar of langer of in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd mag een proeftijd worden afgesproken van maximaal 2 maanden.
Overgangsregeling proeftijd
Op arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 januari 2015 blijft het ‘oude’
regime van toepassing.
1.7 Non-concurrentiebeding per 1 januari 2015
NU
In iedere arbeidsovereenkomst (bepaalde tijd en onbepaalde tijd) mag een
non-concurrentiebeding worden opgenomen.
STRAKS
Een non-concurrentiebeding onder de nieuwe regelgeving is alleen nog toegestaan
binnen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd mag een non-concurrentiebeding alleen dan worden opgenomen als dit
voor de werkgever aantoonbaar noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of
dienstbelangen. Deze zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen dienen dan al in het
non-concurrentiebeding te worden benoemd, gemotiveerd en vastgelegd.
13
Overgangsregeling non-concurrentiebeding
Op arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 januari 2015 blijft het
‘oude’ regime van toepassing.
1.8 Scholingsplicht
per 1 juli 2015
NU
Werkgevers hebben geen wettelijke plicht om werknemers scholing aan te bieden.
STRAKS
Vlak voor de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is voorgesteld om het
onderwerp ‘scholing’ te verankeren in de wet. Het aangenomen wetsvoorstel houdt in dat
de werkgever de werknemer in staat moet stellen om scholing te volgen die noodzakelijk is
voor (1) de uitoefening van de functie of (2) het voortzetten van de arbeidsovereenkomst als
de functie van de werknemer komt te vervallen of als de werknemer niet langer in staat is de
functie uit te oefenen. Bij ontslagprocedures zal deze scholingsplicht een rol van betekenis
kunnen gaan spelen, omdat - als dat relevant is - ook getoetst zal worden of de werkgever
de scholingsplicht heeft nageleefd. De ingangsdatum van deze nieuwe wettelijke regeling is
1 juli 2015.
1.9 Opvolgend werkgeverschap per 1 juli 2015
NU
Er gelden twee criteria voor opvolgend werkgeverschap:
1.voor de nieuwe arbeidsovereenkomst zijn wezenlijk dezelfde vaardigheden en
verantwoordelijkheden nodig als bij de voorgaande arbeidsovereenkomst;
en
2.door de banden tussen de voorgaande werkgever en de opvolgende werkgever
moet de opvolgende werkgever inzicht hebben verkregen in de hoedanigheid en
geschiktheid van de werknemer.
STRAKS
In de nieuwe definitie van opvolgend werkgeverschap komt het tweede criterium
te vervallen; wel moet er (nog steeds) een aanleiding zijn waardoor de werknemer
naar de opvolgende werkgever overgaat (bijvoorbeeld als de voorgaande en de
opvolgende werkgever afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de overgang).
Als een werknemer op eigen initiatief hetzelfde werk gaat doen bij een nieuwe werkgever,
dan is geen sprake van opvolgend werkgeverschap.
14
15
16
2. Ontslagrecht nu en straks
In april 2013 is de Ministerraad akkoord gegaan met hervormingsplannen met
betrekking tot onder meer het ontslagrecht, als verwoord in de Wet Werk en
Zekerheid. Het wetsvoorstel is in november 2013 ingediend bij de Tweede Kamer,
na enkele aanpassingen die in oktober 2013 werden vastgelegd in het
Najaarsakkoord. Daarna heeft de Tweede Kamer op 18 februari 2014 met dit
wetsvoorstel, weliswaar met nog enkele aanpassingen, ingestemd en ook de
Eerste Kamer is akkoord gegaan.
Met de Wet Werk en Zekerheid beoogt de coalitie het ontslagrecht gemakkelijker
uitvoerbaar te maken en de rechtspositie van werknemers met een tijdelijke
arbeidsovereenkomst te versterken. Nieuw is de zogeheten ‘transitievergoeding’,
die erop gericht is werknemers financieel te faciliteren om ze zo snel mogelijk
(bijvoorbeeld via scholing) weer aan het werk te krijgen. De wet treedt per 1 juli 2015
in werking. Dit hoofdstuk beschrijft de meest in het oog springende veranderingen1.
