Alcoholverslaving: Invloed van Genetische

advertisement
Alcoholverslaving: Invloed van Genetischeen Omgevingsfactoren
Pleuni Marks
Anr: 172220
Datum: 02 – 09 – 2010
Begeleider: dr. Odin van der Stelt
Bachelorthesis 2010
Universiteit van Tilburg
Psychologie en Gezondheid
Abstract
Er is nog weinige specifieke kennis over de etiologie van een alcoholverslaving. Het
doel van deze thesis is dan ook een overzicht geven van welke mogelijke genetische en
omgevingsfactoren invloed hebben op een alcoholverslaving door middel van een
literatuurstudie. Uit verschillende onderzoeken is naar voren gekomen dat er een significant
verband bestaat tussen een alcoholverslaving en de genen DRD2, 5HTLLPR, COMT, ADH1,
ALDH2 en MAO-A. Daarnaast hebben resultaten significant aangetoond dat er meerdere
associaties bestaan tussen omgevingsinvloeden en een alcoholverslaving. Gesteld kan worden
dat een alcoholverslaving gepaard gaat met verschillende genetische- en omgevingsinvloeden.
Keywords: alcohol, alcoholverslaving, genen, omgeving, DRD2, 5HTLLPR, COMT, ADH1,
ALDH2, MAO-A.
2
Inleiding
Alcoholisme is een enorm probleem waaraan jaarlijks vele mensen sterven. In 2000
zijn er volgens Mokdad et al. (2004) tot dan toe ongeveer 85.000 personen dood gegaan aan
alcohol in de Verenigde Staten. Dit is 3.5% van het totaal aantal doden in de V.S. van dat jaar.
Het Center of Disease Control and Prevention toont aan dat tot nu toe vastgesteld is, dat
afgelopen jaar 13.050 mensen dood zijn gegaan door een leverziekte ontwikkeld door
overmatig alcohol verbruik1. Ook worden elk jaar veel auto-ongelukken veroorzaakt door het
rijden onder invloed van alcohol. Zo blijkt uit een onderzoek uit 2005 van the National
Institute on Alcohol Abuse And Alcoholism dat tot nu toe gebleken is dat in de V.S. meer dan
17.000 doden zijn gevallen gerelateerd aan rijden onder invloed van alcohol. Volgens
Campanella et al. (2009) is alcoholisme een conditie die gekarakteriseerd wordt door het
herhaaldelijk gebruik van alcohol met schadelijke consequenties en gaat een
alcoholverslaving gepaard met verschillende gezondheidsproblemen, zoals Erner et al. (1993)
aangeven zijn deze: ongelukken, SOA’s, niet geplande zwangerschap, etc. Naar voren komt
dat het overmatig gebruik van alcohol bijna ieder orgaansysteem kan aantasten, maar vooral
het cardiovasculair systeem, het perifere zenuwstelsel en het maag-darmkanaal lopen gevaar.
Ook lijkt de consumptie van alcohol een effect te hebben op de hersenen. Daarnaast verhoogt
alcohol het risico op borstkanker bij vrouwen en darmkanker bij mannen. Tevens wordt bij
een alcoholverslaving de lever aangetast waardoor er een grotere kans is op leverfibrose,
levercirrose, leververvetting en alcoholhepatitis (Erner, et al. 1993). Resultaten hebben
aangetoond dat door de neurotoxiciteit van alcohol, het overmatig gebruik ervan kan leiden
tot schadelijke effecten in het centrale zenuwstelsel (Campanella, et al 2009).
Schattingen van de prevalentie variëren tussen verschillende landen. Alcohol wordt al
duizenden jaren geconsumeerd, maar pas sinds de laatste decennia is er vastgesteld welke
1
http://www.cdc.gov/nchs/fastats/alcohol.htm
3
impact het heeft op de gezondheid. In de laatste decennia is de alcoholconsumptie gestegen
met de grootste toename in ontwikkelingslanden, aldus de World Health Organization2. In
2001 waren ongeveer 22 miljoen personen in de verenigde staten verslaafd of afhankelijk van
verslavende middelen (The Nation’s Number One Health Problem).
De diagnose van een alcoholverslaving wordt regelmatig vastgesteld aan de hand van de
vierde editie van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders ofwel de DSM-IV
(Cottler, et al. 1995). In de DSM-IV wordt niet gesproken over verslaving maar over
afhankelijkheid. Deze afhankelijkheid wordt gediagnosticeerd als er tolerantie op treed,
ontwenningsverschijnselen aanwezig zijn, steeds grotere hoeveelheden van het verslavende
middel gebruikt worden, niet gestopt kan worden met het gebruik, veel tijd wordt gestoken in
het verkrijgen van het verslavende middel, men doorgaat met het verbruik ook al zijn
psychische of fysieke problemen aanwezig of als sociale, werk of vrijetijdsbestedingen
worden opgegeven voor het verbruik van het verslavende middel. Als meer dan 3 van de
bovenstaande symptomen aanwezig zijn spreekt de DSM-IV over middelenafhankelijkheid.
Alcoholverslaving gaat vaak gepaard met comorbiditeit en sociale problemen.
Bijvoorbeeld in Duitsland is gebleken dat van een groep alcoholverslaafden ongeveer 58%
ook een As I of As II stoornis bleek te hebben aan de hand van de DSM-IV (Malone, et al.
2001). Ook blijkt dat 1 op de 8 alcoholverslaafden in de Verenigde Staten op z´n minst 1
overige psychiatrische stoornis zou hebben (Morgenstern, et al. 1997). Fleischhacker en
Kryspin-Exner (1986) brengen naar voren dat een alcoholverslaving vaak gepaard gaat met
een depressie of angst. Een verslaafde kan door deze depressie in een isolatie raken en nog
meer afhankelijk worden van zijn of haar verslaving. Ook gaan cognitieve problemen gepaard
met een alcoholverslaving. Zo is het mogelijk dat zogenoemde ‘black-outs’ optreden, waarbij
de alcohol voornamelijk het korte termijngeheugen aantasten. Een reden voor deze
2
http://www.who.int/substance_abuse/facts/alcohol/en/index.html
4
tekortkomingen in de cognitie zou komen door een verstoring in het functioneren van de
frontaal kwab. Er zijn grote individuele verschillen binnen een alcoholverslaving, een
belangrijke factor in de prognose is het premorbide functioneren van de alcoholverslaafde
(Fleischhacker, et al. 1986.)
