Algemene Psychologie

advertisement
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Les 17 en 18: Psychopathologie (H13)
Wat zijn mentale stoornissen?
Mentale stoornis: een patroon van gedachten, gevoelens en gedrag dat leidt tot persoonlijk
lijden en gepaard gaat met significante daling in het maatschappelijk functioneren.
Psychopathologie: verwijst naar het deel van de wetenschap dat zich bezighoudt met de
aard, de totstandkoming en de mogelijke behandeling en preventie van mentale stoornissen.
 verschillende disciplines werken samen: psychologie, psychiatrie, neurowetenschappen,
farmacologie
Drie criteria om mentale stoornissen te definiëren
Soms is er weinig discussie of iemand een mentale stoornis heeft of niet, maar niet altijd 
criteria (symptomen kunnen ook voorkomen bij mensen die voor de rest normaal
functioneren)
1. Een grote afwijking van het gemiddelde (statistische
criterium): iemand wordt als abnormaal beschouwd
wanneer hij/zij lager scoort dan 2 standaarddeviaties
onder het gemiddelde of hoger dan 2 standaarddeviaties
boven het gemiddelde (alle menselijke eigenschappen
volgen een normaalverdeling)
2. Het overtreden van een sociale norm (sociale criterium): abnormaal gedrag staat gelijk
met gedrag dat afwijkt van een maatschappelijke norm.  gedrag moet sociaal
aanvaardbaar zijn
Sociale perspectief? Abnormaliteit is cultuurafhankelijk (vb. homoseksualiteit = mentale
stoornis volgens APA)
3. Persoonlijk lijden (persoonlijke criterium): Wanneer een persoon chronisch lijdt of
wanneer gedrag wordt door de persoon zelf als schadelijk of nutteloos ervaren.
 sommige eigenschappen komen veel voor en zijn ook door de cultuur aanvaard, maar
veroorzaken zoveel ongemak voor de persoon dat hij/zij eronder lijdt
 sommige vormen van persoonlijk lijden zijn te wijten aan externe factoren en een aantal
personen gedraagt zich volstrekt onaanvaardbaar zonder hier ook maar enig emotioneel
leed van te ondervinden
Factoren die een rol spelen bij mentale stoornissen
1. Biologische factoren
Biologisch perspectief: lichamelijke oorzaken zijn de oorsprong van mentale processen.
Algemene Psychologie
1ste bachelor
-
-
Bestaat al lang: Hipocrates (hysterie door losgeslagen baarmoeder)
Nam af tijdens de middeleeuwen
Volop in de aandacht aan het einde van de 18e E
Impact toegenomen in 2e helft van 20ste E: ontdekking geneesmiddelen die invloed
hadden op verschillende stoornissen + beter zicht op hersenen
Vb. Borna Disease virus: risicofactor voor het ontstaan van mentale stoornissen?
(stemmingsstoornissen) ; virus in limbische systeem  komt vaker voor bij mensen
met mentale stoornis
invloed op behandeling van stoornis
vb. Maagzweren (stress  bacterie) & epilepsie (kwade geest  neuronen)
genetische bijdrage
2. Psychische factoren
Psychologische perspectief: abnormaal gedrag vindt zijn oorsprong in de mentale processen
die ten grondslag liggen aan het gedrag. (eind 19e E)
-
Charcot: startpunt  interesse in hysterie + gebruikt als eerste hypnose + leraar van
Freud
Psychoanalyse: tot 1960 dominante psychologische benadering in psychiatrie en
psychotherapie
Verschillend van de humanistische en behavioristische visie
Uiterlijk waarneembaar gedrag (overt) = oorsprong van problemen, maar ook
gedachten of cognities (covert)  cognitieve visie: veel abnormale gedragingen en
gevoelens worden veroorzaakt door irrationele of onaangepaste overtuigingen (eerst
gedachten veranderen die aan de basis van het probleem liggen)
3. Sociale factoren
Sociale perspectief: abnormaal gedrag is niets anders dan gedrag dat zich niet houdt aan de
regels en de criteria van de maatschappij.
