Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor zwembaden

advertisement
Beste Beschikbare Technieken (BBT)
voor zwembaden
Beste Beschikbare Technieken (BBT)
voor zwembaden
Liesbet Van den Abeele, Erika Meynaerts en Diane Huybrechts
www.emis.vito.be
Studie uitgevoerd door het Vlaams Kenniscentrum
voor Beste Beschikbare Technieken (VITO)
in opdracht van het Vlaams Gewest
Deze uitgave kwam tot stand in het kader van het project ‘Vlaams kenniscentrum voor de Beste Beschikbare Technieken en bijhorend Energie en
Milieu Informatie Systeem’ (BBT/EMIS) van het Vlaams Gewest.
BBT/EMIS wordt begeleid door een stuurgroep met vertegenwoordigers van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Energie, Natuur en Openbare
werken, het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE), het departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) en IWT, OVAM, VLM,
VMM, ZG.
Hoewel al het mogelijke gedaan is om de accuraatheid van de studie te waarborgen, kunnen noch de auteurs, noch VITO, noch het Vlaams
Gewest aansprakelijk gesteld worden voor eventuele nadelige gevolgen bij het gebruik van deze studie. Specifieke vermeldingen van procédés,
merknamen, enz. moeten steeds beschouwd worden als voorbeelden en betekenen geen beoordeling of engagement.
De gegevens uit deze studie zijn geactualiseerd tot augustus 2011.
Lay-out en druk : Drukkerij Artoos NV
Dit boek werd gedrukt op Cocoon Recycled papier met berekening en compensatie van de CO2 uitstoot.
864-53520-1111-1318
ISBN: 9789081690263
Voor verdere informatie, kan u terecht bij :
BBT-kenniscentrum
VITO
Boeretang 200
B-2400 MOL
Tel. 014/33 58 68
Fax 014/32 11 85
e-mail: [email protected]
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook,
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor u ligt één van de BBT-studies die worden gepubliceerd door het BBT-kenniscentrum.
Dit sectorrapport behandelt de Beste Beschikbare Technieken voor zwembaden.
Wat zijn BBT-studies?
De BBT-studies zijn rapporten die per sector de BBT beschrijven. Deze sectorrapporten worden actief en
zowel digitaal (www.vito.be) als in gedrukte vorm verspreid, zowel naar de overheid als naar de bedrijven.
Wat zijn BBT?
Milieuvriendelijke technieken hebben als doel de milieu-impact van bedrijven te beperken. Het kunnen
technieken zijn om afval te hergebruiken of te recycleren, bodem en grondwater te saneren, of afgassen
en afvalwater te zuiveren. Vaker nog zijn het preventieve maatregelen die de emissie van vervuilende
stoffen voorkomen en het gebruik van energie, grondstoffen en hulpstoffen verminderen. Wanneer zulke
technieken, in vergelijking met alle andere, gelijkaardige technieken, ecologisch gezien het best scoren én
ze bovendien betaalbaar zijn, dan spreken we over Beste Beschikbare Technieken (BBT).
Wat is het BBT-kenniscentrum?
In opdracht van de Vlaamse Regering heeft de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO)
in 1995 een kenniscentrum voor Beste Beschikbare Technieken (BBT) opgericht. Het BBT-kenniscentrum
inventariseert informatie over milieuvriendelijke technieken, evalueert per bedrijfstak de Beste Beschikbare
Technieken (BBT) en formuleert BBT-aanbevelingen naar de Vlaamse overheid en bedrijven.
Het BBT-kenniscentrum wordt, samen met het zusterproject EMIS (http://www.emis.vito.be) gefinancierd
door het Vlaamse Gewest. Het centrum wordt begeleid door een stuurgroep met vertegenwoordigers van
de Vlaamse ministers van Leefmilieu, Natuur en Energie, het departement Leefmilieu, Natuur en Energie
(LNE), het departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI), en de agentschappen IWT, OVAM, VEA,
VLM, VMM en Zorg en Gezondheid.
Waarom zijn BBT-studies nuttig?
De vergunningsvoorwaarden die aan de bedrijven worden opgelegd en de ecologiepremie die in Vlaanderen van kracht is, zijn in belangrijke mate gebaseerd op de BBT. Zo geven de sectorale voorwaarden uit
VLAREM II vaak de mate van milieubescherming weer die met de BBT haalbaar is. Het bepalen van BBT
is dus niet alleen nuttig voor de bedrijven, maar ook als referentie voor de overheid in het kader van het
vergunningenbeleid. In bepaalde gevallen verleent de Vlaamse overheid ook subsidies aan de bedrijven als
zij investeren in BBT.
Het BBT-kenniscentrum werkt BBT-studies uit voor een bedrijfstak of voor een groep van gelijkaardige
activiteiten. Deze studies beschrijven de BBT en geven bovendien de nodige achtergrondinformatie. Die
achtergrondinformatie helpt de vergunningverlenende overheid om de dagelijkse bedrijfspraktijk beter aan
te voelen. Bovendien toont ze de bedrijven de wetenschappelijke basis voor hun vergunningsvoorwaarden.
De BBT-studies formuleren ook aanbevelingen om de vergunningsvoorwaarden en de regels inzake ecologiepremie aan te passen. De ervaring leert dat de Vlaamse overheid de aanbevelingen vaak ook werkelijk
gebruikt voor nieuwe milieuregelgeving. In afwachting hiervan worden de aanbevelingen echter als nietbindend beschouwd.
Hoe kwam deze studie tot stand?
Elke BBT-studie is het resultaat van een intensieve zoektocht in de literatuur, bezoeken aan bedrijven,
Vlaams BBT-Kenniscentrum
3
INLEIDING
INLEIDING
INLEIDING
samenwerking met experts in de sector, bevragingen van producenten en leveranciers, uitgebreide contacten met bedrijfs- en milieuverantwoordelijken en ambtenaren enzovoort. De beschreven BBT zijn een
momentopname en bovendien niet noodzakelijk volledig: niet alle BBT die vandaag en in de toekomst
mogelijk zijn, zijn in de studie opgenomen.
Voor de wetenschappelijke begeleiding van de studie werd een begeleidingscomité samengesteld met
vertegenwoordigers van industrie en overheid. Dit comité kwam drie keer samen om de studie inhoudelijk
te sturen (op 04/12/2009, 31/05/2010, en 27/02/2011). De namen van de leden van dit comité en van
de externe deskundigen die aan deze studie hebben meegewerkt, zijn opgenomen in bijlage 1. Het BBTkenniscentrum heeft, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de opmerkingen van de leden van het
begeleidingscomité. Dit rapport is echter geen compromistekst. Het weerspiegelt de technieken die het
BBT-kenniscentrum op dit moment als actueel beschouwt en de aanbevelingen die daaraan beantwoorden.
4
Vlaams BBT-Kenniscentrum
In Hoofdstuk 1 lichten we het begrip Beste Beschikbare Technieken (BBT) en de invulling ervan in Vlaanderen toe en schetsten vervolgens het algemene kader van de voorliggende BBT-studie.
Hoofdstuk 2 beschrijft de sector zwembaden en de belangrijkste socio-economische aspecten en milieujuridische aspecten.
In Hoofdstuk 3 komen de verschillende processen aan bod die in de sector worden toegepast. Ook de
milieu-impact van deze processen wordt beschreven.
Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de technieken die de sector kan toepassen om milieuhinder te
voorkomen of te beperken.
In Hoofdstuk 5 evalueren we deze milieuvriendelijke technieken en selecteren we de BBT. Niet alleen de
technische haalbaarheid, maar ook de milieuvoordelen en de economische haalbaarheid (kostenhaalbaarheid en -effectiviteit) worden daarbij in rekening gebracht.
Hoofdstuk 6 geeft ten slotte aanbevelingen op basis van de BBT. Dit omvat aanbevelingen voor de
milieuregelgeving, voor ecologiepremie en voor verder onderzoek.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
5
leeswijzer
LEESWIJZER
6
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Het BBT-kenniscentrum, opgericht in opdracht van de Vlaamse Regering bij VITO, heeft tot taak het inventariseren, verwerken en verspreiden van informatie rond milieuvriendelijke technieken. Tevens moet
het centrum de Vlaamse overheid adviseren bij het concreet maken van het begrip Beste Beschikbare
Technieken (BBT). In dit rapport worden de BBT voor de zwembaden in kaart gebracht.
Zwembaden gebruiken heel veel water, dat ze moeten desinfecteren om een goede bacteriologische
kwaliteit te garanderen. Hiervoor gebruiken ze veelal chloor als desinfectie / oxidatiemiddel, wat leidt
tot gechloreerde verbindingen (AOX), welke milieuschadelijk kunnen zijn. Daarnaast verbruiken overdekte
zwembaden heel veel energie om het water en de ruimten te verwarmen.
De doelstelling van de deze BBT-studie is na te gaan hoe de hoge water- en energieverbruiken en de
emissies van gechloreerde verbindingen in het afvalwater kunnen beperkt worden.
De BBT-selectie en de adviesverlening is tot stand gekomen op basis van o.a. een socio-economische
sectorstudie, kostprijsberekeningen, een vergelijking met buitenlandse BBT-documenten, bedrijfsbezoeken
en overleg met vertegenwoordigers van de federaties, leveranciers, specialisten uit de administratie en
adviesbureaus . Het formeel overleg gebeurde in een begeleidingscomité. De samenstelling is terug te
vinden in bijlage 1. De methodologie van de BBT-selectie is beschreven door Dijkmans (2000).
In deze studie zijn enerzijds verschillende alternatieven voor chloordesinfectie onderzocht; anderzijds
werd ook gekeken hoe de desinfectiebijproducten kunnen verwijderd worden. Er is echter geen algemeen
aanvaardbare oplossing voor AOX probleem gevonden.
Er zijn wel verschillende technieken beschreven om water en energie te besparen. Respectievelijk 5 en
12 technieken werden als BBT geëvalueerd. Daarnaast zijn ook maatregelen van good housekeeping
opgenomen.
De studie heeft ook “natuurlijke zwembaden” bekeken. Wanneer deze zwembaden onderhouden en uitgebaat worden zonder gebruik te maken van chemicaliën om de waterkwaliteit op peil te houden, is hun
milieu-impact wat betreft emissies naar het water nihil. Ook qua water- en energieverbruik scoort dit type
van zwembad gunstiger ten opzichte van de klassieke zwembaden.
Omdat er onvoldoende meetgegevens voor handen waren, was het niet mogelijk om voor zwembaden
BBT-gerelateerde emissieniveaus af te leiden. Maar op basis van de BBT-conclusies werden concrete aanbevelingen en middelvoorschriften gedefinieerd om de VLAREM-wetgeving aan te passen. Daarnaast werd
ook aangegeven wat de huidige hiaten zijn en waar verder onderzoek noodzakelijk is.
Er zijn ook aanbevelingen / suggesties opgenomen om de VLAREM regelgeving aan te passen zodat meer
water- en energiebesparende technieken toegepast kunnen worden in zwembaden.
Daarnaast bevat de studie een stappenplan voor het stapgewijs implementeren van BBT (en technieken die
verder gaan dan BBT) in nieuwe of bestaande zwembaden. Het stapsgewijs implementeren (of ontwerpen)
is erop gericht om milieuproblemen (o.a. water- en energieverbruik) in eerste instantie te vermijden of
te beperken. Daarna worden maatregelen opgenomen die remediëren. Deze aanpak leidt niet enkel tot
milieuvoordeel, maar ook tot financiële besparingen, omdat technieken die gericht zijn op remediëren
overbodig worden of kleiner kunnen gedimensioneerd worden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
7
samenvatting
SAMENVATTING
8
Vlaams BBT-Kenniscentrum
The Centre for Best Available Techniques (BAT) is founded by the Flemish Government, and is hosted by
VITO. The BAT centre collects, evaluates and distributes information on environmentally friendly techniques.
Moreover, it advises the Flemish authorities on how to translate this information into its environmental
policy. Central in this translation is the concept “BAT” (Best Available Techniques). BAT corresponds to
the techniques with the best environmental performance that can be introduced at a reasonable cost. This
study contains the BAT for swimming pools.
Swimming pools use a lot of water and disinfection agents to guarantee a good water quality. The disinfection / oxidation agents are based on chlorine. The latter forms adsorbable organic halogens (AOX) in
reaction with organic material. AOX can have a negative effect on the environment. Besides this, swimming
pools consume a lot of energy for the heating of the water and the swimming complex.
The objective of the study was to give an answer to the high water and energy consumption and to look for
solutions to reduce the emissions of AOX to the waste water.
The BAT selection in this study was based on plant visits, a literature survey, a technical and socio-economic
study, cost calculations, and discussions with industry experts and authorities. The formal consultation was
organized by means of an advisory committee. The composition of the advisory committee can be found in
annex 1. The methodology used for the BAT-selection is described by Dijkmans (2000).
Different alternatives for chlorine based desinfection were selected for BBT evaluation, as well as technologies (process integrated and end-of-pipe) to reduce or eliminate desinfection by-products. None of them
lead to a generally accepted solution for the AOX problem. Several measures and techniques to reduce the
consumption of water (5) and energy (12) were in fact selected as BBT. Additionally, a description of good
housekeeping in swimming pools was made.
Next to the ‘classic’ swimming pools, natural ponds and natural swimming pools were studied. These pools
are maintained without chemicals, therefore the environmental impact of these pools is negligible. These
pools also have a lower overall water and energy consumption compared to the standard indoor and
outdoor pools.
Since emission data were rather limited, it was impossible to determine BAT associated emission levels for
the swimming pools, including the natural ponds and swimming pools. The study does contain different
suggestions for technical measures based on the BAT-conclusions.
Finally, this study presents a roadmap for the implementation of BATs (and techniques which go further
than BAT) in existing and new swimming pools. The goal of this step by step implementation of techniques
is to start with preventive measures, which avoid environmental problems (o.a. high water and energy
consumption, the formation of AOX). When environmental issues do occur, a second step is using process
integrated techniques, aimed at limiting the environmental problems as much as possible. The last step is
to reduce the environmental problems by end-of-pipe techniques. This step by step approach leads to both
an environmental and a financial benefit, since the need for costly end-of-pipe techniques is reduced to a
minimum (e.g. smaller dimensioning leads to lower costs).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
9
abstract
ABSTRACT
10
Vlaams BBT-Kenniscentrum
INLEIDING. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
LEESWIJZER.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
SAMENVATTING. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7
ABSTRACT. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
INHOUD. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
LIJST VAN TABELLEN. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
LIJST VAN FIGUREN. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
LIJST VAN AFKORTINGEN. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
HOOFDSTUK 1 OVER DEZE BBT-STUDIE. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
1.1 Beste Beschikbare Technieken in Vlaanderen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
1.1.1Definitie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
1.1.2 Beste Beschikbare Technieken als begrip in het Vlaamse milieubeleid. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
1.2 BBT-studie studie Zwembaden.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
1.2.1 Doelstellingen van studie.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
1.2.2 Inhoud van studie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
HOOFDSTUK 2 SOCIO-ECONOMISCHE & MILIEUJURIDISCHE SITUERING VAN SECTOR. . . . . . . . . . . . . . . . 27
2.1 Omschrijving, afbakening en indeling van sector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
2.1.1 Afbakening en indeling van sector. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
2.1.2Bedrijfskolom. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
2.2 Socio-economische situering van sector. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
2.2.1 Beheersvorm bedrijven. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
2.2.2 Aantal en omvang van bedrijven.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
2.2.3Tewerkstelling. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
2.2.4 Productie en prijzen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
2.3 Draagkracht van sector. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
2.3.1 Evolutie van de bedrijfstak. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
2.4 Milieujuridische situering van sector. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
2.4.1Milieuvergunningsvoorwaarden.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
2.4.2 Overige Vlaamse regelgeving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
2.4.3 Buitenlandse wetgeving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
HOOFDSTUK 3 PROCESBESCHRIJVING.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
3.1 Type bad. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
3.2 Doorstroming van het bad.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
3.2.1Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
3.3 Toevoer van water. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
3.3.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
3.3.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
3.4Voorfilter.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
3.4.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
3.4.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
3.5 Coagulatie en flocculatie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
3.5.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
3.5.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
3.6Filtratie.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Vlaams BBT-Kenniscentrum
11
inhoud
inhoud
inhoud
3.6.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
3.6.1.1Zandfiltratie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
3.6.1.2 Hydro-antraciet - dubbellaagfilter. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
3.6.1.3 Actief koolfilter. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
3.6.1.4Diatomee-aardefilter. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
3.6.1.5 Perliet – filter.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
3.6.1.6 Zeoliet - filter.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
3.6.1.7 Glas - filter.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
3.6.1.8Membraanfiltratie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
3.6.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
3.7pH-correctie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
3.7.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
3.7.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
3.8 Desinfectie en oxidatie – met toevoeging van chemicaliën.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
3.8.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
3.8.1.1Chloor. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
3.8.1.2Zoutelektrolyse.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55
3.8.1.3 Anodische oxidatie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
3.8.1.4Chloordioxide . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
3.8.1.5 Organische chloorverbindingen (chloro-isocyanuraat) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
3.8.1.6Broom. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
3.8.1.7 Koper-zilver ionisatie.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
3.8.1.8Waterstofperoxide. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
3.8.1.9 Polyhexamethyleen biguanide (PHMB) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
3.8.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59
3.9 Desinfectie en oxidatie – zonder toevoeging van chemicaliën. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
3.9.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
3.9.1.1Ozon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
3.9.1.2UV . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
3.10 Toevoeging andere chemicaliën. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
3.10.1Natriumbicarbonaat. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
3.10.2 Natriumsulfiet, natriumthiosulfaat of waterstofperoxide. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
3.11 Leeg laten van het bad.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
3.11.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
3.11.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
3.12 Reiniging van zwembad en ruimten.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63
3.12.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63
3.12.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
3.13 Klimatisatie zwembaden - verwarming. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
3.13.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
3.13.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
3.14 Klimatisatie zwembaden - Ventilatie.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
3.14.1Beschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
3.14.2Milieuaspecten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
3.15 Globale milieu-impact. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
3.15.1Waterverbruik. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
3.15.2Afvalwaterkwaliteit. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
3.15.3 Hydraulische belasting. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
12
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Vlaams BBT-Kenniscentrum
13
inhoud
3.15.4Energieverbruik. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
3.15.5Afval. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
3.15.6Bodem. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
3.15.7 Geluid en trillingen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
3.15.8 Lucht en geur.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
HOOFDSTUK 4 BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
4.1 Stapsgewijs implementeren van de BBT. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
4.2 Verminderen desinfectiebijproducten.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
4.2.1 Preventieve maatregelen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
4.2.1.1 Douchen vóór het baden. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
4.2.2 Alternatieve desinfectiemiddelen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
4.2.2.1 Koper zilver ionisatie.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
4.2.2.2 Waterstofperoxide en zilver.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77
4.2.2.3AOP. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
4.2.3 Verwijderen van desinfectiebijproducten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
4.2.3.1Actiefkoolfilters. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
4.2.3.2 Actieve kool doseren als poeder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
4.2.3.3 Gebruik van AOPs (Advanced Oxidation Process/geavanceerde oxidatieproces) om
desinfectiebijproducten te verwijderen of verminderen.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
4.3 Beperken waterverbruik.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
4.3.1 Keuze voor het filtertype, welk een minimale hoeveelheid spoelwater vereist. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
4.3.2 Aansluiten van waadbakken op het waterbehandelingsysteem. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
4.3.3 Filters met geactiveerde filter media. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
4.3.4 Duurtijd van de filterspoeling verkorten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
4.3.5 Besparing van watergebruik. Filtersysteem met behulp van membranen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
4.3.5.1Ultrafiltratie.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
4.3.5.2Nanofiltratie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89
4.3.5.3 Omgekeerde osmose.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
4.3.5.4 Flow through capacitor (FTC). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
4.3.6 Grijswater circuit. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
4.4 Beperken van het energieverbruik. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
4.4.1 Afdekken van het zwembad. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
4.4.2 Verlengen van de turnover periode voor laagbelaste zwembaden. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93
4.4.3 Correct dimensioneren van pompen – frequentie gestuurde pompen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94
4.4.4 Koppelen van de waterbehandeling van whirlpool en circulatiebad via timer op whirlpool. . . . . . . . 94
4.4.5 Isoleren, luchtdicht en dampdicht maken van de gebouwschil. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
4.4.6 Frequentieregeling op ventilatoren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
4.4.7 Recuperatie warmte ventilatielucht.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
4.4.8 Recuperatie van restwarmte uit het afvalwater. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
4.4.9Zonneboiler. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99
4.4.10 Warmtepomp en energieopslag. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99
4.4.11Warmtekrachtkoppeling. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
4.4.12 Condenserende ketel.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
4.5 Good housekeeping. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
4.5.1 Invoering van milieumanagementsysteem. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
4.5.2 Legionella beheersing.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101
4.5.3 Good housekeeping verlichting. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101
4.5.4 Good housekeeping verwarming.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102
inhoud
4.5.5 Good housekeeping waterverbruik. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102
4.6 End of pipe technieken.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
4.6.1 Verwijderen van chloor bij het volledig leeglaten van het zwembad . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
4.6.1.1 Chemische neutralisatie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
4.6.1.2 Actief koolfilter. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
4.6.1.3Turfzak. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
4.6.2 Verwijderen van chloor bij filterspoelingen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
4.6.2.1 Chemische neutralisatie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
4.6.2.2 Actief koolfilter. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
4.6.2.3Turfzak. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
4.6.3 Verwijderen van AOX.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
4.6.3.1 Actief koolfilter. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
4.6.3.2 Actieve kool doseren als poeder. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
4.6.3.3 Omgekeerde osmose.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
4.6.3.4 Gebruik van AOPs (Advanced Oxidation Process/geavanceerde oxidatieproces) om
desinfectiebijproducten te verwijderen of beperken.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
4.6.4 Het volledig leeglaten van het zwembad in overleg met de beheerder van de ontvangende
waterloop of RWZI. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107
HOOFDSTUK 5 SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109
5.1 Evaluatie van beschikbare milieuvriendelijke technieken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
5.2BBT-conclusies. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
5.2.1 Water- en energiebesparing. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
5.2.2 Alternatieven of oplossingen voor het remediëren van desinfectiebijproducten van chloor. . . . . . 119
5.2.3 Stappenplan voor een duurzaam zwembad. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
HOOFDSTUK 6 AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN.. . . . . . . . . . . . . . . . 125
6.1 Aanbevelingen voor de milieuregelgeving.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
6.1.1Inleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
6.1.2 BBT en afvalwater. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
6.1.2.1 BBT gerelateerde emissieniveaus. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
6.1.2.2 kwalitatieve maatregelen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
6.1.3 BBT en energieverbruik. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
6.2 Aanbevelingen voor ecologiepremie.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
6.2.1Inleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
6.2.2 Toetsing van milieuvriendelijke technieken aan criteria voor ecologiepremie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
6.2.3 Aanbevelingen voor LTL. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
6.3 Aanbevelingen voor verder onderzoek en technologische ontwikkeling. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
6.3.1 Aanbevelingen voor verbetering van huidige kennis. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
6.3.2 Aanbevelingen voor ontwikkeling van nieuwe milieuvriendelijke technieken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
LITERATUURLIJST. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135
BIJLAGE 1: MEDEWERKERS VAN BBT-STUDIE. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 139
BIJLAGE 2: WETGEVING.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143
BIJLAGE 3: FINALE OPMERKINGEN. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
14
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Tabel 1: Aantal (%) zwembaden per uitbatingsvorm op basis van enquête – 352 respondenten (zwembaden en whirlpools) (bron: Agentschap Zorg en Gezondheid, 2007)............................................. 29
Tabel 2: Toegangsprijs voor overheidszwembaden (in euro) in 2007 (ISB enquête, 2007)............................ 32
Tabel 3: m² reëel aanwezig netto oppervlakte per provincie (Bron: BLOSO, 01/01/2008)............................. 33
Tabel 4: Indeling van rubriek 32.8 in subrubrieken en klassen.................................................................... 35
Tabel 5: Milieuvergunningsvoorwaarden voor zwembaden (bron: VMM, 2010)........................................... 38
Tabel 6: samenstelling van de lucht en het bad- en spoelwater bij gebruik van chloor (en broom) in
binnenbaden............................................................................................................................... 59
Tabel 7: Desinfectiebijproducten per desinfectiemiddel (WHO, 2006; Lenntech, 2009)................................. 61
Tabel 8: Effectiviteit van desinfectieproducten en effect op het milieu......................................................... 61
Tabel 9: Effluentgegevens van zwembaden in Vlaanderen (bron VMM 2009 – 2010).................................. 66
Tabel 10: Evaluatie van beschikbare milieuvriendelijke technieken en selectie van BBT................................ 115
Tabel 11: Stappen overzicht voor het introduceren van milieuvriendelijke technieken (BBT en niet-BBT)....... 122
Tabel 12: Toetsing van milieuvriendelijke technieken aan criteria voor ecologiepremie................................. 132
Tabel 13: Aanbevelingen voor verder onderzoek ter verbetering van huidige kennis.................................... 133
Tabel 14: Aanbevelingen voor ontwikkeling van nieuwe milieuvriendelijke technieken................................. 134
Tabel 15: Overzicht van de VLAREMvereisten voor zwem(bad)water........................................................... 144
Tabel 16: Overzicht van de buitenlandse vereisten voor zwembadwater...................................................... 146
Vlaams BBT-Kenniscentrum
15
LIJST VAN TABELLEN
LIJST VAN TABELLEN
16
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Figuur 1: Verdeling zwembadgebruik – op basis van gegevens ISB-enquête (cijfers 2007)............................. 32
Figuur 2: Verhouding bestaande oppervlakte en oppervlakte volgens norm (Bron: Cijferboek Lokaal
Sportbeleid 2008 - 2010)............................................................................................................ 33
Figuur 3: Schema van een circulatiebad...................................................................................................... 44
Figuur 4: Schema van een doorstroombad.................................................................................................. 44
Figuur 5: Schema van een natuurlijk zwembad (informatie Cofely Service, 2011).......................................... 45
Figuur 6: Percentages HOCl, OCl- en Cl2 in functie van de pH..................................................................... 53
Figuur 7: Verspreiding van de verontreinigingen in het zwembadwater – bron PWTAG (2009)...................... 63
Figuur 8: Effluentgegevens voor koper en zink van zes zwembaden (gegevens VMM 2009-2010).................. 68
Figuur 9: Effluentgegevens voor chloriden van zes zwembaden (gegevens VMM 2009-2010)........................ 69
Figuur 10: Effluentgegevens voor AOX van zes zwembaden (gegevens VMM 2009-2010)............................... 70
Figuur 11: Golflengte van een lage en middendruk UV-lamp (Bron: Amercian aquarium products, 2008)......... 81
Figuur 12: gebruik van UV en waterstofperoxide (Bron: op basis van opstelling PWT in het zwembad
Sportcity).................................................................................................................................... 83
Figuur 13: werking van actief filtermedia (Bron: Dryden H, 2007)................................................................... 86
Figuur 14: Ultrafiltratie eenheid van een zwembad (bron: inge, 2010)............................................................ 89
Figuur 15: Principe van Flow through Capacitor (FTC) – (figuur op basis van figuren Primary water, 2009)....... 91
Figuur 16: Koppeling van de waterbehandeling van de whirlpool aan deze van het circulatiebad via een
tijdschakelaar a: traditioneel: aparte waterbehandeling voor whirlpool en circulatiebad op twee
verschillende temperaturen b: koppeling van de waterbehandeling, leidt tot een verhoging van
de temperatuur in het circulatiebad, als gevolg van de hoge whirlpooltemperatuur c: koppeling
van whirlpool en circulatiebad met tijdschakelaar en aparte snelwerkende warmtewisselaar........... 95
Figuur 17: Warmtewisselaar gecombineerd met een warmtepomp (bron: Menerga, 2010).............................. 98
Figuur 18: Selectie van BBT op basis van scores voor verschillende criteria................................................... 113
Figuur 19: Schema: stapsgewijs beperken van desinfectiebijproducten (DBP)................................................ 120
Figuur 20: overzicht van de BBT voor het verwijderen van desinfectiebijproducten (DBP). Groen: altijd BBT,
Blauw: BBT vgtg........................................................................................................................ 121
Vlaams BBT-Kenniscentrum
17
LIJST VAN FIGUREN
LIJST VAN FIGUREN
18
Vlaams BBT-Kenniscentrum
LIJST VAN AFKORTINGEN
LIJST VAN AFKORTINGEN
AOX
Absorbable organic halogens (organochloorverbindingen)
BAT
Best Available Techniques
BBT
Beste Beschikbare Technieken
BS
Belgische Staatsblad
BZV
Biologische Zuurstof Verbruik
CZV
Chemisch Zuurstof Verbruik
DBPDesinfectiebijproducten
EMIS
Energie en Milieu Informatiesysteem voor het Vlaamse Gewest
EU
Europese Unie
FTC
Flow through capacitor
ISB
Vlaams Instituut voor Sportbeheer en Recreatiebeleid
IVA
Intern verzelfstandig agentschap
K.B.
Koninklijk Besluit
KMO
kleine of middelgrote onderneming
LNE
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid
n.v.t.
niet van toepassing
n.v.w.b.
niet visueel waarneembaar
NACE
Nomenclature générale des activités économiques dans les Communautés Européennes
NBB
Nationale Bank van België
NIS
Nationaal Instituut voor de Statistiek
OO
Omgekeerde osmose
OVAM
Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij
PPS
Publiek-Private Samenwerking
RSZ
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
RWZIrioolwaterzuiveringsinstallatie
UV
ultra violet
v.g.t.g.
in de vergunning toegelaten gehalte of van geval tot geval
VEA
Vlaams Energieagentschap
VITO
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek
VLAREA
Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer
VLAREBO Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming
VLAREM
Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning
VLM
Vlaamse Landmaatschappij
VMM
Vlaamse Milieumaatschappij
ZG
Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid
Vlaams BBT-Kenniscentrum
19
20
Vlaams BBT-Kenniscentrum
OVER DEZE BBT-STUDIE
HOOFDSTUK 1 - OVER DEZE BBT-STUDIE
HOOFDSTUK 1
In dit hoofdstuk lichten we eerst het begrip
Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe.
Vervolgens schetsen we het algemene kader
van deze Vlaamse BBT-studie. Onder meer
de doelstellingen, de inhoud, de begeleiding
en de werkwijze van de BBT-studie worden
verduidelijkt.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
21
22
Vlaams BBT-Kenniscentrum
1.1.1 Definitie
Het begrip “Beste Beschikbare Technieken”, afgekort BBT, wordt in VLAREM I1, artikel 1 29°, gedefinieerd
als:
“het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor
de emissiegrenswaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn
geheel te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk blijkt algemeen te beperken;
• “technieken”: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen,
gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
• “beschikbare”: op zodanige schaal ontwikkeld dat de technieken, kosten en baten in aanmerking
genomen, economisch en technisch haalbaar in de industriële context kunnen worden toegepast,
onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van het Vlaamse Gewest
worden toegepast of geproduceerd, mits ze voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk
zijn;
• “beste”: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming
van het milieu in zijn geheel.
Deze definitie vormt het vertrekpunt om het begrip BBT concreet in te vullen voor de zwembadsector in
Vlaanderen.
1.1.2 Beste Beschikbare Technieken als begrip in het Vlaamse milieubeleid
ÎÎ Achtergrond bij begrip
Bijna elke menselijke activiteit (b.v. woningbouw, industriële activiteit, recreatie, landbouw) beïnvloedt
op de één of andere manier het leefmilieu. Vaak is het niet mogelijk in te schatten hoe schadelijk die
beïnvloeding is. Vanuit deze onzekerheid wordt geoordeeld dat iedere activiteit met maximale zorg moet
uitgevoerd worden om het leefmilieu zo weinig mogelijk te belasten. Dit stemt overeen met het zogenaamde voorzorgsbeginsel.
In haar milieubeleid gericht op het bedrijfsleven heeft de Vlaamse overheid dit voorzorgsbeginsel vertaald
naar de vraag om de “Beste Beschikbare Technieken” toe te passen. Deze vraag wordt als zodanig opgenomen in de algemene voorschriften van VLAREM II2 (art. 4.1.2.1). Het toepassen van de BBT betekent in de
eerste plaats dat iedere exploitant al wat technisch en economisch mogelijk is, moet doen om milieuschade
te vermijden. Daarnaast wordt ook de naleving van de vergunningsvoorwaarden geacht overeen te stemmen met de verplichting om de BBT toe te passen.
Ook in de meeste andere geïndustrialiseerde landen kan het BBT-principe worden teruggevonden in de
milieuregelgeving, zij het soms met een andere klemtoon. Vergelijkbare begrippen zijn o.a.: BAT (Best
Available Techniques), BATNEEC (Best Available Techniques Not Entailing Excessive Costs), de Duitse ‘Stand
der Technik’, het Nederlandse ALARA-principe (As Low as Reasonably Achievable) en ‘Beste Uitvoerbare
Technieken’.
1
2
VLAREM I: Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, herhaaldelijk gewijzigd.
VLAREM II: Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne van 1 juni 1995, herhaaldelijk
gewijzigd.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
23
HOOFDSTUK 1 - OVER DEZE BBT-STUDIE
1.1 Beste Beschikbare Technieken in Vlaanderen
HOOFDSTUK 1 - OVER DEZE BBT-STUDIE
Binnen het Vlaamse milieubeleid wordt het begrip BBT in hoofdzaak gehanteerd als basis voor het vastleggen van milieuvergunningsvoorwaarden. Dergelijke voorwaarden die aan inrichtingen in Vlaanderen
worden opgelegd steunen op twee pijlers:
• de toepassing van de BBT;
• de resterende milieueffecten mogen geen afbreuk doen aan de vooropgestelde milieu-kwaliteitsdoelstellingen.
Ook de Europese “IED” (2010/75/EU), schrijft de lidstaten voor op deze twee pijlers te steunen bij het
vastleggen van milieuvergunningsvoorwaarden.
ÎÎ Concretisering van begrip
Om concreet inhoud te kunnen geven aan het begrip BBT, dient de algemene definitie van VLAREM I nader
verduidelijkt te worden. Het BBT-kenniscentrum hanteert onderstaande invulling van de drie elementen.
• “Beste” betekent “beste voor het milieu als geheel”, waarbij het effect van de beschouwde techniek op
de verschillende milieucompartimenten (lucht, water, bodem, afval, …) wordt afgewogen;
• “Beschikbare” duidt op het feit dat het hier gaat over iets dat op de markt verkrijgbaar en redelijk in
kostprijs is. Het zijn dus technieken die niet meer in een experimenteel stadium zijn, maar effectief hun
waarde in de bedrijfspraktijk bewezen hebben. De kostprijs wordt redelijk geacht indien deze haalbaar
is voor een ‘gemiddeld’ bedrijf uit de beschouwde sector én niet buiten verhouding is tegenover het
behaalde milieuresultaat;
• “Technieken” zijn technologieën én organisatorische maatregelen. Ze hebben zowel te maken met
procesaanpassingen, het gebruik van minder vervuilende grondstoffen, end-of-pipe maatregelen, als
met goede bedrijfspraktijken.
Het is hierbij duidelijk dat wat voor het ene bedrijf een BBT is dat niet voor een ander hoeft te zijn. Toch
heeft de ervaring in Vlaanderen en in andere regio’s/landen aangetoond dat het mogelijk is algemene
BBT-lijnen te trekken voor groepen van bedrijven die dezelfde processen gebruiken en/of gelijkaardige
producten maken. Dergelijke sectorale of bedrijfstak-BBT maken het voor de overheid mogelijk sectorale
vergunningsvoorwaarden vast te leggen. Hierbij zal de overheid doorgaans niet de BBT zelf opleggen, maar
wel de milieuprestaties die met BBT haalbaar zijn als norm beschouwen.
Het concretiseren van BBT voor sectoren vormt tevens een nuttig referentiepunt bij het toekennen van
steun bij milieuvriendelijke investeringen door de Vlaamse overheid. De regeling ecologiepremie bepaalt
dat bedrijven die milieu-inspanningen leveren die verdergaan dan de wettelijke vereisten, kunnen genieten
van een investeringssubsidie.
1.2 BBT-studie studie Zwembaden
1.2.1 Doelstellingen van studie
Deze BBT-studie is een herziening van de in 2000 gepubliceerde studie “Beste Beschikbare Technieken
(BBT) voor de Zwembaden”. De gegevens die in dit document gebruikt werden dateerden van 1998.
De nieuwe studie heeft als doel de gegevens waar nodig aan te vullen en te actualiseren. Tevens wordt
bekeken in hoeverre de technieken die destijds als BBT werden geselecteerd, inmiddels geïmplementeerd
zijn, en of er intussen nieuwe technieken beschikbaar zijn. Op basis van deze actualisatie worden de
BBT- conclusies aangepast aan de huidige economische toestand van de sector en aan de huidige stand
van techniek. Daarnaast is de scope van de studie uitgebreid. Zo richtte de vorige studie zich voornamelijk
op de standaard circulatiebaden en zal de huidige studie ook de whirlpools en openluchtbaden bespreken.
De beschreven technieken zijn bruikbaar voor vergunde en niet-vergunde zwembaden. De focus ligt echter
op de zwembaden die vergunningsplichtig zijn.
24
Vlaams BBT-Kenniscentrum
1.2.2 Inhoud van studie
Vertrekpunt van het onderzoek naar de Beste Beschikbare Technieken voor de zwembaden is een socioeconomische doorlichting (hoofdstuk 2). Dit laat ons toe de economische gezondheid en de draagkracht
van de sector in te schatten, wat van belang is bij het beoordelen van de haalbaarheid van de voorgestelde
maatregelen.
In hoofdstuk 3 wordt de procesvoering in detail beschreven en wordt per processtap nagegaan welke
milieueffecten optreden.
Op basis van een uitgebreide literatuurstudie, aangevuld met gegevens van leveranciers en bedrijfsbezoeken, wordt in hoofdstuk 4 een inventaris opgesteld van milieuvriendelijke technieken voor de sector.
Vervolgens, in hoofdstuk 5, vindt voor elk van deze technieken een evaluatie plaats, niet alleen van het
globaal milieurendement, maar ook van de technische en economische haalbaarheid. Deze grondige afweging laat ons toe de Beste Beschikbare Technieken te selecteren.
De BBT zijn op hun beurt de basis voor een aantal suggesties om de bestaande milieuregelgeving te
evalueren, te concretiseren en aan te vullen (hoofdstuk 6). Tevens wordt in hoofdstuk 6 onderzocht welke
van deze technieken in aanmerking komen voor investeringssteun in het kader de ecologiepremie, en
worden aanbevelingen voor verder onderzoek en technologische ontwikkeling geformuleerd.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
25
HOOFDSTUK 1 - OVER DEZE BBT-STUDIE
De nadruk in deze herziene studie ligt op:
–– ­het watergebruik en verbruik;
–– ­het energiegebruik;
–– ­de noodzaak van chloor als desinfecteermiddel en de alternatieven voor chloor als desinfecteermiddel;
–– ­de natuurlijke zwembaden (circulatiebaden met een biologische zuivering);
–– ­lozing van afvalwater;
–– ­het binnenklimaat van zwembaden.
De BBT-studie richt zich op de milieuaspecten van zwembaden. De VLAREM wetgeving beschrijft ook
gezondheidsaspecten, maar daarover wordt in deze studie geen uitspraak gedaan. Voor informatie of
afwegingen hieromtrent kunnen exploitanten contact opnemen met het Agentschap Zorg en Gezondheid
(contactgegevens: zie bijlage 1).
26
Vlaams BBT-Kenniscentrum
SOCIO-ECONOMISCHE &
MILIEUJURIDISCHE SITUERING VAN
SECTOR
In dit hoofdstuk geven we een situering en
doorlichting van de zwembadsector, zowel
socio-economisch als milieujuridisch.
Vooreerst trachten we de bedrijfstak te
omschrijven en het onderwerp van studie
zo precies mogelijk af te bakenen. Daarna
bepalen we een soort barometerstand van
de sector, enerzijds aan de hand van een
aantal socio-economische kenmerken en
anderzijds door middel van een inschatting
van de draagkracht van de bedrijfstak. In
een derde paragraaf gaan we dieper in op de
belangrijkste milieujuridische aspecten voor
de zwembaden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
27
HOOFDSTUK 2 - de sector
HOOFDSTUK 2
28
Vlaams BBT-Kenniscentrum
2.1.1 Afbakening en indeling van sector
ÎÎ Afbakening van sector
De BBT-studie zwembaden is gericht op publiek toegankelijke zwembaden die volgens 32.8.1 van VLAREM
vergunningsplichtig zijn. Daarnaast wordt ook gekeken naar natuurlijke zwembaden, welke momenteel nog
niet zijn opgenomen in VLAREM.
De beschreven technieken kunnen ook ingezet worden in niet-publiek toegankelijke zwembaden.
ÎÎ NACE-BEL indeling van sector
De NACE-BEL nomenclatuur3 is een manier om sectoren volgens economische activiteit in te delen. Officiële
statistieken, zoals gegevens van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) of het Nationaal Instituut voor
de Statistiek (NIS), volgen meestal de indeling van NACE-BEL.