Een alcoholverslaving ontwikkelt zich in de jonge adolescentie met een consistente
piek op 18 en 19 jaar. Na de leeftijd van 25 jaar is er een snelle daling van het aantal
alcoholverslaafden (Le Strat, 2010). Er zijn een aantal aspecten zoals genen, omgeving en
persoonlijkheid die invloed hebben op de ontwikkeling van een alcoholverslaving. De
volledige omschrijving van het verloop van een alcoholverslaving moet volgens
Fleischhacker en Kryspin-Exner (1986) op zijn minst zes niveaus bevatten: drinkgewoontes,
effect van alcohol, organische letstel, reactie op veranderingen in de omgeving,
onafhankelijke neuropsychologische stoornissen van acute alcohol inname en de reactie van
de persoonlijkheid op functionele stoornissen en de aanwezige verslaving. Volgens Bucholz
en Robins (1989) komen bij mannen de eerste problemen met alcohol voor tijdens de
adolescentie of jonge volwassenheid. En komen de meeste alcoholverslavingen voor als zij in
de 30 jaar zijn. Vrouwen ontwikkelen later alcohol problemen en hebben vaak een kortere
duur van alcoholisme dan mannen (Bucholz, et al 1989). Daarnaast stelt Sher et al. (2005) dat
een alcoholverslaving twee keer zo vaak voorkomt bij mannen dan bij vrouwen. Hoewel er
een globaal verloop is, is de ontwikkeling van een alcoholverslaving bij ieder persoon
verschillend (Sher, et al. 2005).
Er zijn twee verschillende behandelingsmethode beschikbaar voor een
alcoholverslaving. Aan de ene kant de psychologische behandeling waarbij vooral ingegaan
wordt op het psychologische gedeelte van een alcoholverslaving. Aan de andere kant staat de
farmacologische behandeling waarbij gebruikt wordt gemaakt van medicijnen om een
alcoholverslaving te behandelen (Liena, 2010). Naast deze twee behandelingsgebieden zijn er
5
volgens McCarty et al. (2008) drie oriëntatiegebieden die de behandeling van een
alcoholverslaving bepalen. Deze zijn het fysiologische, het psychologische en de socioculturele achtergrond van een verslaafde. Het fysiologische programma hangt aan dat een
verslaving geleidelijk ontstaat en behandeld moet worden door middel van medicatie en een
farmacotherapie. Het psychologische programma geeft aan dat een verslaving een
gedragsmatig en emotioneel probleem is en opgelost kan worden aan de hand van intensieve
individuele- en groepstherapie. Tot slot de socio-culturele invalshoek waarin een verslaving
samen gaat met de sociale omgeving waarin een verslaafde zich bevindt en de mate waarin
alcohol binnen die sociale omgeving centraal staat. Deze behandeling zou het leggen van
nieuwe sociale contacten en een ecologische herstructurering, aanbevelen (McCarty, et al.
2008).
De etiologie van een alcoholverslaving is nog niet volledig bekend, maar
verondersteld wordt dat zowel genen als omgeving van belang zijn. In verschillende studies
komt naar voren dat personen die een familiegeschiedenis hebben waarin veel alcohol
misbruikt werd, drie tot vier keer meer kans hadden om alcoholverslaafd te worden (Walters,
et al. 2002.) Een alcoholverslaving is dus mogelijk een familiaire aandoening. Omdat families
zowel dezelfde genen als omgeving hebben, is nog weinig bekend in welke mate deze twee
invloed hebben op de ontwikkeling van een alcoholverslaving (Kerssemakers, et al. 2008).
Agrawal et al. (2008) stellen dat in tweelingstudies de schatting van de erfelijkheid van een
alcoholverslaving varieert tussen de 50% en 70%. In eeneiige tweelingenstudies komt het in
53% van de gevallen voor dat beide personen een verslaving hebben. Bij twee-eiige
tweelingen komt dat bij 23% van de gevallen voor (Kerssemakers, et al. 2008). Adoptie
studies tonen aan dat genetische invloeden belangrijk zijn voor de etiologische factoren van
een verslaving. In deze genetische studies komt naar voren dat genen wel degelijk invloed
hebben op de ontwikkeling van een alcoholverslaving, hierbij kan echter nog niet gesteld
6
worden welke specifieke genen verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling en
instandhouding van een alcoholverslaving (Agrawal, et al. 2008).
Een belangrijke ontwikkeling in de jaren tachtig is de ‘Polymerase Chain Reaction’
waarin DNA voor het eerst in zijn structuur en volgorde geanalyseerd kon worden (Köhnke,
2008). Na de introductie van de moderne moleculaire genetische technologie zijn
verschillende onderzoeksdesigns gebruikt om genen te kunnen ontdekken. De meest gebruikte
studies zijn koppeling- en associatiestudies (Köhnke, 2008). In koppelingsstudies worden
verschillende alcoholverslaafde en niet verslaafde familieleden met elkaar vergeleken om te
kijken of er overeenkomsten zijn. Er wordt gekeken of specifieke allelen vaker gevonden
worden in individuen met een alcoholverslaving. In een associatiestudie wordt geanalyseerd
of genen effect hebben op een alcoholverslaving aan de hand van een gekozen kandidaat gen.
De analyse van het kandidaat gen test of bepaalde allelen van dat gen geassocieerd kunnen
worden met een alcoholverslaving. Een gen wordt als kandidaat beschouwd omdat het
functioneren van dat bepaalde gen gerelateerd kan worden aan de pathofysiologie van een
stoornis of omdat deze uit een koppelingsstudie naar voren is gekomen (Köhnke, 2008). De
genen die tot nu toe naar voren zijn gekomen in relatie tot een alcoholverslaving zijn de
kandidaat-genen geassocieerd met DRD2, 5-HTTLPR, COMT, ADH1, ALDH2 en MAO-A
(Köhnke, 2008).
Uit deze gedragsgenetische en moleculair genetische onderzoeken komt naar voren dat
verschillende genen verantwoordelijk zijn voor een alcoholverslaving, maar zij geven niet een
volledige verklaring. Naast genen moet namelijk ook nog gekeken worden naar de omgeving
waarin een persoon opgroeit. Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de
omgevingsinvloeden van een alcoholverslaving, hierin wordt vaak gekeken naar het effect
van opvoedstijl en peerinvloed. Nash et al. (2005) laten zien dat de invloed van peers op het
gebruik van alcohol een grotere invloed heeft, maar dat een positieve familie omgeving de
7
mogelijk negatieve invloed van peers op het drankgebruik verminderd. Een positieve familie
omgeving wordt door Nash omschreven als een goede communicatie tussen ouder en kind,
acceptatie en ouderlijk toezicht. Het opgroeien in deze omgeving werd geassocieerd met een
laag aantal peers die alcohol consumeren (Nash et al. 2005).
Er is nog weinig bekend over de specifieke invloed die genen en omgeving hebben op
de ontwikkeling van een alcoholverslaving. Het doel van deze thesis is: het overzicht geven
van welke mogelijke genetische en omgevingsfactoren invloed hebben op een
alcoholverslaving door middel van de huidige kennis. Het belang van de thesis is theoretisch,
er wordt verschillende literatuur met elkaar vergeleken, waardoor theoretische kennis en
inzicht in de oorzaak van een alcoholverslaving blootgesteld kan worden. Aan de andere kant
is er ook een mogelijk klinisch belang, voor het overbrengen van kennis over de oorzaak van
een alcoholverslaving. Deze kennis kan essentieel zijn voor het ontwerpen van een goede
behandeling en voor het vaststellen van een klinische diagnose.
