Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen Academiejaar 2011-2012 Beheersing van Rhizoctonia solani op sla door het bevorderen van de bodemweerbaarheid Pauline Deltour Promotor: Prof. dr. ir. Monica Höfte Copromotor: dr. ir. Soraya de Carvalho França Masterproef voorgedragen tot het behalen van de graad van Master in de bio-ingenieurswetenschappen: Landbouwkunde i De auteur, copromotor en promotor geven de toelating deze masterproef voor consultatie beschikbaar te stellen en delen ervan te kopiëren voor persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik valt onder beperkingen van het auteursrecht, in het bijzonder met betrekking tot de verplichting uitdrukkelijk de bron te vermelden bij het aanhalen van de resultaten uit deze masterproef. Gent, juni 2012 De promotor: Prof. Dr. ir. Monica Höfte De co-promotor: Dr. ir. Soraya de Carvalho França De auteur: Pauline Deltour ii Woord vooraf Tjing tjing! Geachte lezers, genodigden, snuisterende voorbijgangers, Vooraleer u in dit werk duikt, wil ik u graag attent maken op het feit dat er twee glazen voor mij staan. Deze dienen voor niets anders dan voor een dubbele proost. Het glas in mijn linker hand hef ik op alle “Groten-van-het-Labo”. Soraya, de denkoefening waarbij ik tracht me een betere begeleider in te denken dan jou is zwaarder dan gelijk welke andere die ik doorploeterd heb voor deze thesis (en dat waren geen lichtgewichtjes). Terwijl ik aan het ploeteren was, reikte je me vol geduld de hand (soms wel twee) zodat ik niet uit evenwicht zou geraken. Ik sta nog steeds versteld van jouw immer aanwezige lach en hoop stiekem naast de vele kneepjes van het onderzoek ook een tikkeltje van je oeverloos optimisme te hebben opgestoken. Prof Höfte, bedankt om me na mijn laattijdige gedachtenverandering een kans te geven om mijn thesis in jouw labo te maken en me hierbij te begeleiden met al jouw expertise. Sarah, jouw doctoraat was de eerste baksteen waarop ik alles heb voortgebouwd. Ik ben een bofkont dat ik zo’n handig vademecum voor mijn thesis onder de arm kon nemen! Hari, zonder jouw hulp zou de PLFA analyse een veel groter karwei geweest zijn. Prof Boeckx ook bedankt voor het ter beschikking stellen van uw labo voor onze proef. Liesbeth en andere, merci om de Sint-Katelijne-Waver serre voor onze proef open te stellen en ons te helpen bij het oogsten, scoren, inwerken… Alle andere Groten van het Labo, ook voor jullie hef ik het glas! In mijn rechter hand houd ik het glas dat ik graag wil heffen op de “Groten-van-het-Hart”. Mama, papa, jullie oren zijn wonderbaarlijk goed bestand tegen stormwinden vol gezaag. Mama, bedankt om mijn thesis door te nemen en te filteren op taalblunders. Quinten, merci om mij te voorzien mijn dagelijkse portie cynische opmerkingen en het zonder klagen aanhoren van de grijsgedraaide cd van The Offspring die mijn bron van energie was voor de statistische analyses. Ben, ik neem deze gelegenheid even ter harte om uw excel kennis te bezingen. Chers amis, ook al worden niet al uw namen gespecifieerd, u bent onontbeerlijk geweest voor de productie van dit opus. Veel onontbeerlijker dan dat dit hoopje papier op het eerste zicht kan laten uitschijnen of als deze woorden dit kunnen. Silke, thesispartner in crime, voor jou maak ik zelfs een buiging door de knie. Het was me een waar genoegen om met jou te kunnen labo-swingen, bodemmedia te laten ontploffen, mijteninvasies te bestrijden of uren en uren potjes af te wassen. Geachte lezers, genodigden en snuisterende voorbijgangers, ik nodig u uit om uw pad doorheen dit werk verder te zetten en u onder te dompelen in de wereld van de sla, schimmels, bodemorganismen en veel meer… i Lijst van afkortingen AG Anastomosis Groep AUDPC Area Under Disease Progress Curve AWCD Average Well Colour Development BCA Biological Contol Agents DPC Disease Progress Curve ISG Inter Specifieke Groepen PC Principale Component PCA Principal Components Analysis PCG Provinciaal Proefcentrum voor de Groententeelt Oost-Vlaanderen (Kruishoutem) PDA Potato Dextrose Agar PDASM Potato Dextrose Agar met 100mg l-1 streptomycine PDASS Potato Dextrose Agar met 100 mg l-1 streptomycine en 4 mg l-1 prochloraz PLFA Phospholipid Fatty Acid PSKW Proefcentrum voor Groententeelt te Sint-Katelijne-Waver q. c. Query coverage RDD Rhizoctonia Disease Decline RFLP Restriction Fragment Length Polymorphism z. d. Zonder datum ii Samenvatting Bodemgebonden ziektes, zoals smet, vormen een voornaam probleem in de slateelt, zeker sinds de afschaffing van het breedspectrum bodemontsmettingsmiddel methylbromide. Een mogelijk alternatief voor de beheersing van smet is het versterken van de weerbaarheid van de bodem. In deze thesis werd gezocht naar een methode om de weerbaarheid van de bodem tegenover Rhizoctonia solani te evalueren, ontleden en versterken. Het eerste luik van deze thesis handelt over de ontwikkeling van een biotest die het natuurlijk inoculum en de weerbaarheid van de bodem tegenover R. solani opmeet. De test bestond uit de meting van de snelheid van de symptoomontwikkeling op slabladschijfjes gelegd op het te testen bodemoppervlak. Er werd gewerkt met bodems met een verschillende voorbehandeling: één onbehandelde bodem, één die ontsmet was met Monam en één die behandeld was met Herbie. Enkel in de onbehandelde bodem kon er een natuurlijk inoculum worden vastgesteld met de biotest. Voor de analyse van de weerbaarheid werd er gekeken naar het effect van verschillende inoculumconcentraties, het autoclaveren van de bodem en het toevoegen van boekweitmeel. De biotest liet toe verschillen in symptoomontwikkeling te detecteren. Om de resultaten van de biotest te valideren naar weerbaarheid toe moeten meerdere gronden verder getest worden. In het tweede luik werd onderzoek verricht naar de mogelijkheid om met ligninerijke producten de bodemweerbaarheid tegen R. solani te versterken. Eerder onderzoek had reeds de effectiviteit van zuivere lignine en ligninerijke producten zoals vlasvezels en houtsnippers aangetoond (Van Beneden, 2009). Toegevoegd lignine zou volgens de lignine-melanine hypothese lignine-afbrekende organismen stimuleren. De lignocellulose afbrekende enzymen zijn ook in staat melanine af te breken. Scleroten bestaan voornamelijk uit melanine en de afbraak van deze molecule maakt scleroten vatbaarder voor stress (Subbarao et al., 1999). Er werden drie producten getest: een poeder van druivenpitten (Lignosol), een effluent van de papier industrie (Sappi-Out) en Miscanthus, een houtachtig gras met hoge opbrengst. Ten eerste werden de directe effecten van Lignosol op R. solani onder de loep genomen. Er werd vastgesteld dat enkele chemische constituenten van Lignosol de groei van mycelium in vitro kunnen beperken. Lignosol bleek tevens de kieming van scleroten van R. solani te kunnen bevorderen. Een gestimuleerde kieming kan de antagonistische populatie bevorderen en de scleroten zelf afzwakken. Ten tweede werd de effectiviteit van Lignosol en Sappi-Out geëvalueerd onder veldcondities. Er werd 0.5% van elk product ingebracht in de bouwvoor van een serre met eikenbladsla te Sint-KatelijneWaver. Zowel in de ziekte-incidentie als in de levensvatbaarheid van de scleroten werden geen significante verschillen vastgesteld. De scleroten uit de behandelde bodems waren daarentegen wel significant meer geparasiteerd. De beperkte effecten kunnen verklaard worden door de mogelijke inertie van de grondsoort tegenover ligninebronnen, de lage toegepaste dosis of de te korte tijd tussen het inwerken en het planten. iii In een laatste proef werden de veranderingen in de microbiële bodempopulatie na incorporatie van Lignosol of Miscanthus gekarakteristeerd d.m.v. fosfolipiden vetzuuranalyse (PLFA) en metabolische profilering (Biolog). Om een beter inzicht te krijgen in de bodemafhankelijkheid van de effectiviteit van de ligninebronnen werd er gewerkt met een bodem waar ligninebronnen positieve resultaten geven (PCG) en een bodem waar resultaten uit blijven (PSKW). De bodems werden in glazen potten waarin scleroten waren begraven gedurende zowel twee als vier weken geïncubeerd. Uit de PLFA analyse bleek na incorporatie van Lignosol de proportie aan schimmels en Gram negatieve bacteriën toe te nemen in beide bodems. Dit bleek ook samen te gaan met een verhoogd en diverser metabolisme van de schimmelpopulatie. De metabolische karakterisatie van de bacteriële gemeenschap onthulde een populatie die een hoger verbruik had van de bronnen α-cyclodextrine, glycogeen, D-cellobiose en β-methyl-D-glucoside na toepassing van Lignosol of Miscanthus in PCG bodem. Het toegenomen verbruik van deze bronnen zou mogelijks een indicator kunnen zijn voor een goede werking van de ligninebronnen. De verschuivingen in de microbiële populatie na twee weken waren intermediair aan deze na vier weken. De onbehandelde bodems van PCG en PSKW waren slechts beperkt te onderscheiden aan de hand van de gebruikte analysemethoden. De bodem van PCG (met hogere lignine-effectiviteit) leek een schimmelpopulatie te bezitten met een diverser metabolisme en een bacteriële populatie die al een verhoogd verbruik van de bronnen α-cyclodextrine, glycogeen, D-cellobiose en β-methyl-D-glucoside had. Het totaal bodemleven gekarakteriseerd aan de hand van het totaal geëxtraheerde PLFA’s was niet verschillend tussen beide bodems. In PSKW bleken de PLFA’s proportioneel uit meer biomerkers voor schimmels en Gram negatieve bacteriën te bestaan. Voor een betere karakterisatie van gronden met verschillende lignine-effectiviteit en de effecten na incorporatie van ligninerijke bronnen dienen meer gronden vergeleken te worden. iv Summary Soilborne diseases like bottom rot, caused by Rhizoctonia solani, are one of the major problems in lettuce cultivation, especially since the abolishment of methylbromide. Enhancing the soil suppressiveness would