Zwembaden vallen onder de NACE-BEL rubriek 93.110 “exploitatie van sportaccommodatie”. Binnen
volgende rubrieken kunnen ook zwembaden aanwezig zijn:
–– 55.100 Hotels en dergelijke accommodatie
–– 55.201 Jeugdherbergen en jeugdverblijfcentra
–– 55.202Vakantieparken
–– 55.203 Gites, vakantiewoningen en –appartementen
–– 55.204Gastenkamers
–– 55.209 Vakantieverblijven en andere accommodatie voor kort verblijf
–– 55.300 Kampeerterreinen en kampeerauto- en caravanterreinen
–– 85.***Scholen
–– 86.1**Ziekenhuizen
–– 87.2**Instellingen met huisvesting personen met een mentale handicap of personen met
psychiatrische problemen
–– 87.3** Instellingen met huisvesting personen met een lichamelijke handicap
–– 96.040 Sauna’s, solaria, baden enz.
In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van het aantal baden (%) per uitbatingsvorm.
aantal baden (%)
zwembaden uitgebaat door een gemeente, overheid of het Vlaams Gewest
41
schoolbaden
14
privé uitbaters (inclusief subtropische baden)
11
saunabaden
11
(kampeer)verblijven
8
hotelbaden
5
therapiebaden
7
appartementen
3
Tabel 1: Aantal (%) zwembaden per uitbatingsvorm op basis van enquête – 352 respondenten (zwembaden en whirlpools) (bron: Agentschap Zorg en Gezondheid, 2007)
3
NACE: Nomenclature générale des activités économiques dans les Comunautés Européennes, in 1970 door het Bureau voor de Statistiek van
de Europese Gemeenschap opgesteld om industriële activiteiten logisch te ordenen. Een nieuwe uitgave - NACE Rev. 2 – werd vastgesteld
door de Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 (Publicatieblad van de Europese
Unie van 30 december 2006). De NACE-BEL 2008 is de meest recente Belgische versie van de NACE-nomenclatuur, in overeenstemming met
de NACE Rev. 2.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
29
HOOFDSTUK 2 - de sector
2.1 Omschrijving, afbakening en indeling van sector
2.1.2 Bedrijfskolom
HOOFDSTUK 2 - de sector
De leveranciers van zwembaden zijn ontwerp- en studiebureaus voor de bouw en inrichting van zwembaden. Daarnaast zijn er de leveranciers van installaties (filters, pompen,…); van nutsvoorzieningen (water,
gas en elektriciteit) en van hulpmiddelen (ontsmettingsmiddel, vlokmiddel,…).
De klanten zijn de zwemmers (individueel of in groep).
2.2 Socio-economische situering van sector
In deze paragraaf wordt de toestand van de sector geschetst aan de hand van enkele socio-economische
indicatoren. Deze geven ons een algemeen beeld van de structuur van de sector en vormen de basis om in
de volgende paragraaf de gezondheid van de sector in te schatten.
2.2.1 Beheersvorm bedrijven
Overheidszwembaden zijn zwembaden die eigendom zijn van gemeente, provincie, federale overheid of
Vlaamse Gemeenschap (BLOSO).
Overheidszwembaden worden in principe centraal beheerd. Eind 2006 werd 59% van de (177) overheidszwembaden in Vlaanderen zuiver gemeentelijk beheerd (Cijferboek lokaal sportbeleid, 2008-2010).
Naast centraal beheer kan tevens gekozen worden voor interne of externe verzelfstandiging. Bij interne
verzelfstandiging wordt een onderscheid gemaakt tussen budgethouderschap en intern verzelfstandigd
agentschap (IVA). De externe verzelfstandiging kan onderverdeeld worden in autonome gemeentebedrijven
(AGB’s) en extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechterlijke vorm (vzw, vennootschap, stichting). De vzw is de meest voorkomende vorm van verzelfstandiging maar ook de beheervorm AGB kent zijn
opmars (6%). Eind 2006 was 23% van het beheer van overheidszwembaden in het Vlaams Gewest en het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest in handen van een vzw en 6% werd beheerd door een AGB.
Op basis van het decreet van 6 juli 2001 zijn er diverse samenwerkingsverbanden tussen gemeentebesturen
mogelijk. Een intergemeentelijk samenwerkingsverband vereist de samenwerking van minstens twee gemeentebesturen, met het oog op het gemeenschappelijk behartigen van een doelstelling van gemeentelijk
belang. De exploitatie van een zwembad kan het onderwerp uitmaken van dergelijk samenwerkingsverband
(bv. zwembad de Druppelteen in Kappelle-op-den-Bos).
Publiek private samenwerking of PPS is een samenwerkingsverband waarin de publieke en de private
sector, met behoud van hun eigen identiteit en verantwoordelijkheid, gezamenlijk een project met meerwaarde realiseren, en dit op basis van een heldere taak- en risicoverdeling (bv. zwembad De Dommelslag,
betrokken gemeenten: Overpelt en Neerpelt). Het concept vindt, mede onder invloed van Vlaams Sportinfrastructuurplan (cf. 2.3.1), ook bij de realisatie van sportinfrastructuren, zoals zwembaden zijn ingang.
Naast overheidszwembaden zijn er ook nog publiek toegankelijke zwembaden die eigendom zijn van
scholen of de private sector (bv. hotels of sauna’s).
2.2.2 Aantal en omvang van bedrijven
In Vlaanderen zijn meer dan 19 000 sportaccommodaties aanwezig die gebruikt worden door een ruim
doelpubliek (clubs, scholen en/of individuele sportbeoefenaars). De beschikbare accommodaties kunnen
per gemeente, sporttak of soort geraadpleegd worden via de online databank Sportinfrastructuur Vlaanderen van BLOSO. Deze databank wordt permanent geactualiseerd, voornamelijk via contacten met lokale
sportdiensten. Op 01/02/2010 zijn er volgens BLOSO 326 publiek toegankelijke zwembaden in Vlaanderen:
71 openlucht zwembaden en 248 overdekte zwembaden maar ook 3 sportcentra en 4 openlucht sportvelden. Op basis van tijdsreeks van BLOSO voor de periode 2005 – 2007 kan gesteld worden dat het
aantal openlucht en overdekte zwembaden sinds 2005 met 14% gedaald is. ISB4 geeft aan dat het aantal
4
ISB – schriftelijke communciatie - 2011
30
Vlaams BBT-Kenniscentrum
2.2.3 Tewerkstelling
Het personeel in de zwembadsector kan opgesplitst worden in drie groepen: beheerders, toezichthoudend
personeel en technisch onderhoudspersoneel.
In het cijferboek Lokaal Sportbeleid 2008 - 2010 wordt aangegeven dat er in 2007 een permanente
tewerkstelling was van 658 redders (17% van het totaal aantal medewerkers in de gemeentelijke sportsector) of 541 VTE (18% van het totaal aantal VTE in de gemeentelijke sportsector). 69% van deze redders was
voltijds tewerkgesteld. Het personeelsbestand bestond voor 64% uit mannen en voor 36% uit vrouwen. De
gemiddelde leeftijd van de redders was 38 jaar. Bijkomend was er voor 113 750 uur per jaar occasionele
tewerkstelling van redders (bv. jobstudenten) of 58 VTE.
In april 2010 publiceerde de arbeidsdienst VDAB een nieuwe lijst met “knelpuntberoepen” op de Vlaamse
arbeidsmarkt. Voor de opmaak van deze lijst ging de VDAB uit van het Normaal Economisch Circuit zonder
Uitzendopdrachten. De lijst is door de economische crisis een beetje korter geworden, maar telt nog altijd
194 knelpuntberoepen. De (zwembad)redder is één van de opvallendste nieuwkomers. Slechts een kleine
minderheid van de houders van een diploma “Hoger Redder”, is geïnteresseerd in het beroep van redder
(Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer, nummer 216). Enerzijds ambiëren zij een andere professionele carrière
(bv. lichamelijke opvoeding); anderzijds wordt de opleiding ook gevolgd om niet-professionele redenen (bv.
vrije tijdsbesteding, trainer in sportclub). Bovendien focust de opleiding zich eerder op de fysieke aspecten
zodat slechts een beperkt beeld gegeven wordt van het beroep redder. Daarnaast maken ook verloning en
werkomstandigheden (bv. avond- en weekenduren, lawaaierige en vochtige omgeving) het beroep minder
aantrekkelijk.
2.2.4 Productie en prijzen
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de toegangsprijs van overheidszwembaden. Er
wordt een onderscheid gemaakt tussen de prijs voor inwoners en niet-inwoners enerzijds en de prijs
voor volwassenen, kinderen, senioren anderzijds. We merken grote schommelingen in de toegangsprijs
afhankelijk van de gemeente waar het zwembad gevestigd is. Het verschil tussen de verschillende leeftijdscategorieën is beperkter.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
31
HOOFDSTUK 2 - de sector
overheidszwembaden relatief stabiel is. Als er een nieuw zwembad gebouwd wordt, sluit er meestal een
oud zwembad. In sommige gevallen komt er een groot nieuw bad in de plaats van twee kleinere baden.
Eind 2006 waren er in het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 177 overheidszwembaden (Cijfers lokaal sportbeleid, 2008 – 2010). 64% van deze zwembaden waren van het type ‘twee
of meer overdekte baden’. Een inwoner van het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
beschikt gemiddeld over 0,0133 m² (overdekt of openlucht) zwembadwater of er is een zwembad per
40.000 inwoners.
Bij het agentschap Zorg en Gezondheid (2010) zijn 452 klasse 1 en klasse 2 zwembadinrichtingen in
Vlaanderen gekend. Er is echter geen zicht op het aantal klasse 3 zwembaden. Uit een enquête (352
respondenten) uitgevoerd door het agentschap blijkt dat er in Vlaanderen weinig baden zijn die dateren
van vóór 1970 (Agentschap Zorg en Gezondheid, 2007). De grote “boom” in de bouw van openbare
zwembaden voor een groter publiek deed zich voor in de jaren ‘70 van de vorige eeuw. Daarna zijn er
elk decennium een vergelijkbaar aantal baden bijgekomen, ofwel door nieuwbouw ofwel door bestaande
baden grondig te renoveren door vernieuwbouw. Per decennium worden er zo ongeveer 50 zwembaden
gebouwd of vernieuwd.
Mogelijk is dit een onderschatting van de aanwezige baden. In theorie dient er een milieuvergunning
aangevraagd te worden voor elk zwembad dat publiek toegankelijk is. Volgens verschillende leden van
het begeleidingscomité zijn er verschillende kleinere baden in hotels en sauna’s die niet vergund zijn als
zwembad.
HOOFDSTUK 2 - de sector
kinderen
volwassen (2 – 12 jaar)
senioren (> 65 jaar)
prijs voor inwoners gemeente
range
mediaan
0,50 – 3,80
2,00
0,75 – 5,40
1,50
0,60 – 4,90
1,50
prijs voor niet- inwoners gemeente
range
mediaan
0,50 – 5,50
2,00
1,00 – 7,50
1,50
0,60 – 5,50
1,50
Tabel 2: Toegangsprijs voor overheidszwembaden (in euro) in 2007 (ISB enquête, 2007)
Uit navraag bij het begeleidingscomité blijkt dat de toegangsprijs meestal de kosten voor het baden niet
dekt. Om de volledige kosten te denken zou de toegangsprijs minstens 7 à 8 euro moeten zijn. Private
uitbaters schatten een volledige kostendekkende toegangsprijs in op 10 à 12 euro per zwembeurt.
Het prijsverschil wordt bij openbare zwembaden meestal bijgepast door (lokale) overheden, die er voor
kiezen om deze (sociale) tarieven te behouden en op die manier de bevolking, scholen en sportclubs
te ondersteunen. Private zwembaden hebben meestal andere winstgevende activiteiten (cafetaria, hotel,
bungalow,…), zodat de totale activiteit wel winstgevend is. Het zelfde geldt voor PPS constructies.
Onderstaande figuur geeft het aandeel dat scholen, clubs en individuele bezoekers vertegenwoordigen in
het totaal aantal bezoeken van overheidszwembaden in 2006. De individuele bezoekers nemen bijna de
helft van de zwembadbezoeken voor hun rekening.
clubs
13%
scholen
40%
individuele
bezoekers
47%
Figuur 1: Verdeling zwembadgebruik – op basis van gegevens ISB-enquête (cijfers 2007)
2.3 Draagkracht van sector
Op basis van de evolutie van vraag-, aanbod-, en reguleringsfactoren enerzijds en de felheid van concurrentie anderzijds wordt getracht om een indicatie te geven van de draagkracht van de bedrijfstak.
2.3.1 Evolutie van de bedrijfstak
Een inwoner van het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beschikt gemiddeld over
0,0133 m² overdekt of openlucht zwembadwater (Cijferboek Lokaal Sportbeleid 2008-2010). In onderstaande tabel wordt per provincie in Vlaanderen een overzicht gegeven van de m² reëel aanwezig netto
wateroppervlakte (overdekte zwembaden) per 100 inwoners.
32
Vlaams BBT-Kenniscentrum
m² per 100 inwoners
Antwerpen
1,06
Limburg
1,44
Oost-Vlaanderen
1,01
West-Vlaanderen
1,00
Vlaams-Brabant
1,60
Totaal
1,19
Tabel 3: m² reëel aanwezig netto oppervlakte per provincie (Bron: BLOSO, 01/01/2008)
Volgende kaart geeft, op het niveau van kleinstedelijke invloedsferen, de gebieden die een tekort of een
relatief overschot hebben aan zwembaden. Hierbij wordt uitgegaan van de verhouding tussen bestaande
infrastructuur (in overdekte wateroppervlakte uitgedrukt) en theoretische behoefte (1,39 m² per 100
inwoners5). Blanco betekent dat er geen zwembad is. Rood of oranje betekent dat de gemeente boven de
norm zit. Dat is zo in de kuststreek, wat normaal is gezien het recreatieve karakter van die gemeenten. Een
heleboel gemeenten zijn groen gekleurd wat betekent dat de norm er niet is bereikt.
Figuur 2: Verhouding bestaande oppervlakte en oppervlakte volgens norm (Bron: Cijferboek Lokaal Sportbeleid 2008
- 2010)
De Vlaamse Regering wil een inhaalbeweging in sportinfrastructuur verwezenlijken en werkte daarom het
Vlaams Sportinfrastructuurplan uit. Het wettelijk kader voor dit plan is het Besluit ter uitvoering van het
decreet betreffende een inhaalbeweging in sportinfrastructuur via alternatieve financiering, goedgekeurd
door de Vlaamse Regering op 18 juli 2008. De eerste inhaalbeweging richt zich op 4 types sportinfrastructuur: kunstgrasvelden, eenvoudige sporthallen zwembaden en multifunctionele sportcentra. Via publiek
private samenwerking (cf. 2.2.1) wil de Vlaamse Regering tegen 2011 sportinfrastructuur realiseren voor
een investeringswaarde van 225 miljoen euro. In totaal werden 130 projecten geselecteerd.
De lokale besturen wiens project geselecteerd wordt, ondertekenen een lastgevingsovereenkomst waardoor ze aan de Vlaamse overheid de toestemming geven om een private partner te selecteren. De Vlaamse
overheid selecteert de private partner en kan hiervoor de projecten per cluster in de markt plaatsen.
5
Gemiddelde voor Vlaanderen als resultaat van behoefteonderzoek Steunpunt Sport.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
33
HOOFDSTUK 2 - de sector
Provincie
HOOFDSTUK 2 - de sector
Het lokale bestuur betaalt een beschikbaarheidsvergoeding in ruil voor de terbeschikkingstelling van de
infrastructuur. De Vlaamse Regering subsidieert maximum 30% van deze jaarlijkse vergoeding. Voor een
eenvoudig zwembad werd het subsidiebedrag geplafonneerd op 256.500 euro (incl. BTW).
Op 10 maart 2010 keurde de Vlaamse Regering bij Ministerieel besluit het basisbouwprogramma voor de
eenvoudige zwembaden goed. Het basisbouwprogramma bepaalt het type, de aard en de omvang van de
werken en diensten die voor subsidiëring in aanmerking komen en de specificaties voor het ontwerp, de
bouw, de financiering en het onderhoud van de sportinfrastructuur.
2.4 Milieujuridische situering van sector
In onderstaande paragrafen wordt het milieujuridisch kader van deze BBT-studie geschetst. De aandacht
gaat hierbij voornamelijk uit naar de wetgeving in Vlaanderen.
2.4.1 Milieuvergunningsvoorwaarden
Het ‘Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning’ (VLAREM) regelt de indeling en milieuvoorwaarden voor de hinderlijke inrichtingen in het Vlaamse Gewest. Het VLAREM bestaat uit twee delen, waarbij
titel I van het VLAREM de procedures en de indeling met betrekking tot milieuvergunningsplicht beschrijft,
terwijl VLAREM II de voorwaarden voorschrijft waaraan vergunde inrichtingen moeten voldoen.
ÎÎ VLAREM I
In VLAREM I6 wordt onderscheid gemaakt tussen drie klassen van hinderlijke inrichtingen. Klasse 1 en
klasse 2 inrichtingen dienen over een milieuvergunning te beschikken. Klasse 3 inrichtingen zijn enkel
meldingsplichtig. De milieuvergunning van een klasse 1 inrichting moet worden aangevraagd bij de deputatie van de provincieraad van de provincie waar de exploitatie zal plaatsvinden. Een klasse 2 of klasse
3 inrichting moet zich wenden tot het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de
exploitatie zal plaatsvinden.
Tot welke klasse een inrichting hoort, hangt af van de voorkomende rubrieken, vermeld in bijlage 1 van
VLAREM I ‘Lijst van als hinderlijk beschouwde inrichtingen’. Indien meerdere inrichtingen voorkomen in een
bedrijf, is de inrichting met de hoogste klasse bepalend voor de te volgen vergunningsprocedure.
In de lijst van hinderlijke inrichtingen vallen zwembaden onder Rubriek 32 “Ontspanningsinrichtingen en
schietstanden” en onder rubriek 32.8. in het bijzonder. De verdere indeling van deze rubriek in klassen is
aangegeven in Tabel 4. Binnen deze BBT-studie wordt enkel subrubriek 32.8.1 bekeken.
Zwemgelegenheden en vijvers, die onder rubrieken 32.8.2 en 32.8.3 vallen, zullen niet behandeld worden
in deze studie.
6
VLAREM I: Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, herhaaldelijk gewijzigd.
34
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Coördinator
b) van 50 tot 300 m²
c) ten minste 300 m²
2° Hot Whirlpools, dompelbaden, plonsbaden
3° therapiebaden
32.8.3 Watersportzones in vijvers, meren en niet-openbare waterlopen evenals
inrichtingen voor watersport waar waterski-racing en jetski op regelmatige wijze worden beoefend, met uitzondering van zeebadzones.
32.8.2 Zwemgelegenheden en watersportzones in vijvers, meren en niet-openbare waterlopen evenals inrichtingen voor watersport waar een of meerdere
van volgende activiteiten op regelmatige wijze worden beoefend, met
uitzondering van zeebadzones:
a) windsurfen;
b) de disciplines van waterski die niet vallen onder subrubriek 32.8.2;
c) zwemmen:
d) duiken
2
1
3
2
2
N
N
G
G
N
N
3
Tabel 4: Indeling van rubriek 32.8 in subrubrieken en klassen
G Inrichting waarvoor de afdeling van het Agentschap Zorg en Gezondheid, bevoegd voor het toezicht
volksgezondheid, advies verstrekt.
N Inrichting waarvoor overeenkomstig titel II van het VLAREM vrijstelling is verleend van de verplichting
tot aanstelling van een milieucoördinator.
Daarbij gelden de volgende definities (VLAREM II art. 1.1.2):
a) zwem-, instructie-, en stoeibaden, al dan niet overdekt, met uitzondering van inrichtingen binnen privéwoningen die niet worden opengesteld tegen enige directe of indirecte vergoeding;
b) hot whirlpools, zijnde circulatiebaden voorzien van zitbanken met maximale diepte van 1 meter, waarin
er vanuit de bodem of wand lucht geïnjecteerd wordt en die gevuld worden met water van meer dan
32° C;
c) plonsbaden, zijnde onverwarmde openlucht baden met een diepte van maximum 35 cm, continu doorstroomd met vers suppletiewater;
d) dompelbaden, zijnde baden, continu doorstroomd met vers suppletiewater, met een maximale diameter
van 2.5 m, met temperaturen beneden de 20° C met als doel een kortstondige, plotse afkoeling van de
gebruiker door middel van onderdompeling;
e) therapiebaden, zijnde baden welke uitsluitend aangewend worden voor medische behandelingsdoeleinden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
35
HOOFDSTUK 2 - de sector
Bemerking
Klasse
Omschrijving
en subrubrieken
Rubriek
G
G
32.8 Baden en waterrecreatie
32.8.1 Baden: alle hierna vermelde inrichtingen, met inbegrip van baden verbonden aan of behorende tot privéclubs, campings, scholen en dergelijke:
Uitzondering: vallen niet onder deze indelingsrubriek: inrichtingen verbonden aan privé-woningen die niet voor het publiek worden opengesteld,
noch gratis, noch tegen enige directe of indirecte vergoeding.
1° Zwembaden, al dan niet overdekt met een oppervlakte:
a) tot 50 m²
3
HOOFDSTUK 2 - de sector
Mogelijk zullen er in een zweminrichting naast het eigenlijke bad nog andere hinderlijke inrichtingen
voorkomen, waardoor ook andere rubrieken van VLAREM I van toepassing kunnen zijn. Het kan ondermeer
gaan om:
–– rubriek 3: Afvalwater en koelwater
–– rubriek 15: Garages en parkeerplaatsen
–– rubriek 17: Gevaarlijke producten
–– rubriek 39 Stoomtoestellen en warm watertoestellen
–– rubriek 43: Verbrandingsinrichtingen
–– rubriek 53: Winning van grondwater
ÎÎ VLAREM II
VLAREM II7 beschrijft de voorwaarden waaraan ingedeelde inrichtingen moeten voldoen. Er worden drie
soorten voorwaarden onderscheiden: algemene, sectorale en bijzondere. De algemene milieuvoorwaarden
zijn van toepassing op alle hinderlijke inrichtingen. De sectorale milieuvoorschriften zijn specifiek van
toepassing op welbepaalde hinderlijke inrichtingen, en primeren op de algemene voorwaarden. Daarnaast
voorziet VLAREM II ook de mogelijkheid om bijzondere vergunningsvoorwaarden op te leggen in de milieuvergunning.
Algemene milieuvoorwaarden
Met betrekking tot de lozing van gevaarlijke stoffen stelt VLAREM II dat lozingen van gevaarlijke stoffen
in concentraties onder de (basis)milieukwaliteitsnormen impliciet zijn toegelaten (indien men afvalwater
mag lozen). Lozingen van gevaarlijke stoffen in hogere concentraties moeten vermeld worden in de vergunning (zie Art. 4.2.3.1). Dit kan gebeuren via de sectorale milieuvoorwaarden (normen) en/of bijzondere
milieuvoorwaarden
Indien het geloosde afvalwater gevaarlijke stoffen bevat in concentraties boven de geldende milieukwaliteitsnormen van het ontvangende oppervlaktewater, moeten dus aanvaardbare concentraties en/of vrachten opgelegd worden. VLAREM II geeft een aantal uitgangspunten die hierbij gehanteerd moeten worden
(zie Art. 4.2.3.1, 2.3.6.1 en 3.3.0.1 van VLAREM II). De operationalisering van deze uitgangspunten wordt
uitgewerkt in het Reductieprogramma Gevaarlijke Stoffen.
Sectorale milieuvoorwaarden
De sectorale voorschriften voor zwembaden zijn opgenomen in hoofdstuk 5.32 van VLAREM II. De
voorwaarden hebben o.a. betrekking op de inrichting van het bad, de bedrijfsvoering en het toezicht.
De wetgeving anno december 2010 is consulteerbaar via de emis-website: http://navigator.emis.vito.be/
milnav-consult/consultatieLink?wettekstId=9689&date=19-11-2010&appLang=nl&wettekstLang=nl, de
meest recente versie (http://navigator.emis.vito.be/milnav-consult/consultatieLink?wettekstId=9689&app
Lang=nl&wettekstLang=nl).
In verschillende artikels van VLAREM II8 wordt verwezen naar het Besluit van de Vlaamse Regering van
15 maart 1989 betreffende technische reglementering inzake drinkwater. Inmiddels is deze wetgeving
opgeheven en vervangen door het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende
reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie (B.S. 28
januari 2003 en zijn wijzigingen). In bijlage 4 van dit besluit zijn de stoffen opgenomen, die mogen gebruikt
worden voor de behandeling van drinkwater. Het zijn ook deze stoffen die toegelaten zijn in zwembaden.
7
8
VLAREM II: Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne van 1 juni 1995, herhaaldelijk
gewijzigd.
Zie VLAREM II artikel 5.32.9.2.1§8 voor overdekte circulatiebaden; artikel 5.32.9.312§7 voor niet overdekte circulatiebaden of artikel
5.32.9.4.1§1 voor hot whirpools,; artikel 5.32.9.6.1§1 voor plonsbaden en artikel 5.32.9.7.1§8 voor therapiebaden.
36
Vlaams BBT-Kenniscentrum
parameter
CZV
BZV
N
P
ZS
BS
Cl-
eenheid
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
ml/l
mg/l
vergunde concentraties
125 – 1 200
25 (uitzonderlijk 250 – 800)
10 – 100
2 – 20
60 – 1 000
0,50
500 – 1 200
Ag
As
Ba
Cd
Cr
Cu
Hg
Zn
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
0,05 – 0,1
0,01 – 0,1
2 – 50
0,01 – 0,05
0,1
0,1 – 0,5
0,002 – 0,01
0,50 – 1
AOX
actief Cl
µg/l
µg/l
600 – 2 000
40
Tabel 5: Milieuvergunningsvoorwaarden voor zwembaden (bron: VMM, 2010)
2.4.2 Overige Vlaamse regelgeving
De onderstaande paragraaf geeft een oplijsting (niet-limitatieve lijst) van overige Vlaamse milieuregelgeving die relevant is voor de zwembaden:
ÎÎ Reductieprogramma Gevaarlijke Stoffen 2005
Het Reductieprogramma Gevaarlijke Stoffen is een besluit van de minister van Leefmilieu van 23 oktober
2005, overeenkomstig art. 2.3.6.1 § 3 van VLAREM II. Het Reductieprogramma kadert de diverse elementen van het beleid gevaarlijke stoffen in het oppervlaktewater op Vlaams niveau. Het geeft aan welke
(bestaande) principes en instrumenten dienen uitgebouwd of ingezet te worden en op welke manier dit
hoort te gebeuren. Het Reductieprogramma vormt een verplichte invalshoek en handleiding voor alle hierbij
betrokken diensten en administraties van de Vlaamse overheid.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
37
HOOFDSTUK 2 - de sector
Bijzondere vergunningsvoorwaarden
Overeenkomstig hoofdstuk 3.3 van VLAREM II, kan de bevoegde overheid bijzondere milieuvoorwaarden
opleggen.
Bijzondere milieuvoorwaarden vullen de algemene en/of sectorale milieuvoorwaarden aan, of stellen bijkomende eisen. Ze worden opgelegd met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu, en met
het oog op het bereiken van de milieukwaliteitsnormen.
Tabel 5 geeft een overzicht van de lozingsnormen die via de milieuvergunningsvoorwaarden kunnen
opgelegd worden aan Vlaamse zwembaden. Deze voorwaarden bestaan enerzijds uit algemene lozingsvoorwaarden en anderzijds uit bijzondere lozingsvoorwaarden. Deze laatste zijn afhankelijk van de locale
situatie (bv. ontvangende water). Specifiek voor de lozing van afvalwater van rubriek 32.8.1 zijn er geen
sectorale voorwaarden in Vlarem opgenomen.
HOOFDSTUK 2 - de sector
Volgens het reductieprogramma geldt als algemeen kader voor de lozing van gevaarlijke stoffen via bedrijfsafvalwater:
–– De Beste Beschikbare Technieken vormen steeds het minimale kader waarbinnen de vergunningsvoorwaarden moeten worden vastgesteld. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden uit VLAREM zijn
hierbij alvast noodzakelijke, doch niet noodzakelijk voldoende voorwaarden (zie Art. 4.1.2.1 en 4.2.3.1
van VLAREM II).
–– Voor alle stoffen is sanering aan de bron het uitgangspunt.
–– Voor alle stoffen, en in het bijzonder voor gevaarlijke stoffen, is het halen van de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater het uitgangspunt (zie Art. 3.3.0.1 van VLAREM II).
–– Voor alle gevaarlijke stoffen is daarenboven een progressieve vermindering het uitgangspunt (zie Art.
2.3.6.1 van VLAREM II).
–– Voor gevaarlijke stoffen die bio-accumuleerbaar, persistent en toxisch zijn, d.i. meest gevaarlijke stoffen, is daarenboven voorkomen en/of beëindiging van de verontreiniging het uitgangspunt (zie Art.
2.3.6.1 van VLAREM II).
–– Met het oog op het halen van de milieukwaliteitsnormen voor niet-meest gevaarlijke stoffen mag,
indien concrete debietgegevens ontbreken, een tienvoudige verdunning van het afvalwater na lozing
verondersteld worden (i.e. vuistregel 10 * basismilieukwaliteitsnorm). Men moet echter voor ogen
houden dat dit een erg ruime en dus maximale benadering is – de normen voor niet-gevaarlijke parameters zoals BZV, CZV, ZS, … impliceren doorgaans een kleinere verdunning (bv. BZV = 25 mg/l versus
basismilieukwaliteitsnorm = 6 mg/l). Indien nadere debietsinformatie beschikbaar is, kan de vuistregel
10 * basismilieukwaliteitsnorm bijgesteld worden. De vuistregel 10 * basismilieukwalteitsnorm kan
eveneens worden bijgesteld in functie van de kwaliteit van de het ontvangende oppervlaktewater.
Indien nog geen specifieke milieukwaliteitsnorm werd vastgelegd in VLAREM II, wordt op basis van
beschikbare gegevens volgens de standaardmethode (TGD Technical Guidance Document on risk
assessment, Kaderrichtlijn Water bijlage 5.1.2.6) een norm ingeschat als evaluatiebasis. In andere
gevallen gebruikt men ook 10 maal de bepaalbaarheidsdrempel.
ÎÎ Zoneringsplannen
Vooraleer het afvalwater geloosd wordt in het oppervlaktewater dient het gezuiverd te worden. Voor deze
behandeling zijn er grofweg 2 opties: ofwel wordt het afvalwater opgevangen in een riool en staat de
gemeente/rioolbeheerder of het gewest in voor verdere zuivering ofwel is een bedrijf verplicht om dit zelf
te doen.
Of lozen op riool een optie is hangt af o.a. van de zone waarin het bedrijf gelegen is. De zoneringsplannen
kunnen geraadpleegd worden op de site van VMM (http://geoloket.vmm.be/zonering/).
Een overzicht van de milieuwetgeving kan o.a. teruggevonden worden op de emis website: www.emis.
vito.be.
2.4.3 Buitenlandse wetgeving
In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de kwaliteitseisen waaraan zwembadwater moet voldoen in
andere Europese landen.
38
Vlaams BBT-Kenniscentrum
PROCESBESCHRIJVING
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
HOOFDSTUK 3
In dit hoofdstuk beschrijven we de typische
procesvoering in zwembaden alsook de
bijhorende milieu-impact.
Deze beschrijving heeft tot doel om een
globaal beeld te scheppen van de toegepaste
processtappen en hun milieu-impact. Dit
vormt de achtergrond om in hoofdstuk 4 de
milieuvriendelijke technieken te beschrijven
die de sector kan toepassen om de milieuimpact te verminderen.
De details van de procesvoering, en de volgorde van de toegepaste processen, kunnen
in de praktijk variëren van bedrijf tot bedrijf.
Niet alle mogelijke varianten in procesvoering worden in dit hoofdstuk beschreven.
Ook kan de procesvoering in de praktijk
complexer zijn dan hier beschreven.
Het is in geen geval de bedoeling van dit
hoofdstuk om een uitspraak te doen over het
al dan niet BBT zijn van bepaalde processtappen. Het feit dat een proces in dit hoofdstuk
wel of niet vermeld wordt, betekent dus
geenszins dat dit proces wel of niet BBT is.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
39
40
Vlaams BBT-Kenniscentrum
3.1 Type bad
Bij baden wordt een onderscheid gemaakt tussen baden met hergebruik en baden met eenmalig gebruik
van het water.
Bij baden met eenmalig gebruik wordt het water na elke bader ververst. Dit type van baden heeft een heel
eenvoudige procesvoering. Deze baden worden in deze studie niet verder bekeken.
Bij de baden met hergebruik van water worden twee types onderscheiden:
–– circulatiebaden: waarbij de waterkwaliteit in stand gehouden wordt door het water voordurend doorheen een waterzuiveringinstallatie te laten circuleren (zie Figuur 3);
–– doorstroomde bassins: het bad wordt voordurend doorstroomd met vers suppletiewater. Het verdrongen water komt niet meer in het bad, het wordt naar het riool gestuurd of het komt in het waterzuiveringsysteem van een circulatiebad terecht (zie Figuur 4).
Tot de eerste groep horen de zwem-, instructie-, stoei- en relaxatiebaden en hot whirlpools zoals vermeld in
artikel 1.1.2 van VLAREM II. Plonsbaden en dompelbaden behoren tot het type van doorstroomde bassins.
De therapiebaden die vermeld worden onder artikel 1.2.2 van VLAREM II kunnen van het type circulatiebad
of doorstroomde bassin zijn.
Natuurlijke zwembaden; zwemvijvers of “natural pools/ponds” zijn nog uitzonderingen in Vlaanderen.
Ze worden onderaan deze paragraaf besproken.
Plonsbaden en dompelbaden behoren tot het type van doorstroomde bassins.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
41
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Zwembaden zijn gevuld met water, dat op een voor zwemmers aangename temperatuur gehouden wordt
en waaraan ontsmettende en oxiderende stoffen (meestal op basis van chloor) worden toegevoegd, die de
zwemmers tegen infectie moeten behoeden. Het opwarmen van het water gebeurt met een stookinstallatie
op gas of stookolie.
Als gevolg van het contact van de zwemmers met het water komen onzuiverheden in het zwembad terecht.
Een deel van deze onzuiverheden reageert met het aanwezige oxidatiemiddel. De reactieproducten dienen
samen met de andere onzuiverheden na verloop van tijd uit het water verwijderd te worden. De onoplosbare verbindingen worden door filtratie uit het water gehaald.
Tijdens het zwemmen kan er water op de kade stromen, dit water komt niet meer in het zwembad terecht
maar wordt rechtstreeks afgevoerd naar de riool (spatwater). Dit waterzuivering- en recirculatiesysteem
bestaat uit verschillende delen die in detail beschreven zijn in de onderstaande tekst.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Figuur 3: Schema van een circulatiebad
Figuur 4: Schema van een doorstroombad
spa, hot tub, Whirlpool of Jacuzzi
Dit zijn allen warme (tussen 30 en 40°C) baden die meestal voorzien zijn van zitbanken waar hydrojets en
airjets zijn geplaatst. Whirlpool en Jacuzzi zijn merknamen. De benaming “Hot tub” wordt meestal gebruikt
voor kleinere baden in de privé sfeer.
Een goed werkende desinfectie systeem is in deze baden nog belangrijker dan in de ander circulatiebaden.
Door de combinatie van hoge temperaturen en een hoge organische belasting (meer bader per m³ water)
zullen er meer kiemen sneller groeien.
Volgens VLAREM dienen alle whirlpools die voor het publiek toegankelijk zijn, te voldoen aan de sectorale
milieuvergunningsvoorwaarden. Dit impliceert dat het water moet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen
en dat er een goed functionerend filtersysteem moet aanwezig zijn.
natuurlijk zwembad
Een natuurlijk zwembad bestaat uit twee delen: een zwemzone en een regeneratiezone. Het water loopt
via een overloop uit het natuurlijk zwembad. Ter hoogte van de overloop wordt een skimmer geplaatst
die grof materiaal uit het natuurlijk zwembad verwijdert. Vanuit de overloop wordt het water, eventueel
42
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Figuur 5: Schema van een natuurlijk zwembad (informatie Cofely Service, 2011).
In de onderstaande paragrafen worden de verschillende onderdelen van de baden en hun werking besproken.
3.2 Doorstroming van het bad
Het water kan op verschillende manieren doorheen het bad stromen, horizontaal of verticaal, alvorens het
in het waterbehandelingsysteem of naar het riool stroomt. Afhankelijk van de locatie van de toevoer en
uitstroom openingen kunnen verschillende doorstromingen onderscheiden worden: verticaal (instroom via
bodem of via zijwanden) of horizontaal (langs en dwars).
Het belangrijkste is dat er geen “dode hoeken” in het zwembad ontstaan, maar dat het bad overal doorstroomd wordt en het water bijgevolg overal ververst wordt. Om er zeker van te zijn dat zwembaden goed
doorstroomd worden, wordt een kleurproef uitgevoerd9.
3.2.1 Milieuaspecten
Om het water te laten circuleren zijn circulatiepompen nodig die het water rondpompen. Afhankelijk van
de inhoud van het bad, de belasting van het bad en het type van het bad zijn grotere pompen nodig die
meer energie gebruiken.
Voor whirlpools en ondiepe kinderbaden varieert de turnover periode tussen de 5 minuten en 2 uur. Voor
9
Zie ook VLAREM II art. 5.32.9.2.2 voor overdekte circulatiebaden, 5.32.9.3.2 voor niet overdekte circulatiebaden en art. 5.32.9.7.2 voor
therapiebaden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
43
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
vermengd met vers water, naar de regeneratiezone gepompt. Het eerste deel van de regeneratiezone is een
infiltratiezone die bestaat uit zand. In deze zone wordt het fijne materiaal uit het water gefilterd. Daarna
komt het water terecht in een zone met waterplanten. In deze zone zullen de bacteriën, de aanwezige
verontreinigen afbreken tot nutriënten voor waterplanten. Daarna komt het water gravitair terug in de
zwemzone.
In dit type van zwembad worden geen chemicaliën toegevoegd. Wanneer hulpstoffen (bv. koper of zilverionisatie) worden gebruikt om de waterkwaliteit op peil te houden, wordt het zwembad niet meer aanzien
als een natuurlijk zwembad.
Dit type van zwembad kan ook overwogen worden ter vervanging of bij renovatie van buitenzwembaden.
Momenteel zijn er al een 100-tal publieke natuurlijk zwembaden in Duitsland, Oostenrijk en Italië. In
Vlaanderen is er momenteel een publiek toegankelijk natuurlijk zwembad.
Zowel de investeringskosten als de onderhoudskosten liggen 30% lager dan bij een klassiek openluchtbad.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
grote circulatie baden kan deze oplopen van 2 tot 4 uur10. Bij natuurlijk zwembaden streeft men naar
een turnover van 12 uur. Als gevolg van de lage turnover periode voor natuurlijke zwembaden zal het
energieverbruik van de pompen veel lager liggen dan deze van een conventioneel zwembad.
3.3 Toevoer van water
3.3.1 Beschrijving
De hoeveelheid toe te voegen water (het suppletiewater) is afhankelijk van het aantal baders, de verontreinigingen ingebracht door de baders, het gebruikte zuiveringsysteem en het waterverlies door o.a.
verdamping. De minimaal toe te voegen hoeveelheid water is vastgelegd in VLAREM II, namelijk 30 liter
per bader11. Volgens studies van SenterNovem (2007) varieert het suppletiewater per bezoeker tussen 43
en 88 liter.
Het gebruikte water kan leidingwater of grondwater zijn. Indien grondwater gebruikt wordt, moet dit
voldoen aan de bacteriologische eisen voor drinkwater en dient het ten minste halfjaarlijks gecontroleerd
te worden. In deze studie zal verder bekeken worden in hoeverre hiervoor ook intern gezuiverd (afval)water
kan gebruikt worden (zie hoofdstuk 4). De watertoevoer kan automatisch of manueel gebeuren. Bij het
gebruik van grondwater moet ijzer verwijderd worden, dit om de vorming van ijzerhydroxide neerslag te
verkomen (door reactie met het desinfectiemiddel).
Het toegevoerde water wordt, eventueel samen met het circulatiewater, opgewarmd met behulp van een
warmtewisselaar. De hoeveelheid energie die hiervoor nodig is, is afhankelijk van het debiet en de temperatuur van het water.
3.3.2 Milieuaspecten
Bij de ingebruikname van het zwembad is er op korte tijd veel water nodig. Eenmaal het zwembad in
gebruik genomen wordt, wordt het periodiek bijgevuld met vers water. Dit gebeurt meestal op het moment
van de filterspoeling (zie lager).
Per bader wordt er minimaal 30 liter water toegevoegd. Ongeveer 50 tot 60% is nodig om het water dat
geloosd wordt bij het spoelen van de filters te compenseren. De overige 40 tot 50% van het water gaat
verloren als gevolg van verdamping en spatten of wordt meegenomen door de baders (haren, kleding,
lichaam).