8
Methode
Voor het beschrijven van de genetische invloed op een alcoholverslaving wordt
gebruik gemaakt van 6 genen. Er zijn vele onderzoeken gedaan naar verschillende genen die
in relatie staan met een alcoholverslaving. Omdat met een groot aantal verschillende genen
geen overzichtelijk verband gegeven kan worden, is er gekozen om te beperken tot 6 genen
die gebruikt worden naar aanleiding van het artikel van Köhnke (2008). Het gaat hierbij om
de genen; DRD2, 5-HTTLPR, COMT, ADH1, ALDH2 en MAO-A.
Er zijn verschillende zoekopdrachten uitgevoerd op zoeksites zoals Science Direct,
AnnualReview en PyschINFO. Hieronder is een tabel weergegeven waarin beschreven staat
op welke zoektermen gezocht is, in welke zoekmachines gezocht is, welke extra zoekopties
gebruikt zijn, hoeveel artikelen gevonden zijn en uiteindelijk het aantal gebruikte artikelen
voor deze thesis.
Tabel 1. Resultaten van zoekmachines naar genen in relatie tot alcoholisme
Nummer
Zoekmachine
Keyword
Extra
aanpassing
-
Hits
1
ScienceDirect
DRD2 (AND)
Alcoholism (AND)
Zoeken in
15
1
DRD2
Title
DRD2 (AND)
-
11
1
-
543
2
Zoeken in
8
1
611
Gebruikte
artikelen
4
Alcoholism
2
3
PsychINFO
AnnualReview
Alcoholism
4
ScienceDirect
5-HTTLPR (AND)
Alcoholism
5
PsychINFO
Alcohol (AND) 59
HTTLPR
Title
6
AnnualReview
5-HTTLPR, Alcoholism
-
6
1
7
ScienceDirect
Catechol O-methyl
-
271
1
COMT (AND)
Zoeken in
2
1
Alcoholism
Title
Catechol O-methyl
-
7
1
ADH1 (AND)
Jaar: 2000
57
1
Alcoholism
to present
ALDH2 (AND)
-
470
1
Monoamine Oxidase A
Zoeken in
14
1
(AND) Alcoholism
Title
transferase (AND)
Alcoholism
8
9
PsychINFO
AnnualReview
transferase (AND)
Alcoholism
10
11
ScienceDirect
ScienceDirect
Alcoholism
12
PsychINFO
Note 1: DRD2 = Dopamine D2 receptor, 5-HTTLPR = serotonin-transporter-linked promoter region , COMT
= Catechol O-methyl transferase, ADH1 = Alcoholdehydrogenase klasse 1, ALDH2 = Aldehyde
Dehydrogenase klasse 2.
Daarnaast is ook onderzoek gedaan naar de omgevingsinvloeden van een
alcoholverslaving. Er zijn twee hoofdinvloeden gekozen aan de hand van een artikel van Parra
et al. (2007). De invloeden die gebruikt worden, zijn peer invloeden en opvoedingsstijl. Deze
worden aan de hand van verschillende literatuur behandeld in deze thesis. Hiervoor zijn
10
tevens de zoeksites: ScienceDirect, AnnualReview en PsychINFO gebruikt en ook hiervan is
hieronder een tabel weergegeven met de uitgevoerde zoekacties en gebruikte artikelen.
Tabel 2. Resultaten van zoekmachines naar omgeving in relatie tot alcoholisme
Nummer
Zoekmachine
Keyword
Extra aanpassing
Hits
1
ScienceDirect
Peer + Alcoholism
Jaartal: 2008, 2009,
1.18
2010
7
Keywords
659
1
40
1
188
1
2
PubMed
Peer + Alcohol
Gebruikte
artikelen
2
toepassen in titel en
abstract.
3
PsychINFO
Environment
Keywords
(AND) Alcohol
toepassen in titel.
(AND) family
4
ScienceDirect
Family influence +
Jaartal: 2006, 2007,
Alcohol
2008, 2009, 2010,
Limit to: alcohol,
alcohol
dependence,
alcohol
consumption,
alcoholism &
alcohol abuse.
Naast het gebruik van zoekmachines om geschikte artikelen te vinden, is ook gebruik
gemaakt van de referenties van eerder gevonden artikelen. In deze referenties zijn
verschillende gerelateerde artikelen opgezocht waarna deze wel of niet in deze thesis gebruikt
zijn.
11
Resultaten
Genen
DRD2
Het dopamine D2 gen (DRD2) codeert voor het D2 subtype van de dopamine receptor.
DRD2 bevindt zich in chromosoom 11q22-q23 (Köhnke, 2008). Dit gen wordt aan G-proteïne
gekoppeld en remt adenylyl cyclase activiteit. Dopamine is een van de belangrijkste
neurotransmitters in de hersenen van zoogdieren (Mortensen, et al. 2003). Deze
neurotransmitter is betrokken bij de controle van motoriek evenals in de regulering
doelgericht gedrag en beloningsmechanismen. De neuronen van de oorsprong van het
dopaminesysteem bevinden zich in de substantia nigra en de ventrale tegmentale gebieden
van de hersenen en staan in verbinding met de striatum, nucleus accumbens en de prefrontale
cortex (Mortensen, et al. 2003). In de hersenen zijn in totaal 8 dopaminerge systemen
gevonden. Deze systemen zijn de substantia nigra, stratium, limbische systeem, nigrostriatale
circuit, mesolimbisch circuit, mesocorticaal circuit, orbitofrontale schors en het tegmentum
(Kolb, 2008). In verschillende genetische en biologische studies is naar voren gekomen dat
het gebruik van ethanol invloed heeft op natural reinforcers zoals bij de regulering van seks en
honger, maar ook de vatbaarheid voor een verslaving zoals alcoholisme (Tupala, et al. 2004).
Noble (1998) heeft een review artikel geschreven waarin een associatie naar
alcoholisme wordt gedaan. In deze review worden alcoholisten (n = 1015) en controle
proefpersonen (n = 898) met elkaar vergeleken. Resultaten toonden aan dat de aanwezigheid
van de A1 allele significant hoger is bij alcoholisten (39.9%) dan bij de controle groep
(28.5%) (odds ratio, OR = 1.69). Deze A1 allele werd als eerst gekoppeld aan alcoholisme.
Daarnaast werd in deze review ook nog een onderscheidt gemaakt tussen ernstige alcoholisten
(n = 285) en minder ernstige alcoholisten (n = 351). Ernstig alcoholisme wordt in dit artikel
gekenmerkt door de ontwikkeling van alcoholisme op jonge leeftijd, een hoge mate van
12
erfelijkheid en moeite om zichzelf van alcohol te onthouden. De mate van erfelijkheid wordt
gemeten aan de hand van genetische studies. De minder ernstige vorm van alcoholisten wordt
gekenmerkt door een latere ontwikkeling van alcoholisme, een lage mate van erfelijkheid en
kunnen zichzelf beter van alcohol onthouden. Er werd een significant hogere aanwezigheid
van de A1 allele gevonden bij ernstige alcoholisten (47.7%) dan bij minder ernstige
alcoholisten (31.6%) (OR = 1.97) (Noble, 1998).