-
-
-
Thomas Szasz: verschillende reacties tegenover mensen die stemmen horen (Oude
Griekenland: contact met goden; middeleeuwen: contact met duivel; nu:
schizofrenie)
David Rosenhan: Bevinden de karakteristieken op basis waarvan men krankzinnigheid
besluit, zich in de patiënt of zijn ze een gevolg van de context waarin deze
karakteristieken aangetroffen worden?  vraag beantwoord door pseudopatiënten
in een psychiatrische instelling te plaatsen en te kijken of ze ontmaskerd zouden
worden. (experiment P540)
Antipsychiatrie: kritische beweging in West-Europa en Amerika in 1960-1970  legt
de vinger op de ziekmakende factoren in klinieken en in de maatschappij
Resultaat? Rechten van psychiatrische patiënten worden beter beschermd
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Belang van de sociale context:
-
-
-
Inhoud van waanideeën en hallucinaties verandert afhankelijk van maatschappelijke
ontwikkelingen (vroeger godsdienstige thema’s)
Sommige stoornissen komen alleen in bepaalde landen voor (vb. in slides)
Neerslachtige gevoelens zijn op zekere hoogte besmettelijk
Reacties van mensen op iemand met mentale stoornis  gebruik van diagnostisch
label heeft negatief effect: persoon heeft het hierdoor moeilijker om normaal te
functioneren na een moeilijke episode
Westerse landen reageren heftiger op mentale stoornissen van anderen dan
ontwikkelingslanden (grotere kans op terugval)  individualisering en
prestatiegerichtheid + negatieve manier waarop de media berichten
Kans op mentale stoornissen neemt toe wanneer mensen in stresserende
leefomstandigheden leven of wegens sociaal-economische omstandigheden of door
ongunstige sociale relaties
 Ongunstige sociale factoren verhogen de kans op een stoornis, zeker bij biologisch
kwetsbare personen.
4. Het diathese-stressmodel
= dominante denkkader binnen de psychopathologie
Volgens het diathese-stressmodel wordt de kans dat iemand een mentale stoornis krijgt,
bepaald door de kwetsbaarheid (diathese) van de persoon en de mate van de stress in de
omgeving.
Kwetsbaarheid hangt af biologische, psychologische en sociale factoren:
-
Gedeeltelijk geërfd
Hang af van leefomstandigheden bij persoon
Bepaald door denkstijlen van de persoon
Mentale stoornis? Afhankelijk van de mate van de stress waarmee een individu
geconfronteerd wordt.
5. Het demonologische perspectief
Psychopathologie te wijten aan bezetenheid door geest?  psychologie volgt dit perspectief
niet, want de effecten die aan geesten toegeschreven worden, kunnen verklaard worden
vanuit psychische processen.
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Mentale stoornissen classificeren: DSM
Beschrijvingen van fenomenen nodig die men wil verklaren en een classificatie van welke
fenomenen bij elkaar horen en welke niet
1. Betrouwbaarheid: persoon die door ≠ behandelaars beoordeeld wordt, krijgt =
beoordeling
2. Inzicht in de oorsprong van de stoornis en het verdere verloop (prognose mogelijk
maken)
3. Specifieke beoordeling heeft bijbehorende behandeling
Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM)
Van DSM1 tot DSM5
-
-
1ste 2 edities: heel sterk psychoanalytisch geïnspireerd
3e editie (1980): radicale verandering  meer bedoeld als een gedetailleerde
beschrijving vd symptomen zonder al te veel speculatie over de oorzaken van die
symptomen ipv uit te gaan van een theorie over de mentale stoornissen
 Hysterie en neurose verdwenen
 Men wou met operationele definities werken om subjectieve element bij
diagnose te minimaliseren
e
e
4 en 5 editie: verfijnden systeem van editie 3 obv onderzoek dat had
plaatsgevonden.
Edities leiden tot een grote interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
DSM5: 22 groepen van stoornissen
 ≠ DSM4: persoonlijkheidsstoornissen zijn in = systeem ondergebracht als de
andere stoornissen (dus geen assen meer zoals in DSM4)
 Bij elke diagnose moet gekeken worden naar het lichamelijke en sociale
functioneren van de persoon
Kritieken op DSM
1. Mentale stoornissen worden benaderd vanuit het medische model (sluit meer aan bij
psychiatrische visie dan bij pscychologische).
