titel x - Vereniging Vlaamse Provincies

advertisement
Boudewijnlaan 20-21 • B-1000 Brussel
tel. 02-512 11 52 • fax 02-502 46 80
e-mail: [email protected]
www.vlaamseprovincies.be
EU in een notendop
VVP-Nieuwsbrief, februari 2012
Bronnen: Vleva-berichten, nieuwsbrief Agentschap Ondernemen, persberichten van de Vlaamse
Regering, Europa Decentraal (NL), Berichten van de Europese instellingen, “Toerisme in
internationale context”, …
EU in een Notendop
1
1 Infodagen en seminaries
1.1 CvdR organiseert 'Region's make it happen'
Op 10 mei 2012 brengt het Comité van de Regio's (CvdR) de vertegenwoordigers van de Europese
instellingen, de lidstaten en de regio's samen om de stand van zaken op te maken van de huidige
discussies rond cohesiebeleid, plattelandsontwikkeling en het visserijfonds.
Tijdens dit forum, genaamd 'Region's make it happen', wordt de stand van zaken opgemaakt rond:
- Multilevel governance in de fondsen na 2013
- De uitdaging van een geïntegreerde territoriale benadering
- Resultaatsgerichtheid\
Region's make it happen wordt georganiseerd door het Comité van de Regio's als reactie op de
wetgevende voorstellen rond cohesiebeleid.
Regionale en lokale belanghebbenden zijn ook van belang voor de implementatie van het
Gemeenschappelijk Strategisch Kader (GSK) en voor een effectieve coördinatie tussen verschillende
beleidsdomeinen met een territoriale impact. Ook dit onderdeel komt tijdens het forum aan bod.
Het GSK gaat een sleutelrol spelen rondom de voorstellen van de Europese Commissie (EC) over
cohesiebeleid, plattelandsontwikkeling en het visserijfonds na 2013. Het fungeert als handleiding die
de Europa2020 doelstellingen vertaalt naar kernacties voor het Europees Fonds voor Regionale
Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het cohesiefonds, het Europees
Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Visserijfonds (EVF).
1.2 Conferentie EGTS
Het Comité van de Regio's organiseert op 29 maart een conferentie over de Europese Groepering voor
Territoriale Samenwerking (EGTS). Deze conferentie wil de dialoog tussen de Europese Commissie, de
leden van het Europees Parlement, de vertegenwoordigers van de lidstaten en het Comité van de
Regio's stimuleren.
EGTS levert op gemeenschapsniveau de samenwerkingsinstrumenten waarmee de belemmeringen
voor grensoverschrijdende samenwerking uit de weg kunnen worden geruimd. Dankzij deze EGTS
kunnen coöperatieve groeperingen projecten in het kader van territoriale samenwerking die door de
Gemeenschap worden medegefinancierd, uitvoeren. Ook werkzaamheden in het kader van
territoriale samenwerking die op initiatief van de lidstaten plaatsvinden kunnen dankzij EGTS tot
uitvoering worden gebracht.
Het doel van EGTS is om de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking
tussen haar leden te vergemakkelijken en te bevorderen. De groepering is samengesteld uit lidstaten,
EU in een notendop
2
regionale en plaatselijke lichamen, en eventueel publiekrechtelijke instellingen.
Tijdens de conferentie over EGTS wordt aandacht geschonken aan de huidige discussies over de
EGTS-verordening in het kader van het toekomstige cohesiebeleid. Van 9.30 tot 17.00 uur vindt de
conferentie plaats in Brussel.
2 Calls en deadlines
2.1 Oproep Interreg IV France-Wallonie-Vlaanderen:
strategische projecten 2012 (deadline: 15 maart 2012)
De Beheersautoriteit en de Partnerautoriteiten van het Programma France-WallonieVlaanderenhebben besloten een oproep tot kandidaatstelling te lanceren om de projecten te
selecteren die eenbijzonder strategisch en exemplarisch karakter hebben.
In het kader van de uitvoering van het Interreg IV-Programma wensen de partnerautoriteiten de
aandacht te vestigen op het uitgesproken strategische karakter van sommige projecten; dit zal
gebeuren aan de hand van een jaarlijkse ‘labeling’-procedure.
Nadat de selectie plaatsgevonden heeft, zullen de dragers van de geselecteerde projecten een jaar
lang de nieuwe ambassadeurs van het Programma worden. De partnerautoriteiten van het
Programma zullen er onder meer voor zorgen dat deze projecten extra media-aandacht krijgen, dat
ze in een Europees netwerk worden opgenomen en dat er over deze projecten gerichte
communicatieacties gevoerd worden.
Vanuit dit gezichtspunt worden de geïnteresseerde projectleiders uitgenodigd om uiterlijk tegen 15
maart 2012 aan de hand van een vragenlijst langs elektronische weg hun kandidaatstelling in te
dienen bij het Gemeenschappelijk Secretariaat van de Beheersautoriteit ([email protected]).
Meer lezen: http://www.interreg-fwvl.eu/nl/page.php?pageId=639
2.2 ESF: Mensgericht ondernemen - prioriteit 3
(Oproep 232)
Deadline:
31/03/2012
Inhoud & doelstellingen:
Oproep 232 ‘Mensgericht ondernemen’ beoogt een verhoogde kwaliteit van de arbeid voor
werkenden.
EU in een notendop
3
Binnen dit oproepthema worden actoren gestimuleerd om te werken aan instroom,
competentiemanagement, leerbeleid, feedbackbeleid, motiveringsbeleid, kennismanagement,
leiderschap en structuur van de arbeidsorganisatie. Deze oproep wordt bijzonder ruim opgevat en
wil promotoren stimuleren om de diverse thema’s en eventuele combinaties ervan te combineren.
Deze lijst van mogelijk acties is echter niet exhaustief en promotoren kunnen zeker projecten
indienen die inspelen op andere topics, die passen binnen deze oproep. Met het oog op maximale
complementariteit van deze oproep zal elke promotor in het geval hij een diversiteitsplan in
aanvraag of uitvoering heeft of al uitgevoerd heeft, duidelijk aan moeten geven welke extra doelen,
acties en realisaties gepland worden in het kader van zijn project mensgericht ondernemen.
Begunstigden:
Alle organisaties met rechtspersoonlijkheid kunnen op deze oproep intekenen of partners worden.
Concreet betreft het in deze oproep alle ondernemingen en organisaties op de Vlaamse
arbeidsmarkt, zowel uit de profit als de non-profit, zowel uit het Normaal Economisch Circuit als uit
de sociale economie. Activiteiten, uitgevoerd door externe selectiebureau’s, kunnen binnen deze
oproep niet gefinancierd worden.
Overeenkomstig artikel 3, 2, b) van de Verordening (EG) 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006
kunnen overheidsadministraties en –diensten op nationaal, regionaal of lokaal niveau niet
deelnemen aan deze oproep indien de finale doelgroep het eigen personeel is. Voor de definitie van
finale doelgroep verwijzen we naar punt II.3.2.
Een promotor kan binnen deze oproep slechts één project indienen, maar kan wel deel uitmaken van
een partnerschap in andere projecten. Partnerschappen worden binnen deze oproep aangemoedigd.
Budget:
Het oproepbudget voor de oproep ‘Mensgericht ondernemen’ bedraagt de resterende middelen uit
oproep 211-212-213 ‘Mensgericht ondernemen’ waarvoor oorspronkelijk een budget van 5.500.000
EUR, waarvan 2.500.000 EUR ESF (45%) en 3.000.000 EUR Vlaamse financiering (55%) voorzien was.
Info & contact:
Meer lezen: http://www.esf-agentschap.be/Templates/Content.aspx?id=3676&LangType=2067
Contact in Vlaanderen:
Marjolein Van Den Broeck
mailto:[email protected]
2.3 INTERREG IV France - Wallonie - Vlaanderen:
Fonds voor Microprojecten
Deadline:
30/03/2012
Inhoud & doelstellingen:
Het fonds voor microprojecten werd opgericht in het kader van het INTERREG III-programma. Dankzij
dat fonds konden in de programmazone een dertigtal microprojecten gefinancierd worden. Vanwege
het succes van het fonds hebben de partnerautoriteiten besloten om in het kader van INTERREG IV
EU in een notendop
4
opnieuw een fonds voor microprojecten op te richten en om er meer financiële middelen aan toe te
kennen. Ook wordt per deelprogramma in een afzonderlijk budget voorzien.