In een meer recente review van Noble (2000) worden 16 studies (alcoholisten, n =
1.085, controle proefpersonen, n = 948) met elkaar vergeleken. Naar voren komt dat de
aanwezigheid van de A1 allele significant hoger is bij alcoholisten dan bij de controle groep
(OR = 1.50). Ook in deze studie wordt een onderscheid gemaakt tussen ernstige (n = 337) en
minder ernstige (n = 369) alcoholisten waarvoor dezelfde maatstaven gelden als het
onderzoek uit 1998. Naar voren komt dat de aanwezigheid van de A1 allele significant hoger
is bij de ernstige (47.2%) dan bij de minder ernstige alcoholisten (32%) (OR = 1.90) (Noble
2000).
In een meer recente studie (Sasabe, et al. 2007) naar de DRD2 risico allele A kwam
naar voren dat deze significant vaker werd gevonden in alcoholisten dan in de gezonde
controle groep (OR = 1.30). De studie betrof n = 248 alcoholisten en n = 322 gezonde
controle proefpersonen, waarbij in 40.1% alcoholisten de DRD2 allele A gevonden werd en in
34% van de gezonde controle groep (Sasabe, et al. 2007).
5-HTTLPR
Het gen 5-HTTLPR codeert voor de polymorfische serotonine transporteur. 5-HTTLPR
bevindt zich in chromosoom 17q11.2 (Köhnke, 2008). Serotonine is een van de belangrijkste
neurotransmitters in de hersenen (Whitaker-Azmitia, 2010). Het is zowel gevonden in het
13
maag-darmkanaal, als in het centrale zenuwstelsel (Sikander, et al. 2009). 5% Van het totaal
aantal serotonine bevindt zich in de hersenen (Sikander, et al. 2009). Vastgesteld is dat
serotonine een rol speelt in het onderhoudt en de plasticiteit van de hersenen. Al vroeg vindt
een piek plaats in de ontwikkeling van serotonine transmitters, receptoren en enzymen. In het
begin van de volwassenheid is er een afname van het serotonineniveau. Als de hersenen zich
ontwikkelen, treedt serotonine in verschillende fasen op zoals; neurogenese, gliagenese,
migratie, differentiatie en maturatie. Alle factoren die de ontwikkeling van de hoeveelheid
serotonine in de hersenen beïnvloeden, zorgen voor blijvende veranderingen (WhitakerAzmitia, 2010).
In een associatie studie van Matsushita et al. (2001) wordt een koppeling gemaakt
tussen alcoholisme en het serotonine transporter gen. Deze studie bevat n = 697 alcoholisten
en n = 270 controle proefpersonen. Uit de resultaten blijkt dat er geen significant verschil is in
lange en korte allelen tussen de controle groep (81.7%) en alcoholisten (81.7%) Deze korte
allele zou gekoppeld zijn aan alcoholisme (Matsushita, et al. 2001).
In een meta-analyse van McHugh et al. (2010) wordt een koppeling gemaakt tussen
het risico op alcoholisme en 5-HTTLPR. In deze meta-analyse worden 22 studies (N = 8050)
met elkaar vergeleken. De resultaten toonden aan dat er een significant verband is tussen
alcoholisme en het hebben van op z’n minst 1 korte allele (OR = 1.15). Deze korte allele in 5HTTLPR zou betrokken zijn in de comorbiditeit van een alcoholverslaving (McHugh, et al.
2010).
14
COMT
Catechol O-methyl transferase (COMT) is een enzym die de overdracht van een
methylgroep van S-adenosylmethionine naar catecholaminen versnelt. COMT is een van de
belangrijkst genen in de afbraak van catecholamine transmitters. Onder cathecholaminen
vallen onder andere noradrenaline, adrenaline en dopamine. COMT bevindt zich in
chromosoom 22. Er zijn twee verschillende vormen van weefsel gevonden in COMT, de een
is aan membraam gebonden ofwel MB-COMT en de ander is een oplosbare vorm ofwel SCOMT. Het meest onderzochte polymorfisme van COMT is de Val158Met die gerelateerd is
aan verschillen in de uitvoerende functies van de hersenen3.
Zoals gezegd is COMT belangrijk in de afbraak van noradrenaline. Deze
neurotransmitter is verantwoordelijk voor verschillende functies. Noradrenaline ofwel
norepinefrine is in het lichaam werkzaam als neurotransmitter en hormoon. Als
neurotransmitter komt noradrenaline voornamelijk voor in de locus coerculeus. Neuronen in
de medulla zorgen voor een innervatie van noradrenaline in de hypothalamus, amygdala,
middenhersenen en basale voorhersenen. Ook is deze transmitter verantwoordelijk voor stress
en angst. Daarnaast is noradrenaline belangrijk in een aantal gedragsfuncties (Aston-Jones, et
al. 2009). Naast noradrenaline is adrenaline ook actief als hormoon en neurotransmitter in ons
zenuwstelsel. Adrenaline ofwel epinefrine wordt geproduceerd in het bijniermerg en is
verantwoordelijk voor zowel stress als angst. Deze transmitter zorgt ervoor dat je, je energiek
voelt en het verhoogd je alertheid (Felix, et al. 2005).
Schellekens et al. (2009) onderzochten alcoholisten (n = 100) en controle
proefpersonen (n = 93) om de aanwezigheid van het COMT Val158Met polymorfisme te
meten. Dragers van het Met-allele zouden, als gevolg van een verhoogd dopamine niveau,
cognitief slechter presteren. Alcoholisten zouden slechter cognitief presteren door schade aan
3
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?db=gene&cmd=Retrieve&dopt=Graphics&list_uids=1312
15
het dopamine systeem in de prefrontale cortex. Nadat een dopamine agonist door de
proefpersonen was ingenomen, werd een prestatie taak afgenomen om het cognitief prestatie
niveau te meten. COMT Val158Met polymorfisme werd gecodeerd aan de hand van een
pyrosequence analyse. Resultaten toonden significant aan dat alcoholisten slechter op de taak
presteerden (p = 0.001) en minder gevoelig waren voor de dopamine agonist dan de gezonde
controle personen (p = 0.028). Daarnaast toonden de resultaten significant aan dat
alcoholisten een grotere frequentie aan Val158Met allele dragen dan de controle groep (χ2 =
7.8) (Schellekens, et al. 2009). Een hogere aanwezigheid van COMT Val158Met zorgt voor
een verminderde afbraak van catecholaminen.
ADH1
Alcohol dehydrogenase klasse 1 (ADH1) is belangrijk voor de metabolisatie van
ethanol (Köhnke, 2008). Binnen het ADH1 gen bestaan drie verschillende subtype, deze zijn
het bèta, gamma en alfa subtype. De typen spelen een belangrijke rol in het ethanol
katabolisme 4. ADH1 bevindt zich in chromosoom 4q22. Het gen bevat drie verschillende
allelen waarvan gedacht wordt dat ze in verschillende mate aanwezigheid zijn binnen
populaties. Het gaat hierbij om de allelen; ADH1B*2, ADH1B*3 en ADH1C*1. De allele
ADH1B*2 zou vaker gevonden zijn binnen de Aziatische bevolking, ADH1B*3 heeft een
hogere aanwezigheid onder de Afrikaanse bevolking en ADH1C*1 wordt vaker aangetroffen
onder de Chinese en Europese bevolking (Köhnke, 2008).
