Jaarverslag 2015

advertisement
Stichting Pensioenfonds Wonen
Jaarverslag 2015
Colofon
Dit jaarverslag is een uitgave van Stichting Pensioenfonds Wonen
administrateur
Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V.
Postbus 3183, 3502 GD Utrecht
telefoon: 088 008 40 02
datum
24 juni 2016
2
Voorwoord
3
Het bestuur van Stichting Pensioenfonds Wonen geeft in dit jaarverslag inzage in de
werkzaamheden, het beleid en de pensioenontwikkelingen gedurende het jaar 2015.
Het bestuur verstrekt duidelijkheid over en draagt eindverantwoordelijkheid voor de
financiële positie en de resultaten van het fonds. Dit jaarverslag is opgesteld in
overeenstemming met de richtlijnen voor de jaarverslaggeving.
In 2014 werd door de sociale partners opgedragen om het samengaan met Stichting
Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel per 1 januari 2015 te effectueren. DNB
had verzocht om met een combinatie van maatregelen te komen waardoor het verschil
in dekkingsgraad tussen Stichting Pensioenfonds Wonen en Stichting
Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel zal worden genivelleerd. Evenwel
bleken de voorgestelde maatregelen, zoals onder andere een bijdrage van BPF
Detailhandel en een voorlopige hogere premie voor het fonds, onvoldoende en was
een samengaan per 1 januari 2015 nog niet mogelijk. Vervolgens is de intentie
uitgesproken om per 1 januari 2016 het samengaan te realiseren. DNB en de Raad van
Toezicht dienen in te stemmen met dit samengaan. Eind juli 2015 bleek dat DNB
opnieuw de voorgestelde maatregelen als onvoldoende beoordeelde. Daarmee was de
voorgenomen fusie onmogelijk.
Het bestuur richt zich in 2016 vooralsnog op het zelfstandig voortzetten van het fonds.
4
In 2015 is het nieuwe financiële toetsingskader van kracht geworden. Met de
kwalitatieve omschrijving van de risicohouding hebben de sociale partners het kader
bepaald waarbinnen het pensioenfonds haar beleid kon concretiseren. Het bestuur
heeft in overleg met de sociale partners en het verantwoordingsorgaan keuzes gemaakt
waarbij de belangen evenwichtig werden afgewogen. Deze keuzes betreffen het
premie-, toeslag-, herstel- en beleggingsbeleid.
In 2015 is de financiële positie van Stichting Pensioenfonds Wonen slecht te noemen.
De vooruitzichten voor het fonds zijn vooralsnog niet positief als het gaat om de
ontwikkeling van de dekkingsgraad. Uit het herstelplan blijkt dat Stichting
Pensioenfonds Wonen naar verwachting tijdig uit reservetekort is. Het bestuur heeft
gekozen voor een hersteltermijn van 10 jaar.
Het bestuur bedankt iedereen die in het verslagjaar heeft bijgedragen aan het goed
functioneren van het pensioenfonds.
Inhoud
5
Voorwoord
3
Verantwoording en toezicht
Inhoud
5
5
Verantwoordingsorgaan
44
7
6
Raad van Toezicht
46
7
Jaarrekening
50
8
Overige gegevens
79
Bestuursverslag
1
2
3
Het fonds
1.1 Inleiding
1.2 Over het fonds
1.3 Het bestuur
1.4 De Raad van Toezicht
1.5 Het verantwoordingsorgaan
1.6 De geschillencommissie
1.7 Uitbesteding
8
8
9
10
11
11
11
Ontwikkelingen
13
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
Ontwikkelingen financiële positie van het fonds
Ontwikkelingen regelgeving en overheidsbeleid
Goed pensioenfondsbestuur Communicatie
Toezichthouder AFM en DNB
Financieel beleid
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
3.7
3.8
3.9
20
Inleiding
Premie
Toeslag
Kosten uitvoering pensioenbeheer
Pensioenvermogen en voorzieningen
Actuariële analyse
Risicoparagraaf
Beleggingen
Kosten uitvoering vermogensbeheer
21
21
21
21
23
24
25
31
37
4Uitvoering van de ­pensioenregeling
4.1
4.2
4.3
4.4
14
15
16
18
19
41
Inleiding
De pensioenregeling
Wijzigingen reglementen
Slotopmerkingen
42
42
43
43
6
5.1 Verslag
5.2 Reactie bestuur
6.1 Verslag
6.2 Reactie bestuur
7.1
7.2
7.3
7.4
7.5
7.6
8.1
8.2
8.3
8.4
Bijlagen
Balans per 31 december
Staat van baten en lasten
Kasstroomoverzicht
Algemene toelichting
Toelichting op de Balans
Toelichting op de staat van baten en lasten
Gebeurtenissen na balansdatum
Bestemming saldo van baten en lasten
Actuariële verklaring Controleverklaring van de onafhankelijke accountant Bijlage 1: Meerjarenoverzicht
Bijlage 2: Volumeveranderingen
Bijlage 3: Begrippenlijst 45
45
47
48
51
51
52
52
58
73
80
80
80
81
84
85
86
88
1Het fonds
7
1.1 Inleiding
Stichting Pensioenfonds Wonen heeft verschillende organen, zoals het bestuur en het
verantwoordingsorgaan. Daarnaast is een aantal externe partijen intensief bij het fonds
betrokken. In dit hoofdstuk stelt het fonds de betrokken organisaties, de bestuurs­
organen en externe partijen aan u voor. Maar eerst volgen de doelstelling en een aantal
algemene gegevens van het fonds.
1.2 Over het fonds
1.2.1 Naam en vestigingsplaats
Het fonds is opgericht op 1 januari 1970 en statutair gevestigd in Utrecht. Het fonds is
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Utrecht onder nummer 41178958. De
laatste statutenwijziging van het verslagjaar had als ingangsdatum 1 juli 2015. Het
fonds is aangesloten bij de Vereniging voor Bedrijfstakpensioenfondsen (VB). De
Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB) vormt samen met de Stichting voor
Ondernemingspensioenfondsen (OPF) en de Unie van Beroepspensioenfondsen (UvB)
de Pensioenfederatie.
1.2.2 Doelstelling, missie, visie en strategie
Doelstelling van het fonds is uitvoering te geven aan het pensioenreglement, zoals dat
geldt voor de aangesloten ondernemingen. Het fonds tracht dit doel te bereiken door
premies te innen bij de aangesloten ondernemingen. De gelden worden belegd en
beheerd en het fonds doet daaruit uitkeringen bij ouderdom, overlijden en
arbeidsongeschiktheid. Het fonds voert een beleid dat in overeenstemming is met deze
doelstelling. Dit beleid is vastgelegd in beleidsdocumenten, waarvan de Actuariële en
Bedrijfstechnische Nota (Abtn) de belangrijkste is.
Missie
Het fonds wil een goed pensioen voor de (gewezen) deelnemers tegen acceptabele
premie waarmaken. De motivatie is om bewust, transparant en verantwoord (denk aan:
kosten, risico’s, maatschappelijk, wetgeving) invulling te geven aan de pensioen­
overeenkomst, zoals afgesproken door de werkgevers en werknemers in de
detailhandel Wonen.
Visie (langere termijn)
•• Het aantal pensioenfondsen neemt af. De consolidatie gaat door tot een beperkt
aantal zeer goed georganiseerde pensioenfondsen resteert. Ook het fonds koerst
aan op een solider positie, met verminderde kwetsbaarheid door consolidatie. Met
schaalvoordelen en verdelen van de kosten over meer deelnemers (bestuurlijke
lasten, vermogensbeheer- en uitvoeringskosten).
•• Aanhoudende efficiency verbetering.
8
•• Collectiviteit, risicodeling en ‘not for profit’ blijven houdbare uitgangspunten om
werknemers binnen onze pensioenregeling van een inkomen voor later te kunnen
voorzien.
•• Deelnemers hebben binnen collectief gestelde grenzen een keuzemogelijkheid en
krijgen de informatie duidelijker aangereikt.
Strategie
De strategie leidt het pensioenfonds naar een efficiënter werkend fonds. Het fonds zal
die activiteiten uitvoeren die verplicht zijn of die nuttig en noodzakelijk worden geacht.
Daarvoor wordt een reële prijs betaald. Met dezelfde scherpte wordt het vermogens­
beheer uitgevoerd. Het bestuur is zich ervan bewust dat de pensioenfondsen door
toenemende wet- en regelgeving de laatste jaren een flink aantal verplichtingen erbij
hebben gekregen. Dit heeft ook tot een stijging van kosten geleid. Onder deze
omstandigheden streeft het pensioenfonds een stabiel en voorspelbaar premiebeleid na.
Wanneer het pensioenfonds die strategie verder voert en behalve autonome kosten­
beheersing, ook vermindering van risico’s en, waar nodig, hogere kwaliteit nastreeft, is
consolidatie een strategische optie voor het fonds. Het bestuur blijft daarom alert voor
de juiste omstandigheden en/of mogelijkheden (dekkingsgraadverschillen en
regelgeving) om dit, gepaard gaande met de gewenste voordelen, mogelijk te maken.
En daarbij weegt het bestuur de belangen van de deelnemers uiteraard zorgvuldig.
Het fonds maakt zich intussen klaar voor zo’n toekomst door beter gebruik te maken
van hedendaagse ICT, juistheid en compleetheid van onze data en lagere kosten per
deelnemer. Ook verdiept het fonds zich in de nieuwe vormen van samengaande/
-werkende pensioenfondsen en veranderende pensioenregelingen. Tevens volgt het
fonds de ontwikkelingen in haar omgeving.
1.2.3 Betrokken organisaties
INretail
Postbus 762
3700 AT Zeist
Telefoonnummer: 030 697 31 00
FNV
Postbus 8456
1005 AL Amsterdam
Telefoonnummer: 0900 3300300
CNV Vakmensen
Postbus 2525
3500 GM Utrecht
Telefoonnummer: 030 751 10 07
1.2.4 Ondersteuning en advies
Het pensioenfonds laat zich bij zijn werkzaamheden ondersteunen en/of adviseren
door de volgende partijen:
Nevenactiviteiten per 31 december 2015
Account Chief Investment Officer
C.M.H.G. de Vaan RBA, Achmea Investment Management
H.B.M. Grutters:
Bestuurder bij FNV
Bestuurslid Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel
Bestuurslid Coop Pensioenfonds tot 1 september 2015
Bestuurslid Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Levensmiddelenbedrijf
Adviserend actuaris
J. Beelen AAG, Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V.
Adviseur Beleggingsadviescommissie
H. Hoos RBA CeFA, Asset Advisors
1.2.5 Controle en certificering
Het pensioenfonds heeft voor de controle en certificering van de jaarrekening met de
volgende partijen een overeenkomst gesloten:
A.A.M. Steijaert:
Bestuurslid Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Kappersbedrijf
Bestuurslid Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Drankindustrie
Bestuurslid Pensioenfonds voor de Nederlandse Groothandel (tot 1 juli 2015)
K.A. Prosman
Bestuurslid bij Stichting Sociaalfonds Wonen
Certificerend actuaris
G. Veluwenkamp AAG, Towers Watson Netherlands B.V
M. Streuer:
Bestuurslid branchebureau mode
Certificerend accountant
L.H.J. Oosterloo RA, PricewaterhouseCoopers Accountants N.V.
1.3 Het bestuur
1.3.1 Samenstelling per 31 december 2015
Leden werkgevers
Geboortejaar
Benoemd tot
Organisatie
K.A. Prosman
1953
januari 2017
INretail
A.W.M. van der Heijden
1963
januari 2016
INretail
M. Streuer
1973
januari 2019
INretail
Leden werknemers
Geboortejaar
Benoemd tot
Organisatie
H.B.M. Grutters
1980
januari 2017
FNV
C. Lonsain
1957
januari 2016
CNV Vakmensen
A.A.M. Steijaert
1948
januari 2019
FNV
Leden pensioengerechtigden
Geboortejaar
Benoemd tot
Organisatie
G.J. Steenvoorden
1946
juli 2018
9
In 2015 was A.A.M. Steijaert voorzitter van het fonds en K.A. Prosman secretaris.
Per 1 januari 2016 zijn de heren K.A. Prosman en A.W.M. van der Heijden afgetreden
als bestuurslid. Het bestuur zal in 2016 uitgebreid worden met een drietal nieuwe
bestuursleden. Het bestuur heeft besloten dat de heer Steijaert in 2016 voorzitter blijft.
C. Lonsain:
Bestuurslid Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Agrarische en
Voedselvoorzieningshandel (Bpf AVH)
Bestuurslid Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Handel in Bouwmaterialen
(Bpf HiBiN)
Bestuurslid Stichting Pensioenfonds voor de Nederlandse Groothandel (SPNG)
Bestuurslid Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Particuliere Beveliging (PPB)
G.J. Steenvoorden:
Bestuurslid Stichting Plaswijckpark
Het bestuur van het fonds heeft de dagelijkse uitvoering van de werkzaamheden
uitbesteed aan Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V., Achmea Investment
Management B.V. en Syntrus Achmea Real Estate & Finance B.V. Deze
werkzaamheden betreffen pensioenadministratie, bestuursondersteuning en
vermogensbeheer. Uitgangspunt is dat het bestuur, conform de eisen van de
Pensioenwet, verantwoordelijk blijft voor de juiste uitvoering van de uitbestede taken.
1.4 De Raad van Toezicht
1.3.2 Bestuurlijke commissies
1.4.1 Samenstelling per 31 december 2015
In verband met toenemende complexiteit en de vele taken van het bestuur, heeft het
fonds een aantal bestuurlijke commissies ingesteld. Deze commissies doen
voorbereidend werk in kwesties waarover het bestuur een besluit moet nemen. Zij
kunnen in de voorbereidingsfase dieper ingaan op de achtergronden en consequenties
van te nemen beleidsbeslissingen. Tevens kan voor verdere uitvoering van besluiten een
specifiek mandaat aan de commissies worden verleend. De leden van de bestuurlijke
commissies kunnen zich laten bijstaan door externe deskundigen. In 2015 waren de
volgende bestuurlijke commissies werkzaam:
De Raad van Toezicht heeft als taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en
op de algemene gang van zaken in het pensioenfonds. Het orgaan onderhoudt een
actieve dialoog met het bestuur. Het is belast met het toezien op een adequate
risicobeheersing en evenwichtige belangenafweging door het bestuur.
Voorzittersoverleg
Het voorzittersoverleg van het fonds bestaat uit de werkgeversvoorzitter (K.A. Prosman)
en de werknemersvoorzitter (A.A.M. Steijaert). Het voorzittersoverleg vindt minimaal
vier keer per jaar plaats of zoveel vaker als nodig is. In het voorzittersoverleg bespreken
de werkgeversvoorzitter en de werknemersvoorzitter de agenda van de eerstvolgende
bestuursvergadering.
Jaarwerkcommissie
De commissie beoordeelt het jaarverslag.
DVO commissie/IRM commissie
De commissie volgt nauwlettend de dienstverleningsovereenkomst en vergadert
minimaal viermaal per jaar. De IRM commissie bereidt het integrale risicomanagement­
systeem van het fonds voor, is belast met het (bestuurlijk) beheer van dit systeem, doet
voorstellen aan het bestuur over het risicobeleid en bespreekt en beoordeelt de
risicorapportages en jaarlijkse ISAE rapportages van uitbestede partijen.
Beleggingsadviescommissie
Het bestuur van Stichting Pensioenfonds Wonen laat zich op vermogensbeheergebied
ondersteunen door de Beleggingsadviescommissie (BAC). De BAC geeft gevraagd en
ongevraagd adviezen aan het bestuur van Stichting Pensioenfonds Wonen ten behoeve
van het door het bestuur vast te stellen beleggingsbeleid en de uitvoering ervan.
Communicatiecommissie
De communicatiecommissie adviseert het bestuur over alle communicatie-uitingen van
het fonds en overlegt met de communicatieadviseur van het fonds. De communicatie­
commissie wordt gevormd door het dagelijks bestuur.
Adviescommissie bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten
De adviescommissie is bevoegd tot het adviseren van het bestuur bij het nemen van een
beslissing over een door een belanghebbende ingediend bezwaarschrift tegen een
besluit. De commissie behoefde in 2015 niet bijeen te komen.
Leden
Geboortejaar
Benoemd tot
H.J.P. Strang
1965
juli 2018
E.W. Martens
1954
juli 2018
P.J. Westland
1977
juli 2018
Nevenactiviteiten per 31 december 2015
H.J.P. Strang
Raden van toezicht bij:
Bedrijfstakpensioenfonds voor het Levensmiddelenbedrijf, voorzitter
Bedrijfspensioenfonds voor de Agrarische en Voedselvoorzieningshandel, lid
BPF Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas, de Groothandel in Verf,
het Glasbewerkings- en het Glazeniersbedrijf, lid
BPF GBP, lid
Bestuurslid bij Bedrijfstakpensioenfonds Waterbouw
Visitatiecommissie bij:
Coop Pensioenfonds, lid
Pensioenfonds Citigroup Nederland, lid
Pensioenfonds VNU, lid
Pensioenfonds ERIKS, lid
Heineken Pensioenfonds, lid
Douwe Egberts Pensioenfonds, lid
Pensioenfonds Givaudan Nederland (liquidatie), lid
Pensioenfonds Hewitt Nederland (afronding van 2014) , lid
Pensioenfonds Elsevier-Ondernemingen, voorzitter
Werkgroepen bij:
Kring van Pensioenspecialisten, medevoorzitter werkgroep Internationaal, kernlid van
werkgroepen Toekomst Pensioenstelsel en Pension Fund Governance
Vereniging Intern Toezichthouders Pensioensector, werkgroep Toezicht in de praktijk, lid
Andere activiteiten:
Diverse adviezen aan, begeleiding van, training van en activiteiten voor
verantwoordings­organen, besturen en pensioenuitvoerders, vermogensbeheerders
Kerndocent Stichting Pensioen Opleidingen
10
1.6 De geschillencommissie
E.W. Martens
Directeur AGH (Administratie Groep Holland)
Voorzitter Raad van Toezicht Stichting Detailhandelsfonds
Lid customer board Kasbank N.V.
Lid raad van aanbeveling Pensioenforum/IIR
Lid Kring van Pensioenspecialisten
Lid college van beroep Fair Produce
Lid VBA beleggingsprofessionals
Lid Raad van Advies NIMF (Netherlands Investment Managers Forum)
1.6.1 Samenstelling per 31 december 2015
Met ingang van 1 januari 2012 kent het pensioenfonds een geschillencommissie.
Het pensioenfonds heeft met een aantal andere pensioenfondsen een groep personen
benoemd waaruit de geschillencommissie kan worden samengesteld. Als secretaris van
de geschillencommissie treedt op een via Brunel Nederland B.V. aan te wijzen jurist.
De secretaris stelt in voorkomende gevallen de geschillencommissie samen uit onder­
staande groep personen en informeert het bestuur van het pensioenfonds hierover:
Leden
Benoemd tot en met
A.A.M. Broos
31 december 2015
W. van den Beucken
31 december 2015
A. Th. M. van Hulst
31 december 2015
1.5 Het verantwoordingsorgaan
D.A.J. Kamp
31 december 2015
N. Ruiter
31 december 2015
1.5.1 Samenstelling per 31 december 2015
A.W. van Vliet
31 december 2015
P.J. Westland:
Senior investment strategist, Blue Sky Group
Het verantwoordingsorgaan bestaat uit vier leden: twee deelnemers, een
gepensioneerde en een werkgever. De leden zijn benoemd door de volgende
organisaties:
•• CNV Vakmensen
•• INretail
•• FNV
•• Pensioengerechtigden
Het verantwoordingsorgaan is op 31 december 2015 als volgt samengesteld:
Leden
Geboortejaar
Benoemd tot
Organisatie
B. Keijzer
1954
juli 2019
INretail
W. de Graaf
1953
juli 2016
FNV
mw. M.J. Rutjes
1954
juli 2017
CNV Vakmensen
H.E.J.J. van Wijck
1944
juli 2018
Pensioengerechtigden
Naast regelmatige kontakten met het bestuur werd tweemaal vergaderd met de
voorzitters.
De geschillencommissie heeft tot taak het bestuur te adviseren over geschillen tussen de
deelnemer en het pensioenfonds over de uitvoering van de pensioenregeling wegens
een individuele beslissing die het bestuur jegens de belanghebbende heeft genomen. In
2015 hoefde de geschillencommissie voor het fonds niet bij elkaar te komen. Vanaf
januari 2016 is de geschillencommissie samengesteld uit 4 leden.
1.7 Uitbesteding
1.7.1 Uitvoeringsorganisatie
Het fonds heeft de administratie uitbesteed aan Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V.
Het vermogensbeheer is uitbesteed aan Achmea Investment Management B.V. en
Syntrus Achmea Real Estate & Finance B.V.
Met Syntrus Achmea Pensioenbeheer is per januari 2015 een nieuw contract
afgesloten voor drie jaar met een opzegtermijn van 6 maanden. Met Achmea
Investment Management is per 1 januari 2016 een nieuw contract afgesloten voor
drie jaar. Het contract heeft een opzegtermijn van 3 maanden.
Bij deze overeenkomst zijn het fonds en de genoemde ‘bedrijfsonderdelen’ van Achmea
partij.
Nadere afspraken over de kwaliteit van de dienstverlening zijn vastgelegd in aparte
dienstverleningsovereenkomsten (DVO’s) voor pensioenbeheer, vermogensbeheer en
vastgoedbeheer.
11
Alle overeenkomsten bieden de mogelijkheid om de bestaande dienstverlening
tussentijds aan te passen of nieuwe diensten toe te voegen. Het bestuur en de
uitvoerder leggen eventuele nieuwe afspraken altijd schriftelijk vast.
Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V. heeft in 2015 elk kwartaal aan het bestuur
gerapporteerd over de DVO-afspraken. Ook van Achmea Investment Management B.V.
en Syntrus Achmea Real Estate & Finance B.V. ontving het bestuur elk kwartaal een
rapportage.
1.7.2 Klantenraad
Syntrus Achmea Pensioenbeheer heeft een Klantenraad. Het belangrijkste doel van
deze Klantenraad is het gezamenlijk nadenken over belangrijke thema’s in de
pensioenwereld. Daarnaast is de Klantenraad een platform om veranderingen in de
dienstverlening van de uitvoeringsorganisatie te toetsen. In 2015 kwam de Klantenraad
van Syntrus Achmea Pensioenbeheer drie keer bijeen. Het pensioenfonds heeft één
zetel. De leden van de Klantenraad kiezen uit hun midden een Raad van Advies. De
Raad van Advies adviseert de directie van Syntrus Achmea Pensioenbeheer gevraagd en
ongevraagd.
1.7.3 Compliance officer
Met ingang van 2009 heeft het bestuur besloten haar compliance werkzaamheden zelf
uit te voeren. In 2015 hebben zich geen issues voorgedaan.De voorzitter fungeert als
compliance officer. Het bestuur heeft besloten om de compliance officer vanaf 2016
extern aan te stellen.
12
2Ontwikkelingen
13
2.1 Ontwikkelingen financiële positie van het fonds
Herstelplan
De belangrijkste maatregel uit het herstelplan is dat het fonds niet of slechts gedeeltelijk
toeslag verleend. In het herstelplan is rekening gehouden met een leidraad voor
toeslag. De gebruikte leidraad is als volgt:
••
••
••
••
Indiende beleidsdekkingsgraad lager is dan 110%, wordt geen toeslag toegekend.
Bij een beleidsdekkingsgraad van meer dan 110%, maar minder dan de
indexatiedekkingsgraad, wordt de geambieerde toeslag naar rato toegekend.
Bij een beleidsdekkingsgraad hoger dan de indexatiedekkingsgraad kan de
geambieerde toeslag volledig worden toegekend.
Dekkingsgraad
De dekkingsgraad is de verhouding tussen reserves (pensioenvermogen) en
de verplichtingen van een fonds. De vaststelling van de hoogte van de
verplichtingen hangt af van de dekkingsgraad die berekend moet worden
(zie hieronder).
Actuele Dekkingsgraad
Betreft de maandelijks vast te stellen dekkingsgraad op basis van de ultimo
van de maand aanwezige reserves en verplichting van het fonds op basis van
de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur (RTS). De actuele
dekkingsgraad wordt ultimo het jaar gecontroleerd door de externe
accountant en actuaris van het fonds.
Beleidsdekkingsgraad
De beleidsdekkingsgraad wordt berekend door het gemiddelde te nemen van
de actuele dekkingsgraden over de afgelopen 12 maanden. Een pensioen­
fonds is wettelijk verplicht om de beleidsdekkingsgraad te gebruiken als
basis voor bepaalde beleidsbeslissingen, bijvoorbeeld beslissingen over
indexatie. Daarnaast is de beleidsdekkingsgraad onder meer van belang om
te bepalen of een pensioenfonds voldoende buffers heeft.
Vereiste dekkingsgraad
De vereiste dekkingsgraad geeft aan hoe hoog de beleidsdekkingsgraad van
een pensioenfonds moet zijn, rekening houdend met extra buffers (het
Vereist Eigen Vermogen) waarvan de wijze van berekening wettelijk is
vastgelegd. Is de beleidsdekkingsgraad hoger dan de vereiste dekkingsgraad,
dan beschikt het pensioenfonds over een financiële buffer die voldoende is.
Deze buffer dient om schommelingen in de waarde van de beleggingen en
de verplichtingen op te vangen. Is de beleidsdekkingsgraad lager dan de
vereiste dekkingsgraad, dan is de buffer onvoldoende groot.
Minimaal vereiste
dekkingsgraad
De minimaal vereiste dekkingsgraad geeft aan hoe hoog de beleids­
dekkingsgraad van een pensioenfonds moet zijn, rekening houdend met het
minimaal Vereist Eigen Vermogen. Dit vermogen is de ondergrens van de
extra buffers (het Vereist Eigen Vermogen). De wijze van berekening is
wettelijk vastgelegd.
Als de beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds langer dan 5 jaar onder
dit minimum ligt, zijn ingrepen zoals verlagen van de aanspraken noodzakelijk.
De toeslag is voor zowel actieven als niet-actieven op basis van het prijsindex-cijfer.
Financiële positie per einde 2015
De vereiste dekkingsgraad bedroeg 120,9%. De minimaal vereiste dekkingsgraad
bedroeg 104,4%. Einde 2015 is de beleidsdekkingsgraad bepaald op 103,3%. Dit
betekent dat er sprake is van zowel een reserve- als een dekkingstekort omdat de
beleidsdekkingsgraad lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad. Het tekort
bedrag 1,1%.
•• Er is sprake van een reservetekort wanneer de beleidsdekkingsgraad lager is dan de
vereiste dekkingsgraad.
•• Er is sprake van een dekkingstekort wanneer de beleidsdekkingsgraad lager is dan
de minimaal vereiste dekkingsgraad.
Een nieuw herstelplan
In verband met de overgang naar het nieuwe FTK zijn alle lopende herstelplannen
automatisch per 1 januari 2015 komen te vervallen. Onder het nieuwe FTK is er
opnieuw sprake van een tekort. Stichting Pensioenfonds Wonen heeft een nieuw
herstelplan moeten opstellen en deze voor 1 juli 2015 bij DNB ingediend. In dit nieuwe
herstelplan werkt het fonds uit hoe het uiterlijk binnen twaalf jaar op basis van de
beleidsdekkingsgraad en de nieuwe regels voldoet aan het vereist eigen vermogen. Het
herstel vindt voornamelijk plaats door verwachte beleggingsopbrengsten, premieinkomsten, vrijval solvabiliteit bij verleende uitkeringen en het achterwege blijven van
toeslagen. Wanneer dit evenwel onvoldoende blijkt om volledig te herstellen, dan is
nominaal korten veelal het uiterste redmiddel.
14
Uit het op 1 juli 2015 ingediende herstelplan blijkt een verwachte dekkingsgraad
per 31 december 2015 van 109,0%. Aangezien de werkelijke dekkingsgraad
98,4% bedraagt, loopt het pensioenfonds achter op het herstelplan. Het fonds
heeft het huidige hersteplan geactualiseerd en dit voor 1 april 2016 ingediend
bij DNB.
Samengaan met Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel
In 2014 hebben de gesprekken met BPF Detailhandel een vervolg gekregen. DNB
heeft verzocht om met een combinatie van maatregelen te komen waardoor het verschil
in dekkingsgraad tussen PF Wonen en BPF Detailhandel zal worden opgeheven.
Evenwel bleken de maatregelen onvoldoende en was een samengaan per 1 januari 2015
niet mogelijk. De sociale partners hebben vervolgens opdracht gegeven om beide
fondsen per 1 januari 2016 samen te laten gaan. Inmiddels is gebleken dat DNB niet
akkoord kon gaan met de voorgestelde maatregelen om het verschil in dekkingsgraad
tussen beide fondsen te nivelleren. Het bestuur van het fonds heeft besloten de
komende tijd te focussen op zelfstandig verder gaan.
2.2 Ontwikkelingen regelgeving en overheidsbeleid
AOW-leeftijd in stappen omhoog
De AOW-leeftijd gaat in stappen omhoog naar 67 jaar. In 2015 gingen de Tweede
en Eerste Kamer akkoord met een versnelde verhoging van de AOW-leeftijd.
De AOW-leeftijd wordt vanaf 2016 in stappen van 3 maanden verhoogd. En vanaf
2018 in stappen van 4 maanden. Daarmee wordt de AOW-leeftijd 66 jaar in 2018
en 67 jaar in 2021. Dat is sneller dan eerder afgesproken. Na 2021 wordt de
AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting.
Invoering nieuw FTK
Het nieuwe Financieel Toetsingskader (nFTK) werd op 1 januari 2015 van kracht. Dat
betekende dat sociale partners en het pensioenfonds in 2015 explicietere en vollediger
afspraken over pensioen maakten. Deze afspraken betreffen de risicohouding welke
onder andere tot uitdrukking komt in het premie- en toeslagbeleid. Sociale partners
beslissen over de inhoud van de pensioenregeling en de bijbehorende parameters zoals
de franchise en/of het maximum pensioengevend salaris.
Er was tot 1 juli de tijd om de regeling FTK-proof te maken. Het nFTK is ook van
invloed op het toeslagbeleid, het premiebeleid en het beleggingsbeleid. Ten behoeve
van het nFTK bepaalde PF Wonen opnieuw de ambities en risicohouding. Normaal
gesproken mag een fonds in herstel niet kiezen voor een hoger risico profiel. Maar
fondsen die op 1 januari 2015 in een tekortsituatie zaten, konden eenmalig het
beleggingsbeleid aanpassen mits ten tijde van die aanpassing over het minimaal
vereist eigen vermogen werd beschikt. Achtergrond van deze vrijstelling is dat fondsen
de mogelijkheid krijgen hun beleid op de gewijzigde wetgeving aan te passen.
15
Het pensioenfonds heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft het risicoprofiel aangepast
met als doel om meer kansen te hebben op een verbeterd resultaat met een kleine
verhoging van het risicoprofiel.
Het nFTK is gericht op de bescherming van nominale pensioenen. Het toeslagbeleid
moest zo concreet mogelijk gemaakt worden. Het kortingsbeleid wordt ook van te
voren vastgesteld. Het bestuur heeft afgesproken om een eventuele korting uit te
smeren over 10 jaar. De regels voor indexeren zijn sinds 2015 wel strenger geworden.
Toeslagen moeten vanaf 2015 toekomstbestendig zijn. Toekomstbestendig betekent
dat niet alleen het komend jaar, maar ook naar verwachting de daaropvolgende jaren de
betreffende toeslag kan worden toegekend.
Met een haalbaarheidstoets kijkt het fonds of de afgesproken ambities worden
gerealiseerd en ook of het premiebeleid voldoende realistisch en haalbaar is. En of het
pensioenfonds voldoende herstelcapaciteit heeft. Bij grote veranderingen zoals de
invoering van het nFTK, een nieuwe pensioenregeling of een andere significante
wijziging voert het pensioenfonds een “aanvangshaalbaarheidstoets” uit. Vervolgens
doet het fonds ieder jaar de “jaarlijkse haalbaarheidstoets”. Zo heeft ook PF Wonen een
“aanvangshaalbaarheidstoets” uitgevoerd en deze tijdig ingediend bij DNB.
PF Wonen moest direct bij ingang van het nFTK een nieuw herstelplan maken, omdat
de regels strenger zijn dan vóór 2015. Daardoor moest PF Wonen voor 1 juli 2015 een
herstelplan bij DNB indienen. Toezichthouder De Nederlandsche Bank controleerde de
implementatie van het nFTK en beoordeelde het ingediende herstelplan.
De Ultimate Forward Rate (UFR)
De Ultimate Forward Rate (UFR) is een modelmatige benadering van de marktrente
voor pensioenverplichtingen met een termijn langer dan 20 jaar. De UFR ging omlaag
van 4,2% naar 3,2% eind 2015. Dit betekende een lagere dekkingsgraad. Door de
nieuwe UFR moest PF Wonen de ALM-studie en de houdbaarheid van het financiële
beleid opnieuw onder de loep nemen. Met behulp van een ALM studie is een
strategisch beleggingsbeleid vastgesteld dat past bij de doelstelling en de risicohouding
van PF Wonen. Vervolgens is met behulp van een portefeuilleconstructie, binnen het
ALM risicobudget, verder invulling gegeven aan het strategisch beleggingsbeleid.
Het pensioenfonds vergrootte in 2015 het risicoprofiel door middel van een verlaging
van de renteafdekking (van 90% afdekking van de technische voorziening uitgaande
van de UFR naar een 60% afdekking) omdat het als lange termijn scenario meer wenst
te profiteren van een mogelijke rentestijging. De huidige lage renteniveaus zorgen
tevens voor lage verwachte rendementen op de investment grade obligaties waardoor
een verschuiving naar meer risicovollere beleggingscategorieën benodigd is om het
rendementspotentieel te behouden. Dit heeft ertoe geleid dat het pensioenfonds de
aandelenallocatie heeft verhoogd ten koste van obligaties. PF Wonen diende voor
1 januari 2016 een nieuwe aanvangshaalbaarheidstoets in bij DNB, gebaseerd op het
nieuwe strategische beleggingsbeleid.
2.3 Goed pensioenfondsbestuur
De Code Pensioenfondsen legt de nadruk op het beïnvloeden van het gedrag van
bestuurders, intern toezichthouders en belanghebbenden in de verantwoordings­
functie. Per orgaan zijn normen opgenomen over taak en werkwijze, samenstelling en
zittingsduur, geschiktheid, benoeming, schorsing en ontslag. Daarnaast zijn over­
koepelende thema’s opgenomen. De thema’s gaan zowel over het eigen functioneren
van het fonds als van dienstverleners. Voorbeelden hiervan zijn integraal risico­
management, communicatie en transparantie, verantwoord beleggen, kosten,
uitvoering en uitbesteding, geschiktheid, diversiteit, integer handelen en
beloningsbeleid.
Normen 27 – 29 gaan over de keuzes die het bestuur maakt over verantwoord
beleggen en dat er draagvlak is voor deze keuzes. Dit beleid is in 2015 via de website
beschikbaar gesteld. In paragraaf 3.7.2 wordt het beleid nader toegelicht.
Pensioenfondsen leven de Code na op basis van het “pas toe of leg uit-beginsel”. Een
pensioenfonds past de normen van de Code toe of zet in het jaarverslag gemotiveerd
uiteen waarom een norm niet (volledig) is toegepast.
In normen 38 en 39 wordt de onafhankelijke uitvoering van de controlewerkzaamheden
door een accountant en actuaris benadrukt. Het bestuur houdt een jaarlijkse evaluatie
met de certificeerders en eenmaal in de drie jaar worden contractonderhandelingen
gevoerd op basis van offertes van meerdere partijen.
Toelichting op naleving normen code pensioenfondsen in 2015
Normen 1 – 9 gaan over de taak en werkwijze van het bestuur. Het bestuur heeft deze
normen geborgd in de statuten en reglementen. In 2015 is in november de missie, visie
en strategie vastgesteld nadat gesproken is met het verantwoordingsorgaan en de
sociale partners. In februari 2015 is een noodprocedure in geval van een crisissituatie
vastgesteld.
Normen 10 – 13 hebben betrekking op de rol van het belanghebbendenorgaan. Die is
bij een bedrijfstakpensioenfonds niet van toepassing.
Normen 14 - 16 gaan over de taken en werkwijze van de Raad van Toezicht. In 2015
heeft de Raad van Toezicht voor het eerst haar jaarrapport opgesteld. Dit rapport is
besproken met het bestuur en de aanbevelingen van de Raad van Toezicht zijn door het
bestuur van een reactie voorzien.
In normen 30 – 37 wordt de eindverantwoordelijkheid van het bestuur benadrukt en
wordt aangegeven dat moet worden gehandeld in het belang van het pensioenfonds.
Bij de evaluatie van de uitvoering moet het bestuur de kwaliteit en de kosten bespreken.
In 2015 werd een nieuw uitbestedingsbeleid en een klokkenluidersregeling
vastgesteld.
In normen 40 – 44 is vastgelegd dat het bestuur klachten en geschillen goed moet
afhandelen en ook dat zaken die niet goed gaan gemeld kunnen worden zonder dat
iemand bang hoeft te zijn voor de consequenties daarvan. Het bestuur besloot in 2016
de geschillencommissie voor een tweede termijn van vier jaar te benoemen.
In normen 45 – 71 wordten de benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders, leden
van de Raad van Toezicht en het verantwoordingsorgaan besproken. Het belang van
deskundigheidsbevordering en het evalueren van het functioneren van de organen
wordt benadrukt en voor alle rollen moeten profielschetsen worden opgesteld, zodat
de juiste persoon wordt benoemd. In 2015 werd de profielschets voor een bestuurslid,
na goedkeuring door de Raad van Toezicht, vastgesteld.
Normen 17 – 22 beschrijven hoe het bestuur verantwoording aflegt. Niet alleen over
de resultaten, maar ook over het gevoerde beleid, het naleven van de Code
Pensioenfondsen, de risico’s die gelopen worden en de kosten die gemaakt worden. In
2015 vergaderde het bestuur (delegatie van) tweemaal samen met het
verantwoordingsorgaan.
In normen 72 – 76 wordt aandacht besteed aan integer handelen: de schijn van
persoonlijke bevoordeling of belangenverstrengeling moet worden voorkomen en de
gedragscode moet worden nageleefd en ondertekend. In 2015 werd de gedragscode
aangescherpt waarmee ook leden van de Raad van Toezicht en het verantwoordings­
orgaan onder de gedragscode gingen vallen. Zowel het bestuur als de leden van de
Raad van Toezicht ondertekenden over 2015 een verklaring van naleving van de
gedragscode.