3.4 Voorfilter
3.4.1 Beschrijving
De eerste zuiveringsstap op het zwembadwater is een voorfilter. Deze heeft als doel de circulatiepompen te
beschermen en verstopping van de filter te voorkomen. Bij een open zandfilter is het niet strikt noodzakelijk
om een voorfilter te plaatsen.
Voorfilters verwijderen op mechanische wijze grove verontreinigingen zoals haren, pleisters en vezels. Het
zijn grote zeven met een maaswijdte van 1 tot 4 mm. De voorfilter wordt regelmatig gereinigd, de vaste
stoffen worden manueel verwijderd.
3.4.2 Milieuaspecten
De hoeveelheid afvalstoffen uit de haarvang is minimaal. Omwille van de oorsprong gaat het om bedrijfsafval.
10
11
Zie VLAREM II artikel 5.32.9.2.1§8 voor overdekte circulatiebaden; artikel 5.32.9.3.1§7 voor niet overdekte circulatiebaden, 5.32.9.3.4.1§5
voor whirlpools, 5.32.9.5.2§3 voor dompelbaden, 5.32.9.6.1§1 voor plonsbaden of artikel 5.32.9.7.1§8 voor therapiebaden.
Zie VLAREM II artikel 5.32.9.2.2§5 voor overdekte circulatiebaden; artikel 5.32.9.3.2§5 voor niet overdekte circulatiebaden of artikel
5.32.9.7.3§5 voor therapiebaden.
44
Vlaams BBT-Kenniscentrum
3.5.1 Beschrijving
klassiek zwembad, whirlpool
Zeer kleine deeltjes (< 8 μm), worden niet weerhouden door de zand- of hydro-antraciet- filters en zullen de troebelheid van het water verhogen. Om dit te voorkomen, worden voorafgaand aan de filtratie
coagulatie- en flocculatiemiddelen (vlokmiddelen) toegevoegd (zie 3.6), zodat kleine deeltjes uitvlokken
tot grotere deeltjes (> 100 μm) die beter afgescheiden worden.
Binnen de sector van de zwembaden wordt hiervoor doorgaans aluminiumsulfaat (Al2(SO4)3)12 en polyaluminiumchloride (PAC)12 gebruikt.
Wanneer het water gefilterd wordt m.b.v. een diatomee-aardefilter, worden er geen coagulatie- of flocculatiemiddelen gebruikt.
natuurlijk zwembad
Bij natuurlijke zwembaden gebeurt er geen coagulatie of flocculatie.
3.5.2 Milieuaspecten
Door het toedienen van aluminiumsulfaat of PAC zal het gehalte aan zouten en metalen toenemen, die
uiteindelijk in het afvalwater terechtkomen.
Tijdens de opslag van deze stoffen zou eventuele bodemverontreiniging kunnen optreden.
3.6 Filtratie
3.6.1 Beschrijving
klassiek zwembad, whirlpool
Een filter bestaat uit poreus korrelvormig materiaal waardoor het water stroomt. De filtrerende werking is
gebaseerd op 5 principes (PWTAG, 2009):
–– zeefeffect: wanneer zand van 0,5 tot 1 mm gebruikt wordt ontstaan poriën van ongeveer 77 µm.
Materiaal groter dan 77 µm wordt tegengehouden door de filter.
–– sedimentatie: sommige deeltjes zullen, als gevolg van hun gewicht, een neerwaartse snelheid hebben die groter is dan deze van het water en zullen sedimenteren op het filteroppervlak. (Dit effect is
verglijkbaar met het bezinken in een sedimentatiebekken). De filtersnelheden mogen niet te groot zijn
voor een goede sedimentatie.
–– adsorptie: afhankelijk van de aard en lading van sommige deeltjes zullen deze adsorberen aan de
filterdeeltjes.
–– chemische activiteit: door toevoegen van coagulanten en eventueel flocculanten zullen grotere verontreinigen gevormd worden welke verwijderd worden door de zeefwerking, sedimentatie of adsorptie.
–– biologische activiteit: deze werking is van belang in natuurlijke zwembaden waar micro-organismen de
aanwezige verontreinigen zullen afbreken. Dit kan spontaan optreden in andere filters.
Voor een goede werking van de filter wordt gestreefd naar snelheden tussen 10 en 30 m/h. Bij hogere snelheden gaat het sedimenterende en adsorberende vermogen van de filter verloren. Bij lagere filtersnelheden
zijn veel grotere filters nodig.
12
Deze stoffen zijn toegelaten voor de productie van drinkwater (opgenomen in bijlage 4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13
december 2002) en bijgevolg toegelaten in de waterbehandeling van zwembaden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
45
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
3.5 Coagulatie en flocculatie
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Filters worden regelmatig teruggespoeld. Volgens VLAREM moet dit minimum tweemaal per week gebeuren volgens een precies omschreven procedure13. Diatomee-aarde filters en actief koolfilters worden
regelmatig vervangen14.
De terugspoeling van een filter bestaat erin een krachtige opwaartse water- en/of luchtstroom doorheen
het filterbed te sturen. Bij een bepaalde water- en/of luchtsnelheid zal het bed gaan zweven (fluïdisatie),
hierdoor gaan de korrels langs elkaar schuren en komen de aangehechte verontreinigingen los.
Afhankelijk van de aard van het korrelachtig materiaal wordt een onderscheid gemaakt tussen:
–– zandfilters;
–– hyrdo-antraciet filters;
–– actief koolfilters;
–– diatomee-aardefilters;
–– perliet-filters;
–– zeoliet-filters;
–– glasfilters.
Daarnaast kan de filtratie van het zwembadwater ook nog gebeuren met behulp van membranen.
3.6.1.1 Zandfiltratie
Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen open en gesloten zandfilters. Bij een open zandfilter is de
druk van de waterkolom op het filterbed de drijvende kracht voor de stroming van het circulerende water
door het filterbed. Bij een gesloten zandfilter wordt de stroming van het circulerende water bepaald door
het drukverschil van de waterkolom boven het filterbed en de waterkolom onder het filterbed.
Bij zandfilters zal er zich boven op de filter een koek vormen van verontreinigingen. In deze koek worden
grotere deeltjes tegengehouden, zodat de efficiëntie van de filter stijgt, maar het debiet door de filter
afneemt.
Bij zandfilters wordt geadviseerd om de watersnelheden te beperken tot 20 m/h15. Terugspoelen gebeurt
met een water en lucht onder druk. De eerste minuten na het terugspoelen van de filters is de filterwerking
nog niet optimaal. Het water dat op dat moment doorheen de filters gaat, wordt daarom ook naar het
riool gestuurd.
3.6.1.2 Hydro-antraciet - dubbellaagfilter
Een dubbellaagfilter is gebaseerd op een diepbedfiltratie, waarbij de bovenste laag filtermateriaal een
kleiner soortelijk gewicht heeft dan de onderste laag filtermateriaal. Meestal wordt voor de bovenste laag
grof hydro-antraciet en voor de onderste laag fijn zand gebruikt.
Dankzij de grof-fijn verdeling kunnen de verontreinigingen dieper in het filterbed binnendringen, waardoor
de vuilberging van de filter vergroot wordt. Een bijkomend voordeel is de hogere filtersnelheid (tot 30 m/h),
waardoor de filters kleiner gedimensioneerd kunnen worden dan klassieke zandfilters. Voor het terugspoelen wordt enkel water gebruikt en geen lucht. Het terugspoelen met een water-lucht mengsel leidt tot een
snellere beschadiging van het hydro-antraciet.
Bij een hydro-antracietfilter is het spoelwaterdebiet 30% lager dan bij een klassieke zandfilter. De reden
hiervoor is o.a. dat het eerste water, na terugspoelen kan ingezet worden, terwijl er bij een zandfilter eerst
nog water richting riool moet gestuurd worden.
13
Zie VLAREM II artikel 5.32.9.2.2§5 voor overdekte circulatiebaden; artikel 5.32.9.3.2§5 voor niet overdekte circulatiebaden, artikel
5.32.9.4.2§4 voor whirlpools of artikel 5.32.9.7.3§4 voor therapiebaden
De filters worden vervangen volgens de voorschriften van de fabrikant.
15 Persoonlijke communicatie L. Feyen, Labo Derva.
14
46
Vlaams BBT-Kenniscentrum
adsorptie
Organische verbindingen adsorberen aan actieve kool en worden daardoor uit het water verwijderd. Afhankelijk van de grootte van de actief koolfilter en het waterdebiet dat er overheen gestuurd wordt, dient het
filtermateriaal sneller vervangen te worden. Uit metingen blijkt dat het verwijderingsrendement voor vrij en
gebonden chloor na 10 dagen reeds gehalveerd is (Barbot en Moulin, 2008). Doch de meeste zwembaden
blijken pas na één of meerdere jaren hun actief kool te vervangen16.
bacteriologische werking
Doordat het vrij en gebonden chloor verwijderd wordt in een actief koolfiter, is de bacteriologische activiteit
veel groter dan in andere filtertypes. Bepaalde van deze bacteriën produceren urease. Dit enzym zal ureum
afbreken, wat een gunstige invloed heeft het gehalte aan trichlooramines (Senten en Calders, 2007). Deze
filter wordt voornamelijk geplaatst bij baden die zwaar belast zijn. Het nadeel is dat chloor ook verwijderd
wordt, waardoor het verbruik van desinfectiemiddel stijgt en de actief kool niet gedesinfecteerd wordt. Het
gevolg hiervan is dat er zich ziektekiemen kunnen ontwikkelen in de filter (Jeppesen et al., 2000).
Ook dit type filter moet regelmatig (min. 2 maal per week) teruggespoeld worden. Een actief koolfilter kan
op de volledige of op een deelstroom (10 tot 20%) geplaatst worden. Dit laatste komt het meest voor.
3.6.1.4 Diatomee-aardefilter
Een diatomee-aardefilter (kiezelgoerfilter) wordt in tegenstelling tot andere filtertypen, slechts eenmaal per
twee weken teruggespoeld. Daardoor zou het waterverbruik beperkt kunnen worden. Maar dit leidt dikwijls
tot een lagere waterkwaliteit, waardoor er in realiteit meer verdund wordt. Bij dit type van filter kan geen
vlokmiddel ingezet worden omdat het de filterwerking blokkeert.
Bij het terugspoelen van de filter stroomt de diatomee-aarde samen met het spoelwater het riool in. Hierdoor stijgt het gehalte aan zwevende stoffen. Daarna moet de filter terug gevuld worden. Diatomee-aarde
is een zeer fijn stof die bij inademing schadelijk kan zijn voor de gezondheid van het personeel.
De filterbedhoogten van de meeste diatomee-aardefilters zijn lager dan 1 meter, waardoor ze niet voldoen
aan de VLAREM-reglementering (zie VLAREM II). Het gehalte aan ureum en gebonden chloor blijkt hoger
in dit type van zwembaden17.
3.6.1.5 Perliet – filter
Perliet is een vulkanisch gesteente, dat na thermische modificatie (expansie van de korrel), gebruikt wordt
als filtermateriaal. De werking lijkt op deze van de diatomee-aardefilters. Toch zijn er enkel belangrijke
verschilpunten: perliet is goedkoper dan diatomee-aarde en is niet schadelijk bij inademen. De geëxpandeerde korrels hebben net als actieve kool een groot intern oppervlakte en zullen ook stoffen adsorberen.
De korrels zijn lichter dan diatomee-aarde, waardoor de filters gemakkelijker teruggespoeld worden (Pool
and Spa news, 1997). In Vlaanderen is er weinig ervaring met dit type van filter.
3.6.1.6 Zeoliet - filter
Zeoliet is een natuurlijk mineraal waarvan de korrelgrootte kleiner is dan deze van kwartszand. Het voordeel t.o.v. een zandfilter is dat het kationen adsorbeert. NH4+, K+, Na+, Ca2+,… worden uit het water
verwijderd; dit leidt tot een lagere hardheid van het water (Dyer and White, 1999). Ook ureum wordt
16
17
Persoonlijke communicatie R. Calders (PIH) en L. Feyen (Labo Derva).
Persoonlijke communicatie L. Feyen (Labo Derva).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
47
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
3.6.1.3 Actief koolfilter
Bij actieve koolfilter dient een onderscheid gemaakt te worden tussen twee zuiveringsmechanismen:
–– adsorptie van organische verbindingen aan de actieve kool;
–– bacteriologische werking, waarbij ureum wordt verwijderd.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
verwijderd (Zeolite-Products, 2010). Hierdoor zouden minder trichlooramines gevormd worden (zie ook
§1.3). In Vlaanderen is er weinig ervaring met dit type van filters. Binnen het begeleidingscomité worden
de voordelen genuanceerd.
3.6.1.7 Glas - filter
Glasfilters bestaan uit verkleind (gerecycleerd) glas. Kleine partikels worden gemakkelijker verwijderd, wat
leidt tot helder water. Het gewicht is lager dan dat van zand, waardoor de filters gemakkelijker en sneller
terug worden gespoeld (CWC; 1998), de aankoopprijs is echter hoger dan deze van zand.
3.6.1.8 Membraanfiltratie
In zwembaden kunnen de membranen ingezet worden als alternatief voor de klassieke filters of op het
terugspoelwater van de filters, met als doel een deel van het water te recupereren. Details van deze technieken zijn terug te vinden in hoofdstuk 4 (§4.3.5).
natuurlijk zwembad
In een natuurlijk zwembad wordt het water eveneens gefilterd in een zandfilterbed. De filter wordt niet
teruggespoeld, maar de aanwezige micro-organismen zullen de verontreinigingen afbreken.
3.6.2 Milieuaspecten
Het water dat gebruikt wordt voor het terugspoelen van de filters levert de grootste bijdrage aan het waterverbruik. De hoeveelheid water die vrijkomt, is afhankelijk van de grootte van het zwembad en van het
gekozen filtersysteem. Het spoelwater, dat heel wat verontreinigingen bevat, wordt meestal ongezuiverd
geloosd. In principe is de vuilvracht onafhankelijk van het gekozen filtersysteem. De concentraties hangen
samen met het waterverbruik.
De verschillende stoffen in het spoelwater zijn:
–– door de zwemmers ingebrachte stoffen;
–– reinigingsmiddel van de vloeren;
–– restproducten van de desinfectie;
–– restproducten van de flocculatie;
–– restproducten van de oxidatie;
–– filterbedmateriaal in het geval van diatomee-aardefilters.
Algemeen kan gesteld worden dat het spoelwater gekenmerkt wordt door een laag BZV-, CZV-, stikstof
en fosforgehalte, een hoog AOX-, chloride- en soms hoog sulfaatgehalte (afhankelijk van het gebruikte
pH-correctiemiddel), een sterk variërend zwevende stof gehalte, een neutrale pH en vrij hoge temperatuur.
Het filtermateriaal van de actief koolfilter en hydro-antraciet-filter wordt regelmatig vervangen. Het afval
dat hierbij vrijkomt, wordt beschouwd als bedrijfsafval.
3.7 pH-correctie
3.7.1 Beschrijving
klassiek zwembad, whirlpool
De pH-waarde van het zwembadwater is afhankelijk van de pH-waarde van het suppletiewater en van de
aard en hoeveelheid van producten die in het waterbehandelingssysteem worden toegevoegd.
De pH-waarde dient volgens VLAREM II tussen de 7,0 en 7,6 te blijven18. Een te lage pH is corrosief voor
18
Zie VLAREM II artikel 5.32.9.2.2§4 voor overdekte circulatiebaden; artikel 5.32.9.3.2§4 voor niet overdekte circulatiebaden, artikel
5.32.9.4.2§1 voor whirlpools of artikel 5.32.9.7.2§4 voor therapiebaden.
Voor dompelbaden en plosbaden (VLAREM II artikel 5.32.9.5.1§1 en artikel 5.32.9.6.1§2) mag de pH variëren tussen 6,8 en 8,0.
48
Vlaams BBT-Kenniscentrum
natuurlijk zwembad
In theorie is er geen pH-correctie nodig in een goedwerkende zwemvijver. Het is echter wel raadzaam om
de pH nauwgezet op te volgen.
3.7.2 Milieuaspecten
Door gebruik te maken van zwavelzuur voor de pH-correctie, komen sulfaten in het water terecht; bij
het gebruik van zoutzuur komen chloriden in het zwembadwater. Deze stoffen komen uiteindelijk in het
afvalwater terecht.
Onoordeelkundige opslag van zuren en basen kan aanleiding geven tot bodemverontreinigingen (lekken)
en tot arbeidsongevallen. Dit laatste kan gebeuren wanneer natriumhypochloriet (het meest gebruikte
desinfectiemiddel) in contact komt met zuur waardoor chloorgas gevormd wordt.
3.8 Desinfectie en oxidatie – met toevoeging van chemicaliën
3.8.1 Beschrijving
klassiek zwembad, whirlpool
Desinfectie en oxidatie zijn twee processen die gelijktijdig gebeuren door toevoegen van hypochloriet of
en ander middel. Door oxidatie worden de meeste opgeloste verontreinigingen zoals ammoniak, eiwitten,
koolhydraten, vetten en aminozuren afgebroken.
Het doel van de desinfectie is het doden en inactiveren van (ziekteverwekkende) micro-organismen. Volledig kiemvrij kan zwembadwater nooit zijn, maar de desinfectie heeft als doel het aantal kiemen terug te
dringen tot op een aanvaardbaar niveau.
In de tekst wordt gesproken over “desinfectiemiddel” zonder altijd expliciet te verwijzen naar het oxiderende effect ervan. Indien een bepaald desinfectiemiddel geen oxidatieve werking zou hebben, wordt dit
onder de nadelen beschreven.
De jaarlijkse kosten voor de waterbehandeling worden door PWTAG (2009) geschat op 10 (voor 25 m bad)
tot 20% (voor 12 m bad) van de investeringskost. Hierbij lopen de kosten voor de chemicaliën van 10 tot
20% van de waterbehandelingskosten.
Volgens VLAREM (art. 5.32.9.2.2§5)20 is chloor het enige toegelaten oxidatie en desinfectiemiddel. Hiervan
kan afgeweken worden in de milieuvergunning. Doch de enige stoffen die in zwembaden mogen gebruikt
worden zijn deze stoffen die ook toegelaten zijn voor de behandeling van drinkwater (art. 5.32.9.2.1§8)21.
19
In praktijjk wordt 5 als grens genomen.
Voor overderkte recyrculatiebaden. Voor niet-overdekte recyrculatiebaden staat dit beschreven in art. 5.32.9.3.1§7, voor therapiebaden in
artikel 5.32.9.7.1§8.
21 Voor overderkte recyrculatiebaden. Voor niet-overdekte recyrculatiebaden staat dit beschreven in art. 5.32.9.3.2§5, voor therapiebaden in
artikel 5.32.9.7.3§3.
20
Vlaams BBT-Kenniscentrum
49
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
metaal en cement en bevordert de vorming van oogirriterende chlooramines. Wordt de pH lager dan 419,
dan ontstaat chloorgas. Een te hoge pH is ongunstig voor het desinfecteerproces (al het actieve chloor
zal dan aanwezig zijn als hypochlorietionen, en zodoende niet meer als actief desinfecterende stof) en
vlokvorming. Het water wordt ook irriterend voor de huid en er kan kalksteen afgezet worden in het bad.
Door het gebruik van natriumhypochloriet (NaOCl) als desinfectie- en oxidatiemiddel zal de pH-waarde
toenemen. De pH wordt op peil gehouden door een zuur toe te voegen, zoutzuur (HCl) (nadeel: corrosief),
zwavelzuur (H2SO4) of koolstofdioxide (CO2) (zwakkere en duurder zuur).
Bij het gebruik van chloorgas (Cl2), zal de pH afnemen, zodat toevoeging van een base nodig is. Hiervoor
wordt gebruik gemaakt van natriumhydroxide (NaOH).
De pH-correctie gebeurt automatisch, waarbij de doseerpomp wordt gestuurd op basis van de pH-meting.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Volgende systemen worden hieronder besproken:
–– § 1.3.1.1: chloor (1)
–– § 1.3.1.2: zoutelektrolyse (1)
–– § 1.3.1.3: anodische oxidatie (1)
–– § 1.3.1.4: chloordioxide (1)
–– § 1.3.1.5: chloro-isocyanuraat (2)
–– § 1.3.1.6: broom (2)
–– § 1.3.1.7: koper-zilver ionisatie (3)
–– § 1.3.1.8: waterstofperoxide (1)
–– § 1.3.1.9: polyhexamethyleen biguanide (PHMB) (2)
1. deze stoffen zijn opgenomen in bijlage 4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 december
1998 (en zijn wijzigingen) en zijn toegelaten voor de consumptie van drinkwater. Deze stoffen zijn
volgens VLAREM II ook toegelaten voor de desinfectie en oxidatie van het zwembadwater.
2. deze stoffen zijn NIET opgenomen in het bovenvermelde besluit en zijn wettelijk niet toegelaten
in zwembaden.
3. koper en zilver zijn niet opgenomen in het bovenvermelde besluit, maar kopersulfaat en zilvernitraat zijn toegelaten volgens het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 1998. Het
toevoegen van deze zouten leidt tot het vrijstellen van koper- en zilverionen in het water.
3.8.1.1 Chloor
Chloor is het meest gebruikte desinfectie- en oxidatiemiddel. De desinfectie gebeurt meestal met chloor
toegevoegd onder de vorm van natriumhypochloriet (NaOCl), calciumhypochloriet (Ca(OCl)2) en in mindere
mate onder de vorm van chloorgas (Cl2). Het natriumhypochloriet wordt aangeleverd in vloeibare vorm,
een aantal zwembaden produceert de stof zelf door elektrolyse van zout (NaCl). Het natriumhypochloriet
wordt gestockeerd in dagtanks, gescheiden van de opslagtanks van het zuur. Wanneer beide stoffen (natriumhypochloriet en een zuur) vermengd worden, kan het giftige chloorgas ontstaan (Flier, 1997; Belgochlor,
2007).
Het reactiemechanisme van chloor:
Cl2 (chloorgas) + H2O (water) D HOCl (hypochlorigzuur) + H+ + ClNaOCl (natriumhypochloriet) + H2O D HOCl (hypochlorigzuur)+ Na+ + OHCa(OCl)2 (calciumhypochloriet) + 2 H2O D 2 HOCl (hypochlorigzuur)+ Ca2+ + 2 OHHOCl D ClO- (hypochloriet-ion)+ H+
HOCl: hypochlorig- of onderchlorigzuur is het actieve desinfectiemiddel (= “vrij actief chloor”). Het hypochloriet-ion (ClO-) heeft geen desinfecterende werking. De som van HOCl en ClO- wordt “vrij beschikbaar
chloor” genoemd. Zoals blijkt uit Figuur 1 is de pH bepalend voor de concentratie van het hypochlorigzuur
(zie ook §1.2).
Bij zwembaddesinfectie streeft men naar een verhouding van ongeveer 70% HOCl en 30% ClO-. Ongeacht
of gebruik gemaakt wordt van NaOCl, Ca(OCl)2 of Cl2, men tracht te streven naar een pH van het badwater
tussen 7 en 7,6.
Bij het gebruik van natriumhypochloriet zal de pH stijgen, zodat een zuur nodig is om de pH op peil te houden. Bij het gebruik van chloorgas zal de pH dalen, daar is een base nodig om de pH constant te houden.
50
Vlaams BBT-Kenniscentrum
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Figuur 6: Percentages HOCl, OCl- en Cl2 in functie van de pH
voordelen (Burlion et al., 2004)
–– zeer doeltreffend middel;
–– blijvende werking;
–– wijdverspreid en gekend;
–– gemakkelijk in gebruik.
nadelen (Vankerkom et al., 2004)
–– beïnvloeding van de pH, afhankelijk van het desinfectiemiddel zal de pH toenemen of dalen;
–– Chloorgas (bron: Vankerkom et al, 2004)
–– Het desinfectiemiddel zelf, is een sterk irriterend gas (ademhalingsstelsel, oog en huid); het is zeer
toxisch voor aquatische organismen en is ook fytotoxisch.
–– Chooramines (bron: Vankerkom et al, 2004)
–– Anorganische chlooramines worden zeer snel gevormd als chloor toegevoegd wordt aan water dat
ammonium bevat, wat bij zwembadwater, dat ureum bevat, het geval is. De vluchtigheid (en oplosbaarheid) is afhankelijk van de stof: monochlooramine is weinig vluchtig, dichlooramine en trichlooramine
zijn respectievelijk ongeveer 3 en 300 keer meer vluchtig. Monochlooramine bevindt zich dus praktisch
enkel in het water en trichlooramine praktisch enkel in de lucht van zwembaden. Monochlooramine is
weinig irritant, trichlooramines in de lucht zijn sterk irriterend.
Trichlooramine is de belangrijkste gechloreerde verontreiniging in de lucht van zwembaden en is verantwoordelijk voor de bekende geur. De irritatie-eigenschap is vergelijkbaar met deze van chloor. De
eerste klachten bij bezoekers van zwembaden komen bij een concentratie van 0,5 mg/m³ voor en een
concentratie van 0,7 mg/m³ wordt als overdreven beschouwd.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
51
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Uit luchtmetingen, uitgevoerd door VITO (2004) bij verschillende zwembaden, blijkt dat bij 48 van de
51 metingen chlooramines, onder de comfortwaarde van 0,5 mg/m³ liggen, waarbij irritaties beginnen.
De waarden gemeten boven whirlpools lagen gemiddeld hoger, waarbij één op twee boven de comfortwaarde ligt. Er werd geen onderscheid gevonden tussen recreatieve zwembaden (type tropische
zwemparadijzen) en conventionele zwembaden (type gemeentelijk zwembad).
–– Trihalomethanen (bron: Vankerkom et al, 2004)
De trihalomethanen zijn, kwantitatief gezien, de belangrijkste desinfectie-bijproducten in het water.
Het zijn vluchtige producten die terug te vinden zijn in het water en in de lucht van zwembaden.
Chloroform is kwantitatief de belangrijkste van de trihalomethanen (tenminste in zoetwater). Chloroform is irriterend voor de huid en de ogen. Chloroform is door IARC (International Agency for Research
on Cancer, onderdeel van de Wereldgezondheid organisatie) geklasseerd als mogelijk kankerverwekkend.
In 45% van de gemeten baden in de VITO studie werd de drempelwaarde voor levertoxiciteit, het
belangrijkste gezondheidseffect ten gevolge van langdurige blootstelling, overschreden (100 μg/m³).
Wanneer men er echter rekening mee houdt dat de blootstelling niet continu is maar beperkt in de tijd
vb. 5 maal zwemmen per week gedurende 60 minuten, ligt de berekende blootstellingdosis (op basis
van de maximaal gemeten chloroformconcentraties) onder de drempelwaarde voor toxische effecten
ten gevolgen van langdurige blootstelling.
Uit metingen in Duitse baden blijkt dat de chloroformconcentratie in de lucht varieert tussen 36 en
206 µg/m³, waarbij het gemiddelde varieert tussen 1,2 en 65 µg/m³; wat duidelijk lager is dan in de
Vlaamse baden. Metingen in Italië bevestigen dan eerder de Vlaamse situatie: range: 35 to 650 µg/
m³; gemeten gemiddelde: 140 tot 169 µg/m³ (WHO, 2006). Bij openlucht baden liggen deze waarden
veel lager.
Volgens cijfers van de WHO (2006) varieert het chloroform gehalte in het badwater tussen 0,1 en 980
µg/l; de gemeten gemiddelde waarden liggen tussen 3,8 en 121,1 µg/l.
–– Andere gehalogeneerde koolwaterstoffen (bron: Vankerkom et al, 2004)
Verschillende gehalogeneerde koolwaterstoffen kunnen in het water en de lucht aanwezig zijn.
De concentraties van trichlooretheen en tetrachlooretheen lagen frequent onder de detectielimiet in de
VITO studie, respectievelijk bij 52 en 29 percent van de metingen.
kosten (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007)
–– Peuterbad + whirlpool (48 + 2 m³): investering: 11 000 euro; werkingkosten: 1 600 euro/jaar;
–– wedstrijdbad + whirlpool (600 m³): investering: 17 000 euro; werkingkosten: 3 900 euro/jaar.
milieu-impact
–– lozingen naar het water:
·· vrije chloor
·· AOX (in het spoelwater werden concentraties tot 4 230 µg/l gemeten – zie Tabel 1).
·· chloriden (in het spoelwater werden waarden tot 500 mg/l terug gevonden). Dit laatste is niet
abnormaal, daar VLAREM toelaat dat het zwembadwater tot 800 mg/l chloriden mag bevatten.
Hoge chloridengehalten wijzen dikwijls op een laag waterverbruik (zuinige filters e.d.). Lage chloridengehalten wijzen dikwijls op hoge watergebruiken.
–– opslag van chemicaliën:
·· bij onoordeelkundige opslag bestaat er gevaar voor contaminatie van de bodem.
52
Vlaams BBT-Kenniscentrum
NaCl + H2O (water) D NaOCl (natriumhypochloriet) + H2 (waterstof)
Deze vloeistof wordt tijdelijk opgeslagen, waarna het toegevoegd wordt aan het te behandelen zwemwater.
Niet al het zout wordt in een doorstroomcel omgezet in hypochloriet, waardoor een deel van de pekeloplossing in het zwembad terecht komt. Als gevolg hiervan neemt het chloridengehalte van het zwemwater toen.
Dit effect wordt ook wel “chloridelek” genoemd. Het water dat gebruikt wordt bij zoutelektrolyse wordt
vooraf onthard, waardoor de elektroden na verloop van tijd niet omgepoold hoeven te worden.
Het waterstofgas dat bij zoutelektrolyse ontstaat, dient direct te worden afgevoerd.
Voor de productie van 1 kg chloor is ± 3,5 kg NaCl en een elektrisch verbruik van ± 6 kWh.
Bij de membraancel zijn de anode en kathode van elkaar gescheiden door een membraan.
2 NaCl + H2O D Cl2 (chloorgas) + H2 (waterstof) + NaOH (natriumhydroxide)
Het chloorgas en de loog kunnen nu niet met elkaar in contact komen, waardoor het mogelijk is de cel met
een geconcentreerde(re) zoutoplossing te voeden. Het bij de anode vrijgemaakte chloorgas wordt met behulp van een ejecteur (onderdruk) aan het zwemwater toegevoegd. Het aan het zwemwater toegevoegde
chloor zal hydrolyseren, waarbij onderchlorigzuur en zuur ontstaat, zie reactievergelijking.
Cl2 + 2 H2O  HOCl + H3O+ + ClHet bij de kathode gevormde loog kan worden gebruikt voor de pH correctie of wordt al dan niet na
verdunnen rechtstreeks of met filterspoelwater naar het riool afgevoerd.
Voor de productie van 1 kg chloor is ± 2,5 kg NaCl nodig en een elektrisch vermogen van ± 3,5 kWh.
voordelen
–– er wordt slechts die hoeveelheid hypochloriet aangemaakt die effectief nodig is;
–– er zijn geen bewaarmiddelen nodig (die er normaal moeten voor zorgen dat de activiteit van het natriumhypochloriet constant blijft gedurende de opslag, deze stoffen worden echter zelf ook geoxideerd),
zodat de benodigde hoeveelheid natriumhypochloriet lager is;
–– De vorming van chlooramines en AOX zou kleiner zijn waneer gebruik gemaakt wordt van een zoutelektrolyse. (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007). Dit wordt echter niet bevestigd door Burlion et al.
(2004).
nadelen
–– de nadelen zijn gelijkaardig al deze beschreven onder paragraaf 1.3.1.1. .
kosten (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007)
–– Peuterbad + whirlpool (48 + 2 m³): investering: 18 500 euro; werkingkosten: 1 600 euro/jaar;
–– wedstrijdbad + whirlpool (600 m³): investering: 34 000 euro; werkingkosten: 3 300 euro/jaar.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
53
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
3.8.1.2 Zoutelektrolyse
Bij het gebruik van zoutelektrolyse wordt het hypochloriet ter plaatse geproduceerd uit zout (NaCl). Het
desinfectiemechanische is beschreven onder §1.3.1.1. Zoutelektrolyse komt voornamelijk in recent gebouwde zwembaden voor.
Het elektrolysesysteem kan op twee manieren uitgevoerd worden:
–– het doorstroomsysteem;
–– de membraancel.
Bij de doorstroomcel (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007) zijn anode en kathode in één ruimte ondergebracht. Er zijn verschillende uitvoeringsvormen, de meest gebruikelijke werkwijze is die waarbij de cel
gevoed wordt met een verdunde ontharde pekeloplossing. Uit de cel komt een natriumhypochlorietoplossing met een sterkte van 5 à 9 gram chloor per liter en een pH van circa 9.
milieu-impact
Zelfde als onder paragraaf 1.3.1.1, doch minder opslag van gevaarlijke chemicaliën.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
3.8.1.3 Anodische oxidatie
Bij anodische oxidatie wordt NaCl aan het zwemwater toegevoegd in hoeveelheden tot 2 kg/m³. Het chloridengehalte neemt daarmee toe tot een concentratie van ± 1 200 mg Cl-/l. Meestal wordt in deelstroom van
het circulatiesysteem een elektrodepakket geplaatst. In kleinere baden (privé zwembaden) wordt gewerkt
met lager chloridengehalte van 300 mg Cl-/l (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007).
Het zoute water stroomt van de anode naar de kathode. Het bij de anode gevormde chloor komt dan in
contact met water met een verhoogde pH en gaat daarbij over in natriumhypochloriet volgens:
Cl2 + 2 NaOH  NaOCl (=natriumhypochloriet) + NaCl + H2O
De elektroden moeten regelmatig worden omgepoold om kalkaanslag te voorkomen.
Anodische oxidatie wordt vooral toegepast in kleine zwembaden, omdat bij grote zwembaden het
zoutgehalte relatief laag is en de elektroden een groter oppervlakte moet bevatten. Dit leidt tot hogere
investeringskosten. Bij kleinere baden speelt dit aspect minder een rol. Er zijn geen publiek toegankelijke
zwembaden gekend die met deze techniek zijn uitgerust.
voordelen
–– De vorming van chlooramines en AOX zou kleiner zijn waneer gebruik gemaakt wordt van een anodische oxidatie (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007). Dit wordt echter niet bevestigd door Burlion
(2004).
nadelen
–– pH verlagend;
–– hoge zoutconcentratie van het badwater (slechte watersmaak);
–– corrosief;
–– er moet voldoende geventileerd worden om het geproduceerde H2-gas af te voeren.
kosten (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007)
–– Peuterbad + whirlpool (48 + 2 m³): investering: 25 000 euro; werkingkosten: 1 600 euro/jaar;
–– wedstrijdbad + whirlpool (600 m³): investering: 60 000 euro; werkingkosten: 3 300 euro/jaar.
milieu-impact
–– Zelfde als onder paragraaf 1.3.1.1.
3.8.1.4 Chloordioxide
Chloordioxide (ClO2) is een sterk desinfectans. Het wordt niet geklasseerd onder de “chloor desinfectans”
omdat dat werking verschillend is van die van chloorgas en hypochloriet. Er wordt geen vrij chloor geproduceerd, maar wel chloriet (ClO2-) en chloraat (ClO3-) (Verbeeck, 2008).
Het chloordioxide valt de elektronrijke kern van organische moleculen aan. Daarbij wordt een elektron
overgedragen en ontstaat chloriet:
ClO2 + e- D ClO2ClO2 + 4 H+ + 4 e- D Cl- + 2 H2O
voordelen
–– in tegenstelling tot chloor, reageert chloordioxide niet met ammoniak en nauwelijks met andere stikstofverbindingen, zodat er geen trichlooramines gevormd worden;
54
Vlaams BBT-Kenniscentrum
nadelen
–– er worden schadelijke chlorieten en chloraten gevormd. Verschillende landen hebben dan ook een
maximum norm voor chloriet (in drinkwater);
–– in hoge concentraties kan chloordioxide tranende ogen, irritaties of brandwonden veroorzaken. Wanneer het door de huid wordt opgenomen kan het schade veroorzaken aan weefsels en bloedcellen.
Het gas kan ook leiden tot keel- en hoofdpijn. De effecten op de ontwikkeling van foetussen is nog
onvoldoende bestudeerd;
–– chloordioxide onder druk is explosief en daarom onveilig om te transporteren. Het wordt daarom
meestal ter plaatste geproduceerd. De basisproducten zijn natriumchloriet (NaClO2) of natriumchloraat
(NaClO3), en zoutzuur (HCl) of chloor (Cl);
–– hoge kostprijs omwille van de hoge kosten voor de productie ter plaatste (5 à 10 maal duurder dan
chloor).
3.8.1.5 Organische chloorverbindingen (chloro-isocyanuraat)
Chloro-isocyanuraat wordt in tabletvorm aan het zwembadwater toegevoegd. Eenmaal in contact met water, wordt hypochloriet en cyanuurzuur gevormd. Hypochloriet heeft een desinfecterende werking (PWTAG,
2009).
chloro-isocyanuraat in water D hypochloriet + cyanuurzuur
Chloro-isocyanuraat wordt meestal in kleinere private zwembaden gebruikt. Toch blijkt dat sommige zwembaduitbaters het ook in publieke zwembaden gebruiken als bijkomend desinfectiemiddel. Dit laatste wordt
echter afgeraden, omdat het cyanuurzuur in het water aanwezig blijft en de volledige hypochlorietbalans
kan verstoren. Bovendien verbiedt VLAREM het gebruik van chloorstabilisatoren22 (waaronder deze stof
valt).
voordelen
–– Cyanuurzuur gaat fotolyse van hypochlorigzuur door zonlicht tegen, waardoor het gebruikt wordt in
buitenzwembaden.
nadelen
–– Het vrije chloor (hypochloriet) reageert met het aanwezig organische materiaal of bacteriën. Cyanuurzuur blijft in het bad aanwezig. Hoe hoger de concentratie cyanuurzuur, hoe meer de reactie richting
chloro-isocyanuraat gaat en hoe moeilijker hypochloriet wordt vrijgesteld, waardoor de desinfecterende
werking in het gedrang komt. Het is dus van belang dat het water voldoende verdund wordt (wat
negatief is voor het waterverbruik). In Nederland wordt daarom een norm van 50 mg/l cyanuurzuur
opgelegd vanaf het ogenblik er chloro-isocyanuraat gebruikt wordt;
–– doordat chloro-isocyanuraat een vast product is, is het moeilijker doseerbaar. Bij grotere of zwaarder
beladen baden is het aanwezen om een automatische voeder te plaatsen;
–– de desinfectiebijproducten zijn gelijkaardig aan deze onder paragraaf a.
milieu-impact
–– Zelfde als onder paragraaf 1.3.1.1.
22
VLAREM artikel 5.32.9.2§5.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
55
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
–– in basis milieu (pH 9) heeft chloordioxide zijn optimale werking en is het veel efficiënter dan chloor in
zijn optimaal pH-gebied. In het neutraal milieu (pH 7) blijkt chloor dan toch efficiënter te zijn voor de
desinfectie van virussen (Taylor & Butler, 1982).
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
3.8.1.6 Broom
De werking van broom is gelijkaardig aan deze van chloor. Broom kan toegediend worden onder volgende
vormen: als Br2, NaBr of BCDMH (1-bromo-3-chloro-5,5-dimethyl-hydantoin) (Burlion et al. 2004).
Broom werd vroeger vaker als desinfectiemiddel gebruikt, vandaag wordt het zelden toegepast.
3.8.1.7 Koper-zilver ionisatie
Koper- en zilverionen komen vrij door elektrolyse van koper- en zilverstaven. De zilverelektrode staat daar
waar in andere baden de chlorering gebeurt23, de zilverionen doen dienst als desinfectiemiddel. Zilverionen
zorgen voor een destructie van het celmembraan en de eiwitstructuren van micro-organismen. Het koper
doet dienst als vlokmiddel en moet voor de filters staan (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007). De techniek wordt vooral gebruikt voor private zwembaden (PWTAG, 2009). In Wallonië zijn er 2 publieke baden
die deze techniek gebruiken. De Cu2+ concentratie wordt op 0,6 à 1,2 mg/l gehouden, deze van Ag+ op 2
à 10 µg/l (Burlion et al, 2004).
De milieu-impact en voor- en nadelen worden onder hoofdstuk 4 besproken (§4.2.2.1).
3.8.1.8 Waterstofperoxide
Waterstofperoxide (H2O2) is een oxidans dat gestabiliseerd wordt met zilver. Om voldoende effectief te
zijn voor de desinfectie van zwembadwater zijn vrij hoge dosissen vereist (Vlaringerbroek en van Straaten,
2007).
De milieu-impact en voor- en nadelen worden onder hoofdstuk 4 besproken (§4.2.2.2).
3.8.1.9 Polyhexamethyleen biguanide (PHMB)
PHMB (C8H18N5Cln met n=12 – 16) bevat zes biguanide groepen die zich kunnen binden aan de fosfolipiden
van de plasmamembranen van micro-organismen. Dit veroorzaakt lekkage van de cel met celdood als
gevolg. Het desinfectiemiddel is vooral gekend als contactlensvloeistof (Mailoa, 2005). Het middel is met
wisselend succes geprobeerd in 4 Franse zwembaden (Burlion et al., 2004).
