Zijn bloed reinigt van alle zonden Zingen: Psalm 98:1 Zingt, zingt

advertisement
Zijn bloed reinigt van alle zonden
Zingen: Psalm 98:1
Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE,
Die grote God, Die wond'ren deed;
Zijn rechterhand, vol sterkt' en ere,
Zijn heilig' arm wrocht heil na leed.
Dat heil heeft God nu doen verkonden;
nu heeft Hij Zijn gerechtigheid,
zo vlekkeloos en ongeschonden,
voor 't heidendom ten toon gespreid.
Stem
Op de kruisheuvel Golgotha ontmoeten we een ooggetuige van Christus’ sterven. Johannes schildert
in woorden wat hij ziet. Zo wordt het heil verkondigd. Zongen de engelen van vreugd bij Christus’
geboorte, nu speelt het heil zich af tegen het decor van lijden en sterven. Johannes ziet de lijdende
Christus aan het kruis. Geslagen, verwond. Wie Hem ziet, wil zijn aangezicht af wenden. Als wij Hem
aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben. Hij was als iemand voor wie
wij onze ogen afwenden.
Zingen: Gezang 32:1
O hoofd, bedekt met wonden
belaân met smart en hoon!
O hoofd, ten spot ombonden
met ene doornenkroon.
Eertijds gekroond met stralen
van meer dan aardse gloed,
waarlangs nu drupp’len dalen.
‘k Breng zeeg’nend U mijn groet!
Stem
Maar laten we onze ogen niet afwenden. Want Hij, de Man van smarten, hing daar om ónze zonden.
Wíj staan in Adam schuldig voor God. Door onze opstand tegen God in het paradijs haalden we Zijn
toorn over ons en zijn wij de dood schuldig. Niet Christus, maar wij hebben
deze straf verdiend: want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God.
Stem
Vanuit ons diepste wezen zijn we door de zonde onrein. Worden we overdekt met vuile wonden.
Water of andere middelen zullen ons niet reinigen.
Alleen het bloed van Christus reinigt van alle zonden. God gaf bloed als middel waardoor zonden
vergeven kunnen worden. Zoals we zien bij de offers in het Oude Testament.
Lezen: Leviticus 17:11
Want het leven van het vlees is in het bloed, en Ik heb dat Zelf voor u op het altaar gegeven om voor
uw leven verzoening te doen. Want het is het bloed dat door middel van het leven verzoening
bewerkt.
Zingen: Psalm 51:8
HEER', open Gij mijn lippen door Uw kracht,
zo zal mijn mond Uw lof gestaag vermelden.
Geen offer kan voor mijne zonden gelden;
behaagd' U dat, straks wierd het U geslacht.
Indien Gij lust in brandend' off'ren had,
dan werd het vuur door mij gewis ontstoken;
ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat,
maar zou 't altaar van offervee doen roken.
Stem
Brandoffers noch schuldoffers waren genoeg om de schuld weg te nemen.
Christus was het Die in de stilte der eeuwigheid sprak: Zie, ik kom, o HEER’, om Uw wil te doen. Om
genoegdoening te doen door lijden en sterven. Om verzoening teweeg te brengen.
Gedicht
De Vader had Zijn Zoon bevel gegeven
reeds in de stilte van de eeuwigheid
dat Hij Zijn volk, ten koste van Zijn leven
verlossen zou van ongerechtigheid.
(Christien de Priester)
Zingen: Psalm 40:4
Brandofferen, noch offer voor de schuld,
voldeden aan Uw eis, noch eer.
Toen zeid' ik: ‘Zie, ik kom, o HEER’;
de rol des boeks is met Mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Mijn liefd' en ijver brandt:
Ik draag Uw heil'ge wet,
die Gij den sterv'ling zet,
in 't binnenst' ingewand.
Lezen: Hebreeën 9 :12­14 en 22
Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed voor eens en altijd
binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht. Want als
het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen
heiligt tot reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige
Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de
levende God te dienen! En bijna alles wordt volgens de wet door bloed gereinigd, en zonder het
vergieten van bloed vindt er geen vergeving plaats.
Stem
Smetteloos aan God geofferd. Zo werd het bloed van Gods Zoon vergoten. God is op Golgotha bezig
de Schriften te vervullen. Johannes, ooggetuige, beschrijft tot in detail wat hij ziet. Het is waar
gebeurd.
Stem
We zien Hem gaan, nadat Hij met de discipelen het laatste Avondmaal gehouden heeft. Toen Hij het
brood – teken van Zijn lichaam ­ nam, zegende en uitdeelde aan de discipelen. Toen Hij de drinkbeker
nam en de woorden sprak: Drink allen daaruit, want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe
verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. We zien Hem gaan, nadat ze
samen gezongen hebben. Naar de hof van Gethsemané.