Tran et al. (2007) onderzochten de aanwezigheid van ADH in de lever aan de hand van
autopsies van volwassenen (n = 18) en perinatale baby’s (n = 7). Dit is de baby rond de
periode van de geboorte. De resultaten toonden significant aan dat de gemiddelde
4
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?db=gene&cmd=Retrieve&dopt=Graphics&list_uids=125
16
aanwezigheid van ADH 10 keer lager was in perinatale baby’s dan in volwassenen (p < 0.001)
(Tran, et al. 2007).
ALDH2
Aldehyde dehydrogenase klasse 2 (ALDH2) bevindt zich op de lange arm van
chromosoom 12. Het gen heeft een lage metabolische functie en is een iso-enzym. Dit is een
enzym met dezelfde biologische activiteit, maar een verschillende chemische bouw (Köhnke,
2008). Het gen wordt vaker gevonden in de Aziatische bevolking zoals bij Japanners.
Daarentegen wordt het gen niet vaak aangetroffen bij de Afrikaanse bevolking. Om deze
reden wordt voor onderzoek naar ALDH2 over het algemeen Aziatische bevolkingen gekozen.
De aanwezigheid van ALDH2 zou het risico op alcoholisme verlagen (Köhnke, 2008).
Ishikawa et al. (2006) (N = 248) onderzochten de frequentie van micronuclei bij de
proefpersonen. De aanwezigheid van micronuclei geeft aan hoeveel DNA schade er is. De
resultaten toonden significant aan dat ALDH2 geassocieerd werd met een verhoogde
frequentie in micronuclei onder alcoholisten. Daarnaast worden in dit onderzoek de
proefpersonen verdeeld in niet-drinkers met een ALDH2*1 allele, niet-drinkers met een
ALDH2*2 allele, regelmatige drinkers met een ALDH*1 allele en regelmatige drinkers met
een ALDH2*2 allele. De resultaten toonden significant aan dat proefpersonen die regelmatig
wat drinken met een ALDH2*2 allele een grotere hoeveelheid aan micronuclei hebben dan
niet drinkers met een ALDH2*1 allele (Standaard Error = 0.314) (Ishikawa, et al. 2006).
MAO-A
Monoamine oxidase A (MAO-A) zorgt ervoor dat verschillende aminen worden
afgebroken, het gaat hierbij voornamelijk om adrenaline, noradrenaline en serotonine. MAO-A
17
bevindt zich in chromosoom Xp11. Het gen is net als het ALDH2 gen, een iso-enzym van de
Monoamine oxidase (Köhnke, 2008).
Saito et al. (2002) toonden aan dat alcoholisten een significant lagere MAO-A
frequentie hebben dan de controle groep (χ2 = 2.02). In dit onderzoek werd een onderscheid
gemaakt tussen type 1 en type 2 alcoholisten. Type 1 alcoholisten hebben een lage
erfelijkheid, late ontwikkeling van alcoholisme en een lage aanwezigheid van antisociaal
gedrag. Type 2 alcoholisten hebben een vroege ontwikkeling van alcoholisme en
aanwezigheid van antisociaal gedrag. De resultaten toonden significant aan dat er geen
verschil blijkt te zijn tussen type 1 en type 2 alcoholisten (χ2 = 0.01) (Saito, et al. 2002).
18
Omgeving
Peer invloed
Een ander woord voor peer is ook wel gelijke. Tijdens de adolescentie wordt er minder
tijd door gebracht met familie. In deze periode wordt er meer tijd besteed aan vrienden en
leeftijdgenoten die als bron van sociale ondersteuning gezien wordt (Padilla-Walker, 2009).
Aan de hand van sociale normen voor alcoholgebruik kan onderscheid gemaakt worden
tussen twee hoofdcomponenten binnen de invloed van peers aan de hand waarvan metingen
gedaan kunnen worden. Deze zijn volgens Parra, et al. (2007) het alcoholgebruik van de peers
en de goedkeuring van peers. De mens is een sociaal wezen en we zullen er dan ook veel aan
doen om ergens bij te horen. Omdat in verschillende periodes veel tijd doorgebracht wordt
met peers, hebben deze ook veel invloed op elkaar (Padilla-Walker, 2009). Het meten van de
invloed van peers wordt meestal gedaan aan de hand van interviews of vragenlijsten. Vaak
worden de proefpersonen verworven op universiteiten en scholen, omdat deze personen vaak
in contact staan met peers (Parra, et al. 2007).
Parra et al. (2007) onderzochten sociale invloeden en overeenkomsten tussen peer
invloed en overmatig alcohol gebruik door adolescenten. In dit 11 jaar durende longitudinaal
onderzoek (N = 489) werd op zes verschillenden momenten data verzameld door middel van
1 vraag. De resultaten toonden significant aan dat het model waarin de frequentie van
alcoholconsumptie en peerinvloed met elkaar vergeleken werden, een goede fit heeft (χ2 =
112.36). Wat betekend dat er een verband is tussen peer invloed en overmatig alcohol gebruik
(Parra, et al. 2007).
Opvoedingsstijl
In verschillende studies is aangetoond dat familie een invloed heeft op de
ontwikkeling van individuen. Omdat men opgroeit in de aanwezigheid van familie, is deze
19
omgeving bepalend voor de ontwikkeling. Voornamelijk de kinder- en tienerjaren zijn
bepalend voor de ontwikkeling en de invloed van familie is hierin belangrijk. In deze periode
hebben voornamelijk ouders of verzorgers invloed op hun kinderen en is opvoeding een
belangrijke factor van de ontwikkeling (Parra, et al. 2007). Verschillende studies waarin
opvoedingsstijlen worden onderzocht, leggen de nadruk op de invloed van de ouder en
opvoeding. Hierbij wordt voornamelijk gekeken naar het alcoholgebruik van de ouder en
verschillende opvoedingsstijlen (Truong, et al. 2009). Daarnaast is het interessant om te
kijken naar de straffen en regels die ouders hanteren tijdens hun opvoeding. Onderzoek van
Truong et al. (2009) vond een negatief verband tussen het opleggen van aan alcohol
gerelateerde regels en het alcoholgebruik van adolescenten. Dit alcoholgebruik zou tevens
samengaan met het niveau van gedragscontrole binnen een gezin (Truong, et al. 2009).
Een discussie die nu wat vaker in de media gevoerd wordt, gaat over het aandeel van
de ouders op de ontwikkeling van een alcoholverslaving. Het gaat hierbij om wat goed voor
kinderen is in hun vertrouwde omgeving. Moeten ouders het gebruik van alcohol binnenshuis
verbieden of juist niet? Uit resultaten van een onderzoek van Truong et al.(2009) is significant
gebleken dat adolescenten die van hun ouders thuis mogen drinken, binnen twee jaar meer
drinken dan adolescenten die niet thuis mogen drinken.
Parra et al. (2007) gebruikte een longitudinaal design (N = 2573) om alcohol misbruik
onder high school studenten te meten. Informatie werd verzameld door middel van
vragenlijsten op drie verschillende momenten. In dit onderzoek komt naar voren dat een
aanwezigheid van familie een significant indirecte effect heeft op het gebruik van alcohol
door adolescenten (χ2 = 831.69). Dit indirecte effect zou verlopen via peer invloeden, selfefficacy, verwachtingen van de ouders en stress (Parra, et al. 2007).