PWTAG geeft aan dat PHMB geen volwaardig alternatief is voor publieke zwembaden en adviseert om het
enkel te gebruiken in private zwembaden de reden hiervoor zijn terug te vinden onder de nadelen.
voordelen (Burlion et al., 2004)
–– gemakkelijk te manipuleren en te stockeren;
–– zeer effectief desinfectiemiddel;
–– geen effect op de pH.
nadelen (Burlion et al., 2004)
–– heeft, in tegenstelling tot de andere producten, geen oxidatieve werking;
–– moeilijk om de juiste dosis te bepalen: het gehalte PHMB is moeilijk meetbaar door zijn interferentie
met NH4+-ionen. Daardoor is het ook niet mogelijk om de dosering te automatiseren.
–– vlokt gemakkelijk uit, wat leidt tot een verhoogde turbiditeit;
–– hoge dosissen leiden tot irritatie van ogen en tot een onaangename smaak van het water;
–– het middel mag niet in combinatie met chloor gebruikt worden;
–– mogelijk zijn bepaalde bacteriën resistent aan PHMB of werkt PHMB minder efficiënt bij temperaturen
hoger dan 22°C.
natuurlijk zwembad
Bij natuurlijke zwembaden wordt er geen desinfectiemiddel toegevoegd.
23
Persoonlijke communicatie F. Feyen (Labo Derva).
56
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Afhankelijk van het gekozen desinfectieproduct komen er andere stoffen in het afvalwater terecht. Het
desinfectiemiddel kan ook de luchtkwaliteit beïnvloeden.
Tabel 6: samenstelling van de lucht en het bad- en spoelwater bij gebruik van chloor (en broom) in binnenbaden
gemeten
gemiddelde
lucht
chloroform
µg/m³
BDCM
DBCM
dichloormethaan
trichlooretheen
tetrachlooretheen
bromoform
stikstof trichloride
zwembaden
stikstof trichloride
spa’s
formaldehyde
µg/m³
µg/m³
µg/m³
µg/m³
µg/m³
µg/m³
µg/m³
30 - 214
65 - 162
4,1 – 19,5
0,8 – 13,3
0,2 – 4,8
< 0,07 – 0,45
< 0,06 – 3,23
0,1 – 0,2
59 – 462
µg/m³
140 – 591
µg/m³
17 - 67
3,8 – 151,1
zwembadwater
chloroform
µg/l
THM
BDCM
µg/l
µg/l
1,3 – 11,0
DBCM
µg/l
0,4 – 10,9
bromoform
µg/l
< 0,1 – 0,28
broomdichloormethaan
AOX
µg/l
0,53
chloriden
mg/l
spoelwater
BZV
mg/l
6
4
CZV
mg/l
55
mediaan
19,12
µg/l
Vlaams BBT-Kenniscentrum
range
MAC
–waarde2
bron
1,7 - 650
28 – 190
0,23 – 58,0
0,05 – 30,0
< 0,13 – 8,3
< 0,07 – 0 75
< 0,06 – 1,96
< 0,03 – 3,0
65 - 538
5 000
a
b
a
a
b
b
b
a
b
n.v.
350 000
5 000
n.v.
b
3,5 - 22
1500
b
< 0,1- 980
2 1 - 170
9,95 – 26,3
43,9 - < 20,0
< 0,1 – 150
< 1 – 44
0,03 – 140
<1 – 7
0,02 – 203,2
<1 – 3
<1 – 1,27
1 000
a
c
d
d
a
c
a
c
a
c
c
500
< 101 - 514
180 – 2 500
135- 361
c
e
c
4
3 - 10
f
(8 metingen)
33
(8 metingen)
7 - 184
f
57
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
3.8.2 Milieuaspecten
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
zwevende stoffen
mg/l
gemeten
gemiddelde
260
chloriden
mg/l
308
sulfaten
mg/l
219
AOX
µg/l
1 540
effluent
BZV
mg/l
368
CZV
mg/l
zwevende stoffen
mg/l
N totaal
mg/l
P totaal
mg/l
chloriden
mg/l
AOX
µg/l
mediaan
MAC
–waarde2
7,35
5 – 2 000
(8 metingen)
247
189 – 454
(10 metingen)
166
92 – 219
(10 metingen)
1 200
50 – 4 230
(15 metingen)
349
4 – 1 350
(75 metingen)
907
754
10 – 3 930
(76 metingen)
406
220
0 – 3 600
(87 metingen)
67
72
3,8 - 150
(76 metingen)
11
11
0,054 – 32
(67 metingen)
111
84
57 - 310
(54 metingen)
495
445
173 – 1 460
(12 metingen)
DP: desinfectieproduct
DBP: desinfectiebijproduct
BDCM: bromodichlorometaan
DBCM: dibromochlorometaan
1
: laagste waarden bij het gebruik van NIEUWE actieve kool
2
: Bron: Chemiekaarten, 2005
n.v.: niet vastgesteld
58
range
bron
f
c en f
c en f
c en f
g
g
g
g
g
g
g
Bron:
a: WHO, 2006
b: Vankerkom et al., 2004
c: PIH, 2007
d: Labo Derva, 2010
e: KIWA, 2007
f: TMVW, 2010
g: VMM, 2009-2010
Vlaams BBT-Kenniscentrum
1
desinfectiemiddel
chloor,
zoutelektrolyse,
anodische oxidatie,
organische chloorverbindingen
(UV)
desinfectiebijproducten
trihalomethanen, gehalogeneerde azijnzuren, haloacetonnitrielen,
chloorhydraat, chloorpicrin, chloorfenolen, N-chlooramines, halofuranonen, broomhydrinen, chloraat (vooral bij gebruik van hypochloriet),
aldehyden, alkaanzuren, benzeen en carboxylische zuren.
koper-zilver ionisatie
H 2O 2
ozon1
koper en zilver
zilver (als bewaarmiddel van waterstofperoxide)
bromoform, monobroomazijnzuur, dibroomazijnzuur, dibroomaceton,
cyanogeen, bromide, chloraat, iodaat, bromaten, waterstofperoxide,
onderbromig zuur, epoxiden, ozonaten, aldehyden, ketonen, ketonzuren, carboxylische zuren en alle desinfectieproducten van chloor,
wanneer beide producten samen gebruikt worden.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Tabel 7: Desinfectiebijproducten per desinfectiemiddel (WHO, 2006; Lenntech, 2009)
: zie paragraaf 1.4.1.1.
Tabel 8: Effectiviteit van desinfectieproducten en effect op het milieu
desinfectiemiddel
effect op kiemgetal24
op injectielocatie in zwembad
chloor
broom
koper zilver
gestabiliseerd
waterstofperoxide
+++
+++
+
+
+++
+++
+
+
desinfectiemiddel en -bijproducten
milieuschadelijke
carcinogene
stoffen
stoffen
-----/0
-/0
0
0
3.9 Desinfectie en oxidatie – zonder toevoeging van chemicaliën
3.9.1 Beschrijving
3.9.1.1 Ozon
Ozon wordt steeds in combinatie met een ander desinfectiemiddel ingezet (meestal samen met chloor).
Ozon heeft een sterk oxidatieve werking, waardoor het niet rechtstreeks in contact mag komen met de
baders. Restozon moet verwijderd worden met behulp van UV-licht of actieve kool. De ozonisator wordt
meestal in bypass geplaatst op 25% van het water. Wanneer het toestel voor de filters geplaatst wordt, zou
dit een positief effect hebben op de flocculatie (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007).
Volgens de Duitse DIN-norm (DIN 19643-4) dient, bij gebruik van ozon, het zwembadwater minimaal 3
minuten in contact gebracht te worden bij een ozonconcentratie van 0,8 tot 1,5 mg/l. Voor de productie
van 1 kg ozon is 20 kWh elektrische energie nodig.
De milieu-impact en voor- en nadelen worden onder hoofdstuk 4 besproken (§4.2.3.3).
24
Op basis van gegevens van Borgnmann-Strahsen (2003).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
59
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
3.9.1.2 UV
Ook UV-licht dient steeds in combinatie met een ander desinfectiemiddel ingezet te worden (meestal
samen met een middel op basis van chloor). UV-licht heeft een golflengte tussen 180 en 400 nm. Hoe
kleiner de golflengte, hoe groter de energie van de golf. UV-C-licht, met een golflengte tussen 200 en
280 nm is het meest effectief. Onder invloed van deze hoge energie zullen moleculaire bindingen gebroken
worden (=fotolyse), waarbij het DNA, RNA en enzymen van bacteriën aangevallen worden. De effectiviteit
van UV is afhankelijk van de contacttijd en de golflengte van het UV-licht. Bij een lage dosis worden
enzymen gedegenereerd, maar kunnen zij terug herstellen. Het is dus van belang van de juiste dosis te
bepalen (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007 en Burlion ent al, 2004).
De milieu-impact en voor- en nadelen worden onder hoofdstuk 4 besproken (§4.2.3.3).
3.10 Toevoeging andere chemicaliën
3.10.1Natriumbicarbonaat
Om de buffercapaciteit van het water te verhogen, wordt natriumbicarbonaat toegevoegd. Hierdoor is het
water minder onderhevig aan pH-schommelingen. Een hoog gehalte aan bicarbonaat zorgt voor een goede
flocculatie. De concentratie in het zwemwater dient minimum 60 mg H2CO3/l te bedragen25.
3.10.2Natriumsulfiet, natriumthiosulfaat of waterstofperoxide
Een overmaat van natriumhypochloriet in zwembadwater kan geneutraliseerd worden door toevoeging van
natriumsulfiet, natriumthiosulfaat of waterstofperoxide.
In kalkhoudend water wordt bij de afbraak van chloor met natriumsulfiet of natriumthiosulfaat tevens gips
(calciumsulfaat) gevormd. Gips is onoplosbaar in water, leidt tot troebel water en zet een harde korst af
op het filterbed. Met natriumthiosulfaat zal de pH van het behandelde zwembadwater dalen. Dit is een
nevenreactie met een gunstig effect omdat een overchlorering met natrumhypochloriet de pH steeds doet
stijgen (Belgochlor, 2007).
Waterstofperoxide wordt hiervoor in hoge concentraties (35%) gebruikt. Het heeft als voordeel dat het
geen neerslag vormt en in vloeibare vorm kan toegevoegd worden.
3.11 Leeg laten van het bad
3.11.1Beschrijving
Eenmaal per jaar dient de bufferbak gereinigd worden. Wanneer de waterkwaliteit onvoldoende is kan de
toezichthoudende ambtenaar een volledige lediging van het bad eisen26.
3.11.2Milieuaspecten
Wanneer het volledige zwembad leeg gelaten wordt, kan dit een hydraulische belasting veroorzaken op de
RWZI of het ontvangende oppervlaktewater. In het geval lozing op RWZI is in de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden van sommige zwembaden daarom opgenomen dat indien de volledige inhoud van het
zwembad geloosd wordt, dit op voorhand (veertien dagen) dient besproken te worden met de beheerder
van de rioolwaterzuiveringsinstallatie zodat de hydraulische belasting op de RWZI beperkt kan worden.
Tevens dienen deze lozingen bij voorkeur ’s nachts te gebeuren27.
25
Zie VLAREM II artikel 5.32.9.2.2§4 voor overdekte circulatiebaden; artikel 5.32.9.3.2§4 voor niet overdekte circulatiebaden, artikel
5.32.9.4.2§1 voor whirlpools, artikel 5.32.9.5.1§1 voor dompelbaden of artikel 5.32.9.7.2§4 voor therapiebaden. Voor whirlpools is 60 mg/l
een richtwaarde en is 40 mg/l de ondergrens.
26 Zie VLAREM II artikel 5.32.9.2.2§6 voor overdekte circulatiebaden; artikel 5.32.9.3.2§6 voor niet overdekte circulatiebaden of artikel
5.32.9.7.2§6 voor therapiebaden.
27 Communicatie VMM, 2010.
60
Vlaams BBT-Kenniscentrum
3.12.1Beschrijving
a Dagelijkse reiniging bad
Figuur 7 beschrijft de verschillende verontreinigingen die voorkomen in zwembaden. De fysische en
chemische aard van de verontreinigingen in het water bepalen de efficiëntie waarmee ze verwijderd kunnen worden. Op basis van de fysische eigenschappen wordt er onderscheid gemaakt tussen bezonken,
zwevende en drijvende stoffen.
Oppervlakte verontreiniging:
- haar en huidvet
- stof
- excrete van de neus
- afval
- vet
Opgeloste verontreiniging:
- urine
- cosmetica
- zonnecrème e.d.
Gesuspendeerde verontreiniging:
- kortlevende reactieproducten afkomstig van bv.
desinfectie
Niet-oplosbare verontreiniging:
- zand, stenen,…
- neergeslagen chemicaliën
Figuur 7: Verspreiding van de verontreinigingen in het zwembadwater – bron PWTAG (2009
–– De bezonken verontreinigingen worden periodiek via het afzuigen van de bodem verwijderd. Het gaat
voornamelijk om textiel en plastiek. Bij kleinere baden, waar het vlokmiddel in het zwembad zelf wordt
gedoseerd, ontstaat een sliblaag op de bodem. De slibreiniging op de bodem van het bad gebeurt met
behulp van een zuiginstallatie, vergelijkbaar met een stofzuiger. Na de sluiting van de zweminstelling
laat men de baden onaangeroerd, zodat de aanwezige vervuiling de kans krijgt om te bezinken. Deze
verontreinigingen worden tenminste om de twee dagen vóór opening van het zwembad verwijderd
(VLAREM II). Besturing en bediening van de zuiginstallatie gebeuren meestal manueel.
–– De zwevende verontreinigen kunnen bij alle doorstroomvarianten zonder extra maatregelen eenvoudig
verwijderd worden via de uitstroomopeningen.
–– Drijvende verontreinigen kunnen door overloopgoten en skimmers, aangebracht ter hoogte van het
wateroppervlak, uit het bassinwater worden verwijderd. De wanden van het bad worden ten minste
één maal per week gereinigd en gestofzuigd.
b Reiniging badrand en aanpalende ruimten
Zowel om hygiënische als om esthetische redenen dienen alle ruimten in een zweminrichting zoveel
mogelijk vrij te zijn van verontreinigingen. Het gaat hierbij niet alleen om zichtbaar vuil, zoals stof, zand,
kalkaanslag, eiwit- en vetresten, maar ook om niet met het blote oog waarneembare verontreinigingen
zoals micro-organismen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van detergent en mechanische reiniging.
Zwembaden dienen zo ingericht te zijn, dat het reinigingswater niet in het zwembad terechtkomt, maar in
het riool.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
61
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
3.12 Reiniging van zwembad en ruimten.
3.12.2Milieuaspecten
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
De inhoud van de stofzuiger wordt gefilterd, de grove delen worden manueel verwijderd, de rest spoelt het
riool in. Resten van reinigingsproducten komen in het afvalwater.
3.13 Klimatisatie zwembaden - verwarming
3.13.1Beschrijving
binnenbaden: klassiek zwembad, whirlpool
De temperatuur van het badwater ligt tussen de 25°C en 28°C, voor babybaden en whirlpools is de
temperatuur hoger. Om deze temperatuur te behouden en inkomend water (temperatuur leidingwater 11°C
tot 15°C) te verwarmen is een warmtewisselaar nodig. De meeste zwembaden gebruiken hiervoor een
klassieke verwarmingsketel (90% van de zwembaden gebruiken aardgas, 10% stookolie; Van den Abeele,
2000), slechts een klein aantal inrichtingen gebruikt warmtepompen.
Volgens VLAREM moet bij therapiebaden de luchttemperatuur ten minste één graad hoger zijn dan die van
het bassin met het grootste wateroppervlak28. Voor andere baden wordt dit niet specifiek opgelegd, toch
bepaald de luchttemperatuur in grote mate het comfortgevoel van de baders.
De kosten voor het verwarmen van een zwembad bedragen volgens het PWTAG (2009) dubbel zoveel als
de kosten voor de aankoop van water en chemicaliën.
klassiek openluchtzwembad
Voor openluchtzwembaden liggen deze temperaturen veel lager.
natuurlijk zwembad
De meeste natuurlijke zwembaden worden enkel met behulp van instralende zon opgewarmd. In sommige
gevallen wordt het natuurlijk zwembad extra verwarmd. De temperatuur van het water wordt volledig
bepaald door de luchttemperatuur en de instralende zon.
Op dit ogenblik is er een verwarmd, overdekt natuurlijke zwembad in Duitsland.
3.13.2Milieuaspecten
Om de water- en luchttemperatuur op peil te houden is er veel energie nodig. Inherent aan de opwarming
van water en lucht door verbranding van fossiele brandstoffen zijn de luchtemissies van CO2 (koolstofdioxide), NOx (stikstofverbindingen), CO (koolstofmonoxide), SOx (zwavelverbindingen) en VOS (vluchtige
organische verbindingen).
Het energieverbruik voor verwarming wordt door SenterNovem (2007) geschat op 9 000 tot 18 500 kWh
per 1 000 bezoekers. TMVW (2010) geeft aan dat het aardgasverbruik varieert tussen 1 200 000 en
2 500 000 kWh per jaar. Enkel bij openlucht baden, die slechts beperkte tijd open zijn per jaar, ligt het
aardgasverbruik significant lager.
3.14 Klimatisatie zwembaden - Ventilatie
3.14.1Beschrijving
In een zwembad kunnen globaal drie verschillende temperatuur- en vochtigheidszones onderscheiden
worden (bron: KNZB en isa 2004):
–– zwemhal
–– kleedruimten
–– andere ruimten (toegangshal, cafetaria, vergaderzalen,…)
28
Zie VLAREM II artikel 5.32.9.7§7.
62
Vlaams BBT-Kenniscentrum
3.14.2Milieuaspecten
Het ventileren van zwembaden gaat gepaard met een groot energieverbruik. Enerzijds is er het elektrische
energieverbruik van de ventilatoren. Anderzijds zuigen de ventilatoren continue warme, vochtige zwembadlucht uit het zwembad en blazen droge koellucht in de zwembadhal. Wanneer het om oudere gebouwen
gaat, die niet luchtdicht gemaakt zijn, zullen ventilatieverliezen nog groter zijn.
Gebouwen moeten ook dampdicht zijn, om te voorkomen dat de warme vochtige lucht migreert doorheen
de gebouwenschil en condenseert in de schil ter hoogte van een kouder oppervlak of koude brug. Hierdoor
kan er schimmel of rot ontstaan in de gebouwenschil.
3.15 Globale milieu-impact
In de onderstaande paragrafen ligt de nadruk op conventionele zwembaden, die met chloor gedesinfecteerd worden.
Bij natuurlijke zwembaden is de milieu-impact veel beperkter.
3.15.1Waterverbruik
Het waterverbruik in zwembaden kan opgesplitst worden in het water voor het zwembad en sanitair
water (douches en toiletten). TMVW (2010) heeft aparte meters geplaatst op het douchewater en het
suppletiewater voor het bad. Daaruit blijkt dat ongeveer 12% gebruikt wordt voor de douches. Volgens
SenterNovem (2007) zou het aandeel voor beiden even groot zijn (suppletie: 30 tot 75 l/bader; douches
60 tot 80 l/bader).
Bij natuurlijke zwembaden wordt het bad eenmalig opgevuld met zuiver water. Hiervoor wordt meestal
leidingwater gebruikt. Het bijvullen (compensatie van uitsleep en verdamping) kan met hemelwater, leidingwater of putwater.
3.15.2Afvalwaterkwaliteit
Uit de onderstaande tabel blijkt dat verschillende lozingsparameters van zwembaden boven de basismilieukwaliteitsnorm of boven de norm voor het lozen van stedelijk afvalwater zitten. De onderstaande
waarden zijn afkomstig van schepstalen en tijdsgebonden stalen. De effluentstalen werden gemeten aan
Vlaams BBT-Kenniscentrum
63
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
In de zwemhal dient er voldoende geventileerd te worden om desinfectie bijproducten af te voeren en de
vochtigheid onder controle te houden. De relatieve vochtigheid in zwemhallen varieert tussen 50 en 70%,
waarbij 60% als ideaal beschouwd wordt (PWTAG, 2009). Relatieve vochtigheden boven de 70% zullen
leiden tot condensatie, relatieve vochtheden onder 50% zullen leiden tot hogere energiegebruiken (om
deze lage relatieve vochtigheden te bereiken).
In de kleedruimten, welke een ruimte temperatuur tussen 24 en 26°C hebben tracht men te streven naar
een lage relatieve vochtigheid (deze is immers onaangenaam tijdens het afdrogen). Daarom wordt de
vochtinfiltratie vanuit het bad vermeden.
De andere ruimten worden als normale ruimten beschouwd, met een ruimte temperatuur van ongeveer
22°C.
Om aan deze eisen te voldoen moeten de verschillende ruimten bouwkundig van elkaar gescheiden worden
o.a. door middel van warmte- en vochtisolerende constructies. Per type van ruimte worden aparte afzuigsystemen voorzien.
Volgens het PWTAG (2009) zou er 12 l/s verse lucht moeten toegevoerd worden per zwembadgebruiker
(inclusief aanwezig personeel of toeschouwers).
Om de ruimten te ventileren wordt gewerkt met een mechanische ventilatie. De afgezogen vochtige en
warme lucht passeert via een warmtewisselaar de koude droge lucht, waardoor deze laatste voorverwarmd
wordt.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
het lozingspunt van het zwembad(complex) en omvatten naast het spoelwater van het zwembad ook het
sanitaire afvalwater van douches, toiletten en horeca. Hieronder wordt enkel gekeken naar parameters die
een link hebben met de zwembadactiviteit. Het sanitaire afvalwater kan qua samenstelling gelijk gesteld
worden aan huishoudelijk afvalwater.
De hoge waarden voor sommige parameters werden mogelijk gemeten op het ogenblik dat de filters
teruggespoeld werden. In Tabel 6 wordt een overzicht gegeven van de concentratie van deze parameters in
het zwembadwater en in het spoelwater. Daaruit blijkt dat de hoogste concentraties waargenomen worden
in het spoelwater.
Tabel 9: Effluentgegevens van zwembaden in Vlaanderen (bron VMM 2009 – 2010)
effluent
BZV
mg/l
CZV
mg/l
zwevende stoffen mg/l
N totaal
mg/l
P totaal
mg/l
chloriden
mg/l
Ag
As
Cd
µg/l
µg/l
µg/l
Cr
µg/l
Cu
mg/l
Hg
µg/l
Ni
µg/l
Pb
µg/l
Zn
µg/l
AOX (3)
µg/l
64
gemiddelde
range
mediaan
368 (75 metingen)
4 – 1 350
349
907 (76 metingen)
10 – 3 930
754
406 (87 metingen)
0 – 3 600
220
67 (76 metingen)
3,8 - 150
72
11 (76 metingen)
0,054 – 32
11
111 (54 metingen)
57 – 310
84
alle waarden kleiner dan de detectielimiet (45 metingen)
alle waarden kleiner dan de detectielimiet (46 metingen)
alle waarden kleiner dan de detectielimiet (45 metingen)
0,001
5,91 (45 metingen)
0 - 20
5,00
0,0284 (52 metingen)
0 – 0,061
0,0240
0,52 (33 metingen)
0 - 13
mediaan kleiner dan detectielimiet
2,39 (45 metingen)
0 – 20,0
mediaan kleiner dan detectielimiet
2,52 (45 metingen)
0 – 18,0
mediaan kleiner dan detectielimiet
97,2 (45 metingen)
23,0 - 280
82,5
495 (12 metingen)
173 – 1 460
445
Vlaams BBT-Kenniscentrum
toetswaarde
25 (2)
125 (2)
35 à 60 (2)
10 à 15 (2)
1 à 2 (2)
120 (1)
0,4 (1)
5 (1)
0,8 (1)
50 (1)
0,050 (1)
0,3 (1)
30 (1)
50 (1)
200 (1)
40 (1)
2: gebaseerd op bijlage 5.3.1 De lozing van stedelijk afvalwater van VLAREM II.
3: Uit ervaring bij LNE afdeling Milieu-inspectie blijkt dat waterstalen met hoge chloride concentraties vaak afwijkende
en twijfelachtige resultaten opleveren voor AOX. Uit onderzoek hieromtrent (Van Deun et al, 2009) blijkt dat hoge
zoutconcentraties interfereren met AOX. Na dit onderzoek werd beslist om de WAC methode voor de bepaling van
AOX aan te passen. Het is deze aangepaste WAC-methode die gebruikt is door VMM voor de AOX-analyses vermeld
in deze tabel.
In Tabel 9 wordt een overzicht gegeven van de huidige effluentwaarden van zwembaden en de geldende
normen.
BZV, CZV, N totaal, P totaal, zwevende stoffen
Uit Tabel 9 blijkt dat de zwembaden niet voldoen aan de normen voor het lozen van stedelijk afvalwater,
zoals deze worden opgelegd aan RWZIs voor BZV, CZV, N en P. Aangezien de zwembaden, waarvan deze
gegevens afkomstig zijn, lozen op riool, geeft dit geen probleem. Uit Tabel 6 blijkt dat vooral sanitair
afvalwater aan de basis ligt van de hoge vrachten.
zware metalen
Uit Tabel 9 blijkt dat de lozingsconcentraties van sommige metalen boven de basismilieukwaliteitsnormen
zitten.
De effluentwaarden voor koper en zink liggen in uitzonderlijke gevallen (zie Figuur 8) boven de basismilieukwaliteitsnorm (= het indelingscriterium).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
65
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
1: indelingscriterium gevaarlijke stoffen uit de bijlagen van het Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het
Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende
de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale
bepalingen inzake milieuhygiëne, voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems
en grondwater.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Figuur 8: Effluentgegevens voor koper en zink van zes zwembaden (gegevens VMM 2009-2010).
66
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Figuur 9: Effluentgegevens voor chloriden van zes zwembaden (gegevens VMM 2009-2010).
AOX
Belangrijkste verontreinigsparameter is echter AOX die continue hoger ligt dan de basismilieukwaliteitsnorm en welke volledig te wijten is aan het desinfecteren – oxideren met producten op basis van chloor.
(De metingen omvatten enkel zwembaden die chloor als desinfectiemiddel gebruiken.)
Vlaams BBT-Kenniscentrum
67
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
chloriden
Figuur 9 geeft een overzicht van de chloridenconcentraties, welke sterk gelinkt zijn aan het zwembadproces.
Enerzijds is er de VLAREM norm voor chloriden in het zwembadwater van 800 mg/l. Zwembaden met een
laag waterverbruik (zuinige technieken of hoog hergebruik), zullen in het zwembadwater chloridenconcentraties hebben die vrij dicht bij de 800 mg/l liggen. Zwembaden die meer suppletiewater toevoegen (en
dus veel minder zuinig zijn op gebied van water- en energieverbruik), zullen lagere emissies voor chloriden
hebben.
Anderzijds wordt de uiteindelijke effluentkwaliteit ook sterk bepaald door de randactiviteiten van het
zwembad. Indien er grote hoeveelheden sanitair water uit horeca activiteiten of randactiviteiten (sportcomplex) wordt toegevoegd, zullen de chloridenconcentraties lager zijn.
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
Figuur 10: Effluentgegevens voor AOX van zes zwembaden (gegevens VMM 2009-2010).
Voor natuurlijke zwembaden geldt dat zij bij hoge neerslag het teveel aan water overstorten richting riool
of oppervlaktewater. Dit water bevat, bij normaal gebruik, geen milieuschadelijke stoffen.
3.15.3Hydraulische belasting
Wanneer zwembaden volledig leeggemaakt worden, leidt dit tot een verhoogde hydraulische belasting van
het ontvangende water of rioolsysteem.
3.15.4Energieverbruik
Het elektrische energieverbruik werd, op basis van data van 97 baden in Nederland door SenterNovem
(2007) berekend. Afhankelijk van de grootte van het bad varieert het elektrisch verbruik tussen 1 710 en
2 690 kWh/1 000 baders. Uit cijfers van TMVW (2010) blijkt dat het totale elektriciteit verbruik van baden
varieert tussen 380 000 en 770 000 kWh/jaar.
Ongeveer 37% van het elektrische energieverbruik gaat naar de zwembadtechniek (pompen, filters,…);
28% naar verlichting; 24% naar klimatisatie en 11% naar andere (o.a. horeca) (Gommers en Houwers,
2009).
De grootste hoeveelheid energie wordt gebruikt voor het verwarmen van de ruimten, het zwembad- en
douchewater. Detail gegevens van de verbruiken zijn terug te vinden onder paragraaf 1.3.2.
Ongeveer 35% van de geproduceerde warmte gaat naar de verwarming van de ruimte; 27% naar de
verwarming van de baden; 19% gaat verloren door ventilatie en 18% gaat naar de verwarming van douchewater (Gommers en Houwers, 2009).
Bij natuurlijke zwembaden zal het energieverbruik lager liggen dan bij een conventioneel zwembad, omdat
de turnover van het bad lager is.
3.15.5Afval
Het procesgerelateerde afval in zwembaden is beperkt (inhoud van de voorfilter, filterbedmateriaal als
dit vervangen wordt, verpakkingsmateriaal van chemicaliën). De grootste hoeveelheid afval is afval dat
68
Vlaams BBT-Kenniscentrum
3.15.6Bodem
Het risico op bodemverontreinigingen bij zwembaden is nihil.
3.15.7Geluid en trillingen
Het geluids- en trillingsniveau van zwembadpompen en toestellen is beperkt tot nihil voor omwonenden.
Het meeste geluid en lawaai wordt veroorzaakt door de badgasten, dit kan storend zijn voor omwonenden
in het geval van openlucht zwembaden. In overdekte baden blijkt de zwembadakoestiek te leiden tot
klachten bij het toezichthoudend personeel en de badgasten.
In hoofdstuk 4.5 van VLAREM zijn de voorwaarden opgenomen waaraan ingedeelde inrichten moeten
voldoen om geluidshinder te beheersen (zie http://navigator.emis.vito.be/milnav-consult/consultatieLink?w
ettekstId=8576&appLang=nl&wettekstLang=nl).
3.15.8Lucht en geur
De luchtverontreinigingen die zwembaden veroorzaken zijn gelinkt aan hun stookinstallaties. De milieuimpact en milieumaatregelen van stookinstallaties zijn beschreven in de BBT-studie stookinstallaties en
stationaire motoren (2002) en komt ook aan bod in een nieuwe BBT-studie nieuwe kleine- en middelgrote
stookinstallaties (de studie wordt begin 2011 verwacht).
Binnenzwembaden kennen een typische zwembadgeur, die beschreven is onder paragraaf 3.8.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
69
HOOFDSTUK 3 - procesbeschrijving
gelijkgesteld kan worden aan huishoudelijk afval (inhoud van vuilbakken en verpakkingsmateriaal van de
cafetaria of horeca-infrastructuur).
70
Vlaams BBT-Kenniscentrum
BESCHIKBARE
MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
In dit hoofdstuk lichten we de verschillende maatregelen toe die in de zwembaden
geïmplementeerd kunnen worden om milieuhinder te voorkomen of te beperken. De
milieuvriendelijke technieken zijn ingedeeld
in volgende 4 paragrafen:
·· stapsgewijs implementeren van BBT
·· technieken die een effect hebben op de
vermindering van de desinfectiebijproducten;
·· technieken om het waterverbruik te
beperken;
·· technieken om het energieverbruik te
beperken;
·· good housekeeping maatregelen;
·· end-of-pipe technieken voor het reinigen
van het geloosde afvalwater
Bij de bespreking van de milieuvriendelijke
technieken komen telkens volgende punten
aan bod:
·· beschrijving van de techniek;
·· toepasbaarheid van de techniek;
·· milieuvoordeel van de techniek;
·· financiële aspecten van de techniek.
De informatie in dit hoofdstuk vormt de basis
waarop in hoofdstuk 5 de BBT-evaluatie zal
gebeuren. Het is dus niet de bedoeling om
reeds in dit hoofdstuk (hoofdstuk 4) een uitspraak te doen over het al dan niet BBT zijn
van bepaalde technieken. Het feit dat een
techniek in dit hoofdstuk besproken wordt,
betekent m.a.w. niet per definitie dat deze
techniek BBT is.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
71
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
HOOFDSTUK 4
72
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Bij duurzame processen moet gestreefd worden naar een minimaal water-, grondstoffen en primair energieverbruik. Om hierin te slagen is het van belang om heel systematisch na te denken over processtappen
die bepalend zijn voor het verbruik en welke stappen “volgen”.
Om het energieverbruik te beperken kan gewerkt worden volgens de Trias Energetica. In deze aanpak worden in eerste instantie prioriteit gelegd bij maatregelen uit stap 1 zijnde de beperking van de energievraag.
Indien alle maatregelen met een positieve ecologische en economische balans genomen werden dan wordt
overgegaan naar stap 2 (duurzame energiebronnen) en in laatste instantie stap 3 (efficiënte benutting van
fossiele brandstoffen).
1. Stap 1: Beperk de energievraag
2. Stap 2: Gebruik duurzame energiebronnen (b.v. bodemwarmte, zonne-energie, wind, biomassa, etc.)
3. Stap 3: Gebruik eindige energiebronnen efficiënt (b.v. hoog rendement, WKK).
Een analoge aanpak dient gevolgd te worden om het water- en grondstofverbruik te beperken. Het beperken van het waterverbruik zal ook een gunstig effect hebben op het energieverbruik, aangezien praktisch
al het water dat in zwembaden gebruikt wordt, ook moet opgewarmd worden.
Het beperken van het grondstofgebruik is o.a. gekoppeld aan het gebouw en de gebruikte chemicaliën.
Een compact gebouw is gunstig voor het materiaal gebruik, maar is ook gunstig om het energiegebruik te
beperken.
Tabel 11 (hoofdstuk 5) geeft een overzicht van deze stapsgewijze implementatie.
4.2 Verminderen desinfectiebijproducten
Preventieve maatregelen
§ 4.2.1
douchen vóór het baden
§ 4.2.1.1
koper zilver ionisatie
§ 4.2.2.1
Alternatieve
desinfectiemiddelen
§ 4.2.2
waterstofperoxide en zilver
§ 4.2.2.2
AOP
§ 4.2.2.3
verwijderen van
desinfectie bijproducten
§ 4.2.3
UV
§ 4.2.3.3 a
ozon
§ 4.2.3.3 b
actiefkoolfilters
§ 4.2.3.1
waterstofperoxide
§ 4.2.3.3. c
actieve kool doseren als
poeder
§ 4.2.3.2
UV + waterstofperoxide
§ 4.2.3.3. d
gebruik van AOP
§ 4.3.3.3
ozon + waterstofperoxide
§ 4.2.3.3. e
Vlaams BBT-Kenniscentrum
73
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
4.1 Stapsgewijs implementeren van de BBT
4.2.1 Preventieve maatregelen
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
4.2.1.1 Douchen vóór het baden
ÎÎ Beschrijving
Op dit ogenblik zijn zwembaden (verplicht) uitgerust met douches, zodat baders zich kunnen douchen vóór
ze het zwembad betreden. Maar uit de praktijk blijkt dat niet alle baders dit consequent doen.
Bij nieuwe zwembaden worden de douches best zodanig geplaatst worden dat baders ze niet kunnen
ontwijken. De PWTAG (2009) stelt zelfs dat er best aparte doucheruimtes kunnen zijn voor mannen en
vrouwen, waarbij naakt kan gedoucht worden. In sauna’s, waar doucherituelen meer ingeburgerd zijn,
wordt soms scrubzout voorzien. Door zich hiermee vooraf te douchen, zullen minder lichaamsschilfers
en –vetten in het badwater terecht komen.
Bij bestaande zwembaden is het heel belangrijk om baders te sensibiliseren. Dit kan door duidelijke borden
en affiches. Het kan hierbij helpen om duidelijk aan te geven waarom het vooraf douchen zo belangrijk is.
Daarnaast kan het personeel van zwembaden een actieve rol krijgen bij het sensibiliseren van de baders.
ÎÎ Toepasbaarheid
De maatregel is toepasbaar in alle zwembaden.
Momenteel blijkt dat veel baders zich douchen na het baden, in plaats van voor het baden. Om de baders
te sensibiliseren dient hiermee in het ontwerp van zwembaden rekening gehouden te worden. Mogelijk kan
het helpen dat er aparte douches zijn voor inkomende en uitgaande baders, waardoor er extra aandacht
gelegd wordt op het wassen voor het baden.
ÎÎ Milieuvoordeel
Het douchen voor het baden verwijdert een significante hoeveelheid vuil (zand, pluizen, zweet,…) en
bacteriën die anders in het zwembad terecht komen (PWTAG, 2009). Het gehalte aan ureum en TOC
nemen af met respectievelijk 60 en 64% (Keuten, 2009 en 2010). Dit zal leiden tot lagere concentraties
desinfectiebijproducten en een lager chemicaliën gebruik (WHO, 2006).
ÎÎ Financiële aspecten
De maatregel heeft een beperkte financiële impact.
4.2.2 Alternatieve desinfectiemiddelen
4.2.2.1 Koper zilver ionisatie
ÎÎ Beschrijving
In aanwezigheid van koper- en zilverionen zal een destructie van het celmembraan en de eiwitstructuren
van micro-organismen optreden. De koper- en zilverionen komen vrij door elektrolyse van koper- en zilverstaven (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007). De koperelektrode moet voor de filters staan, daar koper
ook dienst doet als vlokmiddel. De zilverelektrode staat in de retourleiding van het water richting zwembad.
De techniek wordt vooral gebruikt voor private zwembaden (PWTAG, 2009). In Wallonië zijn er 2 publieke
baden die met deze techniek zijn uitgerust. De Cu2+ concentratie wordt op 0,6 à 1,2 mg/l gehouden, deze
van Ag+ op 2 à 10 µg/l (Burlion et al, 2004).
ÎÎ Toepasbaarheid
In twee Waalse zwembaden waar de techniek wordt toegepast, wordt voldaan aan de bacteriologische ver-
74
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Milieuvoordeel
Er ontstaan geen schadelijke desinfectiebijproducten of AOX.
Het spoelwater zal wel zilver en koper bevatten en dit in concentraties die minstens even hoog zijn als
deze van het badwater; namelijk 2 tot 10 µg/l voor zilver en 0,6 tot 1,2 mg/l voor koper. Dit is ruim
boven het indelingscriterium voor gevaarlijke stoffen van 0,05 mg/l Cutotaal en 0,4 µg/l Agtotaal, waardoor het
zwembadwater als een bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen dient beschouwd te worden.
ÎÎ Financiële aspecten
Er zijn geen exacte financiële gegevens van dit type van installatie gekend.
4.2.2.2 Waterstofperoxide en zilver
ÎÎ Beschrijving
Waterstofperoxide (H2O2) is een oxidans met een zwakke desinfecterende werking. Om voldoende effectief
te zijn voor de desinfectie van zwembadwater zijn vrij hoge dosissen vereist. Een mengsel van waterstofperoxide en zilver blijkt veel efficiënter te zijn dan waterstofperoxide alleen (studie universiteit Antwerpen).
Momenteel is een mengsel van waterstofperoxide en zilver erkend als ontsmettingsmiddel voor whirlpools30
en wordt het hiervoor al gebruikt (Spanje en Nederland).
ÎÎ Toepasbaarheid
In Vlaanderen was er één publiek zwembad en één whirlpool die gebruik maakten van waterstofperoxide
in combinatie met zilver. In 20% van de gevallen werd het geëiste kiemgetal van 100 niet gehaald. In 3%
van de gevallen was het kiemgetal groter dan 500, maar kleiner dan 1 500 (Feyen, 2010; De Coster en van
Larebeke, 2006). Omdat het zwembad en de whirlpool herhaaldelijk niet kon voldoen aan de voorwaarden
die opgelegd werden door het agentschap Zorg en Gezondheid, zijn ze opnieuw overgestapt naar een
desinfectie op basis van chloor. Bij keuze voor deze techniek dient een afweging gemaakt te worden
tussen de volksgezondheidkundige voor- en nadelen van deze techniek in functie van de belasting en
bedrijfsvoering van het zwembad.
Om bacteriële groei in de filters te vermijden, dienen deze periodiek te worden teruggespoeld met
hypochloriet (Feyen, 2010). Uit navraag bij een leverancier (Novuswater) is er een chloorvrij alternatief:
behandelen van de filters met actieve zuurstof (bv. onder vorm van kaliumperoxomonosulfaat) 31.
Uit studie (Universiteit Antwerpen; Feyen, 2010) blijkt dat het mengsel van waterstofperoxide en zilver veel
efficiënter is bij hoge temperaturen (40°C) dan bij lage temperaturen (20°C). Dit is mogelijk te wijten aan
een lager concentratie zilverionen bij lagere temperaturen (Thijssen). De erkenning32 voor het gebruik van
29
Persoonlijke communicatie L. Feyen, Labo Derva.
Novuswater NW 100 (chemische stof op basis van waterstofperoxide en zilver) is door de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu erkend voor de ontsmetting van whirlpools. Toelatingsnummer 1608B d.d. 28 februari 2008.
