Jong en oud

advertisement
Havo
Centraal examen
1.1 consumentensurplus
• Verschil tussen marktprijs en
betalingsbereidheid (prijs die consumenten
willen betalen)
1.2 Martkevenwicht
• Prijs op een markt waarbij vraag en aanbod in
evenwicht zijn; gelijk aan elkaar zijn.
• Markten: arbeidsmarkt, valutamarkt,
goederenmarkt , vermogensmarkt etc
1.3 Omzet
• Afzet: aantal goederen dat ik verkoop (q)
• Omzet: geld dat ik ontvang met verkoop van
mijn goederen/diensten
• Omzet: p x q
1.4 Vraag- en aanbodcurve
• Vraagcurve verschuift door:
– Verandering aantal vragers
– Verandering welvaart vragers
– Andere producten veranderen van prijs
• Aanbodcurve verschuift door:
– Verandering aantal aanbieders
– Kosten productie veranderen
1.5 elasticiteit
• Prijselasticiteit van de vraag: hoe reageert de
vraag op een verandering van de prijs
• Elastisch: groter dan 1
• Inelastisch: tussen 0 en 1
• Bij een elastische vraag stijgt omzet
• Bij een inelastische vraag daalt de omzet
1.5 elasticiteit
• Inkomenselasticiteit van de vraag: hoe
reageert de vraag op een verandering van het
inkomen
• Elastisch: groter dan 1
• Inelastisch: tussen 0 en 1
1.6 substitutie
• Als ik een substituut – alternatief product heb, dan zal ik eerder reageren op een
prijsverandering. Elasticiteit is dan hoog.
• Als autorijden duurder wordt en ik kan de
trein pakken, dan reageer ik sterk op een
prijsverhoging van benzine.
• Complementaire goederen: printer en
cartridges. Als de printers duurder worden,
koop ik ook minder cartridges.
1.7 Normale goederen
• Normale goederen (koffie, brood):
inkomenselasticiteit tussen 0 en 1
• Luxe goederen (vliegreizen):
inkomenselasticiteit > 1
• Inferieure goederen (aardappelen)
inkomenselasticiteit: negatief
1.8 en 1.9
• Winst stijgt zolang de marginale opbrengsten
hoger zijn dan de marginale kosten; MO>MK
• Marginale opbrengsten: de opbrengsten als ik
een product extra verkoop
• Marginale kosten: de kosten als ik een product
extra verkoop
D 2.1
• Totale kosten: constante kosten en variabele
kosten
• TK = TCK + TVK
• Constante kosten: blijven gelijk als productie
toeneemt
• Variabele kosten: nemen toe als productie
toeneemt
D 2.1
• Progressief variabele kosten: variabele kosten
stijgen harder dan de productie
• Degressief vairabele kosten: variabele kosten
nemen minder hard toe dan de productie
D 2.1 Variabele kosten
productie
Proportioneel
Variabele kosten
Progressief
Variabele kosten
degressief
1
10
10
10
2
10
11
9,5
3
10
12
9
4
10
13
8,5
5
10
14
8
D 2.2
• winst = totale opbrengsten – totale kosten
D 2.3
• Break even punt: punt waarbij
– omzet en kosten gelijk zijn
– het bedrijf quitte speelt
– de winst/verlies nul is.
• Break even afzet: TO = TK
• Break even afzet: GO = GTK
• Break even omzet: break even afzet x
verkoopprijs
D 3.1
• Vier marktvormen: volledige mededinging,
monopolistische concurrentie, oligopolie en
monopolie
• Bij alle marktvormen geld: we gaan door met
produceren en verkopen zolang MO>MK
D 3.1 (volledige mededinging)
• Volkomen concurrentie: veel aanbieders,
homogeen product, transparante markt,
gemakkelijke toetreding.
• Winst is maximaal zolang de marginale
opbrengsten hoger zijn dan marginale kosten.
