Economie en Arbeidsmarkt

advertisement
1
Economie en
Arbeidsmarkt
3
Programma Economie en Arbeidsmarkt:
werken aan een krachtiger, weerbaarder en
duurzamere economie
Investeren in het talent van elke Rotterdammer en het stimuleren van economische groei
van Rotterdam zijn belangrijke speerpunten uit het Collegewerkprogramma 2010 – 2014
‘Werken aan talent en ondernemen’. Om de economie krachtiger, weerbaarder en duurzamer
te maken hebben we samen met stedelijke partners een duidelijke agenda opgesteld.
Aanvullend hierop hieraan hebben we een programma ontwikkeld waarmee we de
ontwikkelingen op de arbeidsmarkt vormgeven. Het resultaat heeft u nu in handen: het
programma Economie en Arbeidsmarkt.
Hoe ontwikkelt de Rotterdamse economie zich, hoe kunnen we sterktes behouden en uitbouwen,
en wat doen we om zwaktes te ondervangen? Hoe kunnen we inspelen op trends in de
economie? Op de vele baanopeningen die als gevolg van de vergrijzing ontstaan? En wat is
de rol van de gemeente hierbij? Dit en de maatregelen die daarvoor nodig zijn, worden de
komende pagina’s uitgewerkt. Het beleid richt zich op drie thema’s:
- Sterkere economische structuur
- Aantrekkelijker vestigingsklimaat
- Match tussen vraag en aanbod van arbeid
Een deel van de plannen en inzet sluit aan op het in de vorige collegeperiode gevoerde
(sociaal-) economische beleid. Maar er zijn belangrijke nieuwe accenten zoals op het gebied
van acquisitie, (sociale) innovatie, regionale samenwerking, duurzaamheid en het versterken
van het accountmanagement. Tevens worden verbanden gelegd tussen participatie, onderwijs
en economie. We bundelen onze inzet omdat het voorhanden hebben van voldoende en
gekwalificeerde werknemers immers essentieel is voor economische ontwikkeling.
Het krachtiger, weerbaarder en duurzamer maken van onze economie is een opgave én een
belang voor de hele stad en regio. Rotterdam heeft van oudsher het imago van een echte
ondernemers- en werkstad en vanuit deze kracht is dit programma Economie en Arbeidsmarkt
opgesteld. Als College van Burgemeester en Wethouders zijn we trots op het behaalde resultaat.
Graag gaan wij samen met alle betrokken stedelijke partners aan het werk. Op zijn Rotterdams.
College van Burgemeester en Wethouders
1
Economie
Krachtiger, weerbaarder
en duurzamer
2
4
Economie
Krachtiger, weerbaarder
en duurzamer
Inhoudsopgave
Inleiding
7
1.De opgave
9
1.1De economische situatie
1.2Een krachtige, weerbare en duurzame economie
1.3Doelen
1.4Werkwijze
9
9
13
13
2.Sterkere economische structuur
15
3.Concurrerende vestigingsvoorwaarden
27
4.Versterken accountmanagement en acquisitie
37
2.1Sterke clusters
2.1.1 Havengerelateerd cluster
2.1.2 Medisch en zorg
2.2Stedelijke sectoren
2.2.1 Kennisintensieve zakelijke dienstverlening
2.2.2Creatieve bedrijvigheid
2.2.3Consumentendiensten
2.3Innovatie en duurzaamheid
2.3.1 Een innovatief klimaat
2.3.2Digitale technologie als vestigingsvoorwaarde
2.3.3De economische potentie van duurzaamheid
2.4De regionale dimensie
3.1Ruimtelijke vestigingsklimaat
3.1.1Gebieden
3.1.2Werklocaties
3.2Bevorderen van het ondernemerschap
3.2.1Dienstverlening aan ondernemers
3.2.2Reductie administratieve lasten en aanpak irritatie top-10
3.2.3Stimuleren ondernemerschap
3.3Aantrekkelijke
stad
3.4De regionale dimensie
4.1Accountmanagement
4.2Acquisitie
4.3De regionale dimensie
16
16
17
18
18
19
20
21
21
23
24
25
27
27
29
32
32
33
34
35
36
38
40
41
5.Voorwaarden voor succes
43
6.Organisatie en Financiën
49
5.1Draagvlak en krachtenbundeling
5.2Sturen op resultaat
5.3Versterken van kennis en begrip van de economie
5.4‘Economie’ richtinggevend in concern
5.5Samenhang met de ander collegeprogramma’s
5.6Focus op de regio
6.1Organisatorische aspecten
6.2Middelen
6.3Communicatie
Bijlage: Doel Inspanningen Netwerk
43
43
44
46
46
47
49
49
50
51
7
Inleiding
Hoe ontwikkelt de economie zich, hoe kunnen we sterktes behouden en uitbouwen en wat doen
we om zwaktes te ondervangen? Hoe kunnen we inspelen op trends in de economie? Dit en de
maatregelen die daarvoor nodig zijn, worden in dit programma uitgewerkt. Met deze maatregelen
wil het college een van haar belangrijkste doelen bereiken, namelijk dat de economie er over vier
jaar beter voor staat of, zoals in het collegewerkprogramma staat, de economie “krachtiger,
weerbaarder en duurzamer” is.
Een deel van de inzet sluit aan op het in de vorige collegeperiode gevoerde economische beleid,
maar er zijn belangrijke nieuwe accenten, zoals op het gebied van innovatie en duurzaamheid en
het versterken van het accountmanagement.
Bij de samenstelling van het programma zijn instellingen, organisaties en het bedrijfsleven
betrokken in beleidsateliers, themabijeenkomsten en een schriftelijke consultatieronde.
De consultaties hebben bruikbare en welkome suggesties voor het programma opgeleverd en
bieden duidelijke aanknopingspunten voor samenwerking.
De opbouw van het programma is als volgt. Hoofdstuk 1 behandelt de opgave. In hoofdstuk 2
(economische structuur) wordt beschreven hoe we onze sterke clusters en sectoren kunnen
versterken en de economie innovatiever en duurzamer kunnen maken. Hoofdstuk 3 beschrijft de
hierbij horende vestigingsvoorwaarden en in hoofdstuk 4 komen accountmanagement en
acquisitie aan de orde. Hoofdstuk 5 benoemt voorwaarden voor succes.
8
9
Hoofdstuk 1
De opgave
1.1 De economische situatie
De stedelijke economie draait goed door, met zelfs weer een lichte stijging van de werkgelegen­
heid. In de zorgsector ontstonden de meeste banen. De economie in het Rijnmondgebied kromp
in 2009 met 3,3%, maar de werkgelegenheid is redelijk overeind gebleven. Onderdelen die het
zwaar hadden, zoals haven en transport, herstellen zich weer.
Het aantal starters in de eerste twee kwartalen van 2010 is 12% hoger dan in dezelfde kwartalen
van 2009 en 2008. De grootste toename van het aantal vestigingen van nieuwe bedrijven was in
de zakelijke dienstverlening. Weliswaar stijgt de werkloosheid, maar de langdurige werkloosheid
neemt af: werklozen zijn sneller aan een baan te helpen. Er is een stijgende arbeidsparticipatie,
met name van laagopgeleiden1.
De crisis heeft de economische verhoudingen flink opgeschud. Alle economische actoren
moeten zich daar dan ook op instellen. Het college wil de crisis zo snel mogelijk achter zich
laten. Doel is dat de economie er over vier jaar beter voorstaat.
1.2 Een krachtige, weerbare en duurzame economie
Volgens het collegewerkprogramma wil het college de Rotterdamse economie krachtiger,
weerbaarder en duurzamer maken. Maar wat betekent dit?
De Rotterdamse economie wordt gekenmerkt door drie samenhangende economische
systemen:
1. De internationale mainport Rotterdam, gebaseerd op productie en logistiek.
2. Het grootstedelijke systeem met (internationale) hoofdkantoren, zakelijke diensten en
kennisinstellingen, deels gerelateerd aan de mainport.
3. De omvangrijke stedelijke economie, die bestaat uit diverse vormen van stedelijke
consumentendiensten aan bewoners en bezoekers.
De drie systemen zijn onderling via allerlei bedrijfs- en netwerkrelaties nauw verweven.
Over het algemeen geldt dat bedrijven die (inter-)nationaal opereren, en hun goederen en
diensten vooral buiten de regio afzetten, inkomengenererend zijn voor de regio. Dit terwijl
bedrijven die hun goederen en diensten vooral afzetten binnen de eigen regio, primair draaien
op bestedingen door bewoners en bedrijven uit dat gebied. Dat gaat in het bijzonder op voor
de consumentensector. Een krachtige en weerbare economie kent een evenwichtige mix van
deze drie systemen en type bedrijven.
1. Economische Verkenning Rotterdam 2011.
10
11
De internationaal georiënteerde bedrijvigheid staat in het teken van: de havengerelateerde
industrie en dienstverlening (transport en logistiek, energie, procesindustrie en maritieme
zakelijke dienstverlening) en de kennisintensieve zakelijke dienstverlening (kennisdiensten).
Meer op de regio en de stad georiënteerd zijn de clusters medisch en zorg en de sectoren
detailhandel, horeca, cultuur (consumentendiensten) en de creatieve bedrijvigheid.
Deze sterke sectoren samen dragen de regionale economie en arbeidsmarkt: daar zit onze
kracht. Die kracht moet worden vastgehouden om de economie (weer) sterker te maken en
te groeien.
Wat is een krachtige, weerbare en duurzame economie?
In een krachtige en weerbare economie is er een hecht stedelijke en regionaal netwerk
van bedrijven dat verbonden is met de sterke internationale sectoren en voorziet in de
wensen van de bewoners en de bezoekers van de stad. Deze economie wordt gekenmerkt
door permanente vernieuwing, zowel door startende en groeiende bedrijven en vestiging
van kwalitatief interessante bedrijven als door de continue verbetering van de kwaliteit
van arbeid, ondermeer door de voortdurende verbetering van scholing van de bevolking.
Bewoners, werknemers en ondernemers dagen elkaar uit succesvol te zijn, zij kunnen
zich verbeteren en hun talent ontwikkelen en voelen zich verantwoordelijk voor hun werken leefomgeving. In deze economie bestaat voldoende vraag en dynamiek in de hele
arbeidskolom, waardoor iedereen die wil participeren een plaats kan vinden.
Voor de inhoudelijke onderbouwing van dit document is gebruik gemaakt van de
Economische Verkenning Rotterdam 2011, een aantal onderzoeken: w.o. Deloitte
(Internationale markt- en sectoranalyse Rotterdamse regio), Wouter Jacobs (World Port
City Networks), Roland Berger (Op weg naar nieuwe Economische agenda Zuidvleugel),
Frans Nauta (Herijking innovatiebeleid Rotterdam), Intelligence Group (Het behoud van
Rotterdamse studenten), Arbeidsmarktprognoses 2010 (Bureau Louter) en de Economic
Review hoger onderwijs (OECD), de uitkomsten van de consultatierondes en een aantal
expertbijeenkomsten.
12
Wat zijn de belangrijkste sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen?
Sterk
Zwak
Kansen
Bedreigingen
- De havengerelateerde sectoren en het
medisch- en zorgcluster.
- Uitstekende internationale
bereikbaarheid.
- Goed ontwikkelde kennisinfrastructuur.
- Groot aanbod aan hoog opgeleide
arbeidskrachten.
- De kansen in de sfeer van energie,
klimaat en water in mainport,
havencluster en de stad.
- De sterke medisch en zorgsector in
relatie tot de demografische trends.
- Grote gebiedsontwikkelingen en
programma’s (Binnenstad, Stadshavens
en Zuid) bieden kansen om in te spelen
op de vestigingswensen van de sterke
sectoren.
- De Rotterdamse ondernemende cultuur.
- Relatief minder sterk in kennisintensieve
stedelijke sectoren.
- De economie vernieuwt zich onvoldoen­
de, groei werkgelegenheid blijft achter.
- Het innovatief vermogen van het
bedrijfsleven is ondergemiddeld, m.u.v.
de zakelijke dienstverlening.
- Het op­leidings­niveau van de
beroepsbevolking is gemiddeld genomen
relatief laag.
- Regionale versnippering.
- Teruglopende collectieve middelen (ook bij grote bedrijven).
De economische sectoren blijven sterk door zich te vernieuwen, te innoveren en in te spelen
op de kansen, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid. Duurzaamheid vertaalt zich
zowel in de haven (biobased-economy), in Stadshavens (watertechnologie) en in de stad
(bouw en architectuur). Hun bijdrage aan de stad is blijvend, doordat ze goed aarden in een
gebied of stadsdeel, door toeleverings- en uitbestedingrelaties of omdat ze zonder veel moeite
personeel vinden.
Daarmee is een aantal randvoorwaarden voor kracht, weerbaarheid en duurzaamheid
gegeven: een sterk innovatief klimaat, goede fysieke vestigingscondities met ruimte voor
ondernemerschap, een goede internationale bereikbaarheid, een goed opgeleide
beroepsbevolking en een aantrekkelijke leefomgeving (gezond, groen, voorzieningen).
Om beter voelbaar te maken hoe het er met de economie voorstaat, gaan we gebruik maken
van de economische index (zie pagina 42).
13
1.3 Doelen
Als het erom gaat de economie de komende vier jaar sterker te maken, zijn er voor stad en regio
drie doelen:
1. De economische structuur versterken.
2. Concurrerende vestigingsvoorwaarden bieden.
3. Voldoen aan de vraag naar arbeid in de economie.
De economische structuur versterken
De concurrentiekracht van de sterke clusters moet sterker worden, de clusters moeten zo veel
mogelijk spin-off opleveren en verankerd zijn in stad en regio. De innovatiekracht van de
economie moet groter worden.
Concurrerende vestigingsvoorwaarden bieden
Stad en regio moeten concurrerend zijn als vestigingsplaats. De beschikbaarheid van
bedrijfsruimte, de dienstverlening aan het bedrijfsleven, de kwaliteit van de regelgeving,
de bereikbaarheid en de kwaliteit van de stad als woon- en leefstad spelen hierbij mee.
Voldoen aan de vraag naar arbeid in de economie
Rotterdam heeft naar verhouding veel lager opgeleiden en relatief minder midden- en hoog
opgeleiden. Het in balans brengen van de kwaliteit van vraag en aanbod is een belangrijke
opgave, waarbij het ook gaat om het vergroten van vitaliteit van de beroepsbevolking.
Invalshoeken zijn in- en doorstroming, het ontwikkelen van de werkgelegenheid op middenen hoog niveau, het aanbieden van carrièrelijnen en het stimuleren van werkenden om verder
te leren. Deze opgave is zo urgent dat deze in het speciaal daarop gerichte programma
Arbeidsmarktontwikkeling wordt opgepakt.
Aan de kernopgaven zijn prioriteiten verbonden. Het realiseren ervan heeft voorrang, desnoods
ten koste van andere onderwerpen. De prioriteiten worden ter plaatse in aparte tekstkaders
vermeld. Samen met de partners gaan we ze zo SMART mogelijk definiëren zodat ze als
sturingskader voor het programma kunnen dienen.
1.4 Werkwijze
De maatregelen vragen goed op elkaar afgestemde inspanningen van gemeente en stedelijke
en regionale partners. Met deze partners wil het college de samenwerking aangaan. Het college
wil samen met de partners investeren in de onderbouwing van kennis en begrip van de
economie, waardoor de maatregelen doelgerichter en effectiever kunnen worden. Het wil ook
met de partners nadenken over de koers op langere termijn. En het wil waar mogelijk samen
de uitvoering van de benodigde maatregelen ter hand nemen. In het programma is aangegeven
hoe het college die samenwerking wil organiseren. Dit betreft ook de samenwerking met
regionale partners.
14
15
Hoofdstuk 2
Sterkere economische structuur
In de economische theorie wordt onder het begrip economische structuur verstaan: ‘Het geheel
van factoren die het productief vermogen van de economie bepalen’. Het gaat om het soort
bedrijven dat in stad en regio gevestigd is, in welke sectoren deze actief zijn, in welke levensfase
ze verkeren, hoe concurrerend en innovatief ze zijn binnen hun markt en welke omvang ze
hebben. Ook hoort de kwaliteit en beschikbaarheid van de productiemiddelen erbij, waaronder
arbeid. Er is geen ‘one size fits all’ definitie. Elke stad en regio heeft haar eigen unieke
kenmerken, die met elkaar bepalen hoe sterk de economische structuur is. Het gaat om een
gebalanceerde mix van grote en kleine bedrijven, internationaal opererende ondernemingen
en bedrijven die de lokale markt bedienen, starters, groeiers en volwassen bedrijven, zittende
bedrijven en nieuwe vestigingen van buiten. Behalve de sectorstructuur zijn grootte, de
dynamiek van bedrijven (starters, uitbreidingsinvesteringen) en het innovatief vermogen
belangrijke onderdelen van die mix.
Prioriteit – Sterke clusters
De concurrentiepositie van de sterke clusters wordt sterker 2
De Rotterdamse economische structuur wordt sterk gekenmerkt door en bepaald door het
havengerelateerde cluster en het cluster medisch en zorg. Deze clusters zijn belangrijk voor het
behoud en de groei van de werkgelegenheid en bedrijvigheid, nu en in de toekomst. Hoe sterker
de concurrentiepositie van deze clusters; des te groter het groeivermogen van de economie3. De
beleidsinzet is de concurrentiepositie van deze clusters te versterken, door zo gunstig mogelijk
randvoorwaarden aan te bieden en door gerichte inzet van de instrumenten van het economisch
beleid. Naast deze clusters onderscheiden we enkele stedelijke sectoren. Dit zijn sectoren die
belangrijk zijn voor werkgelegenheid en een betekenisvolle bijdrage leveren aan het stedelijke
woon en leefklimaat, namelijk de zakelijke dienstverlening, de creatieve bedrijvigheid en de
consumentendiensten. De inzet voor deze sectoren is primair randvoorwaardenscheppend.
2. Afgemeten aan het marktaandeel van de clusters.
3. Bronnen: onder andere OECD review, onderzoek Roland Berger, Randstad 2040 (in lijn met de Rotterdamse
Economische Visie).
16
2.1 Sterke clusters
2.1.1 Havengerelateerd cluster
Het haven- en industriecomplex is belangrijk voor de nationale en regionale economie en
ook voor de stad en de Rotterdamse bevolking. De grote investeringen en logistieke stromen
die ermee gemoeid zijn, zorgen ervoor dat (de regio) Rotterdam een vestigingsplaats wordt
voor haven­gerelateerde dienstverlening in de sfeer van maritiem recht, verzekeringen,
kennisdiensten, financiering en merchant banking. Het havengerelateerd cluster omvat twee
deelsectoren die hieronder worden beschreven.
Tabel 1
Kansen voor havengerelateerd cluster
Bron: Deloitte, Jacobs (EUR), Ecorys, Louter en Roland Berger.
haven- en
industrie
complex (hic)
havengerelateerde zakelijke
dienst­verlening
kwalitatieve bijdrage
kwantitatieve bijdrage
Verdere groei van HIC vertalen naar afgeleide
groei in de stedelijke economie (zie onderstaande sectoren)
Omvang arbeidsmarkt (2010): 45.000
(Rotterdam). Verwacht aantal baanopeningen
voor HIC 1.775-2.400 in regio groot Rijnmond.
Toegevoegde waarde: € 13,5 mln.
Kennisintensieve sector op raakvlak zakelijke
dienstverlening en haven. Internationale
niche en bijdrage Rotterdam ‘Smart Port’.
Kennisdiensten bieden ook banen aan lageropgeleiden.
Omvang arbeidsmarkt (2010): 3.600 – 7.200
Verwachte groei 2% / in unieke internationale
nichemarkt. Verwachte groei toegevoegde
waarde: 3 tot 4 miljoen (2 – 2,5%)
Toegevoegde waarde: €159 mln.
Het cluster maakt de komende decennia een transitie door. Traditionele sectoren zoals
transport en logistiek, chemie en energie ontwikkelen en vernieuwen zich volop. Dat gebeurt
op allerlei manieren: door efficiencyverhogende en kostenbesparende maatregelen, door
waarde toe te voegen aan bestaande producten en processen en door nieuwe groeimarkten
aan te boren. Een voor haven en stad strategisch toekomstperspectief is te vinden in kansen
en trends op het gebied van water- en deltatechnologie, de biobased economy en duurzaam
en energiezuinig bouwen.
De vernieuwing binnen de havengerelateerde sectoren kenmerkt zich door de opstap naar
nieuwe economische activiteiten. Een deel van de bedrijvigheid die hieruit voortvloeit, is
kennisintensief en kantoorhoudend. Het gaat om activiteiten in de sectoren zelf, maar ook
in toeleverende havengerelateerde dienstverlening. Deze bedrijven vragen om een
vestigingsmilieu dat goed aansluit op de kwaliteiten die de grootstedelijke agglomeratie
Rotterdam biedt:
• Goede bereikbaarheid en verbindingen.
• Voldoende aanbod van centrumstedelijke, goed bereikbare werklocaties en
aantrekkelijke woonlocaties.
• De nabijheid van kennisinstellingen, zakelijke en overige dienstverleners (financieel,
commercieel, facilitair, cultureel, detailhandel) en een groot aanbod van hoogopgeleiden.
17
Wat willen we bereiken?
- Sterke concurrentiepositie van het cluster.
- Grotere synergie tussen haven en stad en sterke havengerelateerde economie. De groei van
de haven wordt vertaald naar afgeleide groei in deelsectoren in de stedelijke en regionale
economie, namelijk transport en logistiek, metaal, procesindustrie, energie en de maritieme
(zakelijke) dienstverlening.
Inspanningen en activiteiten van gemeente en van gemeente en samenwerkingspartners
- Aanbieden van passende vestigingsvoorwaarden in programma’s en in de gebiedsgerichte
aanpak. Samen met regionale partners (Havenbedrijf Rotterdam en bedrijfsleven) zetten we
in op de kansen in de haven die resulteren in kansrijke uitvoeringsprojecten in vooral
stadhavens en de binnenstad.
- Bouwen aan een sterke triple helix in verband met Clean tech Delta.
- De uitvoering van vijf strategische regionale samenwerkingsprojecten (Deltri, Strategische
Agenda Zuidvleugel, Regionale herstructureringsopgave bedrijfsterreinen, Programma
Regionale Knooppunten van de Stadsregio). Deze opgaven hebben hun zwaartepunt
binnen het haven- en industriecomplex, maar hebben ook invloed op andere sectoren en
delen van de stad.
- Met bedrijven en het Havenbedrijf werken aan een attractieve arbeidsmarkt,
opleidingenstructuur; (door)ontwikkelen van ‘Smart Port’.
- In de evaluatie van het Uitvoeringsprogramma Haven wordt gekeken of het programma
Carrière in de haven wordt voortgezet of misschien wordt verweven in een andere
(bredere) aanpak.
- Acquisitie en accountmanagement top-100.
2.1.2 Medisch en zorg
De gezondheidszorg krijgt veel aandacht in de regio Rotterdam. Het gezond zijn, houden en
krijgen van de bewoners is van groot belang. Bovendien levert het banen op. De medische
en zorgbedrijven vormen samen (qua werkgelegenheid) de grootste stedelijke economische
sector met 60.900 banen (2010). De sector biedt banen voor starters, stimuleert de doorstroom
van lager opgeleiden en bindt hogeropgeleiden aan stad. De zorgsector levert een hoop
bedrijvigheid op, zoals de innovatie van zorgverlening en zorgondersteuning (door
technologische ontwikkelingen). De sector biedt groeikansen in zorginnovatie: 25% van
de MKB- innovaties komt uit de gezondheidszorg. Het medisch cluster, gekoppeld aan het
Erasmus Medisch Centrum, en in Medical Delta-verband met de Technische Universiteit
Delft en de Universiteit Leiden, is klein maar kansrijk, innovatief en genereert hoogwaardige
werkgelegenheid.
18
Tabel 2
Kansen voor medisch en zorg
Bron: Deloitte, Louter en Roland Berger.
medisch en zorg
kwalitatieve bijdrage
kwantitatieve bijdrage
Zorg- en welzijn sector met werkgelegenheid
op alle beroepsniveaus, biedt kansen voor
startbaan en doorstroom.
Omvang arbeidsmarkt (2010): 60.900
Klein en kansrijk zijn biomedische R&D en
nieuwe bedrijvigheid in zorginnovatie.