31 Schriftelijke communicatie H. Bervoets, Novus Eco-Technology n.v.
32 Ook wanneer een bepaald product van een bepaalde leverancier erkend is, is er nog steeds een toelating van de het agentschap Zorg en
Gezondheid nodig om het middel effectief te gebruiken.
30
Vlaams BBT-Kenniscentrum
75
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
eisten, zonder toevoeging van chloor29. Volgens Burlion et al. (2004) zou de bacteriologische kwaliteit toch
niet altijd gegarandeerd worden en is het nodig om Cu/Ag te combineren met een ander desinfectiemiddel.
Er dient een afweging gemaakt te worden tussen de volksgezondheidkundige voor- en nadelen van deze
techniek in functie van de belasting en bedrijfsvoering van het zwembad.
Te hard water of te hoge chloridenconcentraties kunnen leiden tot een neerslag in het water en negatief
kunnen zijn voor de werking van de filters. Koper- en zilverionen zijn niet in staat zijn om organisch
materiaal (huidvetten, haren, urine,…) te oxideren. Daarom zijn goed werkende filters noodzakelijk.
Het voordeel van Cu/Ag is dat ze geen invloed hebben op de pH.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
waterstofperoxide en zilver is daarom beperkt tot whirlpools, waar het wel een goed alternatief zou zijn
voor middelen op basis van chloor33. Het gebruik van chloor leidt o.a. tot irriterende trichlooramines, welke
in hogere concentratie gemeten worden boven whirlpools (zie § 3.8.1.1).
Waterstofperoxide heeft weinig invloed op de pH, waardoor er minder zuur of base nodig is om de pH te
corrigeren (zie §3.7).
Wanneer waterstofperoxide gebruikt wordt in water, leidt dit tot een snelle decompositie, waardoor er
weinig gevaar is voor accumulatie. Anders is het met zilver dat wel zou kunnen accumuleren in het zwembadwater (De Coster en van Larebeke, 2006). Om dit uit te sluiten is een opvolging van de zilverconcentratie
noodzakelijk.
ÎÎ Milieuvoordeel
Het voordeel van waterstofperoxide is dat er geen gechloreerde desinfectiebijproducten worden gevormd in
het zwembadwater. Uit ervaring blijkt echter dat filters één tot tweemaal per maand moeten teruggespoeld
worden met hypochloriet, waardoor het spoelwater mogelijk wel belast is met gechloreerde desinfectiebijproducten en AOX34. Er zijn momenteel nog geen gegevens bekend van het gebruik van actieve zuurstof
in de filters.
Daarnaast zal het water ook sporen zilver bevatten, die afkomstig zijn van de stabilisator.
ÎÎ Financiële aspecten
De prijs voor gestabiliseerd waterstofperoxide is niet hoger dan deze van producten op basis van chloor31.
4.2.2.3 AOP
Onder §4.2.3.3 wordt het gebruik van advanced oxidation products (AOPs) beschreven. Verschillende van
deze producten hebben naast een oxidatieve werking ook een desinfecterende werking. Geen van deze
producten blijkt echter afdoende te desinfecteren om een volwaardig alternatief te zijn voor middelen op
basis van chloor.
4.2.3 Verwijderen van desinfectiebijproducten
4.2.3.1 Actiefkoolfilters
ÎÎ Beschrijving
Een actieve koolfilter kan na een klassieke filterinstallatie (zand, hydro-antraciet) of na ultrafiltratieinstallatie geplaatst worden. Hierdoor zullen de aanwezige gechloreerde verbindingen verwijderd worden.
Behalve een betere waterkwaliteit, zal het gebruik van actieve kool ook leiden tot een betere luchtkwaliteit.
De techniek is beschreven onder paragraaf 3.7.1 en in de Gids waterzuiveringstechnieken (Derden et al,
2010)35.
ÎÎ Toepasbaarheid
De filter is zinvol wanneer chloor als desinfectiemiddel gebruikt worden. Uit onderzoek (KIWA, 2007;
Barbot en Moulin, 2008) blijkt dat het verwijderingsrendement van actief koolfilters snel afneemt. Mogelijk
is dit te wijten aan lage contacttijden36. Wanneer de contacttijden moeten verhoogd worden, zullen de
filters veel groter (en duurder worden).
33
Een erkenning door een product wordt gegeven door de fedale overheid. Het toelaten van een alternatief desinfectiemiddel in zwembaden
wordt gegeven door het agentschap Zorg en Gezondheid. Een erkenning door voor een product vereist nog steeds een aparte toelating.
34 De concentratie tijdens het terugspoelen bleef onder de 45 µg/l. Schriftelijke communicatie L. Feyen (Labo Derva).
35 De techniekbladen zijn raadpleegbaar via de EMIS-website: http://www.emis.vito.be/techniekfiche/adsorptietechnieken
36 Telefonische communicatie met klantendienst Desotec. Voor een goede adsorptie is het noodzakelijk dat er een contacttijd van minimum 15
minuten gerespecteerd wordt. Bij lager contacttijden zal het actieve oppervlakte niet volledig benut worden.
76
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Financiële aspecten
Infomil (2010) schat de investeringskosten in op 13 000 euro (exclusief installatie). In de Gids voor waterzuiveringstechnieken (Derden et al., 2010) wordt een volledige inschatting gemaakt van de kostprijs voor
actiefkoolfilter.
4.2.3.2 Actieve kool doseren als poeder
ÎÎ Beschrijving
Poederkool (PAC) is actieve kool in poeder vorm. Het wordt voor de filters (zandfilter of membraanfilter)
gedoseerd. Het aanwezige organische materiaal, inclusief AOX, wordt door de poederkool geadsorbeerd.
De poederkool wordt opgevangen op de zandfilter of de voorfilter van de membraaninstallatie (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007).
Behalve een betere waterkwaliteit, zal het gebruik van actieve kool ook leiden tot een betere luchtkwaliteit.
Hiervoor is een doseerunit nodig die de actieve kool bevochtigd en toevoegt aan het water. Het ruimtebeslag is minimaal.
ÎÎ Toepasbaarheid
De poederkool kan ingezet worden wanneer gechloreerde desinfectiemiddelen gebruikt worden. Het
poederkool is niet selectief, naast AOX worden ook andere organische stoffen geadsorbeerd, waardoor een
deel van de poederkool niet gebruikt wordt waarvoor ze bedoeld was.
Het gebruik van poederkool kan leiden tot verstopping van de zandfilter. Dit kan ondervangen worden door
cassettes met poederkool in bypass te plaatsen.
ÎÎ Milieuvoordeel
Er zullen minder AOX aanwezig zijn in het zwembadwater. Maar het gebruik van poederkool leidt tot
een verhoging van het zwevend stof gehalte in het afvalwater, tenzij hiervoor de nodige filters geplaatst
worden.
Door het gebruik van actieve kool zal de kwaliteit van het zwembadwater verbeteren en zal er minder
vers – warm- water nodig zijn.
ÎÎ Financiële aspecten
Kosten voor een doseerunit die 150 g/l poederkool doseert.
·· Peuterbad + whirlpool (48 + 2 m³): investering: 11 000 euro (chloorbleekloog) + 9 000 euro
(doseerinstallatie); werkingkosten: 5 100 euro/jaar;
·· wedstrijdbad + whirlpool (600 m³): investering: 17 000 euro (chloorbleekloog) + 15 000 euro
(doseerinstallatie); werkingkosten: 13 900 euro/jaar.
4.2.3.3 Gebruik van AOPs (Advanced Oxidation Process/geavanceerde oxidatieproces) om
desinfectiebijproducten te verwijderen of verminderen
Geavanceerde chemische oxidatieprocessen gebruiken (chemische) oxidanten om zowel organische als
oxideerbare anorganische componenten te verwijderen. Deze processen oxideren organische materialen
tot koolstofdioxide en water.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
77
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Milieuvoordeel
Verwijderen van organische stoffen waardoor, in aanwezigheid van chloor of broom, minder desinfectiebijproducten gevormd worden.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Er zijn veel verschillende geavanceerde oxidatie processen beschikbaar:
–– Chemische oxidatieprocessen die waterstofperoxide, ozon, gecombineerd ozon en peroxide, hypochloriet, Fenton’s reagens en dergelijke gebruiken.
–– Ultra-violet licht (UV) verbeterde oxidatie zoals UV/ozon, UV/waterstof, UV/lucht
–– Natte luchtoxidatie en katalytische natte lucht oxidatie (waarbij lucht als de oxidant wordt gebruikt)
(Lenntech, 2009).
Bij zwembaden wordt gebruik gemaakt van UV, ozon en waterstofperoxide of een combinatie hiervan om
desinfectiebijproducten van chloor te verwijderen.
Volgende processen worden beschreven:
–– UV
–– ozon
–– waterstofperoxide
–– UV + ozon
–– UV + waterstofperoxide (geavanceerde foto-oxidatie)
–– ozon + waterstofperoxide
Het gebruik van AOPs leidt volgens een lid van het begeleidingscomité tot verhoogde nitraatconcentraties.
Er zijn echter geen detailgegevens (concentratie e.d.) gekend.
4.2.3.3 a: UV
ÎÎ Beschrijving
UV-licht dient steeds in combinatie met een ander desinfectiemiddel ingezet te worden (meestal samen
chloor). Zie ook §3.9.1.2.
Er worden twee types van UV-lampen onderscheiden: lage druk en midden druk lampen. Lage druklampen
stralen vooral licht uit met een golflengte van 254 nm, terwijl middendruk UV-lampen stralen binnen een
spectrum van 185 tot 400 nm uitzenden. Het vermogen van de standaard lage druk lampen ligt tussen 4
en 120 W (de nieuwe generatie lampen zijn verkrijgbaar in een vermogen tot 400 W), het vermogen voor
middendruk lampen ligt tussen 400 W en 10 kW.
Op basis van Figuur 11 lijken lage druk UV-lampen een goede keuze, omdat deze hun grootste effectiviteit
hebben in het gebied waar DNA de hoogste adsorptie vertoont. Doch volgens Zimmer en Slawson (2002)
zijn middendruk UV-lampen beter geschikt voor desinfectie, omdat moleculen minder snel regenereren
onder invloed van middendruk UV-lampen.
78
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Germicidal Effectiveness
80
60
40
20
0
200
Medium Pressure
UV Lamp
Low Pressure
UV Lamp
220
240
260
280
300
320
340
360
Wavelength. nm
Figuur 11: Golflengte van een lage en middendruk UV-lamp (Bron: Amercian aquarium products, 2008)
Onder invloed van UV-licht zal de N-Cl verbinding in chlooramines gebroken worden, wat een gunstig effect
heeft op de zwembadlucht. Afhankelijk van de golflengte zullen andere chlooramines vernietigd worden
(Vlaringerbroek en van Straaten, 2007). Dit wordt bevestigd door Senten en Calders (2007). De snelheid
waarmee gebonden chloor afneemt zal groter zijn bij middendruk lampen dan bij lage druk lampen met
hetzelfde vermogen (Kristensen et al, 2009).
monochlooramine:
254 nm
dichlooramine:
297 nm
trichlooramine:
340 nm
Daarnaast is UV-licht ook een zeer efficiënt desinfectiemiddel. Cryptosporidium en Giardia, die resistent zijn
voor hypochloriet, worden onder invloed van UV-licht wel verwijderd. UV- licht heeft, bij hoge contacttijden,
ook een gunstig effect op de AOX-concentratie. Maar deze contacttijden (> 10 minuten) zijn in praktijk niet
realiseerbaar (Glauner et al, 2005b).
Middendruk UV lampen leiden tot een verhoogde activiteit van chloor, waardoor het mogelijk is om het
verbruik van chloor te beperken (Cassan et al., 2006).
De UV-installatie wordt na de filterinstallatie en voor de doseerunit voor chloor geplaatst.
ÎÎ Toepasbaarheid
UV-lampen moeten steeds in combinatie met een ander desinfectiemiddel gebruikt worden, omdat de UVlampen steeds buiten het zwembad geplaatst worden, en geen blijvende desinfecterende werking hebben.
Het gebruik van UV-lampen zou, volgens recente bronnen, leiden tot vorming van THM, voornamelijk
chloroform (Cassan et al, 2006) en precursoren van THM (Glauner et al, 2005b). Dit wordt echter weerlegd door nieuwere studies (Kristensen et al, 2009). De vorming van THM is een gevolg van de reactie
van chloorradicalen (welke ontstaan onder invloed van UV) en humuszuren. De mate waarin ze gevormd
worden hangt af van de hoeveelheid chloorradicalen (hoe meer UV, hoe meer radicalen) en de concentratie
aan humuszuren in het suppletiewater (en de hoeveelheid suppletiewater)37.
37
Schriftelijke communicatie Peter Appel (PWT).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
79
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Relative Intensity (Effectiveness). %
100
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Het gebruik van UV-lampen leidt tot een verhoogde turbiditeit, waardoor een goede filterwerking noodzakelijk is (Burlion et al., 2004).
UV-lampen staan in verschillende Vlaamse zwembaden, met als doel, de vermindering van de concentratie
van chlooramines.
ÎÎ Milieuvoordeel
Het gebruik van UV-lampen leidt tot een reductie van het chloorgebruik; de lampen zorgen immers voor
de basis desinfectie en de concentratie aan actief chloor in het bad kan hierdoor verminderd worden.
Bovendien worden chloramines verwijderd. Door gebruik te maken van UV-lampen zou de waterkwaliteit
ook verbeteren, zodat de filters minder lang moeten teruggespoeld worden (Swimming Pool news 2008
en 2009).
ÎÎ Financiële aspecten
UV middendruk lampen (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007)
·· Peuterbad + whirlpool (48 + 2 m³): investering: 11 000 euro (chloorbleekloog) + 10 000 euro (UV
middendruk lampen); werkingkosten: 3 600 euro/jaar;
·· wedstrijdbad + whirlpool (600 m³): investering: 17 000 euro (chloorbleekloog) + 19 000 euro (UV
middendruk lampen); werkingkosten: 7 400 euro/jaar.
UV lagedruk lampen(Vlaringerbroek en van Straaten, 2007)
·· Peuterbad + whirlpool (48 + 2 m³): investering: 11 000 euro (chloorbleekloog) + 11 000 euro (UV
lagedruk lampen); werkingkosten: 3 000 euro/jaar;
·· wedstrijdbad + whirlpool (600 m³): investering: 17 000 euro (chloorbleekloog) + 17 000 euro (UV
lagedruk lampen); werkingkosten: 7 400 euro/jaar;
·· doordat het gehalte aan desinfectiebijproducten daalt, kan het suppletiewater mogelijk beperkt
worden. Hetzelfde geldt voor de ventilatielucht.
4.2.3.3 b: Ozon
ÎÎ Beschrijving
Ozon wordt steeds in combinatie met een andere desinfectiemiddel ingezet (meestal samen met chloor).
Ozon heeft een sterk oxidatieve werking, waardoor het niet rechtstreeks in contact mag komen met de
baders. De installatie wordt na de filterinstallatie geplaatst. Restozon moet verwijderd worden met behulp
van UV-licht of actieve kool. De ozonisator wordt meestal in bypass geplaatst op 25% van het water.
Volgens de Duitse DIN-norm (DIN 19643-4) dient het zwembadwater minimaal 3 minuten in contact
gebracht te worden bij een ozonconcentratie van 0,8 tot 1,5 mg/l. Voor de productie van 1 kg ozon is 20
kWh elektriciteit nodig.
ÎÎ Toepasbaarheid
Ozon dient gebruikt te worden in combinatie met een desinfecterende stof (meestal op basis van chloor)
die ook actief is in het zwembad.
Ozon zelf is een toxische stof voor baders, daarom moet het water ozonvrij zijn vooraleer het in contact
komt met de baders. Hiervoor wordt een actiefkoolfilter of UV-lamp gebruikt. Om te voorkomen dat er
ozon in de lucht komt, kan er best een continue luchtmeting gebeuren, welke verbonden is met een
alarminstallatie.
Slechts een minderheid van de Vlaamse zwembaden is uitgerust met ozongeneratoren. In verschillende
baden is de generator intussen terug uit dienst genomen.
80
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Financiële aspecten (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007)
·· Peuterbad + whirlpool (48 + 2 m³): investering: 11 000 euro (chloorbleekloog) + 35 000 euro
(ozoninstallatie – in bypass op 25% van de waterstroom); werkingkosten: 5 600 euro/jaar;
·· wedstrijdbad + whirlpool (600 m³): investering: 17 000 euro (chloorbleekloog) + 56 000 euro
(ozoninstallatie - in bypass op 25% van de waterstroom); werkingkosten: 10 900 euro/jaar;
·· doordat het gehalte aan desinfectiebijproducten daalt, kan het suppletiewater mogelijk beperkt
worden. Het zelfde geldt voor de ventilatielucht.
4.2.3.3 c: Waterstofperoxide
Zie paragraaf 4.1.3.2.
4.2.3.3 d: UV + waterstofperoxide
ÎÎ Beschrijving
Onder invloed van het UV-licht zal waterstofperoxide splitsen in twee OH-radicalen. Deze radicalen zullen
het aanwezige organische materiaal oxideren.
De installaties worden in bypass geplaatst op het water dat afkomstig is van de filters. Na de filters wordt
het gehalte vrije chloor gemeten. Op basis van deze meting wordt er waterstofperoxide toegevoegd, welke
de vrije chloor neutraliseert. Dit laatste voorkomt ook de vorming van chloorradicalen, waardoor er geen
THM kunnen gevormd worden. Dit in tegenstelling tot een klassieke UV-installatie38.
Daarna stroomt het water, doorheen de middendruk UV-lamp, waar de chlooramine verbindingen afgebroken worden. Door de aanwezigheid van waterstofperoxide neemt de oxidatiekracht toe, waardoor de
aanwezige verontreinigingen meer geoxideerd worden.
circulatiebad
desinfectie- en
oxidatiemiddel
filters
UV-lampen
meting van vrije chloor
die gekoppeld wordt aan
dosering
H2O2
Figuur 12: gebruik van UV en waterstofperoxide (Bron: op basis van opstelling PWT in het zwembad Sportcity)
38
Schriftelijke communicatie Peter Appel (PWT).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
81
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Milieuvoordeel
Door het gebruik van ozon zal het gehalte aan AOX (beperkt) afnemen, wat gunstig is voor de lozingen.
(De verwijderingsrendementen voor AOX en precursoren van AOX bij een reactietijd van 10 minuten zijn
respectievelijk: 3% en 12% (Glauner et al., 2005b)). Het nadeel van deze techniek is het hoge elektrisch
energieverbruik. Bovendien dient de techniek gecombineerd te worden met een actief koolfilter, die regelmatig moet geregenereerd worden.
Wanneer broom aanwezig is in het grond- of leidingwater, dan kunnen er toxische bromaten ontstaan.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Uit praktijk ervaringen blijkt dat de installatie zo’n gunstig effect heeft op de waterkwaliteit, dat de tijdsduur van de filterspoeling kan gehalveerd worden van respectievelijke 4 naar 2 minuten of 2 naar 1 minuut
–afhankelijk van het filtertype-. Dit leidt toe halveringen in de hoeveelheid suppletiewater. Dit gunstige effect zou te wijten zijn aan het vernietigen van slijmvormende moleculen in de UV/H2O2-installatie, waardoor
er minder slijmvorming wordt waargenomen in de filters, wat een gunstig effect heeft op de duurtijd van
de filterspoelingen (deze laatste komen sneller in fluïdisatie)39.
ÎÎ Toepasbaarheid
Dergelijke installaties staan al enkel jaren in verschillende (3) Brusselse zwembaden en in een tiental
Nederlandse zwembaden. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest legt normen40 op voor chloramines in de
lucht. Dankzij deze techniek kan ruim voldaan worden aan de norm van 0,3 mg/m³. Voorheen werd in deze
zwembaden gewerkt met een actief koolfilter, welke een minder gunstig effect had.
ÎÎ Milieuvoordeel
De installatie leidt tot een beter binnenklimaat, met minder chlooramines (< 0,18 mg/m³)40. Deze techniek
wordt ook ingezet om AOX te verwijderen in afvalwater (Derden et al, 2010). Uit eerste metingen in zwembadwater blijkt dat AOX concentraties gereduceerd worden van 640 µg/l tot minder dan 90 µg/l41. Door
de techniek toe te passen kan de hoeveelheid suppletiewater gehalveerd worden t.o.v. de oorspronkelijke
situatie.
Het nadeel van de UV-installatie is het hoog elektriciteitsverbruik voor de lampen. Een groot deel van de
warmte die hierbij geproduceerd wordt, wordt echter opgenomen door het zwembadwater, waardoor dit
minder dient bijverwarmd te worden via het conventioneel systeem.
ÎÎ Financiële aspecten
De investeringskosten zijn afhankelijk van de grootte van de installatie. Voor een zwembad wordt de kostprijs ingeschat op het dubbele van een klassieke UV-installatie. Voor zwembadcomplexen kan de installatie
alternerend werken tussen de waterbehandeling van de twee baden. Dit leidt tot een verlaging van de
kosten per m³ gerecirculeerd water.
Door water- en daaraan gekoppelde energiebesparingen kan afhankelijk van het zwembad en de startsituatie (= oorspronkelijk waterverbruik) 20 000 tot 30 000 €/jaar bespaard worden. Hierdoor kan de
installatie op minder dan 5 jaar terug verdiend worden42.
Voor kleine zwembaden (met een bad) is de installatie financieel minder rendabel.
4.2.3.3 e: Ozon + waterstofperoxide
ÎÎ Beschrijving
Het zwembadwater wordt gemengd met waterstofperoxide, daarna wordt er ozon toegevoegd. De combinatie van ozon met waterstofperoxide zal het aanwezige organische materiaal, AOX en precursoren van
AOX afbreken (respectievelijk met 21%, 33% en 17%) (Glauner et al., 2010).
ÎÎ Toepasbaarheid
Er werden enkel labotesten uitgevoerd.
39
Persoonlijke communicatie Peter Appel (PWT) en Philippe Lazaron (Aquapro). In Nederland kon het suppletiewater beperkt worden tot 18 à
23 l/bader.
Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden van zwembaden (10 oktober 2002).
41 Metingen uitgevoerd door PWT in 2011. Het gaat om de eerste testen en metingen in het kader van een uitgebreid onderzoek.
42 Persoonlijke communicatie Peter Appel (PWT) en Philippe Lazaron (Aquapro).
40
82
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Financiële aspecten
Geen gegevens bekend.
4.3 Beperken waterverbruik
Het terugspoelen van de filter levert de grootste bijdrage tot het waterverbruik. Hoe beter de vuilberging in
de filter, hoe minder er teruggespoeld dient te worden.
Een betere filtering leidt tot een betere waterkwaliteit, zodat er minder water moet toegevoegd worden om
een zelfde waterkwaliteit te bereiken (minder verdunnen).
4.3.1 Keuze voor het filtertype, welk een minimale hoeveelheid spoelwater vereist
ÎÎ Beschrijving
Afhankelijk van het type van filter voor het behandelen van het zwembadwater, is er meer of minder
spoelwater nodig. Het water/grondstof verbruik ligt het laagst bij hydroantraciet filters. Zie ook §3.6.
ÎÎ Toepasbaarheid
De voor- en nadelen van de verschillende systemen zijn besproken onder §3.6. Het verminderen van de
hoeveelheid spoelwater, mag nooit ten koste van de waterkwaliteit gaan.
ÎÎ Milieuvoordeel
Het beperken van het waterverbruik leidt ook tot een verlaging in het energieverbruik.
ÎÎ Financiële aspecten
De verschillende types van filters worden courant gebruikt en als stand der techniek beschouwd. De mogelijk meerprijs in aankoop van de filter, wordt zeker gecompenseerd in lager water- en energieverbruik.
4.3.2 Aansluiten van waadbakken op het waterbehandelingsysteem
ÎÎ Beschrijving
Bij overdekte baden is het hebben van een voetwaadbak of voetsproeiers verplicht. Bij openluchtbaden
moeten er voetwaadbakken aanwezig zijn voor het betreden van de kaden.
Het water van de voetsproeiers in sommige gevallen rechtstreeks weg naar de riolering. Het waterverbruik
kan beperkt worden door één of meerder voetwaadbakken aan te sluiten op het waterbehandelingsysteem.
De turnover van de voetwaadbakken is 10 minuten. Zonder aansluiting stroomt al het water weg naar het
riool.
ÎÎ Toepasbaarheid
Daar waar voetwaadbakken aanwezig zijn en in openluchtzwembaden. In bestaande zwembaden kan extra
leidingwerk nodig zijn.
ÎÎ Milieuvoordeel
Beperken van het waterverbruik.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
83
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Milieuvoordeel
Door het gebruik van ozon en waterstofperoxide zal het gehalte aan AOX afnemen, wat gunstig is voor de
lozingen. Het nadeel van deze techniek is het hoge elektriciteitsverbruik.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Financiële aspecten
In het geval van nieuwbouw, is er geen extra kost, enkel een financieel voordeel (lager –warm- waterverbruik). In bestaande zwembaden is de investeringskost afhankelijk van het leidingwerk.
4.3.3 Filters met geactiveerde filter media
ÎÎ Beschrijving (Dryden, 2007; AFM, 2010)
Geactiveerde filtermedium bestaat uit gebroken glas, dat elektrostatisch geladen wordt, waardoor het
oppervlakte een negatieve lading krijgt. Positief geladen deeltjes zullen door het materiaal aangetrokken
worden. Om dit te bevorderen moet er gewerkt worden met een positief geladen vlokmidden. Het glas
werkt hierdoor als een “actieve” filter.
Een ander voordeel van geactiveerd filtermedium is dat er in tegenstelling tot bij zand, geen biofilm gevormd wordt. De biofilm die in zand (en andere filters) aanwezig is, is een bron van bacteriën, welke leiden
tot een verhoogd verbruik van actief chloor.
Doordat er geen biofilm aanwezig is op het geactiveerde materiaal, zal het verbruik van actief chloor (of
andere desinfectiemiddelen) lager zijn, waardoor ook minder desinfectiebijproducten gevormd worden.
+
-
+
+
-
+
-
-
+
+
+
+ +-
-
-
+
+ + +
+
+
-
- +
+
-
laag met positief geladen ionen
+
- + - - - - +
Glas deeltje - +
+
+ met
+ Preventieve
+
+
- permanente
+
Preventieve
maatrelgen
+
- +
- maatrelgen
negatieve
+ - oppervlakte
+
- ++
- + +- lading
+
- + + + + +
+
+
+
+
+ +
- +
+
+
+
-
diffuse laag met een lichte
dominantie van negatief geladen
ionen
te filteren zwembadwater
+
Figuur 13: werking van actief filtermedia (Bron: Dryden H, 2007).
ÎÎ Toepasbaarheid
Doordat er geen biofilm aanwezig is in het filterbed, zijn er ook geen bacteriën aanwezig die urease
produceren en ureum omzetten naar ammonium. De afwezigheid van deze urease leidt tot een lager
gehalte aan trichlooramines, maar geeft wel hogere ureumconcentraties.
Wanneer gewerkt wordt met dit type van filter, wordt titaniumdioxide toegevoegd in het vlokmiddel. Titaniumdioxide katalyseert de reactie met hypochloriet, waardoor ureum afgebroken wordt.
De leveranciers van het actieve filtermedium streven naar een totale afwezigheid van biofilms in het volledige zwembad (leidingen, pompen,…). Om dit te bereiken, tracht men fosfaat (als essentieel element voor
de celopbouw) te limiteren. De gebruikte zwembadchemicaliën zijn dan ook afgestemd op de verwijdering
van fosfaten.
84
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Milieuvoordeel
Het actief filtermedium richt zich op een lagere organische belasting van het zwembadwater (door de
vorming van biofilms te vermijden). Hierdoor daalt het chloorverbruik en daalt de vorming van desinfectiebijproducten. Er zijn echter geen cijfers gekend van de AOX concentraties in het water of THM in de lucht.
ÎÎ Financiële aspecten
De investeringkost voor een 25 m bad wordt geschat op 19 000 euro. Dit zou leiden tot een verlaging in
chloorverbruik (tot 80%) en pH-correctiemiddel (tot 50%). De kosten voor duurder vlokmiddel worden
geraamd op 800 euro per jaar.
Omwille van de hogere performatie, zou er minder suppletiewater nodig zijn, wat rekening houdend met de
water- en energiekost zou leiden tot een besparing tot 17 000 euro/jaar. De cijfers zijn echter sterk afhankelijk van de startcondities. Een zwembad met een hogere performatie, zal deze besparingen niet realiseren,
een zwembad dat minder goed werkt, zou deze besparingen wel kunnen realiseren (AFM, 2010).
4.3.4 Duurtijd van de filterspoeling verkorten
ÎÎ Beschrijving
Afhankelijk van de keuze van filter (zie §3.6 en §4.3.1) en afhankelijk van het type van waterbehandelingen
zal de duurtijd van de filterspoeling beperkt kunnen worden, zonder dat dit een negatief effect heeft op
de kwaliteit.
ÎÎ Toepasbaarheid
De toepasbaarheid hangt af van het type van filter en de voorbehandeling. Ook in het geval van een kortere
filter spoeltijd, moet het filterbed in fluïdisatie komen, enkel dan kan een goede werking gegarandeerd
worden.
Momenteel wordt er door de wetgever opgelegd dat er minimaal 30 l vers water per bader moet toegevoegd worden aan het bad43. Door goed beheer zou dit verbruik kunnen beperkt worden tot 17 à 20 l/
bader44. Dit vraagt wel een aanpassing van de huidige wetgeving.
ÎÎ Milieuvoordeel
Besparing van het water- en daaraan gekoppelde energieverbruik.
ÎÎ Financiële aspecten
Er zijn enkel positieve financiële aspecten gekoppeld aan deze maatregel: besparen van water en energie.
43
44
Zie VLAREM II artikel 5.32.9.2.2§5 voor overdekte circulatiebaden; artikel 5.32.9.3.2§5 voor niet overdekte circulatiebaden of artikel
5.32.9.7.3§5 voor therapiebaden.
Persoonlijke communicatie Peter Appel. Min. 7 l/bader gaat verloren onder vorm van verdamping en uitsleep. Bij goedwerkende filters,
gecombineerd met bepaalde waterbehandelingstechnieken, gaat ongeveer 10 l/bader verloren via het terugspoelen van de filters. Indien in
de toekomst nog performantere technieken worden ingezet, kan het waterverbruik mogelijk nog verder dalen.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
85
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Momenteel zijn er referenties voor een 10-tal publiek toegankelijke zwembaden in Groot-Brittannië die
uitgerust zijn met dit type van filters en wordt het systeem ook toegepast in een 10-tal publieke baden
elders in Europa. Er zijn nog geen systemen binnen Vlaanderen gekend.
4.3.5 Besparing van watergebruik. Filtersysteem met behulp van membranen
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Membranen scheiden deeltjes op basis van hun moleculegrootte. Afhankelijk van de grootte van de
membraanporiën spreekt men over microfiltratie, ultrafiltratie, nanofitratie en omgekeerde osmose. Deze
techniek wordt in detail beschreven in de Gids waterzuiveringstechnieken (Derden et al, 2010)45.
Microfiltratie is een membraanscheidingstechniek waarbij fijne deeltjes of andere gesuspendeerde
materie, met een deeltjesgrootte van 0,1 tot 1,5 micron, gescheiden worden van een vloeistof. Met deze
methode kunnen gesuspendeerde vaste deeltjes, bacteriën en andere onzuiverheden worden verwijderen.
Microfiltratiemembranen hebben een poriegrootte van 0,2 micron.
Ultrafiltratie is een membraanscheidingstechniek waarbij hele fijne deeltjes of gesuspendeerde materie,
met een deeltjesgrootte van 0,005 tot 0,1 micron, gescheiden worden van een vloeistof. Deze techniek kan
gebruikt worden om zouten, eiwitten en andere onzuiverheden te verwijderen. Ultrafiltratie membranen
hebben een poriegrootte van 0,0025 tot 0,1 micron.
Nanofiltratie is een membraan scheidingstechniek waarbij zeer fijne deeltjes of andere gesuspendeerde
materie, met een deeltjesgrootte van ongeveer 0,0001 tot 0,005 micron, gescheiden worden van een
vloeistof. Deze methode kan gebruikt worden om virussen, pesticiden en herbiciden te verwijderen.
Omgekeerde Osmose scheidt zeer fijne deeltjes of andere gesuspendeerde materie met een deeltjesgrootte tot 0,001 micron, van een vloeistof. Het kan ingezet worden om metaalionen en waterzouten
geheel te verwijderen.
Membraaninstallaties kunnen op verschillende manieren in het waterbehandeling-systeem geïntegreerd
worden: in de plaats van de filters, op een deel van het water (na filtratie) of op het terugspoelwater van
de filters.
Uit onderzoek door Glauner et al. (2005a) blijkt dat 32 tot 41% van alle TOC en 36 tot 38% van alle AOX
zich bevindt in de fractie groter dan 1 000 g/mol, wat overeenkomt met de fractie die afgescheiden wordt
door ultrafiltratie. 73 tot 86% van de TOC en 81 tot 94% van de AOX bevinden zich in de fractie groter dan
200 g/mol, wat overeenkomt met de fractie die afgescheiden wordt door ultrafiltratie.
Een speciale installatie is de “Flow through capacitor”, die vergelijkbaar is met dialyse.
4.3.5.1 Ultrafiltratie
ÎÎ Beschrijving
Ultrafiltratie kan ingezet worden als alternatief voor klassieke filters. Het systeem is opgebouwd uit een
voorfilter gevolgd door ultrafiltratie module bestaande uit keramische membranen. Het systeem bestaat
uit verschillende “straten” van membranen die alternerend werken (zie Figuur 14). De werking van de
membranen is volledig computer gestuurd: deze worden automatisch teruggespoeld en gereinigd met de
nodige reinigingsvloeistoffen.
Na ultrafiltratie worden gebonden chloor concentraties van 0,25 tot 0,27 µg/l teruggevonden (Barbot en
Moulin, 2008). De ultrafiltratie membranen zouden ook een deel van de aanwezige kiemen verwijderen
(IKZ-Fachplaner, 2009). Dit wordt echter niet bevestigd door Glauner et al. (2005a).
45
De techniekbladen zijn raadpleegbaar via de EMIS-website: http://www.emis.vito.be/techniekfiche/microfiltratie
86
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Toepasbaarheid
In Vlaanderen zijn geen zwembaden gekend waar de filterinstallatie vervangen werd door ultrafiltratiemembranen. In Duitsland en Denemarken zijn er ruim honderd zwembaden met deze techniek uitgerust, in
Vlaanderen is nog geen ervaring met deze techniek.
ÎÎ Milieuvoordeel
De voordelen t.o.v. klassieke filters zijn: minder technische ruimte nodig (50-75%); lager watergebruik en
daaraan gekoppeld energieverbruik (80% water besparing t.o.v. klassieke zandfilters) (Bron: Membrane
Technology, 2006).
ÎÎ Financiële aspecten
De investeringskost voor respectievelijk een eerste (200 m³/h) en tweede trap (7 m³/h) ultrafiltratie zijn
398 000 euro en 40 900 euro. De investeringskost in een klassieke filtratie-installatie met een zelfde debiet
(200 m³/h) is 179 000 euro. De werkingskosten voor een één en twee traps UF worden op respectievelijk
0,023 en 0,2101 €/m³ geraamd. Voor een klassieke filtratie is dit ongeveer 0,0233 €/m³. Bij deze prijzen
werd geen rekening gehouden met de investeringskosten en verzekering, maar wel met heffingen voor het
lozen van het afvalwater (Hobby et al, 2004).
De rendabiliteit van de investering hangt samen met de kostprijs voor het inkopen en voorbereiden van
het zwembadwater en de waterbesparingen (en daaraan gekoppelde energiebesparingen) die kunnen
gerealiseerd worden door deze techniek toe te passen.
4.3.5.2 Nanofiltratie
ÎÎ Beschrijving
Nanofiltratie gaat nog een stap verder dan ultrafiltratie en zou eveneens op de volledige waterstroom
worden toegepast ter vervanging van de zandfilters.
Nanofiltratie wordt getrapt toegepast: voorfilter die grove delen verwijdert, daarna microfiltratie gevolgd
door ultrafiltratie en nanofiltratie. Door nanofiltratie toe te te passen op het zwembadwater zullen de
gehalten aan AOX (81 tot 94%) en TOC (72 tot 86%) zeer sterk afnemen (Glauner et al., 2005a).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
87
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Figuur 14: Ultrafiltratie eenheid van een zwembad (bron: inge, 2010).
ÎÎ Toepasbaarheid
Er werden laboschaal testen uitgevoerd met nanofiltratiemembranen, maar er zijn geen fullscale installaties.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Milieuvoordeel
Door nanofiltratie toe te passen op het zwembadwater zullen de gehalten aan AOX (81 tot 94%) en TOC
(72 tot 86%) zeer sterk afnemen (Glauner et al., 2005a). Het gebruik van nanofiltratie gaat ook gepaard
met een reductie van water- en energieverbruik.
ÎÎ Financiële aspecten
De membranen die gebruikt worden voor nanofiltratie zijn vrij duur (Vlaringerbroek en van Straaten, 2007).
·· Peuterbad + whirlpool (48 + 2 m³): investering: 11 000 euro (chloorbleekloog) + 30 000 euro
(nanofiltratie – 10% van de stroom); werkingkosten: 5 600 euro/jaar;
·· wedstrijdbad + whirlpool (600 m³): investering: 17 000 euro (chloorbleekloog) + 100 000 euro
(nanofiltratie – 10% van de stroom); werkingkosten: 8 900 euro/jaar.
Bij de bovenvermelde prijzen is nog geen rekening gehouden met de kostprijs voor de ruimte die dergelijke
installatie inneemt.
4.3.5.3 Omgekeerde osmose
ÎÎ Beschrijving
Omgekeerde osmose membranen worden ingezet op het spoelwater van de filters, met als doel een deel
van het water en warmte-inhoud van het water te recupereren. Het spoelwater wordt hiervoor opgevangen
in een bassin en gedurende de volgende filtercyclus in de omgekeerde osmose installatie verwerkt.
ÎÎ Toepasbaarheid
Omgekeerde osmose membranen zijn zeer gevoelig voor vervuiling (o.a. chloor). Daarom dient er voor de
membranen een voorfiltratie geplaatst te worden (o.a. actief koolfilter en nanomembranen) en dienen de
filters regelmatig gereinigd te worden. De reinigingsproducten voor deze membranen kunnen zelf milieuschadelijk zijn.
Een alternatief voor de voorfiltratie is om terugspoelwater voldoende lang te laten bezinken en via een
vlottende pomp water op te zuigen. De vlotter dient op zo’n manier gestuurd te worden dat enkel het
bovenste deel van het water over de membranen gestuurd wordt. Het overige deel wordt geloosd46.
ÎÎ Milieuvoordeel
Wanneer omgekeerde osmose wordt ingezet op het spoelwater, wordt water- en energie gerecupereerd.
Aangezien het concentraat niet apart afgevoerd wordt, zullen de aanwezige gechloreerde verbindingen
toch nog in riool of oppervlaktewater terecht komen.
ÎÎ Financiële aspecten
Uit praktijkervaringen blijkt dat de werkingskosten (exclusief investeringskosten) van omgekeerde osmose
hoger oplopen dan de water- en energiebesparingen die kunnen gerealiseerd worden (Vanveluwen).
4.3.5.4 Flow through capacitor (FTC)
ÎÎ Beschrijving
Flow through capacitor is een technologie waarbij membraan- en elektro-technologie gecombineerd wor46
Persoonlijke communicatie L. Feyen (Labo Derva).
88
Vlaams BBT-Kenniscentrum
kation
++++++++++++++++++++++++++++
anion
_ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _
_ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _
Regeneratie:
ompolen van de
electroden
++++++++++++++++++++++++++++
Figuur 15: Principe van Flow through Capacitor (FTC) – (figuur op basis van figuren Primary water, 2009).
De techniek wordt toegepast op het spoelwater van zwembaden, en kan mogelijk ook toegepast worden
op (een deel) van het zwembadwater. Het voordeel van FTC t.o.v. OO (omgekeerde osmose) is dat de
membranen van OO zeer gevoelig zijn aan vrij chloor en heel duur zijn in aankoop. FTC is ongevoelig aan
chloor en kan dan ook rechtstreeks ingezet worden.
47
Persoonlijke communicatie Peter Appel, PWT, 2010.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
89
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
den. Het water stroomt doorheen een semi-permeable membraan (sponsachtig). Langs een zijde van het
membraan bevindt er zich een katode (positief geladen elektrode), langs de andere zijde bevindt er zich een
anode (negatief geladen elektrode). Positief geladen deeltjes (kationen) zullen doorheen het membraan
richting anode migreren. Negatief geladen deeltjes (anionen) bewegen richting katiode.
Om de anode en katode te regenereren worden ze omgepoold en stromen de verontreinigingen terug
doorheen het membraan naar het water. Op het moment van regeneratie dient het water afgevoerd te
worden (zie ook Figuur 15) (Primary water, 2009).
