Nederlandse vertaling handleiding QIS5 spreadsheet _versie–

advertisement
Informele vertaling van de CEIOPS handleiding:
Manual for the completion of QIS5 spreadsheet by
solo undertakings
Handleiding bij het invullen van het
QIS5 werkblad
(voor solo verzekeraars)
Wij attenderen u er nadrukkelijk op dat deze handleiding geen deel
uitmaakt van de formele QIS5 documentatie zoals uitgevaardigd door de
Europese Commissie. De handleiding is niet bedoeld – en doet dat ook niet
– ter vervanging van de QIS5 Technische Specificaties of welk ander
onderdeel ook van de QIS5 documentatie. De documentatie zoals
uitgevaardigd door de Europese Commissie is leidend.
Inhoudsopgave
Inleiding ................................................................................................................................3
Doel van deze handleiding...................................................................................................4
De uitgangspunten van Solvency II ....................................................................................6
Solvency II: 3-pijler structuur...............................................................................................6
Pijler 1: marktconsistente waardering en risicogevoelige kapitaaleisen ..............................6
Opstellen van de balans .....................................................................................................8
Discontering bij QIS5........................................................................................................11
Vereiste solvabiliteit..........................................................................................................14
SCR: modulaire benadering en equivalent scenario .........................................................17
Winstdeling en uitgestelde belastingen.............................................................................18
Eigen vermogen ...............................................................................................................20
Deelnemingen ..................................................................................................................21
De QIS5 werkbladen...........................................................................................................23
Overzicht van de QIS5 werkbladen...................................................................................23
Opzet van het QIS5 werkblad: waar staan de kern concepten in het werkblad? ...............23
Invullen van het QIS5 werkblad.........................................................................................29
Tabblad Participant .......................................................................................................29
Tabblad Valuation .........................................................................................................30
Tab SF MCR_G...............................................................................................................54
Resultaten...........................................................................................................................55
Indiening van de werkbladen.............................................................................................56
2/56
Inleiding
1.
Al enkele jaren wordt in Europees verband gewerkt aan een sterk herzien
en
verbeterd
stelsel
van
eisen
aan
verzekeraars
en
het
verzekeringstoezicht: Solvency II. De ontwikkeling van Solvency II wordt
regelmatig getoetst aan en ondersteund door zogeheten ´Quantitative
Impact Studies`- kortweg QIS. In 2010 wordt de vijfde Quantitative
Impact Study uitgevoerd: QIS5.
2.
De QIS5 studie wordt uitgevoerd door CEIOPS (Committee of European
Insurance and Occupational Pensions Supervisors), op verzoek van de
Europese Commissie. Dit verzoek is geformuleerd als een zogeheten ‘Call
for Advice’ van de Europese Commissie aan CEIOPS. CEIOPS heeft een
belangrijke adviserende rol bij de totstandkoming van Solvency II. De
Technische Specificaties die dienen te worden gebruikt voor QIS5 zijn
echter uitgevaardigd door de Europese Commissie.
3.
De documenten voor de QIS5 studie zijn beschikbaar op de website van de
Europese toezichthouders: www.ceiops.eu. Vanuit technisch oogpunt zijn
de belangrijkste documenten een uitgebreide Technische Specificaties,
met bijlagen, en een aantal werkbladen en kwalitatieve vragenlijsten die
dienen te worden ingevuld door (her)verzekeraars en groepen.
4.
QIS5 toetst de financiële positie van individuele verzekeraars (‘solo’) die
voor de berekening van de solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR: solvency
capital requirement) gebruik maken van de Standaard Formule. QIS5
strekt zich ook uit tot verzekeringsgroepen en tot individuele verzekeraars
en verzekeringsgroepen die voornemens zijn om goedkeuring te vragen
voor het gebruik van een volledig of partieel intern model voor de bepaling
van de SCR.
5.
Uit eerdere QIS exercities is gebleken dat de omvang van de bijbehorende
documenten en het feit dat volledige vertaling daarvan niet haalbaar was,
deelname aan QIS minder aantrekkelijk heeft gemaakt voor sommige
verzekeraars, vooral waar maar beperkte capaciteit beschikbaar is.
Tegelijkertijd is brede deelname, door een ruim scala aan verzekeraars,
buitengewoon wenselijk, voor zowel de verdere ontwikkeling en uitwerking
van Solvency II als een tijdige voorbereiding door alle verzekeraars die
onder de reikwijdte van Solvency II vallen.
6.
