Ziekte van von Hippel Lindau

advertisement
Ziekte van von Hippel Lindau
Kenmerken
De ziekte van von Hippel Lindau (VHL) is een zeldzame erfelijke aandoening die wordt
gekenmerkt door goed- of kwaadaardige gezwellen (tumoren) op verschillende plaatsen in ons
lichaam. De ziekte kan zich manifesteren onder de vorm van kleine bloedvatwoekeringen
(hemangioblastomen) ter hoogte van de kleine hersenen, het ruggemerg en het netvlies van het
oog(retina). Ook goedaardige gezwellen kunnen optreden ter hoogte van de nieren, de
alvleesklier(pancreas), de bijballen, het binnenoor en de bijnieren (feochromocytomen). In
sommige gevallen wordt er een gezwel aangetroffen in de lever, de milt, de longen, de botten, de
huid en bij vrouwen in het vlies tussen de eierstokken en de baarmoeder. Zeer weinig personen
met de ziekte zullen het merendeel van deze kenmerken vertonen, 50% van de personen zullen
slechts één kenmerk ontwikkelen. De combinatie van tumoren en klachten verschilt van persoon
tot persoon en van familie tot familie. De gemiddelde leeftijd bij de diagnose van oogproblemen
ligt volgens de literatuurgegevens rond 21 jaar en kan reeds optreden voor de leeftijd van 10 jaar.
Om die reden is het aangewezen om reeds vanaf de leeftijd van 5-6 jaar jaarlijks een
oogonderzoek te laten uitvoeren door een gespecialiseerde oogarts. De hemangioblastomen ter
hoogte van de kleine hersenen worden rond een gemiddelde leeftijd van 30 jaar opgemerkt terwijl
de niertumoren rond een gemiddelde leeftijd van 38 jaar optreden.
De belangrijkste oorzaken bij overlijden zijn enerzijds verwikkelingen ter hoogte van de hersenen,
zoals hersenbloedingen, en anderzijds metastasen van een niercelgezwel.
Door systematische medische follow-uponderzoeken en daardoor het tijdig opsporen van
symptomen kan men verwachten dat de gemiddelde levensduur van personen met de ziekte van
VHL zal toenemen. De prevalentie van VHL wordt geschat op 1/40000 inwoners. Dit betekent dat
in België ongeveer 250 personen met de ziekte voorkomen.
Erfelijkheid
Het gaat om een autosomaal dominant overerfbare ziekte. Het gen aan de basis van deze ziekte
werd geïdentificeerd in 1993 en ligt op de korte arm van chromosoom 3. Personen met een
aangetaste ouder hebben 50% kans om een afwijking (mutatie) in het gen geërfd te hebben. Bij
een heel kleine groep patienten (1 à 3%) kan er geen duidelijke familiale geschiedenis gevonden
worden en blijkt het dus te gaan om een nieuw ontstane afwijking (de novo mutatie), die ze dan
evenwel met 1 kans op 2 kunnen doorgeven bij iedere zwangerschap.
Wanneer de diagnose klinisch wordt gesteld en door DNA-onderzoek wordt bevestigd, is het
belangrijk de betrokkenen en hun familie in te lichten over het erfelijk risico en over het belang
van het tijdig opsporen van manifestaties van de ziekte. In families waarin de mutatie gekend is,
kunnen symptoomloze familieleden ook een predictieve test laten uitvoeren.
Predictieve test
De predictieve test laat symptoomloze familieleden toe te vernemen of zijzelf al dan niet drager
zijn van een afwijking in het gen aan de basis van de ziekte van von Hippel Lindau. De
beschikbaarheid van een predictieve DNA-test biedt belangrijke nieuwe perspectieven aan
families waarin de ziekte voorkomt. Als er na DNA-onderzoek van een bloedstaal van een
persoon met verhoogd erfelijk risico geen mutatie gevonden wordt in het gen, kan de betrokkene
ontslagen worden van verdere medische onderzoeken voor het opsporen van manifestaties van
1
Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Leuven 09/06/2005
de ziekte. Als de persoon daarentegen drager van de mutatie blijkt te zijn, is het belangrijk
getrouw de noodzakelijke en regelmatige screeningsonderzoeken te laten uitvoeren (die vóór het
bestaan van de predictieve test aanbevolen werden aan alle afstammelingen van een patiënt met
de ziekte van von Hippel Lindau).