2.1 Ontslagrouting per 1 juli 2015
NU
Op dit moment kunt u als werkgever ongeacht de ontslaggrond nog kiezen uit twee
ontslagroutes. U kunt een al of niet gedwongen ontslag aanvragen bij het UWV of
een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indienen bij de rechter.
STRAKS
Als de Wet Werk en Zekerheid van kracht wordt, is er sprake van een voorgeschreven
ontslagroute afhankelijk van de ontslaggrond. Hiervan kan niet worden afgeweken.
In de volgende situaties is het UWV de aangewezen instantie om te oordelen over
een voorgenomen ontslag:
1. Iedere ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen2,
2. Iedere ontslagaanvraag vanwege arbeidsongeschiktheid langer dan 2 jaar.
Kantonrechter
Voor alle andere ontslaggronden, denk aan disfunctioneren, verwijtbaar handelen of
een duurzame verstoring van de werkgever/werknemerrelatie, zal bij de rechter een
verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moeten worden ingediend.
Als de werkgever (of werknemer) zich tot de verkeerde instantie wendt, wordt de
ontslagaanvraag dan wel het ontbindingsverzoek niet in behandeling genomen.
In situaties waarin sprake is van meerdere ontslaggronden, bijvoorbeeld een
combinatie van bedrijfseconomische redenen en disfunctioneren, dient u als werkge1
2
In deze editie worden de plannen ten aanzien van de WW buiten beschouwing gelaten.
Tenzij het gaat om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zónder tussentijds
opzegbeding; in dat geval zal de kantonrechter om ontbinding moeten worden gevraagd.
17
ver te kiezen uit één van deze ontslaggronden en de bijbehorende procedure óf
u dient beide procedures gelijktijdig bij de daartoe bestemde instanties in gang
te zetten. Het is dus niet mogelijk om een ontslaggrond die volgens de wet niet bij
één van de twee instanties thuishoort, toch binnen één procedure aan die instantie
voor te leggen.
2.2 Vaststellingsovereenkomst
per 1 juli 2015
NU
Als werkgever en werknemer het eens zijn over de voorwaarden voor beëindiging van
de arbeidsovereenkomst, kunnen die afspraken worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Dit wordt ook wel ‘ontslag met wederzijds goedvinden’ genoemd.
STRAKS
De mogelijkheid om beëindigings afspraken te maken en vast te leggen in een
schriftelijke vaststellingsovereenkomst blijft bestaan, maar werknemers krijgen in
dat geval een wettelijke bedenktijd van 14 kalenderdagen. Binnen die periode kan
een werknemer zijn of haar instemming met de voorwaarden uit de vaststellingsovereenkomst zonder opgaaf van reden intrekken. In dit geval blijft de arbeidsovereenkomst voortduren en komen alle afspraken van de vaststellingsovereenkomst
te vervallen. De arbeidsovereenkomst eindigt dan dus niet. Er mag niet in het nadeel
van de werknemer van deze wettelijke bedenktijd worden afgeweken. Het is dus niet
mogelijk om af te spreken af te zien van deze wettelijke bedenktijd of deze te bekorten, althans een dergelijke afspraak is niet geldig. Deze wettelijke bedenktijd moet in
de schriftelijke vaststellingsovereenkomst worden benoemd en vastgelegd. Gebeurt
dat niet, dan krijgt de werknemer een langere bedenktijd, namelijk van 3 weken.
De werknemer krijgt slechts éénmaal in een periode van 6 maanden deze wettelijke
bedenktijd. Als een werknemer na gebruikmaking van de wettelijke bedenktijd
vervolgens – binnen 6 maanden - een nieuwe vaststellingsovereenkomst aangaat
met de werkgever, dan heeft de werknemer in dat geval dus geen wettelijke
bedenktijd meer.
2.3 Ontslag bij AOW-gerechtigde leeftijd per 1 juli 2015
NU
Een arbeidsovereenkomst eindigt niet automatisch van rechtswege op het moment
dat een werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Dit is wel het geval als dit
expliciet in de arbeidsovereenkomst is afgesproken of vastligt in de van toepassing
zijnde CAO. Is de werknemer op zo’n moment niet bereid om de arbeidsovereenkomst
door middel van wederzijds goedvinden te beëindigen, dan is ontslagtoestemming
van het UWV nodig of moet een ontbindingsverzoek worden ingediend bij de rechter.