2. Het systeem is enkel beschrijvend, zonder theoretische basis voor de categorieën.
3. Typologie: mensen worden in hokjes ondergebracht.
4. Maatschappelijke gevolgen die gepaard gaan met het definiëren en opnemen van
een stoornis in de DSM. Opname van stoornis = toename van # diagnoses
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Stoornissen in de kinderleeftijd
Kindertijd = periode met relatief weinig problemen?  nogal wat kinderen vertonen
emotionele en gedragsproblemen (1/3 tussen 4 en 18 jaar)
De autismespectrumstoornis
= ontwikkelingsstoornis gekenmerkt door sociaal-communicatieve beperkingen, repetitief
gedrag en overdreven interesses.
Spectrumstoornis: stoornis die het volledige spectrum bestrijkt. (ernst gaat van mild tot zeer
ernstig)
5 voorwaarden (volgens DSM)
A.
B.
C.
D.
Aanhoudende zwakte in sociale communicatie en sociale interacties.
Repetitieve patronen van gedragingen, interesses en activiteiten.
De symptomen zijn aanwezig vanaf de vroege kindertijd.
De symptomen vormen een ernstige beperking voor het dagelijks functioneren van
de persoon.
E. Symptomen = intellectuele handicap of een algemene ontwikkelingsachterstand.
Zwakte in sociale communicatie en sociale interacties
-
Ouders merken probleem op: krijgen onvoldoende contact met het kind
Kind heeft in vgl met anderen weinig of geen belangstelling voor het menselijk
gezicht
Moeilijk om aandacht te delen met iemand anders of om speelgoed te delen
Minder geneigd om te geeuwen nadat iemand anders gegeeuwd heeft
Moeite om Theory Of Mind te ontwikkelen: gedachten van anderen niet of
onvoldoende lezen
Symbolische spel ontbreekt
Repetitieve patronen van gedragingen, interesses en activiteiten
-
Behoefte aan structuur, herhaling en vaste ritmen
Intellectuele vaardigheden
-
Belangrijk percentage heeft een intellectuele achterstand en beperkte
taalvaardigheden
Vaak voorkomend kenmerk: houterigheid
Motorische ontwikkeling is trager en stuntelig
Letten weinig op reacties van toehoorders
Algemene Psychologie
1ste bachelor
-
Problemen met pragmatiek van taal: ongepaste dingen zeggen en last om figuurlijke
taal en moppen te begrijpen
Aan middel gebonden stoornissen
= wanneer een persoon een psychoactief middel gebruikt waaronder de eigen gezondheid,
de sociale relaties en/of het werk lijden
DSM onderscheidt 10 klassen van middelen.
Stoornis in alcoholgebruik en alcoholintoxicatie
DM-5: onderscheid tussen stoornis in alcoholgebruik en een alcoholintoxicatie.
Stoornis in alcoholgebruik: een problematisch patroon van alcoholgebruik leidend tot een
klinisch significante functioneringsbeperking of bron van leed, aangetoond door de
aanwezigheid van minstens 2 kenmerken gedurende een periode van 12 maanden.
Kenmerken: zie hb. P548
Alcoholintoxicatie: persoon vertoont kortdurend problematisch gedrag na inname van
alcohol.
-
Frequentste vorm van misbruik en/of verslaving in onze maatschappij
1/3 wordt abstinent, 1/3 blijft doordrinken en 1/3 sterft binnen de 10 jaar
Alcohol heeft een tegenstrijdige invloed op de gemoedstoestand van een persoon
Waarom drinken mensen te veel?
-
-
-
Angst en spanningen verminderen
Erfelijke component
 Omstandigheden in het gezin van herkomst
 Individugebonden factoren
 Mannen met lage reactiviteit: meer kans om alcoholafhankelijkheid te
ontwikkelen
Psychologische bijdrage : bijdrage van leerprocessen
 Positieve bekrachtiging door de aangename effecten van het drinken van
alcohol (smaak, lichamelijke gevolgen, symbolische betekenis)
 Klassieke conditionering
 Observerend leren
Sociaal-culturele verschillen
 Bij ons wordt alcohol geassocieerd met gezelligheid en vrije tijd
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Psychotische stoornissen
Schizofreniespectrum en andere psychotische stoornissen: abnormaal functioneren komt
voor in 1 of meer van de volgende domeinen: wanen, hallucinaties, incoherent denken en
spreken, gedesorganiseerd of abnormaal motorisch gedrag en negatieve symptomen.