Op die manier worden geladen deeltjes (vooral zouten en nitraten) uit het zwembadwater verwijderd47.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Toepasbaarheid
De techniek is momenteel getest op labo en piloot schaal. Momenteel worden er studies uitgevoerd om de
techniek te plaatsen in enkele Brusselse zwembaden. De techniek kan mogelijk ook een oplossing bieden
in zwembaden waar de badkuip uit roestvrij staal bestaat en waar zeer lage zoutconcentraties noodzakelijk
zijn, omdat zout het roestvrij staal aantast.
ÎÎ Milieuvoordeel
Beperken van het waterverbruik, door hergebruik van een deel van het spoelwater (minstens 60%). Door
het waterverbruik te beperken zal ook de energiekost dalen.
ÎÎ Financiële aspecten
Er zijn nog geen kostprijs gegevens gekend voor zwembadtoepassingen.
4.3.6 Grijswater circuit
ÎÎ Beschrijving
Voor het spoelen van toiletten is het niet nodig om water van drinkwaterkwaliteit te gebruiken. Door
hiervoor water van een lagere kwaliteit (hemelwater, spoelwater van de filters, ondiep grondwater,…) in te
zetten, kan bespaard worden op drinkwater.
ÎÎ Toepasbaarheid
Dit is makkelijk implementeerbaar in nieuw te bouwen zwembaden, maar is minder evident in bestaande
complexen, omdat hiervoor leidingen e.d. moeten aangepast worden.
ÎÎ Milieuvoordeel
De druk op drinkwater vermindert.
ÎÎ Financiële aspecten
Voor het aanpassen van bestaande inrichtingen kunnen de kosten hoog oplopen, maar voor nieuw op te
richten zwembaden, kan de kostprijs beperkt blijven.
4.4 Beperken van het energieverbruik
4.4.1 Afdekken van het zwembad
ÎÎ Beschrijving
Er zijn verschillende systemen beschikbaar voor het afdekken van zwembaden. De meesten zijn bedoeld
voor het afdekken van buitenbaden, toch kan het ook zinvol zijn om een binnenbad af te dekken.
Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen afdekfolies die als doel hebben om het verdamping en
warmteverlies te voorkomen en systemen (folies, zeilen en lamellen) die als doel hebben om bevuiling
(bladval, algengroei) van het water te voorkomen.
Folies die als doel hebben het warmteverlies te voorkomen zijn dikwijls zo opgebouwd dat het zonlicht
doorheen de folie kan schijnen, maar dat de warmte wordt tegengehouden (serre effect). Deze folies
worden vooral in privé baden gebruikt om de badtemperatuur te verhogen
Afhankelijk van het gekozen systeem, kan het afdekken van het zwembad geautomatiseerd worden.
ÎÎ Toepasbaarheid
Dit systeem is bruikbaar voor openlucht en overdekte zwembaden. Het kan echter niet gebruikt worden
90
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Milieuvoordeel
Door het zwembad af te dekken zal er minder water verdampen. Bij binnenzwembaden zal de ventilatie en
het daaraan gekoppelde energiegebruik tijdens de sluitingsuren afnemen.
Door openlucht zwembaden af te dekken zullen minder bladeren e.d. in het bad vallen en zullen er zich ook
minder algen in ontwikkelen. Dit heeft een gunstig effect op het chemicaliën- en waterverbruik.
ÎÎ Financiële aspecten
De investeringskosten voor een gemiddeld zwembad zijn ongeveer 15 000 euro, maar gaan gepaard met
een jaarlijkse besparing van 5 600 euro. (Gommers en Houwen, 2009). De terugverdientijd voor een buitenbad ligt tussen 1 en 6 jaar en voor een binnenbad tussen 3 en 7 jaar (Linnemans, 2009).
4.4.2 Verlengen van de turnover periode voor laagbelaste zwembaden
ÎÎ Beschrijving
De turnover periode is de tijd waarop de volledige waterinhoud doorheen de filterinstallatie gestuurd
wordt. De maximale waarden voor de turnover periodes van de verschillende types van baden is vastgelegd
in VLAREM waarmee de wetgever een gunstige waterkwaliteit wil bereiken in de verschillende types van
baden.
Hoe groter de belasting van een bad (bv. kinderbaden en whirlpools) en hoe hoger de temperaturen van het
water, hoe korter de turnover periode moet zijn. Hoge belastingen en hoge watertemperaturen verhogen
het risico op het snel verspreiden van ziektekiemen.
Korte turnover periodes leiden tot relatief grote filter- en pompinstallaties en bijgevolg tot hoge investerings- en werkingskosten.
In de huidige wetgeving wordt enkel een onderscheid gemaakt op basis van het watervolume van een bad:
baden gelijk aan of kleiner dan 100 m³ hebben een turnover van maximum 2 u. Grotere baden hebben een
turnover van maximaal 4 u.
Door het onderscheid te maken op basis van belasting (ipv op basis van grootte), kan het energie verbruik
voor kleinere types van baden beperkt worden. Laag belaste baden met lage temperaturen zijn o.a. duikputten en zwembaden in saunacomplexen.
ÎÎ Toepasbaarheid
Wanneer de turnoverperiode verlengd wordt, mag de waterkwaliteit en veiligheid van de baders hier niet
onder leiden. In Nederland mag de turnover periode onder bepaalde voorwaarden oplopen tot 6 u (KNZB,
2004).
ÎÎ Milieuvoordeel
Door de turnover periode te verhogen, kunnen kleinere filters en pompen geïnstalleerd worden. Dit leidt tot
een kleiner ruimtebeslag, beperkter materiaal gebruik en lager energieverbruik.
ÎÎ Financiële aspecten
Kleinere filters en pompen leiden tot besparingen. De financiële impact is positief.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
91
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
voor natuurlijke zwembaden.
Het is van belang dat de afdeksystemen correct gebruikt en onderhouden worden, zodat het geen broeihaarden van microbiële activiteit worden.
4.4.3 Correct dimensioneren van pompen – frequentie gestuurde pompen
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Beschrijving
Voor de waterkwaliteit is het niet altijd nodig dat de pompen op het maximaal vermogen werken. Bij een
lagere belasting (bv. de nacht) kan het debiet verminderd worden.
Het energieverbruik van pompen verloopt disproportioneel. Wanneer het verpompte debiet met 20%
verminderd wordt, kan het energieverbruik tot 50% afnemen. Belangrijk hierin is het juist dimensioneren
van de pompen.
ÎÎ Toepasbaarheid
Pompen kunnen nooit volledig uitgeschakeld worden, omdat dit een ongunstig effect heeft op de zwemwater kwaliteit. Wanneer een dergelijke techniek wordt toegepast, moet de waterkwaliteit goed opgevolgd
worden. Bij zwembaden waar de waterzuivering onder gedimensioneerd is, kan een dergelijke techniek
niet toegepast worden.
ÎÎ Milieuvoordeel
Lager elektriciteitsverbruik.
ÎÎ Financiële aspecten
De installatiekost wordt geraamd op 100 euro per kW geïnstalleerd vermogen. Wanneer het pompdebiet
tijdens de nacht kan gereduceerd worden tot 80% van de capaciteit, kan de techniek binnen de 3 maanden
terug verdiend worden.
4.4.4 Koppelen van de waterbehandeling van whirlpool en circulatiebad via timer op
whirlpool
ÎÎ Beschrijving
De temperatuur in een circulatiebad is meestal een stuk lager dan deze van de whirlpool. Beide baden
hebben daardoor een aparte waterbehandeling (zie Figuur 16a). Wanneer de waterbehandeling van de
zwembaden gekoppeld wordt, leidt dit tot een verlaagde investering, omdat er slechts een waterbehandeling nodig is. Maar doordat de whirlpool met hogere watertemperatuur een kortere turnover heeft dat
het circulatiebad, zal de temperatuur van het circulatiebad snel toenemen, wat leidt tot een verhoogd en
onnodig energieverbruik (zie Figuur 16b).
92
Vlaams BBT-Kenniscentrum
circulatiebad
25 – 29°C
waterbehandeling
turnover
10'
waterbehandeling
turnover
30"
turnover
10'
turnover
2–4u
waterbehandeling
whirlpool
35°C
circulatiebad
25 – 29°C
… > 30°C
turnover
2–4u
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
turnover
2–4u
whirlpool
35°C
Tijdschakelaar voor
verwarmen whirlpool 10'
whirlpool
25 – 29°C
35°C
circulatiebad
25 – 29°C
waterbehandeling
Figuur 16: Koppeling van de waterbehandeling van de whirlpool aan deze van het circulatiebad via een tijdschakelaar
a: traditioneel: aparte waterbehandeling voor whirlpool en circulatiebad op twee verschillende temperaturen
b: koppeling van de waterbehandeling, leidt tot een verhoging van de temperatuur in het circulatiebad, als gevolg van
de hoge whirlpooltemperatuur
c: koppeling van whirlpool en circulatiebad met tijdschakelaar en aparte snelwerkende warmtewisselaar
Een oplossing is om het water van de whirlpool op dezelfde (lagere) temperatuur van het circulatiebad te
brengen. Wanneer gebruikers van de whirlpool toch een hogere temperatuur wensen, kunnen zij zelf een
tijdschakelaar indrukken. Hierdoor wordt een aparte pomp aangestuurd (bv. de krachtige massagepompen),
die het water via een krachtige warmtewisselaar heel snel (binnen enkele minuten) op de gewenste hogere
temperatuur brengt (zie Figuur 16b). Na de ingestelde tijd (bv. 10 minuten) zullen deze pompen uitvallen
en zal de temperatuur terug dalen (zie Figuur 16c).
ÎÎ Toepasbaarheid
De opstelling uit Figuur 16b is te overwegen wanneer er wel een hogere temperatuur van het circulatiebad
gewenst is. Het nadeel om baden te koppelen is dat wanneer in een bad een bacteriologische probleem
wordt vastgesteld, alle baden moeten gesloten worden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
93
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Milieuvoordeel
Door de whirlpool enkel op een hogere temperatuur te brengen wanneer baders hier naar vragen, kan het
energiegebruik beperkt worden. Het leidt bovendien tot een groter bewust zijn bij de whirlpool gebruikers
en heeft als bijkomend neveneffect dat whirlpool gebruikers het bad na de ingestelde tijd verlaten, zodat
anderen er daarna kunnen gebruik van maken.
ÎÎ Financiële aspecten
Het koppelen van de baden leidt tot kostenbesparingen, omdat er slechts een filter nodig is, maar de
investering voor de sturing blijft ongeveer gelijk. Wanneer badgasten deze maatregel als een verlaging
van comfort ervaren, kan dit leiden tot een verlaging van de omzet, wanneer hierdoor het bezoekersaantal
daalt.
4.4.5 Isoleren, luchtdicht en dampdicht maken van de gebouwschil
ÎÎ Beschrijving
Om het energieverbruik voor verwarming te beperken is het belangrijk dat zwembaden voldoende geïsoleerd zijn. Bij nieuwe complexen dient steeds een afweging gemaakt te worden tussen extra isolatie en
de kosten voor verwarming en ventilatie op lage termijn. Bij bestaande zwembaden kan het nuttig zijn
om metingen met een infraroodcamera uit te voeren om de koude bruggen op te sporen en te isoleren,
glijbanen vragen daarbij extra aandacht.
ÎÎ Toepasbaarheid
Het is gemakkelijker om nieuwe gebouwen goed te isoleren en wind- en dampdicht te maken dan bestaande gebouwen.
ÎÎ Milieuvoordeel
Verlaging van het primaire energiegebruik.
ÎÎ Financiële aspecten
Het goed isoleren en luchtdicht maken van nieuwe zwembadcomplexen verhoogt de investeringskost, maar
wordt snel terugverdiend, door lagere energiekosten.
Voor bestaande gebouwen zijn investeringkosten moeilijker in te schatten. Voor het vervangen van glas
door HR++ glas blijkt de terugverdientijd groter te zijn dan 8 jaar (Gommers en Houwen, 2009).
4.4.6 Frequentieregeling op ventilatoren
ÎÎ Beschrijving
Net zoals bij de circulatiepompen, kan de snelheid van de ventilatiepompen gekoppeld worden aan de
belasting (bezoekersaantal, dag/nacht).
ÎÎ Toepasbaarheid
Deze techniek mag er niet toe leiden dat de luchtkwaliteit verminderd.
ÎÎ Milieuvoordeel
Lager elektriciteitsverbruik en lager verbruik op warmte.
ÎÎ Financiële aspecten
De installatiekosten voor een gemiddeld zwembad worden geraamd op 5 000 euro. De besparingen per jaar
94
Vlaams BBT-Kenniscentrum
4.4.7 Recuperatie warmte ventilatielucht
ÎÎ Beschrijving
Om de kwaliteit van de lucht in zwembaden op peil te houden moeten de hallen en ruimten voldoende
geventileerd worden. Daarbij wordt warme vochtige lucht afgezogen en wordt deze vervangen door koude
lucht. Met behulp van een warmtewisselaar kan de inkomende lucht voorverwarmd worden met behulp
van de uitgaande lucht. Door een goed design van de warmtewisselaar kan het rendement verhogen van
50 naar 70%. Wanneer de warmtewisselaar gekoppeld wordt met een warmtepomp zal het rendement nog
toenemen. Wanneer de luchtgroep naast de warmtewisselaar ook een geïntegreerde warmtepomp bevat,
kan de resterende energie (vooral latente energie) worden gerecupereerd en op een hogere temperatuur
aan de toevoerlucht of het zwembadwater worden afgegeven. Als de warmtepomp correct gedimensioneerd is, is een COp van 7,5 mogelijk.
ÎÎ Toepasbaarheid
Deze techniek is toepasbaar in overdekte zwemhallen. De voorwaarde is dat de zwembaden voldoende
luchtdicht zijn. Wanneer de hal niet luchtdicht is, zal een groot deel van de warme lucht via kieren verdwijnen. Het totaal rendement van de warmtewisselaar en warmtepomp zal evenredig dalen met de lucht die
via de gebouwenschil ongewenst uitgewisseld wordt48.
ÎÎ Milieuvoordeel
Door deze techniek toe te passen zal het elektriciteitsverbruik toenemen (met 41% volgens Uiterwijk,
2007) en zal het gasverbruik afnemen (eveneens met 41% volgens Uiterwijk, 2007).
Door een deel van de warmte uit de ventilatielucht te recupereren, zal er minder primaire energie nodig
zijn voor het verwarmen van de hal. Deze techniek zal mogelijk ook leiden tot het verhogen van het
ventilatiedebiet, wat de atmosfeer in de hallen ten goede zal komen. (Momenteel wordt er in sommige
baden onvoldoende geventileerd om de energiefactuur te drukken).
ÎÎ Financiële aspecten
De investeringskost voor een systeem met warmtewisselaar en warmtepomp bedraagt ongeveer 4 tot 5 €
per m³ geïnstalleerd vermogen. Bij goed luchtdichte zwembaden zijn dergelijke installaties op 3 jaar tijd
terugverdiend. De netto-energiekosten zullen afnemen met ongeveer 18% (Uiterwijk, 2007).
4.4.8 Recuperatie van restwarmte uit het afvalwater
ÎÎ Beschrijving
Het geloosde afvalwater (spoelwater afkomstig van de filters of van de douches) heeft een hoge temperatuur (ongeveer 30°C). Gelijktijdig is er heel wat vers, koud (ongeveer 10°C), water dat moet opgewarmd
worden. Door een warmtewisselaar te plaatsen tussen beide stromen, kan het koude leidingwater voorverwarmd worden. Daarbij kan het verse water nooit op een hogere temperatuur gebracht worden dan het
geloosde water.
48
Persoonlijke communicatie J. Verplaetsen, Menerga NV.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
95
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
zouden oplopen tot meer dan 1 000 euro per jaar, waardoor de techniek binnen de 5 jaar terugverdiend
wordt (Gommers en Houwen, 2009 en Linnemans, 2009), wat haalbaar is voor een gemiddeld zwembad.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Door het systeem uit te breiden met een warmtepomp, kan het verse water opgewarmd worden tot dezelfde
(of hogere) temperaturen als het geloosde afvalwater.
Een warmtepomp heeft een werking welke vergelijkbaar is met deze van een koelkast. De COP, welke de
verhouding weergeeft tussen de hoeveelheid afgegeven warmte en de hoeveelheid verbruikte elektrische
energie van de warmtepomp, moet hoger zijn dan 2,5 om een beter rendement te hebben dan een hogerendementsketel. Leveranciers geven echter aan dat in deze toepassing een COP van 11 haalbaar is
(Menerga, 2010).
Figuur 17: Warmtewisselaar gecombineerd met een warmtepomp (bron: Menerga, 2010).
ÎÎ Toepasbaarheid
Toepasbaar bij nieuwbouw en renovatie. Voor bestaande baden is dit moeilijker in te passen, omdat een
aparte bufferkelder moet gebouw worden om het spoelwater in te stockeren.
Om een constante warmte overdracht tussen het afvalwater en het vers water te garanderen, dient de
vuilwaterleiding regelmatig (elk uur) gereinigd te worden. Goede warmtewisselaars zijn daarom uitgerust
met een automatisch reinigingsysteem. Deze installatie vraagt een dagelijkse opvolging en maandelijks
onderhoud.
Om infiltratie van vuil water in het schoonwater circuit te voorkomen worden de wanden dubbelwandig
uitgevoerd. De ruimte tussenin wordt gevuld met een gas (stikstof) onder druk. Wanneer de druk van het
gas wegvalt, wordt een alarm gegeven en wordt vermeden dat het proper water in contact komt met vuil
spoelwater.
96
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Financiële aspecten
Om de investeringskost van de warmtewisselaar en de warmtepomp te beperken is het nodig om een
buffertank te bouwen die het spoelwater dat gedurende 24 of 48h verzameld wordt te bufferen. Op die
manier kan een zo klein mogelijke warmtewisselaar en warmtepomp gekozen worden. De investeringen
worden op 25 000 euro voor een wisselaar van 1 200 l/h geraamd49. De terugverdientijd wordt geraamd
op 3 tot 7 jaar (Linnemans, 2009).
4.4.9 Zonneboiler
ÎÎ beschrijving techniek
Met een zonneboiler kan water tot 90°C geproduceerd worden. Dit water wordt, na bijmenging met koud
water, gebruikt voor de douches en eventueel als suppletiewater. Het zwembadwater zelf wordt niet opgewarmd met een zonneboiler.
ÎÎ toepasbaarheid
Een zonneboiler zijn rendement is het grootst in de zomer, zodat de installatie enkel interessant is wanneer
er ook in de zomer een grote warmwater vraag is. Dit is bij zwembaden zeker het geval, waar vooral
overdag (ook in de zomermaanden), vraag is naar warm douchewater.
ÎÎ milieuvoordeel
Door gebruik te maken van een zonneboiler zal er minder fossiele brandstof nodig zijn en zal uitstoot van
verbrandingsgassen afnemen.
ÎÎ financiële aspecten
Deze techniek leidt echter tot een besparing van het primaire energie. Deze wordt door Tak (2005) ingeschat
op 45 m³ gas per m² zonnecollector in het geval suppletiewater voor het zwembad wordt geproduceerd. De
winst bedraagt 60 m³ gas per m² zonnecollector in het geval er douchewater wordt geproduceerd.
4.4.10Warmtepomp en energieopslag
ÎÎ beschrijving techniek
Een warmtepomp werkt als een omgekeerde koelinstallatie en onttrekt warmte aan de buitenlucht of aan grondwater. Tijdens de zomermaanden werkt het systeem omgekeerd en doet het dienst om ruimte of water te koelen.
ÎÎ toepasbaarheid
De toepasbaarheid van het systeem hangt af van de hydrogeologische omgeving waar het zwembad staat
in het geval er gebruik gemaakt wordt van grondwater. Omdat er bij zwembaden geen koudevraag is (ook
niet in de zomer), is dit systeem minder geschikt.
ÎÎ milieuvoordeel
Het milieuvoordeel van een warmtepomp hangt samen met de efficiëntie. Door een dergelijke pomp in
te zetten stijgt de elektriciteitsvraag, maar is er minder primaire energie voor verwarming nodig. Pompen
dienen een voldoende hoge COP50 te hebben (> 2,5), vooraleer ze milieuvriendelijk zijn.
49
50
Persoonlijke communicatie J. Verplaetsen, Menerga NV.
Zie ook §4.4.8 voor uitleg over COP.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
97
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Milieuvoordeel
Deze techniek heeft als voordeel dat er minder primaire energie nodig is.
ÎÎ financiële aspecten
De investeringskosten zijn sterk gelinkt aan de hydrogeologische omgeving.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
4.4.11Warmtekrachtkoppeling
ÎÎ beschrijving techniek
Een WKK produceert elektriciteit. De warmte die daarbij vrijkomt wordt nuttig gebruikt. Informatie over de
verschillende types WKKs en de ontwikkeling er van zijn terug te vinden op volgende website van Cogen
Vlaanderen (http://www.cogenvlaanderen.be/), een platform voor WKKs in Vlaanderen.
ÎÎ toepasbaarheid
Een WKK is interessant wanneer een bedrijf zowel elektriciteit als warmte nodig heeft, wat typisch is voor
zwembaden
ÎÎ milieuvoordeel
Bij de productie van elektriciteit gaat heel wat warmte verloren, wanneer deze warmte nuttig kan ingezet
worden, zal het totale energieverbruik (voor elektriciteit en warmte samen) lager zijn. Hierdoor zal de
uitstoot van verbrandingsgassen dalen.
ÎÎ financiële aspecten
De investeringskosten voor een WKK installatie worden voor middelgrote installaties (500 kWe) ingeschat
op 925 € per kWe geïnstalleerd vermogen. Voor grote installaties (> 1 000 kWe) wordt de investeringskost
op 653 €/kWe geraamd. Beide types van installaties zijn rendabel en verdienen zichzelf binnen de 10 jaar
terug, op voorwaarde, dat alle geproduceerde elektriciteit door het zwembad zelf gebruikt wordt en de
installatie minstens 2850 vollasturen werkt (Moorkens, 2010). Daarmee zijn zwembaden, naast serres,
ziekenhuizen en rust-en verzorginstehuizen, een van de weinige KMO-sectoren waar WKK-installaties
rendabel zijn.
4.4.12Condenserende ketel
Deze techniek wordt beschreven in de BBT-studie Stookinstallaties en stationaire motoren (2002). Deze
studie behandelt grote stookinstallaties met een thermisch vermogen van meer dan 50 MW. In een nieuwe
studie wordt nagegaan wat de BBT zijn voor kleine (300 kW tot 5 MW) en middelgrote (5 – 50 MW)
stookinstallaties.
4.5 Good housekeeping
4.5.1 Invoering van milieumanagementsysteem
ÎÎ beschrijving techniek
Dit systeem start met een goede inventarisatie van de in- en uitgaande stromen (water, energie, afval, ...)
op regelmatige basis (dagelijks, wekelijks, jaarlijks). Op die manier krijgt men een beeld van grote water- en
energieverbruikers, maar ook van abnormale veranderingen. Zo kunnen abnormale waterverbruiken wijzen
op b.v. een lek. Abnormale hoge energieverbruiken kunnen wijzen op toestellen die niet afgezet worden.
Deze metingen zijn een middel om deze problemen op te sporen. Maar een milieumanagement gaat
verder, het spoort ook de grootverbruikers op en gebruikt deze informatie als beslissingsbasis voor nieuwe
investeringen.
98
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ toepasbaarheid
Een rudimentair milieumanagement is haalbaar in elk zwembad, ieder zwembad beschikt immers over een
ingaande water- en elektriciteitsmeter, die eenvoudig dagelijks of wekelijks kan genoteerd worden.
Indien meer gedetailleerde gegevens wenselijk zijn, dienen bijkomende meters geplaatst worden. Of dient
gebruik gemaakt te worden van verplaatsbare meters.
Het certificeren is niet strikt noodzakelijk. Aan de certificatie zijn ook verschillende verplichtingen en audits
verbonden.
ÎÎ milieuvoordeel
Door problemen op te sporen kan het water- en energieverbruik beperkt worden.
ÎÎ financiële aspecten
Dit systeem is eenvoudig implementeerbaar in zwembaden.
4.5.2 Legionella beheersing
In zwembaden wordt heel veel warm sanitair water geproduceerd. Maatregelen en BBT de beheersing van
Legionella worden besproken in de BBT voor Legionella-beheersing in nieuwe sanitaire systemen (2007).
4.5.3 Good housekeeping verlichting
Zwembaden dienen dagelijks verlicht te worden. Omdat dit geen deel uitmaakt van de hoofdactiviteit,
wordt de manier van verlichten niet meer in vraag gesteld of geoptimaliseerd. Doch, een goede verlichting
is kostenbesparend.
ÎÎ beschrijving techniek
–– Gebruik zoveel mogelijk daglicht;
–– Vervang gloeilampen door spaarlampen;
–– Gebruik spiegelreflectoren in de verlichtingsarmaturen;
–– Plaats waar het nuttig is een lichtregeling (bv. andere lichtintensiteit voor poetsen, recreatief zwemmen
of wedstrijdzwemmen);
–– Vervang defecte lampen;
–– Plaats doorgang verlichting in gangen en plaatsen waar dit nodig is;
–– Doof de lichten als niemand aanwezig is;
–– Verwijder regelmatig het stof van de armaturen en de lampen, zodat het rendement optimaal blijft.
ÎÎ toepasbaarheid
Deze maatregelen zijn technisch eenvoudig uitvoerbaar.
ÎÎ milieuvoordeel
Een optimalisatie van de verlichting leidt tot een vermindering van het energieverbruik.
ÎÎ financiële aspecten
Deze maatregelen zijn financieel haalbaar voor de zwembaden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
99
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
Wanneer dergelijke systemen op punt staan en er gestreefd wordt naar een continue verbeteren, kan men
opteren om het managementsysteem te laten certificeren en zo een ISO 14000, EMAS of ander label krijgen.
4.5.4 Good housekeeping verwarming
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ beschrijving techniek
Stofophopingen op radiatoren en warmtewisselaars verminderen de warmte overdracht en de dus ook de
efficiëntie van de toestellen.
Het is daarom aan te raden om radiatoren en warmtewisselaars goed en regelmatig te poetsen.
ÎÎ toepasbaarheid
Dit is toepasbaar in elk zwembad, doch wordt aangeraden dit concreet op te nemen in het poetsschema.
ÎÎ milieuvoordeel
Deze maatregel zal leiden tot een verlaagd energieverbruik.
ÎÎ financiële aspecten
Deze maatregel is toepasbaar in alle zwembaden.
4.5.5 Good housekeeping waterverbruik
ÎÎ beschrijving techniek (InfoMil, 2000)
–– Douches uitrusten met moment- of drukknoppen;
–– waterbesparende douchekoppen;
–– spaarknoppen toiletten;
–– urinoirs (hebben een lager spoelvolume dan toiletten).
ÎÎ toepasbaarheid
Dit is toepasbaar in elk zwembad.
ÎÎ milieuvoordeel
Deze maatregel zal leiden tot lager waterverbruik.
ÎÎ financiële aspecten
Deze maatregel is toepasbaar in alle zwembaden.
100
Vlaams BBT-Kenniscentrum
verwijderen van vrije
chloor bij het volledig
leeglaten van het
zwembad
§ 4.6.1
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
4.6 End of pipe technieken
chemische neutralisatie
§ 4.6.1.1
actief koolfilter
§ 4.6.1.2
verwijderen van vrije
chloor bij filterspoeling
§ 4.6.2
chemische neutralisatie
§ 4.6.1.1
actief koolfilter
§ 4.6.3.1
verwijderen van AOX
§ 4.6.3
Poederkool
§ 4.6.3.2
omgekeerde osmose
§ 4.6.3.3
AOP
§ 4.6.3.4
4.6.1 Verwijderen van chloor bij het volledig leeglaten van het zwembad
4.6.1.1 Chemische neutralisatie
ÎÎ Beschrijving
In § 3.10.2 wordt beschreven hoe een overmaat aan natriumhypochloriet kan geneutraliseerd worden door
toevoeging van natriumsulfiet, natriumthiosulfaat of waterstofperoxide.
ÎÎ Toepasbaarheid
In kalkhoudend water wordt bij de afbraak van chloor met natriumsulfiet of natriumthiosulfaat tevens gips
(calciumsulfaat) gevormd. Gips is onoplosbaar in water, leidt tot troebel water. Met natriumthiosulfaat
zal de pH van het behandelde water dalen. Dit is een nevenreactie met een gunstig effect omdat een
overchlorering met natrumhypochloriet de pH steeds doet stijgen (Belgochlor, 2007).
Waterstofperoxide heeft als voordeel dat het geen neerslag vormt en in vloeibare vorm kan toegevoegd
worden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
101
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Milieuvoordeel
Verwijdering van vrij beschikbaar chloor, waardoor de desinfectie en oxidatie van biomassa en (micro)
organismen stopt en waardoor er buiten het zwembad geen extra AOX-verbindingen ontstaan.
ÎÎ Financiële aspecten
De kostprijs van chemicaliën is vrij beperkt, maar de toepassing vraagt wel een apart meet- en regelsysteem. Er zijn geen gegevens bekend van de financiële impact.
4.6.1.2 Actief koolfilter
ÎÎ Beschrijving
De werking van de actief koolfilter is beschreven in § 4.2.3. Wanneer de filter gebruikt wordt voor de
behandeling van het effluent, zal het aanwezige vrije chloor verwijderd worden, samen met de aanwezige
organische verbindingen, waaronder AOX. Deze techniek wordt in detail beschreven in de Gids waterzuiveringstechnieken (Derden et al, 2010)51.
ÎÎ Toepasbaarheid
De filter is bruikbaar op alle types van zwembadwater. Om verstopping of vervuiling van de filter te voorkomen, kan een voorfiltering noodzakelijk zijn.
Momenteel zijn er geen zwembaden in Vlaanderen gekend die deze techniek toepassen. In Duitsland zijn
er wel zwembaden die op deze manier uitgerust zijn (W.E.T., 2008).
ÎÎ Milieuvoordeel
Verwijdering van vrijchloor en AOX-verbindingen; rendement van >90% (Derden et al., 2010). Uit studies
op zwembadwater blijkt een efficiënte verwijdering van AOX enkel mogelijk is wanneer de filter regelmatig
geregenereerd wordt (zie § 4.2.3).
ÎÎ Financiële aspecten
De totale kostprijs varieert tussen 0,05 en 4 €/m³ behandeld water (Derden et al., 2010).
4.6.1.3 Turfzak
ÎÎ Beschrijving
Een turfzak werkt op een analoge manier als een actief koolfilter. Maar de adsorberende werking zal kleiner
zijn dan van actief kool.
ÎÎ Toepasbaarheid
Een turfzak vraag weinig plaats en ruimte en makkelijk geïnstalleerd worden. Er zijn echter geen wetenschappelijke rapporten over de efficiëntie van turfzakken.
ÎÎ Milieuvoordeel
In een turfzak zal de aanwezige vrij chloor wegreageren met het organisch materiaal van de turf. Het
voordeel is dat er geen vrij chloor in de riool of het oppervlaktewater terecht komt. Maar mogelijk komt er
wel een groot deel van de gechloreerde verbindingen in het oppervlaktewater terecht.
51
De techniekbladen zijn raadpleegbaar via de EMIS-website: http://www.emis.vito.be/techniekfiche/adsorptietechnieken
102
Vlaams BBT-Kenniscentrum
4.6.2 Verwijderen van chloor bij filterspoelingen
4.6.2.1 Chemische neutralisatie
ÎÎ Beschrijving
Zie 4.6.1.1 en 3.10.2.
Om de techniek toe te passen op de filterspoelingen is er een permanente meting van het vrije chloor in het
spoelwater nodig. Op basis van het gemeten resultaat gebeurt er een dosering van bv. waterstofperoxide,
die het aanwezige vrije chloor neutraliseert.
ÎÎ Toepasbaarheid
De techniek wordt in enkele zwembaden in Duitsland toegepast, maar vraagt een dure performante sturing.
ÎÎ Milieuvoordeel
Verwijdering van vrij beschikbaar chloor, waardoor de desinfectie en oxidatie van biomassa en (micro)
organismen stopt en waardoor er buiten het zwembad geen extra AOX-verbindingen ontstaan.
ÎÎ Financiële aspecten
De kostprijs voor de chemicaliën zijn beperkt, maar de kostprijs voor de sturing zou hoog oplopen (geen
exacte gegevens gekend).
4.6.2.2 Actief koolfilter
Zie: 4.6.2.2.
4.6.2.3 Turfzak
Zie: 4.6.1.3.
4.6.3 Verwijderen van AOX
4.6.3.1 Actief koolfilter
Zie § 4.6.1.2.
4.6.3.2 Actieve kool doseren als poeder
ÎÎ Beschrijving
Actieve kool is ook beschikbaar in poedervorm. Met behulp van een doseereenheid wordt het poeder
toegevoegd aan het effluent. Waarbij AOX en andere adsorbeerbare verbindingen zich zullen vasthechten
aan het poeder.
Het proces wordt beschreven onder § 4.2.3.2 en in de gids waterzuiveringstechnieken (Derden et al.,
2010)52 onder het hoofdstuk PACT systeem (powdered activated carbon treatment).
52
De techniekbladen zijn raadpleegbaar via de EMIS-website: http://www.emis.vito.be/techniekfiche/powdered-activated-carbon-treatment.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
103
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Financiële aspecten
De kostprijs voor een turfzak is zeer beperkt.
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Toepasbaarheid
Er zijn momenteel geen installaties op effluent in zwembaden gekend. De techniek wordt wel gebruikt voor
het verwijderen van AOX in koelwaters (Derden et al., 2010).
ÎÎ Milieuvoordeel
Door poederkool toe te voegen zal de concentratie aan AOX dalen. Wanneer het poederkool niet verwijderd
wordt uit het effluent, leidt tot een verhoging van de turbiditeit en leidt het gebruik van actieve kool niet tot
een milieuvoordeel. Wanneer het wel verwijderd wordt, ontstaat er een extra afvalstroom.
ÎÎ Financiële aspecten
Onder § 4.2.3.2 wordt de kostprijs beschreven voor een installatie op zwembadwater. De kostprijs voor een
automatische installatie wordt geraamd op 150 000 €, manuele dosering vergen nauwelijks investeringen.
De kosten voor actieve kool bedragen 2 €/kg (Derden et al., 2010).
4.6.3.3 Omgekeerde osmose
ÎÎ Beschrijving
Spoelwater dat afkomstig is van de filters (klassieke filters of ultrafiltratie-installaties) bevat hoge AOX concentraties. Voor klassieke filters kan de AOX concentratie oplopen tot 4 230 µg/l (zie Tabel 6). Concentraties
in het concentraat van ultrafiltratie liggen mogelijk nog hoger, omdat ultrafiltratie membranen een hoge
retentie hebben voor AOX (van 25 tot 38%, Glauner et al., 2005a en b).
Wanneer het spoelwater verwerkt wordt in een omgekeerde osmose installatie, zullen de AOX in de concentraatstroom terecht komen. Er zijn echter geen exacte cijfers gekend van het verwijderingrendement in
zwembaden. Het concentraat zou kunnen afgevoerd worden. Het retentaat kan teruggebracht worden naar
het zwembad of gebruikt worden in het grijswater (W.E.T., 2008).
ÎÎ Toepasbaarheid
De techniek wordt – met wisselend succes - toegepast in enkele Vlaamse zwembaden. De omgekeerde
osmose installatie is gevoelig aan verontreinigingen. Om de membranen te beschermen moet er een actief
koolfilter en nanomembraan worden voorgeschakeld. Een alternatief kan zijn om verontreinigingen eerst te
laten bezinken en enkel het bovenste deel van het water richting omgekeerde osmose installatie te sturen53.
ÎÎ Milieuvoordeel
Door de concentraatstroom apart te behandelen of op te halen, komen er nauwelijks schadelijke AOX in
het milieu terecht.
ÎÎ Financiële aspecten
De totale kostprijs (investerings- en werkingkosten, bij afschrijving over 10 jaar) worden geraamd op circa
1,35 €/m³ (Van den Abeele et al, 2010).
4.6.3.4 Gebruik van AOPs (Advanced Oxidation Process/geavanceerde oxidatieproces) om
desinfectiebijproducten te verwijderen of beperken
ÎÎ Beschrijving
Onder § 4.2.3.3 worden verschillende AOPs besproken. De techniek is ook beschreven in de Gids Waterzuiveringstechnieken (Derden et al., 2010) als chemische oxidatietechnieken.
53
Persoonlijke communicatie Ludo Feyen, Labo Derva.
104
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Milieuvoordeel
De efficiëntie van de AOX-verwijdering is afhankelijk van de technologie. Bij alle technieken geldt dat
overdosering dikwijls schadelijker is dan de initiële polluent. Een goede processturing en –controle is dus
noodzakelijk.
Afhankelijk van de gekozen techniek zal dit leiden tot een verhogen van het elektriciteitverbruik (ozon en
UV) en verhoging van het chemicaliën verbruik (H2O2).
ÎÎ Financiële aspecten
Afhankelijk van de gekozen oxidatie techniek zullen de investeringskosten en werkingskosten sterk variëren.
Doseren van waterstofperoxide is het goedkoopst, daarna volgt UV. Een ozongenerator is de duurste optie.
Detailprijzen zijn opgenomen in de Gids Waterzuiveringstechnieken (Derden et al., 2010).
4.6.4 Het volledig leeglaten van het zwembad in overleg met de beheerder van de
ontvangende waterloop of RWZI
ÎÎ Beschrijving
Wanneer het zwembad volledig leeg gelaten wordt, kan dit een verhoogde hydraulische belasting betekenen voor het ontvangende oppervlaktewater of RWZI. Door goede afspraken te maken met de beheerder
kan dit vermeden worden.
ÎÎ Toepasbaarheid
De maatregel is toepasbaar voor alle zwembaden (ook op private zwembaden), maar is vooral nuttig voor
grotere baden en complexen.
ÎÎ Milieuvoordeel
Verlagen van de hydraulische belasting.
ÎÎ Financiële aspecten
De maatregel heeft vooral een organisatorische impact op de zwembaduitbating.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
105
HOOFDSTUK 4 - BESCHIKBARE MILIEUVRIENDELIJKE TECHNIEKEN
ÎÎ Toepasbaarheid
Momenteel is er geen ervaring van het gebruik van AOPs op effluent van zwembadwater. In andere sectoren
worden deze technieken wel al, met succes, toegepast (Derden et al., 2010).
106
Vlaams BBT-Kenniscentrum
SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE
TECHNIEKEN
In dit hoofdstuk evalueren we de milieuvriendelijke technieken uit hoofdstuk 4 naar
hun technische haalbaarheid, milieu-impact
en economische haalbaarheid, en geven
we aan of de aangehaalde milieuvriendelijke technieken al dan niet als BBT aanzien
kunnen worden voor de zwambadsector.
De in dit hoofdstuk geselecteerde BBT worden
als BBT beschouwd voor de zwembaden, als
ze haalbaar zijn voor een gemiddeld bedrijf.
Dit wil niet zeggen dat elk bedrijf uit deze
sector ook zonder meer elke techniek die als
BBT aangegeven wordt, kan toepassen. De
bedrijfsspecifieke omstandigheden moeten
steeds in acht genomen worden.
De BBT-selectie in dit hoofdstuk mag niet
als een losstaand gegeven gebruikt worden,
maar moet in het globale kader van de studie
gezien worden. Dit betekent dat men zowel
rekening dient te houden met de beschrijving
van de milieuvriendelijke technieken in
hoofdstuk 4 als met de vertaling van de BBTselectie naar aanbevelingen en concretisering
van de milieuregelgeving in hoofdstuk 6.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
107
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
HOOFDSTUK 5
108
Vlaams BBT-Kenniscentrum
In Tabel 10 worden de beschikbare milieuvriendelijke technieken uit hoofdstuk 4 getoetst aan een aantal
criteria. Deze multi-criteria analyse laat toe te oordelen of een techniek als Beste Beschikbare Techniek
(BBT) kan beschouwd worden. De criteria hebben niet alleen betrekking op de milieucompartimenten (water, lucht, afval, energie en chemicaliëngebruik), maar ook de technische haalbaarheid en de economische
aspecten worden beschouwd. Dit maakt het mogelijk een integrale evaluatie te maken, conform de definitie
van BBT (cf. Hoofdstuk 1).
Toelichting bij de inhoud van de criteria in Tabel 10:
ÎÎ Technische haalbaarheid
• bewezen: geeft aan of de techniek zijn nut bewezen heeft in de industriële praktijk (“-”: niet bewezen;
“+”: wel bewezen);
• veiligheid: geeft aan of de techniek, bij correcte toepassing van de gepaste veiligheidsmaatregelen,
aanleiding geeft tot een verhoging van de risico’s op brand, ontploffing en arbeidsongevallen in het
algemeen (“-”: verhoogt risico; “0”: verhoogt risico niet; “+”: verlaagt risico);
• kwaliteit: geeft aan of de techniek een invloed heeft op de kwaliteit van het eindproduct (“-”: verlaagt
kwaliteit; “0”: geen effect op kwaliteit; “+”: verhoogt kwaliteit);
·· kwaliteit techniek, geeft aan wat de invloed is op het zwembadproces, met uitzondering van het
binnenklimaat
·· kwaliteit binnenklimaat, geeft aan wat de invloed is op het binnneklimaat
• globaal: schat de globale technische haalbaarheid van de techniek in (“+”: als voorgaande alle “+” of
“0”; “-”: als minstens één van voorgaande “-”).