• De prijs zal altijd richting de marginale kosten
gaan
D 3.2
• Bij alle andere markvormen zal de prijs hoger
zijn dan de marginale kosten omdat er meer
aanbieders zijn of omdat aanbieders een
heterogeen product aanbieden
• De aanbieder kan dus meer vragen dan de
marginale kosten.
D 3.2
• Monopolie: een aanbieder van heterogeen of
homogeen product. Monopolist is prijszetter
• Monopolist biedt aan zolang MO>MK
• Bij monopolist is MO lager dan de prijs omdat
als hij meer wil omzetten hij de prijs moet
verlagen
• Deze lagere prijs geldt dan voor alle klanten
D 3.3
• Monopolistische concurrentie: veel
aanbieders en heterogeen product
• Concurrentie: veel aanbieders
• Monopolistisch: elke aanbieder is monopolist
van zijn eigen heterogene product
D 3.4
• Oligopolie: aantal aanbieders beheersen de
markt. Heterogeen of homogeen product
• Oligopolist kan kiezen tussen concurreren of
samenwerken
• Samenwerken: verboden prijsafspraken
(kartel) of volgen van marktleider
• Concurreren: op prijs (prijsoorlog) of product
(productdifferentiatie)
D 3.5
• Prijsdiscriminatie: bedrijf vraagt een
verschillende prijs voor hetzelfde product
• Bedrijf probeert consumentensurplus hiermee
af te romen, door prijs zoveel mogelijk gelijk te
stellen aan betalingsbereidheid van
consument
• Denk aan vliegreizen, kaartjes pretparken
D 4.1
• Consumenten streven naar maximaal
consumentensurplus
• Producenten streven naar maximaal
producentensurplus
D 4.2
• Prijsmechanisme kan leiden tot inefficiente
uitkomsten vanwege:
– Te hoge prijzen (monopolie)
– Te hoge prijzen (kartelvorming)
– Externe effecten waarmee geen rekening wordt
gehouden
– Collectieve goederen die niet worden
geproduceerd op een vrije markt
– Asymmetrische informatie
D 4.3 en 4.4.
• Overheid reguleert de markt en kan
maximumprijzen of minimumprijzen instellen
• Overheid houdt toezicht om kartelvorming en
prijsafspraken te voorkomen (ACM)
D 4.5
• Octrooien kunnen toetreding op markt
frustreren
• Octrooien stimuleren innovatie omdat bedrijf
dat iets uitvindt met een octrooi daarvan kan
profiteren. Innovatie wordt beloond.
E 1.1.
• Veel mensen sparen voor hun pensioen. Zij
leggen een deel van hun inkomen – deels
verplicht en deels vrijwillig – opzij en bouwen
een vermogen op. Dat vermogen gebruiken ze
als ze niet meer werken
• Vermogen = voorraadgrootheid (ik heb nu
€ 100.000 op de bank staan)
• Inkomen = stroomgrootheid (ik heb in 2014
€ 25.000 verdiend)
Opgave 4(15)
1. BEP = GO = GTK, bij 40 bezette
parkeerplaatsen
2. Bij een prijs van 100 is de afzet 145 (vul p van
100 in in de prijsafzetlijn). De maximale winst
is echter waar mo = mk en dat is bij 100 stuks
3. Maximale bezetting is 180 parkeerplaatsen.
Daar zijn GTK hoger dan GO
15. Trek bij q = 100 een lijn naar gtk en GO (zie
tekening
Opgave 4 (16)
1.
2.
3.
4.
Omzet is maximaal wanneer MO = 0.
MO = -2,5q + 270.
0 = -2,5q + 270. q = 108.
Bij een q van 108 hoort een prijs van 135 (q
invullen in prijsafzetlijn
Opgave 4 (17)
• Maximale winst bij MO = MK
• MO =MK = 100 stuks
• Trek bij 100 een lijn naar boven die snijdt bij
GTK en GO
• Het verschil is de maximale winst
Opgave 4 (18 en 19)
• Prijsdiscriminatie: een andere doelgroep
betaalt een andere prijs voor hetzelfde
product
• Bewoners parkeren niet omdat ze dat te duur
vinden. Met een lagere prijs parkeren ze wel.