Schizofrenie
-
Eugen Bleuler: bedacht term  verwijzing naar incoherente mentale processen en
het gebrek aan voeling met de sociale realiteit
Minder dan 1% van de bevolking krijgt schizofrenie (hoger bij mannen dan bij
vrouwen)
Leeftijd van vrouwen ligt hoger dan bij mannen
Wordt gekenmerkt door 2 of meer van volgende symptomen (volgens de DSM) +
symptomen moeten minstens 1 maand aanwezig zijn:
 Wanen
 Hallucinaties
 Onsamenhangend denken en spreken
 Ernstig chaotisch of catatoon gedrag
 Vervlakking van affect, armoede van spraak en gedachten, of apathie
Wanen
= overtuiging die wordt gehandhaafd, ondanks argumenten en evidentie die normaal
voldoende zouden moeten zijn om haar te weerleggen.
1. Verkeerde identificatie of verkeerde interpretatie van sociale situaties (73%).
2. Betrekkingswaan (63%): overtuiging dat normale voorwerpen of gedragingen van
andere personen een bijzondere betekenis hebben en relevant zijn voor de patiënt.
(negatieve zin)
3. Beïnvloedingswaan (50%)
4. De overtuiging dat gedachten uitgezonden worden (22%).
5. Achtervolgingswaan
6. Grootheidswaan
Wanen zijn wellicht een gevolg van het feit dat de patiënt probeert te begrijpen wat
hem/haar overkomt.
Oorzaken?
-
De patiënt ziet geen andere mogelijkheid om de interne ervaringen een plek te
geven.
De patiënt is niet meer in staat om zelf alternatieve verklaringen te genereren en te
overwegen.
Algemene Psychologie
1ste bachelor
-
De meest voor de hand liggende alternatieve verklaring (ik word gek) is te
bedreigend.
Hallucinaties
= perceptuele ervaringen zonder bijbehorende fysische stimulus. (meest voorkomend: horen
van stemmen)
-
Patiënt kan geen onderscheid meer maken tussen stimuli die intern gegenereerd
worden en stimuli die van buitenaf komen
Patiënten zijn perceptueel overgevoelig
Onsamenhangend denken en spreken
-
Logische opeenvolging in gedachten gaat verloren
Wat gezegd wordt, heeft geen betekenis
Patiënt springt van de hak op de tak
Chaotisch of catatoon gedrag
-
Lachen zonder aanwijsbare reden
Geprikkeld en onvoorspelbaar reageren
Passief
Affectvervlakking
-
Stoornissen in het gevoelsleven
Emotionele reacties zijn verminderd of helemaal verdwenen
Veel patiënten zijn zich hiervan bewust (vooral in de beginfase)
Positieve en negatieve symptomen
Positieve symptomen: er wordt iets aan het normale functioneren toegevoegd (emotionele
beroering, motorische agitatie, hallucinaties,…)
-
Beginnen abrupt
Gaan gepaard met abnormale activiteit in het limbische systeem
Reageren goed op antipsychotische geneesmiddelen
Negatieve symptomen: worden gekenmerkt doordat er iets ontbreekt bij het normale
functioneren. (problemen met gevoelsuiting, communicatieve vaardigheden, omgaan met
de omgeving,…)
-
Beginnen geleidelijk aan en verergeren
Patiënt reageert minder goed op antipsychotische geneesmiddelen
Abnormale activiteit in de frontale lobben
Algemene Psychologie
1ste bachelor
-
Achteruitgang in het cognitief functioneren
Oorzaken van schizofrenie
1. Biologische factoren
-
Wordt gedeeltelijk erfelijk bepaald
Geneesmiddelen helpen bij de behandeling van deze stoornis (werken in op de
neurotransmissie die gebruik maakt van dopamine)
Te hoge concentraties van de neurotransmitter dopamine ofwel een extreem hoge
gevoeligheid aan dopamine
Dopaminebanen spelen belangrijke rol bij het limbische systeem (regelen van
