Richtlijnen Afstudeerrapport 14 november 2013 Versie: 1.0 Richtlijnen Afstudeerrapport Aanwijzingen voor het afstudeerrapport Het afstudeerrapport is het laatste schriftelijke product dat je vervaardigt om je opleiding te voltooien. Het afstudeerrapport is een weergave van hetgeen je gedaan hebt bij het afstudeerbedrijf. Vaak moet je voor je afstudeeropdracht een product maken, een stuk software, een (deel van een) apparaat, een adviesrapport… In dat geval bestaat je eindwerkstuk uit het product plus een afstudeerrapport, waarin je je referentiekader, keuzen, bedoelingen, ‘oplossingen’ e.d. expliciteert en motiveert. Ook wanneer je een product maakt, moet je beginnen met onderzoek: waarom heb je deze opdracht gekregen, welk probleem wil de opdrachtgever opgelost hebben, is het al ergens anders opgelost, welke methoden worden gebruikt… Dit onderzoek beschrijf je in je rapport. Aan het eind van het rapport laat je zien in hoeverre jouw product het probleem van je opdrachtgever opgelost heeft. In grote lijnen wordt de structuur van je afstudeerrapport bepaald door de stappen die je nodig hebt om van onderzoeksvraag/-probleemvraag naar antwoord/conclusie te komen: Inleiding: Onderwerp Onderzoeksvraag (doelstelling) Deelvragen Kernhoofdstukken: Resultaten in het onderzoeksverslag: de argumenten (deelconclusies: substandpunten) Laatste hoofdstuk: Conclusie(s) hoofdstandpunt(en) aanbeveling(en) De vaste onderdelen van het afstudeerrapport De indeling van een afstudeerrapport volgt een vaste volgorde: ­ omslag/voorblad ­ titelpagina ­ (voorwoord) ­ inhoudsopgave ­ samenvatting ­ inleiding ­ het kerngedeelte: genummerde hoofdstukken ­ conclusies ­ aanbevelingen ­ (nawoord) ­ (noten) ­ bronnenlijst ­ (begrippenlijst); deze kan je ook aan het begin van het rapport opnemen. ­ bijlage(n) De onderdelen die tussen haakjes staan, mag je in het rapport opnemen maar dat hoeft niet. Omslag/voorblad Op de omslag komt het volgende te staan: ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 2 Richtlijnen Afstudeerrapport ­ ­ ­ ­ ­ ­ titel (ondertitel) zo nog nodig: naam organisatie auteursnaam (-namen) groep naam of namen van begeleider(s) van de HvA De informatie op de omslag wordt overzichtelijk weergegeven. De belangrijkste informatie is de titel met eventuele ondertitel. Deze informatie neemt de meeste ruimte in beslag en komt over het algemeen bovenaan in het midden te staan. De overige informatie plaats je rechts onderaan op de omslag. De titelpagina Op de titelpagina komt in ieder geval dezelfde informatie als op de omslag te staan. Deze informatie dient aangevuld te worden. De titelpagina bevat geen citaten, geen dankwoorden en geen illustraties, maar wel: ­ titel(s) ­ auteursnaam (-namen), naam en voorletter(s), studentennummer en telefoonnummer ­ plaats en datum ­ naam van de onderwijsinstelling ­ naam van de opleiding/ studierichting ­ begeleidende docent ­ bedrijf, afdeling, adres en telefoonnummer ­ bedrijfsbegeleider ­ stageperiode (semester, studiejaar) Het voorwoord (Niet noodzakelijk) Het voorwoord is een soort begeleidende opmerking bij een rapport. Als je een voorwoord wilt opnemen, houd het dan kort en beperk je tot de volgende onderdelen: ­ ­ ­ ­ informatie over de achtergronden van de aanleiding van de stage, het onderzoek of het afstudeerrapport, over de opdracht, de lezersgroepen, de bruikbaarheid; informatie over de auteur(s); bij twee auteurs: informatie over wie waar verantwoordelijk voor is (hoofdstukken, aspecten); dankbetuigingen. N.B. Een voorwoord is dus iets heel anders dan een inleiding! De