20
Discussie
Verondersteld wordt dat genetische en omgevingsinvloeden belangrijk zijn voor de
ontwikkeling van een alcoholverslaving. De resultaten toonden aan dat er een aantal genen
betrokken zijn bij deze ontwikkeling. Er wordt nog steeds veel onderzoek gedaan naar deze
genen waardoor steeds meer informatie beschikbaar is over de genetische invloed op een
alcoholverslaving. Dit is belangrijk omdat er nog steeds veel onbekend is over de relatie
tussen beiden. Resultaten toonden significant aan dat de genen DRD2, 5HTLLPR, COMT,
ADH1, ALDH2 en MAO-A betrokken zijn bij een alcoholverslaving. Ook
omgevingsinvloeden hebben een effect op de ontwikkeling van een alcoholverslaving. De
resultaten toonden significant aan dat de invloed van peers en de opvoedingsstijl van de
ouders betrokken zijn bij een alcoholverslaving.
Verschillende studies hebben associaties gevonden tussen alcoholisme en DRD2. Het
gen is betrokken in de regulering van dopamine. Dopamine is een van de belangrijkste
neurotransmitters in de hersenen. Deze neurotransmitter is betrokken bij de controle van
motoriek evenals in de regulering doelgericht gedrag en beloningsmechanismen (Mortensen,
et al. 2003). Het hebben van de A1 allele van de DRD2 wordt geassocieerd met een
alcoholverslaving. Uit de drie onderzoeken over DRD2, die in de resultaten staan beschreven,
is naar voren gekomen dat de aanwezigheid van de A1 allele significant hoger is bij
alcoholisten dan bij de controle groep en er werd een significant hogere aanwezigheid van de
A1 allele gevonden bij ernstige alcoholisten dan bij minder ernstige alcoholisten. Dit betekend
dat er een overeenkomst is tussen het hebben van deze A1 allele en alcoholisme en dan met
name bij ernstige alcoholisten.
Naast DRD2 is ook het gen COMT betrokken bij de dopamine regulering van een
alcoholverslaving. COMT is een enzym dat de overdracht van een methylgroep van Sadenosylmethionine naar catecholaminen versnelt. Schellekens et al. (2009) toonden aan dat
21
alcoholisten een significant grotere hoeveelheid aan Val158Met allele dragen dan de controle
groep. Val158Met is het meest onderzochte polymorfisme van COMT en is gerelateerd aan
verschillen in de uitvoerende functies van de hersenen. Deze hogere aanwezigheid van COMT
Val158Met zorgt voor een langzamere afbraak van dopamine. Omdat er een langzame afbraak
is van dopamine ontstaat er een te grote hoeveelheid aan dopamine in de perfrontale cortex en
worden verslechterde prestaties geleverd (Schellekens, et al. 2009). COMT staat in verband
met alcoholisme. Voornamelijk het doelgericht gedrag wordt aangetast door overmatig
alcoholverbruik. Het zou in de toekomst interessant zijn om de frequentie van COMT te meten
in alcoholisten aan de hand van een motorische taak en verschillende andere doelgerichte
taken om zo een beter beeld te krijgen van de relatie tussen COMT Val158Met en
alcoholisme.
Ook zijn er verschillende studies uitgevoerd naar de relatie tussen 5-HTTLPR en
alcoholisme. Het gen is een polymorfische serotonine transporteur. Vastgesteld is dat
serotonine een rol speelt in het onderhoudt en de plasticiteit van de hersenen. Matsushita et al.
(2001) onderzochten 5-HTTLPR door middel van onderzoek naar lange en korte allelen. Het
hebben van een korte allele zou betrokken zijn bij de comorbiditeit van een alcoholverslaving.
De resultaten van een wat ouder onderzoek van (Matsushita et al. (2001) toonden aan dat er
geen verschil is tussen het hebben van lange of korte allele tussen alcoholisten en de controle
groep. Echter in een zeer recente meta-analyse van McHugh, et al. (2010) kwam naar voren
dat er een significant verband bestaat tussen alcoholisme en het hebben van op z’n minst 1
korte allele. Deze korte allele in 5-HTTLPR zou betrokken zijn in de comorbiditeit van een
alcoholverslaving. De comorbiditeit zou vooral gericht zijn op het hebben van depressie en
angst (McHugh, et al. 2010). Daarnaast toonde Köhnke (2008) aan dat variaties in allelen van
de 5-HTTLPR zijn betrokken in het risico op onder andere alcoholisme en dit komt vooral
voor bij patiënten met psychiatrische comorbiditeit. Aan de hand van de eerder benoemde
22
meta-analyse van McHugh en het onderzoek van Köhnke kan gesteld worden dat 5-HTTLPR
een verband heeft met de comorbiditeit van alcoholisme en dan met name voor angst en
depressie. Het zou interessant kunnen zijn om in de toekomst andere vormen van
comorbiditeit te onderzoeken met alcoholisme en het 5-HTTLPR gen.
Daarnaast is onderzoek gedaan naar de genen ADH1 en ALDH2, wat beide sterke
genen zijn. Tran et al. (2007) toonden significant aan dat de gemiddelde aanwezigheid van
ADH 10 keer lager was in perinatale baby’s (in de periode ronde de geboorte) dan in
volwassenen. Omdat ADH belangrijk is voor de metabolisatie van ethanol, kan het zijn dat
ADH in frequentie stijgt naar mate men alcohol consumeert. Het zou interessant zijn om een
longitudinaal onderzoek te doen naar de aanwezigheid van ADH en verschillende
leeftijdscategorieën. Daarnaast hebben Ishikawa et al. (2006) aangetoond dat proefpersonen
die regelmatig drinken met het gen ALDH2*2 een grotere hoeveelheid micronuclei hebben.
Een grote hoeveelheid aan micronuclei zorgt voor een beschadiging van het DNA. Het gen
wordt vaker gevonden in de Aziatische bevolking zoals bij Japanners. ALDH2 blijkt een
beschermend gen te zijn die wel degelijk een verband heeft met alcoholisme.
Ook is onderzoek gedaan naar het gen MAO-A. Het gen zorgt ervoor dat voornamelijk
adrenaline, noradrenaline en serotonine wordt afgebroken. Saito et al. (2002) toonden
significant aan dat alcoholisten een lagere MAO-A frequentie hebben dan de controle groep.
Een lage frequentie MAO-A zorgt ervoor dat verschillende aminen minder snel worden
afgebroken. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen ernstige en minder ernstige alcoholisten
waartussen geen onderscheid in MAO-A hoeveelheid blijkt te bestaan.
Naast deze genetische invloeden, is naar voren gekomen dat er ook sprake is van
omgevingsinvloeden zoals: peer invloed en opvoedingsstijlen. In een longitudinaal onderzoek
van Parra et al. (2007) kwam naar voren dat er een overeenkomst is tussen peer invloed en
overmatig alcohol gebruik. Volgens Sher et al. (2005) is het middelengebruik tussen
23
volwassenen en jonge volwassenen in overeenstemming met met hun leeftijdgenoten. Deze
overkomsten kunnen aan de hand van twee processen verklaard worden. Dit zijn de processen
van socialisatie en selectie. Er wordt van socialisatie gesproken als het alcoholverbruik van
een persoon gevormd is door zijn peerrelaties. Selectie is het uitzoeken van peerrelaties en
personen die aansluiten bij de persoonlijkheid van een ieder (Sher, et al.2005).
Ook opvoedingsstijlen hebben invloed op de ontwikkeling van een alcoholverslaving.
Truong, et al (2005) toonden aan dat ouders die hun kinderen het gebruik van alcohol
verbieden, deze kinderen als adolescenten minder kans hebben om betrokken te raken met
alcohol. Ook is significant bewezen dat de afkeuring van alcohol door ouders geassocieerd
wordt met minder betrokkenheid tot alcoholgebruikende peers, minder vatbaarheid voor de
invloeden die peers hebben op het gebruik van alcohol, meer self-efficacy voor het vermijden
van alcohol en minder aan alcohol gerelateerde problemen (Nash, et al. 2005). In een
onderzoek van Parra et al. (2007) komt naar voren dat de opvoedingsstijl van ouders
significant indirecte effect heeft op het gebruik van alcohol. Dit indirecte effect zou verlopen
via peer invloeden, self-efficacy, verwachtingen van de ouders en stress. Aan de hand van een
studie van Nash et al. (2005) kan verklaard worden dat de relatie tussen ouder en adolescent
die gekenmerkt wordt door een open communicatie, acceptatie en het controleren van
activiteiten, zorgen voor een vermindering of het voorkomen van alcoholgebruik.
Het is duidelijk dat verschillende genetische invloeden meespelen in de ontwikkeling
van een alcoholverslaving. Er zijn verschillende conclusies in deze literatuurstudie naar voren
gekomen zoals: het hebben van een A1 DRD2 allele wordt geassocieerd met alcoholisme,
COMT zorgt voor een verslechterde afbraak van catecholaminen waardoor bij alcoholisten
slechter gepresteerd wordt, de korte allele van 5-HTTLPR wordt geassocieerd met
comorbiditeit, de frequentie van ADH1 wordt groter naar mate men meer alcohol verbruikt, de
aanwezigheid van ALDH2 bij alcoholisten zorgt voor een grotere schade aan het DNA en tot
24
slot hebben alcoholisten een lagere frequentie aan MAO-A waardoor verschillende aminen
minder snel worden afgebroken. De conclusies die getrokken kunnen worden over de
omgevingsinvloeden: peerrelaties hebben een invloed op de ontwikkeling van alcoholisme,
deze conclusie moet alleen voorzichtig gesteld worden gezien er maar 1 onderzoek
beschreven staat. Daarnaast heeft opvoedingsstijl een invloed op de ontwikkeling van
alcoholisme. Deze invloed kan via straffen, regels of voorbeeld gedrag verlopen, daarnaast
kan deze opvoedingsstijl ook een indirect effect hebben.
Een tekortkoming aan deze literatuurstudie is dat er voor het beschrijven van
peerinvloed gebruik gemaakt is van 1 onderzoek. Ook de invloed van opvoedingsstijlen zou
nog beter onderzocht kunnen worden. De onderzoeken naar de genetische invloeden van een
alcoholverslaving bevatten niet allemaal een review artikel of meta-analyse waarin
verschillende studies vergeleken worden. Dit zou meer overzichten geven en een duidelijk
beeld vormen over de relatie tussen genetische invloeden en alcoholisme.
Zoals in deze literatuurstudie naar voren is gekomen, zijn er zowel genetische- als
omgevingsinvloeden die betrekking hebben op een alcoholverslaving. Deze invloeden zijn
voornamelijk los van elkaar onderzocht. Het zou echter interessant zijn om in de toekomst
onderzoek te doen naar de relatie tussen genetische- en omgevingsinvloeden van een
alcoholverslaving. Deze onderzoeken zouden meer inzicht kunnen bieden in de gehele
ontwikkeling van een alcoholverslaving en de mate waarin genen en omgeving invloed
hebben op het verloop van alcoholisme.
25
Referenties
Abreu-Villac, Y., Filgueiras, C. C. & Manhães, A., C. (2010). Developmental aspects of the
cholinergic system. Behavioral Brain Research.
Agrawal, A. & Lynskey, M. T. (2008). Are there genetic influnces on addiction: evidence
from family, adoption and twin studies. Addiction, 103, 1069–1081.
Aston-Jones, G., Meijas-Aponte, C. A. & Waterhouse, B. (2009). Norepinephrine: CNS and
neurophysiology. Encyclopedia of Neuroscience, 1237-1248.
Badia-Elder, N. E., Gilpin, N. W. & Stewart, R. B. (2007). Neuropeptide Y modulation of
ethanol intake: Effects of ethanol drinking history and genetic background. Peptides, 28,
339–344.
Billard, J. M. & Potier, B. (2009). Glutamatergic and gabaergic systems. Encyclopedia of
Neuroscience, 913-919.
Buscholz, K. K. & Robins L. N. (1989). Sociological research on alcohol use, problems and
policy. Annual Reviews of Sociology, 15, 163-186.
Campanella S., Petit, G., Maurage, P., Kornreich, C., Verbanck, P. & Noël, X. (2009).
Chronic alcoholism: insights from neurophysiology. Clinical Neurophysiology, 39, 191207.
Choi, I., Son, H., et al. (2005). Scanning of genetic effect of alcohol metabolism gene
(ADH1B and ADH1C) polymorphisms on the risk of alcoholism. Human Mutation, 26,
224-234.
Cottler, L. B., et al. (1995). The DSM-IV field trial for substance use disorders: major results.
Drug of Alcohol Dependence, 38, 59-69.
Felix, F. S., Yamashita, M. & Anges L. (2005). Epinephrine quantification in pharmaceutical
formulations utilizing plant tissue biosensors. Biosensors and Bioelectronics, 22832289.
26
Fleischhacker, W. W. & Kryspin-Exner, K. (1986). The psychopathology of alcoholism.
Drug and Alcohol Dependence, 17, 73-79.
Gass, J. T. & Olive, M. F. (2008). Glutamatergic substrates of drug addiction and alcoholism.
Biochemical Pharmacology, 75, 218 – 265.
Ishikawa, H., Miyatsu, Y., Kurihara, K. & Yokoyama, K. (2006). Gene-environmental
interactions between alcohol-drinking behaviour and ALDH2 and CYP2E1
polymorphisms and their impact on micronuclei frequency in human lymphocytes.
Mutation Research, 594, 1-9.
Kerssemakers, R., Meerten, v. R., Noorlander, E. & Vervaeke A. (2008). Drugs en alcohol.
Gebruik, misbruik en verslaving. Houten: Bohn en Stafleu van Loghum.
Kolb, B. & Whishaw, I.Q. (2008). Fundamentals of human neuropsychology (6th edition),
New York: Worth.