Norm 23 en 24 gaan over het risicomanagement. Het pensioenfonds maakt hiervoor
gebruik van een risicomanagementsysteem: RisicoMaat. In 2015 is de RisicoMaat
gevuld en in werking getreden. Bij bestuursbesluiten wordt een risicovoorlegger en
risicoparagraaf opgesteld die de risico’s expliciet benoemt.
Normen 77 – 81 gaan over het beloningsbeleid. Dit beleid moet passen bij de taken en
verantwoordelijkheden van functionarissen en bij de bedrijfstak waarvoor de pensioen­
regeling wordt uitgevoerd. Het beloningsbeleid is openbaar en beschikbaar via de
website.
Norm 25 en 26 gaan over communicatie en transparantie. Het bestuur stelt ieder jaar
een communicatiejaarplan op en eenmaal in de drie jaar een communicatiebeleidsplan.
De monitoring vindt plaats in de communicatiecommissie.
Normen 82 en 83 hebben betrekking op naleving van wet- en regelgeving. In 2015 is
hieraan voldaan. Het bewaken hiervan is een doorlopende activiteit van het bestuur.
16
Inventarisatie pensioenfonds
In bepaalde gevallen wijkt het bestuur af van normen uit de Code. Hieronder treft u een
overzicht van de normen waar het bestuur gemotiveerd van afwijkt of nog actie op
onderneemt.
Norm
Motivering / actie
Checklist Code Pensioenfondsen punt 39
(Bestuur beoordeelt (minimaal 4-jaarlijks) functioneren
van accountant en actuaris)
Jaarlijks wordt de opdrachtbevestiging van
accountant en actuaris besproken en daarmee is
ook het functioneren ondervangen.
Code Pensioenfondsen punt 50
(Bestuur zorgt voor een programma van permanente
educatie voor leden bestuur)
Het bestuur heeft eind 2015 besloten een
programma van permanente educatie op te
stellen.
Code Pensioenfondsen punt 66 tot en met 71
(diversiteitsbeleid)
Het bestuur heeft geen specifieke doelen
geformuleerd op het gebied van leeftijd en
geslacht. Bij invulling bestuur wordt sterk belang
gehecht aan complementariteit ten aanzien van
deskundigheid/kennisgebied, werkervaring en
type persoonlijkheid.
Klachten
Wanneer een deelnemer, een slaper, een gepensioneerde of een werkgever het niet
eens is met de uitvoering van de pensioenregeling of de behandeling omgangsvormen
of dienstverlening van de medewerkers van de uitvoeringsorganisatie die de regeling
uitvoeren en dit kenbaar maakt, dan is er sprake van een klacht. De DVO commissie
wordt per kwartaal door middel van een rapportage over dit onderwerp geïnformeerd.
Op deze wijze bewaakt het bestuur de afhandeling van de klachten en komen
verbeteringen in de processen tot stand. In 2015 was er sprake van 106 klachten
waarvan 58 gegrond en 48 ongegrond. 102 klachten waren incidenteel en 4 klachten
structureel. De klachten hebben geleid tot een verandering van het afkoopbeleid van
slapers vóór 2007. Het bestuur heeft besloten om afkoop van rechten van slapers van
vóór 2007 te gaan afkopen indien de dekkingsgraad van het fonds dit toelaat. Naar
verwachting zal dit in 2016 kunnen worden uitgevoerd.
Deskundigheidsbevordering
Een pensioenfondsbestuurder moet vanaf de eerste dag van zitting aan alle
geschiktheidseisen voldoen. Het fonds zorgt er voor dat nieuwe en bestaande
pensioenfondsbestuurders geschikt en deskundig zijn. Het bestuur wil niet alleen
beschikken over voldoende kennis maar ook over de noodzakelijke competenties om
daadkrachtig en effectief de functie uit te oefenen. In de jaren 2015 en 2016 hebben
een aantal bestuursleden de nodige opleidingen gevolgd op het gebied van
risicomanagement en vermogensbeheer, niveau B en governance A.
17
Zelfevaluatie
Het bestuur heeft een procedure vastgesteld voor een periodieke zelfevaluatie. Het gaat
om het functioneren van het bestuur als geheel en van de individuele bestuursleden
afzonderlijk. Doel van de zelfevaluatie is de kwaliteit van het bestuur in stand te houden
en/of te verbeteren. In december 2015 heeft het bestuur haar zelfevaluatie gehouden.
Gebleken is dat het bestuur haar verantwoordelijkheid en taak helder heeft. De
communicatie tussen de bestuursleden onderling blijft van groot belang evenals het
centraal stellen van het deelnemersbelang bij de besluitvorming.
Beloningsbeleid
Met het besluit FTK van 7 augustus 2013 (Art. 21a) ontstaat de verplichting voor
pensioenfondsen tot schriftelijke vastlegging en openbaarmaking van het beloningsbeleid.
Begin 2014 heeft het bestuur met elkaar gesproken over een passend beloningsbeleid
gezien de vereiste beschikbaarheid, de tijdsbesteding, de complexiteit van pensioen­
fondsen­land, de eisen van de DNB betreffende deskundigheid, de verantwoordelijkheid
en de risico’s die bestuurders lopen door plaats te nemen in het bestuur van een
pensioenfonds.
Het bestuur van het pensioenfonds is van mening dat de vergoeding voor de
bestuursleden onder meer aan de volgende criteria moet voldoen:
•• passende marktconforme beloning die aansluit bij de kwaliteiten van de bestuurders,
de beschikbaarheid en de tijdsbesteding;
•• vasthouden aan de richtlijnen zoals die in de pensioenbranche van kracht zijn (DNB,
Code Pensioenfondsen en Pensioenfederatie);
•• daar waar van toepassing kostendekkend voor de voordragende organisatie (FNV,
CNV Vakmensen en INretail).
Het bestuur heeft besloten om bestuursleden met ingang van 1 januari 2014 een vaste
jaarlijkse vergoeding toe te kennen. Hierin zijn alle kosten begrepen (zoals bijvoorbeeld
reis- en verblijfkosten, en representatiekosten). Ook leden van de raad van toezicht
ontvangen een vaste jaarlijkse vergoeding. Voor het verantwoordingsorgaan wordt per
vergadering een vacatievergoeding betaald.
In de onderstaande tabel zijn de afspraken inzake de beloning voor leden van bestuur,
raad van toezicht en verantwoordingsorgaan opgenomen.
Orgaan
Belonging
Toelichting
Bestuursleden
€ 30.000,-
Vaste vergoeding per jaar (op basis van 1 dag per week),
incl. onkosten, excl. BTW
Voorzitters bestuur
€ 60.000,-
Vaste vergoeding per jaar (op basis van 2 dagen per week),
incl. onkosten, excl. BTW
Raad van toezicht
€ 10.000,-
Vaste vergoeding per jaar, incl. onkosten, excl. BTW
Voorzitter Raad van toezicht
€ 12.500,-
Vaste vergoeding per jaar, incl. onkosten, excl. BTW
Verantwoordingsorgaan
€ 410,-
Per vergadering, excl. reiskosten en verblijfskosten
Het beloningsbeleid is terug te vinden op de website van het pensioenfonds.
De beloningen worden verder toegelicht in de jaarrekening onder de paragraaf
pensioenuitvoeringskosten.
Naleving van de gedragscode
Sinds 2001 heeft het bestuur een gedragscode. Doel van deze gedragscode is het stellen
van regels en richtlijnen voor bestuursleden. Deze regels moeten belangenconflicten
tussen het fonds en betrokkenen in privé voorkomen. Daarnaast is in de gedragscode
vastgelegd hoe bestuursleden moeten omgaan met vertrouwelijke informatie van het
pensioenfonds. De gedragscode bevordert de transparantie en zorgt ervoor dat alle
betrokkenen, ook voor hun eigen bescherming, duidelijk weten wat wel en niet
geoorloofd is. Elk bestuurslid verklaart schriftelijk de gedragscode te zullen naleven. De
compliance officer bewaakt verder de naleving van de gedragscode. Vanaf 2009 was de
voorzitter van het fonds belast met de compliance functie. Het bestuur heeft in 2015
vanuit het oogpunt van objectiviteit, besloten de compliance werkzaamheden vanaf
2016 extern te beleggen. De naleving van de gedragscode in 2015 is akkoord
bevonden. In 2015 heeft het bestuurde gedragscode in lijn gebracht met de nieuwe
model gedragscode van de Pensioenfederatie. Dit betreft met name een aanscherping
rondom belangenverstrengeling. De gedragscode is eveneens van toepassing voor de
leden van de raad van toezicht en het verantwoordingsorgaan alsmede voor externe
leden van commissies en andere personen die door het bestuur zijn aangewezen.
Raad van Toezicht
Dit intern toezichtorgaan heeft als taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur
en op de algemene gang van zaken in het pensioenfonds. Het orgaan onderhoudt een
actieve dialoog met het bestuur. Het is belast met het toezien op een adequate
risicobeheersing en evenwichtige belangenafweging door het bestuur. De Raad van
Toezicht legt verantwoording af over de uitvoering van de taken aan het
verantwoordingsorgaan. Het interne toezicht betrekt in zijn toezicht de naleving door
het fonds van normen in de Code Pensioenfondsen.
en daar waar nodig bijsturing. Integraal risicomanagement is niet statisch. Het moet
worden aangepast aan de veranderende omstandigheden. Dat vraagt van het bestuur van
het pensioenfonds risicobewustzijn, gezond verstand, kennis en een voortdurende
kritische houding.
De keuze is gemaakt om het risicobeheer in te richten met RisicoMaat van Syntrus
Achmea Pensioenbeheer. Er is een stappenplan opgesteld dat ertoe leidt dat het
risicobeheer in 2015 volledig operationeel was.
Het bestuur heeft het belang van risicomanagement onderkend en heeft in 2016 een
aparte IRM commissie benoemd.
2.4 Communicatie
Pensioenfonds Wonen vindt dat het een zorgplicht heeft richting de deelnemers.
Daarom biedt het fonds handelingsperspectief door inzicht en overzicht te geven aan de
deelnemers over hun pensioensituatie en gebeurtenissen die daarop van invloed zijn.
Werknemers en werkgevers hebben in de beleving van het fonds ook een eigen
verantwoordelijkheid in de vorm van een haalplicht. De focus ligt derhalve op digitale
communicatie. De nieuwe Wet Pensioencommunicatie die 1 juli 2015 ingevoerd is,
maakt digitale communicatie binnen wettelijke kaders steeds meer mogelijk. PF Wonen
wil gebruik maken van deze digitale mogelijkheden voor zover deze aansluiten bij haar
doelstelling, het bieden van handelingsperspectief. De website vervult in deze opzet een
centrale rol. Hier vindt de deelnemer de meest actuele informatie en wordt achtergrond­­
informatie geboden Voor de implementatie van de Wet Pensioencommunicatie is in
2015 een stappenplan uitgewerkt. De twee belangrijkste pijlers uit dit stappenplan zijn
de vervanging van de startbrief door het pensioen 1-2-3 en het herschrijven van
brieven in begrijpelijke taal. Eind 2015 zijn de voorbereidingen voor implementatie
gestart die uiterlijk 1 juli 2016 gereed zal zijn.
Risicobeheer
Pensioenfondsbesturen moeten voldoen aan alle wet- en regelgeving en controle hebben
over alle risico’s die zich voordoen. De Pensioenwet verplicht het bestuur tot het treffen
van maatregelen voor een integere en beheerste bedrijfsvoering. Deze verplichting gaat
verder dan de maatregelen die het bestuur heeft getroffen op het gebied van compliance
en de gedragscode die het pensioenfonds heeft. Het gaat om een risicobeleid, waarbij
integriteitrisico’s en ook andere risico’s in kaart worden gebracht.
Communicatiejaarplan
Elk jaar wordt een communicatiejaarplan opgesteld waarin de communicatieactiviteiten
(met planning en kosten) van het
betreffende jaar worden beschreven. In 2015 zijn de volgende activiteiten gerealiseerd:
•• introductie vernieuwde responsive website;
•• actie verzamelen e-mailadressen;
•• 3 nieuwsbrieven aan deelnemers, gepensioneerden en werkgevers op papier;
•• start verzending nieuwsbrief per e-mail aan deelnemers met e-mailadres;
•• jaarlijks pensioenoverzicht digitaal verstuurd aan deelnemers met e-mailadres;
•• communicatie over toeslagenbeleid in oktober.
DNB volgt het risicomanagement van fondsen nauwgezet. Voor DNB geldt dat het
bestuur van een pensioenfonds uiteindelijk altijd voor alles verantwoordelijk is. Deze
verantwoordelijkheid kan het pensioenfonds niet uitbesteden. Daarbij is integraal
risicomanagement meer dan een proces alleen. Het omvat ook een continue beoordeling
Organisatie
Pensioencommunicatie is een verantwoordelijkheid van het bestuur van het pensioen­
fonds. Het bestuur, hierin geadviseerd door de communicatiecommissie en de afdeling
Pensioencommunicatie van Syntrus Achmea Pensioenbeheer, bepaalt het beleid.
In hoofdstuk 6 is het verslag van de Raad van Toezicht over 2015 opgenomen.
18
2.5 Toezichthouder AFM en DNB
Autoriteit Financiële Markten (AFM)
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) is toezichthouder op het gedrag van
pensioenuitvoerders in Nederland.
De AFM ziet er op toe dat pensioenuitvoerders zich aan de wetten en regels houden.
De twee normen waar de AFM toezicht op houdt zijn informatieverstrekking en
zorgplicht.
Pensioenfonds is transparant over kosten
Het bestuur van het pensioenfonds vindt transparantie over kosten van groot belang. In
het jaarverslag besteedt het bestuur daarom opnieuw ruim aandacht aan dit onderwerp
in paragraaf 3.4 en 3.9.
De Nederlandsche Bank (DNB)
DNB is als toezichthouder belast met prudentieel toezicht. Dit toezicht richt zich op de
financiële stevigheid van financiële ondernemingen inclusief pensioenfondsen. Doel is
bij te dragen aan de stabiliteit van de financiële sector.
Het pensioenfonds informeert DNB over alle wijzigingen in statuten, reglementen en in
de Actuariële en Bedrijftechnische Nota (Abtn). Tevens legt het pensioenfonds jaarlijks
uiterlijk 30 juni het jaarverslag en de daarbij behorende verslagstaten ter beoordeling
aan DNB voor. Elke maand en elk kwartaal rapporteert het pensioenfonds aan DNB
over zijn financiële positie inclusief de dekkingsgraad. Tevens rapporteert het
pensioen­fonds aan DNB in januari over de uitkomsten van de evaluatie van het
herstelplan over voorgaand boekjaar. Tot slot worden benoemingen van bestuursleden
vooraf ter toetsing aan DNB voorgelegd. In het verslagjaar 2015 zijn er geen
aanwijzingen en boetes door DNB opgelegd.
Self-assessment Belangenverstrengeling
Het self-assessment in het kader van het onderzoek belangenverstrengeling vond
medio 2014 plaats. Aanleiding van dit themaonderzoek is dat er zich een aantal
incidenten op het gebied van belangenverstrengeling hebben voorgedaan bij
pensioenfondsen. Daar komt bij dat het risico op belangenverstrengeling geacht wordt
te zijn verhoogd, doordat pensioenfondsen voor het wijzigen van de governance en
voor de implementatie van nieuwe wet- en regelgeving intensiever gebruik maken van
externe partijen. Verder helpt dit onderzoek DNB beter zicht te krijgen op beheersing
van het risico op belangenverstrengeling door de sector. Een belangrijk punt is de
analyse van risico’ s. In juli 2015 diende PF Wonen de risicoanalyse belangen­
verstrengeling in bij DNB. PF Wonen heeft besloten om eenmaal per jaar de
integriteitsrisico’s integraal te bespreken en om een beleidsplan en jaarplan in het kader
van integraal risicomanagement op te stellen. Het beleidsplan integraal risico­
management vormt de basis voor het jaarplan integraal risicomanagement, waarin is
vastgelegd welke activiteiten in het kader van integraal risicomanagement jaarlijks
terugkeren en welke thema’s gedurende het jaar worden geadresseerd. Een dergelijk
jaarplan maakt de periodiciteit expliciet.
19
Self-assessment vastlegging beleid (Abtn)
In het self assessment zijn zeven specifieke beleidsonderwerpen aan bod gekomen. De
keuze voor deze zeven onderwerpen komt voort uit de wijzigingen in het nFTK en
elementen waar uit onderzoek blijkt dat deze vaak onvoldoende zijn vastgelegd. Het
doel van het self assessment was tweeledig: het bood een controlemogelijkheid of
belangrijke wijzigingen zijn verwerkt in het beleid van het fonds en voor DNB was het
een instrument om op een efficiënte manier Abtn’s te controleren. De gewijzigde Abtn
van het fonds is voor 1 oktober 2015 bij DNB ingediend.
Self-assessment aanvangshaalbaarheidstoets
Voor de toetsing van het correct uitvoeren van de aanvangshaalbaarheidstoets heeft
DNB een sectorbrede analyse uitgevoerd. Met een vragenlijst en gevraagde
cijferreeksen werd vastgesteld of pensioenfondsen aan de wettelijke vereisten die aan
de aanvangshaalbaarheidstoets worden gesteld voldeden. Eind december 2015 gaf
DNB een algemene terugkoppeling van de bevindingen. DNB heeft zich beperkt tot
een beoordeling van de technische uitvoering. Begin 2016 heeft een delegatie van het
bestuur gesproken met DNB over de aanvangshaalbaarheidstoets en de vergroting van
het risicoprofiel. Het bestuur heeft een uitgebreide schriftelijke onderbouwing gegeven
van de verhoging van het risicoprofiel en de evenwichtige belangenafweging in de
aanvangshaalbaarheidstoets. PF Wonen heeft de aanvangshaalbaarheidstoets
uitgevoerd.
Overzicht contributie toezicht en Pensioenfederatie
(in euro’s)
2015
2014
2013
2012
2011
DNB
134.592
135.711
153.050
169.428
142.441
AFM
17.583
14.602
15.187
9.280
14.080
Pensioenfederatie
40.893
42.688
62.795
62.329
73.476
3Financieel beleid
20
3.1 Inleiding
Doelstelling van het fonds is het verstrekken van pensioenen aan deelnemers, gewezen
deelnemers en hun nabestaanden met inachtneming van de statuten en reglementen.
Het is dus belangrijk dat het fonds voldoende middelen heeft, om toekomstige
uitkeringen te kunnen betalen. Het bestuur gebruikt hiervoor de beleidsinstrumenten
premiebeleid, toeslagenbeleid en beleggingsbeleid.
In dit hoofdstuk komen deze instrumenten aan de orde. Na het premie- en toeslagen­
beleid geeft het bestuur inzicht in de voorzieningen en reserves. Na de actuariële
analyse volgt een uitleg over het beleggingsbeleid. De pensioenregeling komt aan bod
in hoofdstuk 4.
Jaarlijks moet het bestuurde afweging maken of een toeslag toegekend kan worden.
Zekerheid op een pensioenverhoging is er dus niet. In de zogeheten Toeslagenmatrix
volgt dit beleid uit de toepassing van de daarin geformuleerde categorie B.
Vanaf 2016 is handhaving van de koopkracht het uitgangspunt. Het bestuur van het
fonds streeft er naar om binnen het raam van de daartoe beschikbare middelen, op de
pensioenaanspraken van actieve en gewezen deelnemers en van de ingegane
pensioenen een toeslag te verlenen ter compensatie van de prijsinflatie.
Per 1 januari 2015 zijn de pensioenaanspraken en –rechten niet verhoogd.
3.2 Premie
3.4 Kosten uitvoering pensioenbeheer
Bij het premiebeleid houdt het fonds onder meer rekening met de verwachte
toekomstige beleggingsresultaten. Hierbij is voor de premie 2015 uitgegaan van een
verwacht rendement van 4%.
Het fonds financiert de pensioenregeling met een doorsneepremie. De basisregeling
heeft betrekking op het ouderdomspensioen, partnerpensioen, wezenpensioen en
prepensioen.
Het fonds maakt voor het uitvoeren van de pensioenregeling diverse kosten. Globaal
kunnen deze kosten worden onderverdeeld in kosten voor de uitvoering van de
pensioenregeling en kosten van het vermogensbeheer. Het fondsbestuur vindt het
belangrijk inzicht te geven in deze kosten daarom is onderstaand een rapportage over
de kosten voor de uitvoering van de pensioenregeling opgenomen.
De kosten worden gepresenteerd met inachtneming met de aanbevelingen van de
Pensioenfederatie en AFM. Hierdoor kunnen de kosten die pensioenfondsen maken
met elkaar worden vergeleken. Ten opzichte van voorgaand jaar is de opstelling
aangepast. De vergelijkende cijfers kunnen niet worden gepresenteerd conform de
aanbevelingen van de Pensioenfederatie, omdat deze kosten gebaseerd zijn op een
vaste vergoeding.
Na overleg met sociale partners ,waarbij goed is gekeken naar de evenwichtige
belangenafweging voor alle betrokkenen bij het pensioenfonds, heeft het bestuur
besloten de doorsnee premie voor 2015 vast te stellen op 22,5% van de pensioen­
grondslag inclusief 1% VPL premie. De doorsnee premie is hoger dan de gedempte
kostendekkendepremie en er is sprake van een premiedekkingsgraad van meer dan
100%. Gegeven de financiële positie van het fonds en het geringe premiestuur werd
deze premie evenwichtig geacht.
Regeling voor deelnemers geboren na 1949
Basisregeling (ouderdomspensioen en partnerpensioen):
22,5% van de pensioengrondslag
De franchise bedraagt € 12.564
De werkgever draagt de premie af. Hij kan bij de werknemer 6,19% op het loon
inhouden.
3.3 Toeslag
Het bestuur hanteert geen doelgericht beleid met betrekking tot toeslagverlening.
Jaarlijks wordt bepaald of de pensioenaanspraken en – rechten verhoogd kunnen
worden. De financiële positie van het pensioenfonds moet de ruimte bieden een
verhoging toe te kennen. Het pensioenfonds vormt daarom geen reserve voor
toekomstige verhogingen.
21
De kosten van pensioenbeheer bedragen voor 2015 € 5.446 (2014: 4.909).
Omgerekend is dit € 132,54 (2014: 127,17) per deelnemer en gepensioneerde.
De stijging van de kosten per deelnemer is hoofdzakelijk toe te schrijven aan het
vervallen van de koepelvrijstelling voor pensioenadministratie, waardoor
pensioenuitvoerders vanaf 1 januari 2015 btw in rekening moeten brengen over hun
dienstverlening. De kosten per deelnemer exclusief BTW zijn in 2015 met ruim € 9 per
deelnemer gedaald.
Bestuur, advies en controle
2015
2014
Accountantskosten
49
48
Actuariskosten
34
32
Kosten adviseurs
85
17
Contributies en bijdragen
204
204
Bestuurskosten
394
321
Overig
26
2
Toelichting bij kosten uitvoering pensioenbeheer
(Bedragen x 1.000 euro)
Totaal
Administratie
792
Bestuurskosten
Bestuur
De toename van bestuurskosten in 2015 ten opzichte van 2014 komt met name door
de BTW (€ 25.000) welke door de twee voorzitters in rekening is gebracht.
624
2015
2014
Kosten deelnemers en pensioengerechtigden
2.488
-
Kosten werkgevers
860
-
Kosten financieel beheer en
bestuursondersteuning
580
-
Inrichting Risicomaat
31
-
Pensioencommunicatie in opdracht
104
-
(Bedragen x 1.000 euro)
Raad van Toezicht
De stijging van de vergoedingen van de Raad van Toezicht ten opzichte van 2014
komt met name doordat De Raad van Toezicht per 1 juli 2014 is geïnstalleerd. De
vergoedingen in 2014 zijn derhalve gebaseerd op een periode van zes maanden.
In 2015 is een bedrag ad. € 6.000 betaald. Dit bedrag heeft betrekking op 2014.
De werkelijke kosten 2015 bedragen € 39.000 en 2014: € 20.000.
Kosten adviseurs
De toename van de kosten advies wordt voornamelijk veroorzaakt door meer actuarieel
advies mede gerelateerd aan de implementatie van het nFTK en een toename van
belasting advies met betrekking tot het verzorgen van de Btw-aangifte.
Totaal
4.063
4.285
Totaal pensioenbeheerkosten exclusief BTW
4.855
4.909
In rekening gebrachte BTW
591
-
Totaal pensioenbeheerkosten inclusief BTW
5.446
4.909
Aantal actieve deelnemers
26.040
24.795
Aantal gepensioneerden
15.051
13.807
Totaal
41.091
38.602
Pensioenbeheerkosten in euro per deelnemer
(exclusief BTW)
118,15
127,17
Pensioenbeheerkosten in euro per deelnemer
(inclusief BTW)
132,54
127,17
Overig
De post ‘overig’ bestaat uit de bank- en incassokosten. De stijging wordt veroorzaakt
door de negatieve incassokosten in 2014.
Administratie
Kosten deelnemer en pensioengerechtigden: deze kosten hebben betrekking op alle
werkzaamheden die de administrateur van het fonds verricht om de pensioenaanspraken
te administreren, de uitkeringen van de pensioengerechtigden te verzorgen en alle
deelnemers en gerechtigden te informeren. Te denken valt hierbij aan het verwerken
van waardeoverdrachten, het afkopen van kleine pensioenen, het toekennen van
pensioenen en de communicatie met alle doelgroepen (helpdesk, website, pensioen­
planner, nieuwsbrief, Uniform Pensioenoverzicht, start- en stopbrief enzovoorts).
Kosten werkgever: deze kosten hebben betrekking op alle activiteiten die voortvloeien
uit het beheer van het bestand van aangesloten werkgevers, de aanlevering en
verwerking van de werknemersgegevens, het opleggen en innen van de
pensioenpremies en het onderhouden van de contacten met die werkgevers.
Kosten financieel beheer en bestuursondersteuning: deze kosten hebben betrekking op
het voeren van het secretariaat ten behoeve van bestuur en verantwoordingsorgaan; het
opstellen van het jaarverslag en het samenstellen van financiële rapportages en de
advies- en controlekosten door Syntrus Achmea Pensioenbeheer.
22
Aansluiting met de pensioenuitvoeringskosten in de jaarrekening: in de jaarrekening is een
totaal van € 5.548 vermeld, het verschil van € 102 komt doordat de administratie­kosten
van Syntrus Achmea Pensioenbeheer in de jaarrekening gebaseerd zijn op een
voorlopige afrekening welke te hoog is ingeschat.
In de jaarrekening zijn verder de controle- en advieskosten van de actuaris (€ 51) en de
kosten van de adviseurs (€ 68) verantwoord onder de post controle- en advieskosten
ad € 119.
De dekkingsgraad einde jaar (op basis van de jaarrekening) heeft zich de afgelopen
jaren als volgt ontwikkeld:
3.5 Pensioenvermogen en voorzieningen
De eind 2015 bepaalde voorziening kan gevonden worden door het actuarieel contant
maken van de verworven pensioenaanspraken tegen een gelijkblijvende rekenrente van
1,84% (2014: 2,11%).
(x € 1.000)
Pensioenvermogen
Technische
voorzieningen
Dekkingsgraad
%
Stand per 1 januari 2015
2.880.441
2.587.657
111,3%
Beleggingsresultaten
-88.952
4.704
Premiebijdragen
81.830
72.154
Uitkeringen
-46.243
-46.105
Wijziging markrente
-
230.367
Wijziging actuariële uitgangspunten
-
5.599
Overige
-7.614
9.648
Stand per 31 december 2015
2.819.462
2.864.024
98,4%
Het saldo van baten en lasten over de afgelopen jaren kan als volgt worden
geanalyseerd:
2015
2014
2013
2012
2011
Premieresultaat
-2.329
6.754
4.608
-2.687
-7.042
Interestresultaat
-324.023
172.754
1.102
138.061
-5.598
Overig resultaat
-10.994
22.400
75.637
-14.318
7.376
-337.346
201.908
81.347
121.056
-5.264
23
2014
2013
2012
2011
98,4%
111,3%
104,4%
100,4%
94,6%
Gemiddelde interest van
verplichtingen
1,84%
2,11%
2,91%
2,61%
2,74%
De dekkingsgraad wordt als volgt berekend: Het pensioenvermogen (de som van de
technische voorzieningen, het stichtingskapitaal en de reserves exclusief
bestemmingsreserve VPL), gedeeld door de technische voorzieningen maal 100%.
Eind 2015 bevindt het fonds zich in een situatie van dekkingstekort, aangezien de
dekkingsgraad 6,0% lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad van 104,4%.
De ontwikkeling van de rentetermijnstructuur, het vervallen van de driemaands­
middeling en aanpassing van de wijze van berekening van de UFR heeft, naast de
reguliere opbouw van actieve deelnemers, geleid tot een stijging van de technische
voorziening. Door het negatieve beleggingsresultaat is het vermogen, naast de
reguliere ontwikkelingen zoals premieontvangsten en uitkeringen, in het verslagjaar
gedaald. De stijging van de technische voorziening in combinatie met een dalend
vermogen heeft een daling van de dekkingsgraad tot gevolg gehad.
(x € 1.000)
2015
Dekkingsgraden eind
3.6 Actuariële analyse
Toelichting bij actuariële analyse
De actuariële analyse van het saldo van baten en lasten (o.b.v. FTK) kan als volgt
worden weergegeven:
(x € 1.000)
2015
2014
Premieresultaat
Premiebijdragen (gecorrigeerd voor premievrijstelling
bij invaliditeit)
75.829
68.359
Pensioenopbouw
-72.154
-56.725
Mutatie pensioenuitvoeringskosten
-456
-23
Pensioenuitvoeringskosten
-5.548
-4.857
Totaal
-2.329
6.754
Interestresultaat
Beleggingsresultaten
-88.952
692.552
Rentetoevoeging technische voorzieningen
-4.704
-8.051
Wijziging marktrente
-230.367
-511.747
Totaal
-324.023
172.754
Marktrente
Onder marktrente is het effect van de verandering van de rentetermijnstructuur
verantwoord. Dit wil zeggen het verschil tussen de rentetermijnstructuur van
31 december 2014 en 31 december 2015.
Actuariële uitgangspunten
Voor de actuarieel gehanteerde uitgangspunten wordt verwezen naar de Algemene
Toelichting en de Specifieke Toelichting bij de Jaarrekening. Het resultaat genoemd in
de tabel is het gevolg van de wijziging van de excasso-opslag van 2,0% in 2,2%.
Een verdere toelichting op de vaststelling van de diverse resultaten is opgenomen in de
jaarrekening.
De kostendekkende, gedempte en feitelijke premie volgens artikel 130 van de
Pensioenwet zijn als volgt:
(x € 1.000)
Overig resultaat
Resultaat op waardeoverdrachten
(saldo overdacht van rechten)
236
-293
Resultaat op kanssystemen* en overige wijzigingen
-5.262
-3.412
Resultaat op uitkeringen
-138
-79
Indexering en overige toeslagen
-125
-556
Wijziging overige actuariële uitgangspunten
-5.599
26.645
Overige baten
38
96
Overige lasten
-144
-2
Totaal
-10.994
22.400
Totaal saldo van baten en lasten
-337.346
201.908
* Het resultaat op kanssytemen bestaat voornamelijk uit het resultaat op sterfte, arbeidsongeschiktheid, pensionering en uitruil.
Door verschillen tussen verwachte kansen (ingeschatte sterfte, toe- en afname van (de mate van) arbeidsongeschiktheid) en
vastgestelde flexibiliseringsfactoren (keuze mogelijkheden bij pensionering en uitruil) en de werkelijke mutaties in het boekjaar
ontstaan resultaten.
2015
2014
Kostendekkende premie
86.472
68.719
Feitelijke premie
75.829
68.359
Gedempte kostendekkende premie
58.619
56.286
De feitelijke premie is de door het fonds verschuldigde doorsneepremie. De kosten­
dekkende premie en de gedempte premie zijn gebaseerd op de kosten van pensioen­
inkoop op respectievelijk de rentetermijnstructuur van 31 december 2014 en een vaste
rente van 4%. Deze worden vermeerderd met kostenopslagen en een solvabiliteits­
opslag, waarbij voor de gedempte premie het bedrag van de solvabiliteit voor de
kostendekkende premie wordt aangehouden.
Het vermelden van de hoogte en de samenstelling van de feitelijke premie in het
bestuursverslag is op grond van art. 130a Pensioenwet met ingang van 2015 verplicht.
(x € 1.000)
2015
Actuariële inkoop van onvoorwaardelijke onderdelen
69.478
Opslag voor premievrijstelling bij invalideit
1.061
Opslag voor kosten
5.290
75.829
24
De beleidsdekkingsgraad van het pensioenfonds op balansdatum is 103,3%. Deze is
lager dan de dekkingsgraad bij het minimaal vereist eigen vermogen.
Mijn oordeel over de vermogenspositie van Stichting Pensioenfonds Wonen is
gebaseerd op de tot en met balansdatum aangegane verplichtingen en de op dat
moment aanwezige middelen. De vermogenspositie is naar mijn mening slecht, omdat
het aanwezig eigen vermogen lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen.
3.7 Risicoparagraaf
Het bestuur hanteert een integrale aanpak voor het risicomanagement, uitgaande van
onderstaande principes. In 2015 heeft het bestuur een aanzet gemaakt voor een nadere
invulling. Per einde 2015 heeft het bestuur gekozen voor een concrete invulling van het
risicomanagement, welke in 2016 een verdere invulling krijgt.
Vereisten
belanghebbenden
Wet- en
regelgeving
intern beleid
Governance
Het eigen vermogen is op de balansdatum lager dan het wettelijk minimaal vereist
eigen vermogen.
Met inachtneming van het voorafgaande heb ik mij ervan overtuigd dat is voldaan aan
de artikelen 126 tot en met 140 van de Pensioenwet, met uitzondering van de artikelen
131 (minimaal vereist eigen vermogen), 132 (vereist eigen vermogen) en 133
(dekking door waarden).
Het pensioenfonds hanteert een integrale risicomanagementaanpak, uitgaande van
onderstaande principes.
Risicobeoordeling
Oordeel van de certificerend actuaris over de vermogenspositie
De technische voorzieningen zijn, overeenkomstig de beschreven berekeningsregels en
uitgangspunten, als geheel bezien, toereikend vastgesteld.
Missie, visie, strategie
Risicotolerantie
Beleid, structuur, processen, middelen, cultuur
Risico-inventarisatie
Risicoanalyse
Inherent
Residu
ï‚ž Beheersmaatregelen ï‚ž
ï‚ž Acties ï‚ž
Residu
Gewenst
Monitoring
Governance
Het bestuur is verantwoordelijk voor het realiseren van de doelstellingen van het fonds,
volgend vanuit de missie, visie, strategie en/of doelstellingen van het fonds. Het
bestuur bepaalt de koers van het fonds en weegt de factoren af die de koers positief of
negatief beïnvloeden. Het bestuur wordt bij het streven om de doelstellingen van het
fonds te bereiken, met onzekerheden geconfronteerd. Voor het bestuur is het van
belang om vast te stellen welke mate van onzekerheid als acceptabel wordt beschouwd
(de risicotolerantie). Bij de formulering van de risicotolerantie wordt vastgelegd:
•• met welke achtergrondinformatie en uitgangspunten rekening is gehouden;
•• op welke wijze de risicotolerantie aansluit op de uit de missie, visie en strategie
volgende doelstellingen;
•• welke mate van risico wordt geaccepteerd.
Integraal risicomanagement stelt het bestuur in staat om op een efficiënte en effectieve
wijze om te gaan met onzekerheid en de hieraan verbonden risico’s en kansen en het
beleid, de structuur, de processen en middelen en de cultuur daarop af te stemmen.
Het bestuur heeft de mogelijke risico’s van het fonds in kaart gebracht en bepaald hoe
het bestuur met deze risico’s om wil gaan. Op basis van een actueel en volledig beeld
van alle relevante risico’s kan het bestuur gepaste beheersmaatregelen nemen en is het
bestuur in control.
25
Voor de beheersing van de risico’s die betrekking hebben op de uitvoering van de
pensioenregeling en de werkzaamheden van het fonds, is aansluiting gezocht bij de
toezichtkaders van DNB. DNB hanteert daarbij een aanpak van risicoanalyse en
risicomitigatie in haar toezicht, genaamd FOCUS!. FOCUS! bouwt voort op de
Financiële Instellingen Risicoanalyse Methode (FIRM), de methodiek die sinds 2005
bij DNB in gebruik is.
FIRM onderscheidt de volgende hoofdrisicocategorieën:
•• Matching-/renterisico;
•• Marktrisico;
•• Kredietrisico;
•• Verzekeringstechnisch risico;
•• Omgevingsrisico;
•• Operationeel risico;
•• Uitbestedingsrisico;
•• IT-risico;
•• Integriteitrisico;
•• Juridisch risico.
De eerste vier categorieën zijn financieel van aard, de overige zijn niet-financieel.
De hoofdcategorieën zijn verder onder te verdelen naar deelrisico’s.
In paragraaf 3.8.5 wordt verder ingegaan op de financiële risico’s inzake
vermogenbeheer en de betreffende beheersmaatregelen.
Risico’s worden kwalitatief (aan de hand van vooraf vastgestelde referentieschalen)
beoordeeld op basis van de waarschijnlijkheid van het optreden van het risico en de
impact daarvan op het behalen van de doelstellingen. Hierbij wordt een onderscheid
gemaakt tussen het inherent risico, het residurisico en het gewenste risico.
Het inherent risico is het risico zonder rekening te houden met eventuele
beheersmaatregelen die het bestuur treft om de waarschijnlijkheid en/of impact te
beperken. Het inherent risico is afhankelijk van de context waarbinnen het fonds
opereert en de doelstellingen.
Ten aanzien van het inherent risico zijn vanuit de risicotolerantie van het fonds vier
mogelijke reacties:
•• het risico accepteren;
•• het risico reduceren door het nemen van aanvullende beheersmaatregelen;
•• het risico vermijden door de activiteiten die geraakt worden door het risico te staken;
•• het risico overdragen door de activiteiten die door het risico geraakt worden (deels)
uit te besteden.
Het residurisico is het risico dat overblijft nadat is gereageerd op de inherente risico’s.
Indien het residurisico vanuit de risicotolerantie (nog) niet acceptabel is, worden
aanvullende acties gedefinieerd om tot de gewenste risicosituatie te komen.
26
Risico-inschattingen, beheersmaatregelen en acties kunnen wijzigen naar aanleiding
van interne en externe ontwikkelingen, maar ook door nieuwe inzichten. Integraal
risicomanagement is daardoor een continu proces van inrichten, uitvoeren, rapporteren
en bijsturen. Het bestuur maakt hierbij gebruik van een jaarplan IRM. Startpunt van het
jaarplan is de jaarlijkse evaluatie van de bestaande risicoanalyses. Tijdens deze evaluatie
komen de aandachtspunten naar voren, die onderdeel uit (moeten) maken van het
jaarplan.