Definitie
Microprojecten verschillen van de andere grensoverschrijdende projecten die in het kader van het
programma gefinancierd worden doordat ze weinig financiële middelen vereisen. Ze worden meestal
gedragen door organisaties die over onvoldoende financiële middelen en personeel beschikken om
grotere projecten op te zetten, maar die daarom niet minder ambities hebben op het vlak van
grensoverschrijdende samenwerking.
Microprojecten duren maximaal 18 maanden en worden meestal op de schaal van de naaste
omgeving uitgevoerd. Ondanks hun bescheiden financiële omvang moeten ze een betekenisvolle
impact hebben op de bevolking die in het grensgebied woont of op het grensoverschrijdende gebied.
Doelstellingen
De belangrijkste doelstelling van het fonds is het bevorderen van de ontwikkeling van de
grensoverschrijdende samenwerking op het niveau van de naaste omgeving, en dit door de toegang
tot de Europese fondsen te « democratiseren » en door een eenvoudiger samenwerkingskader te
bieden, dat beter aangepast is aan bijvoorbeeld verenigingen of kleine gemeenten.
Daarnaast heeft het fonds nog de volgende doelstellingen:
•via kleine, grensoverschrijdende initiatieven het verenigingsleven versterken
•nieuwe samenwerkingen ondersteunen en het verwerven van ervaring inzake grensoverschrijdende
samenwerking mogelijk maken
•versterken van de gemeenschappelijke identiteit, van het grensoverschrijdend burgerschap en van
de betrokkenheid bij de grensoverschrijdende regio
•de contacten intensiveren, dankzij uitwisselingen en door een grotere mobiliteit van de bevolking
•de grensbevolking informeren over de nabijheidsvoorzieningen en –diensten in de grenszone
•intensiveren van de verspreiding van informatie over grensoverschrijdende activiteiten
•de toegang tot de cultuur verbeteren
•de grensoverschrijdende culturele en toeristische activiteiten intensiveren
•de grensoverschrijdende sociale activiteiten voor jongeren en de uitwisselingen tussen scholen
stimuleren
•de betrokkenheid van de media bij de grensoverschrijdende samenwerking vergroten en de
bekendheid van het programma bevorderen
Begunstigden:
Meer informatie over het gebied: http://www.interreg-fwvl.eu/nl/page.php?pageId=242
Het voorstel voor het microproject moet ingediend worden door minstens twee organisaties als het
om bilaterale (Frans-Vlaamse of Frans-Waalse) microprojecten gaat, en door minstens drie
organisaties als het om tripartiete (Vlaams-Waals-Franse) microprojecten gaat. Die organisaties
moeten aan beide kanten van de Frans-Belgische grens gelegen zijn en ze moeten een eigen
rechtspersoonlijkheid bezitten. Het microproject moet binnen de grensoverschrijdende zone
uitgevoerd worden en het moet een grensoverschrijdende meerwaarde opleveren. De
grensoverschrijdende zone omvat de gele en blauwe zone voor Frans-Vlaamse en tripartiete
projecten, voor Frans-Waalse projecten bestaat deze zone enkel uit de blauwe zone. Het
grensoverschrijdend karakter moet duidelijk aanwezig zijn in het samenwerkingsverband en in de
acties die ondernomen worden.
EU in een notendop
5
Budget:
Het fonds financiert de uitgaven voor 100%, met een maximum van 20.000 € per project en van
5.000 € per projectpartner. Nadat het project is goedgekeurd en de overeenkomst is ondertekend,
kan een voorschot van 50% betaald worden. Het saldo wordt bij de afsluiting van het project betaald,
na de goedkeuring van het eindrapport en controle van de uitgaven. Personeelskosten en
investeringskosten zijn niet subsidieerbaar.
De vertaalkosten van de Frans-Vlaamse en tripartiete microprojecten zijn subsidieerbaar. Die kosten
tellen niet mee voor de uitgavenlimiet en komen dus bovenop de kosten voor de uitvoering van het
microproject.
De Provincie West-Vlaanderen staat in voor het beheer van het fonds voor microprojecten en dit in
naam van alle partnerautoriteiten van het programma.
Info & contact:
Meer lezen:
http://www.interreg-fwvl.eu/nl/page.php?pageId=571
http://www.interreg-fwvl.eu/nl/page.php?pageId=524: Handleiding Microprojecten
Steunpunt Vlaanderen :
Technisch Team Interreg Vlaanderen
Provinciebestuur West-Vlaanderen
Dienst Externe Relaties, Europese Programma’s en Gebiedsgerichte Werking
Provinciehuis Boeverbos
Koning Leopold III-laan, 41
B – 8200 SINT-ANDRIES
Tel. : 00.32.(0)50.40.34.70
Fax : 00.32.(0)50.40.31.06
Mail : [email protected]
3 Knowhow
3.1 EFRO-conferentie Utrecht: provincies en
gemeenten samen aan de slag
Op 2 februari jl. werd in het Provinciehuis van Utrecht een conferentie gehouden over de inzet van
middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in de periode 2014-2020.
Hoewel de onderhandelingen over de EU-structuurfondsen nog in volle gang zijn, concludeerden de
deelnemers in Utrecht dat provincies en gemeenten de komende maanden met elkaar op hoofdlijnen
de inzet van de EFRO-middelen moeten gaan bepalen. Door de onzekerheid over de omvang van het
EFRO-budget voor de volgende programmaperiode, dient hierbij van verschillende scenario's te
worden uitgegaan.
EU in een notendop
6
In het najaar van 2011 presenteerde de Europese Commissie haar voorstellen voor de toekomst van
het Europese cohesiebeleid 2014-2020. Rachel Lancry, medewerkster van de Europese Commissie,
verklaarde in Utrecht dat de Commissie hierbij streeft naar meer focus, een meer resultaatgericht
beleid en naar meer integraliteit met andere EU-fondsen. Om de samenhang tussen de verschillende
EU-fondsen in de lidstaten te verhogen, stelt de Commissie voor dat iedere lidstaat met haar
partners (regio's en gemeenten) een zgn. Partnerschapscontract afsluit over de inzet van de
verschillende EU-fondsen. Het kader hiervoor wordt bepaald door de Europa2020-strategie, de EUstrategie voor duurzame economische groei en werkgelegenheid.
André Perik, programmamanager Partnerschapscontract van het ministerie van EL&I, presenteerde
het tijdpad dat het rijk voorziet op weg naar de start van de nieuwe programmaperiode. Perik gaf
aan dat het rijk tegen juli van de regio's een schets van de nieuwe EFRO-programma's verwacht. In
deze schets dienen keuzes over de prioriteiten, de opzet e.d gemaakt te zijn. Moderator Viek Verdult,
provinciesecretaris van Zeeland, concludeerde hierop dat de provincies en gemeenten de komende
maanden met elkaar aan de slag moeten om deze keuzes te bepalen.
Budget
Een lastig element in dit proces is de onzekerheid over het budget dat Nederland uit het EFRO voor
de periode 2014-2020 krijgt. De Nederlandse regering zet in op het afschaffen van de
structuurfondsen voor rijke lidstaten als middel om haar nettobetalerspositie bij de EU-begroting te
verbeteren. Commissaris van de Koningin Roel Robbertsen, tevens voorzitter van het Comité van
Toezicht van het EFRO-programma Kansen voor West, onderstreepte in zijn openingsspeech de
meerwaarde van het cohesiebeleid voor Nederland. Met EFRO-middelen worden belangrijke
investeringen gedaan op het gebied van onder andere kennis en innovatie, waarbij netwerken
ontstaan die ook voor andere zaken kunnen worden ingezet. De EFRO-middelen maken bovendien
veel private middelen voor cofinanciering in de regio's los. Hij riep daarom minister De Jager op om
de Nederlandse opstelling te wijzigen. Door in te zetten op een zo groot mogelijke bijdrage uit
Brussel kan de Nederlandse nettobetalerspositie ook verbeterd worden. De heer Robbersten
verklaarde daarom blij te zijn met de houding van staatssecretaris Bleker, die zijn huiswerk met
betrekking tot de structuurfondsen gemaakt wil hebben voor het geval de fondsen toch naar
Nederland komen.
Viek Verdult sloot de conferentie af met de conclusie dat provincies en gemeenten komende lente
aan de slag moeten en daarbij moeten uitgaan van verschillende scenario's: van een scenario waarbij
Nederland ongeveer evenveel EFRO-middelen krijgt als in de huidige periode (ongeveer 860 miljoen
EUR) tot een scenario waarin het EFRO-budget substantieel lager van omvang is.