STRAKS
In de nieuwe situatie geldt dat arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan vóór
het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, door de werkgever kunnen worden
opgezegd op de datum van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of op een
latere datum, zonder dat ontslagtoestemming van het UWV of ontbinding door de
rechter nodig is. In dit geval is er dus geen preventieve ontslagtoets meer.
18
2.4 Opzegtermijn per 1 juli 2015
NU
Op dit moment is het zo dat u als werkgever één maand in mindering mag brengen
op de geldende opzegtermijn, met inachtneming van één maand als ondergrens,
zodra u gebruik maakt van de door het UWV verleende ontslagtoestemming. In
situaties waarin de rechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, is het aan de rechter
om bij het bepalen van de ontbindingsdatum al dan niet rekening te houden met
de geldende opzegtermijn.
STRAKS
De wettelijk bepaalde opzegtermijnen blijven hetzelfde, maar de proceduretijd bij het
UWV mag worden verrekend met de geldende opzegtermijn. Voorwaarde is dat er
altijd als ondergrens een opzegtermijn van één maand wordt gehanteerd. In de
ontslagtoestemming zal het UWV aangeven hoeveel proceduretijd in mindering
mag worden gebracht op de geldende opzegtermijn. Als de rechter tot ontbinding
overgaat, dient de arbeidsovereenkomst door de rechter te worden ontbonden met
inachtneming van de geldende opzegtermijn, ook weer onder aftrek van de
proceduretijd, met een ondergrens van één maand opzegtermijn.
2.5 Hoger beroep en cassatie per 1 juli 2015
NU
Na een beslissing van het UWV (ontslagaanvraag) of van de rechter (ontbindingsverzoek) is geen hoger beroep (en geen cassatie3) mogelijk. De beslissing van het
UWV of de rechter is dus bindend. Nadat door het UWV ontslagtoestemming is
verleend en door de werkgever de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd, heeft de
werknemer wel de mogelijkheid om bij de rechter een zogeheten ‘kennelijk onredelijk
ontslagprocedure’ op te starten, waarin door de werknemer veelal om een financiële
vergoeding wordt gevraagd.
STRAKS
Na een beslissing van het UWV kunnen de werkgever en de werknemer naar de
kantonrechter om de beslissing van het UWV te laten toetsen. Na de toetsing door
de kantonrechter is het mogelijk om hoger beroep in te stellen bij het Gerechtshof,
waarna ook nog cassatie bij de Hoge Raad mogelijk is.
Nadat door de kantonrechter is beslist op een ontbindingsverzoek, kan hoger beroep
worden ingesteld bij het Gerechtshof. Daarna is het nog mogelijk om bij de Hoge
Raad in cassatie te gaan.
Het instellen van hoger beroep of cassatie schorst niet de werking van de beslissing
waartegen in beroep wordt gegaan.
3
assatie is de procedure waarbij in beroep gegaan wordt tegen de beslissing die is gegeven
C
in hoger beroep.
19
2.6 Transitievergoeding per 1 juli 2015
NU
Bij een ontbindingsverzoek laat de rechter zich ook uit over de vergoeding die u
als werkgever aan de werknemer dient te betalen. Hierbij wordt de bestaande
kantonrechtersformule als maatstaf gehanteerd: A x B x C.