De aandachtspunten kunnen ontleend zijn aan:
•• de dan geldende status van de risicoanalyses;
•• actuele ontwikkelingen binnen of buiten het pensioenfonds;
•• een noodzakelijke periodieke herijking van een (hoofd)risico;
•• onderzoeken van binnen of buiten het pensioenfonds.
Risicobeoordeling
Voor het identificeren van risico’s zijn de door DNB gedefinieerde FIRMrisicocategorieën als uitgangspunt gebruikt. De risicotolerantie luidt:
Risico
Tolerantie
Risico
Tolerantie
VI. Operationeel
Beperkt
I.
Matching/rente
Beperkt
II.
Markt
Beperkt
VII. Uitbesteding
Beperkt
III.
Krediet
Beperkt
VIII. IT
Hoog
IV. Verzekeringstechnisch
Beperkt
IX. Integriteit
V. Omgeving
Beperkt
X.
Juridisch
Laag
Beperkt
Matching-/renterisico
Het renterisico is het risico als gevolg van het niet gematcht zijn van activa en passiva
(inclusief off-balanceposten) dan wel inkomsten en uitgaven in termen van rentevoet,
rentetypische looptijden, basisvaluta, liquiditeit typische looptijden en gevoeligheid
voor ontwikkeling in prijspeil.
Dit risico is nader onderverdeeld in rente, valuta, liquiditeit en inflatie.
Het inherent risico wordt door het bestuur als hoog ingeschat. De overall risico­
tolerantie met betrekking tot matching-/renterisico is beperkt. Beheersmaatregelen
zien op het reduceren van zowel de kans als de impact van het risico.
Het fonds kiest bewust om een gedeelte van het renterisico niet af te dekken om
herstelcapaciteit te behouden. Het grootste gedeelte van de beleggingsportefeuille is
belegd in euro’s genoteerde waarden; voor het overige wordt het valutarisico van de
belangrijkste valuta voor 75% afgedekt. De beleggingsportefeuille is zo opgezet dat de
portefeuille naar verwachting aan de liquiditeitsbehoefte van het fonds kan voldoen.
Daarom is bijvoorbeeld een groot deel van de portefeuille belegd in effecten die
worden verhandeld op openbare, gereguleerde markten. Ook zijn eisen gesteld aan de
minimale marktkapitalisatie van effecten. Om ook aan de korte termijn liquiditeits­
behoefte te voldoen uit hoofde van onderpanduitwisseling van derivaten, wordt het
beschikbare onderpand zodanig afgestemd dat een negatieve marktschok opgevangen
kan worden. Het inflatierisico wordt voor een klein deel afgedekt door middel van het
beleggen in producten die een natuurlijke inflatiebescherming in zich herbergen (zoals
vastgoed en infrastructuur). Het inflatierisico ligt voor een belangrijk deel bij de
aangesloten werkgevers (ten behoeve van hun deelnemers) en bij pensioengerechtigden
en gewezen deelnemers via het toeslagbeleid van het fonds. Het fonds houdt
voortdurend in de gaten of er ontwikkelingen zijn die zouden kunnen leiden tot
wijzigingen in de mate van afdekking van deze risico’s. In de rapportages van de
vermogensbeheerders wordt onder andere inzicht gegeven in looptijden, durations,
valuta exposure en liquiditeit.
In 2015 is door het fonds ingespeeld op het FTK door middel van de uitvoering van een
ALM studie. Daarnaast zijn de effecten van de nieuwe UFR inzichtelijk gemaakt. Het
fonds heeft in 2015 de eenmalige mogelijkheid tot vergroting van het risicoprofiel in
tekortsituatie aangegrepen om het beleggingsbeleid aan te passen, om zodoende de
herstelkracht van het fonds te vergroten. Dit heeft het gedaan door middel van
verhoging van de zakelijke waarden allocatie met 10%. Door deze allocatie niet enkel
uit staatsobligaties te onttrekken maar ook uit credits is rekening gehouden met het
beschikbare onderpand en zodoende de beheersing van het korte termijn liquiditeits­
risico. Daarnaast heeft het fonds de renteafdekking verlaagd van 75% naar 60%.Bij
beheersing van het matching- of renterisico wordt uitdrukkelijk gekeken naar de
ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad, waarbij de dekkingsgraden op marktrente
en (spot-)UFR niet uit het oog worden verloren. Het bestuur wenst ervoor te waken in
een situatie te geraken, waarbij een situatie ontstaat waarbij zonder het korten van
rechten het fonds financieel niet meer zou kunnen herstellen.
Marktrisico
Het marktrisico is het risico ten gevolge van het blootstaan aan wijzigingen in markt­
prijzen van verhandelbare financiële instrumenten binnen een handelsportefeuille.
Voor pensioenfondsen geldt dat het marktrisico alleen betrekking heeft op de nietrentedragende activa.
Dit risico is nader onderverdeeld in prijsvolatiliteit, marktliquiditeit en concentratie en
correlatie.
Het inherent risico wordt door het bestuur als hoog ingeschat. De overall risico­
tolerantie met betrekking tot marktrisico is beperkt. Beheersmaatregelen zien op het
reduceren van zowel de kans als de impact van het risico.
Het fonds kiest voor spreiding in de beleggingsportefeuille qua risicoprofiel van de
achterliggende beleggingen in relatie tot de verplichtingen van het fonds. Beleggen in
risicovollere producten wordt bewust gedaan in de veronderstelling dat daar een hoger
27
rendement tegenover staat. De strategische mix volgt uit een ALM-studie, die minimaal
één keer in de drie jaar wordt uitgevoerd. De nadere tactische invulling vindt plaats in
het jaarlijkse beleggingsplan, dat vervolgens gedurende het jaar continu wordt
gemonitord. In de rapportages van de vermogensbeheerders wordt onder andere
inzicht gegeven in bandbreedtes, transacties, rendementen, attributies en regio- en
sectorverdelingen.
Als maatstaf voor algemeen marktrisico (systeemrisico) is de Systemic Stress Indicator
(SSI) geïntroduceerd. De SSI vertegenwoordigt het niveau van systeemrisico en wordt
weergegeven door middel van een score. De score is ten opzichte van het historisch
verloop waarbij 0 historisch laag is en 100 de hoogste score op basis van de meetperiode.
Op basis van historische crises periodes heeft het fonds een limiet van 80 gesteld die bij
overschrijding leidt tot een waarschuwingssignaal in de risicorapportage.
Daarnaast is de Momentum Indicator (MI) geïntroduceerd. Deze indicator geeft de
verhoging aan van de SSI in combinatie met de snelheid daarvan. Dit geeft belangrijke
informatie over (de kracht) van een trend in de markt. Op basis van historische data is
een niveau van 15 vastgesteld als niveau waarbij gedurende een korte periode
(<1 maand) krachtige stijgingen van de SSI hebben plaatsgevonden.
Stress scenario’s laten de directe impact zien van specifieke (historische) markt­
bewegingen op de nominale dekkingsgraad, zonder een bewering te doen over de kans
waarmee dit scenario optreedt.
In 2015 is het risicobeleid op dit onderdeel gekoppeld aan één specifiek scenario: een
directe rentedaling van 100 basispunten in combinatie met 30% daling van zakelijke
waarden. Ter indicatie: Dit scenario komt grofweg overeen met een stress scenario
zoals het omvallen van Lehman Brothers of de Rusland crisis. De dekkingsgraad die in
dit scenario resulteert dient boven het door het pensioenfonds gedefinieerde kritische
dekkingsgraadniveau te liggen. De kritische dekkingsgraad is de minimale dekkings­
graad die nodig is om zonder kortingsmaatregelen binnen de gestelde termijn te
herstellen naar de vereiste dekkingsgraad.
Impactanalyses belangrijkste risico’s
In onderstaande tabel wordt de gevoeligheid van de dekkingsgraad getoond voor
de waardeveranderingen van de aandelen en voor verschuivingen van de rente.
De tabel toont de gevolgen van een schok over een periode van één jaar vanaf ultimo
2015. Bijvoorbeeld bij een daling van de aandelen van 10% en een stijging van de
rente met 1% over een periode van een jaar komt de dekkingsgraad uit op 100%.
De in het midden van de tabel getoonde dekkingsgraad (98%) kan afwijken van de
dekkings­graad ultimo 2015, aangezien de gebruikte rekenrente (de ultimate forward
rate) bij onveranderde marktomstandigheden toch wijzigt over een periode van
één jaar.
Impact aandelen- en renteschok
De 2 scenarios op basis waarvan bovenstaande tabel is gebaseerd zijn de volgende (niet
paralelle) rentedaling en rentestijging.
-50%
-30%
-10%
0%
10%
30%
50%
1,50%
78
90
103
110
116
129
141
1,00%
76
88
100
105
111
123
134
0,50%
75
85
96
101
107
117
128
0%
73
83
93
98
102
112
122
-0,50%
72
81
90
94
98
107
116
-1,00%
71
79
87
91
95
103
110
-1,50%
70
77
84
88
91
98
105
In onderstaande tabel wordt de impact weergegeven op de dekkingsgraad van niet
paralelle renteschokken per einde 2015.
Rentedaling
Huidige curve
Rentestijging
3.00%
2.00%
1.00%
Rente
Rente
Zakelijke waarden
0.00%
-1.00%
Impact niet-paralelle renteschok
VRW
400.000.000
Rente-hedge
Verplichtingen
91,4
104,1
200.000.000
-3.00%
2020
2025
2030
2035
2040
2045
2050
2055
2060
2065
Kredietrisico
Het kredietrisico is het risico dat een tegenpartij contractuele of andere overeen­
gekomen verplichtingen (waaronder verstrekte kredieten, leningen, vorderingen,
ontvangen garanties) niet nakomt, al dan niet als gevolg van het aan beperkingen
onderhevig zijn van buitenlandse betalingen.
0
P&L
-2.00%
-200.000.000
-400.000.000
Dit risico is nader onderverdeeld in default probability, concentratie en correlatie en loss
given default.
-600.000.000
Rentedaling
Rentestijging
Het inherent risico wordt door het bestuur als hoog ingeschat. De overall risico­
tolerantie met betrekking tot kredietrisico is beperkt. Beheersmaatregelen zien op het
reduceren van zowel de kans als de impact van het risico.
Het fonds let scherp op kredietwaardigheid en liquiditeit. Belangrijke aandachtspunten
betreffen hierbij de door het fonds gehanteerde derivatenconstructies in het kader van
de afdekking van het rente- en valutarisico. In de rapportages van de vermogens­
beheerders wordt onder andere inzicht gegeven in ratings, concentraties, collateral en
tegenpartijen.
Kredietrisico wordt in de risicorapportage inzichtelijk gemaakt aan de hand van de
ratingverdeling en ontwikkeling van de risico¬opslag versus de swaprente (de
creditspread). Het pensioenfonds heeft bandbreedtes voor de credit spreads
gedefinieerd die gebruikt worden bij de beheersing van het kredietrisico.
28
In 2015 heeft het pensioenfonds bandbreedtes voor de credit spreads gedefinieerd die
gebruikt worden bij de beheersing van het kredietrisico. De bandbreedte is gebaseerd
op de historische spreadontwikkeling waarbij de limieten zijn vastgesteld op de 20%
hoogste en 20% laagste waarnemingen. Zowel een hoge spread (toenemende kans op
defaults en illiquiditeit) als een lage spread (laag rendement en mogelijk onderschatting
van het werkelijke kredietrisico) zijn onwenselijk.
engagement zijn belangrijke instrumenten voor het fonds in de beheersing van het
omgevingsrisico. Tevens bewaakt het fonds haar onafhankelijkheid bij beleids­beslissingen
en ziet erop toe dat deze beleidsbeslissingen vrij van belangenverstrengeling worden
genomen. Het fonds beschikt over een transparantiedocument, een uitsluitingsbeleid
en een beleid verantwoord beleggen en legt onder andere op de website
verantwoording af over corporate governance en stembeleid.
Verzekeringstechnisch risico
Het verzekeringstechnisch risico is het risico dat uitkeringen (nu dan wel in de
toekomst) niet gefinancierd kunnen worden vanuit premie- en/of beleggings­
inkomsten als gevolg van onjuiste en/of onvolledige (technische) aannames en
grondslagen.
Het fonds heeft zich de afgelopen jaren georiënteerd op samenwerking met BPF
Detailhandel. In 2015 heeft het fonds besloten om zich de komende jaren te richten op
autonome voortgang.
Dit risico is nader onderverdeeld in sterfte/langleven en arbeidsongeschiktheid.
Het inherent risico wordt door het bestuur als aanzienlijk ingeschat. De overall
risicotolerantie met betrekking tot verzekeringstechnisch risico is beperkt.
Beheersmaatregelen zien op het reduceren van zowel de kans als de impact van het
risico.
De belangrijkste risico’s voor het fonds zijn de levensverwachting en arbeids­
ongeschiktheid. Het verzekeringstechnisch risico wordt bewaakt aan de hand van de
jaarlijkse actuariële analyses van het fonds en landelijke publicaties inzake levens­
verwachting en arbeidsongeschiktheid. Het fonds houdt een IBNR-voorziening aan.
PF Wonen maakt in 2015 gebruik van de meest recente overlevingstafel zoals
gebuliceerd door het Actuarieel Genootschap, te weten de Prognosetafel AG 2014.
Omgevingsrisico
Het omgevingsrisico is het risico als gevolg van buiten het pensioenfonds komende
veranderingen op het gebied van concurrentieverhoudingen, belanghebbenden,
reputatie en ondernemingsklimaat.
Dit risico is nader onderverdeeld in concurrentie, afhankelijkheid, reputatie en
ondernemingsklimaat.
Het inherent risico wordt door het bestuur als aanzienlijk ingeschat. De overall risico­
tolerantie met betrekking tot omgevingsrisico is beperkt. Beheersmaatregelen zien op
het reduceren van zowel de kans als de impact van het risico.
Dit risico is voor het fonds zelf het minst direct te beïnvloeden. Om die reden volgt het
fonds ontwikkelingen in de nabije omgeving van het fonds op de voet. Dit betreft met
name ontwikkelingen bij aangesloten werkgevers, media-aandacht voor pensioen in
algemene zin en media-aandacht voor het fonds in het bijzonder. Communicatie en
29
Operationeel risico
Het operationeel risico is het risico dat samenhangt met ondoelmatige of onvoldoende
doeltreffende procesinrichting of procesuitvoering.
Dit risico is nader onderverdeeld in (pre)acceptatie/transactie, informatie, kosten,
personeel en fraudegevoeligheid.
Het inherent risico wordt door het bestuur als aanzienlijk ingeschat. De overall
risicotolerantie met betrekking tot operationeel risico is beperkt. Beheersmaatregelen
zien op het reduceren van zowel de kans als de impact van het risico.
Het bestuur stelt hoge kwaliteitseisen op gebieden zoals interne organisatie,
procedures, processen en controles, kwaliteit geautomatiseerde systemen, enzovoorts
van zowel het pensioenfonds als de organisaties die bij de uitvoering betrokken zijn. De
belangrijkste onderdelen van operationeel risico, die de bestuursorganen betreft zijn
informatie (ter ondersteuning van adequate managementbeslissingen), kosten en
geschiktheid (kennis, ervaring, competenties en gedrag). Het bestuur heeft uit haar
midden diverse adviescommissies ingesteld. Verantwoording over het gevoerde beleid
wordt afgelegd aan het verantwoordingsorgaan. Het fonds werkt met een begroting en
rapportages over de realisaties per kwartaal. Het fonds beschikt over een geschiktheids­
plan inclusief opleidingsplan. Jaarlijks evalueert het bestuur het eigen functioneren.
De kwaliteitseisen met betrekking tot de organisaties, waaraan werkzaamheden zijn
uitbesteed, vallen onder uitbestedingsrisico. Het fonds beschikt over een
uitbestedingsbeleid, waarin het proces rondom nieuwe en bestaande uitbestedingen is
vastgelegd alsmede de eisen die daarbij aan een uitvoerder worden gesteld.
Uitbestedingsrisico
Het uitbestedingsrisico is het risico dat de continuïteit, integriteit en/of kwaliteit van de
aan derden uitbestede werkzaamheden, dan wel door deze derden ter beschikking
gestelde apparatuur en personeel, worden geschaad.
Dit risico is per externe uitvoerder nader onderverdeeld in continuïteit bedrijfsvoering,
integriteit en kwaliteit dienstverlening.
Het inherent risico wordt door het bestuur als aanzienlijk ingeschat. De overall
risicotolerantie met betrekking tot uitbestedingsrisico is beperkt. Beheersmaatregelen
zien vooral op het reduceren van de impact van het risico.
Het uitbestedingsrisico vormt een zeer belangrijk aandachtsgebied voor het fonds.
Zowel het pensioenbeheer als het vermogensbeheer is uitbesteed. Dit risico vormt als
het ware de keerzijde van met name het operationeel risico en het integriteitsrisico van
het fonds. Het fonds verwacht van de externe uitvoerders een minimaal aan dat van het
pensioenfonds gelijkwaardig niveau van beheersing van integriteitsrisico’s. Het fonds
beheerst operationele risico’s zoveel mogelijk door eisen te stellen aan zijn dienst­
verleners. Daarbij kan worden gedacht aan regels aangaande de continuïteit, integriteit
en kwaliteit van de door de externe dienstverleners te leveren werkzaamheden en van
de bij deze dienstverleners werkzame personen. Het fonds laat zich regelmatig
informeren over de wijze waarop de externe uitvoerders deze risico’s beheersen.
Hiertoe wordt gebruik gemaakt van diverse maand-, kwartaal- en/of jaarrapportages
van de externe uitvoerders, zoals DVO/SLA-rapportages, beleggingsrapportages,
rapportages niet-financiële risico’s en ISAE 3402. Daarnaast voert het fonds jaarlijks
evaluatiegesprekken met de externe uitvoerders.
In 2015 heeft het bestuur besloten tot een nieuw contract met Syntrus Achmea
Pensioenbeheer voor de periode van 2015 tot en met 2017. Ook is een nieuwe
contract afgesloten met Achmea Investment Management.
IT-risico
Het risico dat bedrijfsprocessen en informatievoorziening onvoldoende integer, niet
continu of onvoldoende beveiligd worden ondersteund door IT.
Dit risico is nader onderverdeeld in strategie en beleid, beveiliging, beheersbaarheid en
continuïteit.
Het inherent risico wordt door het bestuur als hoog ingeschat. De overall risico­
tolerantie met betrekking tot IT-risico is ook hoog. Beheersmaatregelen zien op het
reduceren van de kans van het risico.
Door de volledige uitbesteding van het pensioen- en vermogensbeheer beschikt het
fonds niet over een eigen IT-infrastructuur. Voor het fonds zelf beperkt dit risico zich tot
de hardware en software die leden van het bestuur en van de bestuursorganen
gebruiken voor het uitoefenen van hun functie. Het fonds verwacht van deze leden dat
de IT-middelen, die zij voor het uitoefenen van hun functie gebruiken, voldoen aan de
normen die vandaag de dag aan de beheersbaarheid, continuïteit en beveiliging van IT
worden gesteld. Ten aanzien van de IT-omgeving van de externe uitvoerders steunt het
fonds op de beheersmaatregelen van de diverse dienstverleners.
In 2016 zal het fonds het IT beleid verder vormgeven.
30
Integriteitrisico
Het integriteitsrisico is het risico dat de integriteit van het pensioenfonds dan wel het
financiële stelsel wordt beïnvloed als gevolg van niet integere, onethische gedragingen
van het pensioenfonds in het kader van wet- en regelgeving en maatschappelijke en
door het pensioenfonds opgestelde normen.
Dit risico is nader onderverdeeld in benadeling derden, voorwetenschap en onoorbaar
handelen.
Het inherent risico wordt door het bestuur als beperkt ingeschat. De overall risico­
tolerantie met betrekking tot integriteitrisico is laag. Beheersmaatregelen zien op het
reduceren van zowel de kans als de impact van het risico.
Integer handelen is binnen het fonds verankerd in de totale compliancestructuur. Alle
betrokkenen bij het fonds, zowel intern als extern, worden geacht te voldoen aan het
geheel van interne en externe wet- en regelgeving, dat op het fonds van toepassing is.
Bij bestuursbesluiten wordt altijd in ogenschouw genomen of er voldoende rekening is
gehouden met evenwichtige belangenbehartiging en of er sprake is van mogelijke
integriteitsissues. Het fonds beschikt onder andere over een gedragscode, een
incidenten- en klokkenluidersregeling, een klachten- en geschillenprocedure en een
onafhankelijke geschillencommissie. De bij de gedragscode behorende nalevings­
verklaring wordt jaarlijks door de bestuursleden ondertekend. Tevens inventariseert het
fonds jaarlijks de (neven)functies.
In 2015 heeft het fonds een uitgebreide integriteitrisicoanalyse uitgevoerd.
Juridisch risico
Het juridisch risico is het risico samenhangend met (veranderingen in en naleving van)
wet- en regelgeving, het mogelijk bedreigd worden van de rechtspositie, met inbegrip
van de mogelijkheid dat contractuele bepalingen niet afdwingbaar of niet correct
gedocumenteerd zijn.
Dit risico is nader onderverdeeld in wet- en regelgeving, naleving, aansprakelijkheid en
afdwingbaarheid contracten.
Het inherent risico wordt door het bestuur als aanzienlijk ingeschat. De overall
risicotolerantie met betrekking tot juridisch risico is beperkt. Beheersmaatregelen zien
vooral op het reduceren van de impact van het risico.
Het fonds maakt bij de opstelling van alle voor het fonds relevante juridische
documenten gebruik van de diensten van daarin gespecialiseerde partijen.
Veranderingen in wet- en regelgeving, op terreinen die direct dan wel indirect
pensioenen raken, worden besproken en waar nodig wordt actie ondernomen. Het
bestuur blijft op de hoogte van wijzigingen in wet- en regelgeving door het volgen van
seminars en opleidingen en het lezen van vakliteratuur en nieuwsbrieven van
gerenommeerde organisaties. Voor de bestuursleden is een bestuurders­
aansprakelijkheidsverzekering afgesloten.
In 2015 heeft het fonds wijzigingen doorgevoerd in het pensioenreglement,
uitvoeringsreglement en de statuten als gevolg van de invoering van het nFTK.
3.8 Beleggingen
3.8.1 Gevoerd beleid en resultaat
Implementatie nieuw strategisch beleggingsbeleid
Afgelopen jaar heeft het pensioenfonds een ALM-studie en portefeuilleconstructie
laten uitvoeren met als doel om de beleidsopties te verkennen om het risicoprofiel aan
te passen en daarmee het rendementsperspectief te verbeteren. Hierbij is ook de impact
van de nieuwe UFR op de renteafdekking inzichtelijk gemaakt (zie hieronder). Op basis
van de uitkomsten is besloten tot een verlaging van de rentehedge welke per
1 november 2015 is doorgevoerd. Ook is besloten tot een 10% hogere allocatie naar
zakelijke waarden ten koste van vastrentende waarden welke gefaseerd wordt
geïmplementeerd. De eerste stap is gezet door middel van een 5% verhoging van de
aandelenallocatie. Door het verhogen van het risicoprofiel wordt bereikt dat de
strategische portefeuille een hoger verwacht rendement heeft van gemiddeld 6% over
de komende vijf jaar, dit was zonder de bovengenoemde aanpassingen ongeveer 4,5%.
De verhoging van het risico heeft er ook toe geleid, dat de bandbreedte waarbinnen de
tracking error van het rendement op de beleggingen ten opzichte van de verplichtingen
zich mag bewegen verruimd is (zie ook de Risicoparagraaf vermogensbeheer hierna).
Invulling aandelenportefeuille
Het pensioenfonds heeft op basis van uitgebreid onderzoek besloten tot een wereld­
wijde inrichting van de aandelenportefeuille op basis van factorpremies. Er is
vastgesteld dat het combineren van factorpremies leidt tot een betere rendementrisicoverhouding dan die van een brede marktindex.
Liquiditeitsrisico
Binnen de portefeuilleconstructie is ook onderzoek gedaan naar de oplossings­
richtingen voor verdere beheersing van het liquiditeitsrisico. Op basis hiervan is binnen
vastrentende waarden de categorie niet-staatobligaties relatief meer afgebouwd dan
staatsobligaties, van een verhouding staat/niet-staat van 50/50 naar 60/40. Ook is
besloten om indexleningen niet op te bouwen en de allocatie in staatsleningen te laten.
Het liquiditeitsrisico is verder verlaagd door de waarde van de renteswaps eerder te
rebalancen door de maximaal toegestane swapwaarde te verlagen van 10% naar 5%
van het totaal beheerde vermogen. Hierdoor daalt het benodigd onderpand.
31
Manager evaluatie Emerging Markets Debt Local Currency (EMD LC)
Er heeft een evaluatie plaatsgevonden van Stone Harbor. Daarnaast is een analyse
gedaan naar managerspreiding binnen de beleggingscategorie EMD LC. Aangezien
Stone Harbor op het gebied van EMD LC nog steeds een toonaangevende manager
wordt geacht met een ervaren en breed team is besloten om de manager in de
portefeuille te handhaven ondanks wisselende resultaten. Met als doel een stabielere
relatieve performance van EMD LC is Investec geselecteerd als additionele vermogens­
beheerder met als een van de belangrijke eigenschappen dat deze complementair is aan
de huidige manager Stone Harbor.
Private Equity en Infrastructuur
Afgelopen jaar is het beleggingsbeleid van Private Equity en Infrastructuur verder
uitgewerkt en aangescherpt. Door middel van een asset class studie is onderzoek
gedaan naar de gewenste beleggingsstrategie waarbij gekeken is naar de gewenste
mate van leverage, spreiding over vintage jaren, regio’s, stijlen en over fondsen en/of
managers. Vervolgens is deze strategie door middel van een portefeuilleplan verder
geconcretiseerd. In dit portefeuilleplan is tevens gekeken naar de meest optimale
cashflow planning voor de komende jaren.
MKB Impulsfonds
In 2015 heeft het pensioenfonds zich gecommitteerd om € 8 miljoen te investeren in
het MKB Impulsfonds. Het MKB Impulsfonds ondersteunt MKB ondernemers die
willen groeien, extra werkkapitaal nodig hebben of op zoek zijn naar een
herfinanciering. Daarmee vult het een gat in de markt van traditionele
kredietverstrekkers en nieuwere, alternatieve financieringsvormen. De eerste afroep
van circa € 1 miljoen heeft eind 2015 plaatsgevonden.
UFR 2015
Op 15 juli 2015 heeft Toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) de door de
Commissie Ultimate Forward Rate (UFR) voorgestelde UFR-methode (UFR2015)
ingevoerd. De UFR gaat door de invoering van deze methodiek naar het voort­
schrijdend gemiddelde van de lange rente over de afgelopen tien jaar. Hierdoor stijgt de
rentegevoeligheid van de verplichtingen en hiermee daalt het afdekkingspercentage
onder de nieuwe UFR. Het pensioenfonds heeft het renteafdekkingsbeleid opnieuw
vastgesteld op basis van deze nieuwe waarderingsmethodiek voor de verplichtingen.
Portefeuillewaarde
De waarde van de portefeuille en de verdeling van het vermogen over de verschillende
beleggingscategorieën aan het einde van het jaar ten opzichte van de situatie aan het
begin van het jaar wordt weergegeven in onderstaande tabel:
(x € 1.000)
Bedrag
Percentage
2015
Normportefeuille
2014
Aandelen
803.970
27,1
24,5
621.299
24,6
Vastrentende waarden
1.602.362
54,0
54,0
1.457.170
57,6
Overige beleggingen
218.073
7,4
8,0
137.962
5,5
Bedrag
Percentage
Vastgoed
335.753
11,3
13,0
309.138
12,2
Liquide middelen
6.239
0,2
0,5
2.928
0,1
100%
100%
2.528.497
100%
Totaal
2.966.397
Waarde rente overlay
-94.044
412.169
Waarde valuta afdekking
-
-
Totaal inclusief
portefeuilles ter
afdekking valutarisico
2.872.353
2.940.666
Van het totale vermogen wordt ongeveer 29% (ruim € 825 miljoen) belegd in
Nederland.
Rendementen
Onderstaande tabel geeft de performance weer uitgesplitst naar de verschillende
categorieën waarin voor het pensioenfonds wordt belegd:
2015
Portefeuille
(in %)
2015
Benchmark
2014
Portefeuille
2014
Benchmark
Aandelen
4,8
5,9
13,6
13,0
Vastrentende waarden
0
-0,5
9,5
9,1
Overige beleggingen
-19,8
-22,3
-19,6
-19,4
Vastgoed
6,6
8,4
3,0
4,4
Liquide middelen
1,3
-0,1
1,6
0,1
Totaal
0,2
0,3
7,5
7,3
Totaal Inclusief
hedgeportefeuilles
-2,7
31,3
Afdekking renterisico
Het pensioenfonds beheerst het renterisico door te beleggen in vastrentende waarden
en renteswaps. Per 1 november 2015 heeft het pensioenfonds de renteafdekking
verlaagd van 90% naar 60% afdekking op basis van de UFR-rekenrente. Halverwege
juli introduceerde DNB een nieuwe Ultimate Forward Rate (UFR) methodiek. Hierdoor
daalde de UFR op dat moment naar 3,3%, met als gevolg dat de dekkingsgraad daalde.
32
De 30-jaars swaprente begon 2015 met een stand van 1,46% om vervolgens
halverwege april naar de laagste rentestand ooit van 0,72% te dalen. Uiteindelijk werd
2015 afgesloten op een stand van 1,61%. Door de rentestijging over 2015 was de
bijdrage van de rentehedge negatief.
Afdekking valutarisico
Het pensioenfonds belegt in verschillende beleggingen die in buitenlandse valuta’s
genoteerd zijn. De belangrijkste buitenlandse valuta’s waarin belegd wordt, zijn: de
Amerikaanse dollar, het Britse pond, de Zwitserse franc en de Japanse yen. Het valuta­
risico van deze valuta’s wordt voor aandelen voor 75% afgedekt naar de euro. Voor de
beleggingscategorieën global high yield, infrastructuur en obligaties in opkomende
landen in harde valuta wordt het valutarisico volledig afgedekt.
Gedurende 2015 verzwakte de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar, Britse
pond en Japanse Yen. De valuta afdekking droeg per saldo negatief bij aan het resultaat
van de portefeuille. De negatieve bijdrage van de valuta afdekking werd vooral
gedreven door de ontwikkeling van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar,
aangezien dit de grootste af te dekken valutapositie is.
Dynamische Asset Allocatie (DAA)
Ook in 2015 heeft het pensioenfonds een Dynamische Asset Allocatie beleid gevoerd.
De doelstelling van dit DAA-beleid is het verbeteren van het rendement-/risicoprofiel
van de (statische) strategische asset allocatie door in te spelen op kansen en risico’s.
Gedurende 2015 kende de portefeuille een overweging van aandelen ten koste van
Europese staatsobligaties. Vanwege de aantrekkelijke waardering bestond deze
overweging grotendeels uit aandelen opkomende markten en daarnaast ook aandelen
Europa. Aandelen profiteerden van het aanhoudend ruime monetaire beleid van de
Fed, de aankondigingen van verruimende beleidsmaatregelen van de ECB en de
langzaam verder verbeterende macro-economische omgeving. Ook staatsobligaties
profiteerden van de verder gedaalde kapitaalmarktrentes in de eurozone als gevolg van
het ruime monetaire beleid, maar ook als gevolg van de lage inflatie in de eurozone. Per
saldo heeft het gevoerde DAA beleid in 2015 positief bijgedragen aan het resultaat van
het pensioenfonds.
Vastrentende waarden
Staatobligaties, bedrijfsobligaties en hypotheken
De Europese rentes werd in 2015 voornamelijk gedreven door het monetair beleid van
de ECB, onzekerheden over de mondiale economie en de eerste renteverhoging sinds
jaren door de Amerikaanse Centrale bank. De Duitse 10-jarige rente liet een kleine
stijging van 9 basispunten zien tot een niveau van 0,63%. De Italiaanse 10-jarige rente
daalde daarentegen van 1,89% naar 1,60%. Per saldo behaalde de portefeuille
staatsobligaties een klein positief rendement in 2015. Ook de beleggingen in
bedrijfsobligaties leverden een licht positieve bijdrage op over 2015, het inkomen van
de risicopremie voor bedrijfsobligaties hielp hierbij. Het rendement op hypotheken was
positief gedurende 2015, geholpen door een flinke outperformance.
Het resultaat van deze subcategorie heeft licht positief bijgedragen aan het resultaat.
Per saldo was ook het relatieve resultaat van deze subcategorie positief, vooral dankzij
de goed relatieve performance van hypotheken.
High Yield
Het afgelopen jaar was één van de slechtste jaren ooit voor de beleggingscategorie
Global High Yield. Dit kwam door een slechte tweede helft van het jaar, die werd
gekenmerkt door de afname van de risicohouding van beleggers in het algemeen, maar
vooral door de daling van de olieprijs. De zwaar getroffen energiesector is vooral stevig
vertegenwoordigd in de Amerikaanse index, die ongeveer 80% van de benchmark
uitmaakt. Ook de sterke stijging van de Amerikaanse dollarkoers drukte het sentiment
in de Verenigde Staten. Europese High Yield obligaties presteerden beter en wisten het
jaar gemiddeld wel met een positief rendement af te sluiten. Per saldo had deze
categorie een negatieve bijdrage aan het resultaat, ondanks de flinke outperformance.
Emerging Markets Debt
Opkomende markten hadden het per saldo lastig in 2015. Diverse landen, waaronder
China, hadden last van een economische groeivertraging. Vooral de sterke daling van de
grondstoffenprijzen en de stijging van de waarde van de Amerikaanse dollar speelden
opkomende markten parten. Zo liet schuldpapier in lokale valuta (EMD LC) negatieve
rendementen zien wat nagenoeg geheel toe te schrijven is aan de daling van valuta’s ten
opzichte van de Euro. In de EMD LC index hebben landen als Brazilië, Zuid-Afrika en
Turkije, waarvan de valuta’s fors onder druk stonden, een relatief groot gewicht.
Obligaties opkomende markten in harde valuta (EMD HC) noteerden over 2015 nog
wel een heel licht positief rendement. Van deze beleggingen is het valutarisico afgedekt
naar Euro.
Per saldo heeft de vastrentende waarden portefeuille met een rendement van 0,0%
versus een benchmarkrendement van -0,5% een outperformance van 0,5% behaald.
Aandelen
2015 begon sterk. De positieve trend op de aandelenbeurzen van 2014 werd tot en
met april voortgezet. De resultaten van de wereldwijde aandelenbeurs inclusief
opkomende markten wordt gemeten door MSCI. De ‘MSCI All Country World Index
IMI’ noteerde medio april ca. 20% hoger gemeten in euro dan eind 2014. De stijging
kwam vooral door de Europese centrale bank (ECB), omdat er al geruime tijd werd
gesproken over een ongekend omvangrijk programma van monetaire verruiming. Dit
programma werd uiteindelijk in maart 2015 opgestart, waarbij de ECB maandelijks
voor ongeveer 60 miljard euro de Europese economie voor minimaal 18 maanden zou
gaan stimuleren.
Vanaf dat moment stonden de aandelenmarkten onder druk en aan het wereldwijde
economische groeipad werd sterk getwijfeld. De opgelopen koers/winst verhoudingen
kwamen daarmee onder druk te staan zowel in ontwikkelde markten als in opkomende
markten met China voorop.
33
In december 2015 van het jaar veranderde het beleid van centrale banken. De Japanse
centrale bank handhaafde haar monetaire beleid, terwijl de markt juist een extra
stimuleringsmaatregel verwachtte. Dit was ook het geval in Europa. De Amerikaanse
centrale bank (FED) verhoogde in deze maand voor het eerst in jaren de rente. Veel
beleggers hadden dit al verwacht en het beleid hierop aangepast. Hoewel de verhoging
van het rentetarief positief kon worden uitgelegd, bracht de verhoging juist de nodige
onrust en onzekerheid over de ingeslagen weg. Als gevolg hiervan kwamen de
aandelenbeurzen gedurende december verder onder druk te staan.
De aandelenportefeuille van het pensioenfonds is in 2015 met 4,8% gestegen. De
benchmark steeg met 5,9%. De portefeuille bleef hiermee achter bij de benchmark.
Met name bleven aandelen Europa achter bij de benchmark door de underperformance
van de High Conviction aandelen. Met ingang van het eerste kwartaal wordt hierin niet
meer belegd, het pensioenfonds heeft in 2015 besloten over te gaan tot een
wereldwijde inrichting van de aandelenportefeuille op basis van factorpremies.
Alternatieve beleggingen
De portefeuille alternatieve beleggingen bestond in 2015 uit:
Private equity
De private equity markt kende gedurende 2015 twee gezichten. Enerzijds werd de markt
positief beïnvloed door de krachtige fusie- en overnamemarkt. Anderzijds was er het
negatieve effect van hoge waarderingen in de markt die een demper zette op de aankopen.
Vooral bestaande bedrijven waren zeer actief met uitbreiding van hun marktaandeel. Dit
leverde voor de private equity fondsen een grote vraag op naar ondernemingen in hun
portefeuilles. Door de hoge waarderingen in de markt resulteerde dit in goede verkoop­
prijzen en hoge rendementen bij verkoop van posities. De uitkeringen van deze opbrengsten
bezorgden de investeerders een grote stroom geld, maar ook een dalende waarde van
hun portefeuilles. De beleggingen in de portefeuille behaalden over 2015 een positief
rendement van 19,4%. Dit blijft iets achter bij de verwachting. Een belangrijke oorzaak
hiervan is de opbouw van de portefeuille. De rendementen op langere termijn zijn goed.
Een belangrijk deel van de portefeuille zit in de verkoopfase. De opbrengsten uit
verkopen waren in het afgelopen jaar in lijn met de markt sterk positief.
Infrastructuur
De vraag naar nieuwe infrastructuur blijft hoog. Dit geldt voor zowel de economische
infrastructuur als bij de sociale infrastructuur. De vraag naar nieuwe scholen, nieuwe
ziekenhuizen en andere sociale gebouwen is hoog. De mogelijkheden om deze te laten
bouwen zijn beperkt. Vandaar de toename in samenwerking tussen infrastructuur­
fondsen en overheden. Ook bij de economische infrastructuur zoals wegen, spoor­
wegen, luchthavens, havens, energie- en watervoorziening was sprake van een
toenemende vraag, vooral binnen hernieuwbare energie en wind- en zonenergie­
parken. De omschakeling van kolen gestookte centrales naar gas gestookte centrales
dreef de investeringen naar gaspijpleidingen op. De fondsen in portefeuille zitten in
hun ‘volwassen’ fase. De beheerders zijn daarom actief naar het verkopen van belangen
aan het kijken. De rendementen over 2015 waren over de gehele lijn bijzonder sterk en
in lijn met de positieve ontwikkelingen op de infrastructuurmarkt. Het infrastructuur­
fonds behaalde in 2015 een rendement van 14% op zijn infrastructuurbeleggingen. De
benchmark behaalde een rendement van 2,6%.