3.2 Parlement debatteert met Hahn over toekomstig
cohesiebeleid
Op woensdag 25 januari 2012 kwam het Comité voor Regionale Ontwikkeling (REGI) bijeen om te
debatteren met het Deens voorzitterschap en met Eurocommissaris voor regionaal beleid Johannes
Hahn. Gedurende dit debat richtte het Comité zich op de inhoudelijke hoofdaspecten van het
Cohesiebeleid.
Nicolai Wammen, de Deense EU minister, sprak tegen dat Denemarken niet geïnteresseerd zou zijn
in het voortzetten van de onderhandeling over het Cohesiebeleid. Hij deelde mee dat Denemarken
de onderhandelingen naar voren wil schuiven, zodat deze parallel lopen aan de onderhandelingen
EU in een notendop
7
van het meerjarig financieel kader (MFK), maar waarschuwde dat beide onderhandelingen niet
afgerond zullen zijn voor afloop van het Deens voorzitterschap. Lambert van Nistelrooij (EPP, NL)
vroeg aan de minister waarom er geen aparte (informele) cohesieraad georganiseerd wordt.
De rapporteurs omtrent de algemene regelgeving van het cohesiebeleid, Constanze Krehl (S&D, DE)
en Lambert van Nistelrooij (EPP, NL), vroegen de Commissaris naar de exacte aard van het Common
Strategic Framework. De MEP's verwierpen nogmaals het oormerken naar thema's en vroegen hierbij
om meer flexibiliteit waardoor specifieke regionale behoeften beter vervuld kunnen worden.
Lambert van Nistelrooij waarschuwde ervoor dat een theoretisch kader geen concrete behoeften in
praktijk kan vervullen.
Hahn, die geconfronteerd werd met sterkte kritiek van de MEP's omtrent de macro-economische
conditionaliteit, hield vol dat deze oplossing een noodoplossing is, maar beloofde dat de Commissie
naar buiten zal brengen in hoeverre deze maatregel toegepast zal worden.
Op het verzoek of regionale en lokale overheden meer betrokken kunnen worden bij het opstellen
van partnerschapscontracten, reageerde Hahn dat dit van de lidstaten afhangt. Dit tot groot
ongenoegen van het REGI comité. Hahn probeerde de parlementariërs ook de angst omtrent de
starheid van de verdelingsquota weg te nemen door te stellen dat het hier draait om minimale
cijfers.
3.3 EU belangrijk bij financieren van innovatie
De Rebel Advisory Group heeft in opdracht van het IPO een onderzoek gedaan naar "innovatief
financieren van innovatie". De centrale onderzoeksvraag was: 'Wat zijn voor de Nederlandse
provincies de concrete alternatieven om, gezien de maatschappelijke en economische ontwikkelingen,
door te kunnen gaan met investeren in innovatie?'
De vraag is beantwoord via een analyse van de rol van de provincie bij innovatie. De bestuurlijke
context, het beschikbaar instrumentarium op de verschillende niveaus: provinciaal, nationaal, en
Europees. Ook de ervaringen met het bestaand instrumentarium als ook de private kapitaalmarkt bij
innovatie zijn in het onderzoek meegenomen.
Enkele conclusies uit het onderzoek zijn:
- Het financieel stimuleren van innovatie gebeurt in veel provincies met name via subsidies. Vaak
worden daarbij middelen ingezet vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en (het
inmiddels stopgezette) Pieken in de Delta.
- Een aantal provincies zet ook deelnemingen, (achtergestelde) kredieten en eventueel garanties in
als financieel instrumentarium.
- Een surplus aan versnipperde financiële instrumenten vanuit diverse overheden voor dezelfde
doelgroep zou voorkomen moeten worden. Het is zaak voor provincies om met hun instrumentarium
een rol te kiezen die het Rijk of de EU (of gemeenten) niet kunnen vervullen.
- De belangrijkste meerwaarde van het schaalniveau van de provincie, zit in de mogelijkheid
maatwerk te kunnen bieden toegesneden op de specifieke behoeften van individuele bedrijven, en
de aansluiting van dit instrumentarium met het ruimtelijk beleid.
Uit de algemene conclusie blijkt dat er zich momenteel een aantal ontwikkelingen voordoet op
Rijksniveau met betrekking tot de verdere bekostiging en financiering van innovatie bij bedrijven.
Ook op Europees niveau zijn er ontwikkelingen gaande (Horizon2020). Provincies zijn voor de
invulling van hun beleid enerzijds afhankelijk van keuzes die op het niveau van het Rijk en Europa
gemaakt zullen worden. Anderzijds, zijn zij niet alleen lijdzaam toeschouwer maar kunnen zij, vooral
in deze fase, ook invloed uitoefenen op de keuzes die gemaakt worden.
EU in een notendop
8
3.4 Nieuwe DAEB-regelgeving aangenomen
Op 20 december j.l. heeft de Europese Commissie het nieuwe pakket van regels voor Diensten van
Algemeen Economisch Belang (DAEB's) goedgekeurd. Volgens de Europese Commissie geeft het
pakket duidelijkheid over een aantal cruciale begrippen uit het staatssteunbeleid. Het biedt ook een
meer eenvoudige benadering voor kleinschalige of lokale DAEB's. Alle DAEB's met een sociaal doel
onder de 15 miljoen euro zijn nu uitgezonderd van de meldingsplicht. Tegelijk gaat de Commissie
strenger toezien op de gevolgen voor de concurrentie van grote zaken. Een definitieve beslissing over
de DAEB de-minimis wordt verwacht in het voorjaar van 2012.
Vier instrumenten
De vier instrumenten uit het DAEB-pakket zijn:
1
Een nieuwe mededeling, die de basisbegrippen uit het staatssteunrecht voor DAEB's toelicht;
2 Een herzien besluit, waardoor overheden voor een ruimere groep sociale diensten compensaties
niet meer aan hoeven te melden;
3 Een herziene kaderregeling voor het beoordelen van grote compensatiebedragen voor DAEB's
buiten de sociale dienstverlening;
4 Een nieuw voorstel voor een DAEB de-minimisverordening. Dit voorstel gaat nog niet eind 2011
van kracht, maar wordt naar verwachting in het voorjaar van 2012 na een consultatieronde
aangenomen.
Extra categorieën (sociale) DAEB vrijgesteld van melding
Het DAEB-vrijstellingsbesluit richt zich volgens de Commissie op een verlicht toepassingregime voor
lokale en sociale DAEB. Voorheen waren alleen ziekenhuizen en woningcorporaties van de
aanmeldingsverplichting aan de Europese Commissie vrijgesteld.
Het nieuwe vrijstellingsbesluit voegt een aantal extra uitzonderingsmogelijkheden toe. Hieronder
vallen naast gezondheidszorg en sociale huisvesting ook langdurige zorg, kinderopvang, toegang tot
de arbeidsmarkt en herintreding, en de zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen.
DAEB die onder deze uitzonderingscategorieën vallen, mogen compensaties krijgen boven de nieuwe
jaarlijkse compensatiedrempel van 15 miljoen euro. Deze drempel is ten opzichte van de oude DAEBvrijstellingsbeschikking gehalveerd.
Strengere controle op grote DAEB's buiten sociale diensten
De Commissie gaat grote DAEB's buiten de sociale dienstverlening die een compensatie ontvangen
van meer dan 15 miljoen euro per jaar strenger controleren. Deze DAEB's hebben in potentie grote
invloed op de concurrentie. De Commissie zal een grondiger onderzoek uitvoeren naar deze DAEB's.
Het nieuwe pakket introduceert hiertoe een preciezere methodiek om het compensatiebedrag te
bepalen. Verder moeten overheden bijvoorbeeld doelmatigheidsprikkels in hun compensatiemechanismen opnemen. Ook moeten grote DAEB's zoveel mogelijk worden aangewezen via een
openbare aanbesteding.
Rapportageverplichtingen
Decentrale overheden die gebruikmaken van de DAEB-vrijstelling en DAEB-kaderregeling moeten om
EU in een notendop
9
de twee jaar rapporten aan de Europese Commissie. De eerstvolgende rapportageverplichting is door
de Commissie vastgesteld op 30 juni 2014.
3.5 Tien jaar Open Days in 2012
'Het grootste regionale evenement ter wereld', werd de Open Days bij de opening afgelopen oktober
genoemd. Het jaarlijks event van het Comité van de Regio's en de Europese Commissie wordt in 2012
voor de tiende keer georganiseerd. Om precies te zijn in 2012 van 8 tot en met 11 oktober.