be a possibility to cope with bottom rot. The research conducted in this thesis aimed to find a method to measure the soil suppressiveness, to enhance it and to better understand the underlying mechanisms. The first part of this thesis consists of the search for a bioassay by which it would be possible to measure the natural inoculum of R. solani in soil and the soil suppressiveness. Small plastic trays were filled with soil and covered with lettuce leaf discs. The soil suppressiveness and natural inoculum was evaluated by the speed of appearing symptoms. Soils from one greenhouse which was fumigated in different ways were compared: Monam, Herbie and an untreated plot. It was only possible to capture R. solani on the leaf discs from the untreated soil. To evaluate the test for its capacity to measure soil suppressiveness, the soils were autoclaved, inoculated with different levels and treated with buckwheat. It was possible to capture differences in soil and treatments. More soils should be checked to link the results of the bioassay with the soil suppressiveness. In the second part some lignin rich products were checked for their abilities to enhance soil suppressiveness towards R. solani. Previous research showed already the effectiveness of pure lignin and other lignin rich products like flax shives and wood fibers (Van Beneden, 2009). According the lignin-melanin hypothesis, the lignin would stimulate lignin degraders, which are able to break down melanin with the same enzymes as used for the breakdown of lignin. The cell wall of sclerotia of R. solani consists out of melanin and the promoted melanin degradation makes the sclerotia more vulnerable to stress (Subbarao et al., 1999). Three products were tested: a powder of grape seeds (Lignosol), an effluent of the paper industry (Sappi-Out) and Miscanthus, a high yielding woody grass. First, the direct effects of Lignosol on R. solani were investigated. Chemical substances seemed to suppress the growth of the pathogen. Lignosol also appeared to stimulate the germination of the sclerotia. Promoted germination can contribute to the soil suppressiveness by enhancing the antagonistic population and the weakening of the sclerotia. Secondly, the effectiveness of Lignosol and Sappi-out were evaluated in field circumstances. The soil in a greenhouse with oak leaf lettuce was treated with 0.5% of these products. There were no significant differences in the disease incidence and viability of the sclerotia, but treatments did increase the amount of parasites retrieved from the sclerotia. The small effects could be due to the inability of the soil to react to lignin rich products, the low doses applied and the short time between the treatment and planting the lettuce. v The last experiment aimed to clarify the changes in the microbial community after incorporation of 1% Lignosol or Miscanthus in soil with PLFA extraction and CLPP (Community level Physiological Profiling). The success of lignin rich products seemed to be soil dependent. Therefore two soils were tested. One soil with high lignin effectiveness (PCG) and one with low lignin effectiveness (PSKW). The treated soils were incubated in glass jars for two or four weeks. PLFA analyses revealed an increase of fungi after treatment with Lignosol in both soils. This seemed to coincidence with a higher and more divers metabolism of the fungal population. The bacterial population shifted after treatment with Lignosol or Miscanthus in PCG soil to one with a higher use of the sources α-cyclodextrin, glycogen, D-cellobiose and β-methyl-D-glucoside. The higher use of these sources might be a good indicator for the lignin effectiveness. The size of the shifts in microbial community after two weeks of incubation were half those of a four week incubation period. The untreated soils of PCG and PSKW differentiated only in a limited extent. The PCG soil seemed to have a more active and diverse fungal population and a bacterial community which had already a higher use of the sources α-cyclodextrin, glycogen, D-cellobiose and β-methyl-D-glucoside. The size of the microbial community, measured by total PLFA-C extracted, didn’t differed in these soils. The soil of PSKW had a higher proportion of fungi and Gram negative bacteria. More soils need to be investigated and compared to have a more clear and trustworthy characterization of the lignin effectiveness of soils. vi Inhoud Woord vooraf ........................................................................................................................................... i Lijst van afkortingen .................................................................................................................................ii Samenvatting...........................................................................................................................................iii Summary ..................................................................................................................................................v 1. Inleiding ............................................................................................................................................... 1 2. Literatuurstudie ................................................................................................................................... 3 2.1. Slateelt en smet ............................................................................................................................ 3 2.1.1. Inleiding ................................................................................................................................. 3 2.1.2. De teelt .................................................................................................................................. 3 2.1.3. Smet in de slateelt ................................................................................................................. 3 2.2 Rhizoctonia solani Kühn ................................................................................................................ 4 2.2.1. Omschrijving .......................................................................................................................... 4 2.2.2. De ontwikkeling van de ziekte ............................................................................................... 5 2.2.3. Scleroten................................................................................................................................ 6 2.2.4. Bestrijding.............................................................................................................................. 7 2.3. Bodemweerbaarheid .................................................................................................................. 10 2.3.1. Enkele begrippen en standaardconcepten.......................................................................... 10 2.3.2. Bodemweerbaarheid analyseren ........................................................................................ 13 2.3.3. Stimulatie van de bodemweerbaarheid met organische bodemsupplementen ................ 17 2.4. Lignine ........................................................................................................................................ 19 2.4.1. Eigenschappen en voorkomen ............................................................................................ 19 2.4.2. De lignine - melanine hypothese ......................................................................................... 19 3. Materiaal en methoden..................................................................................................................... 21 Deel A: De biotest .............................................................................................................................. 21 3.A.1. De proefopzet ..................................................................................................................... 21 3.A.2. Voorafgaande testen: analyse van de slatypes en het inoculumtype ................................ 22 3.A.3. Detectie van het natuurlijke inoculum van R. solani .......................................................... 23 3.A.4. Detectie van de bodemweerbaarheid ................................................................................ 23 Deel B: Effectiviteit van verschillende ligninerijke bodemsupplementen ........................................ 24 3.B.1. Directe effecten van Lignosol op R. solani .......................................................................... 24 3.B.2. Evaluatie van Lignosol en Sappi-Out onder veldomstandigheden...................................... 24 3.B.3. Potexperiment: bodemafhankelijke effectiviteit van Miscanthus en Lignosol incorporatie op de overleving en parasitisme van scleroten van R. solani....................................................... 26 vii 4. Resultaten en bespreking .................................................................................................................. 28 Deel A: De Biotest.............................................................................................................................. 28 4.A.1. Inleiding ............................................................................................................................... 28 4.A.2. Voorafgaande testen: analyse van de slatypes en het inoculumtype ................................ 29 4.A.3. Detectie van het natuurlijk inoculum van R. solani ............................................................ 30 4.A.4. Detectie van de bodemweerbaarheid ................................................................................ 31 4.A.5. Bevindingen en voorstellen voor de verdere ontwikkeling van de biotest ........................ 