Grondstoffen
Beleggingen in grondstoffen (commodities) zijn investeringen in natuurlijke materialen
die gebruikt worden in productieprocessen (olie en metalen bijvoorbeeld). De markt
van grondstofbeleggingen liet in 2015 een wisselend beeld zien. Het eerste halfjaar
was vrij stabiel, maar in de tweede helft was er sprake van een sterke daling. Deze werd
veroorzaakt door de tegenvallende economische cijfers uit China in combinatie met de
sterke stijging van het aanbod van een aantal commodities. In de oliesector was sprake
van een prijsval van meer dan 35%. De energiesector verloor in 2015 in totaal meer
dan 40%. De productie van Amerikaanse schalieolie bleek sterker dan verwacht,
waardoor het aanbod aanzienlijk groter was dan de vraag. De voorraden stegen
hierdoor tot recordhoogtes. Tegelijkertijd werden OPEC-landen geconfronteerd met
begrotingstekorten als gevolg van hun afhankelijkheid van olie-export en de huidige
lagere prijzen. De enige manier om deze begrotingstekorten te dichten was voor OPEC
landen het exporteren van nog meer olie, ondanks de lagere prijsniveaus. Aan het einde
van het jaar is het productieplafond min of meer losgelaten, om de terugkeer van Iran
en in zekere mate ook Irak op de wereldwijde oliemarkt te kunnen faciliteren. Door de
continuering van tegenvallende economische cijfers uit voornamelijk China, is de vraag
naar metalen gedaald. Metalen worden veelal gewonnen in opkomende landen zoals
Chili. De valuta van deze landen zijn ten opzichte van de Amerikaanse dollar minder
waard geworden. Hierdoor is ondanks de lagere vraag en de lager prijs, de productie
niet afgenomen. De grondstoffen portefeuille daalde in 2015 (in Euro’s) met 33,2%.
De actieve strategie wist de benchmark te verslaan met 0,5%.
hypotheekrente hadden een positief effect op de vraag naar koopwoningen. Daarnaast
is er door de beperkte ontwikkeling van woningen in de afgelopen jaren krapte op de
woningmarkt ontstaan. Dit heeft ook een positief effect op de ontwikkelingen van
beleggershuurwoningenmarkt. De huren stegen en de bezettingsgraad van
huurwoningen is hoog.
Winkels
In 2015 liet de winkelmarkt tekenen van herstel zien. De waarde van winkels op
A-locaties is relatief stabiel. Op B en C-locaties staan de huren en de waarde van de
winkels onder druk. Ook de leegstand neemt in dit segment toe. Door het toegenomen
consumentenvertrouwen stijgt de omzet in veel sectoren wel binnen de winkelmarkt.
Door de hoge kwaliteit van institutionele winkelportefeuilles zijn de afwaarderingen in
2015 zeer beperkt gebleven en werden door de huurinkomsten positieve rendementen
behaald.
Kantoren
Ook in de kantorensector is er sprake van een tweedeling. De structurele overcapaciteit
zorgt voor aanhoudende druk op de kantorenmarkt. Daarnaast zijn er ook segmenten in
de markt waar weinig leegstand is en de waarden van kantoren stijgen. Een voorbeeld
hiervan is de Zuid-as in Amsterdam waar de waarde van kantoren in 2015 sterk steeg.
De vastgoedportefeuille presteerde met 6,6% slechter dan de ROZ/IPD benchmark
(8,4%). De underperformance werd veroorzaakt door de portefeuilles van winkels en
woningen, deze behaalden een lager rendement dan de benchmark.
3.8.2
Verantwoord beleggen en corporate governance
Hierna wordt aangeven wat in 2015 de situatie per sector was:
Verantwoord beleggen
Uitgangspunten
Het pensioenfonds past sinds 2008 een verantwoord beleggen beleid toe. De principes
van de Global Compact van de Verenigde Naties dienen hierbij als uitgangspunt. Deze
tien principes zijn gerelateerd aan de thema’s mensenrechten, arbeidsnormen, milieu
en anti-corruptie en vinden hun oorsprong in internationaal breed geaccepteerde
verdragen zoals de Universele Verklaring inzake de Rechten van de Mens en de
conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie.
Het pensioenfonds brengt aan de hand van onderstaande instrumenten het
verantwoord beleggen beleid in praktijk:
•• uitsluiten van controversiële wapens;
•• engagement, aangaan van dialoog met ondernemingen;
•• corporate governance en stemmen op aandeelhoudersvergaderingen.
Woningen
De koopwoningenmarkt zette in 2015 de positieve trend voort. Er werden veel meer
woningen verkocht dan in voorgaande jaren. Ook de waarde van koopwoningen steeg
sterk, vooral in de Randstad. Het toegenomen consumentenvertrouwen en de lage
Uitsluiten van controversiële wapens
Het pensioenfonds voert een uitsluitingsbeleid ten aanzien van producenten van
controversiële wapens. Op voorhand wenst het pensioenfonds niet te beleggen in
ondernemingen die kernwapens, chemische wapens, biologische wapens,
De portefeuille met alternatieve beleggingen van het pensioenfonds is in 2015 met
19,8% gedaald. De benchmark daalde met 22,3%. De portefeuille bleef hiermee voor
bij de benchmark.
Vastgoed
Het herstel van de Nederlandse vastgoedmarkt zette in 2015 door. De belangstelling
van buitenlandse beleggers voor Nederlands vastgoed bleef onverminderd hoog. Zowel
in de sectoren woningen, winkels als kantoren werden grote portefeuille aankopen
door buitenlandse beleggers gedaan. Dit droeg bij aan het herstel van de Nederlandse
vastgoedmarkt.
34
antipersoonsmijnen of clustermunitie produceren en/of distribueren. Omdat het
pensioenfonds deels via (passief beheerde) aandelenfondsen belegt kan het beleid niet
voor de gehele portefeuille in praktijk gebracht worden. De actief beheerde aandelenen vastrentende waarden portefeuilles van het pensioenfonds evenals de beleggingen
in een geldmarkt fonds worden in overeenstemming met het uitsluitingsbeleid beheerd.
Engagement, aangaan van dialoog met ondernemingen
Aan de hand van thema’s voert het pensioenfonds de dialoog met ondernemingen. Het
doel van de dialoog is ondernemingen aan te sporen tot beter maatschappelijk gedrag
evenals het beschermen van aandeelhouderswaarde. In 2015 zijn nieuwe dialogen
gestart rond de engagementthema’s “Milieu uitdagingen voor Europese elektriciteits­
bedrijven” en “ESG risico’s en kansen in de biofarmaceutische industrie”. Het
engagement­thema “Duurzaam ketenbeheer Soja” is in 2015 afgerond. Voortgang
alsook een inhoudelijke toelichting op de diverse engagementthema’s wordt
halfjaarlijks gegeven in het verslag Verantwoord Beleggen. Dit verslag kunt u vinden op
de website van het pensioenfonds.
Corporate governance en stemmen op aandeelhoudersvergaderingen
Het pensioenfonds belegt wereldwijd in ontwikkelde markten via een actief beheerd
aandelenfonds. Op dit fonds is een stembeleid van toepassing dat overeenkomt met het
beleid van het pensioenfonds. Het stembeleid wordt uitgevoerd door Achmea
Investment Management via een online stemplatform. Op deze wijze kan er wereldwijd
gestemd worden op aandeelhoudersvergaderingen van alle bedrijven waarin wordt
belegd.
Achmea Investment Management maakt bij het uitoefenen van het stemrecht mede
gebruik van de stemanalyses en stemadviezen van Institutional Shareholder Services
(ISS). Hierbij wordt rekening gehouden met internationaal geaccepteerde corporate
governance codes zoals die van de OESO en het International Corporate Governance
Netwerk (ICGN). Daarnaast wordt voor iedere afzonderlijke markt rekening gehouden
met lokale wet- en regelgeving en van toepassing zijnde corporate governance codes.
Verantwoording stemactiviteiten
Het pensioenfonds stemde in 2015 op 363 aandeelhoudersvergaderingen, waarbij
4.566 agendapunten de revue passeerden. In 2015 werd op circa 9% van alle
agendapunten tegen het management gestemd. Ook dit jaar ging het hier vooral om de
benoeming van bestuurders van ondernemingen (niet onafhankelijk waar dit wel geëist
of gewenst is) en beloningsstructuren (excessief, onvoldoende toegelicht of niet
transparant genoeg). Op aandeelhoudersresoluties over milieu, sociale en governance
kwesties werd ook relatief vaak (meer dan de helft van de gevallen) tegen management
gestemd. Het pensioenfonds publiceert op haar website hoe zij heeft gestemd per
aandeelhoudersvergadering.
Integratie van duurzaamheidsinformatie in het beleggingsproces
Uit steeds meer analyses blijkt dat integratie van duurzaamheidsinformatie in
beleggings­processen van toegevoegde waarde is.
35
Voor de actief beheerde aandelenfondsen waar het pensioenfonds in belegt en de
discretionair beheerde vastrentende waarden portefeuilles worden daarom
zogenaamde ecologische, sociale, en governance (ESG)-factoren meegewogen in het
beleggingsproces. Dit vanuit de overtuiging dat het meewegen van deze factoren leidt
tot beter geïnformeerde beleggingsbeslissingen en de rendement-risicokarakteristieken
van de portefeuille verbetert.
Verantwoording
Het pensioenfonds geeft op de website nader inzicht in de gemaakte keuzes ten aanzien
van het verantwoord beleggen beleid en rapporteert ieder halfjaar over de behaalde
prestaties op de diverse verantwoord beleggen instrumenten.
3.8.3 Vooruitblik
De verwachte rendementen voor de middellange termijn zijn gematigd. De lage
economische groei en lage inflatie in de eurozone, gecombineerd met het ruime
monetaire beleid van de ECB, zal de rentetarieven laag houden. Het verwacht
rendement voor veilige obligaties is dan ook laag. Door de gestegen risico-opslagen zijn
de verwachte rendementen voor High Yield en Emerging Markets Debt (EMD)
gestegen ten opzichte van vorig jaar. Vanuit waarderingsoogpunt gaat onze voorkeur
gaat uit naar aandelen Europa en Opkomende Markten.
3.8.4 Z-score
Op 24 april 1998 is de ‘Vrijstellingsregeling Wet Bedrijfspensioenfondsen’ officieel in
werking getreden. Deze regeling is uitgevaardigd door het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en heeft als belangrijkste doel ondernemingen vrijstelling te verlenen
van de verplichtstelling van deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds indien de
beleggingsperformance van het fonds ontoereikend is. Op basis van artikel 5 lid 1a
Vrijstellingsregeling moet vrijstelling worden verleend als uit de performance­toets blijkt
dat het feitelijk behaalde beleggingsrendement van het bedrijfspensioen­fonds in negatieve
zin afwijkt van het rendement van de door het fonds vastgestelde normportefeuille.
Volgens de vrijstellingsregeling zal de performancetoets worden toegepast over de
periode 2011 tot en met 2015. Indien de uitkomst van de performancetoets lager uitvalt
dan – 1,28, kan een deelnemer binnen het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds
een verzoek indienen tot vrijstelling van deelname. Over 2015 is een Z-score behaald van
-0,06%. De performancetoets over de periode 2011 tot en met 2015 bedraagt -0,02.
Daarmee blijft de performancetoets ruimschoots boven het vereiste minimum.
3.8.5 Risicoparagraaf vermogensbeheer
Marktrisico / Balansrisico
Waardefluctuaties van beleggingen kunnen elkaar versterken of werken juist
diversifiërend. Om die reden wordt het risico van marktwaardebewegingen op
totaalniveau getoetst.
Beheersmaatregelen:
•• Met behulp van een ALM-studie maakt het pensioenfonds een inschatting van de
omvang van deze risico’s en de mogelijke impact hiervan op (de toekomstige situatie
van) het fonds. De risicohouding bepaalt het totale balansrisico. In de portefeuille­
constructie worden vervolgens de bijdragen van individuele risico’s aan het totale
risico bepaald.
•• Het balansrisico voor het pensioenfonds wordt gemonitord door middel van het
volgen van de tracking error van het rendement op de beleggingen ten opzichte van
de verplichtingen. Als limiet waarbinnen de tracking error zich dient te bewegen, is
een bandbreedte vastgesteld tussen de 5% en 15%. De tracking error is een
risicomaat en geeft het jaarlijkse verschil aan in het rendement op de beleggingen
ten opzichte van de verplichtingen.
•• Het algemene marktrisico wordt gemonitorddoor middel van de zogeheten Systemic
Stress Indicator (SSI) in de risicorapportage. Het pensioenfonds krijgt een
waarschuwingssignaal ter indicatie van een hoog marktrisico en van een krachtige
trend in marktbewegingen.
•• Ten slotte wordt het neerwaarts dekkingsgraadrisico gemonitord door in de
maandelijkse risicorapportage de dekkingsgraad in enkele stress scenario’s te
bepalen. Het pensioenfonds krijgt een waarschuwingssignaal indien de dekkings­
graad uitkomst in een stress scenario onder de kritische dekkingsgraad van 85% ligt.
De kritische dekkingsgraad is de minimale dekkingsgraad die nodig is om zonder
kortingsmaatregelen binnen de gestelde termijn te herstellen naar de vereiste
dekkingsgraad.
Renterisico
Een pensioenfonds loopt renterisico doordat de waarde van de verplichtingen van het
fonds anders op renteveranderingen reageert dan de waarde van de beleggingen.
Beheersmaatregelen:
•• Op basis van het risicoprofiel wordt het renterisico voor 60% van de rente­
gevoeligheid van de voorziening pensioen verplichtingenk afgedekt.
•• De impact van renteveranderingen op de dekkingsgraad worden in de kwartaal- en
risicorapportage inzichtelijk gemaakt.
•• Het renterisico wordt gemonitord als onderdeel van markt-/balansrisico.
Inflatierisico
Een pensioenfonds loopt inflatierisico doordat de waarde van de geambieerde
geïndexeerde pensioentoezeggingen anders op inflatieveranderingen reageert dan de
waarde van de beleggingen. Het (gedeeltelijk) streven naar een reëel pensioen geeft
het risico dat de verandering van de pensioenvoorzieningen als gevolg van inflatie niet
gecompenseerd wordt door een waardeverandering van de beleggingen.
Beheersmaatregelen:
•• Het inflatierisico wordt niet actief afgedekt.
•• Het pensioenfonds heeft beleggingscategorieën in de portefeuille die positief
reageren in een hoog inflatie scenario.
36
•• De kans op toeslag wordt inzichtelijk gemaakt in de risicorapportage op basis
waarvan het Pensioenfonds kan besluiten de portefeuille bij te sturen.
Valutarisico
De waarde van beleggingen kan veranderen door schommelingen in de wisselkoersen
ten opzichte van de euro.
Beheersmaatregelen:
•• Op basis van (portefeuilleconstructie) analyses wordt het valutarisico gedeeltelijk
afgedekt De vreemde valuta-exposure van de beleggingscategorieën Global High
Yield, Obligaties Opkomende Markten hard currency (obligaties in USD en EUR) en
Infrastructuur worden volledig afgedekt naar Euro’s. Het valutarisico van USD, JPY,
GBP en CHF van de beleggingscategorieën Aandelen Europa, Aandelen Verenigde
Staten, Aandelen Opkomende Markten, Aandelen Azië Pacific ex Japan en Aandelen
Japan wordt afgedekt voor 75 %.
•• Het valutarisico wordt gemonitord als onderdeel van markt-/balansrisico.
Aandelenrisico
Het risico op een daling van de marktwaarde van aandelen en zakelijke waarden.
Beheersmaatregelen:
•• Het aandelenrisico wordt in de ALM vastgesteld door middel van de gewenste
allocatie naar aandelen en zakelijke waarden aan de hand van het risicoprofiel.
•• De allocatie naar aandelen(risico) wordt in de portefeuilleconstructie verder
verfijnd, bijvoorbeeld door vaststelling van de regio- en stijlverdeling.
•• Het aandelenrisico wordt gemonitord als onderdeel van markt-/balansrisico.
Kredietrisico
Het risico dat een kredietnemer zijn afgesproken betalingen niet nakomt of dat de
kredietwaardigheid van een kredietnemer afneemt, waardoor de kredietverstrekker
financiële schade oploopt.
Beheersmaatregelen:
•• Kredietrisico wordt in de risicorapportage inzichtelijk gemaakt aan de hand van de
ontwikkeling van de creditspread. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de
basisportefeuille en de overige vastrentende waarden. Het pensioenfonds krijgt een
waarschuwingssignaal wanneer de spreads zich buiten de vastgestelde bandbreedte
begeven. De bandbreedte is gebaseerd op de historische spreadontwikkeling waarbij
de het 20% percentiel aan de boven- en onderkans als verhoogde risico-inschatting
worden geduid. Zowel een hoge spread (toenemende kans op defaults en
illiquiditeit) als een lage spread (laag rendement en mogelijk onderschatting van het
werkelijke kredietrisico) zijn onwenselijk.
•• Het kredietrisico wordt gemonitord als onderdeel van markt-/balansrisico.
•• Binnen beleggingsportefeuilles zijn (in fonds- of mandaatrichtlijnen) limieten
opgenomen op kredietwaardigheidsratings van beleggingen in instrumenten, landen
en/of sectoren.
Tegenpartijrisico
Bij het aangaan van transacties met externe partijen wordt exposure opgebouwd bij
tegenpartijen. Een faillissement van een tegenpartij kan tot verliezen leiden.
Beheersmaatregelen:
•• Bij het afsluiten van nieuwe OTC derivatentransacties geldt dat tegenpartijen minimaal
een kredietstatus A- rating ((gebaseerd op de Syntrus Achmea Composite (SAC)
rating berekend aan de hand van beschikbare Moody’s, S&P en Fitch ratings) bezitten
en niet opgenomen zijn op de watch list voor derivatentegenpartijen, zoals opgesteld
door de vermogensbeheerder. Voor reeds afgesloten OTC derivaten geldt dat
tegenpartijen minimaal een kredietstatus BBB- (gebaseerd op SAC-rating) bezitten.
•• Iedere tegenpartij mag – afhankelijk van de kredietwaardigheid – slechts een bepaald
percentage van het totale risico naar alle tegenpartijen uitmaken. Dit percentage
bedraagt maximaal 50 procent per tegenpartij in het bezit van AAA kredietstatus
(gebaseerd op SAC rating), maximaal 33 procent per tegenpartij in het bezit van
AA-, AA of AA+ kredietstatus (gebaseerd op SAC rating) en maximaal 20 procent
per tegenpartij in het bezit van A+ of lagere kredietstatus (gebaseerd op SAC rating).
•• Dagelijks vindt afstemming van onderpand plaats, waarbij alleen onderpand van
goede kwaliteit wordt uitgewisseld. Alleen euro-gedenomineerde staatsobligaties
met een minimale AA- kredietstatus (gebaseerd op de kredietstatus afgegeven door
minimaal één van de volgende instellingen: Moody’s, S&P of Fitch) uitgegeven door
een van de eurozone landen worden als onderpand geaccepteerd.
•• Het risico wordt ook bewaakt middels de risicorapportage en de maandelijkse
berekening van Potential Future Exposure (verlies in geval van oversluiten bij een
faillissement van een tegenpartij).
Liquiditeitsrisico
Het risico dat het pensioenfonds niet op korte termijn aan zijn betalingsverplichtingen
en onderpand-verplichtingen uit hoofde van derivatencontracten kan voldoen.
Beheersmaatregelen:
•• Het liquiditeitsrisico wordt beheerst door te monitoren of er voldoende onderpand
beschikbaar is voor de afrekening van OTC derivaten, ook bij een extreme negatieve
marktschok (de onderpandtoets).
•• Daarnaast wordt getoetst in hoeverre het pensioenfonds aanvullend onderpand kan
vrijmaken door het liquideren van beleggingen.
•• Iedere maand wordt een onderpandtoets en liquiditeitstoets uitgevoerd. Indien het
pensioenfonds voor één van deze toetsen niet slaagt, zal de vermogensbeheerder
het pensioenfonds binnen 10 werkdagen na het verschijnen van de risicorapportage
hierover een advies uitbrengen.
Concentratierisico
Door gebrekkige spreiding kan concentratierisico ontstaan waarbij verliezen optreden
doordat een te grote gevoeligheid bestaat naar één regio, sector of marktpartij.
Beheersmaatregelen:
•• Het pensioenfonds heeft een gediversifieerde portefeuille met een goede spreiding
over beleggingscategorieën, risicocategorieën en stijlen.
37
•• Ter beheersing van het concentratierisico krijgt het pensioenfonds een
waarschuwingssignaal als een land- of sector-exposure boven de grenswaarde van
20% komt.
Actief risico
Met actief risico wordt bedoeld de mate waarin de daadwerkelijke performance afwijkt
van de performance van de strategische benchmark van de portefeuille.
Beheersmaatregelen:
•• Het actieve risico wordt beheerst door middel van limieten op de tracking error bij
actieve mandaten. Hiermee wordt de afwijking ten opzichte van de benchmark
gelimiteerd. Voor de (sub)totalen van de liquide beleggingscategorieën geldt
eenmaximale ex-ante tracking error met een 1-jaars horizon van 3% voor het totaal
Aandelen, 2% voor het totaal Vastrentende waarden, 10% voor Grondstoffen. Voor
de totale (liquide) portefeuille geldt een maximum van 3%.
3.9 Kosten uitvoering vermogensbeheer
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de totale kosten voor het vermogensbeheer
in 2015.
Gemiddeld vermogen 2015
€ 3.003 miljoen
Totale kosten (excl. transactiekosten)
€ 10,2 miljoen
Totale kosten (incl. transactiekosten)
€ 14,9 miljoen
Kosten % (excl. transactiekosten)
0,34%
Kosten % (incl. transactiekosten)
0,49%
De totale kosten vermogensbeheer in bovenstaande tabel zijn identiek aan de kosten
die worden gerapporteerd aan de Toezichthouder (jaarstaat J402).
De kosten vermogensbeheer zijn te onderscheiden naar de kostencomponenten:
beheerkosten, performance gerelateerde kosten en transactiekosten.
De transactiekosten zijn de kosten die gemaakt worden om de effectentransactie tot
stand te brengen en uit te voeren. Deze kosten zijn veelal op basis van een schatting tot
stand gekomen, omdat er bijvoorbeeld bij transacties in de categorie vastrentende
waarden niet separaat kosten in rekening worden gebracht, maar deze zich uiten in het
verschil tussen de bied- en laat-spread.
De kosten omvatten naast de kosten, zoals gerapporteerd in de staat van baten en
lasten, ook een uitsplitsing van de ‘onzichtbare kosten’ voor beheer van onderliggende
beleggingsfondsen, waarvan de kosten zijn verwerkt in het beleggingsrendement, en
de schatting van de kosten van de individuele transacties. In de staat van baten en lasten
worden alleen (directe) kosten getoond die het fonds op factuurbasis betaalt aan de
tegenpartijen, waardoor deze cijfers niet aansluiten. Het doel van deze paragraaf is om
extra inzicht in de kosten vermogensbeheer te verschaffen.
Het fonds hanteert een overwegend actief beleggingsbeleid, waardoor de beheers­
kosten hoger liggen dan bij een passief beleid. Hier tegenover staat dat het beleggings­
beleid van het pensioenfonds op de lange termijn ook een hoger verwacht rendement
heeft dan de benchmark (zie ook hieronder Resultaat IBI Benchmarking).
Vergelijking kosten uitvoering Vermogensbeheer 2015 met 2014
Onderstaande tabellen geven een overzicht van de totale kosten voor het
vermogensbeheer over 2015 en 2014.
(x € 1.000)
2015
Performance
Beheer- gerelateerde
kosten
kosten
Transactiekosten
TransactieAan- en
kosten excl.
verkoopaan- en verkosten
koopkosten
(x € 1.000)
Performance
Beheer- gerelateerde
kosten
kosten
2014
Transactiekosten
TransactieAan- en
kosten excl.
verkoopaan- en verkosten
koopkosten
Totaal
Kosten per
beleggingscategorie
Vastgoed
1.901
-
-
-
1.901
Aandelen
2.201
82
285
-
2.568
Alternatieve beleggingen
254
634
8
-
896
Vastrentende waarden
2.884
-
1.188
-
4.072
Derivaten
-
-
95
-
267
Commodities
242
-
25
-
95
Overige beleggingen
462
71
68
-
601
Totaal kosten toe te wijzen
aan categorieën
7.944
787
1.669
-
10.400
Totaal
Kosten per
beleggingscategorie
Vastgoed
1.687
-
3
-
1.690
Aandelen
2.721
105
528
-
3.354
Alternatieve beleggingen
631
189
179
-
999
Vastrentende waarden
2.997
-
2.934
-
5.931
Derivaten
-
-
734
-
734
Overige vermogensbeheerkosten
Kosten fiduciair beheer
1.540
1.540
Bewaarloon
281
281
Commodities
-
-
213
-
213
Overige beleggingen
28
-
23
-
51
Totaal overige
vermogensbeheerkosten
1.821
1.821
Totaal kosten toe te wijzen
aan categorieën
8.064
294
4.614
-
12.972
Totaal kosten
vermogensbeheer
9.765
12.221
Overige vermogensbeheerkosten
Kosten fiduciair beheer
1.654
1.654
Custiodian
-
-
Bewaarloon
207
207
Overige kosten
26
26
Totaal overige
vermogensbeheerkosten
1.887
1.887
Totaal kosten
vermogensbeheer
Overzicht kerncijfers inzake vermogensbeheerkosten
2015
2014
3.002.748
2.530.123
Beheerkosten inclusief performance gerelateerde kosten
0,34%
0,42%
Transactiekosten
0,15%
0,07%
Totaal
0,49%
0,48%
Gemiddeld belegd vermogen*
% van het gemiddeld belegd vermogen
9.951
14.859
*) Het gemiddeld beheerd vermogen is berekend op basis van de ultimo jaarstanden.
38
Beheerkosten en performance gerelateerde kosten
De kosten van het vermogensbeheer (exclusief transactiekosten, maar inclusief
performance gerelateerde kosten) in 2015 bedroegen € 10,2 miljoen, een daling van
€ 0,4 miljoen ten opzichte van 2014 (€ 10,6 miljoen). Afgezet tegen het gemiddeld
belegd vermogen (inclusief derivaten) over 2015 van € 3,0 miljard (2014: € 2,5
miljard), kwamen deze kosten in 2015 uit op 0,34% (2014: 0,42%). De daling werd
met name veroorzaakt door de daling van de performance gerelateerde kosten (-€ 0,5
miljoen).
Beheerkosten
De totale beheerkosten namen ten opzichte van 2014 toe met € 0,2 miljoen (2%),
namelijk van € 9,8 miljoen in 2014 tot € 10,0 miljoen in 2015. De stijging werd met
name veroorzaakt door stijging van de beheerkosten bij Vastrentende waarden en
Aandelen. De beheerkosten bij de overige beleggingscategorieën daalden. Het
gemiddelde belegd vermogen nam in 2015 toe met 19%.
Vastrentende waarden
De beheerkosten van Vastrentende waarden bedroegen in 2015 € 3,0 miljoen, een
stijging met € 0,1 miljoen ten opzichte van 2014, toen deze beheerkosten € 2,9
miljoen bedroegen. De stijging van de kosten heeft voornamelijk te maken met een
stijging het gemiddeld belegd vermogen van 19% en een verschuiving van investment
grade obligaties naar schulden van opkomende markten, high yield en hypotheken. De
beheerkosten hiervan zijn hoger, daar tegen over staat dat deze ook een hoger verwacht
rendement hebben.
Aandelen
De beheerkosten van Aandelen bedroegen in 2015 € 2,7 miljoen, een stijging van
€ 0,5 miljoen (+22%) ten opzichte van 2014, toen deze beheerkosten € 2,2 miljoen
bedroegen. Deze stijging is in lijn met de stijging van het belegd vermogen in aandelen
van 26%.
Vastgoed
De beheerkosten van Vastgoed bedroegen in 2015 € 1,7 miljoen en kwamen daarmee
lager (-10%) uit dan 2014, toen deze 1,9 miljoen bedroegen. Echter in 2014 waren
ook ontwikkelkosten opgenomen hierin, in 2015 was dat niet het geval. Zonder deze
ontwikkelkosten stegen de beheerkosten met 8%, in lijn met de stijging van het belegd
vermogen in Vastgoed (inclusief Q-Park) met 7%.
Commodities
Ten opzichte van het kostenoverzicht 2014 is de classificatie van de kosten van de total
return swaps waarmee in commodities wordt belegd aangepast van beheerkosten naar
transactiekosten. Hierdoor komen de beheerkosten op nul uit.
Alternatieve beleggingen
De beheerkosten van Alternatieve beleggingen bedroegen in 2015 € 0,6 miljoen, een
39
daling van € 0,1 miljoen (12%) ten opzichte van de € 0,7 miljoen in 2014. Het belegd
vermogen in Alternatieve beleggingen daalde met 19%.
Overige vermogensbeheerkosten
De Overige vermogensbeheerkosten bedroegen in 2015 € 1,9 miljoen, een stijging
met € 0,1 miljoen ten opzichte van 2014, toen deze beheerkosten € 1,8 miljoen
bedroegen. Onder deze kostenpost vallen onder andere de kosten die gemaakt zijn
voor het selecteren en monitoren van operationele vermogensbeheerder, fiduciaire
kosten, het bewaarloon en de vergoeding voor extra werkzaamheden van de
vermogensbeheerder (implementatie van EMIR).
Performance gerelateerde kosten
Deze kosten namen ten opzichte van 2014 af met € 0,5 miljoen, namelijk van
€ 0,8 miljoen in 2014 tot € 0,3 miljoen in 2015. Deze daling werd veroorzaakt door
de daling van de performance gerelateerde kosten bij alternatieve beleggingen (private
equity).
Transactiekosten
Transactiekosten worden gemaakt om een beleggingstransactie tot stand te brengen en
uit te voeren. Transactiekosten vormen een lastige categorie omdat de kosten vaak zijn
verborgen vanwege het feit dat ze impliciet onderdeel zijn van de zogenaamde netto
prijs die bij een transactie is overeengekomen. Vermogensbeheerders zijn vanuit
toezichtwetgeving verplicht om te komen tot een beste uitvoeringprijs. Hierdoor wordt
per transactie bijgedragen aan het bereiken van lage kosten.
De (deels) geschatte transactiekosten in 2015 bedroegen € 4,6 miljoen (2014: € 1,7
miljoen). Uitgedrukt als percentage van het totaal gemiddeld vermogen komt dit neer
op 0,15% (2014: 0,07%).
Vastrentende Waarden
De stijging van de transactiekosten werd met name veroorzaakt door de stijging van de
schatting van de transactiekosten bij Vastrentende Waarden met € 1,7 miljoen van € 1,2
miljoen in 2014 naar € 2,9 miljoen in 2015. In 2015 nam het transactievolume binnen
vastrentende waarden sterk toe, waardoor de transactiekosten sterk toenamen. De
stijging van het transactievolume werd veroorzaakt door, onder andere, het investeren
in nieuwe uitgiftes van bedrijfsobligaties en verschuivingen binnen de vastrentende
waarden portefeuille. Deze verschuivingen bestonden uit het vervangen van Europese
staatsobligaties door hypotheken, high yield en schulden opkomende markten met als
doel het verbeteren van het rendementsperspectief. Daarnaast is in de schatting van
2015 voor de transactiekosten van staatsobligaties een onderscheid gemaakt tussen de
AAA staatsobligaties en niet-AAA staatsobligaties. Voor AAA staatsobligaties is
uitgegaan van transactiekosten van 0,025% en voor niet-AAA staatsobligaties van
0,175%. Hierdoor kwamen de transactiekosten van staatsobligaties in 2015 flink hoger
uit, aangezien in de schatting van 2014 dit onderscheid niet werd gemaakt en uitgegaan
werd van transactiekosten van 0,025%.
Aandelen
De transactiekosten van aandelen laten een stijging zien van € 0,2 miljoen (+ 85%),
van € 0,3 miljoen in 2014 naar € 0,5 miljoen in 2015. De stijging werd veroorzaakt
door het uitbreiden van de het strategisch gewicht in aandelen.
Commodities
In 2015 zijn de transactiekosten van Commodities toegenomen in vergelijking met
2014. Deze stijging werd veroorzaakt door de hierboven reeds genoemde verschuiving
in classificatie van de kosten van de total return swaps waarmee in commodities wordt
belegd. Indien in 2014 dezelfde classificatie zou zijn gebruikt zouden de transactie­
kosten zijn gedaald.
De vermogensbeheerkosten over 2014 kwamen uit op een totaal van 0,42% versus
0,51% versus bij vergelijkbare pensioenfondsen. Deze vermogensbeheerkosten waren
opgebouwd uit:
1.Beheerfees voor de verschillende beleggingscategorieën 0,31% versus 0,34% bij
vergelijkbare pensioenfondsen.
2.Prestatie gerelateerde vergoedingen 0,03% versus 0,06%.
3.Overige vermogensbeheerkosten 0,07% versus 0,11%.
De gemiddelde vermogensbeheerkosten over de driejaarsperiode bedroegen 0,40%
versus 0,52% bij vergelijkbare pensioenfondsen. Hieruit blijkt dat het pensioenfonds al
jaren een lagere beheervergoeding betaald dan vergelijkbare pensioenfondsen.
Alternatieve Beleggingen
De transactiekosten voor alternatieve beleggingen zijn in 2015 met € 0,1 miljoen
gestegen. Deze stijging is mede het gevolg van een verandering in de valuta afdekking
bij een van de managers in de infrastructuur pool.
Het totale rendement van het pensioenfonds over 2014 bedroeg 31,4% en gemiddeld
over de driejaarsperiode 14,0%. De groep vergelijkbare pensioenfondsen had een
gemiddeld rendement van 20,1% in 2014 en gemiddeld over de driejaarsperiode
11,7%.
Derivaten
Ook zijn de transactiekosten van Derivaten sterk toegenomen met € 0,6 miljoen. Deze
stijging was het gevolg van de aanpassingen en afbouw van de rentehedge portefeuille in
2015, terwijl er in 2014 nauwelijks transacties waren binnen de rentehedge portefeuille.
Het hoger rendement van het pensioenfonds over 2014 en de driejaarsperiode werd
met name veroorzaak door het hogere rendement op de afdekking van het valuta- en
renterisico van het pensioenfonds.
Aansluiting met de jaarrekening
De Aanbevelingen uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie nemen naast de directe
kosten ook de indirecte kosten mee en maken expliciet onderscheid tussen de
vermogensbeheerkosten en transactiekosten. In de jaarrekening zijn alleen de kosten
die direct bij het fonds ad € 11,573 miljoen in rekening zijn gebracht opgenomen. De
geschatte direct toe te rekenen beleggingskosten binnen de beleggingsfondsen van
€ 3,286 miljoen en transactiekosten van € 4,619 miljoen maken in de jaarrekening
onderdeel uit van de waardeveranderingen van de beleggingen.
In voorgaande opstelling van de vermogensbeheerskosten zijn daarnaast de kosten
opgenomen van advisering inzake vermogensbeheer van € 15.000.
Resultaat IBI Benchmarking
Om een kostenvergelijking te krijgen van de vermogensbeheerkosten is er in 2014
deelgenomen aan het IBI Benchmarking onderzoek, dit onderzoek vergelijkt de
gemaakte kosten van verschillende beleggingscategorieën (Aandelen, Vastrentende
waarden, Vastgoed en andere categorieën) met vergelijkbare pensioenfondsen.
Doordat de cijfers van het benchmarkonderzoek van enig jaar pas beschikbaar komen in
het derde kwartaal, kunnen wij in dit jaarverslag alleen ingaan op de uitkomsten van het
onderzoek over 2014. In de IBI Benchmarking wordt een vergelijking gemaakt van de
kosten vermogensbeheer en rendementen van het pensioenfonds ten opzichte van
andere deelnemende en qua omvang vergelijkbare pensioenfondsen voor 2014 en de
driejaarsperiode van 2012 tot en met 2014.
40
4Uitvoering van de
­pensioenregeling
41
4.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste kenmerken van de
pensioenregeling van het fonds. Daarnaast komen de wijzigingen in statuten en
reglementen die in 2015 zijn doorgevoerd aan de orde.
4.2 De pensioenregeling
Pensioensysteem
Het pensioensysteem is een middelloonregeling.
Toetredingsleeftijd
Een werknemer, die in dienst is bij een werkgever die is aangesloten bij het fonds,
neemt verplicht deel aan de pensioenregeling. De deelname gaat in op de eerste dag
van de maand waarin de werknemer 20 jaar wordt.
Pensioenrichtleeftijd
De pensioenrichtleeftijd is 67 jaar.
Pensioengevend loon
Het pensioengevend loon is het loon in de zin van de Wet financiering sociale
verzekeringen, met uitzondering van:
•• uitkeringen en verstrekkingen uit de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Werkloosheidswet en hierop
door de werkgever verstrekte aanvullingen;
•• een door de werkgever ter beschikking gestelde auto;
•• het loon over de periode vanaf de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige
leeftijd wordt bereikt.
Het loon dat meer heeft bedragen dan het maximum premieloon als bedoeld in
hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen op jaarbasis € 51.976
(in 2016: € 52.763) blijft buiten beschouwing.
Pensioengrondslag
Het pensioengevend loon verminderd met de voor het loontijdvak van toepassing
zijnde franchise. De franchise voor 2015 bedraagt € 12.564. (2016: 12.658)
Opbouwpercentage
Jaarlijks wordt een aanspraak op ouderdomspensioen opgebouwd van 1,75% van de in
dat jaar geldende pensioengrondslag.
Partnerpensioen
Jaarlijks wordt een aanspraak op partnerpensioen opgebouwd van 1,225% van de in
dat jaar geldende pensioengrondslag.
42
Wezenpensioen
Het wezenpensioen bedraagt 20% van het partnerpensioen en wordt uitgekeerd tot
het 18de jaar. Studerende kinderen die per week meer dan 20 uur dagonderwijs
volgen ontvangen tot hun 27ste jaar wezenpensioen. Indien beide ouders overleden
zijn bedraagt het wezenpensioen 40% van het partnerpensioen.