Köhnke, M. D. (2008) Approach to the genetics of alcoholism: a review based on
pathophysiology. Biochemical Pharmacology, 75, 160–177.
Lesch, O. M., Dietzel, M., Musalek, M., Walter, H. & Zeiler K. (1988). The course of
alcoholism. Long-term prognosis in different types. Forensic Science International, 36,
121-138.
Liena, H.M., Lub, M., Mac, C.T.A. & McGuired, T.G. (2010). Progress and compliance in
alcohol abuse treatment. Journal of Health Economics, 29, 213–225.
Lynskey, M. T. (1998). The comorbidity of alcohol dependence and affective disorders:
treatment implications. Drug and Alcohol Dependence, 52, 201–209.
Lyvers, M., Thorberg, F. A., Ellul, A., Turner, J., & Bahr, M. (2010). Negative mood
regulation expectancies, frontal lobe related behaviors and alcohol use. Personality and
Individual Differences, 48, 332-337.
27
Malone, S. M., Iacono, W. G., & McGue M. (2001). Event-related potentials and comorbidity
in alchol-dependent adult males. Psychophysiology, 38, 367-376.
Matsushita, S., Yoshino, A., Murayama, M., Kimura, M., Muramatsu, T. & Higuchi1, S.
(2001). Association study of serotonin transporter gene regulatory region polymorphism
and alcoholism. American Journal of Medical Genetics (Neuropsychiatric Genetics),
105, 446–450.
McCarty, D., Fuller, B., Kaskutas, L. A., Wendt, W. W., Nunes, E. V. et al. (2008). Treatment
programs in the national drug abuse treatment clinical trials network. Drug and Alcohol
Dependence, 92, 200-207.
McGinnis, M. J. & Foege, M. H. (1993). Actual causes of death in the United States. The
Journal Of American Medical Association, 270, 2207-2212.
McHugh, R. K., Hofmann, S. G., Asnaani, A., Sawyer, A. T. & Otto, M. W. (2010). The
serotonin transporter gene and risk for alcohol dependence: a meta-analytic review.
Drug and Alcohol Dependence, 108, 1–6.
Mokdad, A. H., Marks, J. S., Stroup, D. F. & Gerberding, J. L. (2004). Actual causes of death
in the United States, 2000. The Journal Of American Medical Association, 291, 12381245.
Morgenstern, J., Langenbucher, J., Labouvie, E. & Miller, K. J. (1997). The comorbidity of
alcoholism and personality disorders in a clinical population: prevalence rates and
relation to alcohol typology variables. Journal of Abnormal Psychology, 106, 74 – 84.
Mortensen, O.V. & Amara, S.G. (2003). Dynamic regulation of the dopamine transporter.
European Journal of Pharmacology, 479, 159 -170.
Mufsona, E.J., Countsa S.E. & Ginsberg S.D (2009). Cholinergic system. Encyclopedia of
Neuroscience, 845-856.
28
Nash, S. G., McQueen, A. & Bray, J. H. (2005). Pathways to adolescent alcohol use: family
environment, peer influence and parental expectations. Journal of Adolescent Health,
37, 19-28.
Noble, E. P. (1998). The D2 dopamine receptor gene: a review of association studies in
alcoholism and phenotypes. Alcohol, 16, 33 – 45.
Noble, E. P. (2000). Addiction and its reward process through polymorphisms of the D2
dopmine receptor gene: a review. European Psychiatric, 15, 79-89.
Nusbaumer, M. R. & Reiling M. D. (2002). Environmental influences on alcohol
consumption prectices of alcoholic beverage servers. The American Journal of Drug and
Alcohol Abuse, 28, 733-742.
Padilla-Walker, L. M. & Bean, R. A. (2009). Negative and positive peer influence: relations
to positive and negative behaviors for African American, European American, and
Hispanic adolescents. Journal of Adolescence, 32, 323–337.
Parra, G. R., Krull, J. L., Sher, K. J. & Jackson, K. M. (2007). Frequency of heavy drinking
and perceived peer alcohol involvement: comparison of influence and selection
mechanisms from a developmental perspective. Addictive Behaviors, 32, 2211–2225.
Saito, T., Lachman, H. M., Diaz, L., Hallikainen, T., Kauhanen, J, et al. (2002). Analysis of
monoamine oxidase A (MAOA) promoter polymorphism in Finnish male alcoholics.
Psychiatric Research, 109, 113-119.
Sasabe, T., Furukawa, A., Matsusita, S., Higuchi, S. & Ishiura, S. (2007). Association
analysis of the dopamine receptor D2 (DRD2) SNP rs1076560 in alcoholic patients.
Neuroscience Letters, 412, 139–142.
Schellekens, A., Hoppenreijs, S., Ellenbroek, B., Jong, de, C., Franke, B., et al. (2009). P.4.15
The COMT Val158Met genotype and prefrontal dopamine sensitivity in alcohol
29
dependent patients and healthy controls. European Neuropsychopharmacology, 19, 9192.
Sher, K. J., Grekin, E. R. & Williams, N. A. (2005). The development of alcohol use
disorders. Annual Review Clinical Psychology, 1, 493–523.
Tran, M. N., Wu, A. H. B. & Hill, D. W. (2007). Alcohol dehydrogenase and catalase content
in perinatal infant and adult livers: potential influence on neonatal alcohol metabolism.
Toxicology letters, 169, 245-252.
Trigoa, J. M., Martin-García, E., Berrenderoa, F., Robledoa, P. & Maldonadoa, R. (2010).
The endogenous opioid system: a common substrate in drug addiction. Drug and
Alcohol Dependence, 108, 183–194.
Truong, K. D. & Sturm, R. (2009). Alcohol environments and disparities in exposure
associated with adolescent drinking in california. American Journal of Public Health,
99, 2.
Tupala , E., Tiihonen, J. (2004). Dopamine and alcoholism: neurobiological basis of ethanol
abuse. Progress in Neuro-Psychopharmacology & Biological Psychiatry, 28, 1221–
1247.
Vaillant, G. E., & Milofsky, E. S. (1982). The etiology of alcoholism: a prospective
viewpoint. American Psychologist, 37, 494-503.
Walters, G. D. (2002). The heritability of alcohol abuse and dependence: meta-analysis of
behavior genetic research. The American Journal of Drug and Alcohol Abuse, 28, 557584.
Werner, M. J., Walker, L. S. & Greene J. W. (1993). Alcohol expectancies, problem drinking
and adverse health consequences. Journal of Adolescent Health, 14, 446-452.
Whitaker-Azmitia, P. M. (2010). Serotonin and development. Handbook of the Behavioral
Neurobiology of Serotonin, 21, 309-323.
30
Www.alcoholinfo.nl (12-03-2010)
http://alcoholengezondheid.nl (30-03-2010)
http://www.cdc.gov/nchs/fastats/alcohol.htm (30-03-2010)
http://www.myaddiction.com/education/articles/alcohol_statistics.html (09-04-2010)
http://www.niaaa.nih.gov/Resources/DatabaseResources/ (09-04-2010)
http://www.who.int/substance_abuse/facts/alcohol/en/index.html (09-042010)
31
Download