35 Deel B: Effectiviteit van verschillende ligninerijke bodemsupplementen ........................................ 37 4.B.1. Inleiding ............................................................................................................................... 37 4.B.2. Directe effecten van Lignosol op R. solani .......................................................................... 37 4.B.3. Evaluatie van Lignosol en Sappi-Out onder veldomstandigheden...................................... 41 4.B.4. Potexperiment: Bodemafhankelijke effectiviteit van Miscanthus en Lignosol incorporatie op de overleving en parasitisme van scleroten van R. solani....................................................... 44 5. Algemene conclusies ......................................................................................................................... 68 6. Referenties ........................................................................................................................................ 70 7. Bijlages............................................................................................................................................... 75 Bijlage 1: Koolstofbronnen van de Eco MicroPlates™ ....................................................................... 75 Bijlage 2: koolstofbronnen van de FF MicroPlates™ ......................................................................... 76 viii 1. Inleiding De landbouwsector wordt net zoals andere sectoren vaak geplaagd met problemen. Het probleem dat in deze thesis op tafel wordt gelegd, handelt over de grote verliezen die smet veroorzaakt bij de Belgische slatelers. Smet is een aandoening die veroorzaakt wordt door o.a. Rhizoctonia solani, waarbij de onderste bladeren wegrotten. Bij ernstige aantasting kan het volledig inzakken van de krop optreden. Door de afschaffing van het bodemontsmettingsmiddel methylbromide, zitten de telers nu met de handen in het haar. Het middel dat hen jarenlang toeliet deze ziekte te beheersen, is nu een verboden product. Een volwaardige vervangstof biedt zich niet onmiddellijk aan. De consument en distributiesector eisen daarenboven een zo residu arm mogelijk gewas en nieuwe fungiciden passen niet direct in dat plaatje. Om aan problemen het hoofd te bieden, behoort er een probleemanalyse te worden uitgevoerd. In een probleemanalyse gaat men op zoek naar wat fout loopt en hoe datgene kan vermeden dan wel verbeterd worden. Vaak durft men bij deze analyses naast al dat negatieve vergeten te kijken naar de intrinsieke sterktes van de situatie. Waar ligt de kracht van waaruit we moeten vertrekken om te evolueren naar het optimale? Deze thesis vertrekt vanuit zo’n standpunt. Wanneer we met positieve bril kijken naar de plantenteelt, zien we dat in sommige bodems de ziekte-incidentie van bodemgebonden pathogenen lager ligt zonder dat er bijzondere verschillen in teelt en ziektebestrijding zijn (Weller et al., 2002). De bodem lijkt de ziekte meer onder controle te houden. Voor R. solani werden reeds zulke verschillen in de bodemweerbaarheid waargenomen in suikerbiet en bloemkool (Mendes et al., 2011; Anees et al., 2010; Postma et al., 2010). De weerbaarheid van de bodem kan te wijten zijn aan zijn abiotische factoren zoals bodemtextuur, structuur, lucht, water en aan de microbiële populatie die huist in de bodem. Bacteriën, schimmels en andere bodembewoners kunnen optreden als concurrent of als parasiet van de pathogeen of de resistentie van de plant induceren. Er wordt verondersteld dat het microbieel leven de grootste bijdrage levert aan het ziekteonderdrukkend vermogen van de bodem, maar het is niet duidelijk waar de natuurlijke weerbaarheid juist aan gelegen is (Bonanomi et al., 2010). De weerbaarheid lijkt daarenboven beïnvloed te kunnen worden door cultuurtechnische maatregelen, zoals door de toevoeging van organisch materiaal (Sneh et al., 1996). Men is naarstig op zoek naar de mechanismen achter de bodemweerbaarheid en het onderzoek uitgevoerd voor deze thesis tracht een bouwsteen hiervoor aan te leveren. Het eerste luik van deze thesis had als doel om een biotest te ontwikkelen die op eenvoudige wijze zou kunnen aantonen wat de inoculumdichtheid, dan wel de weerbaarheid van de bodem jegens R. solani is. 1 Het tweede luik van deze thesis bevat de verdere uitwerking van een mogelijke beheersingsmethode die gebruik maakt van de versterking van de bodemweerbaarheid tegenover R. solani op sla door toevoeging van ligninerijke bronnen. Voorgaand onderzoek heeft aangetoond dat men R. solani kan onderdrukken door toediening van zuivere lignine aan de bodem (Van Beneden et al., 2009). In deze thesis werden twee ligninerijke bijproducten uit de industrie getest: een poeder van druivenpitten uit de wijnindustrie (Lignosol) en een effluent uit de papierindustrie (Sappi-Out). Daarnaast werd ook het effect van Miscanthus, een ligninerijk gewas, getest. Het eerste doel was de effectiviteit van deze producten te testen op het afdoden van scleroten zowel onder labo als veld condities. Als tweede doelstelling werd de ontleding van de werking van deze producten vooropgesteld. Het succes van ligninetoevoeging bleek uit vorig onderzoek bodemafhankelijk en leek verklaard te kunnen worden door verschuivingen in de microbiële bodempopulatie (Van Beneden, 2009). In deze thesis werd onderzocht hoe de microbiële populatie verschilde tussen een bodem met hoge en een met lage lignine-effectiviteit en hoe de microbiële populatie veranderde na incorporatie van de ligninerijke producten. Daarnaast werden ook directere werkingsmechanismen van Lignosol onderzocht. 2 2. Literatuurstudie 2.1. Slateelt en smet 2.1.1. Inleiding Sla (Lactuca sativa) is een van de populairste groenten en zijn marktaandeel in de tuinbouwsector in België komt op de tweede plaats , na de nog populairdere tomaat. In ons land zijn de telers voornamelijk gespecialiseerd in het telen van zware botersla. Het gemiddeld kropgewicht in België ligt met 400 à 500 gram zo’n 200 gram hoger dan deze geproduceerd in andere Europese landen. Door zijn gewicht en kwaliteit, die gewaarborgd wordt door de Flandria en Eurep-gap labels, is Belgische sla tevens begeerd in het buitenland (Van Labeke, 2011-2012). Gedijend op de algemene trend in de tuinbouw wordt ook de productie van sla gedwongen naar een grotere intensivering om economisch haalbaar te blijven en hierdoor, samen met het zware slatype, neemt de ziektedruk toe (Van Beneden et al., 2011). 2.1.2. De teelt In Vlaanderen bedraagt de totale met sla beteelde oppervlakte zo’n 600 ha, waarvan ongeveer de helft als beschermde teelt (NIS, 2008). Dat sla een van de voornaamste groentes op de markt is, bewijst zijn omzetwaarde. Deze bedroeg in 2010 46.8 miljoen euro voor botersla, dat een aandeel van 2/3 in de totale slateelt inneemt (VBT, 2010). Men teelt sla voornamelijk in monocultuur in ongeveer 6 cycli per jaar en wisselt sporadisch af met tomaat in de zomer (Van Labeke, 2011-2012). De teelt verloopt in twee fasen. Eerst worden de omhulde sla-zaden in perspotjes oppervlakkig gezaaid en opgekweekt tot het 4 tot 6-bladstadium, meestal door gespecialiseerde bedrijven. Vervolgens worden deze met perspotjes op de bodem geplaatst op het tuinbouwbedrijf zelf. Een goed vlak gemaakte bodem moet plasvorming verhinderen en het plaatsen van de perspotjes boven op de bodem zorgt voor uitgesteld contact van de bladeren met de bodem en zodoende beperking van de aantasting door bodemgebonden pathogenen zoals R. solani. Naargelang het seizoen zal de teelt een verschillende duur hebben. In de zomer kan men na één maand reeds een volle krop bekomen, in de winter zal dat eerder drie maanden worden. Ook de mogelijke uitdagingen gepaard gaande met de teelt kunnen variëren met het seizoen. Zo bleek uit onderzoek van Van Beneden et al. (2009) dat de schimmels die smet veroorzaken verschillen per seizoen (Tabel 1). 2.1.3. Smet in de slateelt Een van de zorgen van de slateler zijn de verliezen omwille van smet, die tot 70% kunnen reiken. Het is uit economische reden belangrijk de smet-aantasting te beperken (Scherwinski et al., 2008). Smet is een ziekte waarbij de onderste bladeren wegrotten. De ziekte kan leiden tot ernstige oogstverliezen die zowel kwantitatief en kwalitatief kunnen zijn. Door grote weggesneden delen aantasting is er een hoger risico op lagere klassering en bij een ernstige aantasting kan er volledige uitval van de krop optreden (Van Beneden et al., 2011). 3 Verschillende bodemgebonden pathogenen kunnen smet veroorzaken. R. solani, Sclerotinia spp., Botrytis cinerea en Pythium spp. vormen het vaakst de oorzaak van deze ziekte. Tabel 1 geeft een beknopt overzicht van hun symptomen en infectiemethode. R. solani wordt verder in het werk nog uitgebreid behandeld. Tabel 1: Beknopt overzicht van de pathogenen die smet veroorzaken (Van Beneden, 2009; Höfte, 2010-2011) Pathogeen Rhizoctonia solani Symptomen Eerst roestbruine letsels op de onderste bladen Verdere verwelking, tot hele krop Soms licht bruin, gelig mycelium en scleroten op bladen Verwelking van de onderste bladeren met natrot symptomen Witte myceliumpluizen en langwerpige scleroten op de bladen Ziekteontwikkeling en Infectie Infectie start vanuit mycogenicaal gekiemde scleroten of uit mycelium Geen sporen Seizoen Voornamelijk in de zomer, ook in lente en herfst. (warm en vochtig) Scleroten kiemen voornamelijk carpogenicaal. Dus besmetting door ascosporen, vaak uit de lucht. Minder door mycelium uit scleroten Sclerotinia minor Analoog aan S. sclerotiorum, maar met puntige kleine scleroten Pythium spp. Rot van de onderste bladeren, slijmiger Donker bruin rot Grijze conidioforen als kussen over de aangetaste bladeren Soms zwarte gladde scleroten stevig bevestigd aan het blad Scleroten kiemen mycogenicaal. Trager dan S. sclerotorum, maar steeds wederkerend (onvoldoende onderzocht) alle seizoenen, minder in de winter. Scleroten hebben koudeperiode en vocht nodig om te carpogenicaal te kunnen kiemen alle seizoenen, minder in de winter Sclerotinia sclerotiorum Botrytis cinerea Opportunistische infecties van verzwakt weefsel, vaak de verouderende onderste bladeren Infectie met conidosporen en een zelden keer vanuit scleroten Lente, zomer, herfst Winter (koude en vocht) 2.2 Rhizoctonia solani Kühn 2.2.1. Omschrijving Een brede groep aan pathogene schimmels wordt samengebracht in het genus Rhizoctonia. Het zijn basidiomyceten waarvan vaak enkel de anamorfe gekend is. Zij worden gekenmerkt door het typisch loodrecht T-vormig splitsend mycelium. Dit kenmerk is door de afwezigheid van spoorvormende structuren vaak het enige herkenningspunt (Figuur 1). Het voornaamste soortencomplex is R. solani. Deze groep van bodemgebonden pathogenen kunnen aanleiding geven tot tal van symptomen, gaande van smeul tot stengelrot, kanker, bladrot, etc. en veroorzaakt overal ter wereld schade. R. solani heeft multinucleate cellen, terwijl bij het merendeel van de Rhizoctonia soorten binucleate cellen terug te vinden zijn. De zelden teruggevonden teleomorf van R. solani heet Thanatephorus cucumeris (A. B. Frank) Donk. (Agrios, 2005; Sneh et al., 1996). 