Uitruilmogelijkheden
Op de pensioendatum heeft de (gewezen) deelnemer het recht zijn partnerpensioen
geheel of gedeeltelijk om te zetten in een hoger ouderdomspensioen (uitruil).De
(gewezen) deelnemer kan het ouderdomspensioen eerder laten ingaan en de hoogte
hiervan laten variëren.
Daarnaast heeft de (gewezen) deelnemer sinds invoering van de Pensioenwet het recht
een deel van het ouderdomspensioen uit te ruilen in partnerpensioen. Dit is mogelijk bij
beëindiging van de deelneming, op pensioneringsdatum en als de (gewezen)
deelnemer trouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat of een gezamenlijke
huishouding gaat voeren. Na uitruil bedraagt het partnerpensioen maximaal 70% van
het ouderdomspensioen.
Premie
De premie bedraagt 22,5% (incl. 1% VPL premie) van de pensioengrondslag waarvan
maximaal 6,19% voor rekening van de werknemer mag komen. (2016: 22,2%
waarvan maximaal 6,105% voor rekening van de werknemer mag komen).
Premievrijstelling
Als een deelnemer een WIA- of WAO-uitkering ontvangt, voorziet het reglement in
een premievrije opbouw. Voor de voortzetting van de pensioenopbouw is over dit
inkomensgedeelte geen bijdrage verschuldigd.
Afkoop kleine pensioenen
De Pensioenwet bepaalt dat pensioenfondsen kleine pensioenen van gewezen
deelnemers mogen afkopen. Kleine pensioenen zijn pensioenuitkeringen van minder
dan € 462,88 op jaarbasis (bedrag 2015). In 2016 gaat het om € 465,94. Het
pensioenfonds mag deze pensioenen afkopen twee jaar nadat de deelneming is
geëindigd. De gewezen deelnemer kan daartegen geen bezwaar maken. Voor
deelnemingen die zijn geëindigd vóór 1 januari 2007 (datum van invoering van de
Pensioenwet) gelden andere wettelijke regels. Het pensioenfonds mag dan besluiten
tot afkoop, maar de gewezen deelnemer kan hiertegen bezwaar maken. In de Veegwet
staan nadere regels over de wijze van afkoop van kleine pensioenen. Zo staat nu vast dat
het pensioenfonds de afkoopwaarde betaalt op de dag dat de aanspraken of rechten
vervallen. Als het pensioenfonds later betaalt, heeft de gewezen deelnemer recht op
vergoeding van rente. Het fonds heeft in 2008 besloten om vooralsnog geen gebruik te
maken van de mogelijkheid om af te kopen voor deelnemingen die zijn geëindigd vóór
1 januari 2007.
4.3 Wijzigingen reglementen
4.4 Slotopmerkingen
Wijziging Pensioenreglement in 2015
In de loop van het jaar is het reglement op een aantal punten gewijzgd:
•• Wijzigingen per 1 januari 2015 betreffen o.a. de afkoopgrens, maximum loon Wfsv,
franchise, premie, en de flexibiliserings en afkoopfactoren. De regeling voor
premievrije voortzetting tijdens de WW-periode waarin een FVP bijdrage wordt
verstrekt is geschrapt omdat de FVP regeling in 2014 is geëindigd.
•• Wijzigingen per 1 juli 2015 als gevolg van het nieuw financieel toetsingskader.
In de op de volgende pagina’s opgenomen jaarrekening staan de financiële gegevens
over het boekjaar 2015 vermeld.
Wijziging Uitvoeringsregelement in 2015
•• Wijzigingen ingaande 1 januari 2015 en ingaande 1 juli 2015 inzake het nieuwe
financieel toetsingskader
Wijziging statuten in 2015
•• Wijziging ingaande 1 juli 2015 van de statuten inzake het nieuwe financieel
toetsingskader.
43
De Meern, 24 juni 2016
A.A.M. Steijaert
Werknemersvoorzitter
M. Streuer
secretaris
H.B.M. Grutters
Bestuurslid
C. Lonsain
Bestuurslid
G.J. Steenvoorden
Bestuurslid
E.E.H. Ch. van den Bosch
Bestuurslid
G.L. Sirks
Bestuurslid
P.J. Verhoog
Bestuurslid
5Verantwoordingsorgaan
44
5.1 Verslag
Gedurende het jaar 2015 bestond het Verantwoordingsorgaan (verder te noemen VO)
uit de volgende leden:
•• Bart van Wijck, namens de gepensioneerden (voorzitter)
•• Wouter de Graaf, namens de werknemers (FNV)
•• Marga Rutjes, namens de werknemers (CNV)
•• Bart Keijzer, namens de werkgevers (Inretail)
Het VO vergaderde meermalen met zowel het bestuur (of een afvaardiging daarvan) als
de Raad van Toezicht. De pensioenuitvoerder, Syntrus, leverde daartoe het cijfermatig
onderbouwende materiaal aan.
Vrijwel het gehele jaar heeft een mogelijke fusie met “Detailhandel” boven de gremia
gehangen. Ultimo 2015 blijkt dat DNB nog weinig ruimte geeft om tot een fusie te
kunnen komen.
Informatie
Het VO ervaart de informatiestroom, welke nodig is om haar taken naar behoren uit te
voeren, als net toereikend. In 2015 heeft het bestuur aangegeven om hierin te
verbeteren. Het resultaat van deze toezegging is eindejaars reeds merkbaar. Dit blijft
echter een punt van aandacht.
Het VO heeft kennis genomen van de rapportage van de Raad van Toezicht. De
kanttekeningen van de Raad van Toezicht bij het jaarverslag en de visie op het
functioneren van het bestuur verontrust het VO. Positief vindt het VO de
verbeterplannen die door het bestuur zijn geformuleerd en deels al in gang zijn gezet.
De versterking van het bestuur met drie nieuwe bestuursleden, het versterken van de
bestuursondersteuning en het aanstellen van een externe compliance-officer zijn grote
verbeterstappen. Wij zullen de aangekondigde veranderingen kritisch volgen.
Oordeel
•• Het bestuur heeft op verschillende momenten verantwoording afgelegd aan het VO.
Hoewel de intentie van het bestuur hiertoe als positief mag worden gekwalificeerd,
ervaart het VO de wijze van verantwoording afleggen voor verbetering vatbaar. De
gegevensverstrekking en de adviesaanvragen vinden onvoldoende planmatig plaats
en lijken niet in de beleidscyclus te zijn ingebed.
•• Het bestuur geeft het VO de indruk dat men het belang van de betrokken partijen
evenwichtig behandeld.
•• Aangaande het beleid van het bestuur is het VO van mening dat ook hier de
verschillende belangen evenwichtig worden afgewogen.
•• Op het gebied van beleidskeuzes laat het bestuur zich leiden door wet- en
regelgeving, dat wat sociale partners afspraken en door de pensioenuitvoerder
wordt aangegeven.
•• De samenwerking met de Raad van Toezicht oordeelt het VO als effectief en
aangenaam.
Het VO heeft eveneens kennis genomen van de rapportage van de externe accountant.
De opmerking over het risicomanagement verontrust ons. Wij verwachten dat het
bestuur het risicomanagement benoemt tot een kritische factor voor het management
van het fonds en op korte termijn de meest dominante risico´s benoemt en afdekt. Wij
zullen dit proces volgen.
Adviesrecht
•• Inzake de beloningen volgt het bestuur eerder gemaakte afspraken. Daarbij tekent
het VO aan dat de beloning voor juist de leden van het VO bijgesteld dient te
worden, nu het VO in haar nieuwe rol meer inspanningen levert dan bij de start
werd verondersteld (Adviesaanvraag volgt in 2016).
•• De vorm en inrichting van het intern toezicht (niet zijnde de Raad van Toezicht)
volstaat, hoewel de wijze van communiceren binnen dit toezicht een verbeterpunt is.
•• Het advies van het VO wordt over het algemeen gevraagd bij zaken waarbij het VO
mag adviseren. Vorenstaande houdt in dat niet altijd het advies in dergelijke zaken
wordt gevraagd, of te laat wordt ingewonnen. Daarmee komt het bestuur
onvoldoende tegemoet aan artikel 21 lid 3 uit het reglement VO.
•• Advies is gevraagd over de onderwerpen: contract uitvoerder, premie en indexatie,
risicohouding.
•• Geen advies is gevraagd over het Communicatieplan 2015-2017 (volgt in 2016).
5.2 Reactie bestuur
45
Namens het Verantwoordingsorgaan van Stichting Pensioenfonds Wonen
De heer H.E.J.J. van Wijck, voorzitter
De heer B. Keijzer
De heer W. de Graaf
Mevrouw M.J. Rutjes
De Meern, 24 juni 2016
Met veel waardering voor het verzette werk en tevredenheid over het uitgesproken
oordeel, heeft het bestuur kennis genomen van het verslag van het verantwoordings­
orgaan. Er wordt geconstateerd dat de wijze van verantwoording afleggen voor
verbetering vatbaar is. Het bestuur zal de gegevensverstrekking en de adviesaanvragen
in de toekomst meer planmatig plaats laten vinden. Het bestuur blijft de verschillende
organen binnen en buiten het fonds ook in 2016 betrekken bij de ontwikkelingen van
het fonds en de sturing die hierop volgt. Het bestuur bedankt het verantwoordings­
orgaan voor de verrichte werkzaamheden en wenst de goede samenwerking met het
verantwoordingsorgaan voort te zetten.
6Raad van Toezicht
46
6.1 Verslag
Opbouw van het samenvattend verslag van de raad van toezicht
De raad van toezicht verantwoordt zich over taken en uitoefening van bevoegdheden
aan verantwoordingsorgaan en via de werkgeversafgevaardigden in het
verantwoordingsorgaan aan werkgevers. Daarnaast rapporteert de raad van toezicht
bevindingen aan het bestuur. De voorliggende samenvatting omvat beide rapportages.
Uit door de raad van toezicht in eigen beheer uitgevoerde zelfevaluatie, waarbij
360 graden feedback van bestuur en verantwoordingsorgaan is ontvangen, blijken de
volgende aandachtspunten voor vervolg: meer discipline in continu toezicht door het
jaar heen, versterken in elkaars rollen van fondsorganen en met raad terzijde staan
verder invullen.
Taken, bevoegdheden en goedkeuringsrechten
Wettelijke taken omvatten ten minste toezicht op bestuursbeleid en algemene gang van
zaken in het fonds, toezien op adequate risicobeheersing en op evenwichtige
belangenafweging. De raad van toezicht staat het bestuur met raad terzijde. De Code
Pensioenfondsen vraagt intern toezicht daarnaast zodanige taakinvulling dat deze
bijdraagt aan effectief en slagvaardig functioneren en aan beheerste en integere
bedrijfsvoering.
Het is de raad in 2015 niet gelukt de dialoog met het bestuur op het gewenste niveau te
brengen. De raad blijft openingen zoeken voor een dialoog die aansluit bij de geest en
inhoud van de wet.
De raad heeft wettelijke bevoegdheden in geval van disfunctioneren van het bestuur en
de benoeming van nieuwe bestuursleden. Goedkeuringsrechten heeft de raad van
toezicht voor besluiten van het bestuur tot vaststelling van het jaarverslag en de
jaarrekening, profielschets bestuurders, beloningsbeleid en voorts: overdracht van
verplichtingen, liquidatie, fusie en splitsing en omzetting van het fonds in een andere
rechtsvorm.
Bestuurlijke doelen en uitgangspunten, missie, visie en strategie
De door het fonds vastgestelde doelen en uitgangspunten, waaronder de risicohouding,
zijn voor intern toezicht belangrijke ankerpunten. Eisen aan doelen en uitgangspunten
zijn vastgelegd in artikel 102a van de Pensioenwet. Eisen aan missie, visie en strategie
zijn vastgelegd in norm 3 van de Code Pensioenfondsen. Het fonds heeft volgens de
bestuursnotulen van 15 december 2015 missie, visie en strategie vastgesteld.
Uitoefening van de bevoegdheden en goedkeuringsrechten
Jaarverslag en jaarrekening 2015: Op grond van onze waarnemingen verlenen wij
goedkeuring op het jaarverslag en de jaarrekening over 2015.
Profielschets bestuurders: Er is in oktober 2015 een profielschets Bestuurslid Wonen ter
beoordeling voorgelegd en door de raad van toezicht van een goedkeuring voorzien.
Beloningsbeleid: Het beloningsbeleid is in 2015 niet aangepast. Bij het vastgesteld
beloningsbeleid is rekening gehouden met de aanbevelingen / normering van de
Pensioenfederatie.
Overdracht van verplichtingen: Er zijn in 2015 geen collectieve waardeoverdrachten
geweest. Het gaat hier om zowel gehele of gedeeltelijke overdracht naar een andere
partij dan wel van een andere partij.
Bestuur: Eind 2015 is een aspirant bestuurslid aangesteld. In 2016, formeel gezien na
de waarnemingsperiode, is dit aspirant bestuurslidmaatschap omgezet in een
voorgenomen regulier bestuurslidmaatschap, en zijn aanvullend twee andere
bestuursleden benoemd als bestuurslid. De raad van toezicht heeft met het bestuur van
gedachten gewisseld over de gevolgde procedure. In 2016 zijn de voorgenomen
benoemingen geformaliseerd door ontvangst van geschiktbeoordelingen van DNB.
47
Terugblik 2015
De raad van toezicht heeft vastgesteld dat in 2015 het bestuur met toewijding heeft
gewerkt aan het realiseren van doelen en doorvoeren van verbeteringen, waaronder op
de volgende belangrijke onderwerpen:
•• Besluit voorlopig zelfstandig door gaan na niet doorgaan van voorgenomen fusie
met Bpf Detailhandel
•• Aanzet voor wegwerken achterstanden en op niveau van een zelfstandig fonds
brengen van beleid en uitvoering op de beleidsthema’s. Onder meer is missie, visie,
strategie besproken en vastgesteld.
•• Realiseren van een vervolgcontract voor de pensioenuitvoering.
•• De operationele informatieuitwisseling met verantwoordingsorgaan en raad van
toezicht.
Omdat de eerste drie kwartalen van 2015 in het licht stonden van focus op de
voorgenomen fusie met Bpf Detailhandel hebben bepaalde gebieden niet de benodigde
bestuursaandacht gekregen. De raad van toezicht heeft vastgesteld dat in 2015
onvoldoende vooruitgang is geboekt ten aanzien van:
•• Aansturing fonds zodanig dat teamgroei en ontwikkelpotentieel bestuursleden
wordt benut. Hierdoor ontstaan risico’s van onvoldoende tegenspraak en het maken
van vergissingen. Daarnaast draagt dit ook eraan bij dat verbeteringen nog met te
weinig regie, aansturing en samenhang plaatsvinden. In dit kader heeft de intern
toezicht de afgelopen jaren het belang aangegeven van het aanpassen aan de huidige
eisen van de aansturing van het fonds (vormgeving rol voorzitter).
•• Vastlegging ambitie en fondsspecifiek beleid op het gebied van integraal
risicomanagement.
•• Consistent documenteren, uitleggen en borgen van evenwichtige belangenafweging
en risico-evaluatie. Onder meer bij premievaststelling en verhoging van het
gevoerde risicoprofiel is dit niet gebeurd.
•• Op niveau brengen van de dialoog met raad van toezicht en verantwoordingsorgaan.
Verbetering is waarneembaar in het op de hoogte houden op meer operationeel
niveau.
Er is niet (vooraf) wettelijk advies aan het verantwoordingsorgaan gevraagd bij
voorgenomen wijzigingen in het uitvoeringsreglement en bij voorgenomen vaststelling
van het communicatiebeleidsplan.
De raad van toezicht heeft geen inzage van het bestuur gekregen in de
ISAE 3402 II-rapportage met betrekking tot het uitbestede pensioenbeheer.
Vooruitblik 2016
Op basis de bestuurlijke jaarplanning 2016 en de eigen toezichtvisie ziet de raad voor
2016 de volgende specifieke toezichtthema’s: toekomst, missie, visie en strategie,
pensioenfonds-bestuur, communicatie, beleid-en verantwoordingscyclus,
integriteitbeleid en vroegpensioen- en levensloopregeling. De raad van toezicht is
verheugd met de in 2016 aangetreden nieuwe bestuursleden en kijkt uit naar
constructieve samenwerking.
Belangrijkste bevindingen en aanbevelingen uit het rapport van de raad van toezicht
Op basis van het uitgevoerde intern toezicht zijn wij van oordeel dat het bestuur
in 2015:
•• Een omslag maakt van primair op fusie gericht beleid naar voor enkele beleids­
thema’s meer fonds-specifiek beleid. Dit beleid is nog niet voldragen. Op andere
beleidsgebieden ontbreekt vastgesteld beleid.
•• De algemene gang van zaken matig aan-/bijstuurt (te weinig expliciet op strategie,
mandaten, commissies).
•• Vertrouwt op passende risicobeheersing door pensioenuitvoerder, fiduciair manager
en vermogensbeheerders, terwijl in 2015 niet gewerkt is met een vastgestelde risico­
ambitie van het fonds en zelfstandige aansturing daarvan via vastgelegd risicobeleid.
De opzet van het risicomanagement van het fonds wordt door de raad als niet op
basisniveau beoordeeld. De basis is gelegd voor een beheerst risicomanagementproces.
•• Bij besluitvorming afwegingen en keuzes inclusief evenwichtige afweging van
belangen en risico’s onvoldoende zichtbaar voor het intern toezicht vastlegt en
verantwoordt.
•• Pensioenfondsbestuur nog onvoldoende invult om te voldoen aan alle eisen en
intenties van wet- en regelgeving.
De raad van toezicht heeft vastgesteld dat het bestuur onvoldoende tempo heeft
gemaakt in wegwerken van achterstanden en onvoldoende aandacht heeft gehad voor
de verantwoordelijkheden van verantwoordingsorgaan en raad van toezicht. Het
bestuur heeft aangegeven in 2016 goed leiding te willen geven aan een verbeterplan
op kernthema’s waarin verantwoordingsorgaan en raad van toezicht tijdig en frequent
worden meegenomen over de realisatie en bijsturing.
Naleving code pensioenfondsen
Het bestuur geeft in het bestuursverslag, met uitzondering van een drietal normen. aan
te voldoen aan de normen van de Code pensioenfondsen. Ook met betrekking tot de
normen 6, 7, 8, 9, 18, 19 en 82 herkent de raad van toezicht deze naleving niet op alle
gebieden. Wij bevelen aan een inventarisatie over naleving Code pensioenfondsen op te
stellen, te borgen en hierover verantwoording af te leggen aan raad van toezicht en
verantwoordingsorgaan. Hierbij is ook van belang aan te geven hoe het bestuur normen
die worden nageleefd blijvend borgt.
48
Opvolging aanbevelingen intern toezicht, verantwoordingsorgaan, controleurs
Er is geen gestructureerde actielijst (totaal overzichtsdocument aanbevelingen) met
aanbevelingen van externe partijen als accountant, actuaris en intern toezicht. De raad
heeft opvolging niet kunnen beoordelen.
Tot slot
De raad van toezicht dankt bestuur, bestuursondersteuning en verantwoordingsorgaan
voor de samenwerking in 2015 en ziet er naar uit bij te dragen aan de realisatie van de
verbeterpunten in 2016 door het bestuur.
Stichting Pensioenfonds Wonen
Raad van toezicht, De Meern, 24 juni 2016
Erik Martens
Henk-Jan Strang (voorzitter)
Pieter Westland
6.2 Reactie bestuur
Het bestuur is de raad van toezicht erkentelijk voor het intern toezicht in 2015.
In de gesprekken met raad van toezicht wordt het bestuur uitgedaagd om thema’s aan te
pakken en verder vorm te geven.
Daarmee houdt de raad van toezicht het bestuur scherp.
De aanbevelingen van de raad van toezicht zijn in het bestuur besproken en komen
mede in een door het bestuur in 2016 op te stellen ‘uitvoeringsprogramma’ aan de
orde.
Bij het door de raad van toezicht uitgebrachte samenvattend verslag over 2015, plaatst
het bestuur enkele kanttekeningen die ook diverse malen met de raad van toezicht in de
aanloop naar de afronding van het jaarwerk besproken zijn.
Om te beginnen dient vermeld te worden, dat door het bestuur in 2014, 2015 en ook
in 2016 een en andermaal aan de raad van toezicht werd gemeld dat de door de raad
van toezicht gehanteerde werkwijze voor het bestuur als belastend overkomt. Oorzaak
daarvan is dat in de constructieve gesprekken met de raad van toezicht over en weer
ervaren wordt dat deze prettig en in een open dialoog plaatsvinden, terwijl vervolgens
in de daarop volgende mails, brieven en rapporten een geheel ander beeld door de raad
van toezicht opgeroepen wordt. Daarbij stelt het bestuur vast dat afgesproken processen
en afspraken veelvuldig niet worden nagekomen en deadlines regelmatig niet gehaald
worden door de raad van toezicht.
Ook op inhoud ondervindt het bestuur dat de raad van toezicht een positie inneemt die
soms buiten de kaders van haar toezichttaak treedt. In de opsomming van punten in het
samenvattend verslag over 2015 van de raad van toezicht, neemt het bestuur eenzijdige
stellingnames en niet volledige (onderbouwde) aannames waar. Bij alle te nemen
besluiten en maatregelen staat de evenwichtige afweging van belangen voor het
bestuur centraal.
Een dergelijke selectieve vermelding geeft een negatief beeld, dat geen recht doet aan
de werkelijkheid.
Voorbeeld hiervan is de omschrijving met betrekking tot de door het bestuur genomen
pro actieve en succesvolle inzet bij werving en benoeming van nieuwe bestuursleden.
Een traject waarbij de raad van toezicht betrokken is geweest en pas achteraf de
discussie over de procedure is gaan voeren.
Eveneens is het beeld dat daarna volgt over de door de raad van toezicht uitgevoerde
zelfevaluatie, waarbij ook 360 graden feedback van het bestuur en het
verantwoordingsorgaan is ontvangen, geen volledige weergave van de evaluatie. Het
bestuur mist daarin de ingebrachte kritische punten van bestuursleden. Het is echter aan
de raad van toezicht in een dergelijke zelfevaluatie conclusies te trekken over haar
functioneren.
De raad van toezicht heeft ook vastgesteld dat in 2015 onvoldoende vooruitgang is
geboekt op een aantal (beleids) terreinen.
De daarbij door de raad van toezicht gemaakte opmerkingen over aansturing en
mogelijk ontstane risico´s door onvoldoende tegenspraak en dergelijke, werpt het
bestuur verre van zich.
Juist in de moeilijke periode van onzekerheid over de toekomst van het fonds
(mogelijke fusie) zijn door het bestuur acties ingezet en stappen ondernomen, waarbij
de belangen van de deelnemers en gepensioneerden steeds centraal stonden.
Met betrekking tot het functioneren van het bestuur is door de raad van toezicht in
2015 geen enkel signaal afgegeven over de invulling van de voorzittersrol.
Eveneens herkent het bestuur niet dat zij enkel vertrouwt op passende risicobeheersing
door de pensioenuitvoerder, fiduciair manager en vermogensbeheerders.
De raad van toezicht stelt in haar samenvattend verslag over 2015 dat het bestuur niet
voldoet aan de eisen en intenties van wet¬en regelgeving. Het bestuur herkent zich hier
niet in en voelt zich hierin gesterkt door enerzijds de oordelen van accountant en
certificerend actuaris en anderzijds door het oordeel van het verantwoordingsorgaan.
In 2016 is een aanvang gemaakt met het leggen van accenten op onder meer
vermogens­beheer, communicatie en integraal risicomanagement.
Deze onderwerpen krijgen nadere uitwerking in een door het bestuur te ontwikkelen
‘uitvoeringsprogramma’.
Het bestuur heeft er vertrouwen in dat alle onderwerpen die met de raad van toezicht
besproken zijn, de komende maanden naar tevredenheid van alle betrokkenen
opgepakt worden. Daaraan gekoppeld werkt het bestuur ook in 2016 aan een verdere
verdieping van de samenwerking met de verschillende organen in en rond het
pensioenfonds.
49
Het verantwoordingsorgaan en raad van toezicht worden daarin uiteraard met
inachtneming van ieders verantwoordelijkheid meegenomen en gefaciliteerd.
Het bestuur respecteert de raad van toezicht, maar is het op onderdelen niet eens met
het verslag van de raad van toezicht en het pensioenfonds ondervindt hinder van de
werk- en handelwijze van de raad van toezicht.
7Jaarrekening
50
7.1 Balans per 31 december
7.2 Staat van baten en lasten
(na voorgestelde bestemming van het saldo van baten en lasten)
Toelichting *)
(x € 1.000)
2015
2014
Toelichting *)
(x € 1.000)
ACTIVA
Beleggingen voor risico fonds
2015
2014
BATEN
7.5.1
3.180.493
3.204.252
61.000
63.851
Premiebijdragen risico pensioenfonds
(van werkgevers en werknemers)
7.6.1
81.830
68.704
7.6.2
-88.952
692.552
7.6.3
38
96
-7.084
761.352
46.243
46.657
Beleggingen VPL
Vorderingen en overlopende activa
7.5.2
6.920
4.564
Beleggingsresultaten risico pensioenfonds
Overige activa
7.5.3
3.887
3.995
Overige baten
3.252.300
3.276.662
PASSIVA
LASTEN
Stichtingskapitaal en reserves
7.5.4
-44.562
292.784
Pensioenuitkeringen
7.6.4
Technische voorzieningen
7.5.5
2.864.024
2.587.657
Langlopende schulden
(uit hoofde van VPL)
7.5.6
61.000
63.851
Overige schulden en overlopende passiva
7.5.7
371.838
332.370
3.252.300
Pensioenuitvoeringskosten
7.6.5
5.548
4.857
Mutatie technische voorzieningen
7.6.6
276.367
499.682
Saldo overdrachten van rechten
risico pensioenfonds
7.6.7
1.960
8.246
Overige lasten
7.6.8
144
2
330.262
559.444
-337.346
201.908
3.276.662
*) De nummering verwijst naar de toelichting
Saldo van baten en lasten
*) De nummering verwijst naar de toelichting
2015
2014
Dekkingsgraad op basis van FTK (in %)
Aanwezige dekkingsgraad
98,4
111,3
Beleidsdekkingsgraad
103,3
-
51
(x € 1.000)
2015
2014
Bestemming van het saldo
van baten en lasten
Beleidsreserve
-642.296
165.875
Beleggingsreserve
306.512
33.267
Bestemmingsreserve AOP
-1.334
2.253
Bestemmingsreserve AAOP
-228
513
-337.346
201.908
7.3 Kasstroomoverzicht
7.4 Algemene toelichting
Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de directe methode.
7.4.1 Inleiding
2015
(x € 1.000)
2014
Kasstroom uit pensioenactiviteiten
Ontvangen premiebijdragen risico fonds
76.029
72.738
Ontvangen waardeoverdrachten
risico pensioenfonds
1.263
4.356
Betaalde pensioenuitkeringen
-45.507
-46.898
Betaalde waardeoverdrachten
risico pensioenfonds
-3.108
-12.593
Betaalde pensioenuitvoeringskosten
-4.744
-6.387
Diverse ontvangsten en uitgaven
-90
166
23.843
7.4.2 Overeenstemmingsverklaring
11.382
Kasstroom uit beleggingsactiviteiten
Ontvangen inzake verkopen beleggingen
4.968.753
3.154.471
Betaald inzake aankopen beleggingen
-5.054.855
-3.250.804
Ontvangen directe beleggingsopbrengsten
60.787
75.687
Overige ontvangsten en uitgaven
inzake beleggingen
15.873
14.452
Betaalde kosten van vermogensbeheer
-14.509
-6.819
Mutatie liquide middelen (zie toelichting 3)
7.4.3 Vergelijking met voorgaand jaar
-13.013
-108
-1.631
2014
Samenstelling geldmiddelen
Liquide middelen per 1 januari
3.995
5.626
Mutatie liquide middelen
-108
-1.631
Liquide middelen per 31 december
3.887
3.995
52
De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zoals
deze zijn opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en met inachtneming van de Richtlijnen
voor de Jaarverslaggeving in het bijzonder Richtlijn 610. De bedragen opgenomen in
de jaarrekening zijn vermeld in duizenden euro’s, tenzij anders is aangegeven.
Het bestuur heeft op 24 juni 2016 de jaarrekening opgemaakt.
-23.951
2015
(x € 1.000)
Het doel van de Stichting Pensioenfonds Wonen, statutair gevestigd te Utrecht (hierna
het ‘fonds’) is het nu en in de toekomst verstrekken van uitkeringen aan
gepensioneerden en nabestaanden ter zake van ouderdom en overlijden; tevens
verstrekt het fonds uitkeringen aan arbeidsongeschikte deelnemers. Deze doelstelling is
nader uitgewerkt in onder andere de statuten, het pensioenreglement, de
uitvoeringsovereenkomst en de Actuariële en Bedrijfstechnische Nota. Het fonds geeft
invulling aan de uitvoering van de pensioenregeling van de in de branche verplicht
gestelde aangesloten werkgevers.
De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd
ten opzichte van het voorgaand jaar, met uitzondering van de toegepaste
schattingswijzigingen zoals opgenomen in paragraaf “schattingswijzigingen”.
7.4.4 Schattingswijzigingen
Zowel het effect van het vervallen van de driemaandsmiddeling per 1 januari 2015 als
het effect van de aanpassing van de UFR-systematiek in de rentetermijnstructuur per 15
juli zijn per 31 december 2015 in het verloop van de technische voorzieningen 2015
opgenomen.
Wijzigingen in het financieel toetsingskader
Driemaands middeling: De methode van de driemaands middeling van de rente voor de
waardering van de pensioenverplichtingen is per 1 januari 2015 komen te vervallen.
Dit heeft geleid tot een verlaging van de voorziening pensioenverplichtingen van
€ 3.972. Dit resultaat is via de Staat van Baten en Lasten als bate in het verslagjaar
verantwoord. Het effect op de dekkingsgraad per 31 december 2015 is 0,1,%.
UFR-systematiek: Het niveau van de UFR was vastgesteld op 4,2%. Met ingang van 15
juli 2015 is de nieuwe UFR van toepassing. Deze wordt vastgesteld op basis van de
gerealiseerde maandelijkse ‘20-jaars forward rentes’ in de voorgaande 10 jaren. Dit
heeft geleid tot een verhoging van de voorziening pensioenverplichtingen van €
92.699. Dit resultaat is via de Staat van Baten en Lasten als last in het verslagjaar
verantwoord. Het effect op de dekkingsgraad per 31 december 2015 is -/- 3,3%.
7.4.5 Algemene grondslagen
Opname van een actief of een verplichting
Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de
toekomstige economische voordelen naar het fonds zullen toevloeien en de waarde
daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Een verplichting wordt in de balans
opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan
met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar
kan worden vastgesteld.
Verantwoording van baten en lasten
Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering
van het economisch potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief
of een vermindering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang
betrouwbaar kan worden vastgesteld. Lasten worden verwerkt wanneer een
vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van
een actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan
de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Indien een transactie ertoe leidt dat alle of nagenoeg alle toekomstige economische
voordelen en alle of nagenoeg alle risico’s met betrekking tot een actief of een
verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de verplichting niet
langer in de balans opgenomen. Verder worden activa en verplichtingen niet meer in de
balans opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de
voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en
betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde. Dit betekent dat transacties worden
verwerkt op handelsdatum en niet op afwikkelingsdatum. Als gevolg hiervan kan
sprake zijn van een post “nog af te wikkelen transacties”. Deze post kan zowel een
actief als een passief zijn.
Saldering van een actief en een verplichting
Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als nettobedrag
in de balans opgenomen indien sprake is van een wettelijke of contractuele
bevoegdheid om het actief en de verplichting gesaldeerd en gelijktijdig af te wikkelen
en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te wikkelen. De met de
gesaldeerd opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende
rentebaten en rentelasten worden eveneens gesaldeerd opgenomen.
53
Schattingen en veronderstellingen
De opstelling van de jaarrekening in overeenstemming met Titel 9, Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek vereist dat het bestuur oordelen vormt en schattingen en
veronderstellingen maakt die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de
gerapporteerde waarde van activa en verplichtingen, en van baten en lasten.
De schattingen en hiermee verbonden veronderstellingen zijn gebaseerd op ervaringen
uit het verleden en verschillende andere factoren die gegeven de omstandigheden als
redelijk worden beschouwd. De uitkomsten hiervan vormen de basis voor het oordeel
over de boekwaarde van activa en verplichtingen die niet op eenvoudige wijze uit
andere bronnen blijkt. De daadwerkelijke uitkomsten kunnen afwijken van deze
schattingen.
De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld.
Herzieningen van schattingen worden opgenomen in de periode waarin de schatting
wordt herzien, indien de herziening alleen voor die periode gevolgen heeft, of in de
periode van herziening en toekomstige perioden, indien de herziening gevolgen heeft
voor zowel de verslagperiode als toekomstige perioden.
Verwerking van waardeveranderingen van beleggingen
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde
waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen,
inclusief transactiekosten, provisies, valutakoersverschillen e.d., worden als
beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen.
Vreemde valuta
Activa en verplichtingen in vreemde valuta worden omgerekend naar euro’s tegen de
koers per balansdatum. Deze waardering is onderdeel van de waardering tegen reële
waarde. Baten en lasten voortvloeiende uit transacties in vreemde valuta’s worden
omgerekend tegen de koers per transactiedatum. Alle valutakoersverschillen zijn
verwerkt in de staat van baten en lasten.
31-12-2015
EUR
31-12-2014
EUR
USD
1,09
1,21
JPY
130,68
145,08
MYR
4,66
4,23
GBP
0,74
0,78
HKD
8,42
9,38
BRL
4,30
3,22
COP
3448,46
2875,68
HUF
316,01
315,75
IDR
14974,65
14986,47
INR
71,87
76,38
KRW
1273,74
1330,03
MXN
18,76
17,84
CHF
1,09
1,20
AUD
1,49
1,48
CAD
1,51
1,40
DKK
7,46
7,45
NOK
9,62
9,07
NZD
1,59
1,55
SEK
9,16
9,47
SGD
1,54
1,60
7.4.6 Specifieke grondslagen
Beleggingen
Algemeen
De beleggingen worden gewaardeerd tegen reële waarde, slechts indien de reële
waarde van beleggingen niet betrouwbaar kan worden vastgesteld, vindt waardering
plaats op basis van geamortiseerde kostprijs. Overlopende activa en passiva alsmede
liquiditeiten vermogensbeheer worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Het
verschil tussen reële waarde en nominale waarde is bij deze activa en passiva in het
algemeen gering.
Participaties in beleggingspools en -instellingen die gespecialiseerd zijn in een bepaald
soort beleggingen worden gerubriceerd en gewaardeerd volgens de grondslagen voor
die onderliggende beleggingen (look-through benadering). Bij gemengde
beleggingsfondsen wordt aangesloten bij de hoofdcategorie, bepaald op basis van reële
waarde.
Vorderingen en schulden uit beleggingen welke samenhangen met een specifieke
beleggingscategorie worden onder beleggingsdebiteuren dan wel -crediteuren
opgenomen in de betreffende beleggingscategorie.
54
Beleggingen inzake VPL worden op dezelfde wijze gewaardeerd.
Financiële instrumenten worden gebruikt ter afdekking van beleggingsrisico’s en het
realiseren van het vastgelegde beleggingsbeleid. De derivatenposities zijn opgenomen
als een afzonderlijke beleggingscategorie. Derivaten die deel uitmaken van een
beleggingsfonds zijn opgenomen in de beleggingscategorie waarin dit beleggingsfonds
is gerubriceerd.
Reële waarde
De beleggingen van het fonds worden gewaardeerd tegen de reële waarde per
balansdatum. Voor de meerderheid van de financiële instrumenten van het fonds kan
gebruik worden gemaakt van genoteerde marktprijzen. Derivaten worden gewaardeerd
door gebruik te maken van netto contante waardeberekeningen. Bepaalde
instrumenten, zoals participaties in beleggingsfondsen worden gewaardeerd door
gebruik te maken van de intrinsieke waarde. Het is gebruikelijk en mogelijk om de reële
waarde binnen een aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te stellen. Slechts
indien de reële waarde van een beleggingen niet betrouwbaar kan worden vastgesteld,
vindt waardering plaats op basis van geamortiseerde kostprijs.
Voor financiële instrumenten zoals beleggingsvorderingen en -schulden geldt dat de
boekwaarde de reële waarde benadert als gevolg van het korte termijn karakter van de
vorderingen en schulden. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen
op balansdatum benadert de reële waarde.
Vastgoedbeleggingen
Beleggingen in direct vastgoed worden gewaardeerd tegen de reële waarde. De reële
waarde wordt gebaseerd op taxatiewaarde. De taxaties worden verricht door
onafhankelijke deskundigen. Indien daartoe aanleiding is, wordt bij de waardering
rekening gehouden met de feitelijke verhuursituatie en/of renovatieactiviteiten.
Resultaten door wijziging in reële waarde worden in de staat van baten en lasten
verantwoord.
Beursgenoteerde vastgoedfondsen worden gewaardeerd tegen de reële waarde, zijnde
de beurskoers per balansdatum. Niet-beursgenoteerde beleggingen in vastgoedfondsen
worden gewaardeerd op het aandeel in de reële waarde van de onderliggende
beleggingen. Indien de waarderingsgrondslagen van vastgoedfondsen afwijken, wordt
de waardering zo mogelijk aangepast aan de waarderingsgrondslagen van het fonds.
Onroerend goed in ontwikkeling wordt gewaardeerd op basis van gedane uitgaven,
inclusief bouwrente, waarbij wordt getoetst of die uitgaven tot waardewijzigingen
leiden. Na oplevering worden (her)ontwikkelde objecten naar reële waarde
gewaardeerd.
Aandelen
Aandelen, waaronder tevens converteerbare obligaties zijn begrepen, worden
gewaardeerd tegen reële waarde. Van beursgenoteerde aandelen is dit de beurswaarde.
Voor niet beursgenoteerde participaties in aandelenfondsen is dit de intrinsieke waarde,
die de reële waarde van de onderliggende beleggingen representeert.
technische voorzieningen, volgens de van toepassing zijnde waarderingsgrondslagen in
de balans zijn opgenomen.
In de toelichting wordt opgenomen het krachtens de Pensioenwet minimaal vereiste
eigen vermogen volgens de in het Besluit financieel toetsingskader (FTK)
voorgeschreven berekeningsmethodiek als het surplusvermogen.
Vastrentende waarden
Vastrentende waarden worden gewaardeerd tegen reële waarde inclusief opgelopen
rente. Van beursgenoteerde vastrentende waarden is dit de beurswaarde per
balansdatum. Voor niet beursgenoteerde participaties in vastrentende waardenfondsen
is dit de intrinsieke waarde, die de reële waarde van de onderliggende beleggingen
representeert.