Gedicht
Zoals Hij tot Zijn jongeren sprak
toen Hij voor hen de broden brak:
‘Gedenk bij ’t breken van dit brood,
Mijn lijden en Mijn bittere dood.’
Voordat Hij van het maal opstond
was er een lofzang in Zijn mond.
Zo hef ook ik een loflied aan
om bij Zijn liefde stil te staan.
Daar in de hof lijdt Hij alléén.
En van Zijn vrienden is er geen
die met Hem waakt: Immanuël
vindt Zelf geen vriend, geen metgezel.
(Hallgrímur)
Zingen: Joh. de Heer, lied 280:1 en 3
‘t Is middernacht, en in de hof
buigt, tot de dood bedroefd in ‘t stof,
de Levensvorst; in Zijn gebeên
doorworstelt Hij Zijn strijd alleen.
‘t Is middernacht, maar Jezus waakt,
en ’t zielelijden dat Hij smaakt
bant uit zijn hart de bede niet:
Mijn Vader, dat Uw wil geschied’.
Stem
Met deze bede op de lippen, heeft Hij de pers alleen getreden. Verlaten door de Zijnen. Verraden
door Judas. Zo wordt Hij gevangengenomen.
Gedaagd voor het Sanhedrin en voor Pilatus. Onrechtvaardig behandeld. Het vonnis wordt geveld:
Kruisig Hem!
Gedicht
We dachten dat Gods volk Hem dit had aangedaan
wanneer hun spotten aanzwol tot een bittere hoon.
Zij hebben schreeuwend in de menigte gestaan,
de kruisdood eisend voor Gods Een’ge Zoon.
Ik dacht: het volk droeg alle schuld van Christus’ lijden.
Ik had daar toch niet bij die menigte gestaan?
Totdat Gods Geest mij leerde te belijden:
Ik, ja ik, heb Hem dit grote lijden aangedaan.
(Dichter onbekend)
Stem
Ik heb Hem aan het kruis genageld. Ja, ik doe Hem deze bittere weg aan.
En toch… Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven.
Wie kan Zijn lijden doorgronden?
Zingen: Gezang 34:1
Leer mij, o Heer’, Uw lijden recht betrachten.
In deze zee verzinken mijn gedachten.
O liefde, die om zondaars te bevrijden
zo zwaar woudt lijden.
Lezen: Johannes 19:16­19
Toen leverde hij Hem dan aan hen over om gekruisigd te worden. En zij namen Jezus mee en leidden
Hem weg. En terwijl Hij Zijn kruis droeg, ging Hij op weg naar de plaats die Schedelplaats genoemd
wordt en in het Hebreeuws Golgotha.
Daar kruisigden zij Hem en met Hem twee anderen, aan elke kant één, en Jezus in het midden.
En Pilatus schreef ook een opschrift en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE
NAZARENER, DE KONING VAN DE JODEN.
Gedicht
Mijn handen, voeten zijn doorboord
en geen beseft zijn daden.
Als wilde dieren gaan zij voort
o God, met Mij te smaden.
Ik roep – er is geen hulp die daagt.
Zij spotten: hoor toch, hoe hij klaagt,
laat God hem nu behoeden!
U geeft Mij over in hun macht,
geen mens, een worm die men veracht
in felle haat en woede.
(C.F. Gellert)
Zingen: Gezang 46:1 en 3
Als ik in gedachten sta
bij het kruis van Golgotha,
als ik hoor wat Jezus sprak
voor Zijn oog aan ’t kruishout brak.
Hoor ik dan, hoe Jezus bad
voor wie Hem gekruisigd had,
‘k weet dan: ‘Bij de Heiland is
ook voor mij vergiffenis’.
Stem
De Heiland genas zieken en gewonden. Blinden zagen het licht en lammen konden lopen. Nu is er
echter geen gedaante noch heerlijkheid meer aan Hem. Zal Deze de Verlosser zijn?
Maar hoor, in deze bittere strijd bidt Hij om vergeving voor Zijn vijanden. Zorgt Hij voor Zijn moeder.
Gedenkt Hij de moordenaar, die met Hem gekruisigd is, door hem uitzicht te geven op het paradijs. In
Zijn lijden toont Hij Zijn liefde. Híj is de Verlosser. Johannes hoort en begrijpt…
Stem
Maar zij die bij het kruis staan… zij spotten: als Hij Gods Zoon was, dan kon Hij Zichzelf wel bevrijden.
Wat een venijn!
Lezen: Mattheüs 27:41­46
En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden en de oudsten en de
Farizeeën, en zij zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Als Hij de Koning
van Israël is, laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen Hem geloven. Hij heeft op God
vertrouwd; laat Die Hem nu verlossen als Hij Hem welgezind is, want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods
Zoon.