inhoudsopgave Een inhoudsopgave geeft het raamwerk van een tekst weer. De lezer kan hiermee in één oogopslag de rode draad en innerlijke structuur van het afstudeerrapport zien. Ook weet hij direct waar hij in het afstudeerrapport bepaalde onderdelen kan vinden. De inhoudsopgave is bij het schrijven van het afstudeerrapport te gebruiken als een hulpmiddel voor het aanbrengen van structuur, van een logische lijn. Een inhoudsopgave bestaat uit: ­ indelingscijfers: decimale nummering (geen Romeinse cijfers) ­ volledige titels van alle hoofdstukken en paragrafen ­ aanduidingen van (noten), bronnenlijst (bijlage(n) ­ paginanummering Door (sub)paragrafen in te springen kunnen de verschillende tekstniveaus zichtbaar gemaakt worden. De paginanummering komt tegen de rechterkantlijn aan te staan. Dus bijvoorbeeld: Samenvatting....................................................................................................................... 1. Inleiding........................................................................................................................... 2. Nederland en de derde wereld...................................................................................... 2.1 De handelsbetrekking tussen Nederland en de derde wereld................................. 2.2 ................................................................................................................................. ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 4 6 12 14 3 Richtlijnen Afstudeerrapport De samenvatting Een samenvatting moet de hoofdlijnen van het rapport bevatten. Hij moet begrijpelijk, kort en informatief zijn. Hij wordt vooraan in het rapport opgenomen, opdat de lezer meteen kan zien of het rapport voor hem relevant is. De lezer moet de samenvatting kunnen begrijpen zonder het rapport te kennen. Gebruik dus geen begrippen die pas na lezing van het rapport duidelijk zijn. Maak korte, heldere zinnen. Zorg ervoor dat de samenvatting op één pagina past. In de samenvatting komt te staan: ­ onderwerpinformatie ­ probleemomschrijving/-analyse ­ probleemvraag ­ onderzoeksmethode ­ de belangrijkste resultaten kort samengevat ­ de (belangrijkste) conclusies ­ De inleiding Een inleiding is een vooruitblik op de inhoud en structuur van het verslag. Je beschrijft kort de aanleiding tot deze stage, de wederzijdse doelstellingen en de praktijkopdracht. Geef de plaats van de stage in je opleiding weer en je eigen verwachtingen. De inleiding bevat: ­ achtergrondinformatie/onderwerpsbeschrijving; ­ Waarom het rapport is geschreven, m.a.w. wat de opdracht was die aangepakt c.q. opgelost diende te worden. Dit wordt ook wel de probleemstelling genoemd; ­ Welke procedure er gevolgd is om tot een oplossing te komen; ­ De structuur van het rapport. Dit is een vooruitblik op de inhoud en opbouw van het afstudeerrapport N.B. Schrijf de inleiding pas als de hoofdtekst klaar is. De kernhoofdstukken Begin de hoofdstukken steeds met een inleidende tekst waarin staat wat je in het hoofdstuk gaat bespreken of analyseren, waarom je dat gaat doen en in welke volgorde. Eerst schrijf je een hoofdstuk waarin je weergeeft wat de achtergrond is van je opdracht. In welke context vindt het plaats, wat is het probleem en wat verwacht de opdrachtgever. Dit deel van de afstudeerrapport kan na twee tot vier weken geschreven en besproken worden. Je krijgt dan de volgende paragrafen: 1. Beschrijving van de context van de opdracht: o Het bedrijf of de organisatie waar vanuit de opdracht geformuleerd is; o De opdrachtomschrijving zoals die bij de aanvraag van de afstudeeropdracht goedgekeurd is; o Analyse van de opdracht. Dit wordt wel de onderzoeksvraag genoemd: wat is het doel van deze opdracht; wat wil men bereiken; o probleemvraag; wat is de eigenlijke vraag; o (definitie termen); o (randvoorwaarden); o deelvragen; hierin werk je de hoofdvraag uit in deelvragen. bijvoorbeeld de vraag of het (deel)product al bestaat en dat je het beter is dit te kopen of dat je bestaande software kan aanpassen of toch het helemaal moet zelf moet ontwikkelen. ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 4 Richtlijnen Afstudeerrapport Wat de andere hoofdstukken zijn, is afhankelijk van jouw opdracht. In ieder geval moet er een hoofdstuk zijn over de methoden/methodieken die je gebruikt. Zo zouden de andere hoofdstukken kunnen bestaan uit: 2. (Onderzoeks)methodebeschrijving en –verantwoording; 3. Ontwerp en realisatie van het product; 4. Testresultaten en evaluatie als je een product gemaakt hebt of een analyse van de resultaten als je een onderzoeksrapport gemaakt hebt. De conclusies In het hoofdstuk 'conclusies' geef je zeer kort antwoord op je probleemvraag (onderzoeksvraag/probleemstelling). Uitgebreide motiveringen zijn hier uit den boze, want die staan al in de kernhoofdstukken. Je bent hier uiteindelijk niet aan het samenvatten. De conclusies dienen echter wel te zijn gebaseerd op het uitgevoerde literatuur- en praktijkonderzoek en de vergelijking tussen die twee onderzoeksgebieden. Conclusies zijn gevolgtrekkingen. Ze geven aan in hoeverre de probleemstelling is opgelost en wat de betrouwbaarheid is van het verrichte onderzoek. Onthoud: Conclusies moeten begrijpelijk, kort en informatief zijn; Conclusies mogen geen nieuwe informatie bevatten: de onderbouwing moet in de hoofdstukken terug te vinden zijn; Zet conclusies altijd in de tegenwoordige tijd. N.B. Het is niet zo dat conclusies een samenvatting overbodig maken, want ze komen daarin slechts beknopt terug. De aanbevelingen (vooral bij adviesrapport) Plaats de aanbevelingen duidelijk apart van de conclusies. Aanbevelingen zijn niet direct afgeleid van je onderzoeksresultaten, maar vloeien juist voort uit en zijn gebaseerd op je conclusie(s). Het nawoord In het nawoord kun je persoonlijke evaluatieve opmerkingen kwijt, iets vertellen over de actuele ontwikkelingen en een blik werpen op de toekomst. De noten Als je van noten gebruik maakt, geef er dan uitsluitend toelichting of commentaar mee op de inhoud van de tekst. De tekst van de noten moet zelfstandig gelezen worden. Nummer noten doorlopend. Noteer het nummer van de noot achter de betreffende zin, iets boven de regel. Plaats de noot aan het eind van pagina, hoofdstuk of afstudeerrapport, op deze wijze: Noot 35 ... Voetnoten Voetnoten plaats je: of: onderaan de bladzijde; of: aan het einde van ieder hoofdstuk; of: aan het einde van je rapport. In voetnoten kun je informatie kwijt die niet direct noodzakelijk voor de tekst is, zoals literatuurverwijzingen. Zet geen dingen in je tekst tussen haakjes, maar plaats een voetnoot. ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 5 Richtlijnen Afstudeerrapport De bronnenlijst Ook bij een praktijkonderzoek maak je gebruik van geschreven bronnen. Denk bijvoorbeeld aan jaarverslagen, brochures, brieven, e.d. Deze bronnen dienen nauwkeurig vermeld te worden. In de bronnenlijst dien je ook je gesprekken met en observaties van personen te vermelden en wel zo: naam, aard van gesprek of activiteit, plaats, datum. Met de bronverwijzingen in de lopende tekst (zie hieronder) verwijs je naar publicaties en gesprekken