Verwachte groei +10.000 banen tot 2015
(3% p.j. 2010 – 2015) ) en medisch en zorg
grootste banenmotor
Omzet (2009) € 2,5 mrd
Wat willen we bereiken?
- Sterke concurrentiepositie van het cluster.
Inspanningen en activiteiten
- Voorzetting van het programma Economische Ontwikkeling Medisch en Zorg Rotterdam,
waarin door gemeente en partners zoals Erasmus Merdisch Centrum, Maasstad Ziekenhuis
wordt gewerkt aan gebiedsontwikkeling, kennisvalorisatie (biomedical fund, incubator),
zelfredzaamheid (E-health, domotica) en arbeidsmarkt.
- Bouwen aan een sterke triple helix (samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen en
bedrijfsleven) en Rotterdamse propositie rond kansrijke biomedische R&D, E-health &
domotica en Zorginnovatie.
- Creëren van concurrerende vestigingsvoorwaarden via de gebiedsgerichte aanpak (m.n.
Binnenstad en Zuid en het programma werklocaties).
- Vergroten beschikbaarheid personeel (in het programma Arbeidsmarktontwikkeling).
- Accountmanagement instellingen en acquisitie; vergroten internationale zichtbaarheid en
ondersteunen branding op excellente deeldomeinen.
2.2 Stedelijke sectoren
2.2.1 Kennisintensieve zakelijke dienstverlening
De kennisdienstverlening is onderdeel van de zakelijke dienstverlening, met als deelsectoren
juridische en financiële dienstverlening, accountancydiensten en adviesbureaus4. Unieke
internationaal onderscheidende niches voor Rotterdam zijn de havengerelateerde zakelijke
dienstverlening en de architectuursector. Deze hoogwaardige sector is belangrijk voor het
aantrekken en vasthouden van kenniswerkers. De sector stelt hoge eisen aan het
vestigingsklimaat. In de kennisintensieve zakelijke dienstverlening verwachten we tot 2015
1.000 extra banen (Louter 2010, prognose 2010 – 2015).
4. De activiteiten in schoonmaak, beveiliging en catering zijn onderdeel van de zakelijke dienstverlening, maar behoren niet tot
de kennisintensieve zakelijke dienstverlening.
19
Tabel 3
Kansen voor kennisintensieve zakelijke dienstverlening
Bron: Deloitte, Louter en Roland Berger.
kennisdiensten
kwalitatieve bijdrage
kwantitatieve bijdrage
41% van de zakelijke dienstverlening
(25.300 banen) is hoogwaardige arbeid.
Omvang arbeidsmarkt (2010): 54.900
Waarvan 25.300 hoogwaardige banen
Verwachte groei voor zakelijke dienstverlening:
+ 3.000 banen tot 2015 (1,1% p.j.) en voor
hoogwaardige banen + 1.000 tot 2015 (0,9%)
Wat willen we bereiken?
- Sterke concurrentiepositie van de sector.
Inspanningen en activiteiten
- Creëren van gunstige vestigingsvoorwaarden door gebiedsgerichte aanpak
(o.a. Binnenstad, Stadshavens, werklocaties).
- Aanbieden van up to date ICT infrastructuur (Glazen Maas, ook relevant voor
andere sectoren).
- Vergroten beschikbaarheid personeel (in het programma Arbeidsmarktontwikkeling).
- Inzet van acquisitie en accountmanagement (top 100 en accountmanagement instellingen).
2.2.2 Creatieve bedrijvigheid
De creatieve bedrijven zijn aantrekkelijke werkplekken voor hoger opgeleiden.
Creatieve bedrijvigheid en creatieve professionals zijn goed voor het imago van de stad
en maken van Rotterdam een aantrekkelijke vestigingsstad. Beleving, identiteit en
lifestyle spelen daarbij een grote rol.
Tabel 4
Kansen voor creatieve bedrijvigheid
creatieve
bedrijvigheid
kwalitatieve bijdrage
kwantitatieve bijdrage
Draagt bij aan het innovatievermogen van
andere sectoren, zowel bedrijfsmatig als
maatschappelijk.
Omvang arbeidsmarkt (2010): 9.900
Draagt bij aan een stedelijk aantrekkelijk
vestigings­klimaat en de kwaliteit van gebiedsontwikkelingen.
Verwachte groei: Het cluster blijft de komende
jaren stabiel. Hierbinnen vindt enige verschuiving plaats.
Wat willen we bereiken?
- De creatieve industrie moet zoveel mogelijk bijdragen aan gebiedstransformatie en
gebiedsverbetering, talentontwikkeling, de innovatie in andere bedrijfstakken en op andere
maatschappelijke terreinen.
20
Inspanningen en activiteiten
- Creeren van gunstige vestigingsvoorwaarden.
- Stimuleren van ondernemerschap onder de creatieve beroepsgroepen.
- Op peil houden van het aantal creatieve werkplaatsen. Dit gebeurt door vastgoedeigenaars
te stimuleren vastgoed (tijdelijk) beschikbaar te stellen voor creatieve bedrijvigheid.
2.2.3 Consumentendiensten
Hieronder vallen horeca, detailhandel en de vrijetijdseconomie. De sector staat garant voor
veel banen, biedt (lager)opgeleiden de kans om door te groeien en zorgt voor bestedingen in de
stad. De vrijetijdseconomie is (met de creatieve bedrijvigheid) belangrijk voor de beeldvorming
van Rotterdam als aantrekkelijke en levendige stad. De sector consumentendiensten is voor ca.
80% afhankelijk van de lokale markt. De groei is afhankelijk van consumentenbestedingen.
Om die groei te bereiken, is diversiteit en onderscheidendheid van het aanbod belangrijk.
Tabel 5
Kansen voor consumentendiensten
Louter.
consumenten­
diensten
kwalitatieve bijdrage
kwantitatieve bijdrage
Draagt bij aan kwalitatief woon- en leefklimaat
en imago stad
Omvang arbeidsmarkt (2010): 46.300
Veel werk op MBO-niveau (doorgroei).
22% van de bestedingen afkomstig mensen
buiten de stad.
Verwachte groei + 3.000 banen tot 2015 (1,3%)
Wat willen we bereiken?
- Sterke concurrentiepositie van de sector.
Inspanningen en activiteiten
- Creëren van gunstige vestigingsvoorwaarden door gebiedsgerichte aanpak (o.a. Binnenstad).
- Aantrekken van bezoekers, bedrijven en bewoners van buiten Rotterdam.
- Citymarketing en de inzet van evenementen.
2
21
figuur 1
Kansrijke clusters en stedelijke sectoren
concurentiepositie
boven gemiddeld
OBE Economie.
Bron: Stadsontwikkeling.
7.200 a.p.
45.000 a.p.
15.500 a.p.
45.000 a.p.
46.300 a.p.
maritieme zak. dienstverlening
HIC (Rotterdam)
medisch
zorg
consumentendiensten
kennisdiensten
creatieve bedrijvigheid
beneden gemiddeld
9.900 a.p.
25.300 a.p.
laag
hoog
kennis intensiteit
aantal arbeidsplaatsen:
<10.000,
groei aantal arbeidsplaatsen (a.p.):
>10.000 – <40.000,
boven gemiddeld,
>40.000
geen groei
2.3 Innovatie en duurzaamheid
2.3.1 Een innovatief klimaat
Innovatie is een belangrijke bron van welvaartsgroei en maakt de stad en regio economisch
weerbaarder. Steden die kennisintensief zijn, blijken minder gevoelig voor conjunctuurschokken.
Innovatieve kracht is nodig voor een sterke economische structuur. In een goed werkend
innovatiesysteem wordt (nieuwe) kennis gegenereerd en uitgewisseld. Vervolgens benutten
bedrijven dit voor de ontwikkeling van nieuwe diensten en producten.
De gemeente ondersteunt al langer initiatieven en projecten om innovatie te bevorderen.
Ze zijn gericht op de basisvoorwaarden voor innovatie:
• Onderwijs en talentontwikkeling.
• Een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor kenniswerkers.
• Het creëren van hoogwaardige werkgelegenheid.
• Een krachtige ICT-sector.
22
Desondanks blijft de innovatiegraad van Rotterdamse (industrie)bedrijven -met uitzondering van
de zakelijke dienstverlening- achter bij het landelijk gemiddelde. Op meerdere fronten is
verbetering mogelijk. Kansen liggen er als het gaat om (de voorwaarden voor) een goed werkend
innovatiesysteem5. Ontwikkelingen zoals het Nieuwe Werken en de opkomst van de sociale
media kunnen als draagolf dienen. Een belangrijke sleutel voor verbetering is te vinden in het
veel beter afstemmen en samenwerken tussen bedrijfsleven, overheid en gemeente t.a.v. koers,
prioriteiten en inzet van middelen.
Innovatie is veel meer dan kennis en R&D. Of kennisontwikkeling daadwerkelijk tot bestendig
economisch effect leidt voor bedrijf en regio, hangt in sterke mate af van ondermeer de:
• Kwaliteit van het ondernemerschap.
• Flexibiliteit en competenties van het personeel.
• Kwaliteit van het bedrijvennetwerk.
• Verbinding tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven.
Feitelijke voorwaarde voor economisch effect is innovatie in brede zin. Het effect wordt vergroot
door sociale innovatie: het ontwikkelen van nieuwe managementvaardigheden (dynamisch
managen), het hanteren van innovatieve organisatieprincipes (flexibel organiseren) en het
realiseren van hoogwaardige arbeidsvormen (slimmer werken en talentontplooiing). Het doel:
de productiviteit verbeteren en een vernieuwing in de arbeidsorganisatie en arbeidsrelatie.
Dit leidt tot verbeterde prestaties van de organisatie en de ontplooiing van talenten. In het
programma, de Innovatieagenda en het programma Arbeidsmarkt­ontwikkeling wordt deze brede
basis gekozen.
Wat willen we bereiken?
- De achterstand van de innovatiegraad ten opzichte van het landelijk gemiddelde wordt
verkleind, of wordt zelfs hoger dan het landelijk gemiddelde, door een betere samenwerking
tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen.
Prioriteit – Beter innovatief klimaat
Breed gedragen innovatieagenda, een door partners in de
regio gedeelde langetermijnvisie, strategie en aanpak voor
het bevorderen van innovatie.
5. Onderzoeken: OECD review, Frans Nauta, Economische Verkenning Rotterdam 2011, Volberda.
23
Onze inspanningen en activiteiten in samenwerking met bedrijfsleven en kennisinstellingen
- Opstellen van de Innovatieagenda door gemeente samen met kennisinstellingen en
bedrijfsleven. Deze beschrijft hoe het innovatievermogen wordt vergroot, geeft koers en rollen
aan en benoemt doelen en inspanningen. De Innovatieagenda zorgt voor meer samenhang
en coördinatie tussen de inspanningen van gemeente, kennisinstellingen en bedrijfsleven.
- Belangrijke onderdelen en aspecten van de agenda:
• Lange termijn beleid, inhoudelijk focus (kansrijke sectoren).
• Kennis benutten door bedrijven, kennisontwikkeling en -diffusie.
• Interactie en samenwerking binnen het systeem (triple helix).
• Samenhang en coördinatie op bestaande programma’s, projecten en activiteiten.
• Het stimuleren van (inter)nationale netwerkvorming, branding en communicatie.
• Het afstemmen met regionaal en nationaal beleid.
• Het benutten van de kansen die sociale innovatie biedt.
• Clean Tech (Clean Tech Delta), medisch (Medical Delta) en zorg.
- De agenda sluit aan op de TriDelta Rotterdam-Delft-Leiden (follow up van de OECD review
hoger onderwijs). De Innovatieagenda is medio 2011 gereed voor besluitvorming.
2.3.2 Digitale technologie als vestigingsvoorwaarde
In vrijwel alle bedrijfstakken en sectoren is ICT een essentieel onderdeel voor de bedrijfsvoering.
Daarnaast is het ook de drijvende kracht achter innovatie en vernieuwing van producten en
dienstverlening. Digitale technologie en glasvezelinfrastructuur zijn daarom van belang voor
gemeentelijke dossiers als werkplek 2020, Clean Tech Delta, Rotterdam Climate Initiative en het
programma Economische Ontwikkeling Medisch en Zorg Rotterdam. De toenemende groei van
dataverkeer en vraag naar snellere verbindingen, afhandeling en opslag, vraagt om een
hoogwaardige infrastructuur op basis van glasvezel. Dit wordt door Rotterdam dan ook gezien
als een belangrijke vestigingsfactor. De markt blijft echter achter in het realiseren van deze
netwerken met bijbehorende voorzieningen. Het programma de Glazen Maas doorbreekt deze
impasse. Het effect: ondernemers vinden alle basisfaciliteiten binnen de stadsgrenzen.
Wat willen we bereiken?
- Hoogwaardige en snelle internetverbindingen zijn een integraal onderdeel van het pakket aan
vestigingsvoorwaarden dat wij bieden.
Onze inspanningen en activiteiten
- Zowel operationeel als op beleidsniveau stimuleren van nieuwe generatie open datanetwerken.
- Uitbreiding datacenter Spaanse Kubus en realiseren van een ultramodern ‘groen’
datacentrum door marktpartijen.
- Een proef met digitale zorg in de wijk.
- Onderzoek naar de mogelijkheden om de activiteiten van Glazen Maas te verzelfstandigen.
- Aandacht bij andere overheden voor de specifieke problematiek van grote steden, waar de
markt niet wil investeren.
24
2.3.3 De economische potentie van duurzaamheid
Het coalitieakkoord benadrukt dat duurzaamheid een belangrijke katalysator is voor de
Rotterdamse economie.
De duurzaamheidaanpak kent twee sporen:
1. het realiseren van de beleidsdoelstellingen (CO2-reductie, adaptatie en dergelijke) met het
daarbij behorende pakket van maatregelen, met als doel op korte termijn resultaten te halen;
2. het ontwikkelen van een structurele innovatieaanpak ten gunste van de economie.
De voor Rotterdam belangrijkste focusgebieden zijn:
- Energie en klimaat. Mondiaal treedt een verschuiving op van fossiele naar duurzame
energie. Daarnaast wordt veel aandacht gegeven aan het verminderen van energieverbruik
en de toepassing van biomassa. De vraag naar brandstoffen en chemicaliën gebaseerd op
biologische grondstoffen groeit. In de mainport wordt fors geïnvesteerd in nieuwe fabrieken
voor de productie van bio-brandstoffen en aanverwante dienstverlening zoals opslag en
distributie. Dit is een kans voor de stedelijke kennisdienstverlening. Rotterdamse bedrijven
spelen een leidende rol in Europa, dit kan verder worden uitgebouwd door de bio-based
economy (o.a. groene chemie) nadrukkelijk te positioneren. Andere kansen zijn gelegen in
investeringen in CO2-opslag, duurzame energie en de uitwisseling van warmte
- Duurzaam bouwen. Er zijn kansen inzake energiebesparende investeringen in de bestaande
bouw. De gemeente en een betrokken samenwerkingspartners (o.a. woningbouwcorporaties,
mkb, ontwikkelaars) worden vanuit het programma Duurzaamheid aangejaagd tot het doen
van deze investeringen. Voor de keten ontwikkelaars, architecten, aannemers en
installatiebedrijven is dit van groot belang, zeker gezien de huidige crisis in bouw.
- Water. Stedelijke gebieden in delta’s krijgen te maken met groeiende regenafvoer en
stijgende zeespiegels. Deltagebieden moeten zich aanpassen, onder meer door de aanleg
van dijken. In de mondiale groeimarkten rond klimaat, water en energie liggen kansen voor
Rotterdam. Rotterdam is nu al een belangrijke showcase voor de toepassing van
Nederlandse kennis en kan daar in de toekomst nog meer van profiteren. Bijvoorbeeld door
de vestiging van het Nationaal Watercentrum.
- Als laatste zien we dat grote Rotterdamse bedrijven en sectoren zich in toenemende
mate toeleggen op het verduurzamen van relevante productieketens (o.a. AVR en
Unilever). Bezien moet worden, hoe hier economisch winst uit te halen valt bijvoorbeeld in
de kennisdienstverlening.
Voor biobased-economy, bouwsector en water- en deltatechnologie zijn er dus kansen.
De diverse onderzoeken die vanuit en voor Rotterdam zijn gedaan rond het thema duurzaamheid
laten veelal hetzelfde beeld zien. Inzet op duurzaamheid leidt tot een transitie van de economie
en daarmee ook tot een transitie van de werkgelegenheid: van banen in de bestaande, meer
conventionele, bedrijvensectoren naar banen in duurzame bedrijvensectoren. Niet investeren
in duurzaamheid leidt tot banenverlies aan andere regio’s, duurzaamheid heeft dus ook daarom
een hoge prioriteit.
25
De afgelopen jaren is al veel opgebouwd; er zijn convenanten met kennisinstellingen, er zijn
goede bouwstenen in de keten innovatie, kennisontwikkeling, incubators, experimenteerruimte
etc. Nu gaat het erom, om gezamenlijk met allereerst het programma Duurzaamheid en Stads­
havens de verbinding met de economische instrumenten te maken en deze concreet in te vullen.
Wat willen we bereiken?
- De best mogelijke randvoorwaarden om in te spelen op de ontwikkelingen op het gebied
van klimaat, energie en water. Zo wordt de vooraanstaande positie van het Rotterdamse
Haven- en Industriecomplex op het vlak van biobased energy, klimaat en water verder
versterkt en uitgebouwd.
Onze inspanningen en activiteiten
- In 2011 worden zowel het beleidskader als het uitvoeringsprogramma geschreven.
De inspanningen vallen onder de uitgangspunten van het programma Duurzaamheid.
2.4 De regionale dimensie
De relaties tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden overstijgen al snel de gemeente­
grenzen. De mate waarin dat het geval is, en het relevante regionale schaalniveau waarop,
verschilt per cluster. In het bijzonder bij de clusters medisch en zorg, clean tech (incl. water en
deltatech, biobased economy en duurzaam bouwen) en het Haven Industrieel Complex is
regionale samenwerking geboden. We investeren daarom in de continuering en versterking
van de regionale samenwerking binnen de lopende samenwerkingsverbanden van Medical
Delta (met Delft en Leiden), Clean Tech Delta (vooral met Delft) en voor het Haven Industrieel
Complex in Deltri-verband (met Drechtsteden en West-Brabant). Hierbij wordt voortgebouwd
op het advies van de EDBR naar aanleiding van het OECD rapport over het Hoger Onderwijs
(Regionale Kennisagenda 2010 – 2015).
Er is ook nauwe samenwerking tussen de samenstellende delen van de triple helix boven de
bestaan­de clusterinitiatieven noodzakelijk. Er is een start gemaakt met intensievere regionale
samen­werking op dit systeemniveau. De gemeente Rotterdam heeft hierbij neemt hierbij
de regierol.
De regionale dimensie wordt in de Innovatieagenda uitgewerkt.
26
27
Hoofdstuk 3
Concurrerende vestigingsvoorwaarden
Voor een ondernemer zijn goede bereikbaarheid, een adequate fysieke werklocatie en
een gezond en aantrekkelijk woonklimaat (voor zichzelf en het personeel) de belangrijkste
vestigingsfactoren. Maar ondernemers vinden ook de kwaliteit van de gemeentelijke
dienstverlening belangrijk.
3.1 Ruimtelijke vestigingsklimaat
Bij het ruimtelijk vestigingsklimaat gaat het, afhankelijk van de soort bedrijvigheid, om gebieden
en werklocaties.
3.1.1 Gebieden
Rotterdam voert integraal gebiedsgericht beleid uit bij de ontwikkeling van een gebied, waarbij
rekening wordt gehouden met economische, fysieke en sociale doelen. Het overkoepelende
economisch stadsbelang/beleid wordt gematcht met de specifieke gebieds­ontwikkeling.
Hierdoor wint de stad als geheel aan kwaliteit en gaat de ontwikkeling van het ene gebied niet
ten koste gaat van andere delen in de stad. Dit gebeurt samen met de deelgemeenten,
gemeentelijke diensten, instellingen, woningcorporaties, de markt en bewoners. Uiteindelijk doel:
genereren van een aantrekkelijk leef- en ondernemersklimaat. Het accent bij het gebiedsgericht
economisch beleid ligt op de binnenstad, Zuid en Stadshavens en – door middel van het
accountmanagement MKB – op het versterken van de wijkeconomie en functiemenging.
Stadshavens
Het Stadshavensprogramma vormt (in ruimtelijke en in economisch-functionele zin) de brug
tussen de mainport en de stad. Het fysieke brandpunt en boegbeeld is de ontwikkeling van
het RDM terrein. Hier wordt door innovatie, onderwijs en start-ups gewerkt aan technologie
en innovatie. Deze hebben zowel de haven als stad nodig om de komende decennia naast
elkaar door te groeien (clean tech delta). Vernieuwing en verduurzaming komen hier samen.
Het European China Centre is een goed voorbeeld van transformatie op korte termijn.
Omliggende wijken profiteren van de ontwikkelingen. De gemeente investeert daar namelijk
extra in onderwijs. Hierdoor kwalificeert de jonge, lokale beroepsbevolking zich voor de
banen die Stadshavens genereert.
Binnenstad
De binnenstad heeft met de ontwikkeling rond het Centraal Station (Central District Rotterdam,
(CDR)), in combinatie met de hogesnelheidstrein en Rotterdam - The Hague Airport, een
belangrijke troef in handen om internationaal opererend bedrijfsleven aan de stad te binden
(zakelijke dienstverlening, finance en insurance, energie). Het programma voor de binnenstad
heeft de ambitie dat er meer mensen gaan wonen en werken en meer bezoekers komen, die
langer blijven en meer besteden. Ook moet de binnenstad een plek zijn waar het aangenaam
is om te verblijven voor bezoekers, bewoners, studenten, bedrijven en investeerders.
Deze doelstellingen zijn in lijn met de economische doelen in het programma. De samenhang
tussen beide programma’s zit in de grote gebiedsontwikkelingen, zoals CDR, maar ook in
28
elementen als aanpak leegstand, plintenaanpak, bruisende binnenstad, verruimde
openingstijden en evenementen. Vanuit het programma wordt de nadruk gelegd
op een aantrekkelijk en onderscheidend vestigingsmilieu voor het internationale bedrijfsleven,
een sterk voorzieningenaanbod, een kwaliteitsimpuls voor het winkelaanbod en logische
verbindingen tussen de binnenstedelijke winkelgebieden.
Zuid
Het Nationaal Programma Kwaliteitssprong Zuid wil door middel van talentontwikkeling en het
benutten van het arbeidspotentieel, de problemen in Zuid aanpakken. De drie thema’s zijn: jeugd
en onderwijs, werk en economie en kwetsbare woonmilieus. De focus ligt op het benutten van de
economische potentie van de Stadshavens, Stadionpark, Zorgboulevard en Hart van Zuid.
Wijkeconomie en functiemenging
Het stimuleren en faciliteren van economische ontwikkeling in de wijk vraagt vaak om een
gebiedsgerichte aanpak. Maatwerk op het vlak van visie, netwerkvorming, samenwerking tussen
diensten onderling en de deelgemeente en het schakelen tussen operationeel (wat is er nu
nodig) en strategisch niveau (input voor hoger beleid/agendasetting). De gebiedsgerichte
aanpak wordt toegepast op de West Kruiskade en bij de grote gebiedsontwikkelingen zoals CS,
Hoboken en het Wijnhaveneiland. Ook zijn er stedelijke programma’s voor bedrijventerreinen
en winkelgebieden, die gebiedsgericht en op wijkniveau worden uitgevoerd. Wanneer vanuit
wijkeconomie gesproken wordt over functiemenging is het voornamelijk in gebieden waar wonen
de belangrijkste bestemming is maar waar ook ruimte is voor ondernemerschap en bedrijvigheid.
Functiemenging kent verschillende vormen. Variërend van zeer kleine, niet direct zichtbare
bedrijvigheid, tot woon-werkunits, bedrijfs- en winkelruimtes, grootschalige kantoorgebouwen en
bedrijfsverzamelgebouwen in de woonwijken. De focus van wijkeconomie ligt meer dan voorheen
op het versterken van wat goed en kansrijk is.
Wat willen we bereiken?
- Bij de uitwerking en inrichting van de diverse wijkplannen, maar ook de collegeprogramma’s
voor Zuid, de binnenstad en het programma Stadshavens, wordt rekening gehouden met de
vestigingskarakteristieken van de sterke Rotterdamse sectoren en het MKB.