A = anciënniteit (gewogen dienstjaren, waarbij dienstjaren < 35 jaar tellen voor 0,5; dienstjaren vanaf 35 jaar tot 45 jaar tellen voor 1,0;
dienstjaren vanaf 45 jaar tot 55 jaar tellen voor 1,5;
en dienstjaren vanaf 55 jaar tellen voor 2,0)
B = beloning (bruto maandloon)
C = correctiefactor
STRAKS
Iedere werknemer die minimaal 2 jaar in dienst is geweest, krijgt per 1 juli 2015 recht
op een transitievergoeding, uitgezonderd werknemers die de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst zelf hebben geïnitieerd. In de nieuwe regelgeving met
betrekking tot de transitievergoeding wordt geen onderscheid gemaakt tussen een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd. De hoogte van de transitievergoeding bedraagt 1/3 maandsalaris per dienstjaar voor de eerste 10 dienstjaren
en 1/2 maandsalaris per dienstjaar voor alle dienstjaren vanaf 10 jaar. Het maximum
is vastgesteld op € 75.000 bruto of een bedrag gelijk aan het bruto jaarsalaris (als dat
meer is dan € 75.000).
Kosten die u als werkgever heeft gemaakt in het kader of ter bevordering van een
transitie van de werknemer, denk aan outplacementinspanningen of scholing4,
mogen op de transitievergoeding in mindering worden gebracht (mits van tevoren
schriftelijk met de werknemer overeengekomen).
Als een opvolgende werkgever op enig moment een transitievergoeding aan een
werknemer moet betalen en de voorgaande werkgever heeft ook al een transitievergoeding aan deze werknemer betaald, dan mag de door de voorgaande werkgever
al betaalde transitievergoeding in mindering worden gebracht.
In de ABU CAO voor Uitzendkrachten wordt per 1 juli 2015 bepaald dat indien een
uitzendkracht wordt overgenomen door de opdrachtgever (of door een andere
uitzendonderneming), het eindigen van de uitzendovereenkomst dan wordt geacht te
gebeuren op initiatief van de uitzendkracht. Vanwege het initiatief bij de werknemer,
is een transitievergoeding niet aan de orde. De uitzendonderneming hoeft in die
situatie dus geen transitievergoeding aan de uitzendkracht te betalen.
De periode waarvoor het opvolgend werkgeverschap geldt, wordt wel aan de
opdrachtgever (of de andere uitzendonderneming) toegerekend; mocht op enig
moment door de opvolgend werkgever een transitievergoeding moeten worden
betaald aan de werknemer dan telt daarvoor dus die eerdere opvolgend
werkgeverschapsperiode alsnog mee.
4
20
T en tijde van het uitbrengen van deze editie ligt er een “Ontwerp Besluit Transitievergoeding”,
waarin wordt vastgelegd welke kosten in mindering mogen worden gebracht op de wettelijke
transitievergoeding.
De transitievergoeding geldt niet:
Voor werknemers tot 18 jaar die een gemiddelde arbeidsduur hebben van niet meer
dan 12 uur per week, als de arbeidsovereenkomst eindigt wegens het bereiken van
de AOW-gerechtigde leeftijd, als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of
nalaten van de werknemer.
Transitievergoeding bij CAO
In een CAO kan van de wettelijke transitievergoeding worden afgeweken, mits de
CAO-regeling in een minimaal gelijkwaardige voorziening voorziet, die is gericht op
het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid.
Overgangsregeling 1
Met betrekking tot de transitievergoeding voorziet de nieuwe regeling in een overgangsregeling tot 1 januari 2020. Voor werknemers van 50 jaar of ouder, die tien jaar
of langer in dienst zijn, geldt in deze overgangsfase het volgende: de transitievergoeding bedraagt vanaf het bereiken van de 50-jarige leeftijd 1,0 maandsalaris per
dienstjaar. In dit geval geldt ook de bovengrens van € 75.000 bruto (of een hoger
brutojaarsalaris). Voor werknemers die in dienst zijn bij een werkgever met minder
dan 25 werknemers geldt deze overgangsregeling niet.
Overgangsregeling 2
De nieuwe regeling houdt rekening met ‘kleinere werkgevers’ (minder dan 25 werknemers, waarvoor de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaande aan het einde
van de arbeidsovereenkomst als referteperiode geldt) door middel van een overgangsregeling tot 1 januari 2020. Deze tijdelijke regeling houdt in dat voor de berekening van
de transitievergoeding alleen de dienstjaren vanaf 1 mei 2013 meetellen als het gaat om
een bedrijfseconomisch ontslag vanwege een slechte financiële positie van de werkgever. Voor een ontslag op een andere grond (bijvoorbeeld disfunctioneren) geldt dus ook
voor werknemers van de kleinere werkgevers de normale transitievergoedingsregeling.