De open dagen voor regio's en steden in Europa waren in 2003 een initiatief van tien Europese
regio's. In 2011 deden 206 regio's mee, waren er 5.683 deelnemers en werden in de regio's en
steden zelf nog eens 253 lokale activiteiten gehouden. Toch lijkt het evenement over haar
hoogtepunt heen. De economische crisis en formule van de open dagen maken dat regio's afhaken.
Desondanks is directeur-generaal Gerhard Stahl van het Comité van de Regio's tevreden. Volgens
hem blijft de Open Days het belangrijkste forum voor cohesie en regionaal beleid. "Deze
onderwerpen moeten op de agenda blijven, ondanks de eurocrisis en de bezuinigingen waar
lidstaten en regio's mee te maken hebben", aldus Stahl bij de presentatie van de Open Days 2012.
Begrotingsdiscipline is belangrijk, maar solidariteit ook, vindt de hoogste ambtenaar van het Comité
van de Regio's. "Het gaat om economische ontwikkeling en daarom verwacht ik dat cohesiebeleid de
aandacht krijgt die het verdient. Ik was de afgelopen maanden wel ongerust door commentaren en
discussies in de lidstaten over de Europese solidariteit. De boodschap van de open dagen blijft dat
regio's ertoe doen", aldus Stahl.
Nicholas Martyn van DG REGIO wil dat de jubileumeditie in 2012 zich meer richt op de kwaliteit van
onderwerpen en debatten. "In oktober 2012 verwacht ik dat we in een kritieke fase van de
onderhandelingen over cohesiebeleid en budget zitten. De Open Days zijn wat dat betreft goed
getimed. Voor de Europese Commissie is het evenement belangrijk en motiverend, omdat we tijdens
de open dagen immers in contact komen met alle stakeholders", aldus Martyn. Hij verwees ook naar
de nieuwe mechanismen, zoals het partnerschapscontract. Die moeten bijdragen aan betere
resultaten in de toekomst.
De slogan voor de editie van 2012 - Regio's en steden maken het verschil - is nog niet definitief. Wel
staat vast dat de workshops en debatten zich concentreren rond drie thematische onderwerpen:
slimme en duurzame groei voor iedereen, territoriale cohesie en resultaten boeken.
Het Comité van de Regio's heeft de meer dan 5000 deelnemers van de Open Days 2011 gevraagd wat
zij vinden van de formule. Uit meer dan 1000 reacties bleek een grote tevredenheid over de kwaliteit
van de workshops en debatten. Toch was er ook kritiek. De deelnemers vonden de openingssessie te
lang. Politici kregen zoveel tijd om hun verhaal te doen, dat er te weinig ruimte overbleef voor de
discussie met de zaal. Ook verliep de toegang tot de gebouwen van de Europese instellingen door de
strenge beveiliging moeizaam en stonden mensen soms in de regen te wachten om binnen te komen.
Ook is er kritiek over de omvang van de consortia. Een workshop met elf partners blijkt niet erg
praktisch als iedereen aan de beurt moet komen.
In 2012 blijft desondanks de formule van de open dagen grotendeels ongewijzigd. Een consortium
bestaat uit tenminste vijf en maximaal twaalf partners uit tenminste vier lidstaten. Zij organiseren
EU in een notendop
10
samen een workshop of een debat. Daarnaast is elke partner verplicht ten minste één plaatselijk
evenement te organiseren in de maanden september, oktober of november. Bij een workshop
mogen er maximaal vier sprekers zijn. In het geval van een debat gaat het om maximaal zes
panelleden. De organisatie wil het totale aantal workshops en debatten beperken tot 100. In het
gebouw van het Comité van de Regio's komt wederom een trefpunt voor de deelnemers. Het accent
ligt in 2012 op gemeentelijke (wijk)projecten, die worden uitgenodigd om zich te presenteren en met
elkaar in contact te komen.
De inschrijvingsformulieren voor de Open Days 2012 zijn te vinden via de links onder 'Meer
informatie'. Aanvragen moeten uiterlijk op 5 maart 2012 worden ingediend via
[email protected]
3.6 Regio's en steden reiken Europa de hand
Regio's en steden zijn nodig om de Europese uitdagingen - ook in moeilijke tijden - het hoofd te bieden
en de Europese Unie als geheel te versterken. Deze boodschap komt van de voorzitters van de vier
Europese koepelorganisaties CEMR, AER, CPMR en Eurocities. In een gemeenschappelijke verklaring
ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van CEMR, de Raad van regio's en steden in Europa, pleiten
de vier voor versterking van de partnerschappen en onderlinge samenwerking met alle bestuurslagen.
De conferentie van CEMR in Brussel op 12 december werd bijgewoond door een groot aantal lokale
en regionale bestuurders. De gemeenschappelijke tekst van de vier Europese koepelorganisaties is
een oproep aan enerzijds de lidstaten en anderzijds de Europese instellingen om als volwaardige
partij mee te mogen praten over Europees beleid. De steden en regio's zien zichzelf immers als de
regisseurs en uitvoerders van Europees beleid. In de paneldiscussie over dit onderwerp bleek dat de
gewenste betrokkenheid van lokale en regionale besturen bij Europees beleid nogal verschilt per
land. "Het is een kwestie van cultuur", gaf Michèle Sabban van de Vereniging van Europese Regio's
AER toe. Frank Jensen, burgemeester van Kopenhagen en voorzitter van Eurocities, merkte op dat
zijn stad veel initiatieven voor groene groei deelt met andere steden in Europa. "Om te leren van
elkaar", aldus Jensen. Kopenhagen is ook nadrukkelijk betrokken bij het nieuwe Europese
onderzoeksinstituut in het Zweedse Lund. Voor medewerkers van dit instituut en hun gezinnen
worden in de wijde omtrek huisvesting en internationale scholen gezocht. Volgens Jensen een goed
voorbeeld van samenwerking tussen verschillende bestuurslagen en de Europese Commissie.
Minder enthousiast klonk Jan Olbrycht (EP/EVP). Meerlagig bestuur is volgens hem geen
vanzelfsprekendheid, net zo min als dat subsidiariteit in steen gehouwen is. "Wat is dat, meerlagig
bestuur? Daar moeten we het eerst over eens worden", aldus Olbrycht. Voorzitter Annemarie
Jorritsma van de VNG - en tevens co-voorzitter van CEMR - stelde nuchter vast dat elke bestuurslaag
zijn eigen verantwoordelijkheden heeft. "Alleen voor sommige onderwerpen kan samenwerking
interessant zijn." Een pleidooi om pragmatisch om te gaan met het instrument van wat in het Engels
multilevel governance wordt genoemd.
Het Comité van de Regio's heeft samen met het instituut EIPA een scoreboard ontwikkeld om
meerlagige bestuurlijke samenwerking op Europees niveau te meten. De eerste resultaten die op 12
december werden gepresenteerd zijn niet bemoedigend. Zo is bijvoorbeeld de Europa2020 strategie
bedacht vanuit het idee dat alle bestuurslagen hier aan dezelfde kar trekken. In de praktijk blijkt dat
regio's niet goed worden betrokken of geconsulteerd en dat het instrumentarium om dat te bereiken
ontbreekt. Desondanks verwacht voorzitter Mercedes Bresso van het Comité van de Regio's dat het
EU in een notendop
11
Europese semester 2012 een kader en kans biedt om steden en regio's dit keer wel volledig te
betrekken bij het nieuwe economisch bestuur van de EU.
In de speeches van Eurocommissaris Johannes Hahn en Commissie-voorzitter José Manuel Barosso
aan het eind van de conferentie werd meermaals verwezen naar de eurocrisis en de afspraken die
vorige week op de Europese Raad zijn gemaakt over begrotingsdiscipline. Hahn en Barosso
verwachten mede door de crisis een snellere integratie en een belangrijkere rol van de steden en
regio's om uiteindelijk opnieuw economische groei te realiseren. Volgens Hahn (regionaal beleid)
wordt 2012 een beslissend jaar. Barosso deed een oproep om steden en regio's te laten investeren in
groene groei. Om van de Europa2020 strategie een succes te maken is volgens de
Commissievoorzitter de volledige betrokkenheid en inzet van alle partners nodig.
3.7 Innovatie in de regio, een kwestie van durf
Meer dan 300 vertegenwoordigers van overheden, universiteiten en ontwikkelingsorganisaties zaten
op 13 december een dag lang bij elkaar om te praten over innovatie en onderzoek in de regio. De
bijeenkomst van het Comité van de Regio's-Forum had tot doel om de gevolgen van alle voorstellen
van de Europese Commissie voor innovatie en onderzoek in beeld te brengen.
