Document

advertisement
Paragraaf 1.
Bij maatschappijleer staat centraal dat je deel uitmaakt van de Nederlandse samenleving. Overal
waar mensen met elkaar te maken hebben zijn er afspraken en regels. De Nederlandse samenleving
heeft vier verschillende gebieden:
1. Rechtstaat
2. Parlementaire democratie
3. Pluriforme samenleving
4. Verzorgingsstaat
Kenmerken van een maatschappelijk probleem zijn:
- Er zijn veel mensen bij betrokken: de drugs problematiek en het fileprobleem, daar zijn veel mensen
bij betrokken maar je kunt het niet altijd gelijk zien, dit is overlast op lange termijn.
- Er zijn veel tegenstrijdige belangen: 1. Politieke visies: hoe de politiek er op verschillende kanten
naar kijkt. 2. Geloofs- of levensovertuigingen: de een heeft meer moeite met een regel dan een
ander door het geloof. 3. Sociaaleconomische posities: Een werkgever wil liever zo min mogelijk
premies betalen, terwijl iemand zonder werk belang heeft bij een goede uitkering.
- Je hebt een overheid nodig om een oplossing af te dwingen: om een maatschappelijk probleem aan
te pakken zijn vaak nieuwe regels en wetten nodig of aanpassingen van bestaande regels. Daarmee is
het meteen een politiek probleem omdat de politici oplossingen moeten bedenken.
* Compromis: een tussenoplossing of een afweging
Paragraaf 2
Waarden zijn ideeën die mensen heel belangrijk vinden. Normen zijn regels over hoe mensen zich
moeten gedragen, die leer je dus aan in je opvoeding. Een norm wordt ook wel gezien als een sociale
verplichting die je moet doen omdat het door je omgeving wordt opgelegd, je krijgt anders
bijvoorbeeld straf. Waarden die je heel graag wilt verwezenlijken noem je ook wel idealen. Een
belang is het voor of nadeel dat iemand ergens bij heeft en heeft vaak met de economie te maken.
Macht is hoeveel invloed je op andere mensen hebt. De macht die je bijvoorbeeld in je
vriendengroep gebruikt en dus niet in regels is vastgelegd, noem je invloed. Macht kan je uitoefenen
door middel van machtsbronnen (geld, beroep, kennis, functie, overtuigingskracht, aanzien, geweld
en aantal). Sociale cohesie is het gevoel hebben om bij elkaar te horen.
Paragraaf 3
Niet alles wat je hoort of leest is waar. De betrouwbaarheid kun je controleren door:
1. Wordt er bij cijfers en andere gegevens een bronvermelding genoemd?
2. Is er duidelijk onderscheid tussen feiten en meningen?
3. Wordt iets van verschillende kanten bekeken?
Feiten zijn controleerbaar en noemen we objectief. Meningen zijn niet controleerbaar en noemen
we subjectief. We spreken van een selectieve waarneming als elke informatie zodanig wordt
vervormd dat deze zo veel mogelijk past in ons referentiekader. Je referentiekader is alles wat je
bezit aan kennis, ervaringen, normen, waarden en gewoonten. Manipulatie is als er opzettelijk iets
wordt weggelaten wordt, of er voorbij gepraat wordt. Propaganda is als er ook opzettelijk iets wordt
weggelaten om aanhangers te krijgen bij bijvoorbeeld een bepaalde groep. Bij indoctrinatie wordt er
langdurig heel dwingend opvattingen en meningen gebruikt. Met stereotypering worden de ijven:
kenmerken van 1 bepaald persoon gelijk aan een hele groep vastgemaakt. Als je mensen van een
bepaalde groep anders behandelt op grond van kenmerken die helemaal niet van belang zijn in de
situatie wordt het discriminatie genoemd.
Paragraaf 1.
Maatschappelijke normen zijn normen wat de maatschappij ervan vind en wat te maken heeft met je
gedrag. Rechtsnormen zijn gedragsregels die door de overheid wettelijk zijn vastgesteld. In het
wetboek staat het recht. Rechten en plichten:
1. Publiekrecht (burgers en overheid):
2. Privaatrecht (burgers onderling):
- staatsrecht
- erfenis
- bestuursrecht
- bedrijfsovername
- strafrecht
- garantie van scooter
Paragraaf 2.
Kenmerken van een rechtsstaat zijn:
- iedereen is voor de wet gelijk, de overheid daarbij ook.
- politieke machtenscheiding, de trias politica (onafhankelijke rechters).
- grondrechten van de burgers zijn vastgelegd.
De Franse Revolutie in 1789 heeft een einde gemaakt aan de absolute monarchie. Om
machtsmisbruik te voorkomen werd er een grondwet geschreven. Geleidelijk aan werd Nederland
een democratie. Eerst kregen alle mannen kiesrecht, en 2 jaar later alle vrouwen. Toen de plicht van
de overheid om actief te streven naar een goede gezondheidszorg en inkomen voor iedereen was
gekomen, was Nederland een sociale rechtstaat geworden.
Machtsverdeling:
- Wetgevende macht: stelt wetten vast waar de burgers en de overheid zich aan moeten houden.
- Uitvoerende macht: zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten ook zo worden uitgevoerd.
- Rechterlijke macht: beoordeelt of mensen iets overtreden hebben en doen daar uitspraak in.
Grondrechten:
1. vrijheid (vrijheid van meningsuiting)
2. gelijkheid ( zoals het discriminatieverbod)
3. politiek (zoals het kiesrecht)
4. sociaal (zoals het recht op werk)
|
| klassieke grondrechten
|
Wetboek van strafrecht:
1. Legaliteitsbeginsel: geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke
strafbepaling.
2. De strafmaat: omvang en duur van straf
3. Ne bis in idem-regel: je mag niet tweemaal voor het zelfde opgepakt worden
Paragraaf 3.
Grondrechten worden alleen besloten als twee derde van de meerdermeid in het parlement er voor
stemt. Toch staat de rechtsstaat discussie vanwege een aantal redenen:
- Er is regelmatig een roep om zwaardere straffen
- De georganiseerde misdaad vraagt om een betere aanpak
- We hebben te maken met een wereldwijde terreurdreiging
- Grondrechten kunnen botsen en staan soms ter discussie
Wet BOB: De wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, deze wet geeft de politie onder
voorwaarden de bevoegdheid tot inkijkoperaties waarbij de politie inbreekt om te kijken of er ergens
mogelijk bewijsmateriaal aanwezig is.
Wet terroristische misdrijven: terroristische misdrijven worden zwaarder bestraft.
Download