4 Figuur 1: Mycelium van Rhizoctonia solani (http://tdl.wisc.edu/bp.php) Het soortencomplex wordt onderverdeeld in verschillende anastomosis groepen (AG). Organismen van dezelfde anastomosisgroep hebben hyfen die kunnen fuseren als ze elkaar ontmoeten. Dit is de enige manier waarop er genetisch materiaal uitgewisseld wordt en zodoende zijn de verschillende anastomosegroepen genetisch geïsoleerd. De verdeling in anastomosis groepen loopt niet volledig gelijk met de verdeling in kenmerken als morfologie, virulentie, gastheer en andere fysiologische kenmerken en wordt niet aanvaard als onderverdeling in soorten (Sneh et al., 1996). Er zijn 13 verschillende anastomosegroepen (Agrios, 2005). De AG’s zijn vaak nog verder onderverdeeld naargelang de symptomen, gastheer en cultuurkarakteristieken in intraspecifieke groepen (ISG) (Taheri et al., 2007; Sneh et al., 1996). Fylogenetische analyse op basis van moleculaire technieken onthulde bijvoorbeeld zes ISG binnen AG1 gaande van 1A tot 1F (Toda et al., 2004). Ook binnen de verschillende groepen kan er naargelang het isolaat grote variabiliteit optreden in pathogeniteit en vatbaarheid voor fungiciden (Fiddaman en Rossall, 1995). In Belgische slaserres zijn de groepen AG1-1B en AG4 HGI de meest voorkomende AG’s. Daarnaast worden ook regelmatig AG2-1, AG2-1 Nt, AG3 en AG10 teruggevonden (Van Beneden et al., 2009). 2.2.2. De ontwikkeling van de ziekte R. solani is een typische bodempathogeen. Scleroten en mycelium uit de bodem vormen de voornaamste bron van infectie (Figuur 2). Het mycelium van R. solani is zeer groeikrachtig, zeker onder optimale omstandigheden (15-18°C en matig natte bodems). Op het plantmateriaal vormt het mycelium compacte opeenhopingen – infectiekussentjes – langs waar het mycelium intercellulair binnen de plant groeit. Aangezien het necrotrofe karakter van de pathogeen overheerst, zal bij ernstige infectie de plant ten onder gaan. De ziekte verspreidt zich door regen, irrigatiewater, geïnfecteerd plant/zaaigoed en verplaatsing van besmette grond, bijv. door landbouwmachines. Het sexuele deel van de cyclus is, zoals eerder vermeld, te verwaarlozen. R. solani overleeft als scleroten of als mycelium, in de bodem of op plantenresten en onkruid. R. solani kan, bij afwezigheid van een waardplant, ook overleven op saprofytische wijze. Eenmaal R. solani zich gevestigd heeft in een bodem, zal zij daar niet weg te krijgen zijn (Agrios, 2005; Sneh et al., 1996). 5 Figuur 2: De ziektecyclus van Rhizoctonia solani (Agrios, 2005) 2.2.3. Scleroten Scleroten zijn overlevingsstructuren die de pathogeen aanmaakt bij het optreden van stress. De stress kan bijv. bestaan uit een belemmerde groei, koude of bij het ontmoeten van een andere hyfe. Niet alle AG’s maken scleroten aan en er zijn grote verschillen in uiterlijk en grootte (Sneh et al., 1996). Scleroten bestaan uit uniforme donkerkleurige consistente massa’s monilioide cellen met celwanden die versterkt zijn met melanine. Melanine is een verzameling van ongedetermineerde structuren opgebouwd uit polyaromatische stoffen. Bij schimmels is de voornaamste vorm DHN melanine. In de celwand gaan de melaninemolecules allerlei interacties aan met o.a. proteïnen en vormt zich zo een heus melaninecomplex (Butler et al., 2005). Scleroten van R. solani hebben geen rind, maar bestaan uit individueel versterkte cellen. Scleroten van Botrytis en Sclerotinia spp. daarentegen hebben wel een rind. Scleroten moeten de overleving van de pathogeen garanderen en worden dus minimaal geschaad door abiotische omgevingsfactoren zoals water (in tekort en overvloed), zuurstof, temperatuursextremen en pH. Aan extreme straling weten zij te weerstaan door middel van de melanine die straling bijna absoluut absorbeert door de zwarte kleur en omzet in warmte (Butler et al., 2005). De afwezigheid van een rind bij scleroten van R. solani heeft geen impact op de overlevingsduur van scleroten die kan reiken tot 6 jaar (Coley-Smith en Cooke, 1971). Voorgenoemde omgevingsparameters kunnen echter wel een impact vertonen op het doorbreken van de dormantie van de scleroten. Dat scleroten resistent zijn, betekent niet dat ze onverwoestbaar zijn. In de bodem leeft een heuse samenleving van micro-organismen en sommige kunnen scleroten parasiteren, zoals Trichoderma spp., of vertonen ander antagonistisch gedrag, zoals vele bacteriën. Er werd reeds aangetoond dat het toevoegen van organisch materiaal aan de bodem negatief inwerkt op de levensvatbaarheid van scleroten (Bonanomi et al., 2010; Sneh et al., 1996; Croteau en Zibilske, 1998). 6 Organisch materiaal stimuleert immers de bodempopulatie en dus ook de parasieten en antagonisten. Organisch materiaal zorgt ook voor optimale omstandigheden voor R. solani, die een facultatieve saprofyt is, en stimuleert bijgevolg ook het verval van scleroten op directe wijze door uitgelokte kieming (Coley-Smith en Cooke, 1971). Scleroten beschermen zich extra, naast de celwand uit melanine, door de productie van een donkerkleurig exudaat uit fenolen, carboxylzuren, koolwaterstoffen, vetzuren en aminozuren dat antifungale en fytotoxische eigenschappen heeft (Aliferis en Jabaji, 2010). Scleroten kunnen twee soorten dormantie bezitten, endo- en ecodormantie. De eerstgenoemde behoedt de scleroten voor kieming door factoren die uit de scleroot zelf bepaald worden. Dit zorgt ervoor dat niet alle scleroten gelijktijdig kiemen en kans op afsterven lopen. R. solani is enkel onderhevig aan de tweede vorm van dormantie, de ecodormantie, die ervoor zorgt dat scleroten enkel kiemen in omstandigheden waarin groei mogelijk zou zijn. Hoewel scleroten sterk gemelaniseerde celwanden bezitten, blijven zij permeabel voor moleculen en kunnen zodoende signalen, zoals O2 en specifieke biochemische componenten bijv. wortelexudaten en stoffen uit organisch materiaal ontvangen (Coley-Smith en Cooke, 1971). R. solani kan echter ook kiemen zonder de aanwezigheid van uitwendige energiebronnen (Liu et al., 2011). 2.2.4. Bestrijding R. solani is alomtegenwoordig. Omwille van zijn zeer breed gastheerspectrum, zijn overleving met persistente scleroten en capaciteit om te overleven in diverse omstandigheden, is de bestrijding een moeilijke zaak (Grosch et al., 2006). Een geïntegreerde aanpak dringt zich op waarbij chemische, biologische en cultuurmaatregelen samen gehanteerd worden. 2.2.4.1. Cultuurmaatregelen Het is voor een pathogeen veel gemakkelijker om grote schade te berokkenen in een systeem dat verstoord is. Goede landbouwpraktijken vormen daarom een van de fundamenten om de ziektedruk te verminderen. Wanneer bijvoorbeeld de drainage onvoldoende is, is het een goede zaak om deze te optimaliseren aangezien Rhizoctonia van vochtige omstandigheden houdt. Hoewel het gebruikelijk is in de slateelt om in monocultuur te werken, zou een vruchtwisselingsschema een gepaste strategie zijn om het vermogen van het inoculum te verminderen. In sla worden vooral AG1-1B en AG4 HGI gestimuleerd en een ander gewas zou andere groepen stimuleren. De diversificatie binnen R. solani verhindert het uitgroeien van enkele stammen tot oncontroleerbaar hoge proporties, maar zorgt niet voor eliminatie van het probleem (Agrios, 2005). Telers die enige vorm van rotatie toepassen, bijvoorbeeld met bloemkool of preizaailingen, merken een afname in smetverliezen in het daaropvolgend slagewas (De Storme, persoonlijke communicatie). Andere auteurs benadrukken de mogelijkheid om via monocultuur een specifieke antagonistische populatie op te bouwen. Een afname van de ziekte door R. solani werd reeds aangetoond in monoculturen van tarwe, suikerbieten, aardappelen en bloemkool (Weller et al., 2002; Anees et al., 2010; Postma et al., 2010; Sneh et al., 1996). Resistente variëteiten zijn niet voorhanden (Grosch et al., 2006; Sneh et al., 1996). Het is extreem moeilijk om via veredeling tot resistente variëteiten te komen, door de hoge diversiteit en het weinig specifiek parasitisme van de pathogeen. Er zijn echter wel verschillen in tolerantie tegenover R. solani in sla waargenomen, maar deze kon via veredeling niet vastgelegd worden (Leach en Garben, 1970). Tot slot dienen de slaplantjes zodanig geplant te worden dat hun bladeren zo lang mogelijk de grond niet raken en in zo optimaal mogelijke conditie zijn (Agrios, 2005). 