Hetzelfde verweten Hem ook de misdadigers die met Hem gekruisigd waren. En vanaf het zesde uur
kwam er duisternis over heel de aarde, tot het negende uur toe. Ongeveer op het negende uur riep
Jezus met een luide stem: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt
U Mij verlaten?
Zingen: Psalm 22:1
Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij,
en redt mij niet, terwijl ik zwoeg en strij',
en brullend klaag in d' angsten die ik lij',
dus fel geslagen?
't Zij ik, mijn God, bij dag moog' bitter klagen,
Gij antwoordt niet; 't zij ik des nachts moog' kermen.
Ik heb geen rust, ook vind ik geen ontfermen
in mijn verdriet.
Gedicht
Toen Christus’ kruis was opgericht,
de Zoon van God ontluisterd,
verborg de zon haar aangezicht;
de wereld werd verduisterd.
‘Mijn God, mijn God!’, zo schreeuwde Hij,
‘Mijn God waarom verlaat Gij Mij?’
Een angstschreeuw uit de Psalmen.
(Hallgrímur)
Stem
Door dorst en eenzaamheid gekweld riep Hij om water. Nadat Hij de zure wijn genomen had,
herkreeg Hij Zijn stem. In de duisternis weerklonk Zijn stem; het is volbracht. De aarde beefde. Het
voorhangsel van de tempel scheurde doormidden. Christus had de offerdienst vervuld. Aan Gods eis
was voldaan.
Het is volbracht.
Lezen: Lukas 23:44­46
En het was ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over heel de aarde tot het negende uur
toe. En de zon werd verduisterd en het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. En Jezus
riep met luide stem en zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Toen Hij dat gezegd had, gaf Hij
de geest.
Gedicht
Toen was ‘t volbracht, volbracht voor zondaars, Heer’!
Gij buigt het hoofd tot Uwe ruste neer;
geen oneer treft Uw heilig lichaam meer,
geen smaad der bozen;
en schoon uw graf gesteld werd bij godd’lozen,
God wreekt Uw recht:
de liefd’ en de eerbied dragen
U van het kruis en schreiend’ ogen zagen
U weggelegd.
(Nicolaas Beets)
Stem
Johannes vertelt verder: Als de Heiland gestorven is, wordt Zijn lichaam van het kruis afgenomen,
gezalfd met specerijen en in linnen gewikkeld. Daarna wordt Zijn lichaam in het graf van Jozef van
Arimathea gelegd.
Zingen: Psalm 115:9
In 't stille graf zingt niemand 's HEEREN lof;
het zielloos lijf, gedompeld in het stof,
kan Hem geen glorie geven;
maar onze tong zingt, tot in eeuwigheid,
des HEEREN lof, Zijn roem en majesteit.
Looft God, de bron van 't leven!
Gedicht:
Zij dachten dat Hij overwinnen zou,
maar zagen al Zijn krachten in een wolk verdwijnen.
Wat was er over van de hoop, die Hij zo trouw
verkondigd had toen Hij nog leefde met de Zijnen?
(Dichter onbekend)
Stem
Verslagen zijn Zijn volgelingen naar huis gegaan.
Vol verdriet en vragen.
De nacht valt.
Stilte.
Stem
Toen de sabbat voorbij was gingen de vrouwen naar het graf om Hem te zalven.
Tot hun verbazing zagen zij dat de steen was weggerold. Het graf was leeg! Een jongeman in witte
kleren sprak hen toe en sprak: ‘Wees niet ontdaan. U zoekt Jezus de Nazarener, de Gekruisigde. Hij is
opgewekt! Hij is hier niet; zie de plaats waar ze Hem gelegd hadden’. Christus leeft! Hij is opgestaan!
Hij heeft de dood overwonnen!
Met haast gingen de vrouwen terug om het de discipelen te vertellen.
Zingen: Gezang 61:1
Christus onze Heer’ verrees, halleluja.
Heil’ge dag na angst en vrees, halleluja.
Die ten dode ging aan ’t kruis, halleluja.
Bracht ons in Gods vrijheid thuis, halleluja.
Gedicht
Johannes kwam nabij,
geroepen door de Heere.
Gereinigd om te volgen
en van Hem te leren.
Johannes was nabij
het leven met de Heere.
Hij leerde Zijn discipel zijn
Hem door zijn liefde eren.
Johannes bleef nabij
toen Jezus werd gebonden.
Hij zag hoe Hij onschuldig leed
en hoe Hij werd geschonden.
Johannes, hij aanschouwde
wat zich op Golgotha voltrok.
