Globalisering of antiglobalisering: waar ligt de waarheid

advertisement
Globalisering of antiglobalisering: waar ligt de waarheid?
Geachte rector, dames en heren professoren, beste aanwezigen,
“Globalisering of anti-globalisering?” Dat is de vraag die u mij voorlegt.
Over anti-globalisering ga ik het slechts kort hebben.
Anti-globalisering kent maar aanhangers bij extreem rechts en extreem links. Zij
gebruiken de vrees van mensen voor de toekomst, om de klok terug te draaien. Antiglobalisme betekent voor hen: terugplooien op eigen vertrouwde grond en zich
afzonderen van de rest van de wereld.
We zien dit bij nieuw rechts in Amerika.
We vinden dit bij islam-integristen en bij een aantal fundamentalistische religieuze
stromingen.
Dichter bij huis stellen we deze houding vast bij het Vlaams Belang in Vlaanderen en
Wilders en co in Nederland.
Ik ga dus mijn spreektijd niet verder verspillen aan anti-globalisme. Het is mijns inziens
een negatieve beweging die geen toekomst heeft.
Ik wil focussen op globalisering en start met een dubbele vraag.
Wat is globalisering?
En wat zijn de effecten ervan?
***
Ten eerste, wat is globalisering?
Volgens de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz is economische
globalisering een steeds verdergaande integratie van alle landen als gevolg van
toegenomen stromen van goederen, diensten, kapitalen en arbeid. In dat proces spelen
lagere transport- en communicatiekosten en de liberalisering van handels- en
kapitaalstromen een grote rol.
Globalisering is niet nieuw. De hedendaagse globaliseringgolf, sinds de jaren ’60, is de
tweede globaliseringgolf in de laatste 150 jaar. In sommige opzichten was de wereld in
1914, op het einde van de eerste globaliseringgolf, meer geïntegreerd dan nu. De
betalingsbalans als percentage van het nationaal product, wat we kunnen beschouwen
als indicator voor integratie in de wereldmarkt, is in veel landen nog steeds lager dan in
1914.
***
Tweede vraag is: wat zijn de wereldwijde effecten van globalisering?
Eén. Dankzij globalisering is de levensstandaard van miljoenen mensen er op
vooruitgegaan.
Sinds 1960 is de wereldhandel vervijftienvoudigd en het inkomen per hoofd van de
bevolking is verdubbeld.
1
De globalisering schept perspectieven voor vele inwoners van
economische ‘boom’, zoals India en China.
landen met een
Maar er zijn ook veel verliezers. Heel wat landen zijn nog niet klaar om geïntegreerd te
worden in de wereldmarkt. Dat ze dat onder druk vaak wel doen, heeft vaak desastreuze
gevolgen.
Twee. Ondanks de verdubbeling van het inkomen per hoofd van de wereldbevolking
sinds 1960, kampen nog steeds veel landen en mensen met armoede en sociale
uitsluiting.
In de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara is het inkomen tussen 1975 en 1999
jaarlijks gemiddeld met 1% gedaald.
46% van de bevolking moet het er met minder dan 1 dollar per dag stellen en de
levensverwachting bedraagt er 49 jaar.
Wereldwijd leeft 20% van de bevolking, meer dan 1 miljard mensen, met minder dan 1
dollar per dag.
40% van de wereldbevolking leeft met minder dan 2 dollar per dag.
Op onze wereldbol sterven jaarlijks 10,7 miljoen kinderen voor hun vijfde verjaardag.
250 miljoen kinderen moeten werken om te overleven.
Volgens schattingen van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft bijna 80% van de
bevolking in de werkende leeftijd geen toegang tot elementaire sociale voorzieningen.
Drie. Globalisering zorgt voor meer ongelijkheid.
De ongelijkheid tussen en binnen landen neemt toe. In 1960 bedroeg het inkomen van
de rijkste 20% van de wereldbevolking 30 keer meer dan het inkomen van de armste
20%. Vandaag is dat 90 keer meer.
De rijkste 20% van de wereldbevolking is goed voor bijna 86% van het totale
gezinsverbruik.
De 500 rijkste mensen op de wereld hebben samen een inkomen dat hoger is dan dat
van de 416 miljoen armsten.
