Syndromen 17. Hypohidrotische ectodermale dysplasie

advertisement
Syndromen 17. Hypohidrotische ectodermale dysplasie
AUTEUR(S)
BRON
TREFWOORDEN
J.A. Baart1, J.M. van Hagen2
RUBRIEK
Oorspronkelijke bijdragen
UIT
1de Afdeling Mondziekten en Kaakchirurgie/Orale Pathologie van het Academisch Centrum
Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en 2de afdeling Klinische Genetica en Antropogenetica
van het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit te Amsterdam.
ADRES
J.A. Baart
AZVU
Postbus 7057
1007 MB Amsterdam
Ned Tijdschr Tandheelkd 2000; 107: 12-14.
Syndroom
Ectodermale dysplasie
Oligodontie
Samenvatting
De geslachtsgebonden recessieve vorm van hypohidrotische ectodermale dysplasie (HED) is
voor sommige patiënten een ernstige aandoening waarbij behalve de huid ook huidadnexen zoals
haren, talg en zweetklieren zijn betrokken. Daarnaast kunnen ook tanden (oligodontie) en
speekselklieren zijn aangedaan. De opsporing van het syndroom verloopt meestal via de
mannelijke lijn, hoewel ook bij vrouwelijke draagsters (veelal geringere) symptomen kunnen
worden aangetroffen.
De tandheelkundige behandeling is veelal complex en berust bij de tandarts uit een
centrum voor bijzondere tandheelkunde, die samenwerkt met de orthodontist en de kaakchirurg.
De behandeling van patiënten met HED bestaat uit zorgvuldige conservering van het melkgebit
en vervolgens conservering van het (deels niet aangelegde) blijvende gebit. Orthodontische
behandeling zorgt ervoor dat de weinige pijlerelementen op een juiste plaats komen te staan voor
een succesvolle behandeling met een langdurig functionerende prothetische voorziening. De
tandarts of kaakchirurg-implantoloog kan ervoor zorgen dat pijlerelementen op strategische
plaatsen komen te staan; veelal zal dit vooraf gegaan worden door de opbouw van de kaakwal
met kinbot of bot van de bekkenkam.
Inleiding
Er bestaan meer dan 150 verschillende vormen van ectodermale dysplasie waarvan de
geslachtsgebonden recessieve vorm van hypohidrotische ectodermale dysplasie (HED) één van
de meest voorkomende is. De frequentie van HED wordt geschat op 1:100.000 à 1:10.000
pasgeboren baby’s per jaar (Crawford et al, 1991). HED is een X-gebonden recessieve
aandoening die daarom vrijwel uitsluitend het mannelijke geslacht treft. Daarnaast komt, nog veel
zeldzamer, een autosomaal dominante en autosomaal recessieve vorm van ectodermale
dysplasie voor. In dit artikel beperken we ons tot HED.
HED komt over de hele wereld en in alle bevolkingsgroepen voor. De eerste beschrijving
van dit ziektebeeld dateert vermoedelijk uit 1792 (Gorlin et al, 1990), ook Darwin maakt melding
van deze aandoening (Kere et al, 1996).
Bij patiënten met HED treedt in een embryonaal stadium een stoornis op in de ontwikkeling
van het ectoderm. Hierdoor wordt de aanleg van structuren verstoord die uit ectoderm ontstaan,
zoals huid, haren, tanden, zweetklieren, talgklieren en speekselklieren.
Klinische kenmerken
Het meest opvallende kenmerk van HED is de hypohidrosis (verminderde capaciteit tot
transpireren). Gedurende het eerste levensjaar presenteren kinderen zich soms met onbegrepen
koorts. Een enkele keer kan de hypohidrosis tot een dusdanig sterk verhoogde
lichaamstemperatuur (hyperthermie) leiden dat wiegendood optreedt. De huid voelt droog aan
door een verminderd aantal talg- en zweetklieren. Behalve de verminderde zweetproductie lijden
sommige patiënten met HED ook aan een verminderde traanproductie en/of speekselsecretie
doordat de betrokken klieren afwezig zijn of onvoldoende functioneren. Bij ongeveer 65% van de
patiënten komt eczeem voor. Ook het uiterlijk van patiënten met HED is kenmerkend (afb. 1).