emotioneel gedrag), de frontale cortex (controleren van gedragingen), subcorticale
structuren (vlotte uitvoering van bewegingen)
2. Psychische factoren
-
psychoanalyse: gevolg van alomvattende regressie naar een vroeger infantiel stadium
waardoor de patiënt in de fantasiewereld gaan leven
behaviorisme: uit de hand gelopen bekrachtigingsproces
nu: leren omgaan met wanen en hallucinaties
psycho-educatie: onderzoek naar hoe men de patiënt en de familie kan leren
omgaan met deze nieuwe situatie
3. Sociale factoren
-
-
-
trauma’s in de kindertijd (seksuele en lichamelijke mishandeling, oorlog, natuurramp,
pesten, dood van ouder, verwaarlozing,…)  hoe meer trauma’s men meegemaakt
heeft, hoe hoger de kans op schizofrenie
urbanisatiegraad van de plek waar men woont: mensen in een grote stad hebben 2x
zoveel kans om schizofrenie te ontwikkelen
het hebben van een minoriteitstatuut: wanneer je behoort tot de minderheidsgroep
(immigranten)  chronische stress wordt veroorzaakt door sociale discriminatie;
sociaal wantrouwen  gemoedsgesteldheid waarin wanen en hallucinaties een
grotere kans hebben om voor te komen
gebruik van drugs (cannabis): verhoogde kans op psychotische episodes die
schizofrenie kunnen uitlokken
Van Os et al.: 4 bovenstaande variabelen komen dikwijls samen voor
-
invloed van accute stressfactoren
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Expressed emotion: de omgeving meent het wel goed, maar de spanningen lopen zo hoog
op dat het risico op terugval verdubbelt.
-
Leden van gezin zijn heel sterk begaan met de betrokkene en overbezorgd, maar zijn
ook hyperkritisch en wrokkig
Komt meer voor in Amerika dan in India
Komt meer tot uiting naar aanleiding van de negatieve symptomen
Stemmingsstoornissen
Stemming: een emotionele toestand die tamelijk duurt, die meestal minder intens is dan
een emotie en niet gericht is op een bepaalde stimulus.
Stemmingsstoornissen: ernstige verstoringen in de stemming tot op een punt waarbij
buitensporige of inadequate neerslachtigheid of opgetogenheid optreedt. Gaan gepaard met
veranderingen in eet- en slaappatroon.
Bipolaire stoornis
= een opeenvolging van een of meerdere manische en depressieve episodes bij eenzelfde
individu.
Manische episode: toestand van intense en onrealistische gevoelens van opwinding en
euforie.
Depressiestoornis
Depressieve episode: men ervaart somberheid en neerslachtigheid.
Majeure depressiestoornis (volgens de DSM-5): vijf of meer van de volgende symptomen (in
HB) waren binnen een periode van 2 weken aanwezig en wijzen op een verandering tov het
eerdere functioneren.  ook cognitieve en motivationele factoren spelen een rol
Depressiestoornissen komen veel voor en in verschillende gradaties.
Seligman: depressie = de verkoudheid van de geestesziekten
Bracke en Wauterickx: 4 risicogroepen
-
Zich isolerende mannen
Werklozen
Uit de echt gescheiden moeders
Studenten
 Vonden dat depressiescores daalden naarmate de leeftijd toenam.
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Oorzaken van depressie
Biologische factoren
-
Erfelijkheid
Biochemische mechanismen:
 De activiteit van neuronen die via serotine met elkaar communiceren, is bij
depressieve patiënten verlaagd.  serotineheropname inhibitoren
voorgeschreven als behandeling.