In de periode voor de beschikbaarheid van een predictieve DNA-test, was het niet alleen voor
volwassenen met een verhoogd erfelijk risico, maar ook voor kinderen en adolescenten met een
verhoogd risico belangrijk regelmatig specifieke screeningsonderzoeken te laten uitvoeren om
tijdig eerste manifestaties van de ziekte te kunnen vaststellen en waar mogelijk preventieve
maatregelen te kunnen nemen. Dit is ook de reden waarom het hier zinvol is niet alleen bij
volwassenen maar ook bij adolescenten en kinderen een predictieve test uit te voeren.
Voor alle aanvragen voor predictieve test wordt een multidisciplinaire benadering gevolgd, waarbij
een klinisch geneticus, een psycholoog en een verpleegkundige betrokken zijn, naast andere
medische specialisten. De hoofdbedoeling van heel die aanpak bestaat erin de aanvrager van de
test deskundig te begeleiden in de periode voor de test en gedurende de medische en
psychosociale follow-up na de mededeling van het resultaat. Dit blijkt uit het hierbij gevoegde
protocol.
Patiëntenvereniging voor de ziekte van von Hippel Lindau
V.H.L. Familie Alliantie, Chris Hendrickx, Jozef Jennestraat 81, 2900 Schoten
Tel. 03/658 01 58
E-mail: [email protected]
URL: http://www.vhl.org
Auteurs van de informatieve tekst en contactadres
Leden van Psychosociale Genetica, van Klinische Genetica en van het multidisciplinair team voor
genetisch testen voor deze aandoening hebben meegewerkt aan de totstandkoming van deze
tekst.
Contactadres
Psychosociale Genetica
Klinische Genetica
Centrum voor Menselijke Erfelijkheid
U.Z.Gasthuisberg
Herestraat 49
3000 Leuven (België)
URL: http://www.kuleuven.ac.be/PsychoGen
Psychosociale Genetica
Prof. Gerry Evers-Kiebooms, psychologe (016 34 58 67)
Dr Marleen Decruyenaere, psychologe (016 34 58 74)
Mevr. Kristien Philippe, verpleegkundige (016 34 58 97)
Klinische Genetica
Prof. Eric Legius, klinisch geneticus (016 34 58 93)
2
Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Leuven 09/06/2005
Protocol
predictieve test voor von Hippel-Lindau
bij volwassenen
Enkel van toepassing op leden van families waar de verantwoordelijke mutatie gevonden werd bij
aangetaste familieleden. Er wordt aangeraden dat de aanvrager deze procedure samen met de
partner doorloopt.
Periode vóór de test
Erfelijkheidsraadpleging (erfelijkheidsdeskundige en sociaal verpleegkundige)
Volledige counseling over:
- het erfelijkheidsrisico (uitleg over de gevonden mutatie en de betekenis hiervan)
- de predictieve test
- gedetailleerde informatie over de testprocedure en over de opties na het testresultaat.
Gesprek met psycholoog (en eventueel psychiater)
- Beleving van het risico
- Motieven en verwachtingen ivm predictieve test
- Exploratie van de mogelijke psychologische gevolgen van preventieve maatregelen
na een slecht resultaat.
Aansluitend: onderzoeksinterview en afname van vragenlijsten door psycholoog
Bijeenkomst van het multidisciplinair team
voor de bespreking van de testvragen
Periode van de test
Beslissingsgesprek (erfelijkheidsdeskundige en sociaal verpleegkundige)
Bespreking van de relevante elementen uit de teamvergadering.
Finale beslissing door de aanvrager van de predictieve test en bloedname.
DNA Analyse
3
Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Leuven 09/06/2005
Mededeling van het testresultaat (erfelijkheidsdeskundige en sociaal verpleegkundige)
De implicaties van het testresultaat worden besproken, met aandacht voor de emotionele
betekenis ervan en voor de noodzakelijke medische follow-up.