ÎÎ Milieuvoordeel
• waterverbruik: hergebruik van afvalwater en beperking van het totale waterverbruik;
• afvalwater: inbreng van verontreinigde stoffen in het water tengevolge van de exploitatie van de
inrichting;
• lucht: inbreng van verontreinigde stoffen in de atmosfeer tengevolge van de exploitatie en energieopwekking. Vermindering van luchtverontreiniging als gevolg van energiebesparende maatregelen
worden niet in rekening gebracht;
• afval: het voorkomen en beheersen van afvalstromen;
• energie: energiebesparingen, inschakelen van milieuvriendelijke energiebronnen en hergebruik van
energie;
• chemicaliën: invloed op de gebruikte chemicaliën en de hoeveelheid;
• globaal: ingeschatte invloed op het gehele milieu.
Per techniek wordt voor elk van bovenstaande criteria een kwalitatieve beoordeling gegeven, waarbij:
• “-”: negatief effect;
• “0”: geen/verwaarloosbare impact;
• “+”: positief effect;
• “+/-”: soms een positief effect, soms een negatief effect.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
109
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
5.1 Evaluatie van beschikbare milieuvriendelijke technieken
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
ÎÎ Economische haalbaarheid
• “+”: de techniek werkt kostenbesparend;
• “0”: de techniek heeft een verwaarloosbare invloed op de kosten;
• “-”: de techniek leidt tot een verhoging van de kosten, de bijkomende kosten worden draagbaar geacht
voor de sector (d.i. voor een gemiddeld bedrijf) en staan in een redelijke verhouding ten opzichte van
de gerealiseerde milieuwinst;
• “- -”: de techniek leidt tot een verhoging van de kosten, de bijkomende kosten worden niet draagbaar
geacht voor de sector (d.i. voor een gemiddeld bedrijf), of staan niet in een redelijke verhouding ten
opzichte van de gerealiseerde milieuwinst.
Uiteindelijk wordt in de laatste kolom telkens beoordeeld of de beschouwde techniek als beste beschikbare
techniek kan geselecteerd worden (BBT: ja of BBT: nee). Waar dit sterk afhankelijk is van de beschouwde
instelling en/of lokale omstandigheden wordt BBT: vgtg (van geval tot geval) als beoordeling gegeven.
Het proces dat gevolgd wordt bij de BBT-selectie, is schematisch voorgesteld in Figuur 18:
• Eerst wordt nagegaan of de techniek (de zogenaamde “kandidaat BBT”) technisch haalbaar is, waarbij
rekening wordt gehouden met de kwaliteit van het product en de veiligheid (stap 1).
• Wanneer de techniek technisch haalbaar is, wordt nagegaan wat het effect is op de verschillende
milieucompartimenten (stap 2). Door een afweging van de effecten op de verschillende milieucompartimenten te doen, kan een globaal milieuoordeel geveld worden. Om dit laatste te bepalen worden de
volgende elementen in rekening gebracht:
·· Zijn één of meerdere milieuscores positief en géén negatief, dan is het globaal effect steeds positief;
·· Zijn er zowel positieve als negatieve scores dan is het globaal milieu-effect afhankelijk van de
volgende elementen:
·· de verschuiving van een minder controleerbaar naar een meer controleerbaar compartiment
(bijvoorbeeld van lucht naar afval);
110
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Stap 1
Technisch haalbaar?
nooit
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
Kadidaat
BBT
geen BBT
altijd / afhankelijk van het type eindproduct
Stap 2
Milieuvoordeel?
geen
geen BBT
altijd / afhankelijk van de lokale situatie
Verhouding kost/
milieuvoordeel
Stap 3
niet redelijk geen BBT
altijd / enkel voor bepaalde bedrijven
Kost haalbaar voor
bedrijven?
neen
geen BBT
altijd / enkel voor bepaalde bedrijven
Andere kandidaat
BBT is beter
Stap 4
ja
geen BBT
neen
Stap 5
altijd BBT
BBT vgtg
Figuur 18: Selectie van BBT op basis van scores voor verschillende criteria
Vlaams BBT-Kenniscentrum
111
··
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
relatief grotere reductie in het ene compartiment ten opzichte van toename in het andere
compartiment;
·· de wenselijkheid van reductie gesteld vanuit het beleid; onder andere afgeleid uit de milieukwaliteitsdoelstellingen voor water, lucht,…(bijvoorbeeld “distance-to-target” benadering).
·· Wanneer het globaal milieu-effect positief is, wordt nagegaan of de techniek bijkomende kosten met zich meebrengt, of deze kosten in een redelijke verhouding staan
tot de bereikte milieuwinst, en draagbaar zijn voor een gemiddeld bedrijf uit de sector
(stap 3).
·· Kandidaat BBT die onderling niet combineerbaar zijn (omdat combinatie niet mogelijk
of niet zinvol is) worden onderling met elkaar vergeleken, en enkel de beste wordt als
kandidaat BBT weerhouden (stap 4).
·· Uiteindelijk wordt beoordeeld of de beschouwde techniek als beste beschikbare techniek (BBT) kan geselecteerd worden (stap 5). Een techniek is BBT indien hij technisch
haalbaar is, een verbetering brengt voor het milieu (globaal gezien), economisch haalbaar is (beoordeling “-“ of hoger), en indien er geen “betere” kandidaat BBT bestaan.
Waar dit sterk afhankelijk is van de beschouwde instelling en/of lokale omstandigheden
kunnen aan de BBT-selectie randvoorwaarden gekoppeld worden.
Belangrijke opmerkingen bij het gebruik van Tabel 10.
Bij het gebruik van onderstaande tabel mag men volgende aandachtspunten niet uit het oog verliezen:
• De beoordeling van de diverse criteria is onder meer gebaseerd op:
·· ervaring van exploitanten met deze techniek;
·· BBT-selecties uitgevoerd in andere (buitenlandse) vergelijkbare studies;
·· adviezen gegeven door het begeleidingscomité;
·· inschattingen door de auteurs;
·· Waar nodig, wordt in een voetnoot bijkomende toelichting verschaft. Voor de betekenis van de
criteria en de scores wordt verwezen naar paragraaf 05.1.
• De beoordeling van de criteria is als indicatief te beschouwen, en is niet noodzakelijk in elk individueel
geval van toepassing. De beoordeling ontslaat een exploitant dus geenszins van de verantwoordelijkheid om b.v. te onderzoeken of de techniek in zijn/haar specifieke situatie technisch haalbaar is,
de veiligheid niet in gevaar brengt, geen onacceptabele milieuhinder veroorzaakt of overmatig hoge
kosten met zich meebrengt. Tevens is bij de beoordeling van een techniek aangenomen dat steeds de
gepaste veiligheid/milieubeschermende maatregelen getroffen worden.
• De tabel mag niet als een losstaand gegeven gebruikt worden, maar moet in het globale kader van de
studie gezien worden. Dit betekent dat men zowel rekening dient te houden met de beschrijving van
de milieuvriendelijke technieken in hoofdstuk 4 als met de vertaling van de tabel naar aanbevelingen
en concretisering van de milieuregelgeving in hoofdstuk 6.
• ­De tabel geeft een algemeen oordeel of de aangehaalde milieuvriendelijke technieken al of niet als
BBT aanzien kunnen worden voor de zwembadsector. Dit wil niet zeggen dat elk bedrijf uit deze sector
ook zonder meer elke techniek die als BBT aangegeven wordt, kan toepassen. De bedrijfsspecifieke
omstandigheden moeten steeds in acht genomen worden.
112
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Vlaams BBT-Kenniscentrum
113
Stapsgewijs implementeren van de BBT
Verminderen desinfectiebijproducten
Preventieve maatregelen
Douchen vóór het baden
Alternatieve desinfectiemiddelen
Koper zilver ionisatie
Waterstofperoxide
Verwijderen van desinfectiebijproducten
Actiefkoolfilters
Poederkool
Gebruik van AOPs
UV
ozon
waterstofperoxide
UV + waterstofperoxide
+
0
0
+/-57
0
0
-0
0
+
+/+/+
+
+
+
+/0
Bewezen
0
Veiligheid
+
techniek
+
+/+
+
+
+
+
+
+
+/+
0
+
+
+
+
0
0
+
0
Globaal
+
-+/+
+
+
+/+/-
+
+
Waterverbruik
+
+
+
0
+
+
+
+
+55
+
+
Afvalwater
+/0
+/0
+/0
0
0
+
+
0
0
0
0
0
0
0
0
+
0
0
0
-
0
0
0
+
0
0/-
0/-
+/0
+/0
0
0
+
+
Chemicaliën
0
+
+
-
0
0
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Globaal
-59
-(-)
-
-/--58
-/--
0
-
+
+
neen59
neen
neen
neen60
neen
neen
vgtg54
vgtg56
ja
ja
BBT
56
55
54
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
Is nog niet toegepast in grote, hoog belaste zwembadcomplexen. Het kan wel een alternatief zijn voor laag belaste zwembaden.
Wanneer chloor gebruikt wordt om de filters terug te spoelen, kan dit positieve effect teniet gedaan worden.
De techniek is slechts beperkt toegepast, maar kan wel een alternatief zijn voor laag belaste zwembaden.
57
In het begin heeft een actief koolfilter een gunstig effect op de waterkwaliteit (ook naar veiligheid toe), maar de filter kan op temijn een broeihaard worden voor bacteriën, wat negatief is voor de veiligheid.
58
Wanneer de actief koolfilter wordt ingezet als ureumreductor, dient deze slechts periodiek vervangen te worden, waardoor de kosten beperkt blijven. Wanneer de actief koolfilter wordt ingezet met als doel het verwijderen van desinfectiebijproducten, dient
de actieve kool heel regelmatig vervangen te worden, waardoor de kosten hoog oplopen.
59
De combinatie UV + waterstofperoxide blijkt beter te zijn dan enkel UV.
60
Uit de eerste resultaten die beschikbaar zijn blijkt dat de techniek leidt tot een reductie van de AOX concentraties van 640 µg/l tot minder dan 90 µg/l. Dit gaat om de eerste resultaten uit een uitgebreid onderzoek. De techniek kan bijgevolg aanzien
worden als veelbelovend en een mogelijke oplossing voor het AOX. Zie ook bijlage 3.
4.1
4.2
4.2.1
4.2.1.1
4.2.2
4.2.2.1
4.2.2.2
4.2.3
4.2.3.1
4.2.3.2
4.2.3.3
4.2.3.3a
4.2.3.3b
4.2.3.3c
4.2.3.3d
Kwaliteit
binnenklimaat
Milieuvoordeel
Lucht
Technische haalbaarheid
Afval
Techniek
Energie
Tabel 10: Evaluatie van beschikbare milieuvriendelijke technieken en selectie van BBT
Kostenhaalbaarheid
& -effectiviteit
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ozon + waterstofperoxide
Beperken waterverbruik
Keuze voor het filtertype, welk een minimale hoeveelheid
spoelwater vereist
Aansluiten van waadbakken op het waterbehandelingsysteem
Filters met geactiveerde filter media
Duurtijd van de filterspoeling verkorten
Besparing van watergebruik. Filtersysteem met behulp van
membranen
Ultrafiltratie
Nanofiltratie
Omgekeerde osmose
Flow through capacitor (FTC)
Grijswater circuit
Beperken van het energieverbruik
Afdekken van het zwembad
Verlengen van de turnover periode voor laagbelaste
zwembaden
Correct dimensioneren van pompen – frequentie
gestuurde pompen
63
62
61
BBT voor nieuwbouw en bij grondige renovaties.
Nog geen resultaten in België, ontbreken van wetenschappelijke bewijzen.
Er zijn geen financiële gegevens bekend voor deze techniek.
64
Verder onderzoek moet uitwijzen of deze techniek BBT kan worden.
65
BBT voor nieuwbouw complexen.
66
Voor buitenbaden
4.4.3
4.4.2
4.3.5.1
4.3.5.2
4.3.5.3
4.3.5.4
4.3.6
4.4
4.4.1
4.3.5
4.3.3
4.3.4
4.3.2
4.3.1
4.2.3.3e
4.3
Bewezen
+
0
0
0
+/+
+
0
0
+
-/0
0
0
Veiligheid
+
lab
+
+
+62
+
+
+
lab
techniek
0
0
0
+
0
+
+
-/0
0
0
?
0
0
Globaal
+
+
+/-
+
+
+
+
+
+
+
Waterverbruik
0
0
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Afvalwater
0
0
0
0
0
0
0
+
0
0
0
Lucht
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Afval
Milieuvoordeel
+
+
+
+
0
+
+
+
+
+
+
Energie
Technische haalbaarheid
Kwaliteit
binnenklimaat
Techniek
Chemicaliën
0
0
0
0
0
+
+
+
0
0
0
Globaal
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+/0
+
-
?63
+/0/-
-(-)
--
0/+
+
--/+
+
Kostenhaalbaarheid
& -effectiviteit
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
114
ja
ja
vgtg66
vgtg
neen
neen
neen64
vgtg65
neen
ja
vgtg61
ja
neen
BBT
Vlaams BBT-Kenniscentrum
115
Koppelen van de waterbehandeling van whirlpool en
circulatiebad via timer op whirlpool
Isoleren, luchtdicht en dampdicht maken van de
gebouwschil
Frequentieregeling op ventilatoren
Recuperatie warmte ventilatielucht (kan pas nadat
maatregel 4.4.5 is uitgevoerd)
Recuperatie van restwarmte uit het afvalwater
Zonneboiler
Warmtepomp en energieopslag
Warmtekrachtkoppeling
Condenserende ketel
Good housekeeping
Invoering van milieumanagementsysteem
Legionella beheersing
Good housekeeping verlichting
Good housekeeping verwarming
Good housekeeping waterverbruik
End of pipe technieken
0
0
0
0
0
0
+
0
0
0
+
+
+
+
+
0
0
0
+
+
+
+
+
+
+
+
Veiligheid
0
techniek
0
+
0
0
0
0
0
0
0
0
+
0
+
-
Kwaliteit
0
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
binnenklimaat
Bewezen
+
Globaal
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
0
Waterverbruik
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Afvalwater
+
+
0
+
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
zie BBT-studie Legionella beheersing
0
0
0
0
+
0
0
+
0
+
+
0
0
0
+
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Chemicaliën
+
+
+
+
0
0
0
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Globaal
0
0
0
+
+/(-)+/(-)+/-/-+
+
+/0
0/-
0/(-)-
+
ja
ja
ja
ja
ja
vgtg68
vgtg69
neen
vgtg70
ja71
ja
ja
vgtg67
ja
BBT
69
68
67
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
Voor nieuwbouw en bij grondige renovatie.
Voor nieuwe, grotere baden.
Bij nieuwbouw en grondige renovatie.
70
Bij nieuwbouw en grondige renovatie van grote complexen.
71
Een condensatieketel is BBT. Het is echter niet de bedoeling om goedwerkende bestaande ketels te vervangen, doch dient er op regelmatige basis (jaarlijks/tweejaarlijks) een beoordeling te gebeuren. Op basis van deze beooordeling, waarbij energieverbruik
(werkingskosten) en investeringskosten worden afgewogen, kan het toch aan te raden zijn de bestaande ketel te vervangen door een condensatieketel (of combinatie van zonneboiler / WKK / condensatieketel).
4.4.8
4.4.9
4.4.10
4.4.11
4.4.12
4.5
4.5.1
4.5.2
4.5.3
4.5.4
4.5.5
4.6
4.4.7
4.4.6
4.4.5
4.4.4
Lucht
Milieuvoordeel
Afval
Technische haalbaarheid
Energie
Techniek
Kostenhaalbaarheid
& -effectiviteit
Vlaams BBT-Kenniscentrum
73
72
Verwijderen van chloor bij het volledig leeglaten van het
zwembad
Chemische neutralisatie
Actief koolfilter
Turfzak
Verwijderen van chloor bij filterspoelingen
Chemische neutralisatie
Actief koolfilter
Turfzak
Verwijderen van AOX
Actief koolfilter
Omgekeerde osmose
Gebruik van AOPs
Het volledig leeglaten van het zwembad in overleg met de
beheerder van de ontvangende waterloop of RWZI
0
0
0
0
+
+
+
+
0
+
+
+/-
Bewezen
0
Veiligheid
+
+
+/-
techniek
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Globaal
+
+
+
+
+
+
0
+
+
0
Waterverbruik
0
0
+
0
0
0
0
0
Afvalwater
+
+/+
+
+
+
+
+
0
0
0
0
0
0
0
0
Lucht
0
0/0
0
-
0
-
0
0
0/-
0
0
0
0
Enkel bij het volledige leeglaten van het zwembadbassin.
Deze techniek wordt bij voorkeur op het zwembadwater toegepast ipv op het afvalwater. Zodoende heeft de techniek ook een voordeel voor het binnenklimaat van de zwembadhal en voor de gebruikers.
4.6.4
4.6.1.1
4.6.1.2
4.6.1.3
4.6.2
4.6.2.1
4.6.2.2
4.6.2.1
4.6.3
4.6.3.1
4.6.3.3
4.6.3.4
4.6.1
Afval
Milieuvoordeel
Energie
Technische haalbaarheid
Kwaliteit
binnenklimaat
Techniek
Chemicaliën
0
0
-
0
0
0
Globaal
+
+
+
+
+
0
-(-)
-(-)
--
-
Kostenhaalbaarheid
& -effectiviteit
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
116
ja
neen
neen
neen73
neen
neen
neen
ja72
neen
neen
BBT
Op basis van Tabel 10 kunnen volgende conclusies geformuleerd worden voor de zwembadsector.
In de conclusies wordt gefocust op de water- energieproblematiek enerzijds en het probleem van de gechloreerde verbindingen anderzijds.
5.2.1 Water- en energiebesparing
Water- en energiebesparingen zijn sterk gelinkt. Het water dat in zwembaden gebruikt wordt dient steeds
opgewarmd te worden. Elke water-besparing leidt automatisch tot een energiebesparing. Deze twee
elementen dienen eerst op punt te staan, daarna dient de juiste strategie gekozen te worden om de
desinfectiebijproducten te verminderen (zie 5.2.2).
In eerste instantie dient het waterverbruik geminimaliseerd te worden, waarna kan over gegaan worden
naar de optimalisatie van het energieverbruik.
Procesgeïntegreerde maatregelen: zorgen voor een goede doorstroming van het zwembad; filtertype welke
een minimale hoeveelheid spoelwater vereist (BBT), en duurtijd van de filterspoelingen tot het minimum
beperken (BBT). Daarnaast kunnen de voetwaadbakken aangesloten worden op het waterbehandelingsysteem (BBT vgtg).
Wanneer het primaire waterverbruik geminimaliseerd is, kan overwogen worden om een grijswater circuit
voor toiletten in te bouwen (BBT vgtg). Het gebruik van membranen (omgekeerde osmose en FTC) kan het
waterverbruik verder reduceren, maar werd, omwille van kostprijs en onvoldoende kennis in zwembadtoepassingen (FTC) nog niet als BBT geselecteerd.
Het energieverbruik van zwembaden kan beperkt worden door het nemen van preventieve en bouwtechnische maatregen;
–– het afdekken van zwembaden (BBT vgtg), wat zeker BBT is voor openluchtbaden;
–– het verlengen van de turnoverperiode voor laagbelaste zwembaden (BBT, nog niet toegestaan door de
wetgever);
–– het correct dimensioneren van pompen, filters (BBT) en het toepassen van frequentieregelingen op
pompen en ventilatoren (BBT);
–– recuperatie van warmte uit warme afvallucht en –water, op voorwaarde dat de gebouwenschil eerst
luchtdicht gemaakt werd (BBT);
–– het isoleren en luchtdicht maken van gebouwen zeker bij nieuwbouw en grondige renovatie (BBT vgtg).
Wanneer deze stappen genomen zijn, dient bij voorkeur (zeker bij nieuwbouw) gekozen te worden voor
een milieuvriendelijke energie opwekking (zonneboiler – BBT vgtg). Wanneer het niet mogelijk is om de
volledige behoefte te dekken dient in eerste instantie geopteerd te worden voor een (bio)WKK installatie
(BBT vgtg) al dan niet in combinatie met een condenserende ketel.
5.2.2 Alternatieven of oplossingen voor het remediëren van desinfectiebijproducten van
chloor
In het onderstaande schema wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die genomen kunnen worden om het probleem van desinfectiebijproducten te verminderen of te vermijden.
Desinfectiebijproducten kunnen verminderd worden door in te spelen op de verontreinigingen (baders) of
door in te spelen op het desinfectiemiddel. Het nemen van preventieve maatregelen (douchen voor het
baden) is steeds BBT, ongeacht het desinfectiemiddel. In sommige gevallen (bv. whirlpools of laagbelaste
zwembaden), dient het overwogen te worden om het desinfectiemiddel te vervangen door waterstofperoxide met zilver of door een zilver-koper ionisatie (BBT vgtg).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
117
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
5.2 BBT-conclusies
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
bader – beladen met
verontreinigingen
Preventieve
maatrelgen
Alternatief
desinfectie
middel
desinfectiemiddel op basis
van chloor
Stap 1
Stap 1
zwembadwater vorming van
desinfectiebijproducten
(DBP)
Stap 2
Procesgeintegreerde
verwijdering
van DBP
waterbehandelingsysteem
zwembad
End-of-pipe
technieken
voor DBP
spoelwater, beladen met
desinfectiebijproducten
Stap 3
Figuur 19: Schema: stapsgewijs beperken van desinfectiebijproducten (DBP)
Wanneer toch gekozen wordt voor een desinfectiemiddel op basis van chloor, is het BBT om de desinfectiebijproducten zoveel mogelijk procesgeïntegreerd (= ter hoogte van het waterbehandelingsysteem van
het zwembad) te verwijderen. Dit zal een gunstig effect hebben op het zwemklimaat en op het afvalwater
dat later geloosd wordt. Er werden verschillende technieken onderzocht, maar de meest belovende is de
combinatie van waterstofperoxide met UV.
Op dit moment is het nog onduidelijk of het toepassen van de preventieve en procesgeïntegreerde BBT de
milieuproblemen met betrekking tot AOX volledig oplost of niet; er is immers te weinig informatie gekend
over de effectiviteit van de verschillende technieken. Het is daarom niet opportuun om bepaalde end-ofpipe technieken als BBT te selecteren.
In bepaalde situaties (bv. zwembaden die de BBT nog niet toepassen), kan het noodzakelijk zijn dat er een
end-of-pipe techniek geïnstalleerd wordt om het ontvangende oppervlaktewater te beschermen.
Het chemisch neutraliseren van het afvalwater bij het volledige leeglaten van het zwembad, is BBT wanneer
het zwembad gebruik maakt van chloor als desinfectiemiddel.
Onderstaand schema geeft een overzicht van de verschillende technieken.
118
Vlaams BBT-Kenniscentrum
koper zilver ionisatie
§ 4.2.2.1
Verminderen
desinfectiebijproducten
§ 4.2
Alternatieve
desinfectiemiddelen
§ 4.2.2
waterstofperoxide en zilver
§ 4.2.2.2
gebruik van AOP
§ 4.2.2.3
verwijderen van
desinfectie bijproducten
§ 4.2.3
UV
§ 4.2.3.3 a
ozon
§ 4.2.3.3 b
actiefkoolfilters
§ 4.2.3.1
waterstofperoxide
§ 4.2.3.3. c
actieve kool doseren als
poeder
§ 4.2.3.2
UV + waterstofperoxide
§ 4.2.3.3. d
gebruik van AOP
§ 4.2.3.3
ozon + waterstofperoxide
§ 4.2.3.3. e
chemische neutralisatie
§ 4.6.1.1
verwijderen van vrije
chloor bij het volledig
leeglaten van het
zwembad
§ 4.6.1
actief koolfilter
§ 4.6.1.2
chemische neutralisatie
§ 4.6.1.1
chemische neutralisatie
§ 4.6.2.1
verwijderen van vrije
chloor bij filterspoeling
§ 4.6.2
actief koolfilter
§ 4.6.2.2
actief koolfilter
§ 4.6.3.1
verwijderen van AOX
§ 4.6.3
Poederkool
§ 4.6.3.2
omgekeerde osmose
§ 4.6.3.3
AOP
§ 4.6.3.4
chemische neutralisatie
§ 4.6.2.1
Figuur 20: overzicht van de BBT voor het verwijderen van desinfectiebijproducten (DBP). Groen: altijd BBT, Blauw: BBT
vgtg
5.2.3 Stappenplan voor een duurzaam zwembad
In de onderstaande tabel wordt een stappenplan gegeven van een duurzaam zwembad. Dit overzicht kan
een leidraad zijn bij nieuwbouw of renovatie van zwembaden.
In het onderstaande overzicht is de optie “natuurlijk zwembad” niet opgenomen. Deze zwembaden hebben
een veel lagere milieu-impact dan de klassieke zwembaden en dienen als eerste alternatief overwogen te
worden.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
119
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
douchen vóór het baden
§ 4.2.1.1
Preventieve maatregelen
§ 4.2.1
water
energieverbruik
waterverbruik
waterkwaliteit
Stap 1: minimaliseren van water-, energie- en grondstofvraag
4.5.1 Invoering van milieumanagementsysteem en 4.5.1 Invoering van milieumanagementsysteem
Keuze van het zwembadtype met goede
4.3.1Keuze voor het filtertype, welk
4.4.1
Afdekken van het zwembad
doorstroming (3.1 en art. 5.32.9.2.2§1:
een minimale hoeveelheid
4.4.2Verlengen van de turnover
kleurproef)
spoelwater vereist
periode
4.3.2Aansluiten van waadbakken op Preventieve maatregelen
4.4.3Correct dimensioneren van
Douchen vóór het baden
het waterbehandelingsysteem
pompen – frequentie gestuurde
Alternatieve desinfectiemiddelen
4.3.3Filters met geactiveerde filter
pompen
4.2.2.1 Koper zilver ionisatie
media
4.4.4Koppelen van de waterbehande4.2.2.2Waterstofperoxide
ling van whirlpool en circulatie- 4.3.4Duurtijd van de filterspoeling
verkorten
bad via timer op whirlpool
4.3.5.1Ultrafiltratie
4.4.5Isoleren, luchtdicht en dampdicht maken van de gebouwschil 4.3.5.2Nanofiltratie
4.4.6Frequentieregeling op ventilato- 4.3.5.3 Omgekeerde osmose
4.3.5.4 Flow through capacitor (FTC)
ren
Grijswater circuit
4.4.7Recuperatie warmte ventilatie- 4.3.6
4.5.5Good housekeeping waterverlucht
bruik
4.4.8Recuperatie van restwarmte uit
het afvalwater
4.5.3
Good housekeeping verlichting
4.5.4
Good housekeeping verwarming
Stap 2: gebruik van duurzame energie en energie, op basis van hernieuwbare materialen
4.4.9Zonneboiler
4.4.10 Warmtepomp en energieopslag
energie
Tabel 11: Stappen overzicht voor het introduceren van milieuvriendelijke technieken (BBT en niet-BBT)
3.2 Doorstroming van het
bad
Automatische meting en
sturing voor het doseren
van de zwembadchemicaliën (art. 5.32.9.2.1§8 van
VLAREM II)
grondstoffen
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
120
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Vlaams BBT-Kenniscentrum
121
HOOFDSTUK 5 - SELECTIE VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
water
energieverbruik
waterverbruik
waterkwaliteit
grondstoffen
Stap 3: indien gebruik gemaakt wordt van eindige bronnen, dienen deze zo efficiënt en schoon mogelijk ingezet te worden
3.8.1.2 Zoutelektrolyse
4.4.11Warmtekrachtkoppeling
Verwijderen van desinfectiebijproducten
4.4.12 Condenserende ketel
Actiefkoolfilters
4.2.3.2 Actieve kool doseren als poeder
AOP
4.2.3.3a UV
4.2.3.3c waterstofperoxide
4.2.3.3d UV+waterstofperoxide
Stap 4: end-of-pipe technieken
4.6.3.3 Omgekeerde osmose
Verwijderen van chloor bij het volledig
leeglaten van het zwembad
Chemische neutralisatie
4.6.1.2 Actief koolfilter
Verwijderen van chloor bij filterspoelingen
4.6.2.1 Chemische neutralisatie
4.6.2.2 Actief koolfilter
4.6.3 Verwijderen van AOX
4.6.4 Het volledig leeglaten van het
zwembad in overleg met de beheerder van
de ontvangende waterloop of RWZI
energie
122
Vlaams BBT-Kenniscentrum
AANBEVELINGEN OP BASIS VAN
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
In dit hoofdstuk formuleren we op basis van
de BBT-analyse een aantal concrete aanbevelingen en suggesties. Hierbij volgen we 3
sporen:
·· a
anbevelingen
voor
milieuvergunningsvoorwaarden: we gaan na hoe
de BBT kunnen vertaald worden naar
vergunningsvoorwaarden, en formuleren suggesties om de bestaande
milieuregelgeving voor de zwembaden
te concretiseren en/of aan te vullen;
·· aanbevelingen voor de milieusubsidieregelgeving: we gaan na welke
milieuvriendelijke technieken voor de
zwembaden in aanmerking kunnen
genomen worden voor Ecologiepremie;
·· a anbevelingen voor verder onderzoek en
technologische ontwikkeling: we identificeren een aantal voor de zwembaden
relevante thema’s waarrond verder
onderzoek en technologische ontwikkeling wenselijk is, en we beschrijven een
aantal innovatieve technologieën die in
de toekomst mogelijk tot BBT kunnen
evolueren.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
123
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
HOOFDSTUK 6
124
Vlaams BBT-Kenniscentrum
6.1.1 Inleiding
De beste beschikbare technieken vormen een belangrijke basis voor het opstellen en concretiseren van de
milieuregelgeving.
In deze paragraaf worden de in hoofdstuk 5 geselecteerde BBT vertaald naar regelgeving, volgens twee
sporen. Vooreerst worden, met de geselecteerde BBT als uitgangspunt, een aantal aandachtspunten geformuleerd naar de verschillende milieucompartimenten toe. Deze kunnen onder meer door vergunningverleners als basis gebruikt worden, bijvoorbeeld bij het vastleggen van bijzondere vergunningsvoorwaarden
Daarna worden de bestaande sectorale vergunningsvoorwaarden (cf. VLAREM II) getoetst aan de BBT.
Deze evaluatie kan, indien dit nuttig/nodig mocht blijken, door de wetgever als basis worden gebruikt om
aanpassingen aan de regelgeving te formuleren. In deze studie worden daarenboven ook aanbevelingen
gedaan voor het aanpassen van de voorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen.
Zwembaden worden gekenmerkt door een hoog water- en energieverbruik. De BBT-maatregelen zijn dan
ook op deze twee facetten gefocust. Daarnaast heeft het gebruik van chloor als oxidatie- en desinfectieproduct een invloed op het binnenklimaat van zwembaden. Maatregelen met betrekking tot het binnenklimaat
zijn niet expliciet bekeken in het kader van deze BBT-studie en worden dan ook niet apart behandeld, alhoewel sommige maatregelen m.b.t. de verwijdering van desinfectiebijproducten ook een gunstige invloed
op het binnenklimaat kunnen hebben.
6.1.2 BBT en afvalwater
6.1.2.1 BBT gerelateerde emissieniveaus
Omwille van beperkte datasets (afkomst van slechts 6 zwembaden) is het niet mogelijk om BBT-gerelateerde
emissieniveaus voor de sector te bepalen.
zware metalen
De effluent cijfers voor zware metalen (Ag, As Cd, Ni en Pb) liggen (ruim) onder de basismilieukwaliteitsnormen en het indelingscriterium. Voor deze parameters is het niet zinvol om lozingsnormen op te leggen.
De effluentwaarden voor koper en zink liggen in uitzonderlijke gevallen (zie Figuur 8) boven de basismilieukwaliteitsnorm (= het indelingscriterium), maar liggen te laag om een efficiënte zuivering op toe te passen.
Voor deze parameters kan het goed zijn om, indien nodig, een bijzondere lozingsnorm op te leggen van bv.
0,1 mg/l voor Cu en van bv. 0,5 mg/l voor Zn.
chloriden
Choriden zijn niet als gevaarlijke stof opgenomen. Indien het wenselijk zou blijken om een lozingsnorm op
te leggen, moet deze afgestemd worden op de VLAREMnorm van 800 mg/l voor zwembadwater.
AOX
Uit Figuur 10 blijkt dat het zwembadeffluent hoge AOX-concentraties bevat.
Momenteel zijn er geen AOX waarden gekend van zwembaden die procesgeïntegreerde maatregelen (bv.
de combinatie van UV + waterstofperoxide of het rigoureus toepassen van preventieve maatregelen ivm
douche en hygiëne) gebruiken om het gehalte aan AOX te beperken.
Het is duidelijk dat verder onderzoek noodzakelijk is om het BBT gerelateerde emissieniveau te kunnen
bepalen en haalbare lozingsnormen voor te stellen. In afwachting kan 600 µg/l als richtwaarde gehanteerd
blijven (cf. de aanbevelingen van de 1ste versie van de BBT-studie zwembaden).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
125
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
6.1 Aanbevelingen voor de milieuregelgeving
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
6.1.2.2 kwalitatieve maatregelen
Kwalitatieve BBT-maatregelen die beschreven zijn in hoofdstuk 4, kunnen opgenomen worden in de milieureglementering.
aanbeveling 1 – hoofdstuk 5 van VLAREM:
Door gebruik te maken van alternatieve desinfectiemiddelen (waterstofperoxide of koper/zilver), wordt de
vorming van AOX vermeden.
In de VLAREM wordt chloor naar voren geschoven als eerste desinfectie en oxidatiemiddel. Er is wel een
mogelijkheid om via een toelating van de het agentschap Zorg en Gezondheid een ander desinfectiemiddel
(waterstofperoxide of koper/zilver) te gebruiken. Een aanpassing aan de wetgeving is daarom niet nodig.
aanbeveling 2 – hoofdstuk 5 van VLAREM:
Om technieken 4.3.5 met betrekking tot waterbesparingen nog verder te stimuleren kan het nuttig zijn
om de verplichting om per bader 30 l suppletiewater toe te voegen, te schrappen (art. 5.32.9.2.2.§5,
art. 5.32.9.3.2§5 en art. 5.32.9.7.3§5). Het Brussels Hoofdstedelijk en het Waalse Gewest formuleren
in hun wetgeving dat er voldoende vers water dient toegevoegd te worden, zodat de waterkwaliteit kan
gegarandeerd worden.
Wanneer water uit de afvalwaterzuivering wordt ingezet als zwembadwater (bijvoorbeeld bij omgekeerde
osmose), kan het nuttig zijn om bij de bovenvermelde artikels de verplichting toe te voegen om dit afvalwater op regelmatige basis te onderwerpen aan controle (cf. halfjaarlijkse controleverplichtingen bij gebruik
van putwater).
aanbeveling 3 – hoofdstuk 5 en 6 van VLAREM:
BBT 4.6.4 (Het volledig leeglaten van het zwembad in overleg met de beheerder van de ontvangende waterloop of RWZI) kan geformaliseerd worden in de algemene voorwaarden voor zwembaden (subhoofdstuk
5.32.9.1) voor de ingedeelde inrichtingen. Er dient overwogen te worden of er ook maatregelen dienen
opgenomen te worden voor niet-ingedeelde zwembaden (deel 6 van VLAREM).
6.1.3 BBT en energieverbruik
Om besparingen op het energieverbruik te stimuleren kan het interessant zijn om ook energie maatregelen
op te nemen in de sectorale voorwaarden van VLAREM of in de milieuvergunning.
aanbeveling 4 – hoofdstuk 5 van VLAREM:
Om de turnoverperiode van laagbelaste zwembaden te kunnen verlagen (BBT 4.4.2) stellen we voor dat
art. 5.32.9.2.1§8.6° en art. 5.32.9.3.1§7 wordt aangepast, waarbij de periode verlengd wordt van 2 uur
naar bijvoorbeeld 4 uur. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat dit enkel mogelijk is voor laagbelaste
zwembaden. Kinderbaden komen hiervoor niet in aanmerking.
6.2 Aanbevelingen voor ecologiepremie
6.2.1 Inleiding
Met de ecologiepremie wil de Vlaamse overheid ondernemingen stimuleren om hun productieproces
milieuvriendelijk en energiezuinig te organiseren. De overheid neemt daarbij een gedeelte van de extra
investeringskosten voor haar rekening. De regeling van de ecologiepremie-plus kadert in het economische
beleid van de Vlaamse regering dat de ontwikkeling van een groende economie centraal stelt.
In deze paragraaf worden aanbevelingen gegeven om één of meerdere van de besproken milieuvriendelijke
technologieën in aanmerking te laten komen voor deze investeringssteun.
126
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Juridische basis
De ecologiepremie kadert binnen het Vlaams decreet betreffende het economisch ondersteuningsbeleid
van 31 januari 2003. De bepalingen van dit decreet m.b.t. investeringssteun worden verder uitgewerkt via
het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010. Op 24 januari 2011 heeft de Vlaamse regering
de regelgeving voor de ecologiepremie grondig gewijzigd. De ecologiepremieregeling volgens een call
systeem werd opgeheven en sinds 1 februari 2011 is een nieuwe regeling volgens een ’open systeem’ van
kracht; de ecologiepremie- plus.
Ecologiepremie kan aangevraagd worden door KMO’s en grote bedrijven. Overheidsinstellingen en VZW’s
kunnen geen beroep doen op ecologiepremie. De meeste zwembaden zijn eigendom van overheden of
VZW’s en komen niet in aanmerking.
ÎÎ Subsidie volgens “ecologiepremie-plus”
De ecologiepremie-plus werkt volgens een ‘open systeem’ dat een grote rechtszekerheid biedt voor de
bedrijven. Een bedrijf dat aan de criteria voor de ecologiepremie voldoet, komt in aanmerking voor de
premie en weet vooraf welke steun het mag verwachten.
Aan elke technologie van de limitatieve technologieënlijst wordt op basis van haar performantie een ecologiegetal toegekend. Op basis van dit ecologiegetal wordt de technologie ingeschaald in een ecoklasse
met daaraan gekoppeld een subsidiepercentage. Het subsidiepercentage wordt bepaald op basis van de
ecoklasse waartoe een technologie behoort en varieert in functie van de grootte van de onderneming.
ÎÎ Ecologiepremie en ecologie-investeringen
De ecologiepremie wordt toegekend aan ecologie-investeringen. Ecologie-investeringen zijn investeringen
in nieuwe milieutechnologieën, energietechnologieën die leiden tot energiebesparing, evenals hernieuwbare energie technologieën. Installaties of onderdelen waarvoor gronenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten kunnen bekomen worden, komen niet in aanmerking voor de premie. De volledige info
over de ecologiepremie is te vinden via www.ondernemen.vlaanderen.be.
ÎÎ Limitatieve Technologieën Lijst (LTL) van ecologie-investeringen
De investeringen die in aanmerking komen voor de ecologiepremie zijn opgenomen in een limitatieve
technologieënlijst (LTL). Deze lijst is raadpleegbaar via bovenvermelde link.
Per technologie vermeldt de limitatieve technologieënlijst volgende gegevens:
• het nummer;
• de naam;
• de beschrijving;
• het technologietype;
• het meerkostpercentage;
• het ecologiegetal;
• de ecoklasse;
• het subsidiepercentage voor KMO en GO;
• de essentiële componenten;
• de niet-essentiële componenten (louter informatief; komen niet in aanmerking voor de premie).
Vlaams BBT-Kenniscentrum
127
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
Onderstaand is de stand van zaken m.b.t. de ecologiepremieregeling op het moment van schrijven van deze
BBT-studie weergegeven.
Alle relevante en meest actuele info over de ecologiepremie is te consulteren via de website van het
Agentschap Ondernemen: www.vlaanderen.be/ecologiepremie.