Verwoordde wat hij zag opdat
de waarheid werd vertolkt.
Johannes, hij getuigde
in volle zekerheid
van de verzoening door het bloed
dat door het Paaslam was bereid.
Johannes, hij leefde
uit de overwinningskracht
van de opstanding uit de doden
door het Paaslam aangebracht!
(Dichter onbekend)
Stem:
Als Hogepriester heeft Hij verzoening aangebracht, door Zijn bloed te vergieten. Door Zijn
verzoenend werk hebben wij vrijmoedig toegang tot Gods troon. Hij is de eersteling geworden. Al de
Zijnen, die Hem hebben lief gekregen, mogen daarin delen!
Zingen: Gezang 53:1
Weest gegroet, gij eersteling der dagen.
Morgen der verrijzenis.
Bij wiens licht de macht der hel verslagen
en de dood vernietigd is.
Heere Jezus, Trooster aller smarten,
Zon der wereld, schijn in onze harten.
Deel ons Zelf de voorsmaak mee
van de zaal’ge sabbatsvreê.
Lezen: Hebreeën 10:19­21
Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van
Jezus, langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is
door Zijn vlees, en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God.
Zingen: Gezang 49:1
Jezus, leven van mijn leven,
Jezus, dood van mijne dood,
Die voor mij U hebt gegeven,
in de bangste zielennood,
opdat ik niet hoop’loos sterven,
maar uw heerlijkheid zou erven,
duizend, duizend maal, o Heer’,
zij U daarvoor dank en eer!
Stem
Jezus is het Paaslam. Hij vervulde Zacharia’s profetie: Op die dag zal er een bron geopend worden
voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.
Het Paaslam opent een fontein van leven. Hijzelf is de Bron van leven. Hij is de Eersteling. Wie Hem
liefheeft, mag hierin delen. Een overvloedig rijke oogst zal Hem volgen.
Zingen Psalm 118:12 en 13
Dit is de dag, de roem der dagen,
die Isrels God geheiligd heeft;
laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, Die ons blijdschap geeft.
Och HEER’, geef thans Uw zegeningen;
och HEER’, geef heil op deze dag;
och, dat men op deez' eerstelingen
een rijken oogst van voorspoed zag.
Gezegend zij de grote Koning,
Die tot ons komt in 's HEEREN naam!
Wij zeeg'nen u uit 's HEEREN woning;
wij zegenen u al te zaâm.
De HEER’ is God, door Wie w' aanschouwen
het vrolijk licht, na bang gevaar;
bindt d' offerdieren dan met touwen
tot aan de hoornen van 't altaar.
Lezen: 1 Petrus 2:24 en Jesaja 53:5
Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij, voor de zonden dood,
voor de gerechtigheid zouden leven. Door Zijn striemen bent u genezen. De straf die ons de vrede
aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
Stem
Zijn lijden en sterven herinneren ons aan onze zonden. Leert ons de vergeving en het leven te vinden
bij Hem. Leert ons te bidden om de Heilige Geest, die ons hart vernieuwt. Opdat we in Zijn licht
zullen wandelen. Gereinigd door het bloed van Christus. Volhardend tot het einde. Dan leven we
door Zijn opstandingskracht in gemeenschap met Hem, in de verwachting van het eeuwige leven met
Hem.
Leeft het verlangen verenigd te worden met hen die ons al zijn voorgegaan.
Wie zijn zij?
Lezen: Openbaring 7:13 en 14
Johannes profeteert: ‘En een van de ouderlingen antwoordde en zei tegen mij: Dezen, die bekleed
zijn met witte gewaden, wie zijn zij en waar zijn zij vandaan gekomen?
En ik zei tegen hem: U weet het, mijn heer. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote
verdrukking komen; en zij hebben hun gewaden gewassen en ze hebben hun gewaden wit gemaakt
in het bloed van het Lam.’
Stem
Zijn wij met Christus opgestaan? Door de werking van de Heilige Geest? Dan gaat er iets van ons
leven uit. Dan wandelen we in het licht.
Lezen: Johannes 1:7
Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en
het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
Stem
Leven wij in gemeenschap met Hem, dan verlangen we Hem eeuwig te loven!
Hem komt eeuwig eer toe.
Lezen: Openbaring 5:9
En zij zongen een nieuw lied en zeiden: U bent het waard om de boekrol te nemen en zijn zegels te
openen, want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk
en natie.
Zingen: Psalm 118:1
Laat ieder 's HEEREN goedheid loven;
want goed is d' Oppermajesteit;
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
Laat Isrel nu Gods goedheid loven,
en zeggen: ‘Roemt Gods majesteit;
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
E. Muller­Sloof, Zetten
Foto’s: Dick Sanderman, Rijssen
Download