De prijs is dan lager dan hun
betalingsbereidheid. Het aantal transacties
neemt toe en we lvaart stijgt
Opgave 1.1
• Bij de eerste voorstellingen komen de mensen
met een hoge betalingsbereidheid. Die
betalen gewoon de hoge prijs. Er is nog geen
reden om een lagere prijs aan te bieden
Opgave 1.2
•
•
•
•
•
Evenwichtsprijs: -20p + 2.000 = 1.400
-20p = -600
P = 30
Totale kosten: € 8.358.00/30 = 278.600
278.600 kaartjes/1400 = 199 voorstellingen
Opgave 1.3
•
•
•
•
•
•
•
Per voorstelling
400 x 80 = 32.000
400 x 60 = 24.000
400 x 40 = 16.000
200 x 30 = 6.000
Bij elkaar: 78.000
8.358.00/78.000 = 107,5 voorstelling
E 1.2
•
•
•
•
Levensloop
Verplicht en vrijwillig sparen voor pensioen
Lenen voor een huis (hypotheek)
Lenen voor een studie
E 1.3 Sparen en lenen
• Sparen en lenen is ruilen over de tijd
• Sparen: ik spaar nu zodat ik later kan
consumeren (ik stel consumptie uit)
• Lenen: ik consumeer nu, maar moet er later
voor werken
E. 1.3 Rente
• Rente is de prijs van geld
• Rente komt tot stand op vermogensmarkt
(vraag en aanbod)
• Als ik spaar en ik stel mijn consumptie uit, dan
wil ik daarvoor een vergoeding. Dat is de
rente.
E 1.4
• Sparen en lenen zijn vormen van ruilen over
de tijd.
• Lenen: ik consumeer nu, maar moet later
rente en aflossing betalen
• Sparen: ik consumeer nu niet, maar spaar
voor later
E 1.5 Rente
• Nominale rente. De rente die ik ontvang op
mijn spaarrekening
• Reële rente: rente gecorrigeerd voor
prijsstijgingen
• Als ik 1% rente ontvang op mijn spaarrekening
en de inflatie is 1,5% dan is de reële rente
• 101/101,5 x 100 = 99,5 = -0,5%
• Denk aan ric = nic/pic x 100
E 1.6 Sparen of lenen
• Als ik inflatie verwacht, dan zal ik
– Meer nu uitgeven omdat goederen later duurder
worden
– Minder sparen omdat de inflatie de reële rente
verlaagt
– Meer lenen omdat door de inflatie het
terugbetalen van mijn lening gemakkelijker wordt
(de reële rente wordt lager)
E.2.1
• Overheidsschuld is uitgestelde belasting
heffing. Belastingbetalers moeten een keer de
schuld ophoesten.
• Huidige generatie profiteert van uitgaven die
door toekomstige generatie moet worden
terug betaald.
E.2.1
• Inkomsten overheid: 150
• Uitgaven overheid: 170 (inclusief aflossing
staatsschuld 5)
• Begrotingstekort: 20 (170 -150)
• Financieringstekort: begrotingstekort –
aflossingen (20 -5)
E.2.2
• Overheidsschuld is voorraadgrootheid
(momentopname)
• Overheidstekort is stroomgrootheid (over een
bepaalde periode meer uitgaven dan
inkomsten)
E 2.3
• Pensioen.
• Omslagstelsel: de jonge mensen nu betalen
voor de ouderen van nu (AOW).
• Omslagstelsel: probleem bij vergrijzing
E 2.3
• Pensioen.