7 2.2.4.2. Chemische controle Tot 2006 werd door telers frequent gebruik gemaakt van het bodembesmettingsmiddel methylbromide. Het werkingsspectrum van dit uit de rekken genomen middel is zeer breed. Met een enkele tweejaarlijkse behandeling slaagde men erin om onkruiden, aaltjes en pathogene schimmels te onderdrukken. Door de beperkte fytotoxiciteit werd er amper schade berokkend aan het gewas. De huidige fumigantia, zoals chloorpicrine, 1,3-D, dazomet en metam-natrium, werken niet zo efficiënt tegenover bodemgebonden plagen en slagen er minder in de scleroten van R. solani te doden. Daarenboven hangt ook voor deze producten de afschaffing boven het hoofd. Ontsmetten door middel van solarisatie is enkel mogelijk in mediterrane streken en met stoom ontsmetten is duur omwille van investerings- en energiekost. Naast fumigantia zijn er ook producten op de markt die curatief symptomen kunnen bestrijden. Deze fungiciden, waaronder Rovral, Internum, Rizolex en Signum baten enkel bij beperkte ziektedruk en zijn niet in staat om de bron van de ziekte, namelijk scleroten en mycelium in de bodem, af te doden (Fytoweb, z.d.). Daarenboven is sla een rauw gegeten bladgroente en is er dus een groot risico voor residuen. Daarom wordt er ook vanuit de distributiesector druk uitgeoefend om het gebruik van chemische middelen af te bouwen (Van Beneden et al., 2011). 2.2.4.3. Biologische controle De bodempopulatie is allerminst een vreedzame samenleving. In de bodem wordt keihard geknokt voor plaats en nutriënten en ontwikkelen organismen wapens om elkaar de dieperik in te sturen. Wanneer een organisme zo’n bewapening heeft die effectief is tegen een pathogeen, zou deze kunnen aangewend worden als biopesticide. De wapens zijn grosso modo onder te brengen in vier categorieën: competitie, parasitisme, antibioticaproductie en aanmaak van biosurfactans. Er worden ook organismen ontdekt met nieuwe wapens zoals bijv. het vermogen om het DNA van bacteriën te wijzigen (de Boer et al., 2005). Naast het vermogen van micro-organismen om elkaar te schaden, bezitten andere dan weer het vermogen om de resistentie van de plant te verhogen (Raaijmakers et al., 2009). Hoewel er een heel breed spectrum is van bacteriën en schimmels met antagonistische of plantengroei bevorderende activiteit, wordt maar een minimaal deel op commerciële basis gebruikt als biopesticide (Fravel, 2005). Ter bestrijding van R. solani in sla in België worden in de praktijk geen biologische middelen ingezet, hoewel Trianum-P®, een product op basis van de parasitaire schimmel Trichoderma harzianum T22, wel aangeprezen staat als werkzaam in sla (Van Beneden, 2009 & 2011; Fytoweb, z.d.). Tegen S. sclerotiorum en S. minor kan men aan de slag gaan met Contans® (Coniothyrium minitans) en ook tegen Botrytis cinera kan men biologisch behandelen met bijv. Prestop® (Gliocladium catenulatum) (Fytoweb, z.d.). Hoewel er geen commercieel beschikbare middelen zijn, wordt er veel onderzoek gedaan naar biological control agents (BCA). De weg tot nieuwe commerciële producten is evenwel nog lang. Verticillium biguttatum is een efficiënte mycoparasiet van R. solani AG3 op aardappel en zou misschien ook werkzaam kunnen zijn tegen andere AG’s (Grosch et al., 2006). Ook aan het labo van Fytopahtologie te Gent wordt er onderzoek gedaan op Verticilium tricorpus als biologische bestrijder (Deketelaere, Tyvaert, persoonlijke communicatie). Enkele veel belovende bacteriën zijn isolaten van 8 Pseudomonas spp., Serratia plymuthica en Bacillus subtilis (Scherwinski et al., 2008; Fiddaman et al., 2000; Faltin et al., 2004, D’Aes et al., 2011; Raaijmakers et al., 2006). Nieuwe BCA’s zouden ook uit minder verwachte organismen ontwikkeld kunnen worden, zoals bijv. dubbelstrengig RNA-virus “Rhizoctonia decline” dat de overlevingskracht en virulentie van R. solani aantast of een mycoparasitair aaltje (Agrios, 2005). Nieuwe BCA’s worden gezocht in bodems met verlaagde ziekte-incidentie, voornamelijk in de fylloen rhizosfeer. Ook endofytische organismen kunnen in aanmerking komen. Men tracht ook te selecteren naar de stoffen die hun antagonistische werking kunnen verklaren zoals enzymen, plantgroei stimulatoren, sideroforen…. Daarnaast focust onderzoek zich o.a. op het bepalen van de optimale gemengde aanwending en ecologische voorwaarden (Fravel, 2005; Grosch et al., 2006). Een biologisch systeem is steeds onderhevig aan hoge variabiliteit en zodoende schommelt ook de effectiviteit van biologische bestrijdingsmiddelen. Men kan de variatie in werkingskracht proberen uitvlakken door de omgevings- en ecologische voorwaarden zo dicht mogelijk tegen de optimaal werkzame te brengen. Het ontwikkelen van nieuwe commercieel beschikbare biologische middelen is een zeer langzaam proces. Niet alleen verloopt de selectie naar nieuwe BCA’s moeizaam wegens inconsistentie van in vitro en in vivo resultaten, ook is het vaak economisch moeilijk te verantwoorden. De te korte shelflife, de nichemarkten, de moeizame productie en de grote kost voor registratie zijn factoren die het vaak niet rendabel maken om gevonden antagonisten ook effectief op de markt te brengen (Fravel, 2005). Wanneer de definitie van biologische bestrijdingsmiddelen opengetrokken wordt, komen veel meer mogelijkheden tevoorschijn. De stoffen die antagonisten produceren kunnen ook zonder het organisme zelf aangewend worden als bijv. mycofungicide of plantresistentie-induceerder. Daarnaast kunnen de antagonisten die reeds aanwezig zijn in de microbiële bodempopulatie gestimuleerd worden door gebruik te maken van goede cultuurtechnieken of door toevoeging van bodemsupplementen. Hierop is de aanwending van organische materialen en het hier verder onderzochte lignine gebaseerd. 2.2.4.4. Geïntegreerde bestrijding Sinds geruime tijd wordt er in de gewasbescherming de aandacht gevestigd op een geïntegreerde aanpak. Verschillende beheersingsmethodes worden gecombineerd om een zo breed mogelijk werkingsspectrum te beslaan. Door te meten wordt nattevingerwerk vermeden en kan minimale behandeling bereikt worden (Bonanomi et al., 2010). Bij de geïntegreerde aanpak hoort ook het bevorderen van de bodemweerbaarheid. 9 2.3. Bodemweerbaarheid 2.3.1. Enkele begrippen en standaardconcepten Bodemweerbaarheid werd reeds door velen gedefinieerd, maar de definitie van Baker en Cook (1974) kan beschouwd worden als de meest algemene. Deze luidt: “soils in which the pathogen does not establish or persist, establishes but causes little or no damage, or establishes and causes disease for a while but thereafter the disease is less important, although the pathogen may persist in the soil.” De definitie beschrijft de weerbaarheid tegenover de ziekte en tegenover de pathogeen. Weerbaarheid tegenover de pathogeen wordt bekomen door de vermindering van de saprofytische groei en de overleving van de pathogeen. De onderdrukking van de ziekte houdt, naast de onderdrukking van de pathogeen, ook de afweer van de plant, de vermindering van parasitair groeiende pathogenen en hun pathogeniteit in (Weller et al., 2002; Termorshuizen en Jeger, 2008; Sneh et al., 1996). De onderdrukking van de pathogeen draagt bij tot de onderdrukking van de ziekte, maar vormt geen voldoende voorwaarde voor ziekteonderdrukking (Termorshuizen en Jeger, 2008). De weerbaarheid die bodems hebben tegenover pathogenen en ziektes kan zowel aan hun fysischchemische als aan hun biologische eigenschappen gelegen zijn. Bodems verliezen hun weerbaarheid grotendeels na gamma bestraling of autoclavering. De gesteriliseerde bodems kunnen deze weer gedeeltelijk herinstalleren door inoculatie met een fractie niet-geautoclaveerde bodem. Omwille van die redenen wordt aanvaard dat de weerbaarheid voornamelijk te danken is aan de aanwezige micro-organismen en dat de fysisch, chemische factoren er minder toe doen (Thuerig et al., 2009; Mendes et al., 2011; Postma et al., 2010). De fysisch-chemische factoren kunnen natuurlijk de bodempopulatie beïnvloeden en op die wijze een aanzienlijke impact hebben (Figuur 3) (Weller et al., 2002; Mazzola, 2004). Een bodem die weerbaarheid vertoont tegenover een pathogeen, doet dat niet per se voor alle pathogenen. Men kan onderscheid maken tussen specifieke en algemene bodemweerbaarheid (Bonanomi et al., 2010; Termorshuizen en Jeger, 2008; Weller et al., 2002). Algemene of niet specifieke weerbaarheid wordt ook biologische buffering van bodems genoemd. Zij is eigen aan de bodem en zijn geschiedenis en is niet overzetbaar naar minder weerbare bodems. Algemene bodemweerbaarheid wordt bevorderd door het toevoegen van organisch materiaal, door goede cultuurpraktijken en vruchtbaarheid van de bodem. Het voornaamste werkingsmechanisme berust op fungistasis. Fungistasis is een mechanisme waarbij schimmelpropagules verhinderd worden te kiemen of te groeien. Vaak wordt deze bereikt door een tekort aan nutriënten door hoge metabolische activiteit in de bodem of door secundaire metabolieten met antifungale werking (Termorshuizen en Jeger, 2008; Garbeva et al., 2011). Fungistasis heeft in feite een duaal effect. Enerzijds onderdrukt fungistasis de pathogenen, anderzijds bevordert het de overlevingscapaciteit van de pathogeen (Garbeva et al., 2011). 