Het is om die reden dat CEIOPS heeft aangeboden een ‘QIS5 handleiding’
op te stellen: een beknopt document dat eenvoudiger kan worden vertaald
en dat hopelijk kan bijdragen aan een geslaagde QIS5.
7.
Wij attenderen u er nadrukkelijk op dat deze handleiding geen deel
uitmaakt van de formele QIS5 documentatie zoals uitgevaardigd door de
Europese Commissie. De handleiding is niet bedoeld – en doet dat ook niet
– ter vervanging van de QIS5 Technische Specificaties of welk ander
onderdeel ook van de QIS5 documentatie. De documentatie zoals
uitgevaardigd door de Europese Commissie is leidend.
3/56
Doel van deze handleiding
8.
Doel van deze handleiding is om ondersteuning te bieden bij deelname aan
QIS5, in het bijzonder aan die verzekeraars die niet eerder aan een QIS
studie hebben meegedaan. Deze handleiding is in het bijzonder bedoeld
voor kleinere verzekeraars die relatief eenvoudige producten voeren, en
geen complexe beleggingen hebben. Gegeven deze doelstelling beperkt
deze handleiding zich tot de ‘solo’ aspecten van het werkblad, voor
verzekeraars die de standaard formule gebruiken bij de bepaling van de
SCR.
9.
Deze handleiding is bedoeld als aanvulling op de Technische Specificaties,
en biedt praktische ondersteuning door:
•
beknopt de belangrijkste concepten van Solvency II te bespreken; en
•
op hoofdlijnen de invoerbladen van het ‘solo’ werkblad door te nemen.
10.
De handleiding beoogt dit waar mogelijk te toen in toegankelijke, niettechnische bewoordingen, in een beknopte vorm. Dit reduceert echter in
aanzienlijke mate de detaillering en nuancering die is vervat in de
Technische Specificaties.
11.
Wij wijzen u er daarom nadrukkelijk op dat deze handleiding uitsluitend is
bedoeld als een aanvullende praktisch document. Het is belangrijk dat
verzekeraars zelf de Technische Specificaties raadplegen bij het invullen
van de werkbladen.
12.
De grote lijnen van Solvency II zijn vervat in de Europese Solvency II
Richtlijn (2009/138/EC1). De uitwerking hiervan is nog onderhanden werk.
Deze zal plaatsvinden in twee fasen. Een eerste vervolgstap is het
opstellen van zogeheten ‘niveau 2 uitvoeringsmaatregelen’ (level 2
implementing measures). Deze zullen worden gevolgd, op een aantal
onderdelen, door zogeheten ‘niveau 3 richtsnoeren’ (level 3 guidance).
13.
QIS5 is een test. Verzekeraars dienen dit steeds in gedachte te houden.
Een belangrijke doelstelling van QIS5 is beoordelen wat de gevolgen zijn
voor de balans en solvabiliteitspositie van verzekeraars van het
introduceren van niveau 2 uitvoeringsmaatregelen onder Solvency II, in
vergelijking met Solvency I (het huidige regime). De Technische
Specificaties dienen echter niet te worden beschouwd als, en lopen ook
niet vooruit op het uiteindelijke resultaat van de discussies over de ‘niveau
2’ uitvoeringsmaatregelen2.
14.
QIS5 toetst ook de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de berekeningen.
Solvency II benadrukt het beginsel van proportionaliteit. QIS5 bevat
daarom een aantal vereenvoudigde berekeningswijzen (‘simplifications’).
Ook verzekeraars die voldoen aan de voorwaarden om gebruik te mogen
maken
van
deze
vereenvoudigingen
worden
uitgenodigd
om
1
Zie ook de website van de Europese Commissie. Deze website bevat overigens een schat aan informatie over
Solvency II.
2
Zie ook de brief van 5 juli 2010 van de Europese Commissie aan CEIOPS, beschikbaar op de CEIOPS website.
4/56
desalniettemin te proberen, waar mogelijk, de standaard berekeningen uit
te voeren, opdat de praktische uitvoerbaarheid daarvan afdoende wordt
getest.
15.
De kwalitatieve vragenlijst bevat mede een aantal algemene vragen over
de praktische uitvoerbaarheid en haalbaarheid van QIS5. U wordt verzocht
deze vragen zorgvuldig te beantwoorden.
16.
QIS5 wordt ook gebruikt om aanvullende gegevens te verzamelen over
verzekeringstechnisch
risico
voor
schadeverzekeringen
en
zorgverzekeringen met een schadekarakter. Deze zullen worden gebruikt
voor een verdere calibratiestudie. U wordt verzocht ook deze aanvullende
gegevens aan te leveren.