Onze inspanningen en activiteiten
- Samen met de deelgemeenten werken aan de verbetering van de wijkeconomie.
- Stedelijke economische doelstellingen/beleid vertalen we in kansen en opgaven voor het
gebied, met het oog op de belangen en met draagvlak van stakeholders in het gebied. Input
leveren aan de gebiedsvisie, de gebiedsontwikkelingen en het stedelijk economisch beleid.
Gewenste inspanningen van samenwerkingspartners
- Aansluiting zoeken bij de (stedelijke) economische doelstellingen/beleid.
- Deelgemeenten werken aan een veilige openbare ruimte, waarin gehandhaafd wordt.
- Vastgoedeigenaren investeren mee in een aantrekkelijke omgeving.
- Woningcorporaties investeren mee in de economische ontwikkeling van wijken.
29
3.1.2 Werklocaties
Bedrijventerreinen
Er is nog altijd een gebrek aan voldoende kwalitatief goede bedrijventerreinen. Veroudering van
de terreinen leidt tot verschraling en het wegtrekken van bedrijven naar andere vestigingslocaties
buiten de regio. Het Rijk, de provincies en de gemeente hebben in 2010 afspraken gemaakt
over de uitgifte en herstructurering van bedrijfsterreinen. Partijen hebben afgesproken dat de
zogenaamde ‘SER-ladder’ van toepassing is en verkiezen herstructurering boven de uitgifte van
nieuwe terreinen. In stadsregionaal verband wordt samengewerkt in het Regionaal Herstruc­
turerings­overleg Bedrijfsterreinen (RHOB). Hierin worden ook de regionale herstructurerings­
middelen verdeeld.
Wat willen we bereiken?
- Betere aansluiting op de markt van huidige en toekomstige ondernemers.
- Adequaat aanbod voor verschillende sectoren, door revitalisering van verouderde terreinen,
functiemenging (realisatie van bedrijfsruimten binnen stedelijk gebied voor bedrijven in lage
Hinderwetcategorieën).en door het realiseren van nieuwe bedrijventerreinen.
Onze inspanningen en activiteiten
- Behoud van bestaande bedrijventerreinen voor bedrijven die niet gemengd kunnen worden
met wonen. Tegengaan van transformatie.
- Realisatie van nieuwe bedrijventerreinen Nesselande, Hoog Zestienhoven en Nieuw
Reijerwaard (Ridderkerk) en revitalisering van bedrijventerreinen (als eerste Spaanse Polder,
Noordwest, Hordijk, Gadering-Hoogvliet, Laagjes en Schiebroek).
- Functiemenging in stedelijk gebied.
- Realisatie en uitbouw van parkmanagement op Spaanse Polder, Noordwest, Hordijk,
Gadering-Hoogvliet, Laagjes en Schiebroek (samen met de partners).
- Eigenaren stimuleren hun vastgoed te onderhouden en/of te herontwikkelen om
waardevermindering tegen te gaan.
Gewenste inspanningen van onze samenwerkingspartners
- Provincie levert een subsidiebijdrage aan de herstructurering van bedrijventerreinen en stelt
provinciale herstructureringsopgaven vast. De provincie speelt een belangrijke rol in de
planning van nieuwe bedrijventerreinen.
- Regio stemt de planning van nieuwe bedrijventerreinen en de revitalisering van
bedrijventerreinen af (onderdeel Regionale Strategische Agenda (Stadsregio)).
- Rijk speelt een belangrijke rol bij de realisatie van infrastructuur en draagt bij aan de aanleg
van Nieuw Reijerwaard.
Kantoren
Door de stagnerende economie lopen vraag aanbod van werklocaties, zowel in de
kantorenmarkt als bij bedrijventerreinen, niet meer gelijk op. Wanneer alle plannen onverkort
worden uitgevoerd, neemt de leegstand toe. Dit heeft nadelige economische consequenties:
slecht voor het imago van gebieden, het draagvlak voor voorzieningen komt onder druk en
30
vastgoedeigenaren worden voorzichtig met investeringen in kwaliteit. Zonder nieuwbouw
wordt het echter lastig over voldoende kwalitatief hoogwaardige vestigingsmogelijkheden
te beschikken.
Wat willen we bereiken?
Minder leegstand in bestaande panden en overaanbod van nieuwbouwplannen. Wat is
marktconform voor het gebied en hoe verhoudt dit zich tot de integrale stedelijke ontwikkeling?
Deze vraag is aan de orde bij de herijking van gebiedsontwikkelingen, maar ook bij de toetsing
van projectprogramma’s. Uitgangspunt is dat de binnenstad (en in het bijzonder Central District)
en Stadshavens prioriteit hebben bij de programmering van nieuwbouw. Hetzelfde geldt voor de
aanpak van de leegstand. De genoemde gebieden hebben voorrang bij de omzetting van
verouderde kantoren naar andere economische functies of woningbouw.
Vernieuwing en aanvulling van verouderd/ontbrekend aanbod
Hoewel de nieuwbouwproductie omlaag moet, is vernieuwing van het vestigingsaanbod wel
nodig. Vooral om nieuwe bedrijven aan te trekken en geen bedrijven te verliezen in de
concurrentie met andere steden en regio’s. Verbreding wordt gezocht door een relatie te leggen
met de arbeidsmarkt: zijn locaties goed bereikbaar en leiden ze tot meer werkplezier?
Aanpak leegstand
Hoewel duidelijk is dat er meer leegstand is dan wenselijk, is de problematiek nog onvoldoende
uitgezocht. Leegstand kan voor de eigenaar problematisch zijn. Toch zijn er ook voorbeelden
van kantoren die vrijwel leeg staan, maar die voor de belegger toch rendabel zijn. In dat geval
is er soms sprake van maatschappelijke overlast. Bewoners en bezoekers van het gebied zien
verloedering ontstaan. Dit betekent dat, afhankelijk van het type leegstand, er een aanpak op
maat moet komen. Eventueel is het ook mogelijk af te wachten als er geen direct probleem
is voor eigenaar en de gemeente. In de gevallen van gewenste aanpak wordt met eigenaren en
andere indirect betrokkenen via tenminste vijf pilots (gezamenlijk onderzoek naar mogelijkheden,
met eventueel onorthodoxe maatregelen) naar oplossingen gezocht. Op 13 April 2011 is hier
door de gemeente met marktpartijen het Convenant Aanpak Leegstand Kantoren gesloten.
Prioriteit – Kantorenleegstand
Samen met marktpartijen wordt de kantorenleegstand
aangepakt, door transformatie, de sloop van panden op
specifieke locaties, het ontwikkelen van gericht instrumentarium
en de (regionale) programmering van nieuwbouw.
31
Afstemming met regio en marktpartijen
De gemeente kan de aanbodontwikkeling en acquisitie van nieuwe bedrijven niet onafhankelijk
van anderen sturen. Zowel bij regio-gemeenten als bij diverse marktpartijen ontbreekt echter
een duidelijk beeld van de huidige situatie en het toekomstperspectief. Door de kennis van
werk­­locaties te delen ontstaat inzicht en vertrouwen om gezamenlijk, en in onderlinge afstemming,
te werken aan de twee eerder genoemde gewenste effecten.
De Navigator Werklocaties geeft 2x per jaar een stand van zaken van vraag en aanbod
op de verschillende vastgoedmarkten. Behalve bedrijventerreinen, kantoren en winkels wordt ook informatie over horeca en maatschappelijke voorzieningen geleverd.
Onze inspanningen en activiteiten
- Opzetten, verder ontwikkelen en de beleidsinterpretatie van de Navigator Werklocaties.
- Aanpak leegstand.
- Accountmanagement en kennisontwikkeling.
Gewenste inspanningen van samenwerkingspartners
- Om meer marktconform aanbod te ontwikkelen, meer verouderde kantoren uit de markt
te nemen en draagvlak voor een nieuwe koers te krijgen is vooral consultatie van grote
kantoorgebruikers (via accountmanagement) en investeerders/beleggers gewenst.
Gesprekken met Den Haag, Delft en Breda zijn nodig.
Detailhandel en winkelgebieden
De detailhandel is sterk in beweging, zowel aan de vraag- als aanbodzijde. Rotterdam kent forse
volumes aan geplande winkelontwikkeling. De totale plannen lopen op tot zo’n 40% van het
totale winkelaanbod. Vooral gericht op niet-dagelijks producten én vooral op Zuid. De inschatting
is dat, kijkend naar een beperkte bevolkingsgroei en koopkracht, de uitbreidingsruimte beperkt
is. Om overprogrammering te voorkomen, is sturing noodzakelijk.
Wat willen we bereiken?
Rotterdam streeft naar een evenwichtige detailhandelsstructuur, waarbij samenhang is tussen
de verschillende winkelgebieden. De detailhandelsmarkt is een verdringingsmarkt. Daarom
wordt steeds een afweging gemaakt welke aanpassingen noodzakelijk zijn voor een optimale
functionerende structuur. Bij deze afweging staat de wens en het gedrag van de consument
centraal en moet flexibel ingespeeld worden op de veranderingen in de retailmarkt. Rotterdam
staat open voor vernieuwing en biedt hieraan ruimte, maar niet ten koste van een evenwichtige
en bestaande winkelstructuur. Kwaliteit is belangrijker dan kwantiteit. De Detailhandelsvisie en
de herijking van het Actieprogramma Winkelgebieden geven hier verdere invulling aan.
32
Onze inspanningen en activiteiten
Opstellen en uitvoeren Detailhandelsvisie, bestaande uit:
- De Detailhandelsnotitie voor de binnenstad;
- Een Vitaliteitscan van de winkelgebieden. Dit benoemt de gebieden die levensvatbaar zijn
en gebieden waarvoor een andere invulling wordt gezocht. Het functioneren wordt beoordeeld
op de ontwikkeling van aanbod, de branchering, trekkers, leegstand, huurniveaus, verloop
winkeliers, uitstraling, bereikbaarheid, nieuwbouw(plannen) en koopkrachtontwikkeling.
Op basis hiervan wordt de inzet bepaald;
- Perifere detailhandelsvestigingen/grootschalige detailhandelsvestigingen; een afweging van
de verschillende gebieden.
De detailhandelsvisie is medio 2011 gereed voor besluitvorming.
Gewenste inspanningen van samenwerkingspartners
- Afstemming met ontwikkelaars en eigenaren over de ontwikkeling en programmering van
(nieuwe) locaties, zodat deze goed gebrancheerd worden.
- Realiseren van een kwalitatieve impuls. Samen met de markt wordt bepaald welke projecten
hieraan bijdragen.
3.2 Bevorderen van het ondernemerschap
Ondernemerschap staat aan de basis van de concurrentiekracht van onze economie. En het
MKB heeft een belangrijke functie in de economische structuur. Starters en kleine bedrijven
kunnen makkelijk in niches springen en brengen innovaties naar de markt. De aanwezigheid van
een sterk MKB is aantrekkelijk voor grote bedrijven, die gebaat zijn bij goede toeleveranciers.
De allerkleinste bedrijven vormen de opstap vanuit studie of loondienst naar ondernemerschap.
Het Rotterdamse MKB zit door alle sectoren heen en verbindt deze met elkaar.
Starters en bestaande ondernemers lopen nogal eens vast in de gemeentelijke organisatie of
hebben moeite bij het aanvragen van ondernemersproducten (lening, subsidie, huisvesting,
vergunning, personeel etc.). Een verbeterde dienstverlening aan ondernemers helpt hen zich te
concentreren op de kerntaak. Dat is ondernemen.
Om het ondernemerschap maximaal te faciliteren, worden drie wegen bewandeld:
dienstverlening aan ondernemers, wegnemen administratieve lasten & irritaties bij de
ondernemer en het startersbeleid.
3.2.1 Dienstverlening aan ondernemers
Startende en gevestigde ondernemers hechten veel waarde aan een centraal en helder
aanspreekpunt, de ‘front office’. Dit kan zowel een digitaal als fysiek bedrijvenloket zijn.
De dienstverlening bestaat uit het verstrekken van de juiste informatie via het ‘één ingang,
één uitgang’ – principe en een goede doorverwijzing naar de geschikte organisatie.
33
Wat willen we bereiken?
- De houding van de gemeente wordt meer ondernemersgericht en de dienstverlening aan
ondernemers wordt sneller en beter:
• 50% van de MKB ondernemers (22.000) kent het centrale loket van de gemeente.
• 7.000 klantcontacten (aan de balies en virtueel) per jaar.
• De ondernemers waarderen de dienstverlening met een 7.
• De contacten met de front office leiden tot de vestiging van nieuwe bedrijven in Rotterdam en het oplossen van problemen van ondernemers die vastlopen.
Onze inspanningen en activiteiten
- Het verstrekken van snelle en juiste informatie aan ondernemers via één ingang, één
uitgang’-principe en bemiddelen voor ondernemers die vastlopen in de ambtelijke organisatie.
- Uitbouw van digitale aanvraag en uitgifte ondernemersproducten via Mijn Loket voor
bedrijven, invoering van e-herkenning en een 1410 nummer voor ondernemers.
- Het inrichten van een regiebureau op ondernemersproducten.
3.2.2 Reductie administratieve lasten en aanpak irritatie top-10
Regeldruk hoort bij de moderne samenleving, maar het betekent voor de ondernemer verloren
tijd en dus geld. Administratieve lasten voor Rotterdamse bedrijven worden geraamd op € 1,9
miljoen per jaar. De regeldruk moet dus tot het uiterste worden teruggedrongen. Waar dat niet
mogelijk is, moet een goede dienstverlening het leed verzachten. Maar er zijn ook andere
irritatiefactoren, zoals het lokettenprobleem, wachttijden en tegenstrijdige regels.
De irritatie top-10 is als volgt:
1. Het doorverwijzen binnen de gemeente
2. De wijziging van regels
3. Afhandelingtermijnen van correspondentie
4. Communicatie over geplande wegwerkzaamheden
5. Communicatie tussen deelgemeenten en gemeentelijke diensten
6. Bereikbaarheid en parkeerplaatsen voor ondernemers
7. Te weinig zones voor ondernemers waar tijdelijk minder regels gelden
8. Mogelijkheden van laden en lossen
9. Veiligheid op straat
10. Het opbreken van winkelstraat/weg naar uw onderneming
Het is nodig die irritaties zoveel mogelijk weg te nemen door middel van de verbeter top-10.
Dit kan door procesaanpassing, betere samenwerking tussen diensten. Maar soms ook
gewoon door de gang van zaken beter uit te leggen en door een klantgerichte instelling.
34
Prioriteit – Wegnemen irritaties
De irritaties van ondernemers die hun oorsprong vinden in
handelen of nalaten van de gemeente wegnemen.
Wat willen we bereiken?
- In 2013: 15% vermindering van de administratieve lastendruk voor ondernemers in de
non-profit en profit sector ten opzichte van 2009 (volgens het standaard kosten model).
- Daarnaast houden we de irritatie top-10 bij op basis van enquêtes en gesprekken met
ondernemers. Samen met de stakeholders, inventariseren we mogelijke oplossingen en
pakken ze aan als de irritaties zijn terug te voeren op handelen of nalaten van de gemeente.
De irritatie top-10 wordt elk jaar samengesteld.
Onze inspanningen en activiteiten
- Terugdringen lastendruk en voorkomen nieuwe regeldruk.
- Afschaffen van de reclame en precario belasting.
- Aanpak irritatie top-10, inclusief het garanderen van oplossingen.
- Aanwijzen van twee zones waar tijdelijk minder regels gelden (regelvrije zones).
Wat vragen we van samenwerkingspartners
- De partijen van het convenant ‘Vermindering Regeldruk Ondernemers’ (KvK, MKB Rotterdam,
Deltalinqs, EDBR, VNO CNW en Gemeente Rotterdam) leveren ondernemers voor de pilot
‘Digitale Uitgifte Ondernemersproducten’ van de gemeente Rotterdam.
- Ondernemers spannen zich in voor een correcte en volledige subsidie- of vergunningaanvraag.
3.2.3 Stimuleren ondernemerschap
Nieuw ondernemerschap is een belangrijke bron van economische dynamiek. Elk jaar starten
circa 5.000 Rotterdammers een eigen bedrijf. Rotterdam blijft hiermee nog achter bij de andere
grote steden. We gaan daarom door met promoten van goed voorbereid ondernemerschap bij
allerlei doelgroepen, van jong tot niet meer zo jong.
Wat willen we bereiken?
- De mogelijkheden om een eigen bedrijf te starten zijn bekend bij alle Rotterdammers.
Voor specifieke groepen, jongeren en hoger opgeleiden, organiseren we aparte
bijeenkomsten en evenementen. Belemmeringen om te starten worden zoveel
mogelijk weggenomen.
35
Onze inspanningen en activiteiten
- Wegnemen belemmeringen voor starters.
- Verzorgen van workshops, presentaties en voorlichtingsbijeenkomsten.
- Competities en het uitwisselen van ervaringen (the Enterprize), coaching voor jonge
ondernemers (Your Navigator).
Gewenste inspanningen van samenwerkingspartners
- Zorg dragen voor de kennis van, en ingangen tot, externe keten ondernemersproducten KvK,
belastingdienst, makelaars, woningbouwcorporaties, adviesbureaus, financiële instellingen,
ondernemersverenigingen, netwerkorganisaties.
- Intensieve samenwerking met deelgemeenten en Ondernemersbalie/Ondernemershuis Zuid.
- Bijdrage aan bevorderen ondernemerschap in onderwijs door kennisinstellingen6.
3.3 Aantrekkelijke stad
Een stad die aan hoge standaarden voldoet rond wonen, buitenruimte, cultuur en voorzieningen
trekt makkelijk studenten, hoger opgeleiden en bedrijven aan. De aantrekkelijkheid van de stad
is voor iedereen, maar zeker ook voor hoger opgeleiden (en daarmee ook voor bedrijven), een
steeds belangrijkere reden om zich in een stad te vestigen en er te blijven. Om onderscheidend
te zijn voor deze doelgroep moet Rotterdam goede banen bieden, maar vooral ook een fijne
plek zijn om in te verblijven. Wij moeten daarom blijven werken aan imago, kwaliteit, diversiteit
en samenhang in het aanbod van (vrijetijds)voorzieningen, sterke consumentendiensten (zoals
horeca, sport, cultuur) en evenementen. Dit gebeurt in het programma Economie en Arbeidsmarkt
en daarin zit ook de verbinding met het programma Binnenstad.
Wat willen we bereiken?
- Een aantrekkelijk woon- en verblijfsklimaat, dat mensen aantrekt en bindt; bewoners,
studenten, werknemers en bezoekers, zowel met toeristisch als zakelijk motief.
Onze inspanningen en activiteiten
- Marketing en promotie: met het oog op specifieke doelgroepen wordt het aanbod aan cultuur,
sport, winkelen, horeca, evenementen en uitgaan in samenhang aangeboden. Voorbeelden
van product-marktcombinaties zijn: winkels later open voor werknemers en bewoners, het
stimuleren van meerdaags, herhalings- en combinatiebezoek van toeristen en zakelijke
bezoekers en meertalige informatievoorziening.
- Productontwikkeling: meer onderscheidend en divers aanbod in cultuur, sport, winkels,
horeca, evenementen en uitgaansgelegenheden. Met scherpere kwaliteitseisen voor
evenementen onderscheidt Rotterdam zichzelf.
6. Hogeschool Rotterdam, InHolland, EUR en het ROC werken aan een plan om talentontwikkeling en ondernemerschap in
opleidingen te stimuleren en aansluiting te zoeken met het bedrijfsleven.
36
- Productvernieuwing: marktinitiatieven die passen in het beleid, worden geholpen met
bijvoorbeeld de zoektocht naar locaties, panden en door eventuele knelpunten in wet- en
regelgeving op te lossen.
Gewenste inspanningen van samenwerkingspartners
- Onder regie van de gemeente maken de partners, zoals Rotterdam Marketing, Rotterdam
Festivals, Rotterdam Topsport, stichting Woonpromotie en branchevertegenwoordigers
Rotterdam nog aantrekkelijker.
3.4 De regionale dimensie
De stad Rotterdam heeft een belangrijke regionale verzorgingsfunctie met tal van voorzieningen,
waar ook bewoners en bedrijven van de omliggende regio gebruik van maken. Rotterdam vormt
daarmee het kloppend hart van een aantrekkelijke en ondernemende Rotterdamse regio.
Als je kijkt naar de werklocaties vraagt dat om versteviging van de regionale samenwerking.
Het terugdringen van structurele leegstand op de kantorenmarkt en de nieuwe ontwikkelingen
op een beperkt aantal sterke locaties, vereisen afspraken in regionaal verband. Om te beginnen
binnen de stadsregio, maar ook op hogere regionale schaalniveaus, bijvoorbeeld met Den Haag.
Bij bedrijventerreinen moet de profilering van de verschillende terreinen meer marktconform
worden. Op het gebied van detailhandel gaat het om het actualiseren van de regionale visie.
Van hieruit worden regionale afspraken gemaakt over onder andere de ontwikkeling van
grootschalige en perifere detailhandel.
Met de uitbouw van de Rotterdamse Navigator Werklocaties naar het schaalniveau van de
stadsregio Rotterdam, en op termijn naar de Metropoolregio Rotterdam – Den Haag en
Del Tri-regio, wordt een belangrijke bron van informatie aangeboord voor het onderbouwen
en implementeren van in regionaal verband gemaakte afspraken.
37
Hoofdstuk 4
Versterken accountmanagement en acquisitie
In Rotterdam zijn circa 22.000 bedrijven en instellingen (24.000 vestigingen) te vinden. Dit
bestand verandert voortdurend, door de komst van nieuwe bedrijven en instellingen of vanwege
nieuwe vestigingen van de al aanwezige bedrijven. Door goede contacten met het bedrijfsleven
en instellingen weet de gemeente wat hen beweegt en wordt ingespeeld op de vestigings­
wensen. Met behulp van accountmanagement wordt ook stuurinformatie voor het arbeidsmarkt­
programma en informatie over de staat van de economie verzameld en worden het bedrijfsleven
en instellingen over het gemeentelijk beleid geinformeerd. Accountmanagement wordt ook
gebruikt om gemeentelijke doelen te realiseren, bijvoorbeeld door het bedrijfsleven te verleiden
actief te zijn op de arbeidsmarkt. We streven naar een goede balans tussen halen en brengen.
Het accountmanagement wordt aangeboden aan drie doelgroepen: bedrijven die tot de
zogenaamde top-100 behoren, het MKB en de meest toonaangevende non-profit organisaties en
instellingen in het onderwijs, medisch en zorg, cultuur en sport. Voor elk van deze drie
doelgroepen komt een aanspreekpunt.
Tabel 6
Aantal Rotterdamse vestigingen van bedrijven en instellingen
Bron: Bedrijveninfo Zuid-Holland.
groot
MKB
bedrijf
>10
>50
>100
<10 wp*
<50
<100
<250
>250
industrie, energie, water en landbouw
1.074
209
43
44
23
1.393
bouwnijverheid
1.852
212
40
20
7
2.131
categorie / sector
totaal
groothandel
1.301
244
32
11
2
1.590
detailhandel en reparatie
3.626
494
63
47
14
4.244
horeca
1.334
190
21
6
2
1.553
transport
774
256
50
25
9
1.114
post en telecommunicatie
199
29
7
11
5
251
bank en verzekering
259
71
16
12
11
369
5.365
665
116
57
33
6.236
126
zakelijke dienstverlening
openbaar bestuur en overheid
onderwijs
gezondheids- en welzijnszorg
overige dienstverlening
Totaal
*wp = aantal werkzame personen.
12
45
26
22
21
378
309
27
5
8
727
1.652
559
86
81
43
2.421
1.894
187
27
17
3
2.128
24.283
3.470
554
358
181
24.283
38
4.1 Accountmanagement
We zien het belang in van goed accountmanagement, dat zich bezig houdt met bedrijven en
instellingen die de Rotterdamse economie versterken. Het gaat hier om partijen die de stad
versterken (met uitbreidingsplannen of netwerk meebrengen), hoogwaardige arbeidsplaatsen
bieden en/of de sterke clusters ondersteunen.
Prioriteit – Versterken accountmanagement
Met de belangrijkste accounts uit het bedrijfsleven (top-100 en
MKB) en de instellingen worden jaarlijks gesprekken gevoerd.
Hierover wordt viermaandelijks gerapporteerd.
Zoals gezegd richt het accountmanagement zich op drie doelgroepen:
1. De top-100 bedrijven: Met een groep bedrijven en instellingen die door hun omvang,
internationale netwerk of uitstraling veel voor de stad betekenen gaan we een één op één
relatie aan. Dit is de top-100. Hierdoor kunnen zij zich goed ontwikkelen en behalen wij de
gezamenlijke doelen die van belang zijn voor de ontwikkeling van de Rotterdamse economie.
Dit noemen we ‘Current Investor Development’ (CID).
2. Accountmanagement MKB: Van de 22.000 bedrijven en instellingen in Rotterdam behoort
95% tot het MKB. In totaal zijn zij verantwoordelijk voor ruim 72% van de totale
werkgelegenheid. Dit is een hele brede, heterogene groep. Door versterking van
accountmanagement voor het MKB willen we beter zicht krijgen op wat leeft, welke
problemen er zijn en welke informatiebehoefte er is. Het is niet mogelijk, maar ook niet nodig,
relaties te onderhouden met alle MKB ondernemers in de stad. Accountmanagement voor het
MKB gaat daarom uit van key-accountmanagement gericht op drie doelgroepen:
• Ondernemerscollectieven: relaties opbouwen met deze groepen is van groot belang om te weten wat er leeft in de stad, om beleid van de gemeente te toetsen en om input te vragen van ondernemers.
• Gebiedsgericht: per relevant gebied stellen wij een lijst van ‘smaakmakers’
(key accounts) van MKB-ondernemers op.
39
•
Themaspecifiek accountmanagement: identificeren van ontwikkelingen en knelpunten bij specifieke groepen MKB-bedrijven. Denk aan het haven- en industriecomplex en de Medische en Zorgsector. Maar ook bijvoorbeeld de vrijetijdssector, creatieve sector, detailhandel, starters, bedrijven op bedrijventerreinen en innovatieve starters kunnen om een speciale inzet vragen. Jaarlijks stellen wij de thema’s en acties vast.
3. Accountmanagement instellingen: De non-profit organisaties en instellingen in het onderwijs,
medisch en zorg, cultuur en sport zijn van belangrijk voor de economie. Het aandeel van
instellingen in de Rotterdamse werkgelegenheid groeide het laatste decennium aanzienlijk tot1
meer dan 25% op dit moment. Het is relatief hoogwaardige arbeid. De maatschappelijke
voorzieningen die zij voortbrengen zijn van groot belang voor de centrumfunctie van de stad.
Deze organisaties zijn belangrijke partners in de samenwerking met overheid en bedrijfsleven
op het gebied van innovatie en arbeidsmarktbeleid.
figuur 2
Accountmanagement voor bedrijfsleven en instellingen
Bron: Stadsontwikkeling.
ondernemers
collectieven/
netwerken
accountmanagement
top 100
accountmanagement
instellingen
min. 1 x contact per jaar
min. 1 x contact per jaar
gebiedsgericht
deelgemeente
accountmanagement
MKB
thema specifiek
dienstverlening op verzoek
ondernemers
MKB
instellingen
één op één relatie
één op één relatie
current investor development
ondernemers
top 100
Ondernemersbalie
Ondernemershuis Zuid
Mijn Loket (virtueel)
accountmanagement pro-actief
accountmanagement reactief
initiatief bij gemeente
initiatief bij ondernemer
40
Wat willen we bereiken?
- De accounts van bedrijven en instellingen voor de stad behouden en/of hun activiteiten
verder uitbreiden.
Onze inspanningen en activiteiten
- Door deze bedrijven en instellingen op gestructureerde wijze te benaderen, voelen bedrijven
en instellingen zich welkom, ontvangen we feedback over het investeringsklimaat en toetsen
we of Rotterdam een rol kan spelen in behoeften van bedrijf of instelling.
- De accounts worden elk jaar bezocht, gefaciliteerd en geëvalueerd.
Gewenste inspanningen van samenwerkingspartners
- Accountmanagement gaat over het aangaan en onderhouden van relaties. Van onze partners
verwachten wij dat zij investeren in de relatie met de gemeente; dat zij open communiceren
met de accountmanagers en bereid zijn actief informatie te delen.
4.2 Acquisitie
We richten ons op acquisitie van bedrijven die goed zijn voor de Rotterdamse economie.
Het gaat hierbij om bedrijven die de investeringen in de stad versterken (met uitbreidingsplannen
of een netwerk meebrengen), hoogwaardige arbeidsplaatsen bieden en/of de sterke clusters
versterken. De speerpuntsectoren zijn het haven- en industriecomplex en gerelateerde business
waaronder clean tech delta, zakelijke dienstverlening, medisch en creatief. De acquisitie is met
name gericht op de landen USA, China, Duitsland, UK, Brazilië, India en Turkije. Voor het
aantrekken van nieuwe bedrijven spelen de dienstverleners in de stad en het (internationale)
netwerk van de top-100 een belangrijke rol.
Prioriteit – Versterken acquisitie
Eind 2013 zijn minimaal 100 investeringsprojecten gerealiseerd
ten opzichte van begin 2010.
41
Onze inspanningen en activiteiten
- Bedrijven opsporen (identificeren en benaderen) en bedienen (informatie, introductie in
netwerken en praktische assistentie) om investeringsprojecten te behouden, uit te breiden
of aan te trekken.
Gewenste inspanningen van samenwerkingspartners
- Er is een consultatiegroep acquisitie, die fungeert als klankbord.
4.3 De regionale dimensie
Rotterdam staat internationaal goed bekend als het gaat om de acquisitie van internationale
bedrijven, in het bijzonder gerelateerd aan de Rotterdamse haven. Rotterdam maakt samen met
Den Haag, Delft en Leiden deel uit van een grotere stedelijke regio. Dit maakt Rotterdam voor
bedrijven aantrekkelijk als vestigingsplaats.
Sterkere externe profilering van deze brede regionale context komt de acquisitieresultaten van
Rotterdam ten goede. Daarom wordt in de komende periode de samenwerking binnen de
stadsregio Rotterdam op het gebied van gezamenlijke promotie, acquisitie en account­
management versterkt. Daarnaast wordt de gezamenlijke externe profilering van Rotterdam als
onderdeel van de Metropoolregio Rotterdam - Den Haag geïntensiveerd. Beide steden nemen
het voortouw om een samenwerkingsagenda tussen beide Investment Agencies (RIA en WFIA)
voor de periode 2010 – 2014 op te stellen. Doelen zijn daarbij om, waar nuttig en nodig:
- Buitenlandse missies af te stemmen;
- Gezamenlijke internationale promotieactiviteiten te organiseren;
- Samen op te trekken naar het NFIA.
42
43
Hoofdstuk 5
Voorwaarden voor succes
5.1 Draagvlak en krachtenbundeling
De gemeente richt zich in het economisch beleid vanouds op acquisitie, op bepaalde specifieke
investeringen in het economisch klimaat en op het creëren van goede vestigingsvoorwaarden.
Als opdrachtgever en werkgever is de gemeente een belangrijke economische actor. De huidige
opgave vraagt echter veel meer dan deze gemeentelijke inzet alleen. Daarvoor zijn de
gebundelde kennis en creativiteit van het bedrijfsleven, kennisinstellingen, intermediairs en
maatschappelijke organisaties nodig. Inzet van gemeentelijke diensten en partners in stad en
regio wordt gecoördineerd en uitvoeringsactiviteiten worden op elkaar afgestemd. De toekomst
van onze economie is het gemeenschappelijk belang van overheid, bedrijven, intermediaire
organisaties, instellingen en andere stakeholders: het is een gemeenschappelijke business case.
Het is elementair de stedelijke partners te binden. In lijn met het EDBR advies wordt daarom
een Strategisch Beraad ingericht, waarin bestuurders van gemeente, grote bedrijven
en organisaties overleggen over koers en aanpak en samen aan oplossingen werken.
Het Strategisch Beraad adviseert tevens over het programma Arbeidsmarktontwikkeling.
Het Strategisch Beraad wordt samengesteld uit bestuurders van gemeente en
vertegenwoordigers van het regionaal economische veld. Het komt eens per kwartaal
bijeen om te overleggen over een strategisch thema. De gemeente voert samen met
de EDBR de regie.
5.2 Sturen op resultaat
Bij de sturing wordt gebruikt gemaakt van de filosofie en de instrumenten van het programma
management7. In dit programma staan de doelstellingen en de te realiseren resultaten, wordt de
gemeentelijk inzet van middelen en mensen omschreven en wordt duidelijk welke inspanning
van samenwerkingspartners wordt verwacht. De sturing van het programma is als volgt:
- Afspraken over de richting en de uitvoering van het programma worden in het Strategisch
Beraad gemaakt. Het programma fungeert als een gezamenlijke, ‘levende’ agenda, die door
de samenwerkingpartners wordt gedragen.
- Het college, vertegenwoordigd door de portefeuillehouders, is bestuurlijk opdrachtgever van
het programma. Koersbepaling, de voortgang en afstemming binnen programma Economie
en Arbeidsmarkt, worden besproken in de staf Economie – Arbeidsmarkt.
7. Als bijlage is een zogenoemd Doel Inspanningen Netwerk (DIN) opgenomen
44
- De programmadirecteur Economie, tevens programmadirecteur Arbeidsmarkt,
is ambtelijk opdrachtnemer. De programmadirecteur stuurt op het bereiken van de
programma­doelstellingen.
- Voor de afstemming en de sturing in het concern wordt een directieteam ingericht, bestaande
uit programmadirecteur Economie en arbeidsmarktontwikkeling (voorzitter), JOS, SoZaWe,
Stadsontwikkeling, DKC, S&R BSD. Ook de Stadsregio is in het directieteam vertegenwoordigd.
5.3 Versterken van kennis en begrip van de economie
Om het beleid en de samenwerking goed in te richten is het nodig te begrijpen hoe de economie
werkt. Er is veel kennis bij alle betrokken partijen, maar dit wordt nog onvoldoende gedeeld en
benut. Daarnaast vinden de duiding en interpretatie van gegevens, en het vertalen van kennis
naar strategie, beleid en uitvoering, nog te veel op ad hoc basis en te zeer door de gemeente
alleen plaats. Samen met de stedelijke partners wil het college de kennis beter ontsluiten en
benutten, de denkfunctie versterken en ervoor zorgen dat de benodigde kennis en instrumenten
beschikbaar komen.
Prioriteit – Versterken kennis en begrip van de economie
De samenwerkingspartners zorgen voor een actuele, goed
onderbouwde SWOT van de regionale economie, werken
gezamenlijk aan het aanscherpen van de toekomststrategie,
aan input voor het jaarlijks bij te stellen uitvoeringsprogramma
Economie en Arbeidsmarkt en aan stuurinformatie voor
de collegeprogramma’s en voor de economie belangrijke
beleidsterreinen.
Wat willen we bereiken?
- Een sterke, vraaggericht ontsloten informatiebron, waarmee ingespeeld wordt op de
informatiebehoefte van partijen in de regio (bedrijfsleven, instellingen, regionale publieke
partners). Onderwerpen: economische situatie en kansen en bedreigingen.
- We weten hoe wij er economisch voorstaan, hoe de economie werkt (het economisch DNA),
een breed gedragen visie en langetermijnstrategie wordt vertaald naar handelingsperspectief.
45
- Aan het einde van deze collegeperiode is een goed onderbouwd, breed gedragen langetermijnperspectief beschikbaar (bijvoorbeeld: scenarioanalyse en toekomststrategie 2050).
Voor de economische index maken we gebruik van het vitaliteitsweb van de Economische
Verkenning Rotterdam, dat een beeld geeft van hoe de belangrijkste factoren inwerken op
de regionale en stedelijke economie. Daarbij wordt vooral gekeken naar de elementen die
lokaal door de gemeente kunnen worden beïnvloed, zoals omvang, opleiding en ervaring
van de bevolking en de kwaliteit van woon-, werk- en leefklimaat. In de index worden deze
begrippen vertaald naar baankans (werkgelegenheid), arbeidsinkomen en koopkracht
(economische groei) en innovatiescore en aandeel kenniswerkers (arbeidsproductiviteit),
zodat duidelijk wordt hoe de statistische kernvariabelen zich verhouden tot de beleving van
de economie door inwoners, werkzame personen en werkzoekenden. De ontwikkeling van
de uitzendbanen, de omvang van de investeringen en het aantal kennisintensieve starters
worden gebruikt als een barometer voor de verwachte ontwikkeling.
Onze inspanningen en activiteiten
- Uitgeven van de Economische Verkenning Rotterdam, de Werkgelegenheidsmonitor en
de monitor Werklocaties. De feiten die hieraan ten grondslag liggen worden ontsloten en
vertaald, zodat hiermee de economische kant van het gemeentelijke beleid wordt belicht.
Vormen hiervoor zijn de economische index, de SWOT en het economisch dashboard.
- Deze informatieverschaffing wordt verbreed, zodat ingespeeld wordt op de informatiebehoefte
van bedrijfsleven, organisaties, regionale publieke partners ruimtelijk-economische en
sociaal-economische situatie, trends en ontwikkelingen (kenniscentrum).
- Opstellen van de Economische index.
- Samen met de partners monitoren en analyseren van de economische situatie. Signaleren
van trends en het onderbouwen van uitvoeringsactiviteiten. In de geest van het EDBR advies
Beter Bestuur wordt een Analysegroep ingericht.
De Analysegroep bestaat uit een kleine vaste kern bestaande uit de gemeente (trekker),
EDBR secretariaat, Havenbedrijf Rotterdam, aangevuld – afhankelijk van het onderwerp –
met experts van bedrijven en kennisinstellingen.
Gewenste inzet van samenwerkingspartners
- Bijdragen en meewerken aan het verzamelen van gegevens. Samenwerken bij het ontsluiten
en interpreteren van deze gegevens.
- Het meedenken over de economische visie en koers en het deelnemen aan de activiteiten die
in de analysegroep worden georganiseerd.
46
5.4 ‘Economie’ richtinggevend in concern
Economie is meer dan alleen werk en bedrijvigheid. Aspecten zoals aantrekkelijk wonen, goede
opleidingen en een breed cultuuraanbod zijn net zo goed een onderdeel van de Rotterdamse
economie. Een economische analyse maakt het mogelijk vooraf effecten in te schatten en
achteraf een oordeel te vellen over het effect van onze acties. Dit kan op een veel breder terrein
dan alleen dat van werk en bedrijvigheid. Gegevens en begrip van de werking van de economie
zijn dan essentieel om het beleid te voeden dat invloed heeft op de economie.
Aan het eind van de collegeperiode wil het college dat er beter wordt ingespeeld op wat voor
de economie wenselijk is en dat de benodigde informatie beschikbaar is. Als eerste stap wordt
een motiveringsplicht ingesteld voor nieuwe voorstellen, waardoor beter op de verbinding met
economie kan worden gestuurd. Binnen de diensten moet ook veel meer economisch gedacht
worden: economie moet onderdeel zijn van het DNA van de medewerkers.
Prioriteit – ‘Economie’ geeft richting in concern
In alle relevante nieuwe gemeentelijke ruimtelijke, juridische
en beleidsmatige kaders is een economische paragraaf
opgenomen, waarin is aangeven op welke wijze wordt
ingespeeld op het bereiken van de economische doelen.
5.5 Samenhang met de ander collegeprogramma’s
Elk collegeprogramma heeft zijn eigen perspectief en doel. Maar op onderdelen raken zij
elkaar. Zo hebben het programma Binnenstad en het programma Economie en Arbeidsmarkt
gezamenlijke belangen en inspanningen om het vestigingsklimaat te verbeteren en versterken
elkaar dus. Waar de samenhang in het programma Economie aan de orde is, is die in de
tekst geduid.
Ten aanzien van de lobby richting andere overheden wordt de samenhang met andere
collegeprogramma’s gezocht.
47
5.6 Focus op de regio
De economie van Rotterdam is onderdeel van het internationale economische netwerk, maar
is ook nauw verbonden met de omliggende regio. Rotterdam vervult met een groot aantal
voorzieningen een regionale verzorgingsfunctie. Rotterdamse bedrijven en kennisinstellingen
onderhouden nauwe contacten met bedrijven en kennisinstellingen in het regionale netwerk
en ook de Rotterdamse arbeidsmarkt kent een grote regionale component. Het economisch
beleid heeft daarmee invloed op ontwikkelingen in de regio en andersom. Het economisch
belang van Rotterdam, en van de omliggende regio, vraagt daarom om nauwe samenwerking
met overheden, kennisinstellingen en bedrijven buiten de stad. We doen dit in de overtuiging
dat regionale samenwerking bijdraagt aan het realiseren van de economische doelstellingen.
Dit uitgangspunt levert voor het programma geen additionele inhoudelijke doelstellingen op
vanuit de regionaal-economische activiteiten.
Prioriteit – Regionale afstemming
Met onze regionale partners de uitvoering oppakken van de
regionale economische agenda’s.
In deze collegeperiode:
• Onze kansrijke innovatieve clusters verankeren wij sterker in het regionale netwerk van
bedrijven, kennisinstellingen en overheden. Op deze manier vergroten wij de spin-off naar
de stad.
• We leiden meer buitenlandse bedrijven naar de regio, door intensiever samen te werken op
het gebied van promotie en acquisitie.
• We streven naar een regionaal gedeeld ambitieniveau als het gaat om de dienstverlening aan
ondernemers en de administratieve lastendruk.
• Het overaanbod van werklocaties op het gebied van kantoren en winkels vraagt om
gezamenlijke actie in regionaal verband. Op het gebied van bedrijventerreinen, in het
bijzonder havengerelateerd, zijn juist regionale inspanningen nodig om voldoende ruimte voor
bedrijven te bieden.
• We bespreken het voorzieningenpeil regiobreed.
• We geven de regionale dimensie van de relatie onderwijs en arbeidsmarkt vorm door samen
te werken aan het versterken van de relaties tussen onderwijs en bedrijfsleven.
3
48
figuur 3
Regionale samenwerking per opgave
Logistiek & Transport (o.a. Deltrisamenwerking (met Drechtsteden en
West-Brabant), Dinalog, SMART Port)
Chemie & Energie (o.a. Petrochemie, Gasrotonde,
RCI, Clean Tech Delta (met Delft), CCS)
Water & Delta (o.a. Stadshavens,
Ecoshape Dordrecht)
Medisch & Zorg: Medical Delta
(Rotterdam – Delft – Leiden)
Het relevante schaalniveau van de samenwerking verschilt per opgave. We onderscheiden
samenwerking met de buurgemeenten in de direct omliggende regio (stadsregio Rotterdam)
en met de grotere omliggende regio ten noorden van de stad:
- Haagse regio / Metropoolregio Rotterdam – Den Haag;
- De samenwerking Rotterdam – Delft in het kader van de follow-up van de OECD review;
- De Zuidvleugel;
- De rest van de Randstad.
Ten zuiden van de stad onderscheiden we Drechtsteden en West-Brabant / Deltri-platform.
49
Hoofdstuk 6
Organisatie en Financiën
6.1 Organisatorische aspecten
De organisatie van het programma
- De programmadirecteur wordt ondersteund door een programmabureau, dat ook de
programmamanager Arbeidsmarktontwikkeling ondersteunt.
- Het programmabureau kan klein van omvang zijn, aangezien uitvoerende activiteiten
gebeuren in de lijn/sector/domein, binnen het kader van het programma.
- De afdeling Economie is de belangrijkste ‘uitvoerder’, maar ook andere diensten dragen
bij aan de doelen. Deze activiteiten zijn opgenomen in het programma. Bij het programma
arbeidsmarktontwikkeling werkt het net zo, met als belangrijkste ‘uitvoerders’ SoZaWe, JOS
en Stadsontwikkeling.
‘Bruggen en bogen’
Om ‘economie’ goed te verbinden met andere werkterreinen van de gemeente worden enkele
organisatorische verbindingen tussen de afdeling Economie en andere dienstonderdelen
aangebracht:
- Voor de reductie van administratieve lasten wordt nauw samengewerkt met onder
andere de gemeentelijke belastingdienst en de afdeling Bestuurlijke, Juridische en
Internationale Zaken van de Bestuursdienst.
- In het kader van aantrekkelijke stad is de samenwerking tussen Stadsontwikkeling, S&R
en DKC geïntensiveerd.
- Het onderwerp arbeidsmarkt wordt binnen de afdeling Economie verankerd.
- Omtrent het onderwerp economische strategievorming wordt er nauw samengewerkt
tussen de afdelingen Beleid van Economie en Strategie van Stadsontwikkeling en de
te vormen analysegroep.
6.2 Middelen
In oktober 2010 heeft de gemeenteraad de begroting voor 2011 vastgesteld inclusief een raming
voor 2012 en verder. In de begroting is een post opgenomen voor het beleidsveld Economie,
waarmee de uitvoering van het programma betaald wordt.
Uit onderstaand overzicht blijkt dat er per jaar een bedrag van circa € 32 miljoen beschikbaar is,
waaruit de uitvoering van het programma wordt betaald.
Dit is inclusief apparaatskosten (personeel). Na aftrek hiervan is jaarlijks circa € 17 miljoen
beschikbaar voor projecten.
50
Tabel 9
Begroting voor het beleidsveld Economie (bedragen * € 1.000,-)
begroting 2011
raming 2012
raming 2013
raming 2014
31.423
31.818
31.822
31.822
6.3 Communicatie
Het vormgeven van een krachtiger, weerbaarder en duurzamere economie vraagt om effectieve
communicatie. De inzet van communicatie is gerelateerd aan de economische hoofddoelen en
heeft drie functies:
- Informeren: het optimaal aanreiken van relevante informatie voor ondernemers
(dienstverlening), belangengroepen, bestuur, intermediairs, bewoners en overige overheden
- Participatie: samen met stedelijke partners de koers van het economisch beleid bepalen,
de uitvoering ervan op te pakken en om kennis van de economie te verzamelen, en uit
te dragen,
- Imago: Rotterdam wordt als innovatieve ondernemersstad geprofileerd richting internationale
bedrijven (acquisitie), zittende ondernemers en potentiële investeerders.
Bij het verbinden van economie met de andere collegeprioriteiten speelt communicatie een
brugfunctie. Thematische kernboodschappen geformuleerd langs de drie hoofddoelen vormen
de ruggengraat van de communicatie. De uitvoeringsagenda biedt een afwegingskader voor
een effectieve inzet. Deze inzet wordt jaarlijks bepaald en eventueel bijgestuurd.
6
7
Bijlage
Figuur B1
Doel Inspanningen Netwerk
Economie
A. Concurrerende Vestigingsvoorwaarden bieden
Realiseren van 100 miljoen investeringsprojecten (succesvolle
proposities)
Arbeidsmarkt
B. Sterkere economische structuur
De concurrentiepositie van sterke clusters wordt sterker
C. Voldoen aan de vraag naar arbeid in de economie
Verhogen van het
opleidingsniveau van de
beroepsbevolking
Vergroten van de
arbeidsparticipatie
Bevorderen doorstroming op
de arbeidsmarkt
Optimaliseren aansluiting
onderwijs en arbeidsmarkt
Rood onderstreept
= Prioriteit
Acquisitie en accountmanagement top 100
Sterke clusters
Haven
Plan van aanpak op de logistieke sector
versterken in Deltri verband
Versterken accountmanagement
- Instellingen (top 50)
- MKB
Medisch en Zorg
Beter innovatief klimaat
Werklocaties
• Leegstand kantoren
• Herstructurering
• Vraag en aanbod
Bevorderen ondernemerschap
• Dienstverlening aan ondernemers
• Wegnemen irritaties (Irritatie top 10)
• Reductie administratieve lasten
• Stimuleren ondernemerschap
Thema agenda
Rotterdam carrièrestad
Sectoragenda
Haven Industrie en Techniek
Sectoragenda
Medisch en Zorg
Kennisintensieve zakelijke dienstverlening
Sectoragenda
Kennisdiensten
Consumentendiensten
• Netwerk leisure, sport, culture
Sectoragenda
Consumentendiensten
Economische potentie duurzaamheid
Gebieden
• Binnenstad
• Zuid
• Stadshavens
Sectoragenda
Onderwijs
Creatieve bedrijvigheid
4. Voorwaarden voor succes:
Het bundelen, benutten en beschikbaar maken van kennis en het agenderen en uitvoeren van de regionale economische agenda’s
4.1 Kennis van de Economie en Arbeidsmarkt
Economie geeft richting in concern, economische invalshoek borgen
4.2 Regio:
Stadsregio, Zuidvleugel, Deltri, Hogere overheden, G4, Medical Delta, Innovatie agenda Delft, Metropoolagenda, bestuurlijk platform Rijnmond
Generieke actie
Actieplan stimuleren doorstroming
• Sociale innovatie bevorderen
• Leercheque ontwikkelen
• Werktop
Generieke actie
Meer bereiken met een eenduidige
werkgeversbenadering
• Regionaal samenwerken t.b.v. eenduidige
werkgeversservice
Generieke actie
Onderwijs en arbeidsmarkt aansluiten
• JINC leerlijn voor beroepsoriëntatie
jongeren
• Oprichten werkschool
Colofon
Uitgave
Gemeente Rotterdam, juni 2011
Informatie
Gemeente Rotterdam
Stadsontwikkeling
Afdeling Economie
010 205 37 69
[email protected]
Grafisch ontwerp
Studio Minke Themans
Tabellen en figuren
Studio Minke Themans i.s.m. Klaar voor gebruik
Fotografie
cover: Enith en Claire Droppert
pagina 8: Daarzijn
pagina 10: Enith
pagina 14: Jan van der Ploeg
pagina 26: Zoe Khouw (Willem de Kooning Academie)
pagina 42: Totenmetontwerpen
Economie
Krachtiger, weerbaarder
en duurzamer
1
Arbeidsmarkt
Wereldbanen voor
wereldtalenten
2
4
Arbeidsmarkt
Wereldbanen voor
wereldtalenten
Inhoudsopgave
Samenvatting
7
Inleiding
9
1.Analyse van de arbeidsmarkt
11
2.De opgave
19
3.Ambities
24
1.1De arbeidsmarkt laat zich niet begrenzen
1.2Werkgelegenheid blijft stabiel, het aantal baanopeningen groeit
1.3Grotere rol voor kwaliteit arbeidsmarkt
1.4Samenstelling beroepsbevolking vraagt aandacht
1.5Doorstroming is cruciaal voor de arbeidsmarkt
1.6Krachtenveld: sleutelrol voor stakeholders
2.1De vraagkant centraal
2.1.1Medisch en zorg
2.1.2Consumentendienstverlening
2.1.3Onderwijs
2.1.4Haven, industrie en techniek
2.1.5Kennisdiensten
2.2Het aanbod zo breed mogelijk benutten
2.2.1Niet werkenden
2.2.2Jongeren
2.2.3Werkenden
3.1Verhogen van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking
3.2Vergroten van de arbeidsparticipatie
3.3Bevorderen van de doorstroming op de arbeidsmarkt
3.4Optimaliseren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt
11
12
12
13
14
16
19
20
21
21
21
21
21
22
22
22
24
25
26
27
4.Beter werkende arbeidsmarkt
29
5.Organisatie en financiën
42
4.1Strategieën voor de arbeidsmarkt
4.1.1Ontwikkeling van de vraag
4.1.2Ontwikkeling van het aanbod
4.2Naar een uitvoeringsagenda
4.3Verbinden, versnellen en verbeteren
5.1Organisatorische aspecten
5.1.1Organisatie programma
5.1.2Bruggen en bogen ´
5.2Middelen
Bijlage: Betrokken stakeholders
29
30
33
36
37
42
42
42
43
44
7
Samenvatting
Hoewel we nu nog volop de gevolgen van de recessie ervaren en niet precies weten hoe lang
deze gaat duren, zijn al wel de eerste tekenen van herstel zichtbaar. Maar of de economie snel
weer aan zal trekken of niet, onderzoekers voorspellen al voor de korte termijn tekorten op de
arbeidsmarkt. Als gevolg van de vergrijzing is de verwachting dat er vanaf 2011 elk jaar ongeveer
18.000 baanopeningen ontstaan op onze arbeidsmarkt. Voor de economische ontwikkeling van
onze regio is het van belang, zo goed mogelijk op deze baanopeningen in te spelen. En voor de
talentontwikkeling van Rotterdammers is dit een grote kans. Zo werken we aan de sociale en
economische veerkracht van onze regio.
De veerkracht van onze economie blijkt op het punt van de arbeidsmarkt minder groot dan in
andere grote steden van ons land. Dit heeft vooral te maken met het relatieve kleine aandeel
hoger opgeleiden in de stad en het grote aandeel laag opgeleiden. Ook is de arbeidsparticipatie,
ondanks een toename de afgelopen jaren, in Rotterdam laag. Dit vraagt een inzet op de
doorstroming op de arbeidsmarkt en beleid gericht op alle niveaus, van laag tot hoog opgeleiden.
Tabel 1
Bron: Peter Louter, juli 2010.
laag
werkenden
hoog
hier liggen de kansen
niet werkenden
om talenten te ontwikkelen
jongeren
baanopeningen
midden
5.200
7.500
5.400
De werkgevers in onze regio zijn bepalend voor de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
Het bedrijfsleven en hun inzet zijn vormen een belangrijk uitgangspunt voor ons programma.
Ons streven is om onze inzet herkenbaar en gericht in te zetten samen met onze strategische
partners uit het bedrijfsleven en onderwijsveld. Dit programma is daarom een oproep aan
onderwijs en bedrijfsleven om samen met de gemeente onze arbeidsmarkt toekomstbestendig
te ontwikkelen.
De vraag staat centraal. De meeste baanopeningen doen zich voor in de sectoren:
- Medisch en Zorg
- Consumentendienstverlening
- Onderwijs
- Haven, Industrie en Techniek
- Kennisdiensten
Deze baanopeningen zullen niet allemaal tot vacatures leiden, maar geven wel richting aan de
opgave waar we de komende jaren voor staan. Vanuit deze kansrijke sectoren voor de
arbeidsmarkt werken we samen met het bedrijfsleven en onderwijsveld agenda’s uit voor de
8
ontwikkeling van de arbeidsmarkt. Op eenzelfde wijze werken we een agenda Rotterdam
Carrièrestad uit gericht op het binden van hoger opgeleiden aan onze arbeidsmarkt en het
bevorderen van de doorstroming op onze arbeidsmarkt.
Hierbij hebben wij de volgende ambities:
• Verhogen van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking.
• Vergroten van de arbeidsparticipatie.
• Bevorderen van de doorstroming op de arbeidsmarkt.
• Optimaliseren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.
We zetten daarbij in op inspanningen waarmee we de veelheid aan lopende initiatieven
selecteren en verbinden, succesvolle initiatieven versnellen en de effecten ervan vergroten;
op de structurele knelpunten verbeteren we onze inzet. Onze ambitie is breed, maar onze
mogelijkheden en middelen zijn beperkt. Daarom is nu, meer dan ooit een alliantie van
bedrijfsleven, onderwijs en overheid nodig om onze arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken.
Vanuit een betrokken maar faciliterende rol:
1. Zetten wij een netwerk op voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
2. Bieden wij een helder kader voor toekomstbestendige keuzes.
3. Maken we sectorafspraken voor de kansrijke sectoren op de arbeidsmarkt.
4. Verleiden wij het bedrijfsleven (sociaal) innovatief de baanopeningen in te vullen.
5. Nemen wij het initiatief voor verdergaande samenwerking in de regio.
6. Zetten we rotterdam als carrièrestad op de kaart.
7. Bevorderen we de kennis over onze arbeidsmarkt en dragen die uit.
8. Lobbyen we bij andere overheden voor onze arbeidsmarkt.
9
Inleiding
Investeren in het talent van elke Rotterdammer en het stimuleren van economische groei en
ontwikkeling van Rotterdam zijn belangrijke speerpunten uit het collegewerkprogramma.
Hoewel we nu nog volop de gevolgen van de recessie ervaren, zijn al wel de eerste tekenen
van herstel zichtbaar. Onderzoekers voorspellen al voor de korte termijn tekorten op de
arbeidsmarkt. Als gevolg van de vergrijzing verwachten we vanaf 2011 elk jaar ongeveer
18.000 baanopeningen. Voor de economische ontwikkeling van onze regio is het van belang,
zo goed mogelijk op deze ontwikkeling in te spelen. En voor de talentontwikkeling van
Rotterdammers is dit een grote kans.
Dit programma is een invulling van de coalitie-afspraak om samen met bedrijfsleven en
onderwijsveld de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt vorm te geven. Een programma dat logisch
aansluit bij de inzet en (mede) invulling geeft aan de ambities uit het programma regionale en
stedelijke economie, dat parallel ontwikkeld wordt. Een programma dat een bijdrage levert aan
de sociale en economische veerkracht van onze regio. Onze inzet willen we herkenbaar en
gericht maken, waarbij we ons ervan bewust zijn dat het bedrijfsleven en het onderwijs de
belangrijkste stakeholders zijn voor de arbeidsmarkt.
Dit programma moet daarom gelezen worden als een oproep aan bedrijfsleven en onderwijs
om samen met de gemeente onze arbeidsmarkt toekomstbestendig te ontwikkelen. We zetten
daarbij in op inspanningen waarmee we de veelheid aan lopende initiatieven selecteren en
verbinden, succesvolle initiatieven versnellen en de effecten ervan vergroten; op de structurele
knelpunten verbeteren we onze inzet. Onze ambitie is breed, maar onze mogelijkheden en
middelen zijn beperkt. Daarom is een alliantie van bedrijfsleven, onderwijs en overheid nodig.
Wij willen hard werken aan onze arbeidsmarkt en rekenen daarbij ook op de inzet van het
bedrijfsleven en de Rotterdammers. Zo creëren we wereldbanen voor wereldtalenten.
Dit programma is tot stand gekomen samen met het bedrijfsleven en het onderwijsveld (zie bijlage).
Dit voorjaar hebben we deze partijen geconsulteerd over onze analyse van de arbeidsmarkt.
Deze zomer zijn we gestart met het interviewen van strategische partners over wat volgens hen
de agenda zou moeten zijn voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt. Vervolgens hebben we in
een aantal thema-avonden de belangrijkste thema’s verkend. Allemaal stappen ter bevordering
van een constructieve samenwerking met bedrijfsleven en onderwijsveld als het gaat om de
ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
Leeswijzer
In hoofdstuk 1 staat de analyse van de arbeidsmarkt omschreven. In hoofdstuk 2 komt de
opgave voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt aan bod. Hoofdstuk 3 bevat onze ambities
voor de arbeidsmarkt. In hoofdstuk 4 verwoorden we de aanpak waarmee we de ontwikkeling
van de arbeidsmarkt vormgeven. In hoofdstuk 5 gaan we in op de organisatie en financiën.
10
11
Hoofdstuk 1
Analyse van de arbeidsmarkt
Dit hoofdstuk bevat een samenvatting van onze analyse van de arbeidsmarkt. In april is het
consultatiedocument “Naar een stadsbreed arbeidsmarktbeleid, analyse van de Rotterdamse
arbeidsmarkt” verzonden naar onze strategische partners. Hierop hebben we ruim dertig
reacties gekregen. In bijlage is een overzicht van de betrokken stakeholders opgenomen.
1.1 De arbeidsmarkt laat zich niet begrenzen
Om het functioneren van de lokale Rotterdamse arbeidsmarkt te duiden, is het perspectief van
de regio onmisbaar. De gemeentegrenzen zijn zowel bij de vraag als het aanbod van arbeid en
bij de doorstroming op de arbeidsmarkt van ondergeschikte betekenis. De arbeidsmarkt houdt
niet op bij de gemeentegrenzen van Rotterdam. Kijken we naar de Rotterdamse beroepsbevolking, dan werken 3 op de 10 Rotterdammers buiten Rotterdam. En van alle mensen die in
Rotterdam werken, woont de helft buiten Rotterdam. Ook weten we dat de mobiliteit afhangt van
het opleidingsniveau. Hoe hoger geschoold, hoe hoger doorgaans de mobiliteit.
De meeste werkgevers opereren op regionaal niveau in hun marktbenadering en personeels­
werving, maar ook in hun onderlinge samenwerking en bij afspraken met sociale partners.
Hetzelfde geldt voor onderwijsinstellingen, die doorgaans regionaal georiënteerd en vaak ook
regionaal georganiseerd zijn.
Gezien het lage opleidingsniveau van de Rotterdamse beroepsbevolking en de publieke
taak die we als overheid hebben voor de onderkant van de arbeidsmarkt, is de ontstane
samenwerking binnen de regio Rijnmond een logische. De via de werkpleinen georganiseerde
arbeidsbemiddeling is daarom steeds meer regionaal georiënteerd. Op het vlak van uitkerings­
verstrekking, activering en re-integratie wordt nauw samengewerkt met regiogemeenten. Bij de
aanpak van Jeugdwerkloosheid is bijvoorbeeld al gekozen voor een regionaal samenwerkings­
convenant tussen regiogemeenten, het UWV Werkbedrijf en de diverse opleidingsinstellingen
(ROC’s). Het is van groot belang de regionale werking van de arbeidsmarkt te onderkennen
en in te bedden.
De relevante arbeidsmarktregio verschilt sterk per sector en opleidingsniveau waardoor
er niet één regionale arbeidsmarkt is te definiëren. Rekening houdend met de
werkgelegenheid(sontwikkeling) kijken we daarom verder, te beginnen bij de Metropoolregio
Rotterdam – Den Haag.
12
1.2 Werkgelegenheid blijft stabiel, het aantal
baanopeningen groeit
De afgelopen jaren is de werkgelegenheid in Rotterdam min of meer op hetzelfde niveau
gebleven. Rotterdam kent ongeveer 360.000 banen en de regio Rijnmond ca. 530.000 banen.
Tegelijkertijd neemt het aantal werknemers met een flexibel contract (flexwerkers) toe, net als
het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). De meeste werkgelegenheid is te vinden
in de zorgsector en de zakelijke dienstverlening. Kennisdiensten (onderdeel van de zakelijke
dienstverlening) worden voor de ontwikkeling van stedelijke economieën steeds belangrijker.
Beleid voor de arbeidsmarkt is het meest kansrijk als we inzetten op de volgende sectoren:
• Medisch en zorg
• Consumentendienstverlening
• Onderwijs
• Haven, Industrie en Techniek
• Kennisdiensten
De komende jaren verwachten we, vooral in deze sectoren, ongeveer 18.000 baanopeningen
per jaar. Dit zijn prognoses en prognoses hebben de eigenschap niet uit te komen. Bovendien
zullen niet alle baanopeningen tot vacatures leiden. Deze cijfers geven daarom een indicatie van
de opgave waar we de komende jaren voor staan. Een grote opgave voor werkgevers om aan
voldoende en goed personeel te komen. Een opgave die het bedrijfsleven prikkelt om innovatief
met haar productieprocessen om te gaan. Een grote opgave voor het onderwijsveld om mensen
goed toe te leiden of bij te scholen voor de arbeidsmarkt. Een opgave die we vanuit het pers­pectief
van de inclusieve economie beschouwen en die kansen biedt voor sociale innovatie. Een opgave
die perspectief biedt voor Rotterdammers om zich te ontwikkelen op onze arbeidsmarkt.
1.3 Grotere rol voor kwaliteit arbeidsmarkt
Door de afnemende bevolkingsgroei en de ontwikkeling naar een duurzame en dienstverlenende
economie, veranderen ook de eisen die de arbeidsmarkt aan zowel werkgevers als werknemers
stelt. De kwaliteit van de arbeidsmarkt, aan de vraag- en aan de aanbodzijde, zal een grotere rol
gaan spelen in de concurrentie tussen regio’s. Voor de economische ontwikkeling van onze regio
is een kwalitatief goede arbeidsmarkt van groot belang. We willen daarom inzetten op de
concurrentiekracht van onze banen, op de aantrekkelijkheid van onze werkgelegenheid.
Nederland vergrijst. Het aandeel van de bevolking dat 65 jaar of ouder is, stijgt sinds het begin
van deze eeuw. Dit aandeel groeit mede omdat de totale bevolkingsgroei landelijk stabiliseert
en op termijn zelfs zal dalen. In tegenstelling tot deze landelijke trend is Rotterdam een relatief
jonge stad. We vergrijzen minder hard omdat we nog een jonge aanwas hebben. De verwachting
is dat de bevolking in de Randstad de komende jaren nog zal toenemen.
13
We zitten nu al in de fase dat de zogenaamde eerste babyboomgeneratie de arbeidsmarkt
verlaat. Binnen enkele jaren verwachten we daarom tekorten op de arbeidsmarkt. Dit betekent
dat we voorbereid moeten zijn op een vervangings­vraag op de arbeidsmarkt. Als gevolg van de
recessie is de werkloosheid toegenomen, maar deze daling is inmiddels aan het stabiliseren.
De komende periode kunnen we daarom het beste benutten om (vooral de jongeren) voor te
bereiden op deze toekomstige vraag naar arbeidskrachten.
Rotterdam heeft ruim 100.000 banen op basis en laag niveau. Absoluut is dit aantal de
afgelopen jaren min of meer stabiel gebleven. Wel heeft er een verschuiving plaatsgevonden
vanuit industrie- en haven gerelateerd werk naar werk in de dienstverlening en zorgsector.
1.4 Samenstelling beroepsbevolking vraagt aandacht
Het opleidingsniveau is één van de belangrijkste kenmerken van de beroepsbevolking.
Het opleidingsniveau van de Rotterdamse beroepsbevolking stijgt, maar blijft achter bij
andere steden. Tussen 1998 en 2008 groeide de Rotterdamse beroepsbevolking met 32.000
personen (naar ca. 267.000 personen). Het aandeel hoog opgeleiden onder de Rotterdamse
beroepsbevolking groeide van 27 naar 34%. In de andere grote steden van Nederland is dit
aandeel gegroeid naar ruim 50%.
Hierbij is de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt relevant. We weten dat de
schooluitval op onze MBO en HBO scholen hoog is. Dit varieert van 40 tot 50% waardoor bij de
Rotterdamse ROC’s minder dan 59% van de leerlingen een diploma haalt. Het percentage
nieuwe voortijdig schoolverlaters bedraagt 6% per jaar. Oorzaken voor deze hoge schooluitval
liggen in het onvermogen van scholen om de intrinsieke motivatie van de uitvalleerlingen te
bereiken, niet passende schoolkeuze en onvoldoende ontwikkelde arbeidsidentiteit. Ook is in
een aantal gevallen de thuissituatie zorgelijk. Het MBO en HBO tellen in Rotterdam rond de
70.000 leerlingen. Als dus meer leerlingen met een diploma de school verlaten, is de instroom
van deze groep op de arbeidsmarkt op een hoger niveau, wat bijdraagt aan de kwaliteit van de
beroepsbevolking en de kansen van deze groep op de arbeidsmarkt verhoogt.
Van de Rotterdammers tussen 15 en 65 jaar was in 2007 in totaal 60% aan het werk (netto
participatie). De participatiegraad stijgt met het opleidingsniveau. Onze totale participatiegraad
ligt lager dan die in de andere steden in Nederland. Maar de participatiegraad onder lager
opleiden is daarentegen in vergelijking met andere steden hoger.
De economische veerkracht van Rotterdam is dus minder groot dan die van andere Nederlandse
steden omdat Rotterdam verhoudingsgewijs veel lager en weinig hoger opgeleiden telt.
Om de noodzakelijke kwaliteitsslag te maken en voorbereid te zijn op de vervangingsvraag die
als gevolg van de vergrijzing op ons afkomt, is het investeren in de talentontwikkeling van elke
Rotterdammer– werkend, niet werkend of op school – van groot belang.
14
Toenemend aantal werkende armen
Een deel van de werkenden, is de groep werkende armen. Hun aantal is het afgelopen
decennium toegenomen, landelijk van 434.000 naar 576.0001 mensen. We weten dat een
klein deel van deze groep in loondienst is (ca 3%) en ca. 12% is volgens de landelijke gegevens
zelfstandig ondernemer. In de Monitor Lage Inkomens2 wordt geconstateerd dat rond de 12.000
Rotterdamse huishoudens, waarvan ongeveer 3.000 zelfstandig ondernemers tot de werkende
armen gerekend kunnen worden (cijfers uit 2006). Om een actueel beeld te krijgen van deze
groep, doen we dit jaar onderzoek naar de koopkrachtontwikkeling van uitkeringsgerechtigden,
zelfstandig ondernemers en werkende armen.
Ontwikkeling van de flexibele schil
Al jaren neemt het aantal zelfstandig ondernemers in Nederland toe. Onder hen is een
groeiende groep die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) opereert. De verwachting is dat
de verhouding tussen vast en flexibel in de komende jaren verder zal veranderen. Oorzaken zijn
onder andere de recessie, de vraag van werkgevers naar flexibele arbeid, de individualisering,
de zelfstandigheid van Generatie Y en het vertrek van de babyboom generatie.
Inmiddels zijn er 650.000 zelfstandigen in Nederland. Naast de groep ‘klassieke’ zzp’ers
(met een eigen winkel, landbouwonderneming of vrachtwagen) gaat het daarbij in toenemende
mate om ‘nieuwe’ zzp’ers’ die vooral de eigen arbeid, kennis en vaardigheden aanbieden.
Dit ondernemerschap is meer gericht op vakmanschap en minder op ondernemerschap. In het
kader van dit programma monitoren we de ontwikkeling van wat wij de flexibele schil noemen.
1.5 Doorstroming is cruciaal voor de arbeidsmarkt
De dynamiek van de stad wordt gevormd door meer dan alleen de in- en uitstroom van haar
inwoners. Rotterdam heeft ook een duidelijke functie als het gaat om de sociaal-economische
emancipatie. Deze zogenaamde liftfunctie is één van de belangrijkste kenmerken van de grote
stad. Mensen komen de stad binnen en maken carrière op het gebied van wonen, werken en
leren. Dit noemen we de doorstroming. Mensen gaan beter wonen, krijgen een baan waar ze
meer gaan verdienen of halen een diploma.
Dat er sprake is van doorstroom blijkt als het huidige opleidingsniveau van de bevolking wordt
afgezet tegen de uitkomsten van het onderzoek ‘Komen en Gaan’. Het opleidingsniveau van de
vertrekkers is hoger dan dat van de vestigers. Er is dus sprake van selectieve migratie. Indien
het opleidingsniveau van de Rotterdamse bevolking alleen door selectieve migratie bepaald
worden dan zouden er steeds minder hoogopgeleiden zijn. Maar zoals bijgaande tabel 2 laat
zien is het omgekeerde het geval.
1. Armoedesignalement 2010, SCP/CBS, Den Haag, december 2010.
2. Bron: Monitor Lage Inkomens, Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2010.
15
Tabel 2
Bron: Bureau Louter.
laag
middelbaar
hoog
1998
jaar
87.000
89.000
65.000
38%
37%
27%
2008
78.000
100.000
92.000
29%
37%
34%
De betekenis van Rotterdam als stad waar mensen door kunnen stromen naar een betere
opleiding, werk en woning is groot. Door selectieve migratie te bestrijden kan Rotterdam zelf
meer profiteren van haar liftfunctie. Minder selectieve migratie betekent bijvoorbeeld dat het
gemiddelde opleidingsniveau van de beroepsbevolking harder zou kunnen stijgen. Werk is de
belangrijkste factor (blijkt uit het onderzoek ‘Komen en gaan’) voor zowel de vestiging als het
vertrek van mensen in- of uit Rotterdam.
Naast het bevorderen van de doorstroming is het van belang om mensen met een midden- of
hoger opleidingsniveau vast te houden. Voor de arbeidsmarkt willen we de balans in bevolkings­
opbouw voor wat betreft opleidingsniveau vergroten door de doorstroming te bevorderen, maar
ook door mensen met een midden- of hogere opleiding aan de stad te binden. Hiervoor is het,
naast het hebben van een aantrekkelijke arbeidsmarkt, van groot belang om ook als woonstad
aantrekkelijk te zijn.
Verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt
In bijgaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de verdeling van banen naar beroeps­
niveau vergeleken met de verdeling van de banen naar opleidingsniveau. Rotterdam heeft ruim
100.000 banen op basis en laag niveau. Circa een kwart van deze banen is van elementair
niveau. Van de werkzame en werkloze beroepsbevolking hebben ongeveer 20.000 personen
alleen basisonderwijs genoten.
Tabel 3
Bron: Bureau Louter.
beroepsniveau
opleidingsniveau
laag
midden
hoog
laag
58.401
18.222
2.998
middelbaar
42.754
102.242
19.584
5.760
21.629
88.851
hoog
Het aantal banen voor laagopgeleiden is niet het grootste probleem. Het is de verdringing van
lager opgeleiden door middelbaar en hoger opgeleiden die het aantal banen voor lager
opgeleiden beperkt. Van alle banen op basis en laag niveau wordt in Rotterdam 42% bezet door
mensen met een middelbaar of hoger opleidingsniveau. Deze verdringing is overigens sterker
in steden als Amsterdam en Utrecht. Bovendien doet deze verdringing zich het sterkst voor in de
16
horeca en detailhandel. Een verklaring kan liggen in het feit dat ook studenten actief zijn in dit
segment van de arbeidsmarkt.
Tabel 4
Bron: Bureau Louter.
banen naar beroepsniveau
banen naar opleidingsniveau
100.700 elementair en laag
83.800 basis en laag
141.400 middelbaar
156.900 middelbaar
127.900 hoger
129.400 hoog
Een nadere analyse is dus noodzakelijk om te achterhalen in welke mate de talenten van hoger
gekwalificeerde mensen onderbenut blijven. En hoe dit fenomeen de kansen vermindert van
lager gekwalificeerde mensen om zich via werk te ontwikkelen.
Het is dringen op de midden- en hogere niveaus van de Rotterdamse arbeidsmarkt, waar meer
middelbaar en hoger opgeleiden zijn dan banen. Dáárom versterkt de groei van banen
aan de bovenkant van de arbeidsmarkt, de doorstroming (ofwel mobiliteit) van werkenden op
de arbeidsmarktladder. Als middelbaar en hoger opgeleiden op hun niveau kunnen werken,
verhoogt dat niet alleen hún toegevoegde waarde, maar nemen ook de baankansen van laag
opgeleiden aanzienlijk toe.
Doorstroming is daarom essentieel voor een arbeidsmarkt waar ieders opleiding en talent het
best tot hun recht komen. Maar voor die doorstroming zijn wel banen aan de bovenkant nodig.
Als de ‘verdringers’ doorstromen, verbeteren de baankansen van laag opgeleiden. Tegelijkertijd
is het van belang de toegankelijkheid van de banen voor mensen met een lage opleiding of een
(nog) beperkte inzetbaarheid te verbeteren.
1.6 Krachtenveld: sleutelrol voor stakeholders
De arbeidsmarkt wordt gevormd door werkgevers en werknemers waarbij de overheid met
regelgeving, de inzet van financiële prikkels, communicatie of het stimuleren van partnerships of
netwerkvorming de nodige invloed kan uitoefenen. Daarnaast spelen tal van partijen een rol bij
de match tussen vraag en aanbod. Denk hierbij aan onderwijs- en kennisinstellingen, uitzend­
bureaus en reïntegratiebureaus. Het UWV Werkbedrijf is een belangrijke partner als het gaat
om de bemiddeling tussen vraag en aanbod, maar ook voor informatie over de arbeidsmarkt.
Rotterdam kent ruim 24.000 (vestigingen van) bedrijven en instellingen, van éénmanszaken tot
multinationals. Deze bedrijven en hun werknemers bepalen in belangrijke mate de dynamiek
op de arbeidsmarkt. Naast individuele bedrijven zijn de Kamer van Koophandel, werkgevers­
organisaties VNO-NCW en Deltalinqs en de brancheorganisaties belangrijke partners die
handelen vanuit het perspectief van de ondernemers. Vanuit werknemersperspectief zijn de
vakbonden belangrijke partijen.
17
Op het vlak van onderwijs en onderzoek is in Rotterdam nagenoeg alles te vinden.
Naast vakinstellingen zoals het Scheepvaart- en Transportcollege, het Grafisch Lyceum en
het Hout-en Meubileringscollege, zijn er twee ROC’s voor middelbaar beroepsonderwijs,
twee HBO-instellingen, Codarts, Thomas More (pabo) en een universiteit binnen de
gemeentegrenzen te vinden. Deze instellingen bieden plaats aan vele tienduizenden studenten.
18
19
Hoofdstuk 2
De opgave
2.1 De vraagkant centraal
Tabel 5
Bron: Peter Louter, juli 2010.
60.900 banen
medisch en zorg
laag
midden
hoog
1.000
1.700
1.800
laag
midden
hoog
1.100
1.000
300
laag
midden
hoog
100
100
800
laag
midden
hoog
900
1.100
200
laag
midden
hoog
300
1.100
1.000
niet werkenden
jongeren
werkenden
baanopeningen
36.300 banen
consumentendienstverlening
niet werkenden
jongeren
werkenden
baanopeningen
23.500 banen
onderwijs
niet werkenden
jongeren
werkenden
baanopeningen
54.900 banen
haven & industrie en techniek
niet werkenden
jongeren
werkenden
baanopeningen
54.600 banen
kennisdiensten
niet werkenden
jongeren
werkenden
baanopeningen
20
Om tot duurzame arbeidsmarktontwikkeling te komen is het cruciaal om de arbeidsmarkt als
één samenhangend geheel te benaderen en de vraagkant centraal te stellen. Wij beschouwen
dit programma dan ook niet als doel op zich, maar als een middel om met elkaar de
concurrentiepositie van Rotterdam en de Rotterdamse regio te versterken.
In totaal verwachten we dat er tussen 2011 en 2015 elk jaar ongeveer 18.000 nieuwe
baanopeningen ontstaan waarvan respectievelijk 29, 41 en 30% op laag, midden en hoogniveau.
Dit is een prognose. Van prognoses kunnen we voorspellen dat ze niet uitkomen. Niet al deze
baanopeningen zullen bijvoorbeeld omgezet worden in vacatures.
Wel weten we dat deze baanopeningen voor een belangrijk deel ontstaan als gevolg van een
vervangingsvraag. Niet zozeer economische groei, alswel de vergrijzing zijn een verklaring
voor deze ontwikkeling. Prognoses geven wel per sector en niveau richting aan het verloop
van de ontwikkelingen. De uitkomsten hebben we daarom gebruikt bij het selecteren van de
voor de arbeidsmarkt kansrijke sectoren. Met bedrijven in deze sectoren werken we aan de
uitvoeringsagenda gericht op de ontwikkeling van de arbeidsmarkt. Vandaar dat we voor deze
meest kansrijke sectoren de prognose van de baanopeningen weergeven.
Omdat de baanopeningen voor een belangrijk deel worden verklaard door de vergrijzing en
dus een gevolg zijn van de vervangingsopgave op onze arbeidsmarkt, is het vanuit economisch
perspectief belangrijk om op tijdig op deze vervangingsvraag in te spelen.
2.1.1 Medisch en zorg
De zorgsector is een cluster met veel werkgelegenheid en baanopeningen op alle niveaus.
Een cluster ook, waarin de komende jaren veel ontwikkelingen gaan spelen die invloed
hebben op de arbeidsproductiviteit in dit cluster en op de eisen die aan werknemers gesteld
gaan worden. Verpleeg- en verzorgingshuizen zijn de grootste werkgevers gevolgd door de
ziekenhuizen. Binnen de zorg speelt de zogenaamde dubbele vergrijzing. Er komen steeds meer
en steeds langer levende ouderen met zorgbehoeften, terwijl de beroepsbevolking vergrijst.
Op basis van cijfers van Calibris (kenniscentrum voor zorg, welzijn en sport) kan een beeld
geschetst worden van de huidige en aankomende krapte op de arbeidsmarkt. Deze cijfers
gaan over opleidingen voor verpleging en verzorging en hebben betrekking op de MBOopleidingsniveaus 2 tot en met 5 (5 is hierbij gelijk aan HBO-niveau). Het knelpunt zit vooral op
de niveaus 3 en 4 waar het huidige regionale tekort ca. 800 deelnemers bedraagt. Tijdens de
thema-avond over de zorg werden de knelpunten vooral geschetst op verzorgenden (niveau 3),
verpleegkundigen (niveau 4), gespecialiseerde verpleegkundigen, OK-assistenten,
anesthesisten, technici en ict’ers.
3. De cijfers zijn gebaseerd op de tabel Netto baanopeningen voor laag-, middelbaar en hoog opgeleiden, Rotterdam,
prognoses 2011 – 2015 (bron: Peter Louter, juli 2010).
21
2.1.2 Consumentendienstverlening
Deze sector biedt vooral werkgelegenheid op laag en middelbaar niveau en biedt naar
verwachting in de komende jaren veel baanopeningen. Cruciaal voor dit cluster is dat de
bestedingen gaan toenemen. Dit betekent dat niet alleen aandacht moet zijn voor de kwantiteit
maar zeker ook voor de kwaliteit van de dienstverlening en hiermee de scholing van het
personeel. In deze sector wordt de kwaliteit sterk beïnvloed door de kwaliteit van het personeel.
2.1.3 Onderwijs
Dit is voor het economische- en arbeidsmarktbeleid een cruciale sector. Met de opgave om het
opleidingsniveau van de beroepsbevolking te verhogen, is het noodzaak dat de arbeidsmarkt in
de sector onderwijs goed functioneert en van een kwalitatief hoog niveau is. Juist deze sector
kent een groot aandeel 55+ werknemers. Binnen vijf jaar gaat 11 procent van de formatie met
pensioen en binnen tien jaar zelfs 28% van de formatie. Het aantal baanopeningen ligt voor
hoger opgeleiden met ongeveer 800 hoog. Vooral docenten met een eerstegraadsbevoegdheid
zullen op korte en langere termijn vervangen moeten worden.
2.1.4 Haven, industrie en techniek
Dit is een brede sector waaronder zowel installatie, metaal, metalektro, chemie en proces­
industrie, isolatie en waterbouw vallen. Het gaat om familiebedrijven en multinationals, sterk
conjunctuurgevoelige en redelijk stabiele bedrijfstakken. Hier bestaat een diffuus beeld. Vooral
de vergrijzing in dit cluster zorgt voor baanopeningen. De industrie en transportsector behoren
beide tot de meest vergrijsde sectoren in de regio. In de industrie wordt geen groei verwacht.
De transportsector kent zowel groei als een hoge vervangingsvraag als gevolg van de vergrijzing.
De verwachting is dat de vergrijzing vooral tot baanopeningen op laag- en middelbaar niveau
zal leiden. Er gaan gemiddeld ca 2.200 baanopeningen per jaar ontstaan, 60% in het cluster
industrie en 40% in het cluster haven. Daarnaast is er een groeiende flexibele schil, zowel in de
ondersteunende als de operationele banen. De grootste vraag is naar MBO niveau 3/4 (70%)
en HBO (30%).
2.1.5 Kennisdiensten
Het wetenschappelijk bedrijf, dat voor de kennisdienstverlening een belangrijke ruggengraat is,
levert aan ruim 8% van de werkzame personen in Rotterdam een baan. Deze is met de Erasmus
Universiteit, de Technische Universiteit Delft en de Hogescholen sterk vertegenwoordigd in deze
regio. Voor middelbaar en hoger opgeleiden is dit een cluster met veel baanopeningen. Deze
sector zal een belangrijke rol gaan spelen bij het vasthouden en binden van hoger opgeleiden.
2.2 Het aanbod zo breed mogelijk benutten
Willen we optimaal inspelen op deze toekomstige vraag op de arbeidsmarkt, zullen we het
aanbod aan werk, zo breed mogelijk moeten benutten. Naast de mensen die al aan het werk
zijn, kunnen we een beroep doen op de mensen die niet werken (maar dat wel kunnen) en de
mensen die in de (nabije) toekomst actief kunnen worden op de arbeidsmarkt.
22
2.2.1 Niet werkenden
De (netto) arbeidsparticipatie in Rotterdam bedraagt 64%. Onze beroepsbevolking telt ca.
267.000 mensen. Dat betekent dat we nog bijna 94.000 Rotterdammers kunnen verleiden
actief te worden op de arbeidsmarkt. Maar dit is theorie. De praktijk is dat een deel van deze
Rotterdammers ook als werkzoekend bekend is. Van deze groep ontvangt ruim 32.000 mensen
een Bijstandsuitkering. Een deel van deze groep niet werkenden is dus bekend bij het UWV
werkbedrijf en op de werkpleinen. Voor een belangrijk deel van deze groep moeten we de
afstand tot de arbeidsmarkt niet onderschatten. Langdurige uitkeringsafhankelijkheid,
onvoldoende taalbeheersing (van o.a. het Nederlands), schulden en gezondheidsproblematiek
belemmeren een snelle toegang tot de arbeidsmarkt.
2.2.2 Jongeren
De arbeidsmarktperspectieven zijn de komende jaren gunstig voor schoolverlaters. Voor MBO
leerlingen met een sociaal pedagogische opleiding, een opleiding in toerisme en recreatie,
maar zeker in de grafische techniek en de ICT zijn de arbeidsmarktperspectieven ongunstig.
De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is een belangrijk thema. De schooluitval in
Rotterdam is hoog en steeds meer jongeren kiezen niet voor de opleidingen waar de grootste
kans op banen zijn. Dit heeft onder andere te maken met de beroepsoriëntatie van deze groep.
We zullen dus het rendement van het onderwijs moeten verhogen, leerlingen stimuleren zo lang
mogelijk door te leren en daarmee de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt moeten
verhogen. Dit kan het onderwijs niet alleen. Het bedrijfsleven is een essentiële partner in het goed
toeleiden van onze jeugd voor onze arbeidsmarkt. Voor de oriëntatie op het beroep, voor goed
praktijk- en vakonderwijs, voor stages en voor het goed inwerken van starters op de arbeidsmarkt.
2.2.3 Werkenden
De instroom van jongeren en niet werkenden op de arbeidsmarkt zal niet voldoende zijn.
We willen daarom ook de werkenden faciliteren in hun ambitie voor een betere of andere baan.
We weten dat eenderde van de werknemers in de Rijnmond overgekwalificeerd is voor hun
baan. Ook weten we dat 42% van alle banen voor lager opgeleiden door middelbaar en hoger
opgeleiden worden ingevuld. Daarnaast groeit ook de groep werkende armen. Mensen die,
ondanks werk, op of onder de armoedegrens leven. Als deze groepen doorstromen naar hoger
niveau werk, ontstaat er ruimte aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Dit bedoelen we met
de doorstroming op de arbeidsmarkt.
Maar naast verticale mobiliteit willen we ook oog hebben voor de horizontale mobiliteit.
De werkgelegenheidsontwikkeling laat macro een stabiel beeld zien. Maar we weten ook dat
er tussen sectoren verschuivingen zijn. Door intersectorale mobiliteit te faciliteren kunnen we
werkenden van werk naar ander werk begeleiden.
Daarnaast houden we ook rekening met het rendement van onze werkenden. Vooral in de
fysiek belastende beroepen is het vraagstuk, hoe om te gaan met oudere werknemers, actueel.
We kunnen het ons niet meer veroorloven om mensen die ouder zijn dan 50 jaar af te schrijven.
De eerste stappen in het langer doorwerken zijn landelijk al gezet.
23
24
Hoofdstuk 3
Ambities
We investeren in het talent van elke Rotterdammer en willen de economische groei en
ontwikkeling stimuleren. Het gaat erom dat we de sociale en economische veerkracht van de
Rijnmond vergroten. Voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt hebben we de volgende ambities:
• Verhogen van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking
• Vergroten van de arbeidsparticipatie
• Bevorderen van de doorstroming op de arbeidsmarkt
• Optimaliseren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt
Dit vanuit de opgave om de arbeidsmarkt als één samenhangend geheel te benaderen en
daarbij als gemeente een faciliterende en verbindende rol te vervullen. Daarbij de arbeidsmarkt
beziend vanuit de sociale en economische betekenis die ze heeft voor onze maatschappij.
In dit hoofdstuk worden de ambities toegelicht.
3.1 Verhogen van het opleidingsniveau van de
beroepsbevolking
Het is vooral het aantal en het aandeel van de hoogopgeleiden in de stad dat de kracht van de
economie bepaalt. Hoe meer hoogopgeleiden, hoe groter de veerkracht van de economie.
Veerkracht die nodig is om te herstellen van een recessie of grote veranderingen in de structuur
van de economie.
Maar het gaat zeker niet alleen om hoger opgeleiden. De stad heeft ook veel te winnen bij de
grote groep MBO-ers. Ook de groeiende stedelijke dienstverlening heeft behoefte aan MBO-ers
met een opleiding op niveau 3 en 4. De kwaliteit van de dienstverlening, de verblijfskwaliteit van
de stad, wordt vooral bepaald door middenmanagement en vakkrachten op dat niveau. Daarom
is het zaak dat mensen met een lagere opleiding doorleren tot dat niveau.
Een deel van de mensen die nu niet participeren is onvoldoende of in de verkeerde richting
opgeleid. Ze zijn het meest gebaat bij praktijkgerichte werktrajecten. Opleiding en werk kunnen
mensen verder helpen. Belangrijk zijn daarom, naast het voorkomen van ongekwalificeerde of
te laag gekwalificeerde schooluitval en een effectieve manier van arbeidsmarktgericht opleiden,
het stimuleren van talentontwikkeling binnen en buiten de school, waardoor jongeren meer
alternatieven krijgen om zich op de manier die het best bij hen past te kwalificeren voor hun
latere loopbaan.
Als indicator hanteren we hiervoor de ontwikkeling van de totale beroepsbevolking naar
onderwijsniveau (x 1.000).
25
Tabel 6
Ontwikkeling van de totale beroepsbevolking naar onderwijsniveau (x 1.000)
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.
onderwijsniveau
Rotterdam
2000
2002
2004
2006
2007
2008
2009
BO
34
34
26
26
20
26
24
MAVO/VBO/VMBO
55
56
48
54
54
54
50
HAVO/VWO/MBO
90
94
98
104
107
96
97
HBO/WO
74
80
87
82
90
94
94
onbekend
-
-
5
-
-
-
-
Duidelijk mag zijn dat we het aandeel lager opgeleiden (categorieën BO en MAVO/VBO/VMBO)
liever zien dalen ten gunste van de middelbaar opgeleiden (categorie HAVO/VWO/MBO) en
hoger opgeleiden (categorie HBO/WO).
In ons collegewerkprogramma hebben we een target geformuleerd die met deze ambitie
samenhangt: Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (ongekwalificeerde uitstroom uit
het onderwijs) neemt jaarlijks af met 10% in deze collegeperiode.
3.2 Vergroten van de arbeidsparticipatie
Meer mensen aan het werk betekent dat meer Rotterdammers de kans krijgen om te leren en
hun talenten te ontwikkelen. Dit kan een betaalde baan zijn, een eigen onderneming maar ook
bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Veel van de liftfunctie van de stad valt toe te schrijven aan het feit
dat mensen hun positie verbeteren terwijl ze werken. Ze doen ervaring op of volgen een
opleiding. Daarnaast levert arbeidsparticipatie ook baten op in de vorm van de sociale kwaliteit
van de stad én een betere gezondheid van de bevolking. Als meer mensen werken en een
inkomen verwerven, draagt dat bij aan de koopkracht van de bevolking en dat leidt weer tot
nieuwe banen.
Een belangrijke indicator voor deze doelstelling is de netto participatiegraad (= werkzame
beroepsbevolking als percentage van potentiële beroepsbevolking (= 15 – 64 jarige bevolking).
Tabel 7
Netto participatiegraad
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.
netto participatiegraad
2000
2002
2004
2006
2007
2008
2009
Rotterdam
60
58
56
59
62
64
62
Rpa-Rijnmond
63
64
62
62
63
65
65
Nederland
65
65
63
65
66
68
67
26
De netto participatiegraad is de afgelopen tien jaar eerst gedaald, waarna vanaf 2006 een
stijging is te zien. Duidelijk mag zijn dat we willen dat de netto participatiegraad verder stijgt.
In ons collegewerkprogramma hebben we een target geformuleerd die met deze ambitie
samenhangt: In deze collegeperiode activeren we 20.000 bijstandsgerechtigde Rotterdammers.
10.000 bijstandsgerechtigden stromen uit naar betaald werk.
3.3 Bevorderen van de doorstroming op de arbeidsmarkt
In onze analyse hebben we vastgesteld dat de doorstroming op de arbeidsmarkt cruciaal is.
Hiermee willen we de verdringing op de laaggeschoolde banen tegengaan, maar mensen ook
de kans bieden om zich verder te ontwikkelen op de arbeidsmarkt. Dit kan een carrière zijn in
termen van een baan die beter verdient of op een hoger opleidingsniveau ligt, maar ook een
stap naar een baan in een andere sector wanneer daar een onvervulde vraag is. Op die manier
hopen we ook werknemers voor onze regio te binden en te behouden voor onze arbeidsmarkt.
Bovendien weten we dat ontwikkeling van werkgelegenheid aan de bovenkant van de
arbeidsmarkt ook bijdraagt aan de gehele arbeidsmarkt.
De aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt is een kwestie van goed werkgeverschap én vooral
ook goed ondernemerschap, want op de arbeidsmarkt is de werkgever net zo goed een
ondernemer als hij/zij dat op andere markten is. Ook hier blijkt hoe belangrijk het is om méér
aandacht te besteden aan de doorstroming op de arbeidsmarkt. Mensen wisselen van baan
of functie waardoor ze zich verder kunnen ontwikkelen. Het goed benutten van talenten
van de medewerkers vergt ondernemerschap en strategische personeelsplanning. Hoewel
het ondernemerschap van werkgevers natuurlijk primair een zaak is van die werkgevers zelf,
kan de gemeentelijke overheid door het organiseren van netwerken en het bieden van
arbeidsmarkt­informatie dat ondernemerschap wel bevorderen.
Als indicator kunnen we de mismatch tussen opleiding en beroep hanteren. Bij de nadere
analyse van de doorstroming op onze arbeidsmarkt, verkennen we tevens welke de goede
indicatoren zijn om dit fenomeen te duiden.
Tabel 8
Mismatch tussen opleiding en beroep
Bron: Louter 2009 (gebaseerd op verwachte aantallen ultimo 2008).
Rotterdam
G3
ov. Groot Rijnmond
Nederland
% overgekwalificeerd
mismatch
30,6
38,5
33,2
35,1
% ondergekwalificeerd
23,3
19,1
23,0
20,4
Het percentage mensen wier opleidingsniveau boven het beroepsniveau ligt, is
overgekwalificeerd. Dat percentage is voor Rotterdam relatief laag, terwijl het toch bijna
1 op de 3 werknemers betreft.
27
3.4 Optimaliseren van de aansluiting tussen onderwijs
en arbeidsmarkt
Eén van de speerpunten in de aanpak is de verbetering van de aansluiting tussen onderwijs
en arbeidsmarkt. Streven is natuurlijk om deze aansluiting zo optimaal mogelijk te laten
zijn, zodat scholieren en studenten na afronding van hun opleiding snel een baan vinden en
werkgevers eenvoudig hun vacatures kunnen vervullen en niet het gevoel hebben deze groep
starters op de arbeidsmarkt alsnog te moeten scholen.
Van werkgevers horen we dat het onderwijs niet optimaal voorbereidt op werk. Uit het
onderwijs horen we dat het moeilijk is om leerlingen te motiveren een opleiding af te maken.
De schooluitval is hoog in Rotterdam. Wij verwachten dat leerlingen meer gemotiveerd zijn
hun opleiding af te maken als hun perspectief op werk helderder is. We willen dat jongeren beter
zijn voorbereid op de eisen van de arbeidsmarkt, met focus op de speerpuntsectoren haven,
zorg en zakelijke dienstverlening. Daarom willen we, in overleg met onderwijs en werkgevers,
kijken hoe we de onderwijscurricula beter kunnen afstemmen op de werkgeversvraag.
Wij willen daarbij aansluiten bij de lange termijn personeelsplanning van bedrijven.
In ons collegewerkprogramma hebben we een target geformuleerd die met deze ambitie
samenhangt: Het aantal HBO’ers en WO’ers afgestudeerd aan Rotterdamse instellingen voor
hoger onderwijs dat anderhalf jaar na afstuderen in de regio en daarbinnen de stad werkt,
neemt over de collegeperiode gemiddeld met anderhalf procentpunt toe ten opzichte van het
gemiddelde over de afgelopen vijf jaar.
28
29
Hoofdstuk 4
Beter werkende arbeidsmarkt
De gemeentelijke inzet voor het programma is gericht op het:
• Verbinden van de veelheid aan bestaande initiatieven.
• Versnellen en vergroten van succesvolle initiatieven.
• Verbeteren van de inzet op de structurele knelpunten.
Hierbij maken we gebruik van onze inzet op de onderkant van de arbeidsmarkt en voor het
onderwijs. Op deze terreinen is onze inzet het meest tastbaar en zichtbaar. Door onze aandacht
te verbreden naar de gehele arbeidsmarkt, de verbinding te zoeken met andere (beleids)
domeinen en onze strategische partners in het bedrijfsleven en onderwijsveld, hopen we de
ontwikkeling van de arbeidsmarkt optimaal te faciliteren.
Vanuit de kansrijke sectoren voor de arbeidsmarkt werken we samen met het bedrijfsleven en
onderwijsveld agenda’s uit voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt. Op eenzelfde wijze werken
we een agenda Rotterdam Carrièrestad uit, gericht op het binden van hoger opgeleiden aan
onze arbeidsmarkt en het bevorderen van de doorstroming op onze arbeidsmarkt.
Stip op de horizon
Aan het eind van deze collegeperiode willen we bereikt hebben dat een constructieve
samenwerking met bedrijfsleven en onderwijsveld op de ontwikkeling van de arbeidsmarkt
vanzelfsprekend is. Deze constructieve samenwerking behelst onder andere dat
we concrete afspraken maken over de ontwikkeling van de kansrijke sectoren op de
arbeidsmarkt en er bestuurlijk regelmatig overleg is over de voor de arbeidsmarkt
relevante onderwerpen.
Onze ambitie is breed, maar onze mogelijkheden en middelen zijn beperkt. Daarom is nu, meer
dan ooit een alliantie van bedrijfsleven, onderwijs en overheid nodig om onze arbeidsmarkt
toekomstbestendig te maken. Wij willen hard werken aan onze arbeidsmarkt en rekenen daarbij
ook op de inzet van het bedrijfsleven en de Rotterdammers.
4.1 Strategieën voor de arbeidsmarkt
In onderstaand schema, staan de belangrijkste strategieën die oplossing kunnen bieden voor de
(toekomstige) tekorten op de arbeidsmarkt en talentontwikkeling, samengevat:
5
30
figuur 1
Strategieën voor de arbeidsmarkt
Bron: OBR.
werkgevers
antwoord vinden op tekorten op
de arbeidsmarkt
agenda
• carrièrekansen bieden
• economie inclusief benaderen
• investeren in (sociale) innovatie
• duurzaam werken bevorderen
• intersectorale mobiliteit faciliteren
outsourcen
flexibele
schil
zzp-ers,
uitzendbranche,
flexpools
werknemers / werkzoekers / afstudeerders
talenten ontwikkelen, kansen grijpen die
arbeidsmarkt biedt
agenda
• employability vergroten
• werken aan ander werk
• meer en betere scholing
• full engagement
• meer en langer werken
arbeidsmigratie
Deze strategieën gaan over het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Het bij elkaar brengen van de werkgevers en de werknemers. Als overheid kunnen we deze
strategieën faciliteren en ondersteunen, maar het zijn de werknemers en werkgevers die elkaar
moeten vinden. In de volgende paragrafen gaan we in op de wijze waarop we als overheid,
samen met het onderwijsveld, deze interactie faciliteren.
4.1.1 Ontwikkeling van de vraag
Het bedrijfsleven is bepalend voor de arbeidsmarkt omdat daar de ontwikkeling van de
werkgelegenheid plaatsvindt. Zonder werkgevers geen werk. Werkgevers zijn primair
verantwoordelijk voor de werkgelegenheidsontwikkeling binnen hun bedrijf en de bijbehorende
strategische personeelsplanning.
In de consultatie, de interviews en tijdens de thema-avonden hebben werkgevers aangegeven,
tekorten op de arbeidsmarkt te voorzien. In sommige sectoren zijn deze tekorten nu al actueel.
Voor de kansrijke sectoren voor de arbeidsmarkt, zoals de Medisch en Zorgsector, werken we
samen met het bedrijfsleven en de onderwijssector aan een agenda voor de ontwikkeling van
de arbeidsmarkt.
Carrièrekansen bieden
Het invullen van baanopeningen begint met het openstellen van deze baanopeningen in de vorm
van vacatures. Hiervoor zijn al veel kanalen beschikbaar als kranten, websites en banenmarkten.
De werkpleinen organiseren regelmatig banenmarkten en ook voor de hogere segmenten van
de arbeidsmarkt, participeert de gemeente aan banenmarkten. Hierin werken we samen met
veel partners waaronder het UWV werkbedrijf, de Kamer van Koophandel, VNO NCW en het
MKB. Daarnaast hebben we, samen met het UWV werkbedrijf het werkgeversservicepunt,
DAAD opgericht. DAAD is een Rotterdams initiatief van overheid en bedrijfsleven samen.
31
DAAD is een servicepunt voor werkgevers en legt zich specifiek toe op het overbruggen van de
kloof tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Eind 2010 is er samen met de gemeenten Westland en Den Haag een branche-servicepunt
ingericht voor de glastuinbouw. De drie deelnemende gemeenten bieden, vanuit de bestanden
van werkzoekenden van de gemeenten en het UWV, via dit brancheservicepunt werknemers aan
werkgevers in het Westland.
Rotterdam Carrièrestad
Op 15 september 2010 heeft Prof.dr. Peter Ester een nieuw model voor een dynamische
arbeidsmarkt gepresenteerd. Het voorstel is om Rotterdam radicaal te herpositioneren
als carrièrestad, als een stad waar beginnend talent een wervend loopbaanperspectief
wordt geboden door een uniek baanaanbod. De inzet is om jong hoger opgeleid talent te
boeien, te binden en te behouden voor de stad. Combinaties van Rotterdamse werkgevers
bieden jong talent gezamenlijk baantrajecten aan die een carrière dwars door hun bedrijven
mogelijk maken, de ‘muurtjes’ gaan om en er komen gemeenschappelijke transversale
HRM-arrangementen voor jonge talentvolle onderwijsverlaters. Dit nieuwe model vereist
een daadkrachtige coalitie – professioneel gemanaged – van bedrijfsleven, gemeente en
onderwijsinstellingen. Zo wordt Rotterdam weer de stad waar je werkt én woont.
Maar we richten ons niet alleen op de onderkant van de arbeidsmarkt. Zo heeft het Coördinatiepunt Haven- en Industrie Complex in september 2010 het project Carrière in de haven
gestart dat door middel van themabijeenkomsten en instrumenten als coaching, intervisie
en ambassadeurschap, samen met bedrijfsleven en werknemers, inspeelt op de toekomstige
personeelsbehoefte in de haven. Dit coördinatiepunt is een onderdeel van de gemeente
Rotterdam, maar ook vanuit het bedrijfsleven zijn inspirerende initiatieven die al dan niet met
de gemeente worden opgepakt.
Economie inclusief benaderen
We werken toe naar een inclusieve economie, waarin we alle functies van werk bij de
ontwikkeling van de arbeidsmarkt betrekken en daar onze instrumenten op inzetten. Werk heeft
een economische, maatschappelijke en educatieve waarde. Werk is een toegevoegde waarde
in de totstandkomingsprocessen van het bedrijfsleven. Werk draagt bij aan de zelfwaarde van
mensen en daarmee aan burgerschap en de sociale cohesie in wijken. Werk maakt mensen
gezond. Door werk ontwikkelen mensen een arbeidsidentiteit en meesterschap. Werk bindt
consumenten aan lokale verkoopmarkten. Wij willen werkgevers inspireren tot het inclusief
benaderen van de economie.
32
De Blijmakers
In samenwerking met zorginstelling Aafje en het Albeda College is het initiatief ‘de
Blijmakers’ ontwikkeld. De zorgsector slaagt er niet in het steeds groter worden tekorten
aan verzorgenden (mbo-niveau 3) op te vangen. Dit vraagt om nieuwe oplossingen.
Aafje heeft toen – door alle niet-verzorgende taken uit de bestaande mbo-niveau 3
functie te halen – de nieuwe functie Blijmaker op mbo-niveau 1 geïntroduceerd. Via
werkgeverservicepunt DAAD zijn 18 werkzoekenden gestart met een voortraject van
een half jaar, waarna 16 van hen een contract bij Aafje kregen met een bbl-opleiding
zijn begonnen. Door deze werkwijze is het personeelstekort bij Aafje verminderd én de
werkgelegenheid bevorderd. Daarbij worden de verzorgenden effectiever ingezet en
wordt er meer aandacht aan de bewoners besteed, wat leidt tot een grotere tevredenheid
van de bewoners en hun familie.
Investeren in (sociale) innovatie
Sociale innovatie is één van de instrumenten die bijdragen aan een betere aansluiting van
vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en daarmee aan een inclusieve economie. Onder sociale
innovatie verstaan wij de vernieuwing in de arbeidsorganisatie en in arbeidsrelaties die leidt tot
verbeterde prestaties van de organisatie en ontplooiing van talenten. We zijn ervan overtuigd
dat werkgevers als ze investeren in (sociale) innovatie, beter voorbereid zijn op de toekomst.
De beste innovaties worden niet van buiten af opgelegd, maar zijn het gevolg van werkgevers
die oog hebben voor vernieuwingen die binnen hun eigen bedrijf vorm krijgen.
Samen met VNO NCW is bureau Arbeidsmarktmeester opgezet. Bureau Arbeidsmarktmeester
initieert en coördineert concrete projecten en bijeenkomsten om de arbeidsparticipatie in
Rotterdam te vergroten. Bureau Arbeidsmarktmeester kijkt daarbij kritisch naar zowel de vraag
als het aanbod. Ze stimuleert het bedrijfsleven om bedrijfsprocessen zo in te richten dat de
vraag beter aansluit op het aanbod van werkzoekenden. Aan de andere kant prikkelt bureau
Arbeidsmarktmeester de gemeentelijke diensten en het onderwijs om marktgerichter te werken
en te denken. Bureau Arbeidsmarktmeester heeft vanaf het begin dit programma ondersteund
en mogelijk gemaakt. Inmiddels maakt bureau Arbeidsmarktmeester deel uit van de staf van
dit programma.
Intersectorale mobiliteit faciliteren
Naast de tekorten die we op de arbeidsmarkt verwachten in bepaalde sectoren, zal er ook
verschuiving in werk tussen sectoren plaatsvinden. Dat betekent dat er ook een beweging van
werk naar werk gefaciliteerd moet worden. Op dit moment zijn hiertoe mobiliteitscentra op
de werkpleinen ingericht. In Mobiliteit 010 hebben het UWV WERKbedrijf, Regionaal Bureau
Zelfstandigen, DAAD, Bureau Arbeidsmarktmeester, OBR, KvK en VNO/NCW (West), Colo –
Landelijke Kenniscentra, Project Leren en Werken, ROC’s en uitzendorganisaties hun krachten
gebundeld. Mobiliteit 010 helpt bedrijven bij dreigende ontslagen om afspraken tot uitvoering te
brengen die zijn gericht op het aan het werk houden of helpen van boventallige medewerkers.
Door zogenaamde ‘van werk naar werk activiteiten’ en scholingstrajecten. In de nabije toekomst
zal deze beweging, van werk naar ander werk, steeds belangrijker worden. Als extra prikkel om
intersectorale mobiliteit mogelijk te maken, willen wij een nieuw instrument ‘leercheques’ inzetten.
33
Dit instrument is een vorm van cofinanciering met middelen uit bijvoorbeeld de O&O fondsen dat
we op basis van sectorarrangementen willen benutten.
Duurzaam werken bevorderen
In een inclusieve economie staat duurzaamheid centraal, niet alleen voor de factor milieu, maar
ook voor de factor arbeid. Uitgangspunt zijn de kwaliteiten van mensen, niet hun beperkingen.
Dit slaat niet alleen op hun arbeidsproductiviteit; ook het ontwikkelen van intrinsieke motivatie en
meesterschap, het overdragen van vaardigheden en het mede vormen van de bedrijfscultuur zijn
kwaliteiten die voor elk bedrijf onmisbaar zijn.
Werken is beter dan aan de kant te staan. Werk heeft effect op de ontwikkelingsmogelijkheden
en het zelfrespect van mensen en hun rol in de sociale omgeving. Werk geeft mensen een
arbeidsidentiteit en maakt meesterschap. Werk heeft effect op het terugdringen van de uitgaven
aan gezondheidszorg (nu 86 miljard per jaar), sociale zekerheid en veiligheid. En werkend leren
in een bedrijfsmatige omgeving draagt bij aan het verminderen van schooluitval (nu 40% uit het
MBO en 50% uit het HBO).
De GGD gaat vanuit de target ‘een goede gezondheid’ met werkgevers in gesprek om te
onderzoeken hoe ze de gezondheid van werknemers kunnen verbeteren. Werken draagt
namelijk bij aan hoe medewerkers hun gezondheid ervaren. Gekeken moet bijvoorbeeld worden
in hoeverre mantelzorgtaken te combineren zijn met het werk en in hoeverre de leefstijl van
werknemers onderwerp van gesprek kan worden. Oudere werknemers kunnen met een goede
gezondheid langer productief blijven. Voor (oudere) werknemers die niet goed in hun vel zitten
als gevolg van de eisen die het werk aan hen stelt, heeft vroegtijdige bemiddeling van werk naar
werk de voorkeur zodat uitval voorkomen wordt. Aan het werk blijven helpt weer om
gezondheidsklachten te voorkomen. Niet alleen vanuit het perspectief van werk is dit relevant.
Op deze manier wordt ook getracht om de snel oplopende kosten voor gezondheidszorg en
sociale voorzieningen te beperken. Kosten die, onze economie is inclusief, via premies en
bijdragen ook drukken op werkgevers en werknemers.
4.1.2 Ontwikkeling van het aanbod
Bij de ontwikkeling van het aanbod kijken we breed. We richten ons op instroom uit de niet
werkende beroepsbevolking (al dan niet uitkeringsgerechtigd) en de instroom uit het onderwijs.
Maar we richten ons ook op de doorstroming van de werkenden. Een groot deel van de
werkzoekenden heeft al een baan. Binnen de groep werkenden beschouwen we ook de
werkende armen.
Employability vergroten
Werknemers kunnen werken aan hun talenten. Dat willen wij, vanuit het oogpunt van
talentontwikkeling stimuleren. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het faciliteren van de stap naar
beter werk. Werknemers hebben, al dan niet via de CAO geregeld, vaak mogelijkheden om
aanspraak te maken op opleidingsbudgetten. In veel sectoren zijn hiervoor opleidingsfondsen
beschikbaar. Daarnaast zijn er instrumenten als het Ervaringsprofiel (EVP) en het
34
Ervaringscertificaat (EVC). Het EVP is bedoeld om de werknemer in de gelegenheid te stellen
zijn of haar ervaring expliciet te duiden. Het EVC is geschikt als hulpmiddel of opstap bij een
ontwikkelingstraject, daar het aangeeft wat nodig is om een (vervolg)opleiding te kunnen volgen.
Bij het LeerWerkLoket, een initiatief van het Samenwerkingsverband Leren & Werken, kunnen
werkzoekenden, werknemers en werkgevers terecht voor informatie, inzicht, advies en
begeleiding over alle vragen op het gebied van: opleidingen gerelateerd aan werk, EVC- /
EVP- trajecten (ervaringscertifcaat en ervaringsprofiel), duaal onderwijs (de combinatie van leren
en werken), beroepsmogelijkheden en kwalificatie-eisen t.a.v. beroepen, arbeidsperspectief,
subsidiemaatregelen en competentietesten. Daarnaast helpt het LeerWerkLoket jongeren met
vragen op het gebied van leren en werken. In aanvulling op deze instrumenten, ontwikkelen wij
de leercheque. Deze zal, bij voorkeur in samenhang met het EVC, ingezet kunnen worden om
werknemers te stimuleren zich bij of om te scholen.
Naast het vergroten van de employability door werknemers is ook de arbeidsmarktoriëntatie
van jongeren relevant. Hoe kunnen we jongeren boeien, binden en behouden voor onze
arbeidsmarkt? Op initiatief van Zadkine Contract is het zogenaamde Arminiusmanifest opgesteld,
bedoeld om studenten duurzaam te binden aan de stad. Dit door initiatieven te ontwikkelen met
bedrijfsleven, corporaties en onderwijs waardoor studenten in de stad gaan wonen, vanuit hun
opleiding opdrachten, stages en dergelijke kunnen doen in en voor de stad, in contact kunnen
komen met het bedrijfsleven en na hun studie in de stad blijven werken. De gemeente Rotterdam
maakt dit mede mogelijk.
Een ander initiatief dat in februari van dit jaar is gelanceerd, is JINC. JINC zorgt ervoor dat
leerlingen op jonge leeftijd kennismaken met het bedrijfsleven. JINC heeft een leerlijn ontwikkeld
met onder andere bliksemstages en sollicitatietrainingen. Doelgroepen zijn basisschool- en
VMBO-leerlingen tussen 8 en 16 jaar. Vanaf september hoopt JINC met 1.500 leerlingen aan de
slag te gaan. Lancering was mogelijk dankzij de medewerking van alle grote woningcorporaties
in Rotterdam.
Werken aan ander werk
Het optimaal ontwikkelen ten behoeve van de arbeidsmarkt kan ook betekenen, ontwikkelen
richting ander werk. Eerder noemden we al Mobiliteit 010 die zich richt op de groep met mensen
die met werkloosheid worden bedreigd. Streven is om deze groep van werk naar werk te
begeleiden. Intersectorale mobiliteit is een bekend fenomeen, maar vindt nog in bescheiden
mate en op initiatief van de medewerkers zelf plaats, bleek uit de thema-avonden en de
gesprekken. Er zijn wel experimenten om bijvoorbeeld zij-instroom mogelijk te maken, maar
deze hebben nog een beperkte schaal. Naast de hogere leeftijd (en daarmee samenhangend
hoger salarisniveau) van werknemers is het de vraag wie verantwoordelijk is voor de
omscholing. Is dat de ‘krimp’sector? Is dat de ‘tekorten’sector of is dat de verantwoordelijkheid
van de medewerker zelf? Waarschijnlijk is het een gedeelde verantwoordelijkheid.
Omdat wij ervan overtuigd zijn dat intersectorale mobiliteit een serieuze oplossing is voor de
tekorten die ontstaan op de arbeidsmarkt en bovendien kan bijdragen aan duurzaam werken,
35
zullen we de leercheque ook inzetten als prikkel om intersectorale mobiliteit te stimuleren.
Hierbij stellen we wel als voorwaarde de inzet van O&O fondsen en middelen uit ESF.
Dit vanwege het feit dat omscholing een intensiever traject is dan bijscholing. Maar ook hier
kan
het EVC van betekenis zijn.
Meer en betere scholing
Rotterdam is een jonge stad. Dat betekent dat we een relatief jonge bevolking hebben.
Een jonge bevolking die we zo goed mogelijk willen toeleiden naar de arbeidsmarkt. Met het
Rotterdams Onderwijsbeleid werken we met het onderwijsveld aan de kwaliteit van het onderwijs
met het programma Beter Presteren. Daarnaast zetten we, samen met de schoolbesturen van
het LMC, BOOR, CVO, Albeda en Zadkine, in het kader van het Rotterdams Offensief, in op het
inrichten van vakscholen en de beroeps- en arbeidsmarktoriëntatie van jongeren. Ook dringen
we het voortijdig schoolverlaten terug.
Het RDM terrein en het Procescollege zijn goede voorbeelden van pogingen om onderwijs
en bedrijfsleven dicht bij elkaar te organiseren. In de zorg zet Calibris voor de Stichting
Samenwerkende Rijnmond Ziekenhuizen begin 2011 een BeroepenCarrousel op voor
VMBO-scholen om zo meer jongeren een verantwoorde keuze voor de zorg te laten maken.
De ambitie is om deze carrousel in een later stadium te verbreden naar de andere
zorginstellingen. Dit zijn activiteiten die onderwijs en bedrijfsleven samen oppakken.
Full engagement
Alle bijstandsklanten zijn actief door een nuttige bijdrage aan de stad te leveren.
Tegelijkertijd werken zij aan hun ontwikkeling. Dat noemen we Full Engagement. Eind van
deze collegeperiode wordt Full Engagement volledig en in alle wijken toegepast. Startpunt van
dit streven is het geloof in de kracht van Rotterdammers. Mensen moeten zelf hun kansen
pakken en hun talenten ontwikkelen. Dat is goed voor de mensen zelf en goed voor de stad.
Full Engagement wordt nu uitgevoerd in de Tarwewijk en Overschie. In Overschie is verkend of
we voor de Full Engamentaanpak verbindingen mogelijk waren met partners bij de woningcorporatie of bijvoorbeeld de zorgsector om win-win situaties te creëren. Deze verkenning heeft
opgeleverd dat er kansen liggen om de vraag naar werk en inspanningen te verbinden met de
opgave om mensen weer aan het werk te helpen. Deze win-win is te maken. Maar interessant
was ook de ontdekking dat samenwerking met stakeholders binnen een gebied ook kansen biedt
voor het prikkelen van werklozen om weer aan het werk te gaan. Want bijstandsgerechtigden
zijn vaak ook huurders, komen ook bij de dokter, doen een beroep op het welzijnswerk.
De GGD zet met haar aanpak als het gaat om de bevordering van de gezondheid van
Rotterdammers in op de Tarwewijk, Lombardijen, het Nieuwe Westen, de Afrikaanderwijk,
Bloemhof en Hillesluis. Werkende mensen zijn gezonder dan niet werkende mensen.
Voor de GGD aanpak is de sleutel naar werk de sleutel naar gezondere Rotterdammers.
De stadsbrede uitrol van Full Engagement zal starten bij de wijken Overschie, Tarwewijk,
Oud-Crooswijk en Bloemhof. Een derde relevante ontwikkeling is de Kwaliteitssprong Zuid,
36
eveneens een van de kernprogramma’s van dit college. Hierbij bieden de kanskaart,
Zorgboulevard en samenwerking met de convenantpartners van het Pact op Zuid,
aanknopingspunten. Bij de aanpak van Zuid vormt de aansluiting tussen onderwijs en
arbeidsmarkt één van de speerpunten waarbij bijvoorbeeld ook aandacht is voor de
beroepsoriëntatie van jongeren.
Meer en langer werken
Als alle jongeren optimaal hun weg naar de arbeidsmarkt weten te vinden en als alle mensen
zonder werk aan het werk zijn, dan nog zullen in bepaalde sectoren tekorten zijn. Dat betekent
dat mensen langer door zullen moeten werken, mensen meer zullen moeten gaan werken
en mensen die niet werken maar wel kunnen (de zogenaamde niet-uitkeringsgerechtigden)
geactiveerd moeten worden voor de arbeidsmarkt.
Langer werken valt binnen de ambitie van duurzaam werken, onderdeel van het programma
van de GGD dat eerder genoemd is. Het idee is dat oudere werknemers met een goede
gezondheid veel langer productief kunnen blijven. Daarnaast is het relevant dat de kansrijke
sectoren hun imago als werkgever, als sector waar het goed werken is, verbeteren.
4.2 Naar een uitvoeringsagenda
Er zijn twee hoofdopgaven die aangepakt moeten worden: het invullen van de baanopeningen
in combinatie met de talentontwikkeling van de beroepsbevolking. Vandaar de subtitel
Wereldbanen voor wereldtalenten. Hiervoor ontwikkelen we, samen met bedrijfsleven en
onderwijsveld, een zo concreet mogelijke uitvoeringsagenda waarbij we ons richten op de
voor de arbeidsmarkt kansrijke sectoren:
A. Medisch en Zorg
B. Haven, Industrie en Techniek
C. Onderwijs
D. Kennisdiensten
E. Consumentendienstverlening
Voor deze sectoren wordt een proces georganiseerd tussen werkgevers, onderwijs en gemeente
(als facilitator) dat leidt tot een agenda voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt voor die sector.
Doel is om de arbeidsmarktproblematiek voor deze sectoren te verminderen en om bij te dragen
aan onze vier ambities voor de arbeidsmarkt. Hierover maken we, via de agenda’s, concrete
afspraken over de ontwikkeling van de arbeidsmarkt tussen werkgevers, onderwijs en gemeente.
Op eenzelfde wijze werken we een thema-agenda Rotterdam Carrièrestad uit, gericht op het
binden van hoger opgeleiden aan onze arbeidsmarkt.
In het uitvoeringsprogramma wordt ingegaan op de acties die nodig zijn om de ambities van
het programma arbeidsmarkt te realiseren. Deze acties zijn in overleg met bedrijfsleven en
onderwijsveld tot stand gekomen en worden ook samen met deze strategische partners
37
uitgevoerd. De acties en de resultaten die ze moeten opleveren zijn zo concreet mogelijk gemaakt.
Naast de agenda’s voor de kansrijke sectoren en Rotterdam Carrièrestad zijn er een aantal
generieke acties nodig om de ambities te realiseren.
Deze acties zijn:
• Actieplan stimuleren doorstroming
Om de intersectorale en opwaartse mobiliteit op de arbeidsmarkt te stimuleren, worden
acties en instrumenten ontwikkeld op het gebied van onder andere sociale innovatie,
duurzaam werken en scholing. Eén van de prominente acties is de Rotterdamse Werktop,
die dit jaar voor de 4e maal wordt georganiseerd. De leercheque is een instrument dat we
ontwikkelen voor de opwaartse en intersectorale mobiliteit. Met deze acties en instrumenten
pakken we de mismatch tussen vraag en aanbod aan, dragen we bij aan de verbetering
van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en bevorderen we de intersectorale
en opwaartse mobiliteit op de arbeidsmarkt.
• Meer bereiken met een eenduidige werkgeversbenadering
Het streven is om de baanopeningen die de komende jaren ontstaan, als kans te benutten
voor de talentontwikkeling van Rotterdammers. Daarvoor is het belangrijk om goed
gecoördineerd ondernemers te benaderen. Veel ondernemers werken regionaal.
Onze arbeidsmarkt is ook een regionale markt. Regionaal opererende bedrijven hebben
daarom behoefte aan een eenduidige werkgeversservice binnen onze regio. Daarom gaan
we samenwerken met gemeenten om onze werkgeversservice voor regionaal opererende
bedrijven in te richten.
• Onderwijs en arbeidsmarkt aansluiten
De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt terugkomt in agenda’s voor de kansrijke
sectoren. Hierbij ligt de nadruk enerzijds op de beroepsoriëntatie, waarvoor we generiek de
JINC leerlijn uitrollen. JINC zorgt ervoor dat jongeren op jonge leeftijd kennis maken met het
bedrijfsleven. Maar ook is er aandacht voor het organiseren van het onderwijs dicht bij het
bedrijfsleven. Zo wordt samen met het bedrijfsleven en het praktijkonderwijs een werkschool
opgericht waarmee we de aansluiting tussen praktijkonderwijs en de arbeidsmarkt verbeteren.
4.3 Verbinden, versnellen en verbeteren
Eerder gaven we aan dat onze rol vooral een faciliterende is. Dit omdat het bedrijfsleven en de
werknemers de arbeidsmarkt maken. Hoe we deze faciliterende rol invullen, staat omschreven
in deze paragraaf.
Netwerk voor de arbeidsmarkt
Ambtelijk heeft de gemeente Rotterdam een breed en divers netwerk dat vanuit verschillende
diensten en samenwerkingsverbanden onderhouden wordt. Vanuit verschillende belangen
zoeken we samenwerkingspartners binnen onze stad en regio. De thema-avonden en het advies
van het EDBR over de toekomst van de Rotterdamse economie hebben opgeleverd dat het voor
38
de economie en de arbeidsmarkt belangrijk is om ook op bestuurlijk niveau een herkenbaar
netwerk te hebben waarin overheid, onderwijs en ondernemers constructief opereren en waarin
meepraten ook betekent: meedoen!
We hebben, samen met het EDBR, een Strategisch Beraad ingericht dat vier keer per jaar bijeen
komt over de belangrijke economische thema’s, waarbij ook de arbeidsmarkt aan bod zal komen.
Voor de meest kansrijke sectoren voor de arbeidsmarkt werken we ook toe naar een constructief
overleg op bestuurlijk niveau. Zo is in februari het platform Zorg opgericht die de ontwikkeling en
uitvoering van de agenda voor de Medisch en Zorgsector aanstuurt.
Kiezen en verbinden
2011 wordt het jaar van de keuzes. Veel van de subsidies en projecten worden tot halverwege
of eind 2011 gefinancierd en omdat flink gekort wordt op het participatiebudget, zal de inzet
voor de arbeidsmarkt, slinken.
Ook is de wet Werken naar Vermogen in ontwikkeling. Het aantal projecten, inspanningen en
initiatieven voor de ontwikkeling van (vooral) de onderkant van de arbeidsmarkt is groot en
divers. Willen we meer en sneller resultaat, dan zullen we slim moeten kiezen en verbinden.
Dit kiezen en verbinden zullen we vanuit dit programma zowel inhoudelijk als procesmatig
faciliteren. Inhoudelijk vormen de agenda’s die we samen met bedrijfsleven en onderwijssector
voor de kansrijke sectoren uitwerken een belangrijke leidraad. We streven daarbij naar nieuwe
partnerships, naar het opschalen van de succesvolle inzet en het verbinden van middelen en
expertise aan vernieuwende initiatieven op de structurele knelpunten.
Sectorafspraken voor de kansrijke sectoren
Sectorafspraken zijn een belangrijk instrument voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
In deze afspraken kunnen vraag- en aanbod op de arbeidsmarkt, daar waar deze elkaar niet
eenvoudig bereiken, bij elkaar worden gebracht. We beschouwen sectorafspraken vooral als
waarde voor het bevorderen van de doorstroming, zowel binnen de sector als tussen sectoren
(intersectorale mobiliteit). In die sectoren waar veel werkende armen actief zijn, zoals horeca en
schoonmaak, kunnen sectorafspraken bijvoorbeeld bijdragen aan het arbeidsmarktperspectief
van werkende armen.
In het kader van de jeugdwerkloosheid zijn landelijk sectorarrangementen ontwikkeld op basis
waarvan Rotterdam afspraken kan maken met lokale werkgevers om meer werkleerplaatsen
voor jongeren te organiseren. Via deze sectorafspraken kunnen we bijvoorbeeld toegang krijgen
tot de opleidingsfondsen.
Op dit moment is ROTEB in gesprek met het Kenniscentrum Handel om een pilot te starten
voor mensen met een fysieke of mentale handicap. Het Kenniscentrum Handel ontwikkelt voor
deze pilot een programma waaraan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgegelenheid
middelen heeft toegezegd.
39
Daarnaast is er een afspraak met Albert Heijn over het aan het werk helpen van jongeren
met een handicap (Wajongers). En zo zijn er meer voorbeelden van afspraken die een opmaat
vormen voor sectorarrangementen waarbij we vraag en aanbod op een slimme manier
verbinden. Voor de kansrijke clusters gaan we op deze lijn verder.
Samenwerken in de regio
De regio is afhankelijk van opleidingsniveau en sector. Er is dus niet één regio. Regionaal
onderhouden we overleg over de economische agenda binnen Zuidvleugel, Metropoolregio,
Deltriplatform en de regio Groot Rijnmond (bestuurlijk platform).
Praktisch werken we samen binnen de Metropoolregio aan de aansluiting onderwijsarbeidsmarkt. Binnen de Rijnmondregio (UWV) hebben we gezamenlijk de arbeidsmarktinformatie verbeterd, pakken we de jeugdwerkloosheid aan en werken we samen aan het
programma Leren en Werken. Belangrijke ontwikkeling is ambitie om op het gebied van de
werkgeversservice samen te werken met regiogemeenten. Dit kan bijdragen aan een goede
en eenduidige service aan werkgevers die regionaal werken. We hopen dat we in de toekomst
op die onderwerpen die regionaal relevant zijn, zoals de werkgeversservice of bijvoorbeeld
sectorale afspraken, tot een regionale agenda voor de arbeidsmarkt kunnen komen.
Beïnvloeden van de vraag
Omdat we ervan overtuigd zijn dat werkgevers, als ze investeren in (sociale) innovatie, beter
voorbereid zijn op de toekomst, benoemen we het beïnvloeden van de vraag, expliciet in
dit programma. De overheid stimuleert en ondersteunt werkzoekenden en met werkloosheid
bedreigden permanent om actief te blijven. Ook in deze tijden blijven we inzetten op het
activerende re-integratiebeleid. Hierbij gaan we steeds vraaggerichter te werk. Ook blijven
we ons inzetten, onder andere met de Coöperatieve Vereniging Rotterdams Offensief,
om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te optimaliseren. Kijkend naar het
aantal baanopeningen dat wordt geprognosticeerd, weten we dat het rendement van
de re-integratie en het onderwijs meer dan 100% zal moeten zijn om aan deze vraag
invulling te kunnen geven.
Ook verwachten we dat de concurrentie (om goede werknemers) op de arbeidsmarkt groter zal
worden. Daarom willen we met dit programma werkgevers prikkelen om na te denken over de
invulling van hun vraag. Dat is nodig om de mismatch tussen vraag en aanbod aan te pakken,
de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren en om intersectorale mobilititeit
eenvoudiger te maken. Vanuit dit programma faciliteren we dit proces van (sociale) innovatie
door middel van expertmeetings, uitwisseling van kennis en ervaring, verbinden van partners
in (sector)afspraken.
40
Rotterdam als carrièrestad op de kaart
‘In Rotterdam worden de overhemden met opgestroopte mouwen verkocht’. Het beeld van
Rotterdam als werkstad staat niet prominent in de merkenstrategie van onze stad. Maar dat
beeld past nog wel in onze identiteit en kunnen we dus opfrissen en uitbreiden. Dit is niet
alleen een latente kracht. Uit de thema-avonden bleek dat Rotterdam te lijden heeft onder
het ‘we voeren de verkeerde lijstjes aan’-imago van onze stad.
Belangrijk is dat we een strategie ontwikkelen en uitvoeren die Rotterdam weer als werkstad
en carrièrestad op de kaart zet. Een strategie die de initiatieven uit het bedrijfsleven en
onderwijsveld voor bijvoorbeeld beroepsoriëntatie in een breder perspectief plaatst en verbindt.
Campagnes als die de Stichting Samenwerkende Rijnmond Ziekenhuizen medio 2011 lanceert
of de campagne Hoge Hakken in de Haven (van het Scheepvaart- en Transportcollege)
verdienen een context gericht op het binden en behouden van talenten aan onze arbeidsmarkt.
Kennis over arbeidsmarkt bevorderen en uitdragen
Een belangrijke toegevoegde waarde van het programma is het bieden van context, het verhaal
van de arbeidsmarkt. Dit doen we nu met behulp van het informatiepunt voor de arbeidsmarkt,
de werkgelegenheidsmonitor die twee keer per jaar verschijnt en bijvoorbeeld het organiseren
van de Rotterdamse Werktop (een initiatief van Bureau Arbeidsmarktmeester, VNO NCW
Rotterdam, DAAD, COLO, Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam en Deltalinqs).
De kennis van de arbeidsmarkt blijven we onderhouden waarbij we de thema’s doorstroming
en werkende armen, nader uitdiepen. We hebben behoefte aan meer kennis op deze
onderwerpen zodat we onze inzet nog gerichter kunnen inzetten. Economie en arbeidsmarkt
vormen daarbij één van de punten op de strategische kennisagenda die de gemeente Rotterdam
ontwikkelt. De gedachte hierachter is om onze kennis over de arbeidsmarkt op het punt van de
doorstroming verder te verdiepen en te verbinden met andere (relevante) domeinen.
De kennis over de arbeidsmarkt blijven we onderhouden en ontwikkelen, maar het biedt pas
toegevoegde waarde als we deze kennis ook uitdragen en benutten. Het gaat dus niet om
het weten alleen, maar het ontwikkelen van informatie naar kennis die we in kunnen zetten
ten behoeve van de ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
Lobby-agenda
De arbeidsmarkt wordt niet alleen op lokaal niveau beïnvloed. Er zijn ook landelijke en Europese
kaders waar we rekening mee moeten houden. Kaders die de ontwikkeling van de arbeidsmarkt
bevorderen of in de weg zitten. Grote bedrijven en vertegenwoordigers van belangrijke sectoren
willen bijvoorbeeld niet met meer dan 400 gemeenten onderhandelen over sectorarrangementen.
Daar waar landelijk- of Europees beleid onze ambities kan helpen of juist belemmert, zullen wij
lobbyen om onze resultaten te optimaliseren.
41
42
Hoofdstuk 5
Organisatie en financiën
5.1 Organisatorische aspecten
5.1.1 Organisatie programma
Dit programma wordt, samen met het programma Regionale en Stedelijke economie geleid
door een programmadirecteur economie en arbeidsmarkt. Deze wordt ondersteund door een
programmamanager arbeidsmarkt. De twee programma’s worden ondersteund door een
programmabureau waar ook bureau Arbeidsmarktmeester in op gaat.
Verschillende diensten, zoals Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe), Jeugd, Onderwijs
en Samenleving (JOS), het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR), dragen bij aan de uitvoering
van dit programma. Om de verbinding met de arbeidsmarkt organisatorisch te versterken, wordt
binnen de afdeling Economie (van het OBR) het cluster arbeidsmarkt ingericht.
De programmadirecteur economie en arbeidsmarkt, de programmamanager en het
programmabureau zijn gehuisvest in het WTC en zijn aangehaakt aan Stadsontwikkeling.
5.1.2 Bruggen en bogen
Er zijn diverse programma’s en lijnactiviteiten waarmee relaties bestaan en waarmee het
programma arbeidsmarkt afstemming zoekt. Hieronder worden de belangrijkste opgesomd:
• Kwaliteitsprong op Zuid
• Binnenstad
• Full Engagement
• Samen werken aan een goede gezondheid
• Beter presteren
• Aanval op Uitval (Rotterdams Offensief)
• Stadshavens en arbeidsmarkt
• Havenvisie 2030
Programma Kwaliteitssprong op Zuid
Dit programma is nog in ontwikkeling maar duidelijk is dat, gezien de sociaal-economische
opgave die er voor de wijken op Zuid ligt, aansluiting wordt gezocht. Concreet gaat het dan om:
- Kansrijk verbinden op Zuid (i.r.t. sectoragenda voor Techniek).
- De Zorgboulevard (i.r.t. sectoragenda voor Medisch en Zorg).
Programma Binnenstad
De verkenning van hoe het programma Arbeidsmarkt en het programma Binnenstad elkaar
kunnen versterken heeft opgeleverd dat het huidige aantal arbeidsplaatsen in de Binnenstad
nu ca. 80.000 bedraagt; dit aantal groeit en streven is om dit aantal nog verder uit te breiden.
43
Beide programma’s benoemen het binden van hoger opgeleiden ofwel aan onze arbeidsmarkt,
ofwel onze (binnen)stad. Programma Binnenstad wil daarom aansluiten bij onze agenda
Rotterdam Carrierèstad (en deze versterken).
Full Engagement, Beter Presteren en Samen werken aan een goede gezondheid
Verder is er samenhang met de Full Engagement Aanpak en het Rotterdams Onderwijsbeleid.
Dit levert inhoudelijk bruggen en bogen op zoals een brainstorm over duurzaam werken
(GGD programma), maar ook praktische afstemming. Zo wordt binnen het programma
Beter Presteren (Rotterdams Onderwijsbeleid) ook het arbeidsmarktvraagstuk voor de
onderwijssector geadresseerd.
Havenvisie 2030 en (Sociale strategie) Stadshavens
Verder zijn er verbindingen met de ontwikkeling van de Havenvisie, waarin de problematiek van
de arbeidsmarkt expliciet wordt geadresseerd en de ontwikkeling van de (Sociale Strategie)
Stadshavens. Hierbij de verbinding met name vanuit de sector Haven, Industrie en Techniek.
5.2 Middelen
In oktober 2010 heeft de gemeenteraad de begroting voor 2011 vastgesteld. De activiteiten uit
de beleidsvelden Participatie (SoZaWe), Onderwijs (JOS) en Economie (OBR) die effect hebben
op de ontwikkeling van de arbeidsmarkt, zijn hierbij gelabelled als onderdeel van het programma
arbeidsmarkt. Dat betekent dat deze middelen een dubbele oriëntatie hebben.
In totaal wordt in 2011 ca. 23 miljoen euro besteed aan inzet die bijdraagt aan de ontwikkeling
van de arbeidsmarkt. Dit zijn middelen die daarmee meerdere doelen dienen waaronder de
ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
Tabel 10
Overzicht inzet t.b.v. Arbeidsmarkt ontwikkeling
Bron: OBR.
voorbeelden van inspanningen
onderwijs
beroepsoriëntatie jongeren
budget
± 2 mln
vergroten aantal gediplomeerde schoolverlaters
participatie
LeerWerktrajecten
± 20 mln
DAAD arrangementen
economie
Rotterdam Carrièrestad
± 0,7 mln
Carrière in de Haven
totaal
± 23 mln
Daarnaast is voor de uitvoering van het programma twee keer 250.000 euro beschikbaar gesteld
voor de jaren 2011 en 2012.
44
Bijlage
Betrokken stakeholders
Stakeholders die geconsulteerd zijn over de analyse
1. Henri Vlodrop, Voorzitter College van Bestuur, Zadkine College
2. Peter Ester, Lector arbeidsmarktvraagstukken, Hogeschool Rotterdam
3. Gerard van Drielen, lid van College van Bestuur, Hogeschool Rotterdam, lid EDBR
4. Boudewijn Wijzenbroek, Stream opleidingen
5. Bernard van Nijnatten, UWV Werkbedrijf Rotterdam
6. Wim van Sluis, Voorzitter Deltalinqs
7. Con Schoenmakers, voorzitter VNO/NCW West
8. Wolf van Pelt, secretaris bouwend Nederland, directeur Rijnmond Bouw
9. Wiert Jan de Raaf, Rotterdam Climate Initiative
10. Huub Kleinrouweler, KMR
11. Henk Gerla, voorzitter raad van bestuur St. Franciscus Ziekenhuis, lid EDBR
12. Jacqueline Veenendaal, Bijenkorf Rotterdam, lid EDBR
13. Tjitske Cieremans, Nauta Dutilh, lid EDBR
14. Chris Veeninga, Rabobank Rotterdam
15. Marco Rensma, directeur Meys emerging market research.
16. Stef van Dongen, Enviu
17. Nathalie Backx, Havenbedrijf Rotterdam
18. Cemile Sezer, Sezer Consult (reïntegratiebedrijf)
19. Leonie van Wayenburg en Karin Overgauw, Alexander Calder (reïntegratiebedrijf)
20. Hans Grashoff
21. Geert- Jan Waasdorp, directeur eigenaar Intelligence-group
+ leden van de Task Force arbeidsmarktbeleid
22. Anja van Gorsel, Albeda College
23. Dion Jonkers, Four Star (reïntegratiebedrijf)
24. Wilma Gillis-Burleson, Legato (reïntegratiebedrijf)
25. Kees Boeser, adviseur strategie Com.wonen
26. Robert Straver, manager Strategie en beleid Woonstad Rotterdam
27. Steven Lubbers, directeur Hollandia bv, EDBR
28. Gabriëlle Hoogendoorn, Kamer van Koophandel Rotterdam
29. Ton Geerts, Kamer van Koophandel Rotterdam
30. Saskia Vogelaar, Kamer van Koophandel Rotterdam
45
Stakeholders die zijn geïnterviewd voor dit programma
1. Mw. I. Arends, zelfstandig communicatie-adviseur
2. Dhr. P. Bik, zzp-er
3. Dhr. D. Cleef, zzp-er
4. Mw. C. Salomons, Zadkine
5. Dhr. C. Stolk, Securitas
6. Dhr. M. Reith, Securitas
7. Mw. M. Boogerd, Securitas
8. Dhr. D.J. Cupido, Klevenberg Shipping Center bv
9. Mw. K. vd. Poort, SGS
10. Dhr. T. van Schaik, Van Oord
11. Dhr. B. Groothuizen, Van Oord
12. Mw. M. Westdorp, Loodswezen
13. Dhr. P.O. Sander, Loodswezen
14. Dhr. B. van Schijndel, Keppel Verolme
15. Mw. S. van Leliveld, Maersk Benelux bv
16. Douane Haven Rotterdam
17. Kenniscentrum Handel
Deelnemers aan de thema-avonden
1. Peter Ester, Lector Arbeidsmarktvraagstukken, Hogeschool Rotterdam
2. Anton Westerlaken, Lid Raad van Bestuur, Erasmus MC
3. Andre Freyssen, directeur CCCP
4. Lillian Jillissen, Directeur SSC Onderwijs Onderzoek & Studentenzaken,
Erasmus Universiteit
5. Liesbeth Schipper, Plv.Hoofd Royal Haskoning SMC, Royal Haskoning
6. Robert Straver, Manager Strategie en Beleid, Woonstad Rotterdam
7. Gertjan de Waal, Directeur Personeelzaak
8. Mike Jansen, Business Developer, Studentalent
9. Walter Schramowski, Directeur Rotterdam, Yacht
10. Dirk Scheele, Young EDBR
11. Carmen Salomons, Directeur Zadkine Contract Activiteiten
12. Müjgan Çokgezer, Directeur Turk & Turk Belastingadviseurs
13. Ton van Schaik, Directeur P&O, Van Oord
14. Waldo Bominaar, Directeur Operations, Kenteq
15. Inge Ville, Programmamanager Commercieel, Hogeschool Rotterdam
16. Jean Paul Sosef, Directeur Rotterdam, Wolter&Dros
17. Joost van Egmond, Districtshoofd, CNV
18. Wim Littooij, Voorzitter Raad van Bestuur, CVO
19. Ans Wijtvliet-Janssens, Lid College van Bestuur, Zadkine
20. Natalie Backx, Adviseur Corporate Strategy, Havenbedrijf Rotterdam
21. Radjes Mangroe, Area Manager, Electrabel Nederland nv
46
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44.
45.
Kristel van der Poort, Manager P&O SGS Nederland BV
Paul van Eyck, P&O, EMO BV
Rene Kreeftmeijer, Hoofd Bureau Ketenregie, Ministerie van Defensie
Mabri Fennema, Regiomanager, A+O Metalektro
Annie Langeweg, Hoofd HR, Hollandia
Carin Poot, Directeur, Machinefabriek Poot
Peter Kalkhoven, Hoofd P&O, Damen Shiprepair
Martin Janssen, HR manager, Huntsman Holland
Wilma van Staalduijnen, Junior Personeelsfunctionaris, Mourik
Ewald Bouman, Human Resource ManagerShin-Etsu PVC BV
Paul van Heugten, Voorzitter Raad van Bestuur, Delta Psychiatrisch Centrum
Marcel van Woensel, Vice Voorzitter Raad van Bestuur, Laurens
Eric Hisgen, Algemeen Directeur, Thuiszorg Rotterdam
Laurens van Schie, Directeur HRO, Aafje (vh De Stromen Opmaat Groep)
Henk Gerla, Voorzitter Raad van Bestuur, Sint Franciscus Gasthuis
Karin Kooijman, Manager Marketing & Onderwijs, Albeda College
Ben van der Meer, Projectcoordinator Servicepunt Zorg en Welzijn Rijnmond, UWV
Tijs van der Wielen, Manager HRM, Maasstad Ziekenhuis
Simon Koning, Hoofd Personeel & Organisatie, Humanitas
Pauline Roest, Directeur P&O, Erasmus MC
Nan Besseler, Strategisch Adviseur, Calibris
Tineke Drenthe, Lid College van Bestuur, LMC
Alita Hidding, Directeur Instituut voor Gezondheidszorg, Hogeschool Rotterdam
Marjan vd Bogt, Projectmanager Arbeidsmarkt
Colofon
Uitgave
Gemeente Rotterdam, mei 2011
Informatie
Gemeente Rotterdam
Stadsontwikkeling
Afdeling Economie
010 205 29 70
[email protected]
www.rotterdam.nl/arbeidsmarkt
Grafisch ontwerp
Studio Minke Themans
Tabellen en figuren
Studio Minke Themans i.s.m. Klaar voor gebruik
Fotografie
cover: Vincent Dekkers, Willem de Kam, Zoe Khouw (Willem de Kooning Academie),
Totenmetontwerpen, Jan van der Ploeg, Hannah Anthonysz, Marc Heeman en Maayke de Ridder
pagina 10: Vincent Dekkers
pagina 18: Willem de Kam (Willem de Kooning Academie)
pagina 23: Totenmetontwerpen
pagina 28: Zoe Khouw (Willem de Kooning Academie)
pagina 41: Totenmetontwerpen
3
4
Economie en
Arbeidsmarkt
Download