10 Via specifieke bodemweerbaarheid worden enkele specifieke pathogenen onderdrukt. Specifieke groepen van micro-organismen die actief zijn tegen een zeker stadium in de levenscyclus van de pathogeen zorgen hiervoor. Deze vorm van weerbaarheid kan wel overgezet worden naar andere bodems (Weller et al., 2002). Amensalisme, parasitisme, predatie en competitie vormen de voornaamste mechanismen van specifieke bodemweerbaarheid (Termorshuizen en Jeger, 2008). Figuur 3: De niveaus van bodemweerbaarheid tegenover een pathogeen na verschillende bodembehandelingen. Een gesteriliseerde bodem bezit enkel de weerstand door abiotische factoren (gespikkeld deel). De algemene bodemweerbaarheid (zwart deel) wordt voornamelijk verzorgd door organismen die snel de bodem weer zullen koloniseren na ontsmetting. Een onbehandelde bodem geniet boven deze eerste twee factoren ook van de specifieke weerstand (wit) (Termorshuizen en Jeger, 2008). Uiteraard sluit de ene vorm van weerbaarheid de andere niet uit. Er bestaat er een continuüm gaande van bodems met bijna uitsluitend specifieke weerbaarheid tot bodems met enkel de algemene vorm. Bodems kunnen ook verschillende intensiteit van weerbaarheid bezitten (Weller et al., 2002). De weerbaarheid van de bodem is niet uniform in tijd en ruimte. In de rhizosfeer van de plant kan zich een totaal andere populatie van organismen bevinden. De plant wapent zich tegen bodempathogenen door rondom haar wortels een specifieke bodempopulatie te scheppen. Daarnaast bezit de rhizosfeer ook een aandeel organismen die eigen zijn aan de bodem zonder invloed van de plant (Termorshuizen en Jeger, 2008). De bodempopulatie varieert ook naar gelang het seizoen, het groeistadium van de plant en de beschikbaarheid van koolstof en stikstof (Scherwinski et al., 2008). Onderstaand schema (Figuur 4) kan helpen om het overzicht van verschillende vormen van de weerbaarheid te bewaren. Dit is echter een vereenvoudiging van de werkelijke weerbaarheidsystemen en veel uitzonderingen en overlappingen kunnen voorkomen. 11 Figuur 4: Schema van de biologische component van bodemweerbaarheid Hornby (1983) deelt weerbare bodems in twee types. Enerzijds heb je de bodems met ‘Longstanding suppressiveness’. Deze bestaat uit de biologische toestand die van nature aanwezig is in de bodem, ook zonder de aanwezigheid van het gewas. ‘Induced suppression’ anderzijds wordt geïnitieerd door de aanwezigheid van het gewas, zeker bij monocultuur. In sommige velden met monocultuur wordt na een ernstige uitbraak van de ziekte de weerbaarheid van de bodem geïnduceerd. De ziekte neemt in het volgende gewas dan ook af. Dit fenomeen staat bekend onder de naam Rhizoctonia Disease Decline (RDD). Het mechanisme van RDD kan berusten op veranderende abiotische factoren zoals de temperatuur, neerslag en instraling, maar is veel waarschijnlijker te verklaren door biologische factoren. Er zijn verschillende verklaringen. Allereerst kan de propagule densiteit afnemen. R. solani kan zijn kwaliteiten als pathogeen verliezen door verlies aan pathogeniteit of door het vermogen om nieuwe propagules aan te maken te verliezen. De afname van de levensvatbaarheid van de aanwezige propagules is een andere optie. De aanwezigheid van de pathogeen, een geschikte gastheerplant en antagonisten lijken een noodzaak voor het optreden van RDD (Hyakumachii, 1996). De bodempopulatie wordt continu opnieuw samengesteld door de inwerking van selectiemechanismen. Ruwweg kan men selectiestrategieën van organismen in twee groepen splitsen. R-selectie promoveert die organismen die zich rijkelijk voortplanten en in onstabiele omgevingen de bovenhand houden. Onder K-selectie vallen de organismen die meer investeren in minder nageslacht en de omgeving kunnen koloniseren door middel van competitie (MacArthur en Wilson, 1963). R. solani is duidelijk een pathogeen die bij K-selectie bevoordeeld wordt. Pathogenen die overleven op basis van r-selectie, zoals Pythium spp. zijn gemakkelijker te controleren d.m.v. de algemene weerstand van de bodem. R. solani lijkt maar zeer beperkt onderdrukt te worden door de algemene weerbaarheid (Termorshuizen en Jeger, 2008). 12 De bodem vormt een heel complex kluwen van verschillende actoren zoals bacteriën, schimmels en planten met allemaal interacties zodat deze zeer moeilijk, haast onmogelijk, in kaart te brengen zijn (de Boer et al., 2005; Weller et al., 2002). Brede, systeemoverspannende methoden zijn nodig om de factoren te kunnen bepalen die het meest bijdragen aan de weerbaarheid. Aan de hand van deze zou de weerbaarheid van de bodem kunnen geschat worden en deze informatie gebruikt voor het beheer van bodems (Mazzola, 2004). 2.3.2. Bodemweerbaarheid analyseren Om de bodemweerbaarheid te schatten meten wetenschappers allerhande parameters. Men kan deze parameters opsplitsen in twee groepen: chemisch/fysische en microbiologische. De microbiologische zijn door de band genomen veel krachtiger te correleren met bodemweerbaarheid en worden dus het meest opgemeten (Bonanomi et al., 2010). Al poneert Van der Wurff (2010) dat bij Verticilium dahlia slechts 40% van de bodemweerbaarheid te wijten is aan biologische factoren. Hij blijft een enkeling in de literatuur die zo’n verhouding verdedigt. 2.3.2.1. Chemisch/ fysische parameters Hoewel chemische parameters vaak een zeer beperkte correlatie vertonen, varieert de correlatie tussen verschillende pathosystemen. Gemeten parameters hebben betrekking op de minerale samenstelling (K, Ca, P, EC), de aanwezigheid van stikstof in allerlei vormen (ammonium, ammoniak, nitraten, C/N ratio en totaal N), pH en % organische stof. De C/N ratio wordt vaak gebruikt in relatie met de aanwending van organisch materiaal (zie paragraaf 2.3.3). Op R. solani heeft enkel de pH, het ammonium en nitraat gehalte een (negatieve) correlatie met onderdrukkend vermogen (Bonanomi et al., 2010). Liu et al. (2011) noteerden onder de onderzochte bodems enkel bij deze met lage pH een goede weerbaarheid. De fysische parameters die vaak in correlatie met weerbaarheid worden gebracht, bestaan uit structuur, bodemdichtheid, textuur en waterverzadigdheid. Het aantal en de grootte van niet waterverzadigde poriën is een van de voornaamste criteria voor de verspreiding van de pathogeen (Raaijmakers et al., 2009; Postma et al., 2010). Nerey et al. (2010) bemerkten bij gesteriliseerde bodems verschillen in de weerbaarheid tegenover R. solani op bonen. De verschillen zouden dus te wijten zijn aan abiotische factoren. Ook al legt men in de literatuur een grotere nadruk op biologische parameters, dient het belang van de abiotische niet onderschat te worden. Het vermogen van een enkele parameter om te correleren met de bodemweerbaarheid kan laag zijn omdat de weerbaarheid bepaald wordt door een samenspel van verschillende factoren. 2.3.2.2. Microbiologische parameters De diversiteit van de microbiële gemeenschap en zijn capaciteiten weerspiegelen zich in een bijna even breed spectrum aan analysemethoden. De algemene microbiële activiteit kan geschat worden aan de hand van de algemene respiratie van het substraat of FDA-analyse (Fluorescein diacetaat activiteit). Bij de laatstgenoemde techniek wordt de hydrolyse van niet specifieke enzymen zoals lysases, proteases en esterases gemeten. De analyse van de algemene respiratie toont de intensiteit van het aeroob metabolisme (Bonanomi et al., 2010). De totale respiratie is de beste maat voor de algemene weerbaarheid (Hoitink en Boehm, 1999). 13 Het totaal metabolisme geeft info over de intensiteit van activiteit in de bodem, maar het loont ook om te kijken welke activiteiten optreden. De analyse van specifieke enzymatische activiteit kan informatie verstrekken over de afbraak van bijv. organisch materiaal, fungiciden, zware metalen of lignine. Bij de zoektocht naar BCA’s, is een analyse van het enzymatisch vermogen ook belangrijk. Grosch et al. (2006) nam waar dat de bacteriële stammen met de hoogste activiteit tegenover R. solani voornamelijk veel glucanolytische en proteolytische enzymen produceerden en slechts sommigen chitinases. De enzymatische karakteristieken van individuele organismen kunnen opgeschaald worden naar de karakteristieken van een microbiële populatie die weerbaarheid ondersteunt. Een bodempopulatie met hoge productie aan β-glucanase, chitinase en proteases zou bijgevolg agressiever zijn ten opzichte van pathogene schimmels (Grosch et al., 2006; de Boer et al., 2005). De enzymen β-glucosidase, dehydrogenase, fosfatase, urease, ATP- en NGA- glucosaminase vertonen elk positieve correlaties met bodemweerbaarheid (Bonanomi et al., 2010). Deze enzymen kunnen verband houden met de afbraak van celwanden of met het blokkeren van virulentiefactoren van pathogenen (Raaijmakers et al., 2009). De enzymen die melanine kunnen afbreken vormen ook een belangrijke groep enzymen. Mn-peroxidase en laccase zijn de voornaamste (de Boer et al., 2005). De volledige bodempopulatie produceert een amalgaam aan verschillende enzymen. Via de methode ontwikkeld door Biolog kan een profiel van het metabolisch vermogen van een populatie worden verkregen. Het profiel wordt gecreëerd aan de hand van het verbruik van verschillende koolstofbronnen (Preston-Mafham et al., 2002). Via PLFA (phospholipid fatty acid analysis) kan de samenstelling van de microbiële populatie in grote groepen (Gram -, Gram +, schimmels en Actinomyceten) ontleed worden. Het totaal aan geëxtraheerde fosfolipiden is een maat voor de totale microbiële biomassa (Zelles, 1997 en 1999). DNA gebaseerde methoden, zoals T-RFLP (PérezPiqueres et al., 2005) en DNA arrays (bijv. PhyloChip een 16S rDNAn oligonucleotide microarray) zouden eventueel een alternatief voor PLFA-analyse kunnen vormen (Mendes et al., 2011). Deze kunnen niet in cultuur te brengen organismen detecteren, maar dit zijn veelal dure technieken. Veel mogelijkheden zijn in de praktijk nog beperkt door de gelimiteerde beschikbaarheid van primers. Met genetische methoden kan men zowel naar de samenstelling van de populatie kijken (primers gebaseerd op rRNA) als de functionaliteit (primers van functionele genen) (Mazzola, 2004). Parameters die zich beperken tot de samenstelling van de populatie zonder de enzymatische karakteristieken te betrekken hebben vaak een ontoereikend vermogen tot het schatten van de bodemweerbaarheid (Bonanomi et al., 2010). De aanwezigheid van specifiek onderdrukkende organismen zoals fluorescente Pseudomona spp., Actinomyceten en Trichoderma spp. of andere mycoparasitaire schimmels is eveneens determinerend voor een weerbare bodem (Bonanomi et al., 2010). Deze kunnen via klassieke cultuurgebaseerde methoden, zoals isolatie, uitplating en duale cultuurtesten voor antagonisme geanalyseerd worden. De meest significant te detecteren antagonisten worden hieronder verder behandeld. 