Afb. 1.
a. Patiëntje met hypohidrotische ectodermale dysplasie. Opmerkelijk zijn
de rimpeltjes rond de ogen en de protruderende lippen. De hoofd- en
wenkbrauwbeharing zijn schaars.
b. Profielopname. De onderste gelaatshoogte is wat gering en de plica
mentalis is diep.
c. Hoofdbeharing van dezelfde patiënt. Het haar is schaars en stug. Veelal
is de beharing blond, bij deze patiënt echter niet.
De patiënten hebben een vooruitstekend voorhoofd, een lage neusbrug, rimpeltjes rond de ogen,
enige protrusie van de lippen en een lage onderste gelaatshelft (Clarke, 1987). Het hoofdhaar is
dun en steil (‘lanugo’ of wolhaar) en er is weinig of geen oog- en wenkbrauwhaar.
Patiënten met HED hebben te weinig tanden en kiezen. Soms is sprake van oligodontie,
soms van anodontie. Deze laatste conditie is zeldzaam. Behalve het aantal gebitselementen is
ook de vorm van vooral de tandkroon aangedaan. Deze is conisch of ten minste sterk
gereduceerd (afb. 2).
Afb. 2.
a. Intraoraal beeld van de dentitie van dezelfde patiënt. Er
ontbreekt een groot aantal blijvende gebitselementen en de
kroonvorm van de aanwezige elementen is sterk conisch.
b. Orthopantomogram en ‘tracing’ van de dentitie met slechts
13 blijvende gebitselementen en 1 melkelement.
Door de aanwezigheid van slechts een beperkt aantal gebitselementen is de beethoogte gering
en de beet diep. Bovendien wordt de processus alveolaris niet ‘opgebouwd’ op plaatsen waar
geen gebitselementen zijn aangelegd. Een diepe plica mentalis, protruderende lippen en
raghaden zijn hiervan het gevolg.
Veel jonge kinderen hebben voedingsproblemen doordat korstjes van ingedroogd
neussecreet de ademhaling via de neus blokkeren. Sommige jongens hebben moeite met praten.
Bij een deel van de patiënten wordt dit veroorzaakt door articulatieproblemen ten gevolge van
oligodontie en neusobstructie. Maar ook gehoorproblemen door ingedroogd oorsmeer in de
gehoorgang en een gebrek aan zelfvertrouwen door het opvallende gelaat kunnen een rol spelen
(Clarke, 1987).
Erfelijkheid
Bij HED is sprake van een geslachtsgebonden, recessieve overerving (X-linked). Men spreekt
van geslachtsgebonden omdat het gen voor deze aandoening gelegen is op het X-chromosoom.
Bij geslachtsgebonden recessieve overerving zijn vrouwen draagsters van de aandoening.
Theoretisch lijdt de helft van hun zonen aan HED. Minstens 70% van de draagsters van HED
vertoont ook in lichte mate verschijnselen van de aandoening. Men kan deze draagsters
opsporen door tandheelkundig onderzoek (inclusief röntgenfoto) en onderzoek van de
zweetproductie. Recentelijk heeft men in een onderzoek bij 18 mannen met HED bij 95% van hen
veranderingen in het EDA1-gen op het X-chromosoom gevonden (Monreal et al, 1998). Daardoor
is het tegenwoordig mogelijk de diagnose HED met DNA-onderzoek te bevestigen. Ook kunnen
draagsters van de aandoening met DNA-onderzoek worden opgespoord. Hierdoor zal
erfelijkheidsadvisering voor families met HED gemakkelijker kunnen plaatsvinden.