5/56
De uitgangspunten van Solvency II
Solvency II: 3-pijler structuur
17.
Net als het huidige regime voor verzekeraars bestrijkt het komende
Solvency II regime zowel de gehele bedrijfsvoering van verzekeraars als
het toezicht op verzekeraars. De kwantitatieve financiële aspecten –
opstellen van een prudentiële balans, bepalen aanwezig eigen vermogen,
bepalen van de kapitaaleisen, vergelijken aanwezige en vereiste
solvabiliteit – zijn ingebed in een breder kader van adequaat risicobeheer,
toetsing van deskundigheid en betrouwbaarheid, rapportages aan de
toezichthouder etc.
18.
Onder Solvency II worden de verschillende aspecten geschikt onder drie
´pijlers´ of ´pilaren´ (‘pillars’). In de kern:
19.
•
Pijler 1 formuleert de financiële eisen, ten aanzien van zowel de
technische voorzieningen als de kapitaaltoereikendheid.
•
Pijler 2 omvat de meer kwalitatieve onderdelen als bedrijfsvoering en
risicobeheer in brede zin van de verzekeraar, maar ook de rol van de
toezichthouder en het toezichtproces.
•
Pijler 3 betreft informatieverstrekking aan de toezichthouder en de
openbare verslaggeving.
Uiteraard zijn de drie pijlers onlosmakelijk met elkaar verbonden en op
elkaar afgestemd, om een evenwichtig en toereikend regime te vormen.
Kern daarbij is het onderkennen, transparant maken en beheren van
risico´s door de verzekeraar zelf.
Pijler 1: marktconsistente waardering en risicogevoelige
kapitaaleisen
20.
Deze handleiding beperkt zich tot de kwantitatieve aspecten van QIS5, en
dan alleen de ‘solo’ aspecten van het werkblad voor een verzekeraar die
de standaard formule gebruikt voor de berekening van de
solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR). Deze berekeningen zijn conform een
voorgeschreven standaard benadering.
21.
Pijler 1 van Solvency II berust in essentie op de volgende gedachte:
•
Het beste inzicht in de actuele financiële positie van een verzekeraar
wordt verkregen bij waardering van de balansposten tegen
marktwaarde dan wel, indien geen actuele marktprijs rechtstreeks kan
worden waargenomen in een liquide markt, een modelmatige
waardering die optimaal gebruik maakt van en consistent is met
6/56
actuele marktinformatie3. Marktwaarde wordt dus gezien als de meest
relevante indicator van de economisch realistische waarde op enig
moment.
22.
•
De
balans
op
basis
van marktwaardegrondslagen
is
een
momentopname, d.w.z. een weergave van de financiële positie van de
verzekeraar op een bepaald tijdstip. De financiële positie van een
verzekeraar is echter onderhevig aan een reeks van risico´s, zoals
verzekeringstechnische en marktrisico´s (beleggingsrisico). Om ervoor
te zorgen dat een verzekeraar aan zijn verplichtingen jegens zijn
polishouders kan (blijven) voldoen, is het nodig deze risico´s te
identificeren en inzicht te hebben in de mogelijke invloed van het
manifest worden van deze risico´s op de balansposten, en daarmee op
de aanwezige solvabiliteit, en mogelijkerwijs ook vereiste solvabiliteit,
van de verzekeraar.
•
Naast adequaat vastgestelde technische voorzieningen heeft een
verzekeraar kapitaal (in aanmerking komend eigen vermogen) nodig
om de gevolgen van het optreden van deze risico´s op te vangen.
Aanwezige solvabiliteit werkt als een buffer, zodat ook nadat zulke
risico´s zich zouden hebben voorgedaan ten minste de technische
voorzieningen nog zijn gedekt door de marktwaarde op dat moment
van de nu aanwezige beleggingen. Dit zou de verzekeraar in staat
moeten stellen de verzekeringsportefeuille over te dragen of zich te
herkapitaliseren. Onder Solvency II wordt de invloed van een reeks van
risico´s op de vermogenspositie van de verzekeraar vastgesteld, en
gecombineerd tot een solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR: Solvency
Capital Requirement). Daarnaast is er een minimumkapitaalvereiste
(MCR: Minimum Capital Requirement).