Meer bepaald ging het om de vraag wat er op lokaal en regionaal vlak mogelijk is om innovatie en
onderzoek te bevorderen. De Europese aanpak lijkt nodeloos ingewikkeld, maar uit de voorbeelden
die in Brussel werden gepresenteerd bleek dat er in veel regio's voldoende creativiteit aanwezig is
om mensen in beweging te krijgen.
Zo is Syntens in Zuid-Nederland de campagne De ToekomstBedrijven gestart. Doel is om in
samenwerking met de Kamers van Koophandel MKB-bedrijven te betrekken bij de bestaande
innovatienetwerken voor een beter toekomst perspectief. Al sinds 2008 bezoeken adviseurs in ZuidNederland bedrijven om in een persoonlijk gesprek te luisteren naar de toekomstplannen en te
helpen met het realiseren van kansen vanuit innovatienetwerken. De inzet is kosteloos dankzij
financiële steun van de provincies Noord-Brabant, Limburg, Zeeland, het rijk en de Europese Unie. In
vier jaar tijd worden zo 2000 bedrijven bezocht. Bij de helft van de bezochte bedrijven zijn voor de
ondernemer relevante vervolgacties voorgesteld vanuit de innovatienetwerken.
Markku Markkula, Fins lid van het Comité van de Regio's en rapporteur voor Horizon2020, hield
tijdens een van de workshops op het Forum een pleidooi om het MKB volop te betrekken bij
regionale innovatiestrategieën. Regionale overheden zouden volgens Markkula moeten zorgen dat
het MKB gemakkelijk toegang krijgen tot financiering. Universiteiten mogen volgens hem ook best
wat meer lef laten zien om te zorgen dat goede ideeën de markt bereiken. Dit kan perfect in
samenwerking met lokale of regionale overheden. De Finse parlementariër ziet diverse goede
voorbeelden daarvan in zijn eigen regio Helsinki.
Mikel Landabaso, hoofd van de afdeling innovatie van DG Regio, zette alle voorstellen van de
Europese Commissie nog eens op een rij. Hij kondigde aan dat de Commissie streng zal oordelen over
de partnerschapscontracten, waarin per lidstaat en in goed overleg met de mede overheden en het
maatschappelijk middenveld afspraken worden gemaakt over de te behalen doelen. "Wie niet aan de
voorwaarden voldoet, krijgt geen geld", aldus Landabaso.
Op het gebied van innovatie en onderzoek zijn er in Europa grote verschillen tussen NoordwestEuropa, het zuiden en oosten. Maar in alle lidstaten zijn het de regio's en steden die een belangrijke
rol spelen. Voorzitter Mercedes Bresso van het Comité van de Regio's wees erop dat steden en
regio's beschikken over de onderzoeksfaciliteiten en daarmee ook onderzoekers aantrekken. Om hun
mobiliteit te garanderen moet het ook wel de moeite waard zijn om je als onderzoeker, vaak samen
EU in een notendop
12
met partner en kinderen, te vestigen in een stad of regio. Zorg voor een aangenaam leefklimaat, riep
Bresso de steden en regio's op.
3.8 Structuurfondsen moeten vrij te besteden blijven
Is de concentratie van de steun uit de structuurfondsen op een beperkt aantal thematische
prioriteiten een goede zaak? "Ja", zeiden Europese ministers die verantwoordelijk zijn voor regionaal
beleid tijdens de Raad Algemene Zaken op 16 december die gewijd was aan het toekomstige EU
cohesiebeleid. De ministers wijzen echter de plannen van de Europese Commissie (EC) om de fondsen
te concentreren op bepaalde gebieden af.
De wetgevingsvoorstellen voor de post-2013 structuurfondsen voorzien het concentreren van een
groot deel van de EU-steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Het geld
moet ten goede komen aan verschillende prioriteiten:
- onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie;
- een groter concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen;
- ondersteuning voor de overgang naar een koolstofarme economie.
De lidstaten waarderen nauwelijks het niveau van precisie. Op enkele uitzonderingen na, zijn alle
ministers van mening dat de voorstellen de flexibiliteit in de regio's moeten garanderen om hun
beleid uit te voeren. "Wij zullen met deze aanpak niet in staat zijn om adequaat te voldoen aan
bepaalde behoeften", benadrukt de Tsjechische minister aan het begin van het debat. Dit is wat alle
andere delegaties beaamden, in aanvulling hierop gaf men aan dat de voorstellen een te hoge
bestuurlijke complexiteit hebben.
Wat de lidstaten voor ogen hebben is de concentratie op bepaalde thema's die bepaald wordt door
de staten en regio's zelf; een "bottom-up proces, in samenspraak met de EC", stelde België. "De
verplichting voor de staten om een beperkt aantal thematische prioriteiten te kiezen is beter dan het
mechanisme voorzien door de EC", voegde Letland toe. Italië stemde in: "Laat de keuze van de
thema's aan de regio's".
Kortom, de ministers stuurde een zeer duidelijke boodschap aan de EC. Door twee delegaties,
Frankrijk en Zweden, werd er zelfs gewezen op het risico van misbruik. Zweden deed de volgende
suggestie: het toevoegen van een vierde prioriteit aan de drie door de Commissie gekozen thema's
voor EFRO-investeringen, "misschien wel de Digitale Agenda".
3.9 Lokale ontwikkeling' in cohesiebeleid: een
belangrijk maar onduidelijk begrip
Op 29 november 2011 organiseerden de CEMR en haar leden AMR en COSLA, in samenwerking met
de Urban Intergroup van het Europees Parlement in Brussel een seminar over het aspect van 'local
development' in het nieuwe cohesiebeleid. Het seminar bracht naar voren dat de betrokkenheid van
het lokale niveau van groot belang wordt geacht voor het succes van het cohesiebeleid, maar dat er
nog veel onduidelijkheid bestaat over wat nu precies onder 'local development' verstaan moet
worden.
EU in een notendop
13
Voorstellen van de Commissie
De Europese Commissie heeft op 6 oktober haar voorstellen gepresenteerd voor het nieuwe
Europese cohesiebeleid in de periode 2014-2020. In de voorstellen wordt een belangrijke rol
weggelegd voor de regio's en gemeenten. Hierbij wordt speciale aandacht besteed aan het lokale
niveau, omdat volgens de Commissie in de huidige programmaperiode de betrokkenheid van de
gemeenten te beperkt is. Nederland geldt hierbij als uitzondering, de wijze waarop provincies en
gemeenten met elkaar samenwerking in de vier EFRO-programma's wordt in Brussel als een
voorbeeld voor de rest van de EU beschouwd.
De Commissie presenteert in haar voorstellen een aantal instrumenten om de betrokkenheid van het
lokale niveau te verankeren. Ten eerste moet minimaal 5% van iedere nationale enveloppe
structuurfondsen gereserveerd worden voor steden. Ten tweede richt de Commissie een EU-netwerk
op voor steden voor de uitwisseling van goede voorbeelden en ervaringen. Ten derde reserveert de
Commissie een apart potje met geld voor innovatieve acties in de steden. Tenslotte introduceert de
Commissie in het cohesiebeleid twee zogenaamde territoriale instrumenten voor directe uitvoering
van (onderdelen van) de structuurfondsenprogramma's op het lokale niveau: vanuit de gemeenschap
geleide ontwikkeling (Community-led Local Development/CLLD) en geïntegreerde territoriale
investering (Integrated Territorial Invesment/ITI). De CLLD is gebaseerd op de Leader-benadering uit
de plattelandsontwikkeling, de ITI is gebaseerd op de URBAN-benadering uit vorige ronden
structuurfondsen.
Verschillende interpretaties van het begrip
Piotr Zuber, vertegenwoordiger van het Poolse EU-Voorzitterschap, verklaarde tijdens het seminar
dat er in de Raad over de definitie van 'local development' een grote diversiteit aan interpretaties
bestaat: van steden tot functionele gebieden. In de Raad wordt daarom bij de Commissie
aangedrongen om de definitie van local development te verduidelijken. EP-lid Jan Olbrycht (POL/EVP)
viel zijn landgenoot bij en gaf aan dat duidelijk moet worden wat exact onder lokaal niveau wordt
verstaan en wat onder lokale strategieën, basis voor CLLD, gerekend mag worden?