2.7 Billijke vergoeding per 1 juli 2015
NU
De ‘billijkheid’ van een beëindigings- of ontslagvergoeding zit bij de huidige
wetgeving verwerkt in de ‘correctiefactor’ van de kantonrechtersformule. Met deze
correctiefactor wordt bepaald of de ontslagvergoeding naar boven of beneden wordt
bijgesteld. Een bijstelling naar boven hangt samen met verwijtbaar gedrag van de
werkgever, een bijstelling naar beneden met verwijtbaar gedrag van de werknemer.
STRAKS
Als een beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig
verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, kan de rechter naast de
transitievergoeding een billijke vergoeding toekennen. Hiervoor is geen maatstaf
ontwikkeld. De rechter zal per geval moeten oordelen of er sprake is van ernstig
verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en welke billijke vergoeding
daarbij hoort.
21
22
3. De nieuwe Ziektewet
per 1 januari 2014
Per 1 januari 2014 is de nieuwe Ziektewet (“BeZaVa”) van kracht. In deze nieuwe
wet is een ingrijpende aanpassing doorgevoerd met betrekking tot de procedures
die gelden voor werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Werkgevers
betalen voor werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst die ziek zijn als
hun tijdelijke arbeidsovereenkomst afloopt. Per 1 januari 2014 dragen werkgevers
via een nieuwe gedifferentieerde premie bij aan de ziektekosten van werknemers
met een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Als bedrijf of organisatie bent u min of
meer gedwongen uw eigen werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst
te betrekken in uw verzuimbeleid om hoge kosten te vermijden. Voorheen werden
de kosten van deze zogenaamde ‘vangnetters’ afgewenteld via het UWV. In dit
hoofdstuk een korte beschrijving van de Ziektewet per 1 januari 2014.
Per 1 januari 2014 draagt u als werkgever via een nieuwe gedifferentieerde premie
bij aan de ziektekosten van werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst.
Met werknemers wordt in dit verband bedoeld:
•Werknemers met een fictieve dienstbetrekking die ziek worden als thuiswerkers,
stagiairs of provisiewerkers;
•Werknemers die ziek uit dienst gaan (bijvoorbeeld bij werknemers met een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd);
•Werknemers die binnen 4 weken na het einde van hun dienstverband ziek worden).
Kostenrisico
Als uw onderneming zelf tijdelijke medewerkers in dienst heeft, kunt u met
aanzienlijke risico’s worden geconfronteerd. Boven € 300.000,- premieloon,
bent u zelf verantwoordelijk voor uw zieke medewerkers met tijdelijke arbeidsovereenkomsten, ook als deze na afloop van de arbeidsovereenkomst ziek blijven.
De dure consequentie kan zijn: 2 jaar doorbetaling en 10 jaar WGA (Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten) op rekening van het bedrijf.
De risico’s verlegd naar de uitzend- of detacheringorganisatie
Uitzend- en detacheringorganisaties lopen dit risico natuurlijk ook. Leent u tijdelijke
medewerkers via een bonafide uitzend- of detacheringorganisatie in, dan bent niet u
verantwoordelijk, maar dan is de uitzend- of detacheringorganisatie verantwoordelijk
voor de kosten. Immers, in dit geval is de uitzend- of detacheringorganisatie de
werkgever, en niet u. Binnen de uitzend- en detacheringsector wordt mede om
deze reden veel aandacht besteed aan preventieve maatregelen ter verkleining van
het verzuimrisico, zo ook binnen Adecco Group Nederland.
23
23
4. Beloningsregeling
ABU CAO voor
Uitzendkrachten nu en straks
In de ABU CAO voor Uitzendkrachten liggen afspraken vast met betrekking tot
de relatie tussen uitzendorganisaties en uitzendkrachten. Aan de CAO is een
convenant tussen werknemers- en werkgeversorganisaties voorafgegaan.
Dit werd afgesloten in 1996, in de geest van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid.