die je in je bronnenlijst hebt staan. Een bronnenlijst zonder bronverwijzingen in de tekst is nutteloos. Rangschik in de bronnenlijst de publicaties en gesprekken alfabetisch op (auteurs)naam. Onderstreep of cursiveer boektitels en namen van tijdschriften. Zet titels van tijdschriften tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook de bronnenlijst achter in deze syllabus. Hieronder staan voorbeelden van diverse literatuurvermeldingen. Houd de verschillende vermeldingen voor de verschillende gevallen nauwgezet aan. ­ Gesprek: Klanser, K.L. Gesprek over jaarcijfers bloemenveiling Aalsmeer, Aalsmeer, 4 juli 2006. ­ Observatie: Klanser, K.L. Bevoorrading hal 3 bloemenveiling Aalsmeer, Aalsmeer, 4 juli 2006, 13.15 uur. ­ Eén auteur: Roode, H.A. de, Public Relations. Interne en externe communicatie voor organisatie en beleid, Deventer, 2005. ­ Twee auteurs: Roode, H.A. de, en Breder, K. .... ­ Drie auteurs: Roode, H.A. de, Breder, K. en Gerdig, J. .... ­ Meer dan drie auteurs: Roode, H.A. de, Breder, K. en Gerdig, J. e.a. .... Roode, H.A. de e.a., ..... ­ Boek van redacteur(en) in plaats van auteur(s): Roode, H.A. de (red.) e.a., ..... ­ Artikel/bijdrage in een verzamelwerk: Roode, H.A. de, ‘Interne en externe communicatie voor beleid’, In: Hendriks, V.J.K. (red.), Beleid en politiek, Zutphen, 2005. ­ Boek van instelling: Richtlijnen voor stageverslagen, rapport van Hogeschool Randstad, (interne publicatie), Amsterdam, 2006. ­ Ongepubliceerd werk: Richtlijnen voor stageverslagen, rapport van Hogeschool Randstad, ongepubliceerd, Amsterdam, 2006. ­ Vertaling van een boek: Perelman, Ch. en L. Olbrechts-Tyteca, The new rhetoric. A treatise on argumentation, Brussel, 2005 [Vertaling van La nouvelle rhétorique. Trait de l’argumentation, 2002]. ­ Tijdschriftartikel: Hoogewerf, A. ‘Het ontwerpen van overheidsbeleid. Een handleiding met toelichting’, Bestuurswetenschappen 38 (2005), p. 4-23. ­ Auteurloos artikel: z.n. ‘Het ontwerpen van overheidsbeleid’, de Volkskrant (26 mei 2006), p. 13. ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 6 Richtlijnen Afstudeerrapport Enkele voorbeelden van bronvermelding van bronnen op internet: Geef altijd aan wanneer je deze bron geraadpleegd hebt en de auteur ­ Gehele site: www.reflectiesite.nl ­ Deel van site, specifieke pagina en/of verduidelijking van inhoud http://studiegids.uva.nl/sgs/WebSite_nl (overzicht van alle opleidingen) http://www.bul.leidenuniv.nl/index3?m=51&c=5 (studiekeuze en loopbaan) www.fontys.nl/fit/dlnmrgeg.asp (Fontys interesse test) De bijlagen (altijd nummeren) Een bijlage geeft aanvullende informatie aan de lezer die meer wil dan de basisinformatie in de eigenlijke tekst. De informatie moet natuurlijk wel relevant zijn voor de kern van de afstudeeropdracht. Beperk het aantal. Als bijlagen kunt je bijvoorbeeld opnemen: ­ het onderzoeksplan ­ tabellen ­ aanvullende berekeningen ­ kopieën van vragenlijsten, formulieren, brieven ­ kaarten, tekeningen, schema’s Nummer de bijlagen en voorzie ze allemaal van een bondige en exacte titel (ook in de inhoudsopgave). Uiterlijk van het afstudeerrapport Een goede uiterlijke vorm van je afstudeerrapport houdt onder meer in dat je afstudeerrapport er aantrekkelijk uitziet. De toegankelijke presentatie nodigt de lezer uit de tekst te lezen en maakt hem ontvankelijk voor de inhoud ervan. Daarnaast moet de uiterlijke vorm functioneel zijn: overzichtelijk, typografisch goed leesbaar en een weerspiegeling van de opbouw van het afstudeerrapport. Bronverwijzing Een afstudeerrapport zonder relevante bronverwijzing is niet