Nicolas Martyn, adjunct secretaris-generaal Regionaal Beleid bij de Europese Commissie, ging niet
direct op het verzoek van de heren Zuber en Olbrycht in. Volgens Martyn bieden de voorstellen van
de Commissie de gevraagde flexibiliteit in keuze voor geografische eenheden waarop een
programma kan worden uitgevoerd. CLLD is hiervoor een geschikt instrument. Martyn gaf duidelijk
aan dat instrumenten als CLLD en ITI keuzemogelijkheden voor de lidstaten en regio's zijn om hun
programma's uit te voeren, maar geen verplichting vormen. Martyn wees op de mogelijkheid die
CLLD geeft om verschillende EU-fondsen met elkaar te combineren binnen één geografisch gebied,
waarbij via het principe van een 'leadfonds' met één set aan voorschriften gewerkt kan worden. CLLD
wordt uitgevoerd door een lokale gemeenschap, maar hoe een dergelijke lokale groep eruit ziet is
aan de betrokkenen zelf, aldus Nicolas Martyn.
Flavia Pesce, projectcoördinator van een onderzoek van de Commissie naar lokale ontwikkeling,
verklaarde dat 'local development' veel verschillende definities kent, maar wel een aantal
gemeenschappelijke kenmerken heeft: territoriaal, beleidsintegratie en betrokkenheid van lokale
actoren. Maar een gesloten definitie geven is volgens haar erg lastig.
Lambert van Nistelrooij (NED, EVP), EP-rapporteur voor de algemene Structuurfondsenverordening,
sloot het seminar af. Hij gaf aan dat het nieuwe cohesiebeleid een sterke basis moet hebben in de
regio's, steden en gemeenten. In dat kader is het belangrijk dat regio's en gemeenten tijdig hun
lokale actoren bij de ontwikkeling van projecten betrekken. Dat zal volgens hem door de financiële
en economische recessie de komende jaren alleen maar van groter belang worden, want met elkaar
EU in een notendop
14
zullen we een antwoord moeten vinden op de vraag hoe we de cofinanciering van de
structuurfondsenprojecten gaan organiseren?
3.10
Voortgangsverslag economische, sociale en
territoriale cohesie gepubliceerd
Op vrijdag 1 december heeft de Europese Commissie (EC) het Zevende Voortgangsverslag voor
economische, sociale en territoriale cohesie gepubliceerd. Het document focust op de stedelijke en
regionale dimensie van de Europa 2020 strategie en is een instrument in de voorbereiding van de
volgende cohesieperiode 2014-2020.
Dit voortgangsverslag geeft niet weer of alle regio's de nationale 2020 doelstellingen kunnen en
zullen halen. De echte uitdaging is om te identificeren op welke manier het regionaal beleid voor de
meest positieve verandering kan zorgen.
Uit het verslag blijkt dat cohesiebeleid efficiënter wordt indien er per programma een beperkt aantal
investeringsprioriteiten worden geselecteerd. Ook is het noodzakelijk om te concentreren op
domeinen die de grootst mogelijke bijdrage kunnen leveren aan de Europa 2020 doelstellingen.
Meer informatie:
Zevende Voortgangsverslag voor economische, sociale en territoriale cohesie
Europese Commissie DG Regionaal beleid
3.11
groei
Burgemeestersconvenant is voor groene
Financiering van groene stedelijke projecten is een goed investering, zeker in moeilijke economische
tijden. Dit kwam uit eenbijeenkomst van het Burgemeestersconvenant. Het is tijd om te investeren in
een koolstofarme technologie, aldus de deelnemers. De deelnemers van dit convenant waren
burgemeesters vanuit de Europese lidstaten. Decentrale overheden die zich nog niet hebben
aangesloten kunnen het convenant nog ondertekenen.
Lokale en regionale projecten
De deelnemers gaven aan dat investeringen in lokale en regionale projecten helpen bij de groene
groei bevorderen en dat daarnaast de klimaatverandering kan worden aangepakt. Brussel is hiervan
op de hoogte gesteld en de afgevaardigden hopen dat er nu meer financiering wordt toegekend aan
dergelijke projecten.
Tijdens de bijeenkomst konden de deelnemers hun ervaringen delen over de uitvoering van groene
projecten. Momenteel zijn er al meer dan 900 energie actieplannen ingediend en uitgevoerd. De
meesten waren CO2-reductie plannen en doelstellingen. Doordat het initiatief zo goed loopt wordt
nu geprobeerd het toepassingsgebied van het convenant uit te breiden tot andere zaken, zoals afval.
Dit zei Mercedes Bresso, voorzitter van het Comité van de Regio's.
Burgemeestersconvenant
Het Burgemeestersconvenant is een initiatief dat steden verbindt verder te gaan dan het klimaat van
de EU-doelstellingen. Regionale en lokale overheden konden het convenant tekenen en daarmee
EU in een notendop
15
verplichten zij zich vrijwillig tot de energie-efficiëntie en het gebruik van duurzame energiebronnen
op hun grondgebied te verhogen. Ook stelden zij zichzelf hiermee de doelstelling om 20 procent
CO2 van de Europese reductiedoelstelling tegen 2020 te behalen en te overtreffen.
Bij het convenant zitten ook Nederlandse burgemeesters, namelijk van Rotterdam, Amsterdam, Den
Haag, Utrecht, Eindhoven, Helmond, Den Bosch, Tilburg, Delft, Heerlen, Haarlem en Waalwijk.
Volgens de Commissie is het burgemeestersconvenant een erg goed initiatief, aangezien lokale en
regionale overheden een cruciale rol hebben in het afremmen van de gevolgen van
klimaatverandering.
Database duurzame energieprojecten
Het burgemeestersconvenant heeft een ook database gemaakt, met daarin alle duurzame energie
actieplannen (SEAP's). Decentrale overheden kunnen hier voorbeelden zien van energie actieplannen
die zijn ingediend en ook zijn uitgevoerd.
3.12
Discussie rondom Gemeenschappelijk
Landbouw Beleid houdt aan
Op maandag 23 januari besprak de commissie landbouw en plattelandsontwikkeling in het Europees
Parlement (EP) de plannen voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers en de
gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten. Op dinsdag liet ook minister de Jager van
Financiën zich over de nieuwe plannen voor het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) uit.
De discussie in het EP richtte zich op eerlijke verdeling van EU-fondsen, vrijwillige of verplichte
vergroening, de suikerquota en de definitie van "actieve landbouwers".
"We moeten een nieuwe balans vinden zonder dat er te veel druk op lidstaten ontstaat", aldus de
rapporteur op dit onderwerp Capoulas Santos. Hij doelt hiermee op het voorstel van de Europese
Commissie (EC) over een eerlijkere verdeling van de rechtstreekse betalingen aan landbouwers uit de
verschillende lidstaten.
Een aantal parlementsleden waarschuwde ervoor dat de veranderingen hierin geen negatieve
invloed mogen hebben op de huidige productie in oudere Europese lidstaten."Eerlijker verdelen
betekent niet per definitie gelijk verdelen" vindt het EP. Er mag volgens hen absoluut geen
"discriminatie op grond van nationaliteit" optreden.
Vrijwillige of verplichte vergroening
"Hervorming van het EU-landbouwbeleid moet maatregelen in het belang van milieu omvatten,
zonder dat dit negatieve effecten heeft op degene die niet groen werken", aldus Capoulas Santos,
doelend op de korting die boeren krijgen op hun basishectare premie, als ze niet meedoen aan de
vergroeningsmaatregelen, waarvoor 30% van de directe inkomenssteun wordt gereserveerd.
Elisabeth Jeggle (EPP, DE) wil vergroening juist verplicht stellen. Veel andere parlementsleden
waaronder Elisabeth Köstinger (EPP, AT), Robert Dusek (S & D, CZ), Esther Herranz García (EPP, ES) en
John Stuart Agnew (EFD, Verenigd Koninkrijk ), vinden dat de voorgestelde vergroeningsmaatregelen
onaanvaardbaar zijn en op vrijwillige basis zouden moeten zijn. Je kunt boeren volgens hen niet
verplichten om bepaalde zaken wel of niet te planten.
EU in een notendop
16
Suikerquota gehandhaafd
Afgezien van de directe betalingen hebben boeren andere tools nodig om verder te gaan met hun
activiteiten, beweerde Iratxe García Perez (S & D, ES), herhaald door Capoulas Santos. Zij benadrukte
dat het van vitaal belang is om suikerquota te handhaven tot 2020. Zo ook aanplantrechten, om
meer zekerheid te geven aan de sector.