Differentiële diagnose
Oligondontie is een verschijnsel dat iedere tandarts kan tegenkomen
(Van der Weide et al, 1990). Naast een erfelijke aanleg kan oligodontie bijvoorbeeld ook worden
veroorzaakt door exogene factoren zoals röntgenstraling, trauma en congenitale lues. In de
literatuur worden families beschreven met een mogelijk autosomaal dominant overervende
oligodontie (Schalk-van der Weide, 1992). Oligodontie kan ook onderdeel uitmaken van bepaalde
syndromale aandoeningen zoals het Rieger-syndroom, incontinentia pigmenti, Ellis-Van
Creveld-syndroom, Ectrodactylie-Ectodermale dysplasie-Clefting syndroom (EEC-syndroom) en
andere vormen van ectodermale dysplasie (Clarke, 1987; Gorlin et al, 1990). In die situaties volgt
de oligodontie het erfpatroon van de betreffende syndromale aandoening. Bij het constateren van
oligondontie moet men dus alert zijn op eventuele symptomen die behoren bij een syndroom.
Behandeling
Voor de temperatuursregulatie van patiënten met HED kan men gebruikmaken van een koele
omgeving, het nuttigen van koude dranken, het nemen van koude douches en het dragen van
natte kleding. In het geval er een tekort is aan speeksel kan het drinken van water bij de maaltijd
een oplossing bieden. Oogdruppels kunnen een te geringe traanproductie compenseren (Clarke,
1987).
De afwezigheid van een groot aantal gebitselementen en de veelal afwijkende,
gereduceerde kroonvorm van de wel aangelegde gebitselementen plaatst de tandarts voor een
probleem. In de melkdentitie wordt getracht terughoudend te zijn met prothetische maatregelen.
Alleen als het kind er zelf om vraagt, worden maatregelen genomen als een
overkappingsprothese of, minder ingrijpend, een opbouw van de frontelementen met plastische
materialen.
In het blijvende gebit is intensief overleg gewenst tussen de tandarts (veelal werkzaam in
een centrum voor bijzondere tandheelkunde), de orthodontist en de tandarts- of
kaakchirurg-implantoloog. Het is dan van bijzonder belang de weinige gebitselementen
orthodontisch zo te positioneren dat een goede en langdurig functionerende prothetische
voorziening kan worden vervaardigd.
In edentate kaakdelen en daar waar een pijlerelement is gewenst, kan worden overwogen
een tandwortelimplantaat te plaatsen. Daarbij is de hulp van een tandarts- of
kaakchirurg-implantoloog gewenst. Met name de laatste is ook in staat om tevoren de kaak op te
bouwen met bijvoorbeeld een bottransplantaat uit de bekkenkam.
Literatuur
• CLARKE A. Hypohidrotic ectodermal dysplasia. J Med Genet 1987; 24: 659-663.
• CRAWFORD PJM, ALDRED MJ, CLARKE A. Clinical and radiographic dental findings in X linked
hypohidrotic ectodermal dysplasia. J Med Genet 1991; 28: 181-185.
• GORLIN RJ, COHEN MM, LEVIN LS. Syndromes of the head and neck. Oxford: Oxford University
Press, 1990.
• KERE J, SRIVASTAVA AK, MONTONEN O ET AL. X-linked antidrotic (hypohidrotic) ectodermal dysplasia
is caused by mutation in a novel transmembrane protein. Nature Genet 1996; 13: 409-416.
• MONREAL AW, ZONANA J, FERGUSON B. Identification of a new splice form of the EDA1 gene permits
detection of nearly all X-linked hypohidrotic ectodermal dysplasia mutation. Am J Hum Genet
1998; 63: 380-389.
• SCHALK-VAN DER WEIDE Y. Oligodontia. A clinical, radiographic and genetic evaluation. Utrecht:
Rijksuniversiteit, 1992. Academisch proefschrift.
• WEIDE Y VAN DER , STEEN WHA, BEEMER FA, BOSMAN F. Oligodontie. Ned Tijdschr Tandheelkd 1990;
97: 455-457.
Summary
Syndromes 17. Hypohidrotic ectodermal dysplasia
The X-linked hypohidrotic ectodermal dysplasia (HED) is characterized by hypohidrosis,
hypotrichosis and hypodontia. Sebaceous and salivary glands ar also affected. Recognition of the
syndrom usually comes from affected man, although female carriers may show symptoms.
Dental treatment is complicated and should be coordinated by a dentist in a centre for
special dental care. Cooperation with an orthodontist and an oral and maxillofacial surgeon is
advocated.
Key words:
• Syndrome
• Ectodermal dysplasia
• Oligodontia
Download