• Kapitaaldekkingsstelsel: werkenden sparen
voor hun eigen pensioen later
(bedrijfspensioenen)
• Kapitaaldekkingsstelsel: probleem als
rendement op ingelegd pensioenpremie slecht
• Opgave 10 bladzijde 89
• Opgave 8: bladzijde 86
E 3.1
• Overzicht van je vermogen en je bezittingen
op een bepaald moment
• Laat zien hoe rijk jij bent
• Laat zien hoe rijk een bedrijf is.
• Vermogen: hoe kom ik aan mijn geld
• Bezittingen: wat heb ik met mijn geld gedaan.
E 3.1 Balans
• Vermogen:
– Eigen vermogen: geld dat je zelf in het bedrijf hebt
gestopt
– Vreemd vermogen: geld dat je van een ander hebt
geleend
• Met het vermogen heb je iets gedaan, b.v.
bezittingen gekocht
Balans Bart
Activa
Passiva
Bank
70.000
Eigen vermogen
Bus
40.000
Vreemd vermogen
50.000
Meel
20.000
Crediteuren
10.000
Machine
20.000
Debiteuren
10.000
Broden
00.000
totaal
160.000
totaal
100.000
160.000
E 3.1Balans
• Debiteuren: schuld van klant aan bedrijf. Is een bezit
en staat aan de activa kant
• Crediteuren: schuld van bedrijf aan leverancier. Is
schuld. Staat aan passiva kant
E 3.1
• Winst zorgt er dus voor dat ik rijker word, dat
mijn eigen vermogen toeneemt.
• Winst of verlies wordt zichtbaar op
resultatenrekening.
• Resultatenrekening: overzicht van kosten en
inkomsten.
• Verschil tussen kosten en inkomsten is
resultaat (winst of verlies)
E 3.1 Winst en verlies
• Winst = omzet – kosten
• 30.000 = 100.000 – 70.000
Jaarrekening (2013)
Kosten
inkomsten
Inkoop
10.000
loon
40.000
Huur
10.000
Rente
10.000
Winst
30.000
totaal
100.000
Omzet
100.000
totaal
100.000
E 3.1 Resultatenrekening en balans
• Resultatenrekening: laat winst/verlies en
toegevoegde waarde zien
• Als je winst maakt, word je rijker en neemt je
eigen vermogen toe….
• Als je verlies maakt, word je armer en neemt
je eigen vermogen af
• En dat zie je op de balans….
Jaarrekening (2013)
Kosten
inkomsten
Inkoop
10.000
loon
40.000
Huur
10.000
Rente
10.000
Winst
30.000
totaal
100.000
Omzet
100.000
totaal
100.000
E 3.1 Toegevoegde waarde
• Ik voeg als ondernemer waarde toe.
• Stel, ik ben een fietsfabrikant
– ik koop voor € 10.000 aan ijzer, banden en zadels
– ik maak daarvan fietsen en verkoop die voor €
100.000
• Hoeveel waarde voeg ik toe?
E 3.1 Toegevoegde waarde
• De toegevoegde waarde wordt verdeeld als
beloning over de productiefactoren die de
toegevoegde waarden hebben gerealiseerd
E 3.1 Productiefactoren en
beloning
Productiefactor
Beloning
Arbeid
Loon
40.000
Kapitaal
Rente
10.000
Kapitaal
Huur
10.000
Natuur
Pacht
00.000
Ondernemerschap
Winst
30.000
TOTAAL
90.000 (gelijk aan
toegevoegde waarde)
E 3.1 Afschrijvingen
• Ik leen € 100.000 en koop een machine.
• De lening van € 100.000 en de waarde van de
machine van € 100.000 komen op de balans
Balans (2013)
Activa
Passiva
Machine
100.000
Vreemd vermogen
100.000
totaal
100.000
totaal
100.000
Afschrijvingen
• Ik gebruik de machine 10 jaar.
• Elke jaar neem ik 1/10 deel van de waarde van
de machine op als kosten in de
resultatenrekening
• Dus elk jaar € 10.000
Jaarrekening (2013)
Kosten
inkomsten
Inkoop
10.000
loon
40.000
Huur
10.000
Rente
10.000
Afschrijvingen
10.000
Winst
20.000
totaal
100.000
Omzet
100.000
totaal
100.000
F 1.1
• Prisoners dilemma
• Situatie waarin twee partijen voor de keuze
staan samen te werken of niet samen te
werken. Omdat ze elkaar niet vertrouwen en
niet weten van elkaar wat ze doen, werken ze
niet samen, terwijl samenwerken beter zou
zijn voor beiden
F 1.2
• Uitkomst dilemma komt tot stand doordat
partijen hun dominante strategie volgen
• Dominante strategie: de keuze die iemand
maakt onafhankelijk van wat de ander kiest
F 1.3
• Door niet samen te werken, komen collectieve
belangen niet tot stand
• Als twee partijen het eigen belang volgen, dan
komt er een uitkomst tot stand die voor beide
partijen onwenselijk is (denk aan visserij)
F 1.4
• Positieve externe effecten: de effecten die de
consumptie of productie van een product
heeft voor de externe omgeving (dus niet voor
consument en producent zelf)
• Voorbeeld: onderwijs. Als ik onderwijs geniet,
profiteert ook de hele maatschappij ervan
• Positieve externe effecten worden in de prijs
verwerkt door subsidies. Door subsidies wordt
de prijs lager en wordt er meer geconsumeerd
en geproduceerd.
F 1.4
• Negatieve externe effecten: de negateive
effecten die de consumptie of productie van
een product heeft voor de externe omgeving
(dus niet voor consument en producent zelf)
• Voorbeeld: milieuvervuiling.
• Negatieve externe effecten worden in de prijs
verwerkt door belastingen. Hierdoor wordt de
prijs hoger en wordt er minder geconsumeerd
en geproduceerd.
F 1.5
• Collectieve goederen komen pas tot stand als
mensen gedwongen worden te betalen.
• In een gevangenendilemma is de dominante
strategie van iedereen om niet te betalen.
• Als iedereen deze strategie volgt, komen er
geen collectieve goederen tot stand
F 1.7
• Collectieve dwang – belastingen - leidt tot
totstandkoming van collectieve goederen
F 1.8
• Er is sprake van zelfbinding als een partij
vrijwillig een bepaalde strategie voert, waarbij
rekening wordt gehouden met de belangen
van de andere partijen.
• Bij zelfbinding ‘bindt’ een partij zich vrijwillig
aan het maken van een bepaalde keuze.
• Zelfbinding kan totstandkoming
samenwerking bevorderen als binding
geloofwaardig is.
F 2. en 2.2
• Verzonken kosten: kosten die ik gemaakt heb
voor een bepaald doel en die verder nergens
voor kan gebruiken (denk aan boor voor
Noord zuid lijn)
• Als mijn onderhandelingspartner weet dat ik
verzonken kosten heb, dan kan hij daar
misbruik van maken. Ik heb immers geen
alternatief
G 1.1.
• Risico avers: geen risico willen lopen, afkerig
zijn van risico
• Je gaat dan eerder een verzekering afsluiten
G 1.2
• Verzekeren levert minder risico op bij schade,
maar kost ook geld (premie)
• Je weegt dit altijd af als je een verzekering
afsluit
• Denk ook aan eigen risico
G 1.3
G 1.4
• Verplichte solidariteit: iedereen moet zich
verzekeren, ook de mensen met lage risico’s
• Hiermee voorkom je dat de premie te hoog
wordt voor de mensen met een hoog risico
G 1.5
• Eigen risico: verkleint kans op moral hazard.
Verzekerde wordt voorzichtiger
• Eigen risico beperkt averechtse selectie: bij
een eigen risico gaat premie omlaag en kan
iemand met laag risico zich ook verzekeren
G 1.6
• Hoog eigen risico: lage premie voor
verzekerde, maar bij schade meer kosten voor
verzekerde.
• Hoog eigen risico: minder moraal wangedrag
G 2.1
• Asymmetrische informatie: de ene partij heeft
meer informatie dan de andere partij
• Leidt tot marktfalen
• Asymmetrische informatie leidt tot streven
om informatie te verkrijgen (denk aan
keurmerken)
G 2.2
• Averechtse selectie beperken door
– Premiedifferentiatie
– Verplichte verzekering (ziektekostenverzekering)
G 2.3
• Moreel wangedrag bestrijden door:
– Premiedifferentiatie
– Eigen risico
– Maximumvergoedingen
G 3.1
• Belegging met een hoog risico: hoog
rendement. Als het goed gaat verdien je veel,
als het fout gaat verlies je veel (b.v. aandelen)
• Belegging met een laag risico: laag
rendement. Als het goed gaat verdien je een
beetje, als het fout gaat verlies je weinig
(sparen op een gewone spaarrekening)
G 3.2
• Obligaties: lening van een bedrijf. Je krijgt
altijd een vaste rente op het uitgeleende
bedrag (weinig risico)
• Aandelen: je bent eigenaar. Je rendement
hangt af van de winst van het bedrijf. Risico is
dus hoger (bij geen winst, geen dividend)
G 3.3
• Als de rente stijgt, dan daalt de koers van
vastrentende obligaties
• Als de rente stijgt, daalt de koers van aandelen
omdat beleggers dan liever obligaties kopen
(die leveren dan meer op)
G 4.1
• Bedrijf heeft vermogen nodig om te
investeren. Zij kan eigen vermogen aantrekken
(aandelen) of vreemd vermogen aantrekken
(lening bij een bank of crowdfunding)
G 4.1
• Eigen vermogen
– Verwatering
– Nieuwe eigenaren willen zeggenschap
• Vreemd vermogen
– Bank stelt eisen (onderpand)
H 1.1.
• BBP = toegevoegde waardes opgeteld
• BBP = productie van een land
H 1.2
• BBP houdt geen rekening met
– Omvang bevolking (bbp per hoofd van bevolking
uitrekenen)
– Inflatie (reëel bbp uitrekenen)
– Inkomensverschillen
– Zwart werk
– Externe effecten
H 1.3
• BBP benaderd vanuit
– productie
– Inkomen
– Bestedingen
H 1.3
• Economische kringloop
• De productie leidt tot een inkomen voor de
productiefactoren (loon, winst, huur, rente en
pacht). Dit inkomen wordt besteed en zorgt
dat er weer geproduceerd moet worden.
H 1.4
• Nationale rekeningen: boekhouding van een
land: gezinnen, overheid, bedrijven en
buitenland
• Gezinnen ontvangen een inkomen dat zij
uitgeven aan belastingen en consumptie. Wat
overblijft wordt gespaard.
• Overheid ontvangt de belastingen en geeft
overheidsbestedingen uit.
H 1.4
• Buitenland geeft onze export uit en ontvangt
onze import
• Bedrijven verdienen met investeringen,
export, consumptie en overheidsbestedingen
en geven dat uit aan inkomen aan gezinnen en
aan import
H 1.6
•
•
•
•
•
Lorenzcurve: inkomensverdeling
Op X as percentage bevolking
Op Y as percentage inkomen
Gelijke inkomensverdeling: rechte lijn op 45 gr.
Nivellering: Lorenzcurve richting rechte lijn op
45 gr
• Denivellering: curve weg van de lijn op 45 gr.
H 1.6
• Primaire inkomens: bruto inkomens
Secundaire inkomens: primaire inkomens –
belastingen en premies + uitkeringen en
subsidies
H 1.8
• Nivelleren: inkomensverschillen worden
kleiner (SP)
• Denivelleren: inkomensverschillen worden
groter (VVD)
H 1.8
• Progressief stelsel: gemiddelde belastingtarief
wordt hoger naarmate ik meer verdien (zorgt
dus voor nivellering)
• Degressief stelsel: gemiddelde tarief wordt
lager naarmate ik meer verdien
H 1.9
• Marginaal belastingtarief: belastingtarief dat
ik betaal over mijn laatste verdiende euro
• Hoog marginaaltarief ontmoedigt mensen om
hard te werken
• Hoog marginaal tarief werkt zwart werken in
de hand.
H 1.9
• Heffingskorting: korting op het bedrag dat ik
aan mijn belasting moet betalen
• Heffingskorting werkt nivellerend (als het
korting is die voor iedereen even hoog is)
H 2.1
• Groei BBP afhankelijk van groei
productiecapaciteit (hoeveel kan ik maken in
een economie)
• Groei productiecapaciteit: afhankelijk van
kwaliteit en kwantiteit productiefactoren
H 2.2
• Groei productiecapaciteit o.a. afhankelijk van
verbetering arbeidsproductiviteit
• Groei apt afhankelijk van innovatie op gebied
van technologie (betere machines)
I 1.1
• Geaggregeerde vraag en aanbodlijn: vraag en
aanbod in de gehele economie van alle
goederen en diensten
• Prijsniveau wordt bepaald door vraag en
aanbod
I 1.2
• Op korte termijn is er prijsrigiditeit; lonen en
prijzen kunnen op korte termijn niet worden
aangepast
• De aanbodcurve loopt daarom horizontaal.
Wanneer er minder of meer vraag ontstaat:
verandert alleen de productie (aanbod).
• De prijzen veranderen niet
I 1.3
• Op lange termijn zijn de prijzen wel flexibel; er
is geen prijsrigiditeit. De aanbodlijn gaat dan
schuin lopen
• Bij meer vraag, stijgt het aanbod en de prijzen
I 1.3
• Op nog langere termijn zijn de prijzen wel
flexibel; er is geen prijsrigiditeit.
• De grenzen van de productiecapaciteit worden
op lange termijn wel bereikt.
• Bij meer vraag, kan het aanbod niet meer
stijgen en stijgen alleen de prijzen
1.4 Verkeersvergelijking van Fischer
• M*V=P*Y
• M = maatschappelijke geldhoeveelheid
• V = omloopsnelheid van geld: hoe vaak geld
van eigenaar verandert in een bepaalde
periode.
• P = prijspijl
• Y = nationaal inkomen
1.4 Verkeersvergelijking van Fischer
•
•
•
•
•
200 broden voor € 3 per stuk.
P * Y = goederenstroom = € 600
Maatschappelijke geldhoeveelheid = € 100
Dan is V = 6. (€ 3* 200 = € 100 * 6)
Het geld moet dus zes keer van hand tot hand
gaan om voor € 600 aan broden te kunnen
(ver)kopen
1.4 Fischer op korte termijn
• P is constant want er is prijsstarheid op korte
termijn.
• V is ook redelijk constant
• Als M stijgt, dan stijgt M x V
• Als M x V stijgt, dan zal ook P x Y stijgen
• Als P x Y stijgt en P is constant, dan zal Y dus
stijgen .
1.4 Fischer op lange termijn
• P is niet meer constant want er is geen
prijsstarheid op lange termijn.
• V is nog steeds redelijk constant
• Als M stijgt, dan stijgt M x V
• Als M x V stijgt, dan zal ook P x Y stijgen
• Als P x Y stijgt en P is niet constant, dan zal
vooral P stijgen en Y niet stijgen (op lange
termijn zijn alle productiefactoren ingezet en
kan Y niet meer groeien)
1.4 Omloopsnelheid
• In model is die constant. In het echt niet
helemaal. Bij een crisis kan omloopsnelheid
dalen; mensen houden geld in de knip
I 1.5
• Door verandering van prijzen, kan koopkracht
veranderen.