14 Trichoderma spp. Trichoderma (Figuur 5) zijn goed bestudeerde bodemgebonden ascomyceten met een breed nutsspectrum. Ze worden ingezet voor de productie van cellulase voor o.a. de biobrandstofindustrie, voor de veilige productie van enzymen en antibiotica en als modelorganisme. Daarnaast worden zij wegens hun mycoparasiterend vermogen als biofungicide ingeschakeld. Van het genus Trichoderma (Telemorf: Hypocrea) waren er in 2006 zo’n 100-tal soorten vastgesteld, maar wegens foute identificaties en gebruik van verschillende identificatietechnieken bestaat er nog veel verwarring (Druzhinina et al., 2006). Drie voorname soorten zijn echter duidelijk gekarakteriseerd wegens hun gekend genoom: de voor de industrie belangrijke T. reesei, die wordt aangewend voor de productie van cellulase en heterologe enzymen en de mycoparasieten T. atroviride en T. virens (Schuster en Schmoll, 2010). De voornaamste commercieel uitgebrachte mycoparasiet is T. harzianum. Er zijn echter nog andere specifieke parasieten van R. solani zoals Trichoderma hamatum (Harman et al., 2004). Het succes van Trichoderma is te danken aan hun groot vermogen om de omgeving te koloniseren. Dit doen ze door efficiënt gebruik te maken van het aanwezige celluloseachtig substraat en de secretie van enzymen en metabolieten. De secreties bestaan uit een heus gamma lytische en proteolytische enzymen, ABC transporter membranen, secundaire metabolieten en vluchtige organische stoffen die via een complex mechanisme van signaaltransductie gereguleerd worden. Trichoderma parasiteert in 5 fases. Eerst groeit hij op chemotrofe wijze richting gastheer (1) om zich dan bij aankomst rondom de hyfe van de gastheer te winden en appressoria aan te maken (2). Vervolgens worden celwanddegraderende enzymen geproduceerd (3) en na voldoende afbraak kan Trichoderma de gastheer penetreren (4). Uiteindelijk zal Trichoderma de hyfale inhoud degraderen en zal de geparasiteerde schimmel afsterven (5) (Schuster en Schmoll, 2010; Vinale et al., 2009; de Boer et al., 2005). Het parasitisme van T. virens is verschillend tussen scleroten met rind (zols Sclerotinia spp.) en R. solani die scleroten bezit met uniforme opbouw. Bij R. solani groeide het parasiterend mycelium intercellulair, maar uniform doorheen de scleroot, terwijl bij Sclerotinia ze een mat vormde net onder de rind. Na de intercellulaire invasie van de scleroot van R. solani penetreert T. virens ook de individuele cellen. Door het overleven van enkele cellen kan de scleroot van R. solani zijn levensvatbaarheid gemakkelijk behouden (Liu et al., 2010). Trichoderma beperkt zich niet tot bilaterale acties van micro-organisme tot micro-organisme, maar treedt ook op in de plant-pathogeen interacties als opportunistische plant symbiont die de gezondheid van de plant versterkt. Dit gebeurt door het stimuleren van de systemische weerstand van de plant en door het verbeteren van de wortelgroei (Schuster en Schmoll, 2010). 15 A B Figuur 5: A: Uitgeplaatte Trichoderma spp. Vanuit geparasiteerde scleroten van R. solani AG1-1B. De witte puntjes zijn Fusarium (eigen foto). B: microscopisch beeld van Trichoderma die zich bij parasiterende actie wikkelt omheen een hyfe van R. solani (RSF, 2011) Actinomyceten Deze bacteriën vormen door hun pseudo-hyfale groei de tussenvorm van bacteriën en schimmels. Door de groei als kettingen van bacteriën kunnen Actinomyceten, net als schimmels, vlotter bodems koloniseren. Wanneer de pH van de bodem eerder alkalisch wordt, worden zij tegenover schimmels bevoordeeld (de Boer et al., 2005). Streptomyces is het voornaamste genus en wordt regelmatig gerapporteerd als antagonistische bacterie tegenover R. solani (Postma et al., 2010). Actinomyceten zijn in staat om antibiotische componenten en celwanddegraderende stoffen te produceren (Tuitert et al., 1998; Mazzola et al., 2001; Sneh et al., 1996). Sommige Actinomyceten bewerkstelligen ziekteonderdrukking ook langs endofytische wijze. S. griseoviridis K61 wordt onder de naam Mycostop als biologisch bestrijdingsmiddel gebruikt voor bodemgebonden pathogenen (Fravel, 2005; fytoweb). De aanwezigheid van Actinomyceten wordt vaak gecorreleerd met een hogere weerbaarheid van de bodem (Van Beneden, 2009; Postma et al., 2010). Er zijn ook Actinomyceten die een pathogeen voor planten vormen (Weller et al., 2002). Andere bacteriële groepen In bodems die hogere weerbaarheid vertonen tegenover R. solani op suikerbiet vormen γ- en β-Proteobacteria en Firmicutes de meest gedetecteerde groepen (Mendes et al., 2011). Bij de eerste groep behoren o.a. de fluorescerende Pseudomonas die rijkelijk onderzocht worden naar hun potentie als BCA. Ook de Burkhorderiaceae en Xanthomanodales bevatten organismen met een grote rol in de bodemweerbaarheid. Onder de Firmicutes zijn het de (sporenvormende) Lactoballici die de weerbaarheid van de bodem uitmaken (Mendes et al., 2011). In Nederland beschouwt men kleigronden als gronden met grotere weerstand tegen R. solani in bloemkool. De antagonistische bacterie Lysobacter, die alleen in Nederlandse polders terug te vinden is, lijkt hiervoor te zorgen (Postma et al., 2010). Het is belangrijk om in te zien dat geen enkele geïsoleerd organisme of variabele voldoende is om de weerstand tegenover R. solani te verklaren (Postma et al., 2010). Tot op heden is er geen tool beschikbaar om de bodemweerbaarheid (zij het algemeen of specifiek) tegenover R. solani te bepalen. Scheuerell et al. (2005) en Termorshuizen et al. (2006) benadrukken de moeilijkheid om voor R. solani het specifiek onderdrukkingsvermogen van de bodem te bepalen omwille van de grote variabiliteit in pathogeniteit van R. solani. 16 2.3.3. Stimulatie van de bodemweerbaarheid met organische bodemsupplementen Ter verbetering van de bodemweerbaarheid wordt vaak beroep gedaan op organische bodemsupplementen. Voor de beheersing van R. solani worden zowel compost, chitinebronnen, als niet gecomposteerd plantaardig materiaal en afvalmaterialen gebruikt. Organische stof kan bijdragen aan de weerstand van de bodem, maar werkt vaak heel pathogeenspecifiek en heeft een variabele werking naargelang de tijd van afbraak, de kwaliteit van het product en de aanwezige microbiële populatie (Bonanomi et al., 2010). Ondanks het inconsistente ziekteonderdrukkend vermogen van organisch materiaal, wordt in ongeveer 50% van de gevallen een merkbare verbetering van de ziekteonderdrukking waargenomen (Bonanomi et al., 2010; Termorshuizen et al., 2006). De variabiliteit in werkzaamheid zorgt voor een praktische beperking om deze aan te wenden als ziektebeperkend medium. 2.3.3.1. Compost Compost wordt verkregen door organisch materiaal op aerobe wijze af te breken. Organisch materiaal wordt omgezet tot chemisch stabiele moleculen. Aanwezige pathogenen en onkruidzaden worden afgedood door de hoge temperaturen tijdens het composteringsproces. Compost is een heel heterogeen product door het verschil in startmateriaal, composteringsmethode en leeftijd van de compost (Tuitert et al., 1998; Hoitink en Boehm, 1999). Rijpe compost heeft weinig snel afbreekbaar materiaal en een stabiele microbiële populatie. De aanwezigheid van vele BCA’s, zoals Trichoderma spp. verbetert de kwaliteit van de compost. Hoewel de aanwezigheid van BCA’s bevorderlijk is, verbetert compost voornamelijk de algemene bodemweerbaarheid door de verhoging van de microbiële activiteit (Scheuerell en Mahaffee, 2005; Termorshuizen en Jeger, 2008; Pérez-Piqueres et al., 2006). In slechts 20% van onderzochte gevallen draagt compost werkelijk bij aan de onderdrukking van R. solani. Een vrij nauw spectrum van BCA’s bestrijdt R. solani en meerdere van deze moeten aanwezig zijn in de compost om bij te kunnen dragen aan de weerbaarheid. Compost die gemaakt is van lignocellulose-rijk materiaal had een hoger aandeel aan Trichoderma spp. en had het vaakst positieve effecten (Hoitink en Boehm, 1999). In de tuinbouw wordt getest met de gecombineerde toediening van een compostextract en Trianum. Het compostextract zou de bodempopulatie moeten versterken en Trianum de specifieke weerbaarheid door de aanlevering van de mycoparasiet Trichoderma. De eerste resultaten lijken succesvol (Boonekamp, 2011). 2.3.3.2. Chitine De celwand van schimmels is opgebouwd uit chitine. Mycofage organismen en chitinolytische bacteriën worden gestimuleerd door toevoeging van chitine en kunnen bodempathogene schimmels onderdrukken. De methode heeft echter te kampen met enkele beperkingen. Chitine is een stof met erg lage C/N, waardoor er een overbemestingseffect optreedt en het risico op uitspoeling toeneemt. Het hoog gehalte aan beschikbare stikstof werkt sommige pathogenen in de hand en de hele populatie van bodemorganismen schuift op naar minder competitieve soorten (Verstegen, 2010). 