Het invullen van het QIS5 werkblad komt daarbij in essentie neer op het
toepassen van de bovenbeschreven gedachtegang:
•
Stel een balans op, gebaseerd op marktwaarde of ten minste tegen
marktconsistente waardering. Dit geeft dan ook een ´surplus´ of net
asset value (kortweg: de waarde van de activa minus passiva) op
marktconsistente grondslagen.
•
Bereken voor elk van de aangegeven risico´s de invloed van een
voorgeschreven scenario (´schok´) op de net asset value, het surplus.
De verslechtering van de net asset value onder een scenario voor een
specifiek deelrisico kan ook worden gezien als de partiële kapitaaleis
die de financiële gevolgen van dat scenario zou kunnen opvangen.
Deze partiële kapitaaleisen worden vervolgens gecombineerd tot een
SCR kapitaaleis.
3
Dit laatste is daarbij niet in tegenspraak met het gebruik van bedrijfsspecifieke parameters (undertaking
specific parameters (USP)), zoals voorzien in de Technische Specificaties (hoofdstuk 10).
7/56
Opstellen van de balans
23.
Het concept van marktwaardering wordt daarbij op hoofdlijnen als volgt
uitgewerkt.
•
Wat betreft de activa geldt dat voor althans een deel van de
beleggingen
rechtstreeks
waarneembare
actuele
marktprijzen
beschikbaar zijn; denk aan de koersen van staatsobligaties of
beursgenoteerde aandelen. Voor andere beleggingen zijn wellicht
waarderingsmodellen nodig. Voor onroerend goed kan een recente
taxatiewaarde worden gebruikt. Vorderingen uit herverzekering worden
gepresenteerd aan de actiefzijde van de balans; de technische
voorzieningen aan de passiefzijde zijn dan opgenomen vóór
herverzekering. Dit vergroot de inzichtelijkheid van het regime en de
rapportage. Als de bruto technische voorzieningen onder QIS5 een
andere waarde hebben dan onder het huidige regime, kan dat uiteraard
consequenties hebben voor de waarde van de vordering op de
herverzekeraar.
•
Ook voor deelnemingen (zie ook de Technische Specificaties SCR15.2)
dient een marktwaardering te worden gebruikt, of althans zo goed
mogelijk te worden benaderd. Zie ook de aparte sectie in deze
handleiding over deelnemingen, waarin de waardering en de
behandeling van deelnemingen in aanwezige en vereiste solvabiliteit
worden besproken.
•
Bij de passiva zijn de bruto technische voorzieningen veelal dominant.
Het huidige Europese regime vereist toereikende en prudente
technische voorzieningen, zonder veel nadere detaillering. In essentie
wordt hieraan voldaan door – zeer kort gezegd – enige ruimte te
houden in elk van de gehanteerde grondslagen. Onder Solvency II
dienen ook de technische voorzieningen marktconsistent te worden
bepaald: als beginsel maar ook omdat anders geen consistent
gewaardeerde balans zou resulteren. Er bestaat echter geen liquide
markt die direct waarneembare transactieprijzen levert voor
portefeuilles verzekeringsverplichtingen. De technische voorzieningen
worden daarom onder Solvency II opgebouwd uit twee elementen: een
zogeheten `Best Estimate` (´beste schatting´) van de waarde van de
verplichtingen plus een Risicomarge4.
•
De Best Estimate (van de huidige verzekeringsportefeuille) is de
wiskundige verwachtingswaarde van de uitgaande kasstromen minus
de nog te ontvangen kasstromen5. Deze worden geschat met
inachtneming van realistische kansstelsels voor de factoren die deze
kasstromen kunnen beïnvloeden, waarbij wordt gedisconteerd met de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur6. Kort gezegd: wat is de
4 In specifieke gevallen mogen de technische voorzieningen ook als een geheel (‘as a whole’) worden berekend.
Dit zal naar verwachting voor de meeste verzekeraars niet het geval zijn. Verder zij opgemerkt dat de
waardering van unit-linked verplichtingen buiten het bestek van deze handleiding valt.
5 Zie ook de opmerkingen bij het toetsen van de ‘expected profits included in future premiums’ (verwachte
winsten in toekomstige premies), in de sectie over aanwezige solvabiliteit.
6 Het onderwerp discontering wordt verderop in deze handleiding besproken.
8/56
beste schatting van wat het nakomen van de verplichtingen in de
portefeuille de verzekeraar nog gaat kosten, met inachtneming van
naar verwachting nog te ontvangen premies. Kernpunt is hier dat deze
Best Estimate geen prudentie bevat, geen ruimte om mogelijke
tegenslag te helpen opvangen7. Bