Chemische en biologische terreurwapens II

advertisement
Chemische en biologische terreurwapens II
Marco Bouman
Naast een grote interesse voor chemische wapens, leggen enkele terroristische
netwerken ook een warme belangstelling voor biologische wapens aan de dag.1 De in
het najaar van 2001 verstuurde miltvuurbrieven zouden wel eens een voorproefje
kunnen zijn van een aanslag met veel verder gaande gevolgen. Volgens één,
inmiddels beruchte, oefening zou een aanslag met het pokkenvirus in de Verenigde
Staten binnen een maand leidden tot algehele chaos. Alles bij elkaar voldoende reden
voor grote paniek, of toch niet?
Inleiding
Hoewel nooit met groot succes op het slagveld ingezet, bezitten biologische wapens de
twijfelachtige reputatie van massavernietigingswapen bij uitstek. Hoogtepunt van het
biologische wapen, voor zover hier van een hoogtepunt sprake kan zijn, was het over de
stadsmuren katapulteren van pestlijders door de Tataren tijdens de belegering van Kaffa in
de veertiende eeuw. Een systematischer inzet van biowapens was bijvoorbeeld tijdens de
Tweede Wereldoorlog aan de orde. Tijdens de campagne in China en Mantsjoerije werden
door Japanse troepen meerdere ziekmakende organismen zoals cholera, miltvuur en
pestbacteriën verspreid. Ook werden er stelselmatig tests uitgevoerd op duizenden, meest
Chinese, krijgsgevangenen. De speciaal voor dit doel opgerichte ‘eenheid 731’ legde zo de
basis voor de biologische wapenprogramma’s van de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten.2
Na de Tweede Wereldoorlog gingen beide grootmachten voortvarend aan de slag en
ontwikkelden een arsenaal aan biologische wapens. Tegen het einde van de jaren zestig
was de publieke opinie in de meeste westerse landen sterk gekant tegen de inzet van
dergelijke wapens. De protesten sloten aan bij reeds bestaande sentimenten tegen de oorlog
in Vietnam waar op grote schaal giftige ontbladeringsmiddelen werden ingezet. In 1969
besloot de toenmalige Amerikaanse president, Richard Nixon, tot het stopzetten van
offensief onderzoek naar dergelijke wapens en in 1972 waren de Verenigde Staten een van
de initiatiefnemers van de Biological and Toxin Weapons Convention. Simpel gezegd
verbiedt deze laatste conventie de ontwikkeling, productie en opslag van biologische
wapens. Naast de Verenigde Staten en de meeste westerse landen, behoorden ook de
Sovjet-Unie en Irak tot de ondertekenaars van deze conventie, iets wat Rusland en Irak er in
de praktijk niet van weerhield op grote schaal dergelijke wapens te produceren.3
Biologische wapens
Uit de beschikbare literatuur over dit onderwerp komt al snel naar voren dat er aan
ziekteverwekkers geen gebrek is. Omwille van de ruimte worden hier alleen die pathogene
organismen vermeld waarvan het gebruik in wapens bekend is of wordt vermoed.
Virussen
•
Pokkenvirus: een van de meest gevreesde ziektes op aarde werd na een tien jaar
durende vaccinatiecampagne uitgeroeid; het laatste geval dateert uit 1977. De laatste
levende virussen zijn opgeslagen in het Amerikaanse Center for Disease Control en
zijn Russische tegenhanger het Vector instituut. De ziekte werd gekenmerkt door een
redelijk lange incubatietijd (8-14 dagen) en een hoge besmettelijkheid.
1
•
Filovirussen: ook wel Ebola of Marburgvirus genaamd naar de plaatsen van uitbraak.
Deze virussen zijn zeer besmettelijke hemorragische (bloedingen veroorzakende)
virussen die celwanden aantasten en interne organen verwoesten. Voor dit virus
bestaat geen vaccin. De ziekte is zeer besmettelijk, heeft een korte incubatietijd en
een zeer hoge mortaliteit.
Bacteriën en ricketsia
•
•
•
•
Tularemie: een verlammende ziekte die verspreid wordt door een bacterie en die in
het wild endemisch is bij veel knaagdieren. De ziekte heeft een vrij korte incubatietijd
(4-8 dagen) maar is zelden dodelijk.
Miltvuur: niet besmettelijke, zeer robuuste sporenvormende bacterie die van
oorsprong in de grond leeft. Natuurlijke besmetting verloopt meestal via vee; deze
huidbesmetting is met antibiotica goed te behandelen. De inhalatie van
miltvuursporen is alleen in een zeer vroeg stadium te behandelen. Als de symptomen
reeds aanwezig zijn is de ziekte in negentig procent van de gevallen fataal.
Pest: besmettelijke bacterie; besmetting met builenpest geschiedde meestal door
middel van vlooienbeten. Longpest met name is zeer besmettelijk en verspreidt zich
waarschijnlijk op minuscule druppeltjes door de lucht.
Ricketsia: verzamelnaam voor een groep van extreem kleine intracellulaire parasieten
die qua afmeting en gedrag op virussen lijken. Zij zijn de veroorzakers van
uiteenlopende ziekten als Q-koorts en vele tyfusvarianten. In de natuur komen
ricketsia voor bij veel kleine zoogdieren. Besmetting vindt voornamelijk door teken en
mijten plaats.
Biotoxinen
•
•
•
Mycotoxinen: eiwitderivaten die afkomstig zijn van schimmels. Tot de meest giftige
behoren aflotoxine (van de aspergillus schimmel) en trichotheceen (afkomstig van f.
stachybotrys).
Botulismetoxine: wordt geproduceerd door de botulismebacterie en is waarschijnlijk
de giftigste substantie die in de natuur voorkomt.
Ricine: kan gewonnen worden uit Castorbonen (ricinus communis); in
geconcentreerde vorm is dit vergif vele malen giftiger dan cyanide.4
Bij de inzet van biotoxines wordt er geen gebruik gemaakt van een levend organisme,
derhalve kan van secundaire besmetting geen sprake zijn. In het geval van botulismetoxine
kweekt men eenvoudig de bacterie en deze produceert vervolgens de toxines waar het om te
doen is. De inzet van dergelijke toxines heeft in de praktijk meer overeenkomsten met de
inzet van chemische wapens dan met biologische wapens. In het geval van botulismetoxine
is ook de uitwerking merkwaardig genoeg identiek aan een zenuwgas: beide blokkeren ze
het enzym acetylcholinesterase waardoor het zenuwstelsel overbelast raakt. Mycotoxines
zijn over het algemeen iets minder giftig dan zenuwgassen, maar hebben naast een directe
toxiciteit op de lange termijn sterk kankerverwekkende eigenschappen. Tevens bestaat het
vermoeden dat toxines verantwoordelijk zijn voor beschadigingen aan de lever en mutaties
van het DNA. In poedervorm zijn de meeste mycotoxines beperkt giftig bij huidcontact,
huidpenetratie kan door de toevoeging van een oplosmiddel als dimethylzwaveloxide
(DMSO) echter sterk verbeterd worden.
Biologische wapenprogramma’s
De grootste en meest geavanceerde biologische wapenprogramma’s liepen in de voormalige
Sovjet-Unie. Een land waar nog geen behoorlijke stofzuiger geproduceerd kon worden, vond
wel ingenieuze manieren om bacteriën en zelfs virussen effectief te verspreiden. Er lijkt
2
sprake van een soort evenwicht tussen besmettelijkheid aan de ene kant en
overlevingskansen van een virus buiten zijn gastheer aan de andere. Amerikaanse
wetenschappers waren in de jaren zestig dan ook de mening toegedaan dat virussen
ongeschikt waren voor toepassing in biowapens. Russische wetenschappers zijn kennelijk
wel geslaagd in het levend houden van virussen buiten hun gastheer. Biopreperat, de
instelling belast met de ontwikkeling van biowapens, cultiveerde op grote schaal tularemie,
pokken en zelfs filovirussen voor offensieve doeleinden.5
Bepaalde bacteriën zijn een stuk eenvoudiger in een biologisch wapen te gebruiken. Miltvuur
vormt, onder voor de bacterie minder gunstige omstandigheden, een stevige spore die bij
uitstek geschikt is voor militaire toepassingen. Van nature komen er alleen huidbesmettingen
of voedselvergiftigingen met deze bacterie voor. In deze gevallen is het verloop van de ziekte
vrij gelijkmatig en is de infectie met een geschikt antibiotica goed te bestrijden. Een
besmetting van de longen met een kleine hoeveelheid van minimaal 5000 sporen, is na
enige dagen al niet meer te behandelen en derhalve dodelijk. Militaire verspreiding van de
bacterie heeft daarom de longen als voornaamste doel. Hoewel de bacterie zich in de longen
snel vermenigvuldigt en longweefsel aantast, vormt de patiënt zelf geen bron van
besmetting. De gevolgen van een aanval met miltvuur zijn, wat secundaire infecties betreft,
redelijk beperkt. Om de miltvuursporen aërosol te kunnen verspreiden en voor inhalatie
geschikt te maken is de afmeting cruciaal, deze zou tussen 1 en 5 micron moeten liggen. Om
deze waarde te bereiken moet de gevriesdroogde spore vermalen worden met een apparaat
dat de spore in het proces niet beschadigt. Dit luistert vrij nauw. Russische wetenschappers
ontwikkelden speciaal voor dit doel een machine die met een stoot lucht de sporen
verpulverde.6 Een spore die onbeschermd aan de elementen wordt overgeleverd is geen
lang leven beschoren: zonlicht is dodelijk, wind en regen beïnvloeden de effectiviteit sterk.
Met behulp van een speciale micro-encapsulatietechniek kan niet alleen de levensduur
verlengd worden, ook de aërosole kwaliteiten kunnen door middel van een antistatische
coating sterk verbeterd worden. Hoe krachtig een aldus geproduceerde miltvuurspore is,
bleek in april 1979 toen er in Sverdlovsk een luchtfilter ontbrak op een droogmachine en de
sporen gedurende enkele uren over het terrein geblazen werden. In de daaropvolgende
weken stierven er tientallen arbeiders van een nabijgelegen fabriek. De officiële lezing was
dat de gevallen van miltvuur te wijten waren aan besmet vlees dat op de zwarte markt
verkocht was.7 Het verhaal rammelde aan alle kanten maar de verwachte storm van
verontwaardiging in het Westen bleef uit.
Aanslagen tot dusver
Biologische wapens zijn op het moderne slagveld om voor de hand liggende redenen van
weinig waarde. Tegen een onvoorbereide burgerbevolking zou het echter een verwoestende
uitwerking kunnen hebben. Dat er desalniettemin sinds de Tweede Wereldoorlog geen
geverifieerde aanvallen met biologische wapens in oorlogstijd geweest zijn, komt
voornamelijk door de internationale afkeer van dergelijke middelen. De inzet van biologische
wapens tegen burgers zou een staat in het gunstigste geval in een internationaal isolement
doen belanden.
Het type terrorist dat bereid is een aanslag met biologische wapens te plegen is gelukkig vrij
dun gezaaid. Het soort groepering dat publieke aandacht wil voor een ‘rechtvaardige zaak’,
bijvoorbeeld links-radicale/anarchistisch georiënteerde bewegingen, zal nooit naar
massavernietigingswapens grijpen omdat dit niet past binnen hun ideologie. Over het
algemeen kan worden gezegd dat ‘conventionele’ terreur een concreet doel nastreeft en dat
de beweging in kwestie de tegenstander toch min of meer aanvaardt als gesprekspartner. Er
bestaan in hoofdzaak twee soorten groeperingen waarvan men aanneemt dat ze wel bereid
zijn dergelijke aanslagen te plegen: extreem-religieuze groeperingen, en zogenaamde right
wing militias, een overwegend Amerikaans fenomeen. Eerder genoemde motieven om geen
massavernietigingswapens te gebruiken gaan hier om uiteenlopende redenen niet op. Deze
3
bewegingen streven zelden realistische doelen na en hebben nauwelijks een boodschap aan
de media of publieke opinie. Grote aantallen slachtoffers vallen voor een groter goed of zijn
in de ogen van met name religieus-extremisten het leven toch niet waard.
De in september 1984 uitgevoerde aanslag in Wasco County in de Amerikaanse staat
Oregon is in meerdere opzichten een grensgeval. De Rajneesh, een van oorsprong uit India
afkomstige Bhagwansekte, besmette 750 mensen met een salmonellabacterie. De bedoeling
was dat de zieken niet in staat zouden zijn te stemmen en dat de sekte aldus de lokale
verkiezingen kon manipuleren.8 De sekte kon eenvoudig tot de aanschaf van een
salmonellacultuur overgaan omdat zij er uitgebreide medische voorzieningen op na hield;
salmonellaculturen zijn een veel gebruikt controle-organisme om na te gaan of een klinisch
laboratorium aan de wettelijk gestelde eisen voldoet. De aldus verkregen kleine
hoeveelheden salmonella werden in een kleine incubator verder opgekweekt tot men enkele
liters besmette vloeistof bezat. De manier van besmetting was eenvoudig maar effectief:
enkele leden van sekte goten de substantie bij tien zelfbedieningsrestaurants in de salade.
Hoewel er bij deze actie geen doden vielen werden van de 750 slachtoffers er 45 dusdanig
ziek dat zij enige tijd in een ziekenhuis werden opgenomen. De Amerikaanse overheid kwam
pas in 1985 achter de ware aard van de besmetting, toen voormalige sekteleden het incident
onthulden. Omdat de sekte niet de intentie had mensen te doden of in klassieke zin te
terroriseren valt het incident lastig te rangschikken onder de noemer bioterrorisme. Gelet op
de werkwijze en de schaal waarop de besmetting plaatsvond is vermelding wel op zijn
plaats.
Van Larry Wayne Harris is nooit bewezen dat hij de intentie had om een aanslag te plegen
met een biologisch wapen, maar zijn arrestatie in 1995 en de daaropvolgende inbeslagname
van drie flesjes met een pestbacterie zorgden voor groot alarm bij Amerikaanse
gezondheids- en veiligheidsinstanties. Bij zijn werkgever – een onderzoekslaboratorium in
Columbus, Ohio – had Harris herhaaldelijk verzocht om enkele monsters met pestbacteriën.
Zijn aanvraag werd afgewezen omdat het laboratorium niet de benodigde faciliteiten had om
veilig met de bacterie te kunnen werken; daarnaast zagen zijn superieuren niet de noodzaak
van zijn verzoek in. Hierop wendde Harris zich rechtstreeks tot het American Type Culture
Collection (ATCC), de instantie die in de Verenigde Staten microbiologische culturen
verkoopt voor onderzoeksdoeleinden.9 Met een briefhoofd van een fictief laboratorium en het
controlenummer van zijn werkgever plaatste Harris vervolgens op 5 mei met succes een
order. Toen Harris na enkele dagen belde met de vraag waar de pestbacterie bleef, kreeg
een medewerker van het ATCC argwaan en verwittigde het Center for Disease Control dat
op zijn beurt de politie informeerde die Harris op 15 mei van zijn bed lichtte. Van Harris was
bekend dat hij extreem-rechtse sympathieën koesterde, hij bekleedde de rang van luitenant
in de neo-nazistische Aryan Nation. In de periode van zijn arrestatie werkte hij ook aan een
zogenaamde survivalist guide waarin hij zijn bevindingen uiteenzette. Volgens Harris was
Irak bezig de Verenigde Staten te infiltreren door middel van een rat besmet met een
superbacterie. Harris’ onderzoek richtte zich, volgens eigen zeggen, dan ook op het
ontwikkelen van een vaccin; bewijzen voor het tegendeel zijn nooit gevonden. Mede naar
aanleiding van deze zaak zijn in de Verenigde Staten de bepalingen omtrent de verhandeling
van ziekteverwekkende organismen en biotoxines drastisch aangescherpt.
De interesses van de Japanse eschatologische sekte Aum Shinrikyo beperkten zich niet tot
de productie en verspreiding van zenuwgassen. De sekte had een redelijk uitgerust
laboratorium dat zich uitsluitend bezighield met de kweek van ziekteverwekkende microorganismen voor biologische oorlogvoering. Een van de zoektochten naar geschikte
ziekteverwekkers voerde een medisch team van Aum in 1992 naar de jungle van Zaïre.
Onder het voorwendsel slachtoffers van een ebola-uitbraak te helpen, trachtte de sekte hier
het virus te vergaren. Al in het begin van de jaren negentig waren de microbiologen druk
doende botulismetoxine te isoleren en in 1993 was het team erin geslaagd de
miltvuurbacterie te cultiveren. De daaropvolgende verspreiding van de miltvuurbacterie in
4
een geconcentreerde vloeistof vanaf een flat in Tokio heeft, voor zover bekend, niet geleid
tot besmettingen. De verspreiding van de substantie werd een stuk professioneler aangepakt
dan de aanslag met sarin op de metro van Tokyo: er was een geautomatiseerde opstelling
met een vernevelaar en een grote ventilator. Dat er geen besmettingen plaats vonden was
hoofdzakelijk te wijten aan een laag gehalte levensvatbare bacteriën en de vloeistof waarin
deze zich bevonden; een vloeistof is niet de meest ideale vorm om miltvuur te verspreiden.
Toen de Japanse politie, na de sarin-aanslag op de metro, het terrein van de sekte
onderzocht trof zij daar maar liefst 160 vaten aan met in totaal bijna drieduizend liter pepton.
Pepton wordt algemeen gebruikt als grondstof voor een voedingsbodem met
bacterieculturen, voor onderzoeksdoeleinden heeft een klein laboratorium niet meer dan een
tiental liters nodig. Achteraf bekeken had zo’n enorme hoeveelheid pepton ‘voor
onderzoeksdoeleinden’ bij de leverancier vragen moeten oproepen; echter ook internationaal
zijn er geen beperkingen gesteld aan de uitvoer van groeimedia voor bacterieculturen zoals
pepton.
De slachtoffers die in het najaar van 2001 vielen in Washington en Florida als gevolg van de
met miltvuur besmette brieven zijn, voor zover bekend, de eersten die bij een dergelijke
aanslag om het leven kwamen. Er zijn aanwijzingen die doen vermoeden dat het hier niet om
een doelbewuste aanslag ging. Allereerst lijkt de miltvuurbacterie genetisch verwant aan een
stam die oorspronkelijk door het Amerikaanse leger is ontwikkeld. De afmeting van de spore
en concentratie voldoen daarnaast aan de hoogste militaire vereisten en maken productie
door een individu met ervaring in de biowapenindustrie meer dan waarschijnlijk. Dat de
pleger vermoedelijk niet uit was op het maken van dodelijke slachtoffers blijkt uit het feit dat
de brief vermeldde dat de envelop miltvuur bevatte.10 De brieven gericht aan de New York
Post en aan NBC raadden aan penicilline in te nemen; toediening van een breedspectrum
antibioticum vóórdat de symptomen zich ontwikkelen, is meestal effectief. Als gevolg van
deze waarschuwing zijn er onder de geadresseerden dan ook geen slachtoffers gevallen. De
mensen die aan de besmetting overleden, waren eerder met de brief in aanraking gekomen
en kregen geen tijdige waarschuwing. Ook nadat de eerste ziektegevallen bekend werden
dachten experts dat miltvuursporen niet uit gesloten post kon ontsnappen.11 Dat de
enveloppen zorgvuldig dichtgeplakt waren duidt er eveneens op dat de sporen niet eerder uit
de brief mochten ontsnappen. Tenslotte lijkt het, gezien de consistente kwaliteit van de
sporen, waarschijnlijk dat de dader toegang had tot grotere hoeveelheden. Als de dader of
daders daadwerkelijk een aanslag wilden uitvoeren, waarom dan op deze kleinschalige,
uiterst ineffectieve wijze? Waarschijnlijk was de opzet niet mensen te doden maar om ze te
waarschuwen voor de potentiële gevolgen van een dergelijke aanslag.
Ook niet zo eenvoudig…
De productie van een dodelijk virus voor een aanslag tegen burgerdoelen ligt op dit moment
waarschijnlijk buiten het bereik van terroristische groeperingen. Ondanks het feit dat Irak na
de Sovjet-Unie het grootste biologische wapenprogramma bezat, is zelfs Irak er vermoedelijk
niet in geslaagd een dodelijk virus voor offensieve doeleinden te vervaardigen. Irak is er wel
in geslaagd grote hoeveelheden miltvuur, aflotoxine en botulismetoxine te produceren.12
Bijna allemaal in vloeibare vorm wat, zoals reeds vermeld, voor offensieve doeleinden niet
ideaal is. De apparatuur die in Irak voor productie gebruikt werd valt nu onder
exportrestricties zoals opgesteld door de Australia Group. Met name de grote
fermenteerinstallaties (>100 liter), vriesdroogmachines (>50 kg./h), centrifugaalafscheiders,
en aerosol-inhalatiekamers vallen onder stringente bepalingen. Logischerwijs geldt hetzelfde
voor een twintigtal virussen, vier ricketsiae, dertien bacteriestammen en twaalf biotoxines,
die als bijzonder ziekteverwekkend bekend staan.13
Er wordt vaak gesuggereerd dat het in de voormalige Sovjet-Unie wemelt van de
onderbetaalde microbiologen die staan te popelen om voor een goedbetalende
terreurbeweging te werken. Ook zou het mogelijk zijn voor veel geld virussen en bacteriën te
5
kopen. Voorlopige studies lijken dit beeld echter te ontkrachten. Het blijkt in de praktijk zeer
moeilijk om met geschikte personen in contact te komen en de Russische geheime dienst
FSB houdt voormalige medewerkers nauwlettend in de gaten. Ook de wetenschappers zelf
lijken, om voor de hand liggende redenen, niet in dergelijke avonturen geïnteresseerd.14
Als een terroristische groepering er toch in zou slagen een virulent organisme te
bemachtigen is het theoretisch niet al te ingewikkeld dit in een kleine fermenteerinstallatie te
cultiveren. Het werken met virulente micro-organismen is verhoudingsgewijs een stuk veiliger
dan het produceren van een zenuwgas. Er wordt niet met agressieve chemicaliën gewerkt,
waardoor de vereiste apparatuur eveneens een stuk goedkoper is. Een eenvoudige
fermenteerinstallatie, bijvoorbeeld voor het brouwen van alcoholische dranken zou met een
paar simpele modificaties reeds voldoen. Verder zijn vooral een steriele werkplek,
beschermende kleding en preventieve vaccinaties erg belangrijk. Voor personen met enige
praktijkervaring in de microbiologie zal dit geen onoverkomelijke problemen opleveren. Aum
Shinrikyo ging grotendeels op voornoemde wijze aan de slag. Dat zij toch gefaald heeft duidt
erop dat de stap van een bacteriecultuur in een fermenteerinstallatie naar een effectief
biologisch wapen erg groot is. De techniek om bijvoorbeeld miltvuursporen van de gewenste
grootte te produceren is gecompliceerd en kostbaar. Het procédé om deze sporen
vervolgens, met behulp van micro-encapsulatietechnieken te voorzien van een coating
vereist zeer specifieke kennis en aanzienlijk meer geld. De wijze van verspreiden speelt
eveneens een grote rol. Explosieve verspreiding is niet ideaal, omdat de hitte en de
schokgolf een goot deel van het organisme zou doden. Mechanisch verspreiden is
daarentegen omslachtiger en moet afgestemd worden op het medium. De enige manier om
zeker te zijn van een effectieve verspreiding is oefenen en nauwgezet testen. Hiervoor zijn
echter een dure aerosol-inhalatiekamer en proefdieren noodzakelijk. Al is de interesse bij
diverse groeperingen zeker aanwezig, het is praktisch uitgesloten dat er op dit moment
terreurbewegingen bestaan die aan deze voorwaarden kunnen voldoen.
Resumerend
Om genoemde redenen hebben diverse aanslagen met biologische wapens in het verleden
geen indrukwekkende resultaten laten zien. Het is met dergelijke aanslagen echter net als
met beleggingsfondsen: in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de
toekomst. Simulaties zoals Dark Winter kunnen overheden wijzen op tekortkomingen in het
gevoerde beleid bij dergelijke incidenten. Het realiteitsgehalte moet echter niet uit het oog
verloren worden; absurd hoge cijfers voor veronderstelde secundaire besmettingen zorgen
voor absurd hoge aantallen slachtoffers. Een fixatie op enorme aantallen slachtoffers kan er
voor zorgen dat beleidsmedewerkers kiezen voor het verkeerde instrument om een epidemie
te bezweren of te voorkomen. De terroristische dreiging is maar een deel van het probleem:
diverse landen lappen gemaakte afspraken met betrekking tot biologische wapens
eenvoudig aan hun laars en het ontbreekt de internationale gemeenschap klaarblijkelijk aan
politieke wil om hier tegen op te treden.
M. Bouman studeert geschiedenis aan de Universiteit Leiden en verrichtte in verband met zijn
afstudeerscriptie een onderzoeksstage bij de Atlantische Commissie
6
Dark Winter
In nog hogere mate dan bij een chemisch wapen hangen de gevolgen van een aanslag met een
biologisch wapen af van tientallen niet te voorspellen variabelen. Het Johns Hopkins Center
organiseerde samen met nog enkele instanties in de zomer van 2001 een grootschalige oefening, met
de naam Dark Winter, waarbij een aanslag met het pokkenvirus werd gesimuleerd (zie:
http://www.hopkins-biodefense.org/darkwinter.html). Aan deze oefening deden diverse voormalige
hoge beleidsmedewerkers mee. De uitkomsten van het onderzoek waren bijzonder verontrustend.
Door de hoge snelheid waarmee het virus om zich heen greep kregen de lokale en nationale overheid
geen grip op de epidemie met als resultaat dat er binnen twee weken meer dan 16.000 ziektegevallen
waren en meer dan 1000 doden. Verontrustender was het gegeven dat rond deze tijd de vaccins op
begonnen te raken er, als gevolg van quarantainemaatregelen, op diverse plaatsen rellen uitbraken.
Het is gezien deze resultaten niet verwonderlijk dat de media vervolgens dit scenario aanvoerden als
hét bewijs voor de desastreuze gevolgen die een aanslag met het pokkenvirus met zich mee zou
brengen. Er is echter recentelijk echter nogal wat kritiek op een cruciaal uitgangspunt van deze
simulatie gekomen. De veronderstelling dat elk besmet persoon minimaal tien andere besmet –
cruciaal voor het in Dark Winter geschetste beeld van een niet te controleren uitbraak – lijkt in geen
verhouding tot de realiteit te staan. Een zorgvuldig en zeer recent onderzoek van het Center for
Disease Control komt op een historisch gemiddelde van nog geen drie besmettingen per patiënt (zie:
http://www.cdc.gov/ncidod/eid/vol7no6/meltzer.htm). Gedurende de vrij lange incubatieperiode is de
patiënt, in tegenstelling tot hetgeen vaak gedacht wordt, niet besmettelijk. Deze twee factoren maken
het verloop van een onverhoopte uitbraak zoals in Dark Winter onwaarschijnlijk. Omdat het
pokkenvaccin in een aantal gevallen fatale bijwerkingen heeft is het onverstandig om op voorhand de
bevolking te immuniseren. De bijwerkingen waren een van de redenen om de algehele vaccinatie in
de jaren zeventig te staken.
Noten
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
Het artikel in het vorige nummer van Atlantisch Perspectief (2001 nr. 7/8) concentreerde zich
op chemische wapens. Dit artikel gaat voornamelijk over biologische wapens.
Peter Williams en David Wallace, Unit 731: The Japanese army’s secret of secrets (London
1989).
De enorme omvang van het Russische biowapenprogramma werd onthuld door de voormalige
directeur: Ken Alibek in zijn boek Biohazard (London 1999).
Ricine is vooral berucht geworden vanwege het gebruik bij de ‘paraplumoord’ op de Bulgaarse
dissident Georgi Markov in Londen. C. Andrew en V. Mitrokhin, The Mitrokhin Archive (London
1999) p. 506-508.
Alibek, Biohazard, p. 20.
Ibidem.
Ibidem, 70-79.
Deze en volgende case-studies zijn afkomstig uit: Jonathan B. Tucker ed., Toxic Terror.
Assessing terrorist use of chemical and biological weapons (Cambridge, MA en London,
2000).
Door het ATCC werd in de jaren tachtig o.a. antrax geleverd aan Irak. Na de UNSCOMmissies zijn er strikte exportcontroles opgesteld voor pathogenen en toxines.
De brieven zijn in hun geheel te zien op de FBI website: http://www.fbi.gov/homepage.htm.
M. van Leeuwen, ‘Trends in terrorisme’, Atlantisch Perspectief 2001 nr.6, p.5.
Voor een goed overzicht zie: http://www.fas.org/nuke/guide/iraq/bw/program.htm.
Zie: http://www.australiagroup.net/control_list/bio_agents.htm.
Raymond A.Zilinskas ‘Rethinking bioterrorism’ in Current History (December 2001), p. 439.
7
Download