• Denk aan Ric = nic/pic x 100
I 1.6
• Bij laagconjunctuur ontstaat werkloosheid
• Werkloosheid kan worden opgelost, als lonen
kunnen dalen
• Maar door loonstarheid kan dit niet; lonen
kunnen niet dalen door contracten, cao’s en
minimumloon
I 1.7
• Welvaartsvast: uitkeringen groeien mee met
stijging cao lonen
• Waardevast: uitkeringen groeien mee met
inflatie
I 1.8
• Valuta: prijs van een munt uitgedrukt in prijs
van een andere munt
• Koers wordt bepaald door vraag en aanbod
I 1.9
• Betalingsbalans: overzicht van ontvangsten
van het buitenland en uitgaven aan het
buitenland in een bepaalde periode
• Bestaat uit: lopende rekening en
kapitaalrekening
• Lopende rekening: handel in goederen en
diensten
• Kapitaalrekening: internationale
investeringen, beleggingen en leningen
I 1.9
• Het verband tussen lopende rekening en
kapitaalrekening: landen met tekorten op de
lopende rekening lenen van landen met een
overschot op de lopende rekening.
• Tekorten op de lopende rekening gaan dus vaak
samen met overschotten op de kapitaalrekening
(omdat je veel geld uit buitenland leent)
• Landen met veel schulden aan het buitenland
betalen hierover veel rente. Hierdoor verslechtert
weer de lopende rekening van dat land.
I 1.10
• Internationale concurrentiepositie wordt
bepaald door:
– Inflatie (onze producten worden duurder)
– loonstijgingen (onze producten worden duurder)
– Arbeidsproductiviteit (loonkosten per product
dalen bij toename apt)
• Concurrentiepositie heeft invloed op export
en import en dus op betalingsbalans en op
wisselkoers
I 2.1
Prijsindexcijfer: gewogen gemiddelde van een aantal
prijsstijgingen
I 2.2
Conjunctuurindicatoren: geven aan hoe goed het
gaat met de conjunctuur: b.v. consumentenvertrouwen, orders van bedrijven, vacatures, inhuur
uitzendkrachten, productie, voorraden
I 2.3
• Nominale economische groei
• Reele economische groei
I 2.4
• Hoogconjunctuur: BNP stijgt harder dan
trendmatige groei
• Laagconjunctuur: BNP stijgt minder hard dan
trendmatige groei (recessie)
I 2.4
Laagconjunctuur
• Werkeloosheid
• Veel faillissementen
• Begrotingstekort overheid stijgt (meer
uitgaven, minder belastinginkomsten)
• Lage bezettingsgraad
Laagconjunctuur
• Maar ook……….
– minder kinderen geboren
– Minder echtscheidingen
– Mensen melden zich minder snel ziek bij hun baas
– Meer winkeldiefstallen
– Rekeningen worden later betaald
– Etc…
I 3.1
• Laagconjunctuur: veel werkeloosheid
• Overheid grijpt in door bestedingen te
stimuleren
• Door zelf als overheid veel te besteden (O) of
door belastingen te verlagen (B)
• Dit noemen we anticyclisch conjunctuurbeleid
I 3.1
• hoogconjunctuur: oververhitte economie:
prijzen en lonen stijgen te hard
• Overheid grijpt in door bestedingen af te
remmen
• Door zelf als overheid te bezuinigen (O) of
door belastingen te verhogen (B)
• Dit noemen we ook anticyclisch
conjunctuurbeleid (tegen de cyclus in)
I 3.2
• Daarnaast zijn er een aantal ingebouwde
stabilisatoren die ervoor zorgen dat bij
laagconjunctuur de economie niet helemaal
inzakt:
– Uitkeringen (werklozen houden inkomen)
– Progressieve belastingen (als je minder gaat
verdienen, betaal je ook minder belasting)
I 3.3
• Centrale bank kan ook rente verlagen om
economie te stimuleren
• Centrale bank kan ook rente verhogen, om
inflatie te beperken. Bij een hogere rente,
wordt er minder geleend en meer gespaard.
Bestedingen nemen af. Druk op prijzen neemt
ook af.
Download