Beleidsreserve
De Beleidsreserve is gelijk aan de totale reserve onder aftrek van de Beleggingsreserve,
de Bestemmingsreserve AOP-regeling en de Bestemmingsreserve AAOP-regeling.
Derivaten
Derivaten worden gewaardeerd tegen reële waarde, te weten de relevante
marktnotering of, als die er niet is, de waarde die wordt bepaald met behulp van
marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen.
Derivaatcontracten met een negatieve waarde worden in de balans onder de overige
schulden en overlopende passiva verantwoord.
Overige beleggingen
Overige beleggingen worden gewaardeerd tegen reële waarde. De waardering hiervan
geschiedt tegen de intrinsieke waarde, die de reële waarde van de onderliggende
beleggingen representeert.
Vorderingen en overlopende activa
Vorderingen en overlopende activa worden bij de eerste verwerking gewaardeerd op
reële waarde. Na de eerste verwerking worden vorderingen gewaardeerd op
geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van
transactiekosten) onder aftrek van eventuele bijzondere waardeverminderingen, indien
sprake is van oninbaarheid.
Overige activa
Onder meer worden hieronder de liquide middelen opgenomen voor zover dit
banktegoeden betreft welke onmiddellijk opeisbaar zijn. Liquide middelen worden
gewaardeerd tegen nominale waarde. Zij worden onderscheiden van tegoeden in
verband met beleggingstransacties. Liquide middelen uit hoofde van
beleggingstransacties worden gepresenteerd onder de beleggingen.
Stichtingskapitaal en reserves
Algemeen
Stichtingskapitaal en reserves worden bepaald door het bedrag dat resteert nadat alle
actiefposten en posten van het vreemd vermogen, inclusief de voorziening
pensioenverplichtingen voor risico van het fonds en risico deelnemers en overige
55
Beleggingsreserve
De beleggingsreserve wordt aangehouden als buffer voor neerwaartse koersfluctuaties
van beleggingen. De omvang van deze reserve is gelijk aan het Vereist Eigen Vermogen
aan de hand van de standaardtoets van DNB.
Bestemmingsreserve AOP-regeling
Als onderdeel van de algehele voorziening pensioenverplichtingen wordt een reserve
gevormd voor het WAO-gat (artikel 15) op gelijke sterfte- en interestgrondslagen als
de voorziening van de verplichte pensioenregeling. Voor revalidatie wordt (net als bij
premievrijstelling) 0% gehanteerd. Het resultaat op de AOP-regeling wordt jaarlijks
toegevoegd of onttrokken aan de AOP-reserve.
Bestemmingsreserve AAOP-regeling
Als onderdeel van de algehele voorziening pensioenverplichtingen wordt een
voorziening van AAOP gevormd op gelijke sterfte- en interestgrondslagen als de
voorziening van de basisregeling. Voor revalidatie wordt (net als bij premievrijstelling)
0% gehanteerd. Het resultaat op de AAOP regeling wordt jaarlijks gedoteerd of
onttrokken aan de AAOP reserve.
Technische voorzieningen
Voorziening pensioenverplichtingen voor risico fonds
De voorziening pensioenverplichtingen voor risico fonds wordt gewaardeerd op reële
waarde. De reële waarde wordt bepaald op basis van de contante waarde van de beste
inschatting van toekomstige kasstromen die samenhangen met de op balansdatum
onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen. Onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen
zijn de opgebouwde nominale aanspraken en de onvoorwaardelijke (toeslag)
toezeggingen.
De contante waarde wordt bepaald met gebruikmaking van de door DNB
gepubliceerde rentetermijnstructuur. Per 1 januari 2015 wordt de nieuwe door DNB
voorgeschreven Ultimate Forward Rate (UFR) gehanteerd. De mogelijkheid om de
zogenaamde driemaandsmiddeling van de rente toe te passen, is vanaf 1 januari 2015
komen te vervallen. Het financiële effect van deze wijziging is toegelicht bij de
schattingswijzigingen.
Bij de berekening van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico fonds is
uitgegaan van het op de balansdatum geldende pensioenreglement en van de over de
verstreken deelnemersjaren verworven aanspraken. Jaarlijks wordt door het bestuur
besloten of op de opgebouwde pensioenaanspraken toeslagverlening kan worden
toegepast. Alle per balansdatum bestaande toeslagbesluiten (ook voor toeslagbesluiten
na balansdatum voor zover sprake is van ex ante condities) zijn in de berekening
begrepen. Er wordt geen rekening gehouden met toekomstige salarisontwikkelingen.
Bij de berekening van de voorziening wordt rekening gehouden met premievrije
pensioenopbouw in verband met invaliditeit op basis van de contante waarde van de
toekomstige opbouw waarvoor vrijstelling is verleend wegens arbeidsongeschiktheid.
Bij de bepaling van de actuariële uitgangspunten wordt uitgegaan van voor de
toezichthouder acceptabele grondslagen, waarbij rekening wordt gehouden met de
voorzienbare trend in overlevingskansen.
De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van de volgende actuariële grondslagen en
veronderstellingen per 31 december 2015:
Overlevingstafels
Prognosetafels AG2014 (2014-2064) waarbij de sterftekansen zijn vermenigvuldigd
met een leeftijdsafhankelijke factor die zijn gebaseerd op de ervaringssterfte van de
retailsector.
De voorziening primo jaar is berekend op basis van de door het AG gepubliceerde
AG Prognosetafel AG 2014, startkolom 2015. In de voorziening ultimo jaar worden
de overlevingskansen ontleend aan de Prognosetafel AG2014, startkolom 2016 van
het AG.
Partnerfrequentie
Voor de berekening van de technische voorzieningen voor nog niet ingegane
partnerpensioenen wordt een partnerfrequentie gehanteerd volgens de sterftetafel
GBM/V 1985-1990, met uitzondering van de leeftijden 60 tot en met de
pensioenrechtleeftijd. Voor deze leeftijden wordt 100% gehanteerd. Vanaf de
pensioenrechtleeftijd neemt de partnerfrequentie af met de veronderstelde sterfte van
de partner.
uitgekeerd tot de 18-jarige leeftijd, waarbij geen rekening wordt gehouden met
sterftekansen.
Voorziening voor toekomstige excassokosten
Kostenopslag ter grootte van 2,2% van de technische voorziening in verband met
toekomstige administratie- en excassokosten.
Voorziening voor toekomstige pensioenopbouw arbeidsongeschikten
Bij de bepaling van de pensioenopbouw voor arbeidsongeschikte deelnemers en
ingegaan AOP is uitgegaan van een revalidatiekans van 0%.
IBNR
Een voorziening voor het risico van premievrijstelling van zieke deelnemers die in de
WIA terecht kunnen komen, wordt berekend door de invaliditeitsopslag uit de premie
van de afgelopen twee jaar te nemen.
Onvindbaren
Niet opgevraagd pensioen: Voor pensioen dat nog niet is ingegaan omdat de
deelnemer onvindbaar is of niet reageert wordt de reservering 5 jaar volledig in stand
gehouden en vervolgens in 10 jaar lineair afgeschreven tot nihil.
Langlopende schulden (uit hoofde van VPL)
De VPL overgangsregelingen zijn door CAO partijen vastgesteld en opgenomen in het
pensioenreglement. De overgangsregelingen worden uitgevoerd door het fonds.
De langlopende schuld betreft de gefactureerde premies voor de overgangsregelingen
hieraan wordt het rendement toegevoegd, de inkoop van de extra pensioenaanspraken
worden onttrokken aan deze schuld. De verwerking van de VPL regeling vindt op de
hiervoor beschreven wijze plaats teneinde vermenging van pensioenvermogen met
VPL-gelden tegen te gaan.
Het toe te kennen rendement is gelijk aan het gemiddelde beleggingsrendement van
het fonds exclusief rentehedge over het betreffende kalenderjaar (zowel positief als
negatief). De inkoop van aanspraken vindt plaats op basis van de grondslagen voor de
kostendekkende premie gebaseerd op de rentetermijnstructuur van 1 januari van het
inkoopjaar.
Leeftijdsverschil man-vrouw
Voor partnerpensioen is aangenomen dat de partner 3 jaar jonger is dan de verzekerde
man en 3 jaar ouder dan de verzekerde vrouw.
Overige schulden en overlopende passiva
Overige schulden en overlopende passiva worden bij de eerste verwerking
gewaardeerd op reële waarde. Na de eerste verwerking worden schulden gewaardeerd
op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van
transactiekosten).
Voorziening voor uitgesteld wezenpensioen
De lasten van nog niet ingegaan wezenpensioen zijn gesteld op 5% van de lasten van
het nog niet ingegaan partnerpensioen tot 65 jaar; bij de vaststelling van de lasten van
ingegaan wezenpensioen wordt verondersteld dat het pensioen moet worden
Dekkingsgraad
De (nominale) dekkingsgraad van het fonds wordt berekend door op balansdatum het
balanstotaal minus de kortlopende schulden en minus de langlopende schulden uit
hoofde van VPL te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans
56
Onder het FTK is de beleidsdekkingsgraad leidend voor alle beleidsmaatregelen.
De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de dekkingsgraad van de afgelopen
12 maanden en is daarmee minder afhankelijk van dagkoersen.
7.4.7 Grondslagen voor de resultaatbepaling
Algemeen
Baten en lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop deze betrekking hebben.
De in de staat van baten en lasten opgenomen posten zijn in belangrijke mate
gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen
en de voorzieningen pensioenverplichtingen. Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde
resultaten worden rechtstreeks verantwoord in het resultaat.
Premiebijdragen van (werkgevers en werknemers)
Onder premiebijdragen wordt verstaan de aan derden in rekening gebrachte c.q. te
brengen bedragen voor de in het verslagjaar verzekerde pensioenen onder aftrek van
kortingen. Premies zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.
De premiebaten in het boekjaar zijn gebaseerd op de definitieve loonsomopgaven van
de werkgevers. Voor een beperkt aantal werkgevers zijn de premies gebaseerd op de
voorlopige loonsomopgaven.
Onder premiebijdragen risico fonds is separaat opgenomen de hoogte van de
inkoopsom(men) inzake ingekochte pensioenaanspraken uit hoofde van VPL.
Beleggingsresultaten
De beleggingsresultaten voor beleggingen voor risico fonds en beleggingen inzake VPL
worden op dezelfde wijze vastgesteld.
(In)directe beleggingsresultaten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking
hebben.
Indirecte beleggingsopbrengsten
Onder de indirecte beleggingsopbrengsten worden verstaan de gerealiseerde en
ongerealiseerde waardeveranderingen en valutaresultaten. In de jaarrekening wordt
geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde
waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen,
inclusief valutakoersverschillen, worden als indirecte beleggingsopbrengsten in de staat
van baten en lasten opgenomen. Aankoopkosten zijn verwerkt in de reële waarde van
de beleggingen. Verkoopkosten worden verantwoord als onderdeel van de
gerealiseerde herwaarderingen.
Directe beleggingsopbrengsten
Onder de directe beleggingsopbrengsten wordt in dit verband verstaan rentebaten en
-lasten, dividenden, huuropbrengsten en soortgelijke opbrengsten.
Dividend wordt verantwoord op het moment van betaalbaarstelling.
57
Kosten van vermogensbeheer
Onder kosten van vermogensbeheer worden de externe en de daaraan toegerekende
interne kosten verstaan. Exploitatiekosten van onroerende zaken in exploitatie zijn in de
kosten van vermogensbeheer opgenomen.
Verrekening van kosten
Met de directe en indirecte beleggingsopbrengsten zijn verrekend de aan de
opbrengsten gerelateerde transactiekosten, provisies, valutaverschillen e.d.
Pensioenuitkeringen
De pensioenuitkeringen betreffen de aan deelnemers uitgekeerde bedragen inclusief
afkopen. De pensioenuitkeringen zijn berekend op actuariële grondslagen en
toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben.
Pensioenuitvoeringskosten
De pensioenuitvoeringskosten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking
hebben.
Mutatie technische voorzieningen voor risico pensioenfonds
Pensioenopbouw
De pensioenopbouw is de contante waarde van de pensioenaanspraken die toegekend
zijn in het boekjaar.
Rentetoevoeging
De pensioenverplichtingen worden contant gemaakt tegen de nominale marktrente op
basis van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur. De interesttoevoeging
wordt tegen de rekenrente primo boekjaar berekend over de beginstand en de mutaties
gedurende het jaar.
Onttrekkingen voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Verwachte toekomstige pensioenuitkeringen worden vooraf actuarieel berekend en
opgenomen in de technische voorziening. De onder dit hoofd opgenomen afname van
de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de
pensioenen in de verslagperiode.
Onttrekking voor pensioenuitvoeringskosten
Jaarlijks wordt 2,2% van de pensioenopbouw en de inkomende waardeoverdrachten toe­gevoegd aan de technische voorziening ten behoeve van de pensioenuitvoerings­kosten.
Daarnaast valt 2,2% van de uitkeringen, afkopen en uitgaande waarde­over­drachten vrij uit
de technische voorziening ten behoeve van pensioenuitvoerings­kosten (excassokosten).
Wijziging uit hoofde van overdrachten van rechten
Hieronder zijn opgenomen de aan het verslagjaar toe te rekenen overdrachtswaarde
van de overgenomen respectievelijk overgedragen pensioenaanspraken met betrekking
tot de actuariële waarde.
7.5 Toelichting op de Balans
Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de actuele waarde van de technische voorzieningen
herrekend door toepassing van de actuele rentetermijnstructuur. Het effect van de
verandering van de rentetermijnstructuur wordt hieronder verantwoord.
Tevens zijn per 31 december 2015 achtereenvolgens de volgende aanpassingen in de
rentetermijnstructuur (RTS) verwerkt: het vervallen van de driemaandsmiddeling en de
aanpassing van de UFR van 4,2% naar 3,2%. Voor verdere toelichting wordt verwezen
naar de toelichting in de grondslagen inzake schattingswijzigingen.
Wijziging overige actuariële uitgangspunten
De actuariële grondslagen en/of methoden worden periodiek beoordeeld en mogelijk
herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioen­
verplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en externe actuariële
deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien
sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen voor zowel de
gehele bevolking als specifiek voor de populatie van het fonds.
De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen
is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en
oordelen door het bestuur van het fonds. Het effect van deze wijzigingen wordt
verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden
herzien.
Inkoop uit hoofde van VPL-regeling
De inkoop van aanspraken vindt plaats op basis van de grondslagen voor de
kostendekkende premie gebaseerd op de rentetermijnstructuur van 1 januari van het
inkoopjaar.
Saldo overdrachten van rechten
De post saldo overdrachten van rechten bevat het saldo van bedragen uit hoofde van
overgenomen dan wel overgedragen pensioenverplichtingen.
Overige baten en lasten
De overige baten en lasten worden opgenomen voor de aan het verslagjaar toe te
rekenen bedragen.
7.4.8 Grondslagen kasstroomoverzicht
Het kasstroomoverzicht is opgesteld overeenkomstig de directe methode. Alle
ontvangsten en uitgaven worden hierbij als zodanig gepresenteerd. Er wordt
onderscheid gemaakt tussen kasstromen uit pensioenactiviteiten en
beleggingsactiviteiten.
58
ACTIVA
7.5.1 Beleggingen voor risico fonds
Verloopoverzicht per beleggingscategorie
(x € 1.000)
Derivaten
Overige
beleggingen
Totaal
1.457.171
412.425
137.990
2.940.666
1.029.960
2.718.665
811.666
5.054.855
Aandelen
Vastrentende
waarden
311.781
621.299
Aankopen
20.866
473.698
Vastgoedbeleggingen
Stand per
1 januari 2015
Verkopen
-2.933
-315.573
Overige mutaties
-1.197
109
-842.557 -3.071.458
3.173
-16.335
-736.232 -4.968.753
-1.623
-15.873
Waardemutaties
9.384
24.437
-45.385
-133.381
6.403
-138.542
Stand per
31 december 2015
337.901
803.970
1.602.362
-90.084
218.204
2.872.353
Bij: Derivaten met een negatieve waarde
369.140
Af: Beleggingen met betrekking tot VPL
-61.000
3.180.493
Derivaten
Overige
beleggingen
Totaal
1.332.822
-93.389
172.515
2.227.990
342.508
2.571.232
258.303
3.250.804
Aandelen
Vastrentende
waarden
518.523
Vastgoedbeleggingen
Stand per
1 januari 2014
297.519
Aankopen
22.676
56.085
Verkopen
-690
-26.439
Overige mutaties
-3.259
34
-563
-10.679
15
-14.452
Waardemutaties
-4.465
73.096
88.440
465.511
8.213
630.795
Stand per
31 december 2014
311.781
621.299
1.457.171
412.425
137.990
2.940.666
(x € 1.000)
-306.036 -2.520.250
-301.056 -3.154.471
Bij: Derivaten met een negatieve waarde
327.437
Af: Beleggingen met betrekking tot VPL
-63.851
3.204.252
Derivaten met een negatieve waarde zijn verantwoord onder de overige schulden en
overlopende passiva. Het fonds kent geen beleggingen in aangesloten organisaties of
premiebijdragende ondernemingen.
Securities lending binnen de beleggingsfondsen
Binnen de beleggingsfondsen worden géén aandelen noch obligaties uitgeleend.
Derivaten binnen de beleggingsfondsen
Binnen de beleggingsfondsen wordt gebruik gemaakt van derivaten, er is sprake van
collateral management. Ultimo 2015 bedraagt het ontvangen collateral € 179.965
(2014: € 44.971) en het betaalde collateral € 87.420 (2014: € 458.637). Het
ontvangen onderpand staat niet ter vrije beschikking van het fonds. Het verstrekte
onderpand staat ter vrije beschikking van het fonds.
De overige mutaties hebben o.a. betrekking op mutaties liquide middelen onder beheer
bij de vermogensbeheerder, lopende interest en nog af te handelen
beleggingstransacties.
Reële waarde
De waardering van de beleggingen vindt plaats tegen reële waarde. Afgezien van de
beleggingsvorderingen en -schulden zijn de beleggingen van het fonds gewaardeerd
tegen reële waarde per balansdatum. Het is over het algemeen mogelijk en gebruikelijk
om de reële waarde binnen een aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te
stellen. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen op balansdatum
benadert de reële waarde.
Voor de meerderheid van de beleggingen van het fonds kan gebruik worden gemaakt
van marktnoteringen. Echter, bepaalde beleggingen zijn gewaardeerd door middel van
gebruikmaking van verschillende waarderingsmodellen, inclusief verwijzing naar de
huidige reële waarde van vergelijkbare instrumenten.
•• Beleggingen met genoteerde marktprijzen worden verhandeld aan een effecten­beurs
of betreffen liquide middelen. Hieronder vallen aandelen, obligaties, onderpanden.
•• Onafhankelijke taxaties worden toegepast voor de waardering van onroerend goed
in bezit van het fonds. Alle vastgoedobjecten worden jaarlijks getaxeerd door
externe taxateurs waarvan de onafhankelijkheid ten opzichte van de waardering
onbetwist is. De juistheid en volledigheid van de gebruikte informatie voor de taxatie
wordt gecontroleerd.
•• De netto contante waarde methode wordt bepaald door de te ontvangen kasstromen
contant te maken op basis van de geldende marktrente. In de waardering is rekening
gehouden met het oninbaarheidsrisico.
•• Intrinsieke waarde: de marktwaarde ontleent aan de meest recente rapportages van de
fundmanagers en de fund-to-fund managers. Voor fondsbeleggingen in vastgoed,
private equity en infrastructuur wordt de waardering bepaald op basis van de laatst
ontvangen fondsrapportages. Deze rapportages zijn door een onafhankelijke
59
accountant gecontroleerd maar de periode van deze rapportages loopt niet
synchroon met het boekjaar van het fonds. Om deze onzekerheid te mitigeren wordt
jaarlijks achteraf een aansluiting gemaakt. Beleggingen waarvan de waardering op
basis van de intrinsieke waarde plaatsvindt, zijn in de tabel opgenomen onder
‘Andere methode’.
•• Andere methode: marktwaardebepaling niet gebaseerd op marktdata, maar
gebaseerd op aannames en schattingen die de prijs significant beïnvloeden.
Hieronder vallen de equity linked swaptions en inflations swaps, swaptions, options
OTC en de deelnemingen.
Op basis van de wijziging in de Richtlijn 290 inzake de toelichting op gehanteerde
waarderingsystematiek is onderstaande tabel opgenomen.
(x € 1.000)
NCW
berekeningen
Genoteerde marktprijzen
Onafhankelijke
Taxaties
Vastgoedbeleggingen
652
236.723
-
100.526
337.901
Aandelen
61.647
-
-
742.323
803.970
Vastrentende waarden
1.104.342
-
130.768
367.252
1.602.362
Andere
Methode
Totaal
Per 31 december 2015
Derivaten
-
-
-82.121
-7.963
-90.084
Overige beleggingen
-
-
-
218.204
218.204
Totaal
1.166.641
236.723
48.647
1.420.342
2.872.353
Genoteerde marktprijzen
Onafhankelijke
Taxaties
NCW
berekeningen
Andere
Methode
Totaal
Vastgoedbeleggingen
476
224.233
-
87.072
311.781
Aandelen
73.538
-
-
547.761
621.299
Vastrentende waarden
1.109.802
-
97.125
250.244
1.457.171
Derivaten
-
-
404.054
8.371
412.425
Overige beleggingen
-
-
-
137.990
137.990
Totaal
1.183.816
224.233
501.179
1.031.438
2.940.666
(x € 1.000)
Per 31 december 2014
Bij de bepaling van de waardering van de beleggingen zijn de volgende uitganspunten
gebruikt:
Genoteerde marktprijzen
Beleggingen met genoteerde marktprijzen worden verhandeld op een actieve markt.
Hieronder vallen aandelen enobligaties.
Onafhankelijke taxaties
Beleggingen in direct vastgoed worden gewaardeerd tegen de reële waarde per
balansdatum, gebaseerd op door onafhankelijke deskundigen verrichte taxaties.
Derivaten
Bij de schatting van de reële waarde van derivaten wordt uitgegaan van verwachte
toekomstige kasstromen.
Netto contante waardeberekeningen
De netto contante waarde methode (NCW) wordt gehanteerd voor de derivaten. De
netto contante waardeberekening van de rentederivaten vindt plaats aan de hand van de
OIS curve.
Overige beleggingen
Het niet marktgenoteerde deel van de overige beleggingen betreft beleggingen in
infrastructuur. Het fonds neemt alleen via tussenkomst van externe fondsbeheerders
deel in infrastructurele beleggingen. Voor de waardering van deze beleggingen wordt
uitgegaan van de waardebepaling welke is opgesteld ten behoeve van deze externe
fondsbeheerders. De waardering vindt plaats op basis van reële waarde. De wijze
waarop de reële waarde wordt bepaald is afhankelijk van de externe fondsbeheerder en
van de aard van de belegging. De volgende variabelen spelen hierbij een rol: de
aanschafwaarde voor wat betreft recente investeringen, toekomstige kasstromen,
waarde van de activa, waardering van vergelijkbare objecten.
Andere methode
Voor fondsbeleggingen wordt de waardering bepaald op basis van de laatst ontvangen
fondsrapportages. Voor € 1.407 miljoen (2014: EUR 1.000 miljoen) aan beleggingen
betreft dit de intrinsieke waarde. Onder de andere methode zijn tevens de liquide
middelen met betrekking tot beleggingsactiviteiten, beleggingsdebiteuren en
crediteuren verantwoord.
Schatting van reële waarde
Vastgoed
Het deel van de waarde aan vastgoedbeleggingen dat is opgenomen op basis van
genoteerde marktprijzen en onafhankelijke taxaties betreft zowel direct als indirect
vastgoed. Zoals bij de grondslagen staat vermeld is de waarde gebaseerd op de
taxatiewaarde. De eerste waardering is verkrijgingsprijs inclusief transactiekosten. Deze
taxaties worden verricht door verscheidene externe erkende taxateurs. Iedere externe
taxateur hanteert, binnen de algemene richtlijnen zoals binnen de branche gelden, eigen
uitgangspunten. De richtlijnen binnen de branche geven aan dat voor de waardebepaling
in dit geval moet worden uitgegaan van de verkoopwaarde van een object met als
doelstelling om met het object huurinkomsten te genereren. Als basis wordt hiervoor een
contante waardeberekening gebruikt van de toekomstige kasstromen.
Aandelen
Van de belegde waarde in aandelen staat de waarde van private equity beleggingen en
aandelenfondsen opgenomen als vastgesteld op basis van verschillende
waarderingsmodellen.
Private equity beleggingen worden gewaardeerd op reële waarde, zijnde de intrinsieke
waarde. Deze waarde wordt ontleend aan de meest recente rapportages van de
fundmanagers en de fund-of-fund-managers, gecorrigeerd voor kasstromen in de
periode tot balansdatum. Daarnaast wordt bij de waardering rekening gehouden met
eventuele negatieve gevolgen van materiële gebeurtenissen in het verslagjaar na
ontvangst van deze rapportages. De managers bepalen de intrinsieke waarde op basis
van lokale wet- en regelgeving.
Vastrentende waarden
Het deel van de vastrentende waarden waarvan de reële waarde op basis van schatting
wordt vastgesteld, betreft leningen op schuldbekentenis en hypotheken. De
berekeningsgrondslag staat vermeld in de algemene toelichting op de grondslagen.
60
Vastgoedbeleggingen
De vastgoed beleggingen kunnen als volgt worden gespecificeerd:
(x € 1.000)
31-12-2015
31-12-2014
Specificatie naar soort:
Direct vastgoed
226.536
189.238
Indirect vastgoed
98.676
83.692
Vastgoed in ontwikkeling
10.186
35.044
Vorderingen
2.232
3.447
Schulden
-1.877
-2.281
Liquide middelen
2.148
2.641
337.901
311.781
In 2015 is 100% (2014: 100%) van het directe vastgoed getaxeerd door
onafhankelijke, beëdigde taxateurs.
Aandelen
De aandelen kunnen als volgt worden gespecificeerd:
31-12-2015
31-12-2014
Direct beursgenoteerde aandelen
61.647
73.538
(x € 1.000)
Specificatie naar soort:
Aandelen beleggingsfondsen
728.459
534.665
Venture Capital (Private Equity)
13.533
12.981
Vorderingen
331
115
803.970
621.299
Vastrentende waarden
De vastrentende waarden kunnen als volgt worden gespecificeerd:
(x € 1.000)
31-12-2015
31-12-2014
Specificatie naar soort:
Directe vastrentende waardebeleggingen:
Staatsobligaties
759.910
753.745
Bedrijfsobligaties (credits)
235.292
223.819
Hypotheken
130.768
92.540
Covered fondsen
109.140
124.189
Inflation linked bonds
-
8.049
Obligatiebeleggingsfondsen
349.201
235.250
Vorderingen
18.051
19.579
Gebruik wordt gemaakt van onder meer de volgende instrumenten:
•• Valutatermijncontracten: dit zijn met individuele banken afgesloten contracten
waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het verkopen van een valuta en de
aankoop van een andere valuta, tegen een vooraf vastgestelde prijs en op een vooraf
vastgestelde datum. Door middel van valutatermijncontracten worden valutarisico’s
afgedekt.
•• Renteswaps: dit betreft met individuele banken afgesloten contracten waarbij de
verplichting wordt aangegaan tot het uitwisselen van rentebetalingen over een
nominale hoofdsom. Door middel van swaps kan het fonds de rentegevoeligheid van
de portefeuille beïnvloeden.
Onderstaande tabel geeft inzicht in de derivatenposities per 31 december 2015:
Indirecte vastrentende waardenbeleggingen:
1.602.362
(x € 1.000)
1.457.171
Type Contract
Contractomvang
Activa
Passiva
Interest rate swaps
351.000
285.606
367.107
Futures
-26.489
-
-
Forward
299.115
1.413
2.033
Overige
-
-7.963
-
279.056
369.140
Derivaten
31-12-2015
31-12-2014
Valutaderivaten
-621
-3.828
Rentederivaten
-81.500
407.881
Vorderingen
155
19.152
(x € 1.000)
Specificatie naar soort:
Onderstaande tabel geeft inzicht in de derivatenposities per 31 december 2014:
(x € 1.000)
Type Contract
Contractomvang
Activa
Passiva
Interest rate swaps
1.318.000
731.487
323.605
Liquide middelen
3.961
257
Futures
10.797
-
-
Schulden
-12.079
-11.037
Forward
206.100
4
3.832
Overige
-
8.371
-
739.862
327.437
-90.084
412.425
Voor de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt gebruikgemaakt van financiële
derivaten. Als hoofdregel geldt dat derivaten uitsluitend worden gebruikt voor zover dit
passend is binnen het algemene beleggingsbeleid. De portefeuillestructuur en het
risicoprofiel, berekend inclusief de economische effecten van derivaten, dienen zich
binnen de door het bestuur vastgestelde grenzen (limieten) te bevinden.
Het fonds gebruikt derivaten voornamelijk om het valutarisico en het renterisico af te
dekken. Eén van de belangrijkste risico’s bij derivaten is het kredietrisico. Dit is het risico
dat tegenpartijen niet aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen. Dit risico wordt
beperkt door alleen transacties aan te gaan met te goeder naam en faam bekend
staande partijen. Bovendien geldt dat zoveel mogelijk wordt gewerkt met onderpand.
61
Overige beleggingen
De overige beleggingen kunnen als volgt worden gespecificeerd:
31-12-2014
Infrastructuur
36.168
33.488
Beleggingsfondsen
181.905
104.473
Liquide middelen
131
29
218.204
137.990
31-12-2015
31-12-2014
Vordering op werkgevers
700
957
Uitkeringen
-
12
Vergoeding Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V.
-
1.033
Nog te factureren premie*
6.210
2.556
Overige vorderingen
10
6
6.920
4.564
Specificatie naar soort:
7.5.2 Vorderingen en overlopende activa
(x € 1.000)
31-12-2014
Werkgevers
1.462
1.788
Voorziening dubieuze debiteuren
-762
-831
700
957
Specificatie vorderingen / debiteuren:
31-12-2015
(x € 1.000)
31-12-2015
(x € 1.000)
In 2015 is een bedrag van € 144 gedoteerd aan de voorziening (2014: € 2). Er werd
een bedrag van € 213 aan premies over voorgaande jaren als oninbaar afgeschreven
(2014 € 294).
7.5.3 Overige activa
* De toename ten opzichte van 2014 komt met name doordat het aantal actieve deelnemers is toegenomen.
De mutatie van deze toename is niet verwerkt in de in 2015 gefactureerde premie omdat de voorschot facturen
niet tijdig door de werkgevers hierop zijn aangepast.
Bij de waardering van vorderingen wordt rekening gehouden met het risico van
oninbaarheid door hiervoor een voorziening in aftrek te brengen op het saldo van de
uitstaande vorderingen. Voor gelijksoortige posten met gelijksoortige risico’s wordt
gezamenlijk een schatting gemaakt van verliezen en risico’s op balansdatum. Deze
systematiek om de voorziening vast te stellen wordt gerekend tot de statische methode.
Alle vorderingen hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.
62
(x € 1.000)
Liquide middelen
31-12-2015
31-12-2014
3.887
3.995
3.887
3.995
Onder de liquide middelen worden opgenomen die kasmiddelen en tegoeden op
bankrekeningen die onmiddellijk dan wel op korte termijn opeisbaar zijn.
Bankrekeningen die beheerd worden door de vermogensbeheerder zijn onder de
beleggingen opgenomen.
Er zijn geen kredietfaciliteiten van toepassing.
PASSIVA
Solvabiliteit
7.5.4 Stichtingskapitaal en reserves
(x € 1.000)
Beleggingsreserve
Reserve AOP
regeling
Reserve
AAOP
regeling
Stand per
1 januari 2015
291.118
35.090
7.272
-40.696
292.784
Uit bestemming saldo
van baten en lasten
306.512
-1.334
-228
-642.296
-337.346
597.630
31-12-2014
in %
Mutatieoverzicht eigen vermogen
Stand per
31 december 2015
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
33.756
(x € 1.000)
7.044
Beleidsreserve
Totaal
-682.992
-44.562
Beleggingsreserve
Reserve AOP
regeling
Reserve
AAOP
regeling
Stand per
1 januari 2014
257.851
32.837
6.759
-206.571
90.876
Uit bestemming saldo
van baten en lasten
33.267
2.253
513
165.875
201.908
Stand per
31 december 2014
291.118
35.090
7.272
-40.696
292.784
Beleidsreserve
Totaal
in %
Aanwezig vermogen
2.819.462
98,4
2.880.441
111,3
Af: technische voorzieningen
2.864.024
100,0
2.587.657
100,0
Eigen vermogen
-44.562
-1,6
292.784
11,3
Af: vereist eigen vermogen
597.630
20,9
291.118
11,3
Vrij vermogen
-642.192
-22,5
1.666
-
Minimaal vereist eigen vermogen
124.768
4,4
110.300
4,3
Aanwezige dekkingsgraad
98,4
111,3
Beleidsdekkingsgraad
103,3
-
Voor het bepalen van het vereist eigen vermogen (de solvabiliteitstoets) maakt het
fonds gebruik van het standaardmodel. Het bestuur acht het gebruik van het
standaardmodel passend voor de risico’s van het fonds. De uitkomsten van de
solvabiliteitstoets zijn opgenomen onder toelichting Risicobeheer.
De dekkingsgraad is als volgt berekend: (Totale activa -/- schulden) / Technische
voorzieningen * 100%.
De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de dekkingsgraad van de afgelopen
12 maanden.
Als de beleidsdekkingsgraad lager is dan de vereiste dekkingsgraad bevindt het fonds
zich in een situatie van tekort.
De solvabiliteit van het fonds is niet toereikend. Er is sprake van zowel reservetekort, als
dekkingstekort. Voor de berekening van het vereist eigen vermogen wordt gebruik
gemaakt van het standaard model van DNB.
63
Het verloop van de nominale dekkingsgraad kan als volgt worden gespecificeerd:
Werkelijk
2015
%
Werkelijk
2014
%
Dekkingsgraad per 1 januari
111,3
104,4
Premie
-0,4
0,2
Uitkering
0,2
0,1
Toeslagverlening
-
-
Verandering van de rentetermijnstructuur
-9,1
-20,6
Rendement op beleggingen
-3,6
32,6
Overige oorzaken en kruiseffecten
-
-5,4
Dekkingsgraad per 31 december
98,4
111,3
Herstelplan
Per 1 januari 2015 was de beleidsdekkingsgraad 109,7% en lag daarmee onder het
vereist eigen vermogen. Er was sprake van een reservetekort waardoor het fonds
verplicht was om op uiterlijk 1 juli 2015 een herstelplan in te dienen bij DNB. Het
fonds heeft op 30 juni 2015 het herstelplan verstuurd naar DNB. Hiermee vervalt het
reeds bestaande herstelplan.
In het nieuwe herstelplan heeft het fonds aangegeven welke maatregelen worden
ingezet om binnen 12 jaar het vereist eigen vermogen te behalen. Het fonds heeft zich
ten doel gesteld om in 2026 een beleidsdekkingsgraad van ongeveer 131,3 % conform
het herstelplan te hebben. Bij het opstellen van het herstelplan heeft het bestuur zich
laten ondersteunen door adviseurs.
In 2015 heeft de dekkingsgraad zich ten opzichte van het herstelplan als volgt
ontwikkeld:
Werkelijk
2015
%
Herstelplan
2015
%
Dekkingsgraad per 1 januari
111,3
111,3
Premie
-0,4
-0,5
Uitkering
0,2
0,1
Verandering van de rentetermijnstructuur
-9,1
-5,7
Rendement op beleggingen
-3,6
3,8
Dekkingsgraad per 31 december
98,4
109,0
64
Uit dit herstelplan blijkt een verwachte dekkingsgraad per 31 december 2015 van
109,0%. Aangezien de werkelijke dekkingsgraad 98,4% bedraagt, loopt het
pensioenfonds achter op het herstelplan. Het fonds zal het huidige herstelplan updaten
en dit voor 30 april 2016 bij DNB indienen.
De verandering van de rentetermijnstructuur heeft geleid tot een daling van de
dekkingsgraad. Bij de bepaling van de werkelijke dekkingsgraad is van de
daadwerkelijke rentetermijnstructuur ultimo van het boekjaar uitgegaan die lager is dan
de rentetermijnstructuur primo het jaar.
Het rendement op beleggingen heeft minder bijgedragen aan de dekkingsgraad dan
verwacht volgens het herstelplan. Dit wordt verklaard doordat in het herstelplan is
uitgegaan van een hoger rendement dan het rendement op de beleggingen werkelijk
was.
7.5.5 Technische voorzieningen
Specificatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico fonds
31-12-2015
31-12-2014
Basisregeling
2.822.604
2.551.871
(A)AOP
9.700
10.615
Premievrijstelling / IBNR
31.720
25.171
2.864.024
2.587.657
(x € 1.000)
Mutatieoverzicht technische voorzieningen
2015
2014
Stand per 1 januari
2.587.657
2.087.975
(x € 1.000)
Pensioenopbouw
72.154
56.725
Rentetoevoegingen
4.704
8.051
Ontrekking voor pensioenuitkeringen en
pensioenuitvoeringskosten
-45.649
-46.556
Wijziging uit hoofde van overdrachten van rechten
-2.196
-7.953
Wijziging marktrente
230.367
511.747
Wijziging overige actuariële uitgangspunten
5.599
-26.645
Inkoop uit hoofde van VPL-regeling
5.751
330
Korting van aanspraken en rechten
125
556
Overige mutatie voorziening pensioenverplichtingen
5.512
3.427
Stand per 31 december
2.864.024
2.587.657
Specificatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico fonds
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
deelnemers de pensioenrichtleeftijd hebben bereikt. Tevens bestaat er recht op partneren wezenpensioen in de regeling van Pensioenfonds Wonen. Deelname aan de regeling
is verplicht vanaf de leeftijd van 20 jaar, dan wel vanaf de datum van indiensttreding bij
een werkgever in de bedrijfstak.
Toeslagverlening
Het fonds heeft gekozen voor variant B uit de toeslagenmatrix. Bij deze variant wordt er
geen doelgericht indexatiebeleid gevoerd.
Het bestuur besluit jaarlijks of een toeslag wordt verleend, rekening houdend met de
financiële positie van het pensioenfonds. Er is geen ambitie om jaarlijks toeslagen te
geven op pensioenrechten en pensioenaanspraken en er is geen maatstaf waaraan de
toeslagen gekoppeld zijn. Voor de financiering van de toeslagen wordt geen premie
betaald en er wordt geen reserve aangehouden om in de toekomst toeslagen te kunnen
toekennen. Eventuele toeslagen worden gefinancierd uit overrendementen en zijn
voorwaardelijk. Er is over het boekjaar 2015 geen toeslag verleend. In de afgelopen
drie jaren zijn de pensioenaanspraken en de ingegane pensioenen niet verhoogd.