 Afwijking is niet specifiek voor depressie: ook het geval bij angsstoornissen,
eetstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen,… (veranderingen in
serotinegevoelige activiteit)
 Activiteit van op noradrenalineactiviteit gebaseerd op hersensystemen lijkt
verlaagd te zijn (vertraagde bewegingen, verminderde vermogen om plezier
te beleven)
 Tijdens een manie worden deze stoffen verhoogd
Psychische factoren
-
-
-
-
-
Freud: orale stadium  depressie is het gevolgd van een ingebeeld of symbolisch
verlies, waarbij de agressie zich naar binnen richt. (rest: HB)
Leerpsychologie (Lewinsohn): Een depressie is het gevolg van een verminderde
positieve bekrachtiging vanuit de omgeving.  vooral bij mensen met minder goede
sociale vaardigheden. Hoe oplossen? Depressieve personen vaardigheden leren
zodat ze meer bekrachtiging kunnen verwerven.
Aaron Beck: de negatieve gevoelens en gedragingen bij depressie zijn het gevolg van
negatieve gedachten.  depressieveroorzakende schema’s of disfunctionele
gedachten die zicht ontwikkelen tijdens de kindertijd en adolescentie. Mensen zien
zich als inadequaat, waardeloos en hulpeloos. Wanneer de schema’s geactiveerd
worden  depressie
Seligman: aangeleerde hulpeloosheid: experiment met honden en shocks (H6).
Depressieve mensen hebben geleerd om zichzelf te beschouwen als iemand die geen
controle of invloed meer heeft op de gebeurtenissen om zich heen. 3 tekorten:
 Motivationele deficits: men onderneemt geen pogingen meer om iets aan de
situatie te veranderen
 Cognitieve deficits: negatieve gedachten interfereren met andere gedachten
 Emotionele deficits
Causale attributies om situatie te verklaren
1. Intern/extern
2. Globaal/specifiek
3. Stabiel/veranderbaar
Neiging tot piekeren
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Sociale factoren
-
Reactie op stresserende gebeurtenis
Vrouwen hebben meer kans om geconfronteerd te worden met stresserende
gebeurtenissen
Al dan niet hebben van ondersteunende partner
Relatieproblemen
Hebben van werk
Mate van stressfactoren in de hedendaagse samenleving
Integratie binnen het diathese-stressmodel
Nuttig denkkader om de interacties te begrijpen.
Angststoornissen en obsessieve-compulsieve stoornissen
Sommige mensen ervaren angst bij normale alledaagse activiteiten.
Angststoornis: een ernstige en aanhoudende vorm van angst zonder een realistische
aanleiding. De betrokkene beseft dit en leidt hieronder; de stoornis interfereert met het
functioneren.
Fobieën
Specifieke fobieën: intense angstreacties op voorwerpen of activiteiten waarvan het gevaar
niet in verhouding staat tot de hevigheid van de reactie.  vluchten/situatie vermijden.
Inschatting van risico is disproportioneel.
-
Obv klassieke conditionering kunnen neutrale stimuli een schrikreactie uitlokken als
ze geassocieerd worden met een schrikaanjagende ervaring.
Ook angst door observerend leren
Vermijdingsreacties worden versterkt obv bekrachtiging  negatieve bekrachtiging
doordat men aan de negatieve gevolgen ontsnapt; positieve bekrachtiging omdat bv.
persoon aandacht krijgt
Sociale-angststoornis
= algemene angst om negatief beoordeeld te worden en in verlegenheid gebracht te worden
in een veelheid van sociale situaties. (vroeger: sociale fobie)
Veralgemeende angststoornis
= overmatige, chronische bezorgdheid over een hele reeks van gebeurtenissen en
activiteiten.  voortdurende toestand van gespannenheid,… Symptomen in HB p. 563
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Mensen die perfectionistisch zijn, een groot gevoel van verantwoordelijkheid hebben en
geneigd zijn tot catastrofaal denken, hebben een verhoogde kans.
Paniekstoornis
=het krijgen van onverwachte paniekaanvallen zonder een aanwijsbare oorzaak. Betrokkene
ontwikkelt anticipatorische angst, angst voor plaatsen die een aanval zouden kunnen
uitlokken.
Obsessieve-compulsieve en gerelateerde stoornissen
= het voorkomen van terugkerende, ongewilde en opdringerige dwanggedachten of
dwangbeelden (obsessies) die gepaard gaan met dwanghandelingen (compulsies) die de
betrokkene meent te moeten uitvoeren om de dwanggedachten te neutraliseren en een
gevreesde situatie te voorkomen.
2 belangrijkste categorieën: poetsen en controleren
Oorzaak?