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
Elk van de hierboven vermelde gegevens wordt hieronder toegelicht:
• het nummer van de technologie:
Dit is de code in de webapplicatie. Technologieën worden in de webapplicatie gekozen door het ingeven van het betreffende nummer van de technologie;
• de naam van de technologie:
De naam is een eerste identificatie van de technologie;
• de beschrijving van de technologie:
De beschrijving geeft wat meer uitleg over de technologie, toepassings-mogelijkheden, beperkingen
bij het aanvragen, …;
• het technologietype:
Het technologietype geeft aan welk type technologie het is (milieutechnologie, energietechnologie met
energiebesparing of hernieuwbare energie);
• het meerkostpercentage:
De meerkost is een maat voor de extra kosten die een bedrijf heeft door te investeren in de milieuvriendelijke technologie. Deze meerkost is de extra investeringen, verminderd met de besparingen
en bijkomende opbrengsten gedurende de eerste vijf jaar van de gebruiksduur. De meerkost wordt
uitgedrukt als een percentage van de totale investeringskost (meerkostpercentage);
• het ecologiegetal:
Het ecologiegetal is een getal variërende tussen 1 en 9 dat de performantie van een technologie
weergeeft. De performantie geeft aan in welke mate de technologie bijdraagt tot de realisatie van de
Kyoto-doelstellingen en de milieudoelstellingen van de Vlaamse overheid;
• de ecoklasse:
De technologieën worden op basis van hun ecologiegetal ingedeeld in een ecoklasse (A, B, C of D). Een
technologie behorende tot klasse A is performanter dan een technologie van klasse B, C en D;
het subsidiepercentage :Het subsidiepercentage wordt bepaald op basis van de ecoklasse waartoe een
technologie behoort en varieert in functie van de grootte van de onderneming (KMO, GO). De subsidie
wordt berekend op de meerkost en het subsidieplafond bedraagt 1 Mln euro per aanvraag.
• de essentiële componenten van een technologie :
Essentiële componenten zijn onderdelen van de technologie die tot de kern van de installatie behoren.
Het zijn componenten die in elke mogelijke toepassing van de technologie steeds aanwezig zijn. De
essentiële componenten geven aan welke onderdelen precies voor steun in aanmerking komen. De
aanvraag gebeurt door het opgeven van de kostprijs van alle essentiële componenten, waarop de
webapplicatie de steun berekent. Indien een essentiële component ontbreekt dan kan de technologie
in principe niet aangevraagd worden.
6.2.2 Toetsing van milieuvriendelijke technieken aan criteria voor ecologiepremie
Het BBT-kenniscentrum van VITO verleent ondersteuning aan het Vlaams Energieagentschap bij het opstellen van de limitatieve technologieënlijst. Conform de BBT-aanpak komt een technologie op de lijst als aan
alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
• de technologie is het experimenteel stadium ontgroeid (toepassing in bedrijfstak op korte termijn is
mogelijk) maar is (nog) geen standaardtechnologie* in de bedrijfstak;
• de toepassing van de technologie is nog niet verplicht in Vlaanderen bv. om te voldoen aan VLAREM
II**;
• de technologie heeft een duidelijk milieuvoordeel ten opzichte van de standaardtechnologie;
• er gaat een betekenisvolle investeringskost mee gepaard;
• de investeringskost is groter dan die van de standaardtechnologie;
• de meerkost ten opzichte van de standaardtechnologie betaalt zich niet op korte termijn (binnen 5 jaar)
terug door de gerealiseerde netto besparingen.
128
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Vlaams BBT-Kenniscentrum
129
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
* Met ‘standaardtechnologie’ wordt deze technologie bedoeld waarin een gemiddeld bedrijf (binnen
de sector) op dit moment zou investeren indien nieuwe investeringen noodzakelijk zouden zijn.
Opmerking:
·· Een standaardtechnologie is bijgevolg ook een technologie die op dit moment in de markt
gangbaar wordt aangeboden door leveranciers. Een standaardtechnologie is echter niet noodzakelijk een techniek die op dit moment reeds gangbaar wordt toegepast binnen de sector.
Relatie BBT – standaardtechnologie – ecologiepremie:
·· In veel gevallen zullen het begrip BBT en het begrip standaardtechnologie samenvallen. In dit
geval komt de BBT niet in aanmerking voor de ecologiepremie.
·· In sommige gevallen echter is BBT (nog) geen standaardtechnologie. Dit is bijvoorbeeld het
geval voor BBT die relatief duur zijn t.o.v. de huidige standaardtechnologie en/of voor BBT
waarin bedrijven nog niet standaard investeren indien nieuwe investeringen noodzakelijk zijn.
In dit laatste geval kan de ecologiepremie zinvol zijn om marktintroductie of marktverbreding
te bespoedigen. Dergelijke BBT kunnen wel in aanmerking komen voor de ecologiepremie.
** Als er Vlaamse normen van toepassing zijn dan wordt alleen subsidie toegekend indien met de
technologie betere resultaten worden bereikt dan de Vlaamse norm.
Als er geen Vlaamse normen van toepassing zijn, hebben de technologieën op de lijst één van volgende
doelstellingen:
·· het overtreffen van de (bestaande) Europese normen;
·· het bereiken van milieuvoordelen waarbij nog geen Europese normen zijn goedgekeurd.
In Tabel 12 worden de milieuvriendelijke technieken uit hoofdstuk 4 getoetst aan bovenstaande criteria.
Enkel de technieken met een significante investeringskost worden geëvalueerd. Een ü betekent dat aan
betrokken criterium is voldaan. Een û betekent dat aan betrokken criterium niet is voldaan.
Een technologie komt enkel in aanmerking voor de ecologiepremie indien aan alle criteria is voldaan.
Zodra aan één van de criteria niet wordt voldaan, is de techniek niet noodzakelijk meer getoetst aan alle
overblijvende criteria.
Tabel 12: Toetsing van milieuvriendelijke technieken aan criteria voor ecologiepremie
4.3.5
ü
û
ü
ü
ü
ü
ü
neen
ü
ü
ja2
(û)
staat reeds op de LTL
ü
1
voldoet aan alle criteria voor de
ecologiepremie
ü
heeft een terugverdientijd ≥ 5 jaar
(meerkost t.o.v. standaardtechnologie)
heeft een investeringskost groter dan
die van de standaardtechnologie
4.2.3.3d UV + waterstofperoxide
heeft een duidelijk milieuvoordeel t.o.v.
de standaardtechnologie
Waterstofperoxide en zilver
is niet verplicht in Vlaanderen
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
4.2.2.2
Criteria
is bewezen, maar is nog geen standaardtechnologie
Technologie
û
ü
ü
ü
ü
4.4.1
Besparing van watergebruik.
Filtersysteem met behulp van
membranen
Afdekken van het zwembad
ü
ü
ü
ü
û
û
4.4.9
Zonneboiler
ü
ü
ü
ü
ü
ü
ja3
4.4.10
Warmtepomp en energieopslag
ü
ü
ü
ü
ü
ü
ja4
4.4.11
Warmtekrachtkoppeling
ü
ü
ü
ü
ü
û
4.4.12
Condenserende ketel
û
û
1: er zijn aanwijzingen dat de techniek een gunstig effect heeft op de AOX-concentratie, maar deze is nog niet bezen
2: LTL: Installatie voor hergebruik van proces-, spoel-, reinigings- en afvalwater door middel van tertiaire waterzuiveringstechnieken, techniek nr. 1327
3: Techniek nr. LTL 1342
4: Techniek nr. LTL 1263: warmtepompboiler; technieknummer 100065: gasgestookte absorptiewarmtepomp (met
water of lucht alswarmtebronsysteem),technieknr. 100089: geothermische (elektrische) warmtepomp (bodem als
warmtebronsysteem), techniek nr. 100069: (elektrische) warmtepomp ( met water of lucht als warmtebronsysteem),
techniek nr. 100090: geothermische gasgestookte absorptiewarmtepomp (bodem als warmtebronsysteem)
6.2.3 Aanbevelingen voor LTL
Op basis van de beoordeling in Tabel 12 is er geen aanpassing aan de LTL nodig.
6.3 Aanbevelingen voor verder onderzoek en technologische
ontwikkeling
In dit onderdeel worden suggesties gedaan voor verder onderzoek en technologische ontwikkeling. Dit
gebeurt volgens 2 sporen:
• aanbevelingen voor het verbeteren van de beschikbare informatie en kennis;
• aanbevelingen voor de ontwikkeling van nieuwe milieutechnieken.
130
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Bij het opstellen van de BBT-studie werden een aantal hiaten in de beschikbare kennis/informatie opgemerkt. Verder onderzoek op deze domeinen is aanbevolen om deze hiaten weg te werken. Een overzicht
van de betrokken domeinen en de hieraan gekoppelde onderzoeksaanbevelingen wordt gegeven in Tabel
13.
Tabel 13: Aanbevelingen voor verder onderzoek ter verbetering van huidige kennis
Ontbrekende of onvolledige Onderzoeksaanbeveling
kennis/informatie
normen voor kiemgetal en
de huidige normen zijn afgestemd op wat de laagste mogelijke cijfers
ziektekiemen
zijn wanneer een desinfectiemiddel op basis van chloor gebruikt
wordt. Bij nieuw onderzoek zou moeten nagegaan worden wat de
hoogst aanvaardbare niveau is, waarop er geen problemen zijn voor
de volksgezondheid. Deze kennis zou een opening kunnen maken
naar milieuvriendelijke alternatieven voor chloor
effect van aparte douches
nagaan of inkomende baders zich beter en meer douchen wanneer er
voor ingaande en uitgaande
afzonderlijke douches met scrubzout geïnstalleerd worden.
bezoekers voorzien van srubzout
lozingsnormen
AOX
in kaart brengen van de emissies van zwembaden
Onderzoek naar de milieuschade van absorbeerbare gechloreerde
verbindingen in het effluent van zwembaden, waarbij de schadelijke
stoffen geïdentificeerd worden.
6.3.2 Aanbevelingen voor ontwikkeling van nieuwe milieuvriendelijke technieken
Bij het opstellen van de BBT-studie werd vastgesteld dat de huidige BBT niet steeds een optimale of
volledige oplossing bieden voor de milieuproblematiek van de zwembaden hetzij:
• omdat er voor een bepaald milieuaspect geen BBT bestaan, of
• omdat de huidige BBT het milieuprobleem onvolledig/onvoldoende oplossen, of
• omdat de huidige BBT technische, economische of milieukundige beperkingen kennen (d.w.z. technisch
moeilijk of niet universeel toepasbaar zijn, duur zijn, belangrijke cross-media effecten hebben).
Verder onderzoek en ontwikkeling van nieuwe milieutechnieken is hier aanbevolen, en kan in een later
stadium leiden tot nieuwe BBT. Een overzicht van de betrokken milieuaspecten en de hieraan gekoppelde onderzoeksaanbevelingen wordt gegeven in Tabel 14. In de tabel zijn tevens een aantal innovatieve
technologieën opgelijst die zich momenteel aandienen, en die bij het opstellen van de BBT-studie werden
opgemerkt, doch deze lijst is niet noodzakelijk volledig. Het verdient aanbeveling om deze ontwikkelingen
op te volgen en eventueel te steunen, opdat deze milieuvriendelijke technologieën zich tot een marktwaardig product zouden kunnen ontwikkelen.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
131
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
6.3.1 Aanbevelingen voor verbetering van huidige kennis
Tabel 14: Aanbevelingen voor ontwikkeling van nieuwe milieuvriendelijke technieken
HOOFDSTUK 6 - AANBEVELINGEN OP BASIS VAN BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
Milieuaspecten waarvoor de Aanbeveling
huidige BBT geen optimale
oplossing bieden
AOX
meer onderzoek en metingen
doen op het afvalwater van
zwembaden waar technieken
gebruikt worden die inzetten op
lage concentraties gechloreerde
verbindingen
Technieken in ontwikkeling
Gecombineerde technieken
bijvoorbeeld:
actief filterbed medium +
waterstofperoxide / koperzilverionisatie
actief filterbed medium + chloor
+ AOP (UV + H2O2)
onderzoek uitvoeren naar
alternatieve technieken
onderzoek naar de nitraatconcentraties bij het gebruik van
AOPs
onderzoek naar de aard van de
aard van de AOX verbindingen en
hun toxiciteit.
Filters met geactiveerd
filtermedia
132
Praktijkonderzoek uitvoeren naar
de effectiviteit van dit type van
filters
Vlaams BBT-Kenniscentrum
American aquarium products, http://www.americanaquariumproducts.com/images/graphics/uvlamplphp.jpg,
URL bezocht op 16 dec. 2009.
Ashworth D., “Chlorine dioxide - the clean oxidizer”, Pool & Spa marketing, 2005 (Fall) 50-51.
Barbot E. en P. Moulin, “Swimming pool water treatment by ultrafiltration-adsorption process”, Journal of
membrane science, 2008 (314) 50-57.
Baycan N., Sengul F. en R. Thomanetz, “AOX formation and elimination in the oxidative treatment of synthetic
wastewaters in a UV-free surface reactor”, Environ Sci & Pollut Res., 2005 (12 – 3) 153-185.
Belgochlor, Zwembadchemicaliën - Handleiding voor veilige opslag en bevoorrading, Brussel, FEDICHEM,
2007, 32p. http://www.belgochlor.be/nl/PDF_NL/Zwembadchemicali%EBn.pdf
Blaser S.A., Scheringer M., Macleod M. en K. Hungerbühler, “Estimation of cumulative aquatic exposure and
risk due to silver: contriubution of nano-functionalized plastics and textiles”, Science of the total environment, 2008 (390) 396-409.
Borgmann-Strahsen R., “Comparative assessment of different biocides in swimming pool water”, International Biodeterioration & Biodegradation, 2003 (51) 291-297.
Burilon N., Schrooten D. en G. Charlier, Analyse des technologies existantes en matiere de desinfection, Liège,
2004, 137p.
Cassan D., Mercier B., Castex F. en A. Rambaud, “Effects of medium-presure UV lamps radiation on water
quality in chlorinated indoor swimming pool”, Chemosphere, 2006 (62) 1 507-1 513.
CWC, Evaluation of recycled crushed glass sand media for high-rate sand filtration, Seatle, CWC, 1998, 27p.
De Coster S. en N. van Larebeke, Adviesvraag: Gestabiliseerd waterstofperoxide als desinfectans in zwembaden en whirlpools, 2006, 9p.
Derden A., Schiettecatte W., Cauwenberg P., Van Ermen S., Ceulemans J., Helsen J., De Baerdemaeker T., Vandezande P., Elst K., Brauns E., Buekenhoudt A. en D. Huybrechts, Gids waterzuiveringstechnieken - 2de
versie, Gent, Academia Press, 2010, 272p. http://www.emis.vito.be/bbt
Dijkmans R.; “Methodology for selection of best available techniques (BAT) at sectoral level”, Journal of
Cleaner Production, 8 (2000) 11-21.
Dryden Aqua en Pomaz, Water- en luchtkwaliteit bij zwembaden – Presenatie juli 2010, trefdag zwembaden.
Dryden H, Active Sand Filtration with AFM, 2007, 6p.
Dyer A. en K.J. White, “Cation diffusion in the natural zeolite clinoptiolite”, thermochimica acta, 1999, 341348.
E², Het gebruik van nieuwe energie. Duurzame energie & zwembaden, 2009, presentatie.
Edstrom, Forms of Chlorine in Water, Wisconsin, Edstrom, 2003, 5p.
Eneco, Een duurzame energievoorziening. Visie vanuit een energiebedrijf, 2009, presentatie.
Feyen L., 5de evaluatieverslag van het proefproject met gestabiliseerd waterstofperoxide, Lummen, Labo
Derva, 2010, 46p.
Flier H. “Natriumhypochloriet/bleekloog”, Chemische feitelijkheden, 1997 (20) 131-1-131-8.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
133
LITERATUURLIJST
LITERATUURLIJST
Glauner T., Waldmann P. Frimmel F. en C. Zwiener, “Swimming pool water-fractionation and genotoxicological
characterization of organic constituents”, Water Research, 2005a (39) 4 494-4 502.
LITERATUURLIJST
Glauner T., Kunz F., Zwiener C. en F. Frimmel, “Elimination of swimming pool water disinfection by-products
with advanced oxidation processes (AOPs)”, Acta hydrochim. Hydrobiol. 2005b(33) 585-594.
Gregory R. en S. Eng, Bench-marking pool water treatment for coping with Cryptosporidium, JEHR, 2002,
http://www.cieh.org/jehr/jehr3.aspx?id=11402&LangType=2057, URL bezocht op 17 dec. 2009.
Floren D.A.P.C., van der Heiden E. en L. Janssen Lok, Handboek zwembaden Normen en richtlijnen, Nieuwegein, LNZB, 2004, 77p.
Goovaerts L., Luyckx W., Vercaemst P., De Meyer G. en R. Dijkman, Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor
stookinstallaties en stationaire motoren, Gent Academia Press, 2002, 378p.
Health Protection Agency, Management of spa pools: controlling the risks of infection, London, Health Protection Agency, 2006.
InfoMil, Informatieblad zwembaden, Den Haag, InfoMil, 2000, 43p.
InfoMil, Koolstoffilter gebruiken bij zwembaden, http://www.infomil.nl/organisatie/milieumaatregelen/
maatregelen-per/maatregelen/water-besparen/@91276/koolstoffilter/, URL bezocht op 31 aug. 2010.
Inge ag, http://www.inge.ag/index_en.php, URL bezocht op 3 febr. 2010.
Jeppensens C., Bagge L. en Jeppensen V.F., “Legionella pneumophilla in pool water”, Ugeskr Laeger, 2000
(june) 162.
Keuten M., DIPool (Dutch Innovative Pool) - Advanced UV - based technology for pool water treatment, TUDelft, 2010, http://www.citg.tudelft.nl/live/pagina.jsp?id=46e8eafa-39f5-4184-83c8dbb09d4080ee&lang=en, URL bezocht op 29 april 2010.
Keuten M., Onderzoeksplan alternatieve desinfectiemethoden voor zwembadwater, KWR, 2009, 64p.
Kreps S., De Cuyper K., Vanassche S. en K. Vrancken, Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor Legionellabeheersing in nieuwe sanitaire systemen, Gent, Academia Press, 2010, 200p.
Kristensen G.H., Klausen M.M., Andersen H.R., Erdinger L., Lauritsen F., Arvin E. en H.J. Albrechtsen “Full scale
test of UV-based water treatment technologies at Gladsaxe Sport Centre - with and without advanced
oxidation mechanisms”, Swimming pool & spa international conference, 2009 March 15.
Lenntech, http://www.lenntech.nl/water-zuiveringsstappen.htm, URL bezocht op 6 jan. 2010.
Lenntech, http://www.lenntech.nl/processen/desinfectie/bijproducten/desinfectiemiddelen-desinfectiebijproducten.htm, URL bezocht op 19 febr. 2010.
Mailoa R.E.S.T., Multi Purpose Solutions voor zachte contactlenzen en het effect op het draagcomfort, Utrecht,
Hogeschool Utrecht, 2005, 36p.
Menerga, AquaCond, toestel voor warmteterugwinning uit afvalwater met recuperator en warmtepomp, technical note, 2p.
Menerga, Whirlpool-Adapter voor openbare zwembaden, technical note, 2p.
Moorkens I., Update onrendabele toppen van WKK installaties in Vlaanderen – studie in opdracht van VEA,
Mol, VITO, 2010, 51p.
N. Chemiekaarten, ten Hagen & Stam, 2005, C-ROM.
N. “UV ahead in the race for bacteria free water”, Swimming pool news, 2008 December 38-40.
134
Vlaams BBT-Kenniscentrum
N. “Are UV systems set to dominate the pool industry?”, Swimming pool news, 2009 June 64-65.
N. “Ultrafiltrarion in der Schwimmbad-Wasseraufbereitung”, IKZ-Fachplaner, 2009 Januar 10-12.
N. “Besluit van 6 oktober 1984 tot uitvoering van de artikelen 3, 4, 10a, derde en vierde lid j0 eerste lid, 11
en 28 van de Wet hygiëne en veiligheid zwembadaangelegenheden”, Staatscourant.
N. “Richtlijn betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit”, EU, 2006 (L64) 37-51.
http://eur-lex.europa.eu/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexapi!prod!CELEXnumdoc&lg=nl&numdo
c=32006L0007&model=guichett
N. Geconsolideerde richtlijn betreffende de kwaliteit van zwemwater, 2008.
http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CONSLEG:1976L0160:20081211:NL:PDF
N. Verofnung über die Qualität von Schwimm- und Badebeckenwasser
http://www.hygieneinspektoren.de/fachinformationen/badewasserhygiene/badentwurf3.pdf
N. “Perlite filter media: compare to DE and its use in swimming pool filters”, Pool and Spa news, 1997 October.
Primary Water, FTC Information sheet, technical note, 2009, 6p.
PWTAG (Pool Water Treatment Advisory Group), Swimming pool water, Micropress Printers, 2009, 202p.
Reissmann F.G., Schulze E. en V. Albrecht, “Application of a combined UF/RO system for the reuse of filter
backwash water from treated swimming pool water”, Desalination, 2005 (178) 41-49.
Rop M. en R.J. Naaktgeboren, Handboek Milieuvergunningen: processen, toestellen en opslag. Hoofdstuk
zwembaden, Alpen aan den Rijn, Samaon, 1998.
Senten R. en R. Calders, Reduction of chloramines in pool water, nota, 2007, 11p.
SenterNovem, Kompas, energiebewust wonen en werken. Cijfers en tabellen 2007, SenterNovem, 2007, 89p.
SportFondsen, Omgekeerde osmose, presentatie.
SportFondsen, Adviseur installaties, 2007, presentatie.
Tak T.A., Haalbaarheidsonderzoek naar de toepassing van duurzame technieken in het ir. Ottenbad, Goirle,
2005, 31p.
Taylor G.R. en M. Butler, “A comparison of the veridical properties of chlorine, chlorine dioxide, bromide chloride and iodine”, Journal of hygiene, 1982 (89) 321-328.
Thijssen E., Invloed van verschillende hardheden op de vrije Ag+ concentratie en aanwezigheid van verschillende Cl- concentraties, verslag, Universiteit Hasselt (Instituut voor materiaalonderzoek), 11p.
TUDelft, Waterbehandeling en duurzaamheid, 2009, presentatie.
Universität Duisburg Essen en IWW, Membranverfahren in der Schwimmbadwasseraufbereitung, 2004, presentatie.
Universiteit Antwerpen (Laboratory for pharmaceutical microbiology and hygiene) Comparative study of disinfection performance of novuswater NW100 versus hydrogen peroxide, Antwerpen, 9p.
Universiteit Hasselt (Insituut voor materiaalonderzoek), invloed van cyanuurzuur op het H2O2 verval onder UV
belichting, verslag, Hasselt, Universiteit Hasselt, 1p.
Van den Abeele L., Vanassche S., Hooyberghs E. en D. Huybrechts, Beste Beschikbare Technieken voor waserijen en linnenverhuurders, Gent, Academia Press, 2010, 272p. http://www.emis.vito.be/bbt
Vlaams BBT-Kenniscentrum
135
LITERATUURLIJST
N. “UF system reduces swimming pool costs”, Membrane Technology, 2006 July 5-6.
Van den Abeele L., Vercaemst P. en R. Dijkmans, Beste Beschikbare Technieken voor zwembaden, Gent, Academia Press, 2000, 135p.
LITERATUURLIJST
Van Deun M., Wouters W., Vloemans P. en G. Vanermen, Bepaling van absorbeerbare oraganohalogenen
(AOX) in water: interlaboratoriumvergelijking (juni 2009) studie uitgevoerd in opdracht van LNE, Mol,
VITO, 2009, 31p.
Vankerkom J. en C. Cornelis, Onderzoek naar de luchtkwaliteit in zwembaden, Mol, VITO, 2004, 120p.
Verbeeck L., Literatuurstudie alternatieve desinfecteermiddelen in zwembaden en whirlpools, Resource Analysis, i.o. Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid - afdeling Toezicht Volksgezondheid, 2008, 73p.
Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid - afdeling Toezicht Volksgezondheid, Eindrapport Jaarinspectieplan
2007, Brussel, Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, 2007, 17p.
Vlaardingerbroek A. en D.G.J. van Straaten, Oriënterend onderzoek naar desinfectietechnieken voor zwembadwater, Nieuwegein, KIWA, 2007, 77p.
Wikipedia, Cryptosporidium, http://www.wikipedia.be, URL bezocht op 26 aug. 2009.
W.E.T., Spülwasseraufbereitung nach DIN 19645, 2008, technical note, 2p.
W.E.T., Ultrafiltration copared with conventional filtration technology, 2010, technical note, 2p.
WHO, Guidelines for safe recreational water environments - Volume 2: swimming pools and similar environments, WHO, 2006, 146p.
http://www.who.int/water_sanitation_health/bathing/srwe2full.pdf
Zeolite-Products, http://www.zeolite-products.com/pages/particulier/filterzand-voor-zwembaden.php, URL
bezocht op 3 feb-. 2010.
Zimmer J.L. en R.M. Slawson, “Potential Repair of Escherichia coli DNA following exposure to UV radiation
from both medium- and low-pressure UV sources used in drinking water treatment”, Aplied and environmental microbiology, 2002 (68) 3 293-3 288.
136
Vlaams BBT-Kenniscentrum
ÎÎ Kenniscentrum voor Beste Beschikbare Technieken
Liesbet van den Abeele
Stella Vanassche
Diane Huybrechts
BBT-kenniscentrum
p/a VITO
Boeretang 200
2400 MOL
tel.: 014 33 58 68
[email protected]
www.vito.be
www.emis.vito.be
ÎÎ Contactpersonen federaties België
• ISB
Vlaams Instituut voor sportbeheer en Recreatiebeleid
August De Boeckstraat 1 bus 3
9100 Sint-Niklaas
tel.: 03 780 91 00
[email protected]
www.isbvzw.be
contactpersonen: Marjolein Van Poppel (stafmedewerker ISB), Rudy Senten (ISB-Commissie zwembaden),
Jan Rombaut (ISB-Commissie zwembaden, zwembadbeheerder S&R Pelt)
Rudy Calders
Provinciaal Instituut voor Hygiëne (PIH)
Kronenburgstraat 45
2000 Antwerpen
• RECREAD
Federatie van recreatieondernemers vzw
Anspachlaan 111 bus 4
1000 Brussel
tel.: 02 513 64 84
[email protected]
www.recread.be
contactpersoon: Dirk Metsu – de federatie werd vertegenwoordigd door Ludo Feyen
Vlaams BBT-Kenniscentrum
137
BIJLAGE 1: MEDEWERKERS VAN BBT-STUDIE
BIJLAGE 1: MEDEWERKERS VAN BBT-STUDIE
BIJLAGE 1: MEDEWERKERS VAN BBT-STUDIE
• Horeca Vlaanderen
Federatie Ho. Re. Ca. Vlaanderen vzw
Anspachlaan 111 bus 4
1000 Brussel
tel.: 02 513 64 84
[email protected]
www.fedhorecavlaanderen.be
contactpersoon: de federatie werd vertegenwoordigd door Ludo Feyen
Bovenstaande personen vertegenwoordigden de bedrijven in het begeleidingscomité voor deze studie.
ÎÎ Contactpersonen administraties/overheidsinstellingen
• VMM
Vlaamse Milieumaatschappij
A. Van de Maelestraat 96
9320 Erembodegem
www.vmm.be
contactpersoon: Sofie Van Volsem
• LNE – Afdeling Milieuvergunningen
Dienst Beste Beschikbare Technieken en erkenningen
Koning Albert II-laan 20 bus 8
1000 Brussel
tel.: 02 553 79 97
[email protected]
www.lne.be/organisatie/structuur/afdeling-milieuvergunningen
contactpersoon: Annelies Faelens
• Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid
Afdeling Toezicht Volksgezondheid – Team Milieugezondheidszorg
Lange Kievitstraat 111-113 bus 31
2018 Antwerpen
tel.: 03 224 62 04
www.zorg-en-gezondheid.be/gezondmilieu.aspx
contactpersoon: Liesbet Van Rooy
Bovenstaande personen vertegenwoordigden de administraties en andere overheidsinstellingen in het
begeleidingscomité voor deze studie.
138
Vlaams BBT-Kenniscentrum
• Menerga
Nieuwlandlaan 16A
3200 Aarschot
tel.: 016 31 42 00
www.menerga.be
contactpersoon: Johan Verplaetsen
• Labo Derva
Rekhovenstraat 35
3560 Lummen
tel.: 011 45 21 01
www.laboderva.be
contactpersoon: Ludo Feyen
• Aquapro
Zoning de Lienne 4
5590 Ciney
tel.: 083 21 40 02
www.aquapro.be
contactpersoon: Phillipe Lazaron
BIJLAGE 1: MEDEWERKERS VAN BBT-STUDIE
ÎÎ Gecontacteerde bedrijven
• COFELY Services (GDF SUEZ)
Egide Walschaertsstraat 15 bus 1
2800 Mechelen
tel.: 015 45 04 00
Albert II laan 30
1000 Brussel
www.cofelyservices-gdfsuez.be
contactpersoon: Jan Eelen en Eric Janssens
• Pool Water Treatment
Kralingse Plaslaan 65 b
3061 BA Rotterdam
tel.: +31 (0)10 452 43 42
www.poolwatertreatment.com
contactpersoon: Peter Appel
• Novus Eco-Technology
Taunusweg 49
3740 Bilzen
tel.: 089 41 75 74
www.novuswater.com
contactpersoon: Hervé Bervoets
Bovenvermelde personen werden gecontacteerd in de loop van de studie.
ÎÎ Bezochte zwembaden tijdens het uitvoeren van de studie
• Natuurlijk zwembad Boekenberg
natuurlijk zwembad Boekebenberg - Stad Antwerpen
Van Baurscheitlaan, park Boekenberg
2100 Deurne-Antwerpen
tel.: 03 411 19 95
contactpersoon: Tommy Andries
ÎÎ Sportcity
zwembad gemeente Sint-Pieters-Woluwe
Salomélaan 2
1150 Sint-Pieters-Woluwe
contactpersoon: Eric Janssens - Cofely
Vlaams BBT-Kenniscentrum
139
140
Vlaams BBT-Kenniscentrum
BIJLAGE 2: WETGEVING
BIJLAGE 2: WETGEVING
Tabel 15: Overzicht van de VLAREMvereisten voor zwem(bad)water
Zie volgende dubbele pagina.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
141
bacteriologische parameters
n/ml
totaal aantal kiemen bij
37°C
coagulase positieve
n/100 ml
stafylokokken
Pseudomonas aeruginosa
n/100 ml
0
0
0
0
0,5
3,0
≤ 1,0
≥ 60
≤ 2,0
≤ 800 1
<5
-
≤ 100
0,5
1,5
≤ 1,0
≥ 60
≤ 2,0
≤ 800 1
<5
-
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mg O2/l
mg/l
mg/l
7
7,6
niet
overdekte
circulatiebaden
≤ 100
7,0
7,6
overdekte
circulatiebaden
Sörensen
Sörensen
eenheid
oppervlak actieve stoffen die
op methyleenblauw reageren
fenol
mg/l
chemische parameters
pH
- ondergrens
- bovengrens
vrij beschikbaar chloor
(HOCl + ClO-)
- ondergrens
- bovengrens
gebonden chloor
bicarbonaat
ureum
chloriden
oxydeerbaarheid 2
fosfor
nitraat
minerale oliën
parameter
Vlaams BBT-Kenniscentrum
0
0
≤ 100
0,5
3,0
≤ 1,0
≤ 40 en ≥ 60
≤ 2,0
≤ 800 1
<5
-
7
7,6
hot
whirlpools
0
0
≤ 100
1
3
≤ 1,0
≥ 60
≤ 2,0
≤ 800 1
<5
-
6,8
8
0
0
≤ 100
0,5
1,5
≤ 1,0
≥ 60
≤ 2,0
≤ 800 1
<5
-
7
7,6
dompel-baden therapiebaden
≤ 10
-
-
≤ 0,01
< 30
6
8,5
voorstel voor
natuurlijke
zwembaden
6
9
strand- en
overgangswateren
-
-
-
-
-
-
geen specifieke geur
≤ 0,05
geen zichtbare laag op het
wateroppervlak en afwezig van
geur
geen persistent schuim
6
9
binnenwateren
BIJLAGE 2: WETGEVING
142
Vlaams BBT-Kenniscentrum
143
-
≤ 32 3
doorzichtig tot
op de bodem
van het bad
afwezig
afwezig
afwezig
kleurloos
-
°C
m
-
-
≤ 32 3
doorzichtig tot
op de bodem
van het bad
afwezig
afwezig
afwezig
kleurloos
-
-
niet aantoonbaar
-
hot
whirlpools
-
≤ 20 3
doorzichtig tot
op de bodem
van het bad
afwezig
afwezig
afwezig
kleurloos
-
-
-
-
-
≤ 32 3
doorzichtig tot
op de bodem
van het bad
afwezig
afwezig
afwezig
kleurloos
2
-
-
-
-
dompel-baden therapiebaden
1: deze norm geldt niet bij gebruik van zout houdend water (≥ 2 000 mg Cl/l) of bij gebruik van zoutelektrolyse
2: KMnO4-verbruik in verwarmde oplossing en in zuur milieu
3: behoudens afwijking toegestaan door de gezondheidsinspecteur / agentschap Zorg en Gezondheid
4: één bepaling per jaar, gedurende de twee eerste maanden van het jaar
5: gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag
a: uitstekende kwaliteit - gebaseerd op een beoordeling van het 95-percentiel
b: bevredigende/aanvaardbare kwaliteit - gebaseerd op een beoordeling van het 90-percentiel
c: goede waterkwaliteit - gebaseerd op een beoordeling van het 95-percentiel
zichtbare verontreiniging
geur
schuim
kleur
volume circulerend water per
bader 5
zuurstofverzadiging
% O2
≤ 32 3
doorzichtig tot
op de bodem
van het bad
afwezig
afwezig
afwezig
kleurloos
2
-
n/100 ml
n/100 ml
n/l
n/10 l
totale colibacteriën
fecale colibacteriën
Salmonella
virus PFU
fysische parameters
temperatuur
helderheid / doorzichtigheid
-
-
n/100 ml
Intestinale enterokokken
-
-
n/100 ml
-
n/100 ml
Legionella pneumophila 4
niet
overdekte
circulatiebaden
-
Echerichia coli
overdekte
circulatiebaden
eenheid
parameter
80 -120
1
250 (a), 500 (b),
500 (c)
100 (a), 185 (b),
200 (c)
10 000
2 000
0
0
-
strand- en
overgangswateren
-
-
geen abnormale kleurwijziging
-
1
500 (a), 900 (b),
1 000 (c)
200 (a), 330 (b),
400 (c)
10 000
2 000
0
0
-
binnenwateren
BIJLAGE 2: WETGEVING
≤ 23
doorzichtig tot
op de bodem
van het bad
afwezig
afwezig
afwezig
-
-
≤ 50
≤ 100
-
voorstel voor
natuurlijke
zwembaden
Tabel 16: Overzicht van de buitenlandse vereisten voor zwembadwater
parameter
BIJLAGE 2: WETGEVING
pH
- ondergrens
- bovengrens
vrij beschikbaar
chloor (HOCl + ClO-)
- ondergrens
- bovengrens
gebonden chloor
cyanuurzuur 4
buffercapaciteit
ureum
redoxpotentiaal
oxydeerbaarheid
eenheid
Sörensen
Sörensen
fenol
mg/l
ozon 3
mg/l
THM
totaal aantal kiemen
bij 37°C
Pseudomonas
aeruginosa
Legionella
mg/l
n/ml
Echerichia coli
n/100 ml
Intestinale
enterokokken
totale colibacteriën
n/100 ml
Kust en
overgangswateren
zwem-baden opper-vlakte
water
6
9
6
9
6,8
7,8
thermotolerante
colibacteriën
fecale colibacteriën
n/100 ml
Salmonella
n/l
Duitsland 5
6,5 ± 0,1
7,6 ± 0,1
0,3 6 – 0,7 7
0,6 6 – 1,0 7
0,2
7,5 ± 20
≤ 70% van het
kaliumpermanganaatverbruik
van het
suppletiewater
+6
geen zichtbare
laag op het
wateroppervlak aanwezig
0,005
niet zichtbaar
aanwezig
afwezigheid
van geur
niet
aantooerbaar
20
100
≤ 100
niet
aantoonbaar
< 100/l
n/l
n/100 ml
6
9
0,5
1,5 3
≤ 1,0
≤ 50
≥1
≤2
n/100 ml
n/100 ml
Nederland 2
Binnenwateren
mg/l
mg/l
mg/l
mg/l
mmol/l
mg/l
mV
mg O2/l
minerale oliën
144
Europa1
500 (a), 900
(b), 1 000 (c)
200 (a), 330
(b), 400 (c)
500 (G);
10 000 (I)
250 (a), 500
(b), 500 (c)
100 (a), 185
(b), 200 (c)
500 (G);
10 000 (I)
niet
aantoonbaar
niet
aantoonbaar
niet
aantoonbaar
≤ 10 000
≤ 2 000
100 (G), 2 000 100 (G), 2 000
(I)
(I)
0 (I)
0 (I)
niet
aantoonbaar
Vlaams BBT-Kenniscentrum
niet
aantoonbaar
eenheid
Europa1
Binnenwateren
faecale streptokokken
virus PFU
entero-virussen
n/100 ml
100 (G)
Kust en
overgangswateren
100 (G)
n/10 l
n/10 l
0 (I)
0 (I)
temperatuur
helderheid /
doorzichtigheid
troebelheid
zichtbare
verontreiniging
geur
°C
m
2 (G), 1 (I)
FTE
zwem-baden opper-vlakte
water
≤ 300 5
tot aan de
bodem
≤ 0,5
1
geen
afwezig
geen specifiek
geur
afwezigheid
van rottingsof ander
hinderlijke
geuren
niet anders
dan door
natuurlijke omstandigheden
veroorzaakt
schuim
een niet
anders
dan door
natuurlijke omstandigheden
veroorzaakte
kleur
geen persistent
schuim
kleur
geen
abnormale
kleurwijzigingen
% O2
Duitsland 5
niet
aantoonbaar
schuim
zuurstofverzadiging
Nederland 2
BIJLAGE 2: WETGEVING
parameter
80 à 120
1: Richtlijn betreffende het beheer van zwemwaterkwaliteit (2006/7/EG) en richtlijn betreffende de kwaliteit van zwemwater (1976/160/EEG) – geconsolideerde versie van 2008
2: Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden
3: Bij openluchtbaden en bassins met een wateroppervlakte kleiner dan 20 m2 geldt een bovengrens van 5,0 mg/l.
Indien cyanuurzuur gebruikt wordt geldt als ondergrens 2,0 mg/l en als bovengrens 5,0 mg/l.
4: Dient enkel gemeten te worden indien dit -onder gelijk welke vorm- toegevoegd wordt.
5: Mediaanwaarde.
6: Verordnung über die Qualität von Schwimm- und Badebeckenwasser
7: algemeen
8: spa’s
G: richtgetal
I: imperatief
a: uitstekende kwaliteit - gebaseerd op een beoordeling van het 95-percentiel
b: bevredigende/aanvaardbare kwaliteit - gebaseerd op een beoordeling van het 90-percentiel
c: goede waterkwaliteit - gebaseerd op een beoordeling van het 95-percentiel
Vlaams BBT-Kenniscentrum
145
146
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Dit rapport komt overeen met wat het BBT-kenniscentrum op dit moment als de BBT en de daaraan gekoppelde aangewezen aanbevelingen beschouwt. De conclusies van de BBT-studie zijn mede het resultaat van
overleg in het begeleidingscomité maar binden de leden van het begeleidingscomité niet.
Deze bijlage geeft de opmerkingen of afwijkende standpunten die leden van het begeleidingcomité en de
stuurgroep namens hun organisatie formuleerden op het voorstel van eindrapport. Volgens de procedure
die binnen het BBT-kenniscentrum van VITO gevolgd wordt voor het uitvoeren van BBT-studies, worden
deze opmerkingen of afwijkende standpunten niet meer verwerkt in de tekst (tenzij het kleine tekstuele
correcties betreft), maar opgenomen in deze bijlage. In de betrokken hoofdstukken wordt door middel van
voetnoten verwezen naar deze bijlage.
Opmerking van Horeca Vlaanderen en Recread – Ludo Feyen – hoofdstuk 5 – tabel 10.
Het is bewezen dat UV met waterstofperoxide het AOX gehalte drastisch reduceert in water. Het is momenteel de enigste methode om de AOX te verminderen naast massaal verdunnen van het water. Deze techniek
is volgens de vakverenigingen svb en campingvereniging de meeste belovende techniek van het ogenblik.
Reactie BBT-kenniscentrum
Deze techniek werd besproken tijdens het laatste begeleidingscomité, maar werd niet als BBT benoemd
omdat er geen concrete meetresultaten voor handen waren. Er werd een extra schriftelijke consultatie
gehouden om wijzigingen als gevolg van extra data te bespreken, maar op dat moment waren nog geen
meetgegevens van deze techniek beschikbaar. De techniek werd daarom opgenomen als veelbelovend.
De gegevens kwamen later beschikbaar en werden alsnog aangeleverd. Een wijziging in beoordeling kon
echter niet meer.
De meetgegevens voor AOX in detail:
Onbehandeld zwembadwater: 640 µg/l
Behandeld zwembadwater gedurende 30’ behandeld: 220 µg/l
Behandeld zwembadwater gedurende 60’ behandeld: 130 µg/l
Behandeld zwembadwater gedurende 90’ behandeld: 87 µg/l.
Vlaams BBT-Kenniscentrum
147
BIJLAGE 3: FINALE OPMERKINGEN
BIJLAGE 3: FINALE OPMERKINGEN
148
Vlaams BBT-Kenniscentrum
Download