De eerste ABU CAO voor Uitzendkrachten, met afspraken over de rechtpositie,
pensioen en scholing, is afgesloten in 1999, voor een duur van vijf jaar. Naar
aanleiding van enkele wijzigingen is in 2012 een nieuwe ABU CAO voor
Uitzendkrachten afgesloten, opnieuw met een geldigheidsduur van vijf jaar.
Bij de totstandkoming van de nieuwe ABU CAO voor Uitzendkrachten in 2012,
is besloten dat de regeling “inlenersbeloning vanaf de eerste dag van de
uitzending” als standaardregeling in deze CAO wordt doorgevoerd.
De verwachting was in eerste instantie dat deze wijziging met ingang van 29
december 2014 in werking zou treden. In het op 30 september 2014 afgesloten
CAO akkoord is een latere datum overeengekomen: per 30 maart 2015 gaat de
inlenersbeloning als uitgangspunt gelden (enkele uitzonderingen daargelaten). In
dit hoofdstuk lichten we toe wat de situatie nu is en wat deze wijziging betekent.
4.1 Inlenersbeloning per 30 maart 2015
NU
De definitie
Volgens de huidige ABU CAO voor Uitzendkrachten (2012-2017), hierna ook te noemen
de ‘CAO’, bestaat de inlenersbeloning (artikel 19) uit de volgende componenten:
1. Uitsluitend het geldende periodeloon in de schaal;
2. De van toepassing zijnde arbeidsduurverkorting per week/maand/jaar/periode.
Deze kan - dit ter keuze van de uitzendonderneming - gecompenseerd worden in tijd
en/of geld;
3. Toeslagen voor overwerk, verschoven uren, onregelmatigheid (waaronder feest­
dagentoeslag) en ploegentoeslag;
4. Initiële loonsverhoging, hoogte en tijdstip als bij de opdrachtgever bepaald;
25
5. Kostenvergoeding (voor zover de uitzendonderneming deze vrij van loonheffing
en premies kan uitbetalen: reiskosten, pensionkosten, gereedschapskosten
en andere kosten noodzakelijk vanwege de uitoefening van de functie). Indien
en voor zover door overheidsmaatregelen de belastingvrije vergoeding voor
reiskosten geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, heeft de uitzendkracht recht op
dezelfde reiskostenvergoeding als de werknemer in dienst van de opdrachtgever,
werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie als de uitzendkracht, met een
maximum van € 0,19 bruto per kilometer.
6. Periodieken, hoogte en tijdstip als bij de opdrachtgever bepaald.
De werkwijze
In artikel 19 van de CAO wordt de beloning van de uitzendkracht geregeld.
Dit artikel geeft (in lid 5) de keuze om:
1.Een uitzendkracht de eerste 26 gewerkte weken te belonen conform het
CAO loongebouw (ABU beloning) en daarna volgens de inlenersbeloning, óf
2.Een uitzendkracht met ingang van de eerste werkdag meteen te belonen
volgens de inlenersbeloning.
STRAKS
In de huidige in 2012 afgesloten ABU CAO voor Uitzendkrachten worden een paar
wezenlijke aanpassingen doorgevoerd. Deze aanpassingen worden met ingang van
30 maart 2015 van kracht.
1.Per 30 maart 2015 (dit is de start van week 14 - 2015) zal, standaard, de
inlenersbeloning vanaf dag 1 toegepast worden (de samenstelling van de
inlenersbeloning blijft gehandhaafd, conform art 19 lid 5 sub b CAO).
2.Er blijven uitzonderingen mogelijk, waarin kan worden gekozen
voor de ABU beloning.