controleerbaar en daarmee per definitie onvoldoende. Vergeet dus niet in de tekst bij elke belangrijke nieuwe informatie (schriftelijke, mondeling of visuele) te verwijzen naar publicaties of andere bronnen. Geef met een naam aan van wie de gebruikte gegevens afkomstig zijn en eventueel hoe je ze hebt verkregen. Je verwijst in de lopende tekst naar de bron door het volgende te noemen: ­ auteursna(a)m(en) ­ jaartal van de publicatie ­ (paginanummer(s) als je naar een bepaalde passage verwijst) Het jaartal samen met de paginanummers en eventueel de auteursnaam kan tussen haakjes geplaatst worden. Voorbeelden: ­ Van den Dobbelsteen en Van der Smit (2011, p. 447-454) gaan er vanuit dat .... ­ Als we ervan uitgaan dat (Van den Dobbelsteen en Van der Smit, 2011S, p. 447-454)..... Illustraties: tabellen en figuren Voorschriften voor illustraties: ­ verwerk alleen illustraties die de tekst een meerwaarde geven; ­ plaats de illustraties zo dicht mogelijk bij het tekstgedeelte waarin je naar de illustraties verwijst; ­ verwijs in de tekst naar de illustraties; ­ interpreteer gegevens niet dubbel; dus niet zowel in de illustratie als in de tekst; ­ geef iedere illustratie apart een doorlopend nummer; ­ voorzie illustraties van een korte, los van de tekst te begrijpen, titel; ­ plaats de illustraties in bijlagen als ze erg talrijk of gedetailleerd zijn of als ze niet voor alle lezers van belang zijn. ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 7 Richtlijnen Afstudeerrapport Kopjes Begin paragraaftitels en tussenkopjes met een hoofdletter. Zet ze nooit helemaal in hoofdletters. Onderstreep ze niet. Zet nooit een punt of dubbele punt achter een kopje. Zorg dat erboven meer en eronder minder witregels zijn. Alinea’s Groepeer alinea’s met witregels. Binnen een alinea kunt je subalinea’s aanbrengen door in te springen met ongeveer drie spaties bij regelafstand 1 en met ongeveer vijf spaties bij regelafstand 1,5. Opsommingen Geef opsommingen aan met liggende streepjes. Wanneer je in de tekst verwijst naar onderdelen van de opsommingen kun je beter cijfers (of letters) gebruiken. Na het cijfer komt een punt. Na het cijfer met punt en na het liggende streepje komt één spatie. Als een onderdeel van een opsomming meer dan één regel beslaat, begint de tekst van de tweede regel (en eventueel volgende regels) recht onder de letter van het eerste woord van de regel erboven. Korte opsommingen: ­ kxxxx ­ kxxx Langere opsommingen: ­ kxxxxxxxxxxxxxxx; ­ kxxxxxxxxxxx. Lange opsommingen: ­ kxxxxxx, xxxxx, xxx.... xxxxxx; ­ kxxx, xxxxx. Opsommingen met verschillende zinnen: ­ Hxxxxx. Hxxxxxx.... xxxxxxx. ­ Hxxx. Hxxxxx. Voorbeelden en citaten Neem citaten letterlijk en correct over. Korte citaten kunnen tussen enkele aanhalingstekens in de lopende tekst worden geplaatst. Voor langere citaten of voorbeelden dien je na een witregel in te springen met ongeveer tien spaties. Aanhalingstekens zijn dan niet langer nodig. Je kunt bovendien bij lange citaten en voorbeelden kiezen voor een kleinere regelafstand samen met een kleiner lettertype. Een voorbeeld: Aanhalingstekens zijn dan niet langer nodig. U kunt bovendien bij lange citaten [...] kiezen voor een duidelijk kleinere regelafstand samen met een kleiner lettertype. Met vierkante haken met drie punten ertussen [...] geef je aan dat je een deel van de brontekst hebt weggelaten. Zet eigen opmerkingen in een citaat ook tussen vierkante haken. Indelingscijfers Gebruik de decimale nummering (1, 2, 2.1). Tussen cijfers staat een punt. Beperk het aantal niveaus tot hooguit drie (2.1.1). De nummering komt te staan voor het kopje met spatie. Lettertype en lettergrootte Kies voor een rustig lettertype en neem niet een te grote letter. Een mooie grootte is 11 punts. ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 8 Richtlijnen Afstudeerrapport Paginanummering Plaats de paginanummers niet tussen liggende streepjes en zet er ook geen punt achter. Meestal worden paginanummers rechts bovenaan de pagina geplaatst of in het midden onderaan de pagina. Laat tussen een paginanummer en de tekst twee regels wit. De omslag en de titelpagina krijgen geen nummer. Begin de pagina’s dus pas te nummeren na de titelpagina. Onderstrepingen/cursiveren Onderstreep altijd ononderbroken. Dus ook eventuele spaties. Als je de mogelijkheid hebt te cursiveren, laat dan het onderstrepen achterwege. Onderstreep, of liever cursiveer het volgende: titels van boeken en namen van tijdschriften; woorden die u veel nadruk wilt geven (doe dit spaarzaam); woorden in een citaat die in de brontekst cursief gedrukt staan; vreemde woorden; woorden die besproken worden (de zogenaamde zelfnoemfunctie). Spaties De algemene regel luidt: voor een leesteken geen spatie, na een leesteken wel. De uitzonderingen: geen spatie na een punt in een afkorting (voorbeeld: m.b.v.). Overigens: afkortingen zo weinig mogelijk gebruiken; geen spatie na een punt tussen initialen (voorbeeld: G.P. de Boer); geen spatie na een apostrof (uitzondering: bij s-klank: Beatrix’ hondje); geen spatie tussen twee leestekens (voorbeeld: ‘..’, zei hij); geen spatie na een koppelteken (voorbeeld: non-verbaal); wel een spatie voor een gedachtestreep (voorbeeld: dat komt nu niet - wanneer eigenlijk wel? – goed van pas). Spelling en stijl Voor de spelling van woorden en voor de spellingsregels dien je te raadplegen het zogenaamde ‘Groene Boekje’: http://woordenlijst.org/ Wanneer een woord niet in het Groene Boekje te vinden is, kan een goed woordenboek uitkomst bieden. Een beknopt overzicht van de spellings- en interpunctieregels vind je in Zakelijke Communicatie deel 1 (Janssen e.a. 2002, p. 91-102). Getallen Getallen worden in een lopende tekst met woorden geschreven. ­ getallen beneden de twintig, voorbeeld: zeventien. ­ ronde getallen vanaf twintig, voorbeeld: vijfhonderd, tachtig. Uitzonderingen: ­ alle getallen die aan meeteenheden voorafgaan, voorbeeld: 10 kg; ­ alle getallen die voorkomen in passages waarin veel getallen genoemd worden; ­ getallen van data, bedragen, voorbeelden: 5 mei 2006, € 50,-. Alle getallen beneden de honderd en het eventueel daaropvolgende woord honderd, duizend of honderdduizend worden aaneengeschreven. Voorbeeld: tweeënvijftigduizend negenhonderd negenenveertig (52.949). Enkele stijlinstructies ­ Verbind zinnen met verwijs- en signaalwoorden aan elkaar, zodat je verhaal vlot loopt. ­ Vermijd te veel passieven, opdat de stijl concreet wordt. (Passieven zijn te herkennen aan worden als “worden”, “werd”, “men”, “door Jansen”, “door Pietersen”. Maak deze zinnen actief door gewoon te zeggen wie wat doet. Dus niet “De hond wordt geslagen (door Jansen),” maar “Jansen slaat de hond”. ­ Vermijd te veel naamwoordstijl, zodat je schrijfstijl concreet wordt. (Naamwoordstijl is te herkennen aan tot naamwoorden omgebouwde werkwoorden: “Het vernemen van”, Omnivers heeft problemen ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 9 Richtlijnen Afstudeerrapport ­ met het verkopen van zijn duurzame producten.” Beter: “Omnivers verkoopt zijn duurzame producten niet gemakkelijk” Zorg voor afwisseling in de formuleringen. ICT-opleidingen Hogeschool van Amsterdam 10