Daarnaast werd door Marc Tarabella (S&D, BE) aangehaald dat de definitie van 'actieve boer' moet
worden aangepast. Deze moet veel duidelijker en gebruiksvriendelijker worden voor boeren en
lidstaten.
Budget bevriezen
Minister de Jager van Financiën noemde op dinsdag 24 januari in Brussel een bevriezing van het EUlandbouwbudget op nominaal niveau 'goed verdedigbaar', mits andere fondsen flink inleveren.
Eerder gaf hij aan dat hij de huidige begroting van het GLB in deze tijd van crisis aan de hoge kant
vindt.
Nu zegt hij zich te conformeren aan het kabinetsbesluit, dat stelt dat Nederland voor de nieuwe
begroting, die in 2014 ingaat, insteekt op een bevriezing. "Als het budget nominaal niet stijgt, levert
dat ook geld op", aldus De Jager. "Bovendien is het GLB van groot belang in het kader van
voedselzekerheid." Hij stelt echter wel een voorwaarde: de structuur- en cohesiefondsen krijgen wat
hem betreft straks fors minder geld.
Provincies
De provincies hebben in december 2011 een aangescherpt postion paper vastgesteld over het GLB.
Hierin bepleiten zij onder andere grotere flexibiliteit in de vergroeningsmaatregelen en een stevige
tweede pijler, die regionaal moet worden ingevuld. Deze positie vormt de basis van de lobby van de
provincies richting het Rijk, het Europees Parlement en het Comité van de Regio's. In de NATcommissie van het Comité wordt dinsdag 31 januari het conceptrapport van René Souchon (S&D, FR)
besproken.
Door:
Julie d'Hondt en Marloes van Nistelrooij, Huis van de Nederlandse Provincies, Brussel
Bron:
Persbericht Europees Parlement, 'Agriculture Committee kicks off the debate on direct payments and
single CMO', 23-1-'12
AGD.nl, 'De Jager: groot landbouwbudget verdedigbaar', 24-1-'12
Meer informatie:
Nieuwe plannen voor landbouwbeleid na 2013
Wetvoorstellen voor het CAP 2014-2020
Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
Europese Commissie, Landbouw en Plattelandsontwikkeling
EU in een notendop
17
3.13
Impact van het GSK op EUplattelandsontwikkeling
De denktank Notre Europe publiceerde een studie over de impact van het Gemeenschappelijk
Strategisch Kader (GSK) op Europese plattelandsontwikkeling. De studie is mede gebaseerd op de
gelekte draft van het GSK.
Het GSK vertaalt de Europa2020 doelstellingen van slimme, duurzame en inclusieve groei naar
concrete kernacties voor het Europees Fonds voor Regionaal Fonds (EFRO), het Europees Sociaal
Fonds (ESF), het cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
en het Europees Visserijfonds (EVF). Dit moet zorgen voor een betere afstemming van de vijf fondsen
onderling.
In de studie stelt Dacian Ciolos, Eurocommissaris voor Landbouw en Plattelandsontwikkeling, dat het
GSK de samenhang en complementariteit onderhoudt tussen de eerste en tweede pijler van het
Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB). Bovendien versterkt de territoriale benadering de band
tussen de landbouw-activiteit, niet-agrarische economische activiteiten, en sociale en milieukwesties. Het GSK reageert op het verzoek om flexibiliteit van de regio's en de Europese lidstaten. De
focus moet niet liggen op de gebruikte instrumenten, maar op de bereikte resultaten. De Europese
Commissie (EC) wenst te komen tot meer coördinatie, coherentie en beter resultaten.
De conclusies van de studie zijn dat de toekomst van het GSK het potentieel heeft om enerzijds de
manier waarop EU-fondsen worden besteed te verbeteren. Anderzijds kan het GSK de efficiëntie van
deze fondsen verhogen mits deze samen worden gevoegd om de EU2020 doelen op een efficiënte
manier te bereiken. Het GSK kan de zichtbaarheid van de bijdrage van plattelandsontwikkeling
verhogen. Het GSK kan de algemene transparantie in het gebruik van Europese middelen op
nationaal, regionaal en lokaal niveau verhogen.
Er blijven echter een aantal onzekerheden. De definitie van projectprioriteiten zou kunnen leiden tot
een competitie tussen stedelijke en plattelandsprojecten.
3.14
Publicatie Europese territoriale
samenwerking verschenen
Directoraat-generaal Regionaal Beleid van de Europese Commissie bracht een publicatie uit onder de
titel 'Europese territoriale samenwerking: bruggen bouwen tussen mensen'.
De publicatie 'European Territorial Cooperation: building bridges between people' geeft inzicht in
hoe samenwerking, met inbegrip van de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking en
de EU macro-regionale strategieën, op dit moment werkt. De publicatie gaat ook in op de toekomst:
Wat is er te verwachten op het gebied van territoriale samenwerking? Er worden verhalen verteld
over mensen uit heel Europa die op een of andere manier verbonden zijn met territoriale
samenwerking. De publicatie is gratis te downloaden via de link onder 'Meer informatie'.
Meer informatie:
European Territorial Cooperation: building bridges between people
EU in een notendop
18
3.15
Persberichten Vlaamse overheid
Actieplan ondernemerschapsonderwijs mist ambitie
Het Actieplan Ondernemerschapsonderwijs moet kinderen en jongeren ondernemingszin en
ondernemerschap bijbrengen. Het actieplan formuleert vier relevante strategische doelstellingen
maar de operationalisering mist ambitie. De minister recycleert grotendeels wat vandaag al bestaat
aan initiatieven en structuren in het onderwijs- en opleidingsveld. Indicatoren voor monitoring en
evaluatie moeten nog ontwikkeld worden in een beleidsdomein overschrijdende werkgroep.
Voor meer informatie kan je terecht bij Mieke Valcke .
Advies actieplan ondernemerschapsonderwijs (144.25 Kb)
3.16
"Europa in beweging" brochures
De meeste onderwerpen uit deze lijst worden in deze "Europa in beweging" brochures besproken.
Elke brochure beslaat ongeveer 24 pagina's, bevat veel illustraties en geeft u uitleg over het beleid
of de activiteitsgebieden van de Europese Unie. Er zijn ook algemenere brochures beschikbaar over
de EU en haar werking.
Door op een onderwerp te klikken krijgt u de lijst van de beschikbare brochures te zien. Er zijn ook
links naar andere EU-websites met informatie over dat onderwerp.
Lijst van onderwerpen



Audiovisueel beleid
Begroting
Buitenlands en veiligheidsbeleid
Buitenlandse betrekkingen
Buitenlandse handel
Consumentenbeleid
Cultuur
Douanebeleid
Economisch en monetair beleid
Energie
Fiscaliteit
Fraude
Humanitaire hulp
Informatiemaatschappij
Institutionele aangelegenheden

Justitie en binnenlandse zaken
Landbouw
Mededinging
Mensenrechten
Milieu
Ondernemingen
Onderwijs, Opleiding, Jeugdzaken
Onderzoek en innovatie
Ontwikkeling
Regionaal beleid
Uitbreiding
Vervoer
Visserij
Voedselveiligheid
Volksgezondheid

Interne markt

Werkgelegenheid en sociaal beleid


























EU in een notendop
19
3.17
Publicatie provincies
http://www.vlaams-brabant.be/over-de-provincie/europa-in-vlaamsbrabant/
http://www.oost-vlaanderen.be/public/economie_landbouw/internationale_relaties/index.cfm
http://www.west-vlaanderen.be/provincie/gebiedenbeleid/Pages/default.aspx
http://www.limburg.be/eCache/15261/europa-Nieuws.html
http://www.provant.be/bestuur/internationaal/
EU in een notendop
20
4 Toerisme (EU en Vlaams)
4.1 Implementatie Europees beleid op vlak van
toerisme
De Europese Commissie ontwikkelde een rollend implementatieplan dat de belangrijkste Europese
en/of transnationale initiatieven op vlak van toerisme weergeeft. Dit implementatieplan wordt
regelmatig geactualiseerd.
Onder de link http://ec.europa.eu/enterprise/newsroom/cf/_getdocument.cfm?doc_id=7043 vind je
meer info over het geactualiseerde implementatieplan.