17 2.3.3.3. Groenbemesters en dierlijke mest Er bestaan veel verschillende groenbemesters en vormen van dierlijke mest. Door hun verschillende eigenschappen kunnen ze totaal uiteenlopende effecten hebben op ziekteonderdrukking. De C/N ratio van organische bodemsupplementen wordt vaak aangehaald als parameter, maar geeft slechts een beperkt inzicht in de weerbaarheid. Een hoge C/N put de beschikbare N-voorraad uit wegens N-fixatie en zorgt ervoor dat pathogenen minder kunnen groeien. De plant kan evenwel lijden onder een N-tekort (Hodge, 2004). Gewasresten en mest met lage C/N kunnen een hoger gehalte aan giftig ammonium en nitraten geven bij de afbraak. Deze stoffen kunnen de scleroten van o.a. Verticilium dahliae afdoden. Het effect is zeer variabel tussen verschillende bodemtypes (Tenuta en Lazarovits, 2004). Stikstoffixeerders vormen een extra bron van N in de bodem en dit verhoogt de ziekte-incidentie van R. solani (Rothrock et al., 1995). Hoge N-gehaltes stimuleren de saprofytische groei (Papavizas en Davey, 1961). Wegens het sterk saprofytisch en competitief vermogen van R. solani, werkt vers ondergewerkt plantenmateriaal vaak net stimulerend voor R. solani. Pythium is daarentegen heel agressief in de primaire groei op dit nieuw substraat, maar wordt vlug weggeconcurreerd en wordt dus met betere resultaten onderdrukt door vers plantenmateriaal (Bonanomi et al., 2010). Pathogenen met een beperkt saprofytisch vermogen, worden met grotere consistentie onderdrukt door vers plantaardig materiaal. De in de bodem aanwezige propagules kiemen, maar sterven snel af door gebrek aan gastheer. Goed management met gepaste wachttijden is noodzakelijk (Bonanomi et al., 2010). Hoge gehaltes aan cellulose in groenbemesters en oogstresten kunnen inhiberend werken op de productie van celwandafbrekende enzymen door Trichoderma spp.. Hiermee verliezen zij hun parasiterend vermogen en profiteert R. solani van deze beschikbare cellulose (Hoitink en Boehm, 1999). Vele onderzoeken toonden een positief onderdrukkend effect op R. solani aan na toevoeging van o.a. luzerne, timothee, sorgum, boekweit, mais en haver (Croteau en Zibilske, 1998). De tegenstrijdigheid in de werking van groenbemesters kan verklaard worden door de sterke bodemafhankelijkheid van de werking. 2.3.3.4. Turf Turf is een frequent gebruikt medium in de tuinbouw. Het heeft een zeer klein ziekteonderdrukkend vermogen door het lage gehalte aan gemakkelijk afbreekbaar organische moleculen, cellulose en koolwaterstoffen en geen stabiele microbiële populatie. Deze lage gehaltes geven aanleiding tot een bacteriële gemeenschap die overheerst wordt door Gram positieve bacteriën, dewelke minder machtig zijn tot het onderdrukken van ziektes (Hoitink en Boehm, 1999). 2.3.3.5. Industriële bijproducten Het gebruik van organisch afval is vaak te vergelijken met groenbemesters wegens de beperkte afbraak van het product. Afvalstoffen kunnen een heus gamma aan uiteenlopende samenstellingen hebben. Landbouwgronden fungeren vaak als afzet voor deze producten die vaak zonder bewerking of onderzoek aangewend worden. Op zo’n manier kunnen zij de bodem ernstig vervuilen. Dit neemt niet weg dat, met juiste behandeling, er een groot potentieel schuilt in het gebruik van industriële bijproducten (Bonanomi et al., 2010). 18 2.4. Lignine 2.4.1. Eigenschappen en voorkomen Lignine is een heteropolymeer bestaande uit herhaalde entiteiten van de fenolische monomeren p-coumaryl alcahol, coniferyl alcohol en sinapyl alcohol. Deze eenheden worden in verschillende combinaties aan elkaar gesynthetiseerd en worden op rigide wijze verbonden met de (hemi)cellulose-fractie uit planten. De sterke binding maakt de (hemi)cellulosefractie onbereikbaar voor celluloseafbrekende organismen. Pas na tussenkomst van organismen met lignocellulotische eigenschappen, vaak schimmels, komt de cellulose ter beschikking van andere organismen. Het lignocellulosecomplex geeft rigiditeit aan de plant waardoor zij op land kan groeien (DeAngelis et al., 2011; Bugg et al., 2011; Thevenot et al., 2010). 2.4.2. De lignine - melanine hypothese Lignine is een moeilijk afbreekbare molecule en slechts weinig organismen zijn in staat om lignine af te breken. De voornaamste organismen die deze eigenschap bezitten zijn witrotschimmels. Dit zijn basidiomyceten die vaak parasiteren op bomen. Hun naam berust dan ook op de eigenschap om lignine af te breken en hierdoor het hout te verbleken (Höfte, 2010-2011). Nu blijken de enzymen voor de afbraak van lignine en melanine gelijkaardig te zijn. Witrotters kunnen dus van belang zijn in de afbraak van fungaal melanine. Het voornaamste geproduceerde enzym dat de afbraak van melanine bewerkstelligt, is Mn-peroxidase, in wetenschappelijke spreektaal vaak melaninase genoemd. Koper-afhankelijke laccase, haem-afhankelijk peroxidase en versatiele peroxidases zijn andere ligninolytische enzymen (Baldrian en Snajdr, 2006; Bugg et al., 2011). Door witrotters te stimuleren, zou de afbraak van melanine in scleroten bevorderd worden en zouden scleroten zo meer vatbaar worden voor biologische en abiotische stress. De hypothese werd voor het eerst voorgesteld door Subbarao et al. (1999). Hij nam een verminderde infectie door Verticilium dahlia in bloemkool waar na incorporatie van oogstresten van broccoli. De incorporatie van dit ligninerijk gewas werd geassocieerd met een verschuiving in de microbiële populatie, die de levensvatbaarheid van de microscleroten zou aantasten. Een deel van deze verschuiving omvatte een toename aan schimmels die betrokken zijn bij de lignineafbraak. In het labo van Fytopathologie (UGent) werd ook ondersteunende bewijskracht teruggevonden. Er werd aangetoond dat de incorporatie van Kraft Pine Lignine (een duur zijproduct van de papierindustrie bestaande uit zuivere lignine) in de bodem de levensvatbaarheid van de (micro)scleroten van Verticillium longisporum en R. solani kan verminderen. Het effect op de scleroten van R. solani was vergezeld van een stijging in de activiteit van het enzym Mn-peroxidase in de bodem (Debode et al., 2005; Van Beneden et al., 2010b). Ook op S. sclerotiorum werd reeds een negatief effect op de levensvatbaarheid van de scleroten waargenomen wanneer de grond met Kraft Pine lignine en Contans® samen behandeld werd (Van Beneden et al., 2010a). 19 Phanaerochaete chrysosporium is een van de meest bestudeerde witrotters. Om melanine afbraak te stimuleren, zou men zowel witrotters kunnen toedienen aan de bodem als hun overlevingskansen verhogen. Dit laatste kan bewerkstelligd worden door de toevoeging van ligninebronnen. Aangezien het een lange weg is om BCA’s te commercialiseren (zie paragraaf 2.2.4.3), en witrotters vaak al alomtegenwoordig zijn in bodems, zijn inoculaties vaak overbodig. Het stimuleren van de witrotters vormt echter geen oplossing op korte termijn. Het toedienen van ligninebronnen is een toepassing die pas na jaren tot een evenwicht zou moeten leiden tussen een minimaal sclerotenaantal en respectievelijke aanwezigheid van aanvallende witrotters (Butler et al., 2005). Witrotters zijn niet de enige bodemorganismen die lignine enzymatisch kunnen afbreken. Bugg et al. (2011) en DeAngelis et al. (2011) benadrukken het belang van bacteriën voor de afbraak van lignine. Bacteriën produceren een breder spectrum aan lignine afbrekende enzymen. De afbraak door bacteriën gebeurt vaak in een samenwerkingsverband tussen bacteriën en witrotters en in situaties waarin schimmelgroei onderdrukt wordt, zoals bij zuurstofloosheid (de Boer et al., 2005; De Angelis et al., 2011; Vicuña et al., 1993). Actinomyceten bezitten naast een parasiterend vermogen ook peroxidases die de beschikbaarheid van lignine stimuleren (Kirby, 2006; Bugg et al., 2011). Zij zijn voornamelijk goed in de afbraak van de ligninefractie in grassen (de Boer et al., 2005). Sommige ascomyceten waaronder Penicillium chrysogenum en Fusarium oxisporum bezitten ook ligninolytische eigenschappen (Falcon et al., 2005). Daarnaast kan ook de indirecte werking van enzymen afbraak van lignine of melanine veroorzaken. Melanine wordt aangetast door H2O2. Dit is een nevenproduct van het enzym glucose-oxidase dat geproduceerd wordt door bijvoorbeeld Aspergillus niger (Butler et al., 2005). De brede samenstelling van de populatie met ligninolytische eigenschappen benadrukt de nood om breder te kijken naar de lignine-melanine hypothese dan louter via witrotters en Mn-peroxidase. Eerdere experimenten waarbij lignine aan de bodem werd toegevoegd, toonden aan dat vooral schimmels, Gram negatieve bacteriën en Actinomyceten gestimuleerd worden. Die organismen zijn samen met Trichoderma spp. voorname antagonisten van R. solani (Postma et al., 2010; Bonanomi et al., 2010; Van Beneden et al., 2010b). Zowel de directe effecten van lignine op de groei van antagonisten als de indirecte (gestimuleerde groei door hogere aanwezigheid van makkelijk parasiteerbare scleroten) zijn nog verder uit te klaren (Van Beneden et al., 2010b). 20 3. Materiaal en methoden Deel A: De biotest 3.A.1. De proefopzet Er werd gewerkt met bodem uit de serre van Marc Cools (Passendale) die behandeld was met ofwel Monam ofwel Herbie 25 (2.3 kg m-2) of die onbehandeld was. De bodem werd verzameld op 16 september, 16 dagen na het uitplanten van de slaplantjes. R. solani houdt zich vooral op in de bovenste 10 cm van de bodem (Budge et al., 2009) en daarom werden enkele kroppen sla verwijderd en werd de bodem tot 15 cm verzameld onder en tussen de wortels. De bodem werd op 15 juli behandeld met Herbie en was tot daags voor uitplanten afgedekt met een plastiek zeil. De behandeling met Monam vond plaats op 18 augustus. Tussen het verzamelen en het gebruik werden de bodems in een gekoelde (7°C) en donkere ruimte bewaard. Voor alle biotesten werden plastieken bakjes van 16x11.5x6 cm gevuld met 400 ml bodem. Het vochtpercentage van de bodem werd naar het voorbeeld van Van Beneden (2009) gebracht tot 16.5% (w/w). Op het oppervlak van de gevulde bakjes werden ofwel zes vierkante slabladschijfjes gelegd ofwel drie rijen van kleine ronde slabladschijfjes (Figuur 6). De bakjes werden op gesloten wijze geïncubeerd in een groeikamer op 18-25°C, met 16/8 als lichtregime. A B Figuur 6: Illustratie van de biotest. A: De gesloten bakjes in de groeikamer vlak na opzet. B: test 3.A.4.2 De opbouw met rijen van kleine ronde slabladschijfjes werd gebruikt om de spreiding en de groeisnelheid van de pathogeen te schatten. De afgelegde afstand van R. solani werd geëvalueerd aan de hand van de afstand van de verrotting in de rijen bladschijfjes. In de biotesten met vierkante slabladjes werd het vermogen van de pathogeen bepaald via scoring van aangetaste oppervlakte van de slabladschijfjes. Na het opzetten van de proef werden dagelijks scores toegekend aan de slaschijfjes op basis van het per