Niet alleen de ontwikkelingslanden kampen met toenemende ongelijkheid. Ook in rijke
landen is de ongelijkheid de afgelopen jaren toegenomen.
***
Ter afsluiting van mijn tweede vraag wil ik even stilstaan bij de effecten van globalisering
dichter bij huis.
In onze regio leidt globalisering bij heel wat mensen tot wantrouwen, tot angst.
Angst voor het verlies van sociale verworvenheden.
2
Angst voor de toekomst. Ook angst voor de aantasting van onze democratische
instellingen.
Globalisering zorgt ervoor dat nationale staten hun greep op het economische beleid
verliezen.
Sociale
voorzieningen,
of
het
nu
gaat
over
dienstverlening,
arbeidsvoorwaarden, of sociale zekerheid, komen in het gedrang onder druk van de
internationale concurrentie en de open markt.
Het wantrouwen en de angst die we hier kennen, zijn niet alleen het gevolg van
globalisering, maar vloeien ook voort uit de toegenomen individualisering.
De Duitse socioloog Ulrich Beck ziet de individualisering gepaard gaan met twee, elkaar
versterkende evoluties.
Ten eerste is er het vrijmaken van het individu uit de traditionele verbanden, zoals de
rolpatronen en de invloed van traditionele instellingen.
Hand in hand met deze de-traditionalisering zijn er, ten tweede, steeds meer
keuzemogelijkheden om het eigen leven richting te geven. Sociologen noemen dat de
‘do-it-yourself-biografie’.
Als we dit in beschouwing nemen, kunnen we de individualisering bezwaarlijk negatief
noemen, maar laat ons niet vergeten dat mét de toegenomen keuzevrijheid, er ook een
toegenomen keuzedwang is gekomen. En die is niet voor iedereen, en niet altijd, even
makkelijk om dragen.
Kortom, wanneer ik globalisering en individualisering samen beschouw, dan zou ik niet
langer zeggen "de wereld is ons dorp geworden", maar "de wereld is een grootstad met
veel individuen geworden".
***
Tot zover de effecten van globalisering zoals ik die zie.
Het plaatje oogt niet enkel positief en de uitdagingen zijn groot.
De vaststellingen over armoede en ongelijkheid, wereldwijd en bij ons, en de groeiende
angst voor de toekomst dwingen mij, als socialist, er toe om de globalisering niet
lijdzaam te ondergaan. Als socialist geloof ik dat de overheid de plicht heeft zijn burgers
een aantal sociale en politieke grondrechten en zekerheden te waarborgen.
Ik wil een andere globalisering.
Geen laissez-faire-globalisering maar een gestuurde globalisering. Ik ben een andersglobalist.
Dit brengt me bij een derde vraag: waarin verschilt het anders-globalisme van de
klassieke hedendaagse globalisering?
Het antwoord is drieledig: meer democratie, meer politieke sturing en meer herverdeling.
Dit zijn de recepten die ons in de 20 ste eeuw geleid hebben naar de Europese
welvaartstaten.
Dezelfde recepten moeten in de 21ste eeuw mondiaal ingang vinden. Ik overloop ze even
met u.
3
***
Vooreerst, meer democratie.
In zijn boek "Waar gaat onze economie naartoe", noemt Paul De Grauwe "goed bestuur"
een essentieel element om de globalisering in goede banen te leiden. Het gebrek aan
goed bestuur in vele landen van het Afrikaanse continent is voor hem de oorzaak
waarom globalisering geen perspectief schept en waarom de armoede en ontreddering er
zo sterk toenemen.
Ik ben het daar voor een stuk mee eens. Maar goed bestuur kan mijns inziens niet
beperkt blijven tot het nationale echelon. Ook op hogere bestuursniveaus moet er via
nieuwe bestuursvormen goed bestuur komen. En die nieuwe bestuursvormen gaan alleen
goed bestuur afleveren als er meer dan een homeopatische dosis democratie in de
besluitvorming wordt gepompt.
Hoe kunnen we de clash organiseren tussen de diverse visie’s op de gewenste mondiale
ordening? Hoe gaan we de processen die samenhangen met een voortschrijdende
globalisering legitimeren? Dit zijn actuele vragen die a fortiori in het kader van een debat
over globalisering een antwoord verdienen.
Ik denk in eerste instantie aan de totstandkoming van supranationale partijstructuren en
de oprichting van representatieve organisaties van sociale gesprekspartners. Zij vormen
de motor van het sociaal-economische beleid. Als verkozenen in de wetgevende organen
of als gelegitimeerde gesprekspartners voor onderhandelingen. Een supranationale
organisatie van deze structuren kan zorgen voor een band tussen de democratisch
gelegitimeerde fora die mee zorgt voor afstemming en discussie over de mondiale
vraagstukken.
Ik kan hier in mijn eigen politieke familie een voorbeeld geven van de gunstige
ontwikkeling in de Europese sociaaldemocratische partij, die onder leiding van de oudpremier van Denemarken Rasmussen, meer diepgang en slagkracht ontwikkelt inzake
mondiale vraagstukken.
Alhoewel ik er minder zicht op heb, meen ik toch dezelde groeiende aandacht voor
“globaliseringsvraagstukken” bij de Europese christendemocratische en liberale partij
vast te stellen.
Deze totstandkoming van supranationale politieke formaties moet leiden tot een door mij
zeer wenselijk geacht en tegensprekelijk debat tussen democratische visies op de
mondiale samenleving. Een debat over de maakbaarheid van het globaliseringproces.
Over de manier waarop we de problemen al dan niet willen aanpakken. Dat is overigens
de essentie van politiek én van democratie.
Voor wie het wil zien, het debat en de botsing van de visies is volop bezig. Zeker op
Europees niveau. Barosso en Blair kiezen voor een Europa dat "fit" is om de globalisering
aan te gaan. Voor hen staat competitiviteit voorop. Een Europese grondwet is niet hun
prioriteit.
Aan de andere kant zien we EP-fractieleider Schulz en premier Juncker. Schulz met zijn
pleidooi voor het toetsen van Europese maatregelen op de sociale situaties en stelsels in
de lidstaten en zijn uitspraak "veiligheid, mevrouw de Kanselier, is ook sociale
zekerheid".
Juncker met zijn pleidooi voor een eerlijker herverdeling van lasten en lusten tussen
kapitaal en arbeid in het kader van de macro-economische dialoog.
4
Ook in het debat over de dienstenrichtlijn zien we deze spanning, die het democratische
debat over globalisering moet kenmerken.
De discussie over de dienstenrichtlijn was mijn inziens een primeur. Enerzijds omdat het
compromis in het parlement tot stand gekomen is. En anderzijds dat het een debat was
dat met vooral ideologische argumenten gevoerd werd.
Deze wending was wellicht niet mogelijk geweest zonder de inbreng van het Europese
vakverbond, maar ook van de steeds toenemende sociale organisaties die gemiliteerd
hebben voor een sociale correctie van de ontwerpen van de Europese Commissie.
Ook het sociale middenveld is een belangrijke kracht als actor in de democratie. Daarom
moet de "participatieve democratie" zich verder kunnen ontwikkelen.
We kennen het ECOSOC van de Verenigde naties, waar NGO's hun inbreng kunnen doen
in het debat op wereldvlak.
Ook de Europese Unie kent zijn ECOSOC waar nationale organisaties vertegenwoordigd
zijn.
Door de invoering van de participatieve democratie in het ontwerp grondwettelijk verdrag
krijgt dit een constitutionele basis. Deze participatieve democratie kan de representatieve
democratie die gelegitimeerd is door algemene verkiezingen, niet vervangen, maar het is
er een belangrijke aanvulling op.
***
Ik kom tot het tweede recept voor een succesvolle andersglobalisering: meer sturing van
de economie.
Geachte aanwezigen,
Een andersglobalist is niet tegen globalisering.
Globalisering kan leiden tot groei, tot ontwikkeling en tot sociale rechtvaardigheid.
“Kan leiden”, want dat gebeurt niet vanzelf. De globalisering moet beheerd worden en dit
beheer moet uitgaan van de erkenning van een aantal fundamentele grondrechten en
principes.
Dat is de enige garantie dat iedereen kan winnen bij globalisering.
Dit bewustzijn groeit.
Bij wijze van voorbeeld gebruik ik graag de ontwikkeling van de idee van “sociaal
verantwoord ondernemerschap”. Dat biedt een aantal perspectieven voor sociale
vooruitgang en de richting van een meer rechtvaardige globalisering. Bedrijven worden
er zich van bewust dat de onderneming een verantwoordelijkheid draagt die verder reikt
dan de bedrijfsmuren.
De overheid kan hier een kader voor aanreiken via labels, zoals het sociaal label, het fair
trade label en het milieulabel.
We hebben op dit vlak in België baanbrekend werk verricht met de creatie van het fair
trade label en het sociaal label.
5
Internationale organisaties als de Internationale Arbeidsorganisatie
gedragscodes aan het respect van fundamentele sociale rechten.
werken
via
Ik steun elke stap in de richting van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit
neemt niet weg dat men ook de beperkte draagwijdte ervan onder ogen moet durven
zien.
Eén. De gedragscodes en het maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn
ontegensprekelijk nuttig, maar enkele goede praktijken volstaan niet om te kunnen
spreken van een garantie op een meer rechtvaardige globalisering.
Twee. Sociaal verantwoord ondernemen zal nooit alle belangenconflicten kunnen
overstijgen. Het kan niet de illusie scheppen dat een volledige consensus zonder
tegengestelde belangen bestaat tussen de verschillende spelers: het management, de
aandeelhouders, de werknemers en hun vakbonden, de onderaannemers, de klanten, de
consumenten en de overheid.
Voor mij staat het vast. Vrijblijvende initiatieven tot zelfregulering die de externe
controle schuwen moeten institutioneel omkaderd worden. Dit kader moet geboden
worden door de supranationale instellingen zoals de Verenigde Naties of de Europese
Unie.
Zo zou men bedrijven, alvorens ze toegang krijgen tot de beurs aan voldoende
ambitieuze
sociale
en
milieunormen
moeten
beantwoorden
om
zo
hun
verantwoordelijkheid naar alle belanghebbenden in hun invloedssfeer te nemen.
Zo zou men bedrijven met een multinationale dimensie kunnen verplichten een Europese
Ondernemingsraad op te richten, zoals in Europa voorzien en hen verplichten een
jaarlijks sociaal plan op te stellen over het omgaan met veranderingen, zodat beter op
herstructureringen kan worden geanticipeerd.
Op Europees vlak moet de Europese Unie dringend aangepast worden om zijn opdracht
met 27 landen nog te kunnen waarmaken: vrede, welvaart en sociale vooruitgang zorgen
via economische en politieke samenwerking.
Het valt op dat Europese beslissingen met betrekking tot geld, goederen en diensten bij
meerderheid kunnen genomen worden, terwijl alles wat betrekking heeft op solidariteit
en herverdeling de eenparigheid van alle lidstaten in de Raad vereist.
Europa is een bepalend beleidsniveau dat de lidstaten in staat moet stellen om de aan de
globalisering verloren gegane soevereiniteit samen te herwinnen. Het moet dan ook aan
deze opdracht worden aangepast.
Het Europese grondwettelijk Verdrag is een stap in de goede richting. Het verdrag
omschrijft duidelijk de grondrechten, de waarden en de doelstellingen. De
verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden vastgelegd. En op een aantal punten
wordt voor verbeterde procedures en meer werkbare structuren gezorgd.
Er zijn echter niet alleen de structuren, er is ook de Europese inhoud.
Het internationale kader of het nu over Europa gaat, dan wel over het mondiale aspect,
moet in eerste instantie de staten een kader geven om hun sociaal model te organiseren
en te financieren.
De Europese socialistische partij PES heeft haar visie op papier gezet.
6
Centraal in het programma staat een betere afstemming van het monetaire en het
economisch beleid.
Niet alleen de stabiliteit van de munt, maar ook het stimuleren van investeringen voor
werk moet centraal staan in het Europese beleid.
De politiek moet zich met de monetaire
gesprekspartners kunnen afstemmen.
verantwoordelijken
en
de
sociale
Productieve investeringen in infrastructuur, innovatie en in mensen moeten nieuwe jobs
mogelijk maken.
Investeren in mensen moet hen beter in staat stellen mee te kunnen in de veranderende
context.
Mannen en vrouwen moeten gelijker behandeld worden.
Mensen hebben recht op waardig werk en op goede bezoldiging.
Sociaal overleg, goede publieke diensverlening mogen door de markt niet onder druk
worden gezet.
Europa moet met één stem kunnen spreken in de internationale economisch en politieke
fora om daar de fundamentele rechten en waarden die zij samen delen te kunnen waar
maken.
Op wereldvlak blijf ik samen met de Europese socialisten pleitbezorger van de
versterking van de VN organisaties en de oprichting van een sociaal-economische
veiligheidsraad.
Wij ijveren voor meer transparantie en democratische verantwoording in de werking van
de Wereldbank en het IMF.
De wereldhandelsorganisatie moet zich inschrijven in de beleidslijnen van de
gespecialiseerde VN instellingen als de ILO, de WHO, FAO, UNDP.
Mijn partij en ikzelf ijveren voor de opname van “waardig werk” in de
Millenniumdoelstellingen. De Europese Unie heeft zich gelukkig reeds voor de integratie
van deze verklaring in de Millenniumdoelstellingen uitgesproken. Het terugdringen van de
extreme armoede tegen 2015, het ijveren voor recht op onderwijs voor iedereen, het
nastreven van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, het terugdringen van de
kindersterfte, de verbetering van de gezondheid van moeders; de gesel van AIDS
bestrijden, inzet voor duurzame ontwikkeling en de totstandkoming van een
wereldpartenariaat voor ontwikkeling zouden samen met het recht op waardig werk
zouden globalisering een meer menselijk gezicht moeten geven.
Globalisering is belangrijk voor economische vooruitgang. Er is niemand die dit ontkent.
Maar wil globalisering bijdragen tot het welzijn van iedereen op deze planeet en
bijvoorbeeld tot de verwezenlijking van de Millenniumdoelstellingen van de VN dan zou
zij best ingebed worden in een internationaal, democratisch gelegitimeerde institutioneel
kader.
Dat, geachte aanwezigen, is mijn stellige overtuiging.
***
Ik kom nu tot mijn laatste recept: meer herverdeling.
7
Herverdeling moet op de internationale agenda van de globalisering staan.
Dit is essentieel om de mooie verklaringen van o.a. de Millenniumdoelstellingen van de
VN te kunnen realiseren.
Armoede tegen 2015 uitroeien vergt herverdeling?
Elke 100$ wereldwijde groei per capita tussen 1990 en 2001, droeg slechts 0,60$ bij aan
het verminderen van de armoede voor zij die minder dan 1$ per dag verdienen. Zo
scheef zit het herverdelingsmechanisme van de globalisering! Aan het huidige tempo
wordt de extreme armoede in Sub-Sahara Afrika pas uitgebannen in 2147!
Wie gelooft nog dat we via het vrijblijvende engagement van de rijke landen aan 0,7%
van hun BNP ter beschikking te stellen, de Noord-Zuidkloof gaan kunnen dichten? Ik
dring erop aan dat ons land de inspanning opbrengt om tussen 2010 en 2015 die norm te
halen. Maar, laat ons eerlijk zijn, met hoeveel landen zullen we dan zijn? Tien of twintig
die de 0,7 norm halen. Toch niet veel meer.
Voor mij staat het vast. De Noord-Zuidkloof is een mondiaal probleem dat we via
mondiale fiscaliteit moeten aanpakken.
Belastingsbeleid is een instrument voor macro-economische regulering, herverdeling en
dus een instrument in de strijd tegen de armoede. Helaas staat het omzeggens niet meer
op de internationale agenda.
Ik stel vast dat het erg stil geworden is rond de idee van de Tobin-taks. Nochtans bewijst
het SWIFT dossier dat een registratie van de kapitaalstromen mogelijk is…
Was dit niet een belangrijk argument van de Europese Commissie om de door professor
Spahn uitgewerkte versie naar de prullenmand te verwijzen?
Sommige non-believers vrezen dat de kapitaalmarkten uitwijken naar de zogenoemde
afgeleide producten en dus een Spahntaks niet haalbaar is. We moeten die mogelijkheid
niet ontkennen, maar moet dit een reden zijn om het niet te doen?
Intussen zijn er alternatieve voorstellen op tafel gelegd zoals een kerosinebelasting op
het luchtvaartverkeer.
Met deze middelen zou men de armere landen in het zuiden kunnen helpen om hun eigen
sociale stelsels te ontwikkelen, om meer middelen ter beschikking te stellen voor
projecten inzake onderwijs, gezondheiszorg,…
Ook in de club van rijke landen blijft fiscaliteit een moeilijk thema. De OESO heeft in
1998 op aansturen van de VS een verslag opgesteld over de schadelijke fiscale
concurrentie en een aantal aanbevelingen opgesteld om deze schadelijke concurrentie te
beperken. Ik moet vaststellen dat er weinig politieke wil aanwezig is om hierop door te
gaan, ook al berekent een rapport van de Senaat dat de VS jaarlijks 100 miljard $
misloopt als gevolg van belastingontduiking en –ontwijking van hun ondernemingen via
belastingparadijzen.
Niet enkel in de OESO, ook in de Europese Unie is fiscale samenwerking een moeizaam
proces.
De spaarrichtlijn - met alle kritiek die er op te formuleren is - kan als een kleine
doorbraak aanzien worden. Maar de onderhandelingen om te komen tot een
geconsolideerde grondslag voor de vennootschapbelasting verlopen zeer moeizaam.
8
Voor mij moet dit een eerste stap zijn naar een betere coördinatie van het tarievenbeleid
met de eventuele vaststelling van een minimumtarief. Daarenboven zou zulk een
initiatief zorgen voor een beperking van de fiscale dumping zonder een zekere vorm van
flexibiliteit onmogelijk te maken. Het zou in ieder geval ruimte geven voor alternatieve
financiering van sociale zekerheid in die landen die hun stelsels via arbeid financieren. De
fiscale druk op arbeid verlicht en arbeid wordt meer betaalbaar.
Tenslotte wil ik er op wijzen dat de problematiek van (schadelijke) belastingconcurrentie
niet beperkt blijft tot de EU en de OESO.
Meer zelfs: het zijn vooral ontwikkelingslanden die schade ondervinden als gevolg van
belastingconcurrentie.
Vito Tanzi, jarenlang directeur fiscale aangelegenheden van het IMF, stelde in 1999 voor
een ‘World Tax Authority’ op te richten. Kofi Annan was gewonnen voor dit idee en het
werd opgenomen in het ‘Zedillo report’ ter voorbereiding van de internationale
conferentie voor de financiering van ontwikkeling in Monterrey in 2002. Onder druk van
de G7 werd dit voorstel uiteindelijk geweerd uit de definitieve tekst.
De WTA zou kunnen dienen als forum voor discussie inzake international fiscaal beleid,
om druk uit te oefenen op ‘tax free-riders’, om belastingconcurrentie terug te dringen en
om te arbitreren in geval van conflicten tussen landen of groepen van landen.
Conclusie
Geachte rector, dames en heren professoren, beste aanwezigen,
Ik rond af. Ik heb gepoogd om inhoud te geven aan mijn “anders” zijn en denken over
globalisering.
Ik vat nog eens samen:
1. Globalisering heeft nood aan meer democratische input. Hoe je dit organiseert in
een transnationale context, daarover kunnen meningen verschillen, maar voor mij
staat het vast dat dit onontbeerlijk is.
2. Globalisering vergt meer sturing. We hebben nood aan “global governance” want
vrijblijvende initiatieven zoals gedragscodes waarborgen niet dat globalisering
heilzaam werkt voor iedereen.
3. Herverdelen moet want globalisering vergroot de kloof tussen arm en rijk in de
wereld. Met slechts 1,6% van het globale inkomen van de 10% rijkste mensen
kun je alle mensen, die minder dan 1 dollar per dag kunnen besteden, definitief
uit de extreme armoede halen. En toch is er geen bereidheid om via internationale
fiscaliteit herverdeling te organiseren.
“Globalisering of anti-globalisering: waar ligt de waarheid?” Dit was de vraag die mij
werd voorgelegd. Mijn antwoord is: de waarheid ligt nóch bij globalisering, nóch bij antiglobalisering. Ze ligt bij “andersglobaliseren” als je mijn mening wilt.
Dirk Van der Maelen
Fractieleider SP.a Kamer van volksvertegenwoordigers
www.dirkvandermaelen.be
9
Download