4.2 Eurostat Regionaal Jaarboek 2011
In het Regionaal Jaarboek 2011 geeft Eurostat een overzicht van de meest recente economische,
sociale en demografische ontwikkelingen op regionaal niveau binnen Europa. Voor het eerst zijn in
de publicatie niet alleen gegevens op NUTS 2-niveau maar ook op het meer gedetailleerde NUTS 3niveau opgenomen. In het hoofdstuk toerisme wordt voornamelijk geconcentreerd op de variabele
‘aantal overnachtingen’. Daarnaast worden cijfers over de capaciteit van collectieve toeristische
accommodatie in Europa weergegeven.
Onder
http://epp.eurostat.ec.europa.eu/cache/ITY_OFFPUB/KS-HA-11-001-11/EN/KS-HA-11-001-11-
EN.PDFvind je het hoofdstuk toerisme in het Regionaal Jaarboek.
4.3 Eurostat publicatie: Zakboekje van EuroMediterrane statistieken – editie 2011
Eurostat publiceerde een zakboekje met statistieken op EU-niveau die vergeleken worden met 9
mediterrane gebieden die niet tot de EU behoren (Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon,
Marokko, Palestijns gebied, Syrië en Tunesië). Het zakboekje omvat een hoofdstuk toerisme,
waarin onder meer het aantal overnachtingen en de logiescapaciteit vergeleken wordt.
Onder http://epp.eurostat.ec.europa.eu/cache/ITY_OFFPUB/KS-32-11-802/EN/KS-32-11-802-EN.PDF
kan je het zakboekje te raadplegen.
4.4 Publicatie ‘Klimaatverandering en toerisme in
OESO-landen’
OESO publiceerde zopas in samenwerking met UNEP (United Nations Environment Programme) de
studie ‘Klimaatverandering en toerisme in OESO-landen’. Toerisme draagt op dit moment zo’n 5%
bij tot de wereldwijde CO2-uitstoot. Volgens een ‘business as usual’ scenario zou deze toeristische
uitstoot in de komende 25 jaar meer dan verdubbelen. De studie toont aan dat het toerisme
ontbreekt aan een sterk klimaatbeleid en roept toeristische beleidsmakers op om effectieve
strategieën, regelgeving en incentives te ontwikkelen die focussen op de belangrijkste bronnen van
huidige en toekomstige emissies.
EU in een notendop
21
Onder http://www.oecd.org/dataoecd/8/28/48681944.pdf kan je het rapport lezen.
5 Economie (EU en Vlaams)
5.1 Persberichten van de Vlaamse overheid
Handicap en arbeid. Deel II. Beleidsontwikkelingen
Het rapport beschrijft en analyseert de belangrijkste beleidsontwikkelingen op het vlak van de
arbeidsmarktintegratie van mensen met een handicap in 2009 en 2010. De meest in het oog springende
vernieuwingen vonden plaats in het kader van de VDAB met bijzondere aandacht voor mensen met een
psychische handicap en de vernieuwing van de Vlaamse ondersteuningspremie.
auteurs
Erik Samoy
uitgever
Departement Werk en Sociale Economie
publicatiedatum
soort publicatie
thema's
februari 2012
studie
arbeidsmarkt / personen met een handicap
Deze publicatie is enkel elektronisch beschikbaar.
download
Bedrijvencentra: nieuwe oproep Agentschap Ondernemen
Het Agentschap ondernemen wil met deze oproep projecten selecteren voor bedrijvencentra met
basisdiensten en voor specifieke bedrijvencentra.
Bedrijvencentra met basisdiensten zijn centra die huisvesting bieden voor startende bedrijven. De
centra moeten gemeenschappelijke ruimtes en diensten, en deskundig advies voorzien voor de
bedrijven. Gespecialiseerde bedrijvencentra richten zich naar starters uit een bepaalde sector (bv.
creatieve sector, bouwsector….). Belangrijk is dat zowel kantoor- als productie- of opslagruimtes
moeten voorzien worden.
De totale subsidie-enveloppe bedraagt 1 miljoen euro. Zowel publieke partners als kleine en
middelgrote ondernemingen kunnen een project indienen. Het subsidiepercentage voor een
gemeente, AGB of intergemeentelijk samenwerkingsverband bedraagt 25%. Het maximale
steunbedrag bedraagt 250.000€.
De steun wordt toegekend via een wedstrijdprocedure. Alleen de best gerangschikte projecten
worden gesteund. De oproep loopt van 9 januari 2012 tot 6 april 2012.
Meer info: website Agentschap Ondernemen.
Flanders’ Care organiseert 5 provinciale infosessies naar aanleiding van de nieuwe oproep voor
demonstratieprojecten
Eén van de voornaamste pijlers van Vlaanderen In Actie, het ambitieuze toekomstproject van de
Vlaamse Regering, is ‘Flanders’ Care’. De opdracht van Flanders’ Care is “op een aantoonbare wijze
en door innovatie het aanbod van kwaliteitsvolle zorg verbeteren en verantwoord
ondernemerschap in de zorgeconomie stimuleren.” Flanders’ Care wordt ondersteund door 4
EU in een notendop
22
Vlaamse Ministers: Jo Vandeurzen (Welzijn), Kris Peeters (Economie en Internationalisering), Ingrid
Lieten (Innovatie) en Philippe Muyters (Werk).
De Vlaamse Regering wil met een nieuw instrument, nl. het demonstratieproject, innovatieve
oplossingen voor reële zorgnoden sneller bij de gebruiker aftoetsen zodat deze sneller en
efficiënter op de markt kunnen komen. Demonstratieprojecten vormen de brug tussen onderzoek
en ontwikkeling, en de uitrol van innovatie. Het doel van het demonstratieproject is om aan te
tonen dat een bepaalde innovatie een verbetering realiseert op het vlak van kwaliteit van de zorg
en daarenboven perspectief biedt op een uitrol in Vlaanderen en op internationale valorisatie. Dit
veronderstelt de praktijknood van een zorgactor als uitgangspunt, effectmeting en benchmarking
en in vele gevallen partnering voor kenniscreatie en uitrol.
De eerste vijf demonstratieprojecten zijn reeds geselecteerd. Momenteel kunnen zorginstellingen
(call 3) of samenwerkingsverbanden van zorginstellingen, ondernemingen en eventueel
kennisinstellingen (call 2) opnieuw een aanvraag indienen. De thema’s van beide oproepen zijn
preventie, zelfredzaamheid, revalidatie, zo lang mogelijk thuis blijven wonen, isolement
doorbrekend, mantelzorg ondersteunend en gegevensdeling met behulp van ICT.
Zelf een demonstratieproject indienen?
Dan nodigen Flanders’ Care, het provinciebestuur Antwerpen, het provinciebestuur Limburg, het
provinciebestuur Oost-Vlaanderen, het provinciebestuur Vlaams-Brabant, het provinciebestuur
West-Vlaanderen, de 5 Vlaamse Innovatiecentra en de ParticipatieMaatschappij Vlaanderen u
graag uit op één van de volgende infosessies:
• Dinsdag 17 januari 2012 om 18u: Boudewijnzaal van de provincie Limburg in Hasselt
• Donderdag 19 januari 2012 om 14u: Auditorium van de provincie Vlaams-Brabant in Leuven
• Maandag 23 januari 2012 om 19u: Raadszaal van de provincie Antwerpen in Antwerpen
• Dinsdag 24 januari 2012 om 18u: Raadszaal van de provincie West-Vlaanderen in Brugge
• Donderdag 26 januari 2012 om 17u30: Auditorium van de provincie Oost-Vlaanderen in Gent
Meer info vindt u op: www.flanderscare.be
Voor meer persinformatie kunt u terecht bij:
Katia Van Buyten, Medewerker Impulsloket Flanders' Care
Tel: 02 212 94 20
E-mail: [email protected]
5.2 SERV: Efficiënt flankerend beleid moet actieplan
ondernemerschap onderstutten in ambities
De doelstellingen van het Actieplan Ondernemerschap sluiten aan bij de ambities van het Pact 2020.
Een efficiënt flankerend beleid is een conditio sine qua non voor de ontwikkeling van een
ondernemingsvriendelijk omgevingsklimaat, waarin voldoende sterke ondernemingen kunnen
gedijen en groeien. Inzetten op een sterke ondernemerscultuur onder meer door het aanwakkeren
EU in een notendop
23
van ondernemingszin op alle niveaus van het onderwijs, moet bijdragen tot een cultuuromslag.
Output en outcome gerelateerde criteria moeten instaan voor de monitoring van het Actieplan.
Voor meer informatie kan je terecht bij Wim Knaepen .
Advies aanvulling actieplan ondernemerschap (222.78 Kb)
Datum
Referentie
16.02.2012
[email protected]
EU in een notendop
24
Download
Random flashcards
Create flashcards