• Uitzondering 1 (Allocatiefunctie)
Bestemd voor uitzendkrachten zonder werkervaring:
- langdurig werklozen (langer dan één jaar werkloos)
- re-integratiedoelgroepen (o.a. rechthebbenden op een WIA-uitkering,
WAO-uitkering, Wajong-uitkering of WWB-uitkering)
- werkzoekenden die in het kader van de Participatiewet zijn aangewezen op
een loonkostensubsidie of loonsuppletie, of werkzoekenden die in staat zijn
om met voltijds arbeid tot 130% van het wettelijk minimumloon te verdienen
- schoolverlaters (na afronding opleiding minimaal drie maanden op zoek naar
werk, alsmede vroegtijdige schoolverlaters)
- uitzendkrachten zonder startkwalificatie
-vakantiewerkers
- herintreders (werkzoekenden die tenminste drie jaar niet actief zijn
geweest op de arbeidsmarkt)
-vakantiewerkers
Voor deze groep is maximaal 52 weken ABU beloning mogelijk, voordat
de inlenersbeloning van toepassing moet zijn. Deze periode van maximaal
52 weken kan met maximaal 52 weken worden verlengd, indien en voor zolang
de betreffende uitzendkracht een kwalificerende opleiding (minimaal mbo niveau 2 of beroepskwalificerend assistent – BKA – niveau 1) volgt en die
26
opleiding binnen de eerste 52 weken nog niet is afgerond. Indien gebruik wordt
gemaakt van een dergelijke verlenging, heeft de uitzendkracht na 52 gewerkte
weken recht op minimaal één periodiek conform de ABU beloningsregeling.
Deze periodiek varieert van 2,1% tot 2,6%, afhankelijk van de functiegroep
waarbinnen de uitzendkracht werkzaam is.
• Uitzondering 2 (Transitiefunctie)
Hieronder vallen uitzendkrachten voor wie de uitzendonderneming een
transitiefunctie heeft. Deze nader te specificeren groep doorloopt via de
uitzendsector ‘van werk naar werk’ trajecten. Het gaat – ter indicatie – om
groepen werknemers die door een reorganisatie zonder werk zullen komen en
regelingen die onderdeel zijn van een sociaal plan of CAO van de werkgever
vanwaar de werknemers zullen vertrekken.
Voor deze groep is maximaal 52 weken ABU beloning mogelijk, voordat tot
toepassing van de inlenersbeloning moet worden overgegaan.
•Uitzondering 3 (‘niet indeelbaren’)
Hieronder vallen uitzendkrachten werkzaam in functies die (nagenoeg) niet
bij de inlenende onderneming bestaan. Doordat er geen (goede) vergelijkbare
functies zijn, kan geen inlenersbeloning bepaald worden. In de ABU CAO voor
Uitzendkrachten wordt een beslisboom opgenomen waarlangs kan worden
bepaald of er al dan niet sprake is van een ‘niet indeelbare’ uitzendkracht. De
(niet-)indeelbaarheid wordt per terbeschikkingstelling bepaald.
Na periodes van 52 (gewerkte) weken heeft een uitzendkracht die op dat
moment als ‘niet indeelbare’ gebruik maakt van de ABU beloning, recht op een
periodieke loonsverhoging. Deze periodiek varieert van 2,1% tot 2,9%, afhankelijk
van de functiegroep waarbinnen de uitzendkracht werkzaam is.
•Uitzondering 4
Uitzondering 4 (Uitzendkrachten in fase C - onbepaalde tijd).
Het loonniveau wordt bepaald aan de hand van het gemiddelde loon in het
laatste fase B jaar van de desbetreffende uitzendkracht. Bij herplaatsing in een
lagere functie is een terugval in loon mogelijk in maximaal één stap van maximaal 10% (eenmalige terugval dus).
Na periodes van 52 weken heeft een uitzendkracht in fase C recht op een
periodieke loonsverhoging. Deze periodiek varieert van 2,1% tot 2,9%, afhankelijk
van de functiegroep waarbinnen de uitzendkracht werkzaam is.
Voor uitzendkrachten die op 30 maart 2015 al een arbeidsovereenkomst in fase
C hebben, komt een overgangsregeling.
27
28
Over Adecco Group
Nederland
Deze HR Update 2014/2015 is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid voor u
samengesteld door Adecco Group Nederland, aanbieder van General Staffing
Services (Adecco) en Professional Staffing Services (Ajilon). Adecco verleent
haar diensten aan grote bedrijven, overheden en non profit organisaties, en
het MKB en is vertegenwoordigd in vrijwel alle sectoren. Ajilon focust met
haar dienstverlening op IT Professionals, Engineering Professionals,
Finance Professionals, Technology Professionals, Young Professionals en
Freelance Professionals.