Periode na de test: medische en psychosociale follow-up
Voor dragers van een mutatie: medische follow-up zoals voor patiënten met VHL
afspraak bij medische specialist in de periode na de mededeling van het testresultaat
Psychosociale follow-up voor alle aanvragers (psycholoog en sociaal verpleegster)
In de loop van de eerste week na het mededelen van het testresultaat wordt telefonisch
contact opgenomen met de dragers van een mutatie om de eerste verwerking van het
testresultaat te bespreken. Na een maand wordt een afspraak gegeven voor een follow-up
gesprek. Indien nodig kunnen bijkomende gesprekken voorzien worden.
Ongeveer één jaar na de mededeling van het testresultaat, en opnieuw na ongeveer vijf
jaar, worden alle geteste personen uitgenodigd op het CME, om de psychische en sociale
gevolgen van het testresultaat te bespreken en enkele vragenlijsten in te vullen. In de
tussenperiode worden de dragers van een mutatie uitgenodigd voor counselinggesprekken die in principe gekoppeld worden aan de afspraken voor de medische followup. Indien nodig kunnen bijkomende gesprekken voorzien worden.
4
Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Leuven 09/06/2005
Protocol
predictieve test voor von Hippel-Lindau
bij kinderen en adolescenten
(vanaf 5 à 6 jaar)
Enkel van toepassing op kinderen en adolescenten waar de verantwoordelijke mutatie gevonden
werd bij de ouder. Er wordt aangeraden dat zij deze procedure samen met hun ouders doorlopen.
Periode vóór de test
Erfelijkheidsraadpleging (erfelijkheidsdeskundige en sociaal verpleegkundige)
Volledige counseling over:
- het erfelijkheidsrisico (uitleg over de gevonden mutatie en de betekenis hiervan)
- de predictieve test
- gedetailleerde informatie over de testprocedure en over de opties na het testresultaat.
Gesprek met kinderpsychiater en psycholoog (ouders en kind/adolescent)
- Beleving van het risico en hoe hiermee omgegaan wordt binnen het gezin
- Nagaan in hoeverre het kind of de adolescent geïnformeerd is over zijn genetisch risico
- Motieven en verwachtingen ivm predictieve test
- Exploratie van de mogelijke psychologische gevolgen (ouders en adolescent) in geval
van een slecht resultaat.
Aansluitend worden van de ouders enkele onderzoeksvragenlijsten afgenomen door de
psycholoog terwijl de kinderpsychiater een gesprek heeft met het kind / de adolescent
Bijeenkomst van het multidisciplinair team
voor de bespreking van de testvragen
Periode van de test
Beslissingsgesprek (erfelijkheidsdeskundige en sociaal verpleegkundige)
Bespreking van de relevante elementen uit de teamvergadering.
Finale beslissing door de aanvrager van de predictieve test (in overleg met de ouders,
afhankelijk van de leeftijd) en bloedname.
5
Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Leuven 09/06/2005
DNA Analyse
Mededeling van het testresultaat (erfelijkheidsdeskundige en sociaal verpleegkundige)
De implicaties van het testresultaat worden besproken, met aandacht voor de emotionele
betekenis ervan en voor de noodzakelijke medische follow-up.
Periode na de test: medische en psychosociale follow-up
Voor dragers van een mutatie:
medische follow-up (afspraak bij oogarts in de periode na de mededeling van het
testresultaat)
Psychosociale follow-up voor alle aanvragers (psycholoog en sociaal verpleegster)
In de loop van de eerste week na het mededelen van het testresultaat wordt telefonisch
contact opgenomen met de dragers van een mutatie om de eerste verwerking van het
testresultaat te bespreken. Na een maand wordt een afspraak gegeven voor een follow-up
gesprek. Indien nodig kunnen bijkomende gesprekken voorzien worden.
Ongeveer één jaar na de mededeling van het testresultaat, en opnieuw na ongeveer vijf jaar,
worden alle geteste personen uitgenodigd op het CME om de psychische en sociale gevolgen
van het testresultaat te bespreken en enkele vragenlijsten in te vullen. In de tussenperiode
worden de dragers van een mutatie uitgenodigd voor counseling-gesprekken die in principe
gekoppeld worden aan de afspraken voor medische follow-up. Indien nodig kunnen bijkomende
gesprekken voorzien worden.
6
Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Leuven 09/06/2005
Download