7.5.6 Langlopende schulden (uit hoofde van VPL)
31-12-2014
in %
2015
2014
Stand per 1 januari
63.851
56.936
(x € 1.000)
in %
Actieve deelnemers
26.040
1.074.681
24.795
966.462
Dotatie inzake premies
3.527
3.317
Gewezen deelnemers (slapers)
93.604
694.676
93.105
885.337
Rendementstoerekening
-377
3.943
Pensioentrekkenden
15.051
992.488
13.807
650.034
Overigen
-
40.573
-
35.128
67.001
64.196
Toekenning VPL aanspraken
-6.001
-345
Netto pensioenverplichtingen
134.695
2.802.418
131.707
2.536.961
Toekomstige kosten uitvoering
pensioenregeling
-
61.606
-
50.696
Stand per 31 december
61.000
63.851
134.695
2.864.024
131.707
2.587.657
De post “overigen”betreft de voorzieningen voor invaliditeit en arbeidsongeschiktheid.
Korte beschrijving van de pensioenregeling
De pensioenregeling kan worden gekenmerkt als een middelloonregeling met een
pensioenleeftijd van 67 jaar. Stichting Pensioenfonds Wonen kent twee pensioen­
regelingen. De pensioenregeling Wonen 2006 geldt voor de deelnemers die geboren
zijn na 1949. In de pensioenregeling Wonen 2006 wordt jaarlijks een aanspraak op
ouderdomspensioen opgebouwd van 1,75% van de in dat jaar geldende pensioen­
grondslag. De pensioengrondslag is gelijk aan het loon Wfsv tot maximaal het
maximum loon Wfsv. De pensioenregeling Wonen 2001 gold voor de deelnemers
die geboren zijn voor 1950. Deze pensioenregeling komt te vervallen omdat alle
65
7.5.7 Overige schulden en overlopende passiva
(x € 1.000)
Derivaten met negatieve waarde
Het surplus (tekort) op FTK-grondslagen is als volgt: 31-12-2015
31-12-2014
369.140
327.437
(x € 1.000)
Technische voorziening (FTK-waardering)
31-12-2015
31-12-2014
2.864.024
2.587.657
Waardeoverdrachten
306
191
Buffers:
Belastingen en premies sociale verzekeringen
1.628
906
S1 Renterisico
191.714
71.570
Schulden aan werkgevers
88
141
S2 Risico zakelijke waarden
385.131
210.110
Overige schulden
676
3.695
S3 Valutarisico
76.895
86.244
S4 Grondstoffenrisico
60.579
43.182
371.838
332.370
S5 Kredietrisico
134.767
51.951
S6 Verzekeringstechnisch risico
99.402
91.879
S7 Liquiditeitsrisico
-
-
S8 Concentratierisico
-
-
De post ‘overige schulden’ bestaat uit te betalen kosten:
Achmea Investment Management: € 513 (2014: € 3.450);
Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V.: € 52 (2014: € 155);
Accountant: € 48 (2014: € 49);
Externe actuaris: € 34 (2014: € 33);
Overige kosten: € 29 (2014: € 8).
Alle schulden hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.
7.5.8 Risicobeheer en derivaten
Solvabiliteitsrisico
Het fonds wordt bij het beheer van de pensioenverplichtingen en de financiering
daarvan geconfronteerd met risico’s. De belangrijkste doelstelling van het fonds is het
nakomen van de pensioentoezeggingen. Voor het realiseren van deze doelstelling
wordt gestreefd naar een toereikende solvabiliteit op basis van de reële waarde van de
pensioenverplichtingen.
Het belangrijkste risico voor het fonds betreft het solvabiliteitsrisico, ofwel het risico dat
het fonds niet beschikt over voldoende vermogen ter dekking van de
pensioenverplichtingen. De solvabiliteit wordt gemeten zowel op basis van algemeen
geldende normen als ook naar de specifieke normen welke door de toezichthouder
worden opgelegd. Indien de solvabiliteit van het fonds zich negatief ontwikkelt, bestaat
het risico dat het fonds de premie voor de onderneming en deelnemers moet verhogen
en het risico dat er geen ruimte beschikbaar is voor een eventuele toeslag van
opgebouwde pensioenrechten. In het uiterste geval kan het noodzakelijk zijn dat het
fonds verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten moet verminderen.
66
S9 Operationeel risico
-
-
S10 Actief beheerrisico
53.061
-
Diversificatie effect
-403.919
-263.818
Totaal S (vereiste buffers)
597.630
291.118
Vereist vermogen (artikel 132 Pensioenwet)
3.461.654
2.878.775
Aanwezig vermogen (totaal activa - schulden)
2.819.462
2.880.441
Tekort (surplus)
-642.192
1.666
Het fonds heeft ter afdekking van risico’s derivatencontracten afgesloten. Hiermee is bij
het bepalen van de vereiste buffers rekening gehouden. Bij de berekening van de
buffers past het fonds het standaard model van DNB toe, waarbij uitgegaan wordt van
het vereist vermogen in evenwichtsituatie, gebaseerd op de strategische asset mix.
De belangrijkste verschillen in de vereiste buffers op 31 december 2015 ten opzichte
van 31 december 2014 worden met name veroorzaakt door de samenstelling van de
beleggingsmix, de gewijzigde rekenregels en de nieuwe UFR (zonder
driemaandsmiddeling) in het kader van het financieel toetsingskader.
Beleid en risicobeheer
Het bestuur beschikt over een aantal beleidsinstrumenten ten behoeve van het
beheersen van deze risico’s. Deze beleidsinstrumenten betreffen:
•• beleggingsbeleid;
•• premiebeleid;
•• herverzekeringsbeleid;
•• toeslagbeleid.
De keuze en toepassing van beleidsinstrumenten vindt plaats na uitvoerige analyses ten
aanzien van te verwachten ontwikkelingen van de verplichtingen en de financiële
markten. Daarbij wordt onder meer gebruikgemaakt van ALM-studies. Een ALM-studie
is een analyse van de structuur van de pensioenverplichtingen en van verschillende
beleggingsstrategieën en de ontwikkeling daarvan in diverse economische scenario’s.
De uitkomsten van deze analyses vinden hun weerslag in jaarlijks door het bestuur vast
te stellen beleggingsrichtlijnen als basis voor het uit te voeren beleggingsbeleid. De
beleggingsrichtlijnen geven normen en limieten aan waarbinnen de uitvoering van het
beleggingsbeleid moet plaatsvinden. Ze zijn gericht op het beheersen van de volgende
belangrijkste (beleggings)risico’s. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt
gebruik gemaakt van derivaten.
Marktrisico’s (S1 – S4)
Het marktrisico omvat het renterisico, het prijs(koers)risico en het valutarisico.
Marktrisico omvat de mogelijkheden voor winst of verlies en door een verandering van
marktfactoren. Marktfactoren kunnen bijvoorbeeld marktprijzen zijn van aandelen,
grondstoffen, vastgoed en private equity (prijsrisico), maar ook valutakoersen
(valutarisico) of rentes (renterisico).
De strategie van het fonds met betrekking tot het beleggingsrisico wordt bepaald door
de beleggingsdoelstellingen. Het marktrisico wordt op dagelijkse basis beheerst in
overeenstemming met de aanwezige beleidskaders en richtlijnen. De overallmarkt­
posities worden periodiek gerapporteerd aan het bestuur.
De mate waarin de beleggingsportefeuille van het fonds gevoelig is voor het prijs- en
renterisico is in de volgende alinea weergegeven, vervolgens worden de risico’s die het
fonds loopt nader toegelicht.
S1 Renterisico
Het renterisico is het risico dat de waarden van de vastrentende waarden en de
pensioenverplichtingen wijzigen als gevolg van veranderingen in de marktrente.
De rentegevoeligheid kan worden gemeten door middel van de duration. De duration
geeft aan hoeveel procent bij benadering de reële waarde van een belegging of
verplichting verandert bij een parallelle verschuiving van de rentecurve. Een hoge
duration geeft een hoge gevoeligheid voor veranderingen in de rente weer.
67
(bedragen x € 1.000)
31-12-2015
Balanswaarde
31-12-2014
Duration Balanswaarde
Duration
Duration van de vastrentende waarden
(voor derivaten)
1.600.965
5,0
1.457.171
5,2
Duration van de totale portefeuille
(na derivaten)
2.876.109
12,0
2.908.766
17,3
Technische voorziening
(FTK-waardering)
2.864.024
22,7
2.587.657
22,3
Op balansdatum is de duration van de beleggingen aanzienlijk korter dan de duration
van de verplichtingen. Er is derhalve sprake van een zogenaamde “duration-mismatch”.
Dit betekent dat bij een rentestijging de waarde van beleggingen minder snel daalt dan
de waarde verplichtingen (bij toepassing van de reële marktrentestructuur) daalt, de
dekkingsgraad zal stijgen. Bij een rentedaling zal de waarde van de beleggingen minder
snel stijgen dan de waarde van de verplichtingen, waardoor de dekkingsgraad daalt.
Het beleid van het fonds is gericht op het verkleinen van de “duration-mismatch”. Dit
wordt gerealiseerd door het kopen van meer langlopende obligaties in plaats van
aandelen (aandelen hebben per definitie een duration van nul), binnen de portefeuille
kortlopende obligaties vervangen door langlopende obligaties of door middel van
renteswaps of swaptions. Bij een renteswap wordt een vaste lange rente geruild tegen
een variabele korte rente. Het fonds ontvangt in dit geval een lange rente, vergelijkbaar
met de kasstroom van een langlopende obligatie en betaalt daarvoor een variabele
korte rente (bijvoorbeeld Euribor). Hierdoor wordt de “duration-mismatch” verkleind,
maar het fonds wordt wel afhankelijk van de ontwikkeling van de korte rente die het
fonds aan de tegenpartij betaalt. Met een swaption kan het fonds tijdelijk het risico van
een verdere rentedaling afdekken. Hiervoor betaalt het fonds een premie. Bij het
afsluiten van een swap of een swaption kunnen dus mismatchrisico’s worden afgedekt
en worden nieuwe risico’s geïntroduceerd die gepaard gaan met dit soort instrumenten
(zoals liquiditeit, tegenpartij en juridisch risico).
De samenstelling van de vastrentende waarden naar looptijd is als volgt:
(bedragen x € 1.000)
31-12-2015
31-12-2014
in %
in %
Resterende looptijd < 1 jaar
187.947
11,7
100.453
6,9
Resterende looptijd > 1 en < 5 jaar
502.594
31,4
521.166
35,8
Resterende looptijd > 5 jaar
911.821
56,9
835.552
57,3
1.602.362
100,0
1.457.171
100,0
S2 Risico zakelijke waarden
Prijsrisico is het risico van waardewijzigingen door de ontwikkeling van marktprijzen,
die wordt veroorzaakt door factoren gerelateerd aan een individuele belegging, de
uitgevende instelling of generieke factoren. Omdat alle beleggingen worden
gewaardeerd tegen reële waarde waarbij waardewijzigingen onmiddellijk in het saldo
van baten en lasten worden verwerkt, zijn alle wijzigingen in marktomstandigheden
direct zichtbaar in het beleggingsresultaat. Het prijsrisico wordt gemitigeerd door
diversificatie.
Specificatie vastgoed beleggingen naar aard:
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
Specificatie aandelen naar sector:
54.066
16,0
56.224
18,0
Woningen
182.656
54,1
168.059
53,9
Participaties in vastgoedmaatschappijen
98.676
29,2
83.691
26,8
Vordering
2.232
0,7
3.447
1,1
Schulden
-1.877
-0,6
-2.281
-0,7
Liquide middelen
2.148
0,6
2.641
0,9
-
-
12.598
2,0
Financiële instellingen
(w.o. banken en verzekeraars)
195.344
24,3
143.260
23,1
Nijverheid en industrie
170.296
21,2
146.508
23,6
Handel
188.959
23,5
129.990
20,9
Overige dienstverlening
188.547
23,5
153.915
24,8
Vorderingen
331
-
115
-
Diversen
60.493
7,5
34.913
5,6
803.970
100,0
621.299
100,0
Specificatie aandelen naar regio:
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
337.901
100,0
311.781
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
31-12-2014
in %
in %
Noord Amerika
652
0,2
477
0,2
Europa
334.746
99,1
307.497
98,6
Vorderingen
2.232
0,7
3.447
1,1
Schulden
-1.877
-0,6
-2.281
-0,7
Liquide middelen
2.148
0,6
2.641
0,8
337.901
100,0
311.781
100,0
68
31-12-2014
in %
100,0
Specificatie vastgoed beleggingen naar regio:
in %
Beleggingsinstellingen
in %
Winkels
31-12-2014
in %
31-12-2014
in %
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
in %
Europa
286.807
35,6
248.178
39,9
Noord-Amerika
165.440
20,6
152.653
24,6
Wereldwijd
88.147
11,0
2.503
0,4
Azië / Pacific
108.141
13,5
84.949
13,7
Emerging Markets
155.104
19,3
132.901
21,4
Vordering
331
-
115
-
803.970
100,0
621.299
100,0
Het pensioenfonds heeft er niet voor gekozen om het prijsrisico middels derivaten
(gedeeltelijk) af te dekken.
S3 Valutarisico
Het totaalbedrag van de gehele beleggingsportefeuille dat buiten de euro wordt belegd
bedraagt ultimo 2015 circa € 946.889 (2014: € 666.157). Van dit bedrag is 32%
(2014: 32%) afgedekt naar de euro. Het strategische beleid van het pensioenfonds is om:
•• De vreemde valuta exposure van de beleggingscategorieën Global high yield (HC)
en Obligaties Opkomende Markten wordt binnen het fonds voor 100% afgedekt
naar Euro’s;
•• De valuta exposure naar de Amerikaanse Dollar, de Britse Pond, de Japanse Yen en
de Zwitserse Frank van de overige beleggingen buiten vastrentende waarden in de
portefeuille wordt passief voor 75% afgedekt op totaal portefeuilleniveau. Hierbij
wordt een bandbreedte gehanteerd van ongeveer 5%;
•• De posities worden door de vermogensbeheerder iedere maand opnieuw bepaald.
Dit gebeurt een aantal werkdagen voor maandeinde zodat op de eerste werkdag van
de nieuwe maand afdekking kan plaatsvinden.
De vreemde valutapositie voor en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te
geven:
(x € 1.000)
Positie voor
afdekking
Valutaderivaten
Nettopositie
na afdekking
2015
Nettopositie
na afdekking
2014
EUR
1.926.085
299.365
2.225.450
2.484.527
AUD
1.080
-
1.080
32.596
CHF
27.893
-32.709
-4.816
6.246
S5 Kredietrisico
Kredietrisico is het risico van financiële verliezen voor het fonds als gevolg van
faillissement of betalingsonmacht van tegenpartijen waarop het fonds (potentiële)
vorderingen heeft. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan partijen die
obligatieleningen uitgeven, banken waar deposito’s worden geplaatst, marktpartijen
waarmee Over The Counter (OTC)-derivatenposities worden aangegaan en aan
bijvoorbeeld herverzekeraars.
Een voor beleggingsactiviteiten specifiek onderdeel van kredietrisico is het
settlementrisico. Dit heeft betrekking op het risico dat partijen waarmee het fonds
transacties is aangegaan niet meer in staat zijn hun tegenprestatie te verrichten
waardoor het fonds financiële verliezen lijdt.
Beheersing vindt plaats door het stellen van limieten aan tegenpartijen op totaalniveau,
dat wil zeggen met inachtneming van alle posities die een tegenpartij heeft jegens het
fonds; het vragen van extra zekerheden zoals onderpand en dergelijke bij hypothecaire
geldleningen en het uitlenen van effecten; het hanteren van prudente verstrekking­
normen bij hypothecaire geldleningen. Ter afdekking van het settlementrisico wordt
door het fonds enkel belegd in markten waar een voldoende betrouwbaar clearing- en
settlementsysteem functioneert. Voordat in nieuwe markten wordt belegd, wordt eerst
onderzoek gedaan naar de waarborgen op dit gebied. Met betrekking tot
OTC-derivaten wordt door het fonds enkel gewerkt met tegenpartijen waarmee ISDA/
CSA-overeenkomsten zijn afgesloten zodat posities van het fonds adequaat worden
afgedekt door onderpand. Er wordt gebruik gemaakt van dagelijkse waarderingen.
DKK
5.487
-
5.487
4.673
GBP
66.507
-68.962
-2.455
28.371
HKD
20.413
-
20.413
25.884
JPY
39.687
-34.741
4.946
6.712
NOK
1.571
-
1.571
2.161
NZD
-38
-
-38
454
Nederlandse overheidsinstellingen
66.898
4,2
66.857
4,6
SEK
8.315
-
8.315
6.551
Buitenlandse overheidsinstellingen
827.582
51,6
793.247
54,4
SGD
576
-
576
6.262
USD
641.526
-163.574
477.952
174.804
Financiële instellingen
(waaronder banken en verzekeraars)
350.834
21,9
335.857
23,1
Overige
133.872
-
133.872
161.425
Handel
142.233
8,9
141.083
9,7
Overige dienstverlening
122.253
7,6
100.548
6,9
Beleggingsinstelling
74.511
4,7
-
-
Vorderingen
18.051
1,1
19.579
1,3
1.602.362
100,0
1.457.171
100,0
2.872.974
-621
2.872.353
2.940.666
S4 Grondstoffenrisico
Fondsen die beleggen in grondstoffen lopen het risico dat de waarde van deze
beleggingen daalt. In het standaardmodel is een berekening van de gevoeligheid van
het eigen vermogen voor grondstoffen voorgeschreven. Het grondstoffenrisico wordt
berekend aan de hand van een scenario waarbij wordt uitgegaan van een waardedaling
van de beleggingen in grondstoffen van 30%. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar
verschillende soorten grondstoffen.
69
Specificatie vastrentende waarden naar sector:
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
31-12-2014
in %
in %
Specificatie vastrentende waarden naar regio:
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
31-12-2014
in %
in %
Mature markets
1.373.583
85,7
1.376.434
94,5
Emerging markets
210.728
13,2
61.158
4,2
Vorderingen
18.051
1,1
19.579
1,3
1.602.362
100,0
1.457.171
100,0
Ten aanzien van de kredietwaardigheid van de debiteuren van de vastrentende
portefeuille kan het volgende overzicht worden gegeven:
31-12-2015
(bedragen x € 1.000)
31-12-2014
in %
in %
AAA
368.362
23,0
428.708
29,4
AA
499.778
31,2
405.111
27,8
A
138.370
8,6
148.725
10,2
BBB
306.393
19,1
279.073
19,2
BB
77.046
4,8
59.020
4,1
B
58.914
3,7
57.693
4,0
Lager dan B
28.436
1,8
29.563
2,0
Geen rating
107.012
6,7
29.699
2,0
Vorderingen
18.051
1,1
19.579
1,3
1.602.362
100,0
1.457.171
100,0
S6 Verzekeringstechnisch risico
Langlevenrisico
Langlevenrisico is het risico dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld
verondersteld wordt bij de bepaling van de technische voorziening. Als gevolg hiervan
volstaat de opbouw van het pensioenvermogen niet voor de uitkering van de
pensioenverplichting.
Door toepassing van Prognosetafel AG2014 met adequate correcties voor ervarings­
sterfte is het langlevenrisico nagenoeg geheel verdisconteerd in de waardering van de
pensioenverplichtingen.
70
Overlijdensrisico
Het overlijdensrisico betekent dat het fonds in geval van overlijden mogelijk een
nabestaandenpensioen moet toekennen waarvoor door het fonds geen voorzieningen
zijn getroffen. Dit risico kan worden uitgedrukt in risicokapitalen.
Arbeidsongeschiktheidsrisico
Het arbeidsongeschiktheidsrisico betreft het risico dat het fonds voorzieningen moet
treffen voor premievrijstelling bij invaliditeit en het toekennen van een
arbeidsongeschiktheidspensioen (schadereserve). Voor dit risico wordt jaarlijks een
risicopremie in rekening gebracht. Het verschil tussen de risicopremie en de werkelijke
kosten wordt verwerkt via het resultaat. De actuariële uitgangspunten voor de
risicopremie worden periodiek herzien. Het beleid van het fonds is om het overlijdenen arbeidsongeschiktheidsrisico niet te herverzekeren.
Toeslagrisico
Het bestuur van het fonds heeft de ambitie om het pensioen te indexeren. De mate
waarin dit kan worden gerealiseerd is afhankelijk van de ontwikkelingen in de rente,
rendement, looninflatie en demografie. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de
toeslagtoezegging voorwaardelijk is.
Het beleid en de ambitie inzake toeslagverlening is weergegeven in de toelichting van
de post ‘Indexering en overige toeslagen’.
S7 Liquiditeitsrisico
Liquiditeitsrisico is het risico dat beleggingen niet tijdig en/of niet tegen een
aanvaardbare prijs kunnen worden omgezet in liquide middelen. Hierdoor kan het
fonds op korte termijn niet aan zijn verplichtingen voldoen. Waar de overige
risicocomponenten vooral de langere termijn betreffen (solvabiliteit), gaat het hierbij
om de kortere termijn. Dit risico wordt beheerst door in het strategische en tactische
beleggingsbeleid voldoende ruimte aan te houden voor de liquiditeitsposities. Er wordt
eveneens rekening gehouden met de directe beleggingsopbrengsten en andere
inkomsten zoals premies. Inzake het liquiditeitsrisico wordt vermeld dat het fonds in
haar beleggingsportefeuille over voldoende obligaties beschikt die onmiddellijk zonder
waardeverlies te gelde kunnen worden gemaakt om eventuele onvoorziene uitstroom
van geldmiddelen te financieren.
S8 Concentratierisico
Grote posten zijn aan te duiden als een vorm van concentratierisico. Om te bepalen
welke posten hieronder vallen, moeten per beleggingscategorie alle instrumenten met
dezelfde debiteur worden gesommeerd. Als grote post wordt aangemerkt elke post die
meer dan 2% van het balanstotaal uitmaakt. Concentratierisico is gemeten naar
concentratie van een land of bij een tegenpartij.
Dit betreft per 31 december 2015 de volgende posten:
31-12-2015
31-12-2014
Duitsland (staatsobligaties)
202.292
231.556
Frankrijk (staatsobligaties)
189.653
181.577
Italie (staatsobligaties)
78.456
71.162
Investec Emerging Markets LC Dynamic Debt Fund
(x € 1.000)
73.397
-
Deutsche Bank
-
153.798
Syntrus Achmea Global Equity Factor Fund
74.620
-
ING
-
89.843
Royal Bank of Scotland
-
85.185
ABN AMRO Bank
-
74.121
BlackRock MSCI Europe Index
80.585
-
Direct Real Estate
236.172
224.233
Syntrus Achmea Global High Yield Pool
140.835
124.937
Syntrus Achmea Geld Markt Fonds
181.905
104.474
Syntrus Achmea High Conviction Pool Europe
85.566
71.475
Stichting PVF Particuliere Hypotheekfonds
130.768
97.125
BlackRock Equity Index Fund
63.245
74.415
Syntrus Achmea Aandelen Europa Pool
91.886
73.156
Stone Harbor Emerging Markets
72.505
59.023
Schroder International Selection Fund
57.705
-
Overig
135.917
72.483
In het algemeen geldt dat concentratierisico kan optreden als een adequate spreiding
van activa en passiva ontbreekt. Concentratierisico’s kunnen optreden bij een
concentratie van de portefeuille in regio’s, economische sectoren of tegenpartijen. Een
portefeuille van beleggingen die sterk sectorgebonden is, kan door deze
sectorconcentratie een verhoogd risico lopen. Indien aandelen in dezelfde sector
worden aangehouden is sprake van een cumulatief concentratierisico.
Bij de bepaling van het vereist vermogen past het pensioenfonds het standaardmodel
van de DNB toe. In dat model wordt het concentratierisico vooralsnog op nihil gesteld.
S9 Operationeel risico
Operationeel risico is het risico van een onjuiste afwikkeling van transacties, fouten in
de verwerking van gegevens, het verloren gaan van informatie, fraude en dergelijke.
Dergelijke risico’s worden door het fonds beheerst door het stellen van hoge
kwaliteitseisen aan de organisaties die bij de uitvoering betrokken zijn op gebieden
zoals interne organisatie, procedures, processen en controles, kwaliteit
geautomatiseerde systemen, enzovoorts. Deze kwaliteitseisen worden periodiek
getoetst door het bestuur.
71
De beleggingsportefeuille is volledig ondergebracht bij Achmea Investment
Management en Syntrus Achmea Real Estate & Finance B.V. Met deze partijen zijn
overeenkomsten en service level agreements gesloten.
De pensioenuitvoering is uitbesteed aan Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V. Met
Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V. zijn een uitvoeringsovereenkomst en een service
level agreement (SLA) gesloten.
Het bestuur beoordeelt jaarlijks de kwaliteit van de uitvoering van de vermogens­
beheerder door middel van performancerapportages, SLA-rapportages en
onafhankelijk getoetste internebeheersingsrapportages (ISAE 3402-rapportages).
Aangezien hiermee sprake is van adequate beheersing van de operationele risico’s
worden door het fonds hiervoor geen buffers aangehouden in de solvabiliteitstoets.
Systeemrisico
Systeemrisico betreft het risico dat het mondiale financiële systeem (de internationale
markten) niet langer naar behoren functioneert waardoor beleggingen van het fonds
niet langer verhandelbaar zijn en zelfs, al dan niet tijdelijk, hun waarde kunnen
verliezen. Net als voor andere marktpartijen, is dit risico voor het fonds niet
beheersbaar.
S10 Actief beheerrisico
Het actief beheerrisico heeft betrekking op de ruimte om bij de uitvoering van het
beleggingsbeleid af te wijken van de strategisch nageleefde portefeuille. De mate van
actief beheer is bepaald aan de hand van de tracking error ten opzichte van de voor de
portefeuille vastgestelde benchmark. De tracking error over 2015 is 3% met een extra
opslag van 0,25% (2014: 0%).
Verbonden partijen
Identiteit van verbonden partijen
Er is sprake van een relatie tussen het fonds en de sponsor, de aangesloten
ondernemingen en hun bestuurders. Bij het fonds is er geen sprake van verbonden
partijen.
Transacties met bestuurders
Inzake de beloning van bestuurders wordt verwezen naar de toelichting op de
pensioenuitvoeringskosten. Er zijn geen leningen verstrekt aan, noch is er sprake van
vorderingen op, (voormalige) bestuurders. Eén bestuurslid (de heer A.W.M. van der
Heijden) neemt deel aan de pensioenregeling van het pensioenfonds, de andere
bestuurders nemen geen deel aan de pensioenregeling van het pensioenfonds.
7.5.9 Niet in de balans opgenomen activa en verplichtingen
Ontvangen zekerheden en garanties
Het fonds heeft geen ontvangen zekerheden en garanties voorzover niet reeds in de
jaarrekening toegelicht.
Langlopende contractuele verplichtingen
Het fonds heeft een uitbestedingovereenkomst afgesloten met Syntrus Achmea
Pensioenbeheer N.V. Het contract met Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V. is met
ingang van 1 januari 2015 verlengd voor 3 jaar. Met het bestuur zijn afspraken gemaakt
over de vergoedingensystematiek. Deze systematiek bestaat zowel uit vaste als
variabele componenten. De vergoeding voor 2015 bedraagt ruim € 4,6 miljoen en de
verwachte vergoeding voor 2016 bedraagt ongeveer € 4,8 miljoen.
Per 1 januari 2012 geldt voor Syntrus Achmea Real Estate & Finance B.V. een
overeenkomst voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van 1 jaar voor het fonds en
2 jaar voor Syntrus Achmea Real Estate & Finance B.V. De vergoeding voor 2015
bedraagt ongeveer € 1,3 miljoen en de verwachte vergoeding voor 2016 bedraagt
ruim € 1,5 miljoen.
De bestaande uitbestedingsovereenkomst voor Achmea Investment Management is per
1 januari 2016 voor drie jaar verlengd met een opzegtermijn van één jaar. De
vergoeding voor 2015 bedraagt ongeveer € 4,7 miljoen en de verwachte vergoeding
voor 2016 bedraagt ongeveer € 5,7 miljoen.
Investering- en stortingsverplichtingen
Vooruitlopend op verwachte inkomende kasstromen bestaan per balansdatum de
volgende investerings- en stortingsverplichtingen (zogenaamde voorbeleggingen):
31-12-2015
31-12-2014
Vastgoed
45.075
62.853
Private equity
22.695
4.905
67.770
67.758
(x € 1.000)
Voorwaardelijke verplichtingen
Per jaareinde lopen er geen juridische procedures tegen het fonds en heeft het fonds.
Verstrekte zekerheden en garanties
Het fonds heeft geen verstrekte zekerheden en garanties voorzover niet reeds in de
jaarrekening toegelicht.
72
Voorwaardelijke vorderingen
Namens het Pensioenfonds is een aanmaning gestuurd naar een werkgever waarbij de
bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor een bedrag van € 106.
De uitkomst van dit verzet kan geen materiële negatieve impact hebben op de
financiële positie van het fonds.
7.6 Toelichting op de staat van baten en lasten
7.6.1 Premiebijdragen risico pensioenfonds (van werkgevers en werknemers)
2015
2014
Premiebijdragen werkgevers en werknemers
75.828
66.579
FVP-koopsommen
1
1.780
(x € 1.000)
75.829
Inkoopsom toekenning VPL aanspraken
De samenstelling van de kostendekkende premie is als volgt:
2015
2014
Kosten pensioenopbouw
73.576
57.839
Pensioenuitvoeringskosten
4.582
3.766
Solvabiliteitsopslag
8.314
7.114
86.472
68.719
2015
2014
Kosten pensioenopbouw
45.723
45.406
Pensioenuitvoeringskosten
4.582
3.766
Solvabiliteitsopslag
8.314
7.114
58.619
56.286
(x € 1.000)
68.359
6.001
345
81.830
68.704
De samenstelling van de gedempte premie is als volgt:
(x € 1.000)
Voor de pensioenregeling van het fonds geldt: de totale bijdrage van werkgevers en
werknemers bedraagt 22,5% (2014: 20,8%) van de pensioengrondslag.
De kostendekkende, gedempte en feitelijke premie volgens artikel 130 van de
Pensioenwet zijn als volgt:
2015
2014
Kostendekkende premie
86.472
68.719
Gedempte premie
58.619
56.286
Feitelijke premie
75.829
68.359
(x € 1.000)
De feitelijke premie is de door het fonds verschuldigde doorsneepremie, welke
gebaseerd is op de rentetermijnstructuur van 31 augustus 2014. De kostendekkende
premie en de gedempte premie zijn gebaseerd op de kosten van pensioeninkoop op
respectievelijk de rentetermijnstructuur van 31 december 2014 en een vaste rente van
4%. Deze worden vermeerderd met kostenopslagen en een solvabiliteitsopslag, waarbij
voor de gedempte premie het bedrag van de solvabiliteit voor de kostendekkende
premie wordt aangehouden. De feitelijke premie is in 2015 hoger dan de gedempte
premie, doordat de feitelijke premie op een lagere rente is gebaseerd. De feitelijke
premie is lager dan de kostendekkende premie vanwege de marktrente. Vanaf 2012
wordt de kostendekkendheid van de premie beoordeeld op basis van de feitelijke
premie exclusief VPL regeling
73
De kosten pensioenopbouw betreffen de kosten van de jaarinkoop van de
pensioenaanspraken inclusief de kosten voor premievrijstelling voor nieuwe
arbeidsongeschiktheidsgevallen. De toeslagverlening is voorwaardelijk en daarom geen
onderdeel van de kosten pensioenopbouw. De pensioenuitvoeringskosten volgen uit de
staat van baten en lasten. De solvabiliteitsopslag 2015 wordt berekend door het
percentage vereist vermogen per 31 december 2014 te vermenigvuldigen met de
kosten pensioenopbouw.
De samenstelling van de feitelijke premie is als volgt:
2015
2014
69.478
-
Opslag voor premievrijstelling bij invaliditeit
1.061
-
Opslag voor kosten
5.290
-
75.829
-
(x € 1.000)
Actuariële inkoop van onvoorwaardelijke onderdelen
7.6.2 Beleggingsresultaten risico pensioenfonds
(x € 1.000)
Directe
beleggingsopbrengsten
2015
Indirecte
beleggingsopbrengsten
Kosten van
vermogensbeheer
Totaal
Vastgoed beleggingen
14.464
9.384
-5.412
18.436
Aandelen
1.929
24.437
-2.342
24.024
Vastrentende waarden
39.410
-45.385
-3.379
-9.354
Derivaten
5.010
-133.382
-179
-128.551
Overige beleggingen
-26
6.403
-261
6.116
60.787
-138.543
-11.573
-89.329
Rendementstoerekening VPL
377
-88.952
(x € 1.000)
Directe
beleggingsopbrengsten
Indirecte
beleggingsopbrengsten
Kosten van
vermogensbeheer
Totaal
Vastgoed beleggingen
15.616
-4.465
-4.568
6.583
Aandelen
1.333
73.096
-2.113
72.316
Vastrentende waarden
37.565
88.440
-2.888
123.117
Derivaten
21.180
465.511
-235
486.456
Overige beleggingen
-7
8.213
-183
8.023
2014
75.687
630.795
Rendementstoerekening VPL
-9.987
696.495
-3.943
692.552
De kosten van vermogensbeheer bedragen in 2015 € 11.573 (2014: € 9.987).
De exploitatiekosten van vastgoedbeleggingen bedragen over 2015 € 3.858
(2014: € 3.146). Deze kosten zijn in mindering gebracht op de directe beleggings­
opbrengsten.
Transactiekosten zijn onderdeel van de aan- en verkooptransacties van beleggingen.
Deze zijn eveneens onderdeel van de indirecte beleggingsopbrengsten en bedragen
over 2015 € 4.614 (2014: € 1.669) of 0,15% van het belegde vermogen
(2014: 0,07%)
74
De totale kosten voor de uitvoering van het vermogensbeheer over 2015 bedragen
€ 14.859 (2014: € 12.221). Dit bedrag is vastgesteld op look through basis en bestaat
uit zowel directe kosten (‘zichtbare’ kosten, die het fonds op factuurbasis betaalt) als uit
indirecte kosten (‘niet zichtbare’ kosten voor vermogensbeheer of transacties die
verwerkt zijn in het rendement van het fonds).
De totale kosten vermogensbeheer zijn te onderscheiden naar de volgende
componenten:
•• Beheerkosten (kosten voor het portefeuillebeheer door externe vermogens­
beheerders en voor fiduciair management): deze bedroegen in 2015 € 8.064
(2014: € 7.944). Onderdeel van deze component zijn ook de prestatiegerelateerde
vergoedingen afkomstig van alternatieve beleggingen (private equity, infrastructuur
en hedgefunds).
•• Transactiekosten (brokerkosten en marktimpactkosten die gemaakt worden bij het
doen van transacties): deze bedroegen in 2015 € 4.614 (in 2014: € 1.669).
•• Overige kosten (kosten die zijn gemaakt voor de bewaarbank, de
beleggingsadministratie, advieskosten, de kosten voor het bestuursbureau en overige
kosten): deze bedroegen in 2015 € 1.887 (2014: € 1.821).
Als percentage van het gemiddelde vermogen bedroegen de kosten vermogensbeheer
exclusief transactiekosten in 2015 0,34% (2014: 0,42%).
7.6.3 Overige baten
2015
2014
17
10
Afwikkeling VUT-Wonen
-
86
Overige baten
21
-
38
96
(x € 1.000)
Interest
7.6.4 Pensioenuitkeringen
Honoraria accountant
2015
2014
Prepensioen
6
2.769
Ouderdomspensioen
35.038
32.920
Partnerpensioen
6.659
6.337
Controle van de jaarrekening
Andere controlewerkzaamheden
(x € 1.000)
Onafhankelijke
accountant
(x € 1.000)
Overig netwerk
Totaal
49
-
49
-
-
-
2015
Wezenpensioen
202
193
Invaliditeitspensioen
877
954
Fiscale advisering
-
-
-
Andere niet-controle diensten
-
-
-
49
-
49
Onafhankelijke
accountant
Overig netwerk
Totaal
48
-
48
Afkopen
3.432
3.486
Overige uitkeringen
29
-2
46.243
46.657
(x € 1.000)
De post afkopen betreft de afkoop van pensioenen die lager zijn dan € 462,88
(2014: € 458,06) per jaar overeenkomstig de Pensioenwet (artikel 66).
2014
Controle van de jaarrekening
7.6.5 Pensioenuitvoeringskosten
2015
2014
Administratiekosten*
4.756
4.233
Adviseurs- en controlekosten
119
49
Accountantskosten
49
48
(x € 1.000)
Bestuurskosten
394
321
Contributies en bijdragen
204
204
Overig
10
2
Incassokosten
16
-
5.548
4.857
* De toename van de Administratiekosten in 2015 ten opzichte van 2014 is hoofdzakelijk toe te schrijven
aan het vervallen van de koepelvrijstelling voor pensioenadministratie, waardoor pensioenuitvoerders vanaf
1 januari 2015 BTW in rekening moeten brengen over hun dienstverlening. De BTW over de administratie­
kosten bedraagt ongeveer € 0,8 miljoen.
Andere controlewerkzaamheden
-
-
-
Fiscale advisering
-
-
-
Andere niet-controle diensten
-
-
-
48
-
48
Deze werkzaamheden zijn zowel in 2015 als 2014 uitgevoerd door
PricewaterhouseCoopers Accountants N.V.
In bovenstaande opstelling is voor de kosten ‘controle van de jaarrekening’ de methode
gehanteerd waarbij wordt opgegeven de in het boekjaar ten laste gebrachte totale
honoraria voor het onderzoek van de jaarrekening en verslagstaten en de totale
honoraria voor andere controleopdrachten, uitgevoerd door de externe accountant.
Personeelsleden
Bij het fonds zijn geen werknemers in dienst.
Bezoldiging bestuurders
De transacties met bestuurders hebben betrekking op de vergoedingen voor de
werkzaamheden verband houdende met de bestuurs- en commissievergaderingen. De
vergoedingen bestaan uit vacatiegelden 2015: € 358 (2014: € 289), vergoeding van
reis- en verblijfkosten 2014: € 2 (2014: € 2) en overige bestuurskosten 2015: € 34
(2014: € 30). Als gevolg van het overgaan naar marktconforme beloning per kwartaal,
die in lijn ligt met de normen van de Pensioenfederatie, zijn de bestuurskosten gestegen
ten opzichte van 2014.
Afgezien hiervan zijn geen bezoldigingen toegekend.