Tot Adecco Group Nederland behoren ook Pontoon, Badenoch & Clark en Lee Hecht
Harrison. Pontoon heeft zich gespecialiseerd in Managed Service Programma’s,
Recruitment Process Outsourcing en Workforce Consulting. Badenoch & Clark biedt
Executive Search oplossingen gericht op hogere functieniveaus in Finance en HR.
De dienstverlening van loopbaan- en mobiliteitsspecialist Lee Hecht Harrison rust op
vier pijlers: outplacement, coaching, talentontwikkeling en verandermanagement.
Het hoofdkantoor van Adecco Group Nederland staat in Zaltbommel. Het landelijke
netwerk bestaat uit circa 150 vestigingen, verspreid over heel Nederland. Bij de
Nederlandse organisatie zijn ruim 1.000 medewerkers actief.
De internationale Adecco Group is een beursgenoteerde onderneming, gevestigd in
Zwitserland. Wereldwijd is de Adecco Group de grootste aanbieder van HR-services
met meer dan 31.000 medewerkers, actief vanuit ruim 5.100 kantoren in meer dan
60 landen. Dagelijks zijn meer dan 650.000 flexwerkers en professionals namens de
Adecco Group actief bij meer dan 10.000 opdrachtgevers. De Adecco Group is een
Fortune Global 500 onderneming en is opgenomen in de Dow Jones Sustainability
Index. De internationale Adecco Group opereert vanuit vijf kernwaarden – Values
to Success – te weten: Entrepreneurship, Team Spirit, Passie, Customer Focus en
Responsibility.
29
Overzicht veranderende wet- en
ingangsdatum
Modernisering Ziektewet
Flexwetgeving
Beloningsregeling ABU
CAO voor Uitzendkrachten
Ontslagrecht
30
1-1-2014 (definitief)
1-1-2015 (definitief)
BeZaVa: Beperking Vangnet
na dienstbetrekking (pag.23)
Uitzendbeding (pag.11)
Aanzegplicht (pag.12)
Proeftijd (pag.13)
Non-concurrentiebeding (pag.13)
n regelgeving
30-3-2015 (definitief)
1-7-2015 (definitief)
Relevantie
Van toepassing op de werk­nemers
die bij u in dienst zijn (uitgezonderd
publieke sector). Voor ingeleend
personeel neemt de uitlener de
zorg en bijbehorende verplichtingen op zich.
Ketenregeling (pag.9)
Terugvalregeling (pag.11)
Ragetlieregel (pag.12)
Scholingsplicht (pag. 14)
Opvolgend werkgeverschap (pag.14)
ABU Beloningsregeling (pag.25)
Inlenersbeloning (pag.25)
Van toepassing op de werknemers
die bij u in dienst zijn (uitgezonderd
publieke sector). Voor ingeleend
personeel neemt de uitlener de zorg
en bij­behorende verplichtingen op
zich. Kan van invloed gaan zijn op
inleenvoorwaarden bij ingeleend
personeel.
Alleen van toepassing op inleen
bij uitzendbureaus aangesloten
bij de ABU, NBBU en andere, niet
aangesloten uitzendbureaus (niet
van toepassing bij detachering­
organisaties die niet onder een
uitzend CAO vallen).
Ontslagrouting (pag.17)
Vaststellingsovereenkomst (pag.18)
Ontslag AOW gerechtigde
leeftijd (pag.18)
Opzegtermijn (pag.19)
Hoger beroep en cassatie (pag.19)
Transitievergoeding (pag.20)
Billijke vergoeding (pag.21)
Van toepassing op de werk­nemers
die bij u in dienst zijn (uitgezonderd
publieke sector). Voor ingeleend
personeel neemt de uitlener de
zorg en bijbehorende verplichtingen
op zich. Kan van invloed gaan
zijn op inleenvoorwaarden bij
ingeleend personeel.
31
Ajilon
ajilon.nl
[email protected]
Een uitgave van Adecco Group Nederland
Download