1. Ontregeling in het hersencircuit dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van
primaire gedragspatronen.
2. Lichte geheugenproblemen waardoor ze moeilijker kunnen bijhouden wat ze al
gedaan hebben
3. Verschil door het belang die ze aan de obsessies hechten
Preoccupatie met somatische symptomen
Psychische moeilijkheden uiten zich soms in een medisch probleem.
De somatische symptoomstoornis
=sterke psychische reacties op relatief onbeduidende lichamelijke klachten. Symptomen: zie
HB p. 566
Met of zonder dominant pijngevoel? De betrokkene veinst de symptomen niet, hij is ervan
overtuigd dat er op medisch vlak iets verkeerd is.
Somatisering: de uiting van psychische problemen via lichamelijke klachten.
Conversiestoornis
= stoornis waarbij men opeens niet meer in staat is om een bepaald lichaamsdeel te
gebruiken. (vb. hysterische verlamming, hysterische blindheid)  vooral tijdens WOI en
WOII
Algemene Psychologie
1ste bachelor
-
-
Freud: angst werd tgv een verdrongen seksueel conflict omgezet in een verlies van
sensorisch of motorisch functioneren.
Behavioristen/leerpsychologen: manier om aan angst en stress te ontsnappen of om
aandacht te trekken.  secundaire ziektewinst: voordelen die verbonden zijn aan
een mentale stoornis doordat men zich aan onplezierige verplichtingen kan
onttrekken.
Oakley: vertoont grote overeenkomst met verschijnselen die men vaststelt onder
hypnose.  volgens deze visie ontstaan conversiesymptomen door een
autosuggestief mechanisme dat vergelijkbaar is met wat bij hypnose gebeurt.
Dissociatieve stoornissen
= verwijzen naar aandoeningen waarbij er een verstoring voorkomt in het identiteitsgevoel
van de persoon. Ontstaan in een poging om angst en stress te ontlopen en om
levensproblemen op te lossen.
Dissociatieve amnesie en identiteitsstoornis
Dissociatieve amnesie: het onvermogen om zich belangrijke persoonlijke informatie te
herinneren als gevolg van een traumatische of stresserende ervaring.
-
Geheugenverlies is psychogeen: werd niet door aanwijsbare lichamelijke factoren
veroorzaakt
Informatie is niet verloren gegaan, alleen niet meer toegankelijk (hypnose?)
Amnesie is beperkt in tijd en herstel is nagenoeg volledig
Het episodische geheugen wordt ontoegankelijk
Procedurele geheugen, semantische geheugen en werkgeheugen blijven intact 
personen beschikken nog over de vaardigheden die ze voordien hadden
Gelokaliseerde amnesie
Persoon herinnert zich niet langer belangrijke gebeurtenissen uit een bepaalde periode.
(traumatische gebeurtenis)
Veralgemeende amnesie
Persoon is volledige levensgeschiedenis vergeten.
Dissociatieve amnesie met fugue
Persoon trekt weg uit de vertrouwde omgeving en neemt een nieuwe identiteit aan. 
uitweg uit situatie die ondraaglijk is geworden
Algemene Psychologie
1ste bachelor
Dissociatieve identiteitsstoornis: een persoon wisselt af tussen 2 of meer persoonlijkheden.
Het is niet duidelijk in hoeverre de betrokkene controle heeft over de
persoonlijkheidswisselingen.  controversiële diagnose
Huntjens et al.:
Experiment p. 569
De prevalentie van mentale stoornissen
Wat betekenen de cijfers?
Factoren die een invloed hebben op de cijfers
1. Welke definitie van de stoornis werd gehanteerd?
2. Gaat het om incidentie of prevalentie?
- Incidentie: Hoeveel procent nieuwe gevallen zijn er in de bevolking?
- Prevalentie: Hoeveel procent gevallen zijn er in de bevolking?
3. Over welke periode werd de prevalentie (incidentie) berekend?
Prevalentie en comorbiditeit
Het is moeilijk om gegevens met elkaar te vergelijken omdat de studies op de 3 criteria van
elkaar verschillen.
Comorbiditeit: het feit dan mensen aan meer dan één stoornis kunnen lijden.
Download