75
7.6.6 Mutatie technische voorzieningen
2015
2014
Pensioenopbouw
72.154
56.725
Rentetoevoeging
4.704
8.051
Onttrekkingen voor pensioenuitkeringen en
pensioenuitvoeringskosten
-45.649
-46.556
(x € 1.000)
Wijziging uit hoofde van overdrachten van rechten
-2.196
-7.953
Wijziging marktrente
230.367
511.747
Wijziging overige actuariële uitgangspunten
5.599
-26.645
Inkoop uit hoofde van VPL-regeling
5.751
330
Korting van aanspraken en rechten
125
556
Overige mutatie voorziening pensioenverplichtingen
5.512
3.427
276.367
499.682
Pensioenopbouw
Onder pensioenopbouw is opgenomen de actuarieel berekende waarde van de
diensttijdopbouw. Dit is het effect op de voorziening pensioenverplichtingen van de in
het verslagjaar opgebouwde nominale rechten ouderdomspensioen en nabestaanden­
pensioen. Verder is hierin begrepen het effect van de individuele salarisontwikkeling.
Indexering en overige toeslagen
Deze post bestaat uit de lasten van de in het boekjaar toegekende toeslagen uit hoofde
van de voorwaardelijke toeslagverlening. Het bestuur heeft in het boekjaar besloten per
1 januari 2015 geen toeslagen toe te kennen.
Rentetoevoeging
De voorziening pensioenverplichtingen is in het boekjaar opgerent met 0,181%
(2014: 0,379%). Dit is de éénjaarsrente uit de door DNB gepubliceerde
rentetermijnstructuur per 31 december 2014.
Onttrekkingen voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
In de voorziening pensioenverplichtingen zijn de actuarieel verwachte uitkeringen
opgenomen gedurende het boekjaar. Onder deze post is de verwachte vrijval uit de
voorziening pensioenverplichtingen uit hoofde van het doen van uitkeringen
verantwoord.
Onttrekking voor pensioenuitvoeringskosten
Verwachte toekomstige pensioenuitkeringen worden vooraf actuarieel berekend en
opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen
afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de
financiering van de verwachte pensioenuitkeringen in de verslagperiode.
76
Toekomstige pensioenuitvoeringskosten (in het bijzonder excassokosten) worden
vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen.
De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat
vrijkomt ten behoeve van de financiering van de verwachte uitvoeringskosten in de
verslagperiode.
Wijziging uit hoofde van overdrachten van rechten
Onder toelichting 14 is de wijziging uit hoofde van overdracht van rechten opgenomen.
Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de actuele waarde van de technische voorzieningen
herrekend door toepassing van de actuele rentetermijnstructuur. Het effect van de
verandering van de rentetermijnstructuur wordt verantwoord onder het hoofd wijziging
marktrente.
Tevens zijn per 31 december 2015 achtereenvolgens de volgende aanpassingen in de
RTS verwerkt: Het vervallen van de driemaandsmiddeling en de aanpassing van de UFR
van 4,2% naar 3,2%. voor verdere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de
grondslagen inzake schattingswijzigingen.
Wijziging actuariële uitgangspunten
De actuariële grondslagen en/of methoden worden periodiek beoordeeld en mogelijk
herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioen­
verplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en externe actuariële
deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten
aanzien sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen voor
zowel de gehele bevolking als specifiek voor de populatie van het fonds.
De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen
is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en
oordelen door het bestuur van het fonds. Het effect van deze wijzigingen wordt
verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden
herzien.
De mutatie wijziging actuariële uitgangspunten is in 2015 € 5.512 negatief. Dit wordt
veroorzaakt door de wijziging van de toeslag op excassokosten van 2,0% naar 2,2%.
Het resultaat op de waardeoverdrachten is als volgt:
Overige mutatie voorziening pensioenverplichtingen
Mutatie overige voorzieningen
(x € 1.000)
2015
(x € 1.000)
- de overgenomen pensioenverplichting
-179
146
- de overgedragen pensioenverplichting
415
-439
236
-293
Resultaat op sterfte
-1.981
-463
5.730
3.243
Resultaat op mutaties kanssystemen
620
535
Resultaat op overige technische grondslagen
1.143
112
5.512
3.427
7.6.7 Saldo overdrachten van rechten risico pensioenfonds
2015
2014
Inkomende waardeoverdrachten
-1.301
-3.691
Uitgaande waardeoverdrachten
3.261
11.937
1.960
8.246
Een inkomende waardeoverdracht betreft de ontvangst van het pensioenfonds of de
pensioenverzekeraar van de vorige werkgever van de contante waarde van premievrije
pensioenaanspraken van deelnemers, die tot de ontslagdatum zijn opgebouwd. Een
uitgaande waardeoverdracht betreft de overdracht aan het pensioenfonds of de
pensioenverzekeraar van de nieuwe werkgever van de contante waarde van premievrije
pensioenaanspraken van deelnemers, die tot de ontslagdatum zijn opgebouwd. De
ontvangen koopsommen worden aangewend voor de inkoop van extra
pensioenaanspraken.
7.6.8 Overige lasten
(x € 1.000)
Dit betreft de ontvangst van of betaling aan pensioenfonds of pensioenverzekeraar van
respectievelijk de vorige of nieuwe werkgever van de contante waarde van premievrije
pensioenaanspraken van deelnemers die tot de ontslagdatum zijn opgebouwd. De
ontvangen koopsommen worden aangewend voor de inkoop van extra dienstjaren.
Wijziging technische voorziening inzake overdracht van rechten:
2015
(x € 1.000)
2014
Toevoeging aan de technische voorzieningen
1.480
3.545
Onttrekking aan de technische voorzieningen
-3.676
-11.498
-2.196
-7.953
77
2014
2014
Resultaat op arbeidsongeschiktheid
(x € 1.000)
2015
Dotatie voorziening dubieuze debiteuren
2015
2014
144
2
Belastingen
De activiteiten van het fonds zijn vrijgesteld van belastingheffing in het kader van de
vennootschapsbelasting.
Vaststelling van de jaarrekening door het bestuur
Het bestuur van Stichting Pensioenfonds Wonen heeft de jaarrekening 2015
vastgesteld in de vergadering van 24 juni 2016.
A.A.M. Steijaert
Werknemersvoorzitter
M. Streuer
Secretaris
C. Lonsain
Bestuurslid
H.B.M. Grutters
Bestuurslid
G.J. Steenvoorden
Bestuurslid
E.E.H.Ch. van den Bosch
Bestuurslid
G.L. Sirks
Bestuurslid
P.J. Verhoog
Bestuurslid
78
8Overige gegevens
79
8.1 Gebeurtenissen na balansdatum
Er zijn na de balansdatum geen gebeurtenissen geweest van dien aard dat een wezenlijk
ander beeld zou ontstaan van de financiële positie per einde 2015 dan op grond van dit
verslag kan worden verkregen.
8.2 Bestemming saldo van baten en lasten
Ten aanzien van de bestemming van het saldo van baten en lasten is geen bepaling
opgenomen in de statuten van het fonds. De bestemming in nader uitgewerkt in de
ABTN.
Het voorstel resultaatbestemming 2015 is opgenomen in de paragraaf van de staat van
baten en lasten in de jaarrekening.
8.3 Actuariële verklaring
Opdracht
Door Stichting Pensioenfonds Wonen te Utrecht is aan Willis Towers Watson de
opdracht verleend tot het afgeven van een actuariële verklaring als bedoeld in de
Pensioenwet over het boekjaar 2015.
Onafhankelijkheid
Als waarmerkend actuaris ben ik onafhankelijk van Stichting Pensioenfonds Wonen,
zoals vereist conform artikel 148 van de Pensioenwet. Ik verricht geen andere
werkzaamheden voor het pensioenfonds.
Gegevens
De gegevens waarop mijn onderzoek is gebaseerd, zijn verstrekt door en tot stand
gekomen onder de verantwoordelijkheid van het bestuur van het pensioenfonds.
Voor de toetsing van de fondsmiddelen en voor de beoordeling van de vermogens­
positie heb ik mij gebaseerd op de financiële gegevens die ten grondslag liggen aan de
jaarrekening.
Afstemming accountant
Op basis van de door mij en de accountant gehanteerde Handreiking heeft afstemming
plaatsgevonden over de werkzaamheden en de verwachtingen bij de controle van het
boekjaar. Voor de toetsing van de technische voorzieningen en voor de beoordeling van
de vermogenspositie als geheel heb ik de materialiteit bepaald op € 9.700.000. Met de
accountant ben ik overeengekomen om geconstateerde afwijkingen boven € 645.000
te rapporteren. Deze afspraken zijn vastgelegd en de uitkomsten van mijn bevindingen
zijn met de accountant besproken.
80
Ik heb voorts gebruik gemaakt van de door de accountant in het kader van de
jaarrekeningcontrole onderzochte basisgegevens. De accountant van het pensioenfonds
heeft mij geïnformeerd over zijn bevindingen ten aanzien van de betrouwbaarheid
(materiële juistheid en volledigheid) van de basisgegevens en de overige
uitgangspunten die voor mijn oordeel van belang zijn.
Werkzaamheden
Ter uitvoering van de opdracht heb ik, conform mijn wettelijke verantwoordelijkheid
zoals beschreven in artikel 147 van de Pensioenwet, onderzocht of is voldaan aan de
artikelen 126 tot en met 140 van de Pensioenwet. De door het pensioenfonds
verstrekte administratieve basisgegevens zijn zodanig dat ik die gegevens als
uitgangspunt van de door mij beoordeelde berekeningen heb aanvaard.
Als onderdeel van de werkzaamheden voor de opdracht heb ik onder meer onderzocht
of:
•• de technische voorzieningen, het minimaal vereist eigen vermogen en het vereist
eigen vermogen toereikend zijn vastgesteld;
•• de kostendekkende premie voldoet aan de gestelde wettelijke vereisten;
•• het beleggingsbeleid in overeenstemming is met de prudent-personregel.
Voorts heb ik mij een oordeel gevormd over de vermogenspositie van het
pensioenfonds. Daarbij heb ik mij gebaseerd op de tot en met balansdatum aangegane
verplichtingen en de op dat moment aanwezige middelen en is mede het financieel
beleid van het pensioenfonds in aanmerking genomen.
Mijn onderzoek heb ik zodanig uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt
verkregen dat de resultaten geen onjuistheden van materieel belang bevatten.
De beschreven werkzaamheden en de uitvoering daarvan zijn in overeenstemming met
de binnen het Koninklijk Actuarieel Genootschap geldende normen en gebruiken, en
vormen naar mijn mening een deugdelijke grondslag voor mijn oordeel.
Oordeel
De technische voorzieningen zijn, overeenkomstig de beschreven berekeningsregels en
uitgangspunten, als geheel bezien, toereikend vastgesteld.
Het eigen vermogen is op de balansdatum lager dan het wettelijk minimaal vereist
eigen vermogen.
Met inachtneming van het voorafgaande heb ik mij ervan overtuigd dat is voldaan aan
de artikelen 126 tot en met 140 van de Pensioenwet, met uitzondering van de artikelen
131 (minimaal vereist eigen vermogen), 132 (vereist eigen vermogen) en 133
(dekking door waarden).
De beleidsdekkingsgraad van het pensioenfonds op balansdatum is 103,3%. Deze is
lager dan de dekkingsgraad bij het minimaal vereist eigen vermogen.
8.4 Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Mijn oordeel over de vermogenspositie van Stichting Pensioenfonds Wonen is
gebaseerd op de tot en met balansdatum aangegane verplichtingen en de op dat
moment aanwezige middelen. De vermogenspositie is naar mijn mening slecht, omdat
het aanwezig eigen vermogen lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen.
Aan: het bestuur van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Wonen
Apeldoorn, 24 juni 2016
Ons oordeel
Naar ons oordeel geeft de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening een getrouw
beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van Stichting
Pensioenfonds Wonen op 31 december 2015 en van het resultaat over 2015 in
overeenstemming met Titel 9 Boek 2 van het in Nederland geldende Burgerlijk
Wetboek (BW).
ir. drs. G. Veluwenkamp AAG
verbonden aan Towers Watson Netherlands B.V.
Verklaring over de jaarrekening 2015
Wat we hebben gecontroleerd
Wij hebben de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening 2015 van Stichting
Pensioenfonds Wonen te De Meern (‘de stichting’) gecontroleerd. De jaarrekening
bestaat uit:
•• de balans per 31 december 2015;
•• de staat van baten en lasten over 2015; en
•• de toelichting met een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële
verslaggeving en overige toelichtingen.
Het stelsel voor financiële verslaggeving dat is gebruikt voor het opmaken van de
jaarrekening is Titel 9 Boek 2 van het in Nederland geldende Burgerlijk Wetboek (BW).
De basis voor ons oordeel
Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens Nederlands recht, waaronder ook de
Nederlandse controlestandaarden vallen. Onze verantwoordelijkheden op grond
hiervan zijn beschreven in de sectie ‘Onze verantwoordelijkheden voor de controle van
de jaarrekening’.
Wij zijn onafhankelijk van Stichting Pensioenfonds Wonen zoals vereist in de
Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assuranceopdrachten
(ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijkheidsregels in Nederland.
Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants
(VGBA).
Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als
basis voor ons oordeel.
81
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Het bestuur is verantwoordelijk voor:
•• het opmaken en het getrouw weergeven van de jaarrekening en voor het opstellen
van het bestuursverslag, beide in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW; en voor
•• een zodanige interne beheersing die het bestuur noodzakelijk acht om het opmaken
van de jaarrekening mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als
gevolg van fouten of fraude.
Bij het opmaken van de jaarrekening moet het bestuur afwegen of de stichting in staat is
om haar werkzaamheden in continuïteit voort te zetten. Op grond van het genoemde
verslaggevingsstelsel moet het bestuur de jaarrekening opmaken op basis van de
continuïteitsveronderstelling, tenzij het bestuur het voornemen heeft om de stichting te
liquideren of de bedrijfsactiviteiten te beëindigen of als beëindiging het enige
realistische alternatief is. Het bestuur moet gebeurtenissen en omstandigheden
waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de stichting haar bedrijfsactiviteiten kan
voortzetten, toelichten in de jaarrekening.
Onze verantwoordelijkheid voor de controle van de jaarrekening
Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een
controleopdracht dat wij daarmee voldoende en geschikte controle-informatie
verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel. Ons controleoordeel beoogt een
redelijke mate van zekerheid te geven dat de jaarrekening geen afwijkingen van
materieel belang bevat. Een redelijke mate van zekerheid is een hoge mate maar geen
absolute mate van zekerheid waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet
alle afwijkingen ontdekken. Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fraude of
fouten en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze,
afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen
die gebruikers op basis van deze jaarrekening nemen.
Een meer gedetailleerde beschrijving van onze verantwoordelijkheden is opgenomen in
de bijlage bij onze controleverklaring.
82
Verklaring betreffende overige door wet- en regelgeving gestelde vereisten
Verklaring betreffende het bestuursverslag en de overige gegevens
Wij vermelden op basis van de wettelijke verplichtingen onder Titel 9 Boek 2 BW
(betreffende onze verantwoordelijkheid om te rapporteren over het bestuursverslag en
de overige gegevens):
•• dat wij geen tekortkomingen hebben geconstateerd naar aanleiding van het
onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen,
overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW is opgesteld, en of de door Titel 9 Boek 2 BW
vereiste overige gegevens zijn toegevoegd;
•• dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met
de jaarrekening.
Amsterdam, 24 juni 2016
PricewaterhouseCoopers Accountants N.V.
Origineel getekend door drs. L.H.J. Oosterloo RA
Bijlage bij onze controleverklaring over de jaarrekening 2015 van Stichting
Pensioenfonds Wonen
In aanvulling op wat is vermeld in onze controleverklaring hebben wij in deze bijlage
onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening nader uiteengezet en
toegelicht wat een controle inhoudt.
De verantwoordelijkheden van de accountant voor de controle van de jaarrekening
Wij hebben deze accountantscontrole professioneel-kritisch uitgevoerd en hebben
waar relevant professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de
Nederlandse controlestandaarden, ethische voorschriften en de onafhankelijkheids­
eisen. Onze doelstelling is om een redelijke mate van zekerheid te verkrijgen dat de
jaarrekening vrij van materiële afwijkingen als gevolg van fouten of fraude is. Onze
controle bestond onder andere uit:
•• Het identificeren en inschatten van de risico’s dat de jaarrekening afwijkingen van
materieel belang bevat als gevolg van fouten of fraude, het in reactie op deze risico’s
bepalen en uitvoeren van controlewerkzaamheden en het verkrijgen van controleinformatie die voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel. Bij fraude is het
risico dat een afwijking van materieel belang niet ontdekt wordt groter dan bij
fouten. Bij fraude kan sprake zijn van samenspanning, valsheid in geschrifte, het
opzettelijk nalaten transacties vast te leggen, het opzettelijk verkeerd voorstellen van
zaken of het doorbreken van de interne beheersing.
•• Het verkrijgen van inzicht in de interne beheersing die relevant is voor de controle
met als doel controlewerkzaamheden te selecteren die passend zijn in de
omstandigheden. Deze werkzaamheden hebben niet als doel om een oordeel uit te
spreken over de effectiviteit van de interne beheersing van de stichting.
•• Het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële
verslaggeving en het evalueren van de redelijkheid van schattingen door het bestuur
en de toelichtingen die daarover in de jaarrekening staan.
•• Het vaststellen dat de door het bestuur gehanteerde continuïteitsveronderstelling
aanvaardbaar is. Tevens op basis van de verkregen controle-informatie vaststellen of
er gebeurtenissen en omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel zou kunnen
bestaan of de stichting haar bedrijfsactiviteiten in continuïteit kan voortzetten. Als
wij concluderen dat er een onzekerheid van materieel belang bestaat, zijn wij
verplicht om aandacht in onze controleverklaring te vestigen op de relevante
gerelateerde toelichtingen in de jaarrekening. Als de toelichtingen inadequaat zijn,
moeten wij onze verklaring aanpassen. Onze conclusies zijn gebaseerd op de
controle-informatie die verkregen is tot de datum van onze controleverklaring.
Toekomstige gebeurtenissen of omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat een
organisatie haar continuïteit niet langer kan handhaven.
•• Het evalueren van de presentatie, structuur en inhoud van de jaarrekening en de
daarin opgenomen toelichtingen en het evalueren of de jaarrekening een getrouw
beeld geeft van de onderliggende transacties en gebeurtenissen.
83
Wij communiceren met het bestuur onder andere over de geplande reikwijdte en
timing van de controle en over de significante bevindingen die uit onze controle naar
voren zijn gekomen, waaronder eventuele significante tekortkomingen in de interne
beheersing.
Bijlagen
84
Bijlage 1: Meerjarenoverzicht
2015
2014
2013
2012
2011
Werkgevers
3.490
3.390
3.365
3.555
4.088
Vrijgestelde werkgevers
5
6
9
10
11
Financiële gegevens (bedragen x € 1.000)
Aantallen
2015
2014
2013
2012*
2011
Feitelijke premie
75.829
68.359
83.709
85.265
72.630
86.472
68.719
87.041
95.264
86.259
Deelnemers
26.040
24.795
24.676
25.746
29.047
Kostendekkende premie
Gewezen deelnemers (slapers)
93.604
93.105
91.807
90.981
94.205
Gedempte premie
58.619
56.286
66.133
70.886
74.259
Uitkeringen
46.243
46.657
51.744
58.459
51.553
Gepensioneerden
14.863
14.187
13.491
13.794
13.394
Pensioenuitvoeringskosten
5.584
4.909
4.563
4.867
4.815
Ouderdomspensioen
11.916
10.912
9.600
9.561
8.827
Partnerpensioen
2.424
2.700
2.369
2.313
2.229
Wezenpensioen
259
281
262
179
Zonder uitkering
1.386
539
497
498
Arbeidsongeschiktheidspensioen
264
294
324
Prepensioen
-
-
439
Kosten per deelnemer (x € 1)
132,54
127,17
122,23
128,73
117,47
Negatieve derivaten
369.140
327.436
235.157
297.295
204.946
180
Belegd vermogen
(exclusief negatieve derivaten)
3.241.493
3.268.102
2.463.147
2.579.594
2.059.941
467
Beleggingsopbrengsten
-88.952
692.552
-78.971
267.572
319.318
362
401
881
1.290
Gemiddeld rendement
op beleggingen
0,2%
7,5%
2,5%
9,6%
1,6%
Benchmark
0,3%
7,3%
2,4%
9,6%
1,8%
Totaal rendement inclusief
-2,7%
31,3%
-3,0%
13,8%
19,3%
Z-score
-0,02
0,06
-0,01
-0,17
0,14
Premiepercentage regeling 2006
Ouderdoms- en partnerpensioen
22,5%
20,8%
21,6%
21,60%
17,70%
Opbouwpercentage per dienstjaar
regeling 2006
Ouderdomspensioen
1,75%
1,75%
1,75%
1,80%
1,80%
Partnerpensioen
1,225%
1,225%
1,225%
1,26%
1,26%
Franchise
12.564
12.564
10.317
10.119
9.907
Verlaging van pensioenaanspraken
0,00%
3,60%
0,00%
0,00%
0,00%
Actieven
0,00%
0,00%
0,00%
0,00%
0,00%
Gewezen deelnemers (slapers) en
gepensioneerden
0,00%
0,00%
0,00%
0,00%
0,00%
Toeslag op pensioen en
pensioenaanspraken
Reserves
-44.847
292.784
90.876
9.529
-115.858
Voorziening
2.864.024
2.587.657
2.087.975
2.222.478
2.059.941
Actuele dekkingsgraad
98,4%
111,3%
104.4%
100,4%
94,6%
Vereiste dekkingsgraad
120,5%
111,3%
112,3%
110,5%
108,9%
Resultaat
-337.346
201.908
81.347
131.329
-5.264
* Wegens de stelselwijziging, zijn de vergelijkende cijfers 2012 aangepast.
Toelichting meerjarenoverzicht
Pensioenregeling 2006
Vanaf verslagjaar 2006 geldt voor deelnemers geboren na 1949 de Pensioen­regeling 2006.
Beleggingsopbrengsten
De beleggingsresultaten omvatten mede het resultaat op de renteafdekking via rente­
swaps. Een daling van de rente heeft een positief effect op de beleggingsopbrengsten,
maar zorgt anderzijds voor een stijging van de technische voorzieningen. Als de
technische voorzieningen sterker stijgen dan de waarde van de beleggingen, dan daalt
de dekkingsgraad.
De afdekking van het renterisico op de technische voorzieningen is geen doelstelling uit
hoofde van vermogensbeheer. Het resultaateffect daarvan op de beleggingsopbrengsten
telt daarom niet mee in de berekening van het gemiddelde rendement op beleggingen.
Er bestaat dus geen directe samenhang tussen de opgenomen beleggingsresultaten en
het percentage van het gemiddelde rendement op beleggingen.
85
Bijlage 2: Volumeveranderingen
Aantal pensioengerechtigden
Individuele waardeoverdracht
Het aantal pensioengerechtigden gesplitst naar categorie en gemiddelde leeftijd
bedroeg ultimo verslagjaar:
Het bedrijfspensioenfonds werkt mee aan individuele waardeoverdracht bij wisseling
van dienstverband. Het doel hiervan is de bestrijding van pensioenbreuk alsook het
voorkomen van versnippering van pensioenaanspraken. In 2015 was er sprake van
102 inkomende en 247 uitgaande waardeoverdrachten.
2015
Gemiddelde
leeftijd
2014
Gemiddelde
leeftijd
ouderdomspensioen
11.916
72
10.553
71
• mannen
8.107
72
7.238
71
• vrouwen
3.809
73
3.315
71
partnerpensioen
2.424
70
2.512
69
• mannen
270
64
231
63
• vrouwen
2.154
71
2.281
70
wezenpensioen
259
15
203
15
arbeidsongeschiktheidspensioen
264
55
294
54
-
-
-
prepensioen
De hoogte van het jaarlijkse gemiddeld pensioen in euro’s. Hierbij dient bedacht te
worden dat een en ander afhankelijk is van de in de bedrijfstak doorgebrachte diensttijd
en het genoten salaris.
2015
2014
• mannen
3.317
3.670
• vrouwen
2.010
1.965
ouderdomspensioen
partnerpensioen
• mannen
1.264
1.437
• vrouwen
1.962
2.217
wezenpensioen
1.166
1.020
arbeidsongeschiktheidspensioen
3.150
3.111
Afkoop van het pensioen
De grens voor afkoop van kleine pensioenen is in 2015 verhoogd van € 458,06 naar
€ 462,88 per jaar. In 2015 werd 4.608 gevallen pensioen afgekocht.
86
Pensioenopbouw tijdens arbeidsongeschiktheid
Voor deelnemers die vanaf 1 januari 2006 arbeidsongeschikt zijn geworden, wordt de
pensioenopbouw vanaf de eerste WIA-dag, geheel of gedeeltelijk, zonder verdere
premiebetaling voortgezet.
De pensioenopbouw wordt bij een percentage van 80 - 100% arbeidsongeschiktheid
volledig voortgezet.
De pensioenopbouw wordt bij een percentage van 65 - 80% arbeidsongeschiktheid
voor 72,5% voortgezet.
De pensioenopbouw wordt bij een percentage van 55 - 65% arbeidsongeschiktheid
voor 60% voortgezet.
De pensioenopbouw wordt bij een percentage van 45 - 55% voor de helft en bij een
percentage van 35 - 45% voor 40% voortgezet.
Voor deelnemers die voor 1 januari 2006 arbeidsongeschikt zijn geworden, is de
WAO-regeling nog van toepassing. Hiervoor gelden bovenstaande percentages met de
aanvulling dat bij een percentage van 25 – 35% voor 30% en bij een percentage van
15 - 25% voor 20% de pensioenopbouw wordt voortgezet. Hierbij wordt uitgegaan van
de laatst bekende pensioengrondslag. Deze regeling had in 2015 op 812 deelnemers
betrekking (2014: 833Voor deelnemers die voor 1 januari 2006 arbeidsongeschikt
zijn geworden, is de WAO-regeling nog van toepassing. Hiervoor gelden bovenstaande
percentages met de aanvulling dat bij een percentage van 25 - 35% voor 30% en bij
een percentage van 15 - 25% voor 20% de pensioenopbouw wordt voortgezet. Hierbij
wordt uitgegaan van de laatst bekende pensioengrondslag. Deze regeling had in 2015
op 812 deelnemers betrekking (2014: 833)
Mutatieoverzicht
Deelnemers
Gewezen deelnemers
(slapers)
Arbeidsongeschikte
deelnemers
Pensioentrekkend
Gepensioneerd
zonder uitkering
Totaal
24.795
93.105
833
13.268
539
132.540
Stand per 1 januari 2015
Van gewezen deelnemer naar deelnemer
1.132
-1.132
0
0
0
0
Van deelnemer naar gewezen deelnemer
-3.716
3.716
0
0
0
0
Arbeidsongeschiktheid
-57
-49
106
0
0
0
Revalidering
5
13
-18
0
0
0
Pensionering
-299
-1.111
-96
593
913
0
Toetreding
4.239
1.464
0
714
12
6.429
Overlijden
-20
-193
-15
-354
-13
-595
Waardeoverdracht
-37
-231
0
0
0
-268
Afkoop klein pensioen
-5
-1.984
0
-502
-59
-2.550
Beëindiging tijdelijke uitkering
0
0
0
-45
0
-45
Overige oorzaken
3
6
2
-9
-6
-4
Stand per 31 december 2015
26.040
93.604
812
13.665
1.386
135.507
Toelichting bij het mutatieoverzicht deelnemers.
Deelnemers:
De ultimo stand betreft de werknemers die op 31 december vanwege een
dienstverband in de bedrijfstak of vanwege vrijwillige voortzetting deelnemer zijn.
Arbeidsongeschikte deelnemers:
Het aantal betreft deelnemers die alleen pensioen opbouwen vanwege de regeling van
premievrije opbouw wegens arbeidsongeschiktheid. Het kan dan gaan om volledige
arbeidsongeschiktheid of om gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en geen
dienstverband in de branche.
Pensioentrekkend:
Het aantal betreft de periodieke pensioenuitkeringen. Deelnemers die 67 worden,
worden afgeboekt met de mutatie pensionering bij “Deelnemers”, “Gewezen
deelnemers” of “Arbeidsongeschikte deelnemers”. Vervolgens worden deze
deelnemers met dezelfde mutatie opgeboekt bij “Pensioentrekkend”. De mutatie
toetredingen bij “Pensioentrekkend” betreft dus niet deelnemers die pensioneren, maar
alleen de ingang van het nabestaanden-en wezenpensioen.
87
Afkoop kleine pensioen:
Wanneer een deelnemer of gewezen deelnemer 67 wordt en zijn pensioen direct
wordt afgekocht, wordt deze afkoop vermeld in de kolom “Deelnemers” of “Gewezen
deelnemers”. Een afkoop van het nabestaanden- en wezenpensioen staat vermeld in de
kolom “Pensioentrekkend”.
Waardeoverdracht:
Bij de waardeoverdrachten staan in dit mutatieoverzicht alleen de uitgaande
waardeoverdrachten vermeld. Deelnemers met een inkomende waardeoverdracht
hebben geen invloed op het aantal.
Bijlage 3: Begrippenlijst
Aanvangshaalbaarheidstoets
Is een middel om te toetsen of het premiebeleid over de gehele horizon realistisch is en
de herstelkracht toereikend is.
Deposito
Tegoed bij een bankinstelling, waarover eerst na verloop van een overeengekomen
tijdsduur (maximaal 2 jaar) kan worden beschikt.
AAOP
Aanvullend Arbeids Ongeschiktheids Pensioen.
Derivaat
Financieel contract waarvan de waarde is afgeleid van een andere (onderliggende)
waarde, zoals een aandeel, obligatie of grondstof. Bijvoorbeeld: futures, swaps.
ABTN (Actuariële en bedrijfstechnische nota)
Pensioenfondsen dienen te werken volgens een ABTN. Hierin zijn de financiële opzet
van een pensioenfonds en de grondslagen waarop deze berust, gemotiveerd
omschreven.
Allocatie
De verdeling van het vermogen over de beleggingscategorieën zoals aandelen en
vastrentende waarden. Eventueel wordt hier ook onroerend goed, liquide middelen en
andere beleggingscategorieën onder verstaan. De allocatie kan het resultaat zijn van de
ontwikkeling van de portefeuille of eventueel van het doorvoeren van tactisch asset
allocatie over de beleggingscategorieën.
ALM (Asset Liability Management)
Een methode om modelmatig de samenstelling van de strategische beleggings­
portefeuille te bepalen, rekening houdend met de pensioenverplichtingen.
AOP
Arbeids Ongeschiktheids Pensioen.
Benchmark
Vergelijkingsmaatstaf. Representatieve herbeleggingsindex waartegen de prestaties van
een beleggingsportefeuille worden afgezet.
Corporate Governance
Goed ondernemerschap; onder andere integer en transparant handelen door het
bestuur, alsmede goed toezicht hierop. Ook het afleggen van verantwoording over het
uitgevoerde beleid en het toezicht hierop valt eronder.
Dekkingsgraad
De waarde van het pensioenvermogen uitgedrukt als percentage van de waarde van de
pensioenverplichtingen. De dekkingsgraad wordt als graadmeter beschouwd voor de
mate van zekerheid dat de toegezegde pensioenen ook daadwerkelijk kunnen worden
uitbetaald.
Dekkingstekort
Situatie dat de middelen van het pensioenfonds niet langer toereikend zijn om de
technische voorzieningen en de reserve voor algemene risico’s te dekken.
88
Doorsneepremie
Een premie die voor een bepaalde groep uniform is vastgesteld zonder rekening te
houden met individuele verschillen in leeftijd, burgerlijke staat of geslacht.
Duration
Gewogen gemiddelde looptijd van een lening. Maatstaf om de prijsgevoeligheid van de
lening te bepalen voor renteveranderingen.
Factorpremies
Met factorpremies of factorbeleggen wordt er ingespeeld op bepaalde factoren, zoals
momentum, lage volatiliteit, waarde, kwaliteit en omvang.
Fed
Federal Reserve Bank (Amerikaanse centrale bank)
Franchise
Vrijgesteld bedrag. Over dit deel van het pensioengevend loon worden geen
aanspraken opgebouwd.
FTK (Financieel Toetsingskader)
Stelsel van te hanteren waarderingsmethoden.
FVP
Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering
Herstelplan
Plan van aanpak gericht op het herstel van het dekkingstekort of het reservetekort.
High Yield
Hoogrenderende obligaties, uitgegeven door ondernemingen met een lage
kredietwaardigheid.
IBNR-voorziening
De IBNR voorziening is een reservering Incurred but not Reported en is een
voorziening voor schaden die zich wel hebben voorgedaan, maar die nog niet gemeld
zijn of bekend zijn bij de verzekeraar, in verband met de 1e twee ziektejaren, waarin
nog geen recht op AO bestaat.
Kanssystemen
Bij het berekenen van de voorziening pensioenverplichtingen worden
veronderstellingen gehanteerd ten aanzien van onder meer de levensverwachtingen
van de deelnemers en nabestaanden. Daarnaast worden veronderstellingen gehanteerd
ten aanzien van bijvoorbeeld de duur van de premievrije voortzetting in het geval een
deelnemer arbeidsongeschikt wordt. Alle veronderstellingen tezamen worden
kanssystemen genoemd. Jaarlijks wordt in het resultaat op kanssystemen aangegeven in
hoeverre deze veronderstellingen overeenkomen met de waarnemingen in het
boekjaar.
Lookthrough
Bij de rapportage over beleggingen in beleggingsfondsen wordt de zogenaamde ‘lookthrough’-regel toegepast voor de indeling naar categorie. Dat wil zeggen dat
bijvoorbeeld de waardering van vastgoedfondsen wordt gerubriceerd onder vastgoed.
MI (Momentum Indicator)
is een risico-opslag voor het “momentum” van systeemstress (is het risico dat een
gebrek aan vertrouwen in financiële partijen en markten zorgt voor het disfunctioneren
van het financiële systeem). Naast de hoogte van de Systemic Stress Indicator (SSI), is
namelijk ook de snelheid waarmee de SSI veranderd belangrijk. Indien de SSI in korte
tijd snel stijgt, is dit een teken dat meerdere onderliggende indicatoren een risico
stijging tonen. Deze beweging signaleert een verhoogd systeemrisico en zorgt daarom
voor een risico-opslag.
Outperformance
Er wordt een hoger resultaat behaald dan dat van de benchmark.
Paritair
Naar evenredigheid.
Performancetoets
Het gemiddelde van door een bedrijfstakpensioenfonds behaalde beleggingsresultaten,
gemeten over een langere periode. De performancetoets wordt bepaald door de som
van opeenvolgende jaarlijkse z-scores, gedeeld door de wortel van het aantal jaren.
Raad van Toezicht
Houdt toezicht op het beleid van het bestuur en is ten minste belast met het toezien op
adequate risicobeheersing en evenwichtige belangenafweging door het bestuur.
Rekenrente
Fictief rendementspercentage dat het belegde vermogen in de toekomst wordt geacht
op te brengen.
89
Rentetermijnstructuur (RTS)
De rentetermijnstructuur, of yield curve, is een grafiek die het verband weergeeft
tussen de looptijd van een vastrentende belegging enerzijds en de daarop te ontvangen
marktrente anderzijds
SSI (Systemic Stress Indicator)
is een indicator voor fundamentele onzekerheden in het financiële systeem
(systeemrisico of systeemstress, is het risico dat een gebrek aan vertrouwen in
financiële partijen en markten zorgt voor het disfunctioneren van het financiële
systeem). Deze onzekerheden uiten zich vaak door grote instroom en uitstroom van
financiële instrumenten en daarmee grote veranderingen in de liquiditeit van
beleggingscategorieën. Dit gaat dan gepaard met een hoge(re) volatiliteit in de markt.
Sterftegrondslag
Berekeningsmethode gebaseerd op een statisch overzicht van sterftekansen per leeftijd
van een bepaalde groep personen.
Swap
Ruil van het rendement op een vastgestelde referentiewaarde tegen een variabele rente
gedurende een vastgestelde looptijd.
Swaption
Een swap waarbij de eigenaar van de swaption het recht heeft, maar niet de
verplichting, om een swap tegen vooraf bepaalde voorwaarden af te sluiten op of
binnen een bepaald tijdstip.
Tracking error
De tracking error is een risicomaat en geeft aan het jaarlijkse verschil in het rendement
op de beleggingen ten opzichte van de verplichtingen.
TV (Technische Voorziening)
De passiva van het pensioenfonds, gelijk aan de waarde van de pensioenverplichtingen.
Ultimate Forward Rate (UFR)
Het is een risicovrije rekenrente voor langjarige contracten, waarin wegens de lange
looptijd onvoldoende handel in bestaat.
Uitruil
De mogelijkheid voor de deelnemer om het opgebouwde partnerpensioen om te zetten
in een hoger (of eerder ingaand) ouderdomspensioen of een deel van het
ouderdomspensioen om te zetten in partnerpensioen.
UPO
Uniform Pensioen Overzicht.
Vastrentende waarden
Beleggingssoort waarover in beginsel een vaste rentevergoeding en een vaste looptijd
geldt, zoals obligaties, onderhandse leningen en hypotheken.
Verantwoordingsorgaan
Het verantwoordingsorgaan heeft de bevoegdheid een oordeel te geven over het
handelen van het bestuur, over het door het bestuur uitgevoerde beleid, alsmede over
beleidskeuzes voor de toekomst.
Vereist eigen vermogen
Het vereist eigen vermogen is het vermogen dat behoort bij de evenwichtssituatie van
het Pensioenfonds. In die situatie is het eigen vermogen zodanig vastgesteld dat met de
wettelijk vastgestelde zekerheidsmaat van 97,5% ten aanzien van de als
onvoorwaardelijk aangemerkte onderdelen van de pensioenovereenkomsten wordt
voorkomen dat het pensioenvermogen van het Pensioenfonds binnen één jaar minder
is dan de technische voorzieningen.
VPL premie
De benodigde premie voor de financiering van de arbeidsvoorwaardelijke toezegging.
Deze arbeidsvoorwaardelijke toezegging is ter vervanging van Vut, Prepensioen en
Levensloop (VPL).
Vrijstelling
Vrijstelling van de verplichte deelneming aan de pensioenregeling van het
bedrijfstakpensioenfonds.
Waardeoverdracht
Het naar een andere pensioenregeling overdragen van de waarde van een tot zeker
moment opgebouwde pensioenaanspraak, in het geval de deelnemer verandert van
werkgever of verzekeraar.
Z-score
Mate waarin het werkelijke rendement van een pensioenfonds afwijkt van het
rendement van de door het bestuur vastgestelde normportefeuille.
90
Download