> Werkmodel: Het probleemoplossend gesprek In jouw werk zal het nog wel eens voorkomen dat een cliënt bij je komt met een probleem. Een veel gemaakte fout is dat je het probleem voor de cliënt direct oplost, terwijl de cliënt het misschien zelf wel beter zou kunnen dan jij. Vaak accepteren cliënten deze door jou bedachte oplossing niet omdat: je te snel bent begonnen met het bedenken van een oplossing voordat het hele probleem op tafel ligt de cliënt helemaal nog geen oplossing wil, maar alleen maar een luisterend oor de cliënt graag zelf wil meedenken bij het oplossen van het probleem je te vaak uitgaat van jezelf bij het vinden van een oplossing je het probleem van de cliënt tot jouw probleem hebt gemaakt de cliënt niet goed kan inschatten of de voorgestelde oplossing gaat werken en daardoor niet gemotiveerd is. Het medisch model en het counselingmodel Bij een probleemoplossend gesprek worden twee vormen (modellen) onderscheiden: Het medisch model (dokter-patiëntmodel). Jij als gespreksleider geeft advies aan de hulpvrager. Jij bent de deskundige, dus jij kunt het best de oplossing geven. Het counselingmodel. Hierbij wordt de hulpvrager actief betrokken bij het vinden van de oplossing. De verschillen tussen beide gespreksvormen zijn het duidelijkst te zien in de manier van optreden van de gespreksleider. Medisch model De gespreksleider is: – directief – zakelijk – deskundig – degene die vragen stelt en adviezen geeft – actief (de hulpvrager is passief). Counselingmodel De gespreksleider: – is non-directief – is persoonlijk – staat op gelijke voet – heeft deskundigheid niet op de voorgrond staan – is samen met de hulpvrager op zoek naar oplossingen – is actief (de hulpvrager ook). Welk model je hanteert, is een keuze die je moet maken. Kijk goed naar je cliënt en bepaal wanneer je welk model gebruikt. In het medisch model neem je de cliënt als het ware bij de hand. Dit model is geschikt als de cliënt weinig kennis of kunde heeft om zijn probleem aan te pakken. Het counselingmodel is een geschikt model als de cliënt deskundig is op het gebied waarop hij een probleem heeft. De zes fasen van een probleemoplossend gesprek 1. Beschrijven van het probleem (definitie) In deze fase gaat het erom het probleem te herkennen en te formuleren. Je stelt veel vragen over wat de ander doet en hoe de ander zich voelt als hij in de problemen zit. Het doel is helder krijgen wat er speelt. Breng ordening aan in het verhaal van de ander en geef door middel van reflecterende opmerkingen aan wat je waarneemt. 2. 3. 4. 5. 6. Bedenken van de mogelijke oplossingen (beeldvorming) Bedenk samen zoveel mogelijk oplossingen om het probleem aan te pakken (brainstormen). Noteer deze eventueel. Selecteren van de oplossingen (meningsvorming) Bekijk welke oplossingen wel en niet mogelijk zijn en wat de voor- en nadelen zijn. Kiezen voor een oplossing (besluitvorming) De best mogelijke oplossing wordt gekozen. Uitvoeren van de oplossing (uitvoering) De oplossing wordt door de cliënt in praktijk gebracht. Evalueren van de resultaten (evaluatie) In een vervolggesprek kom je met de cliënt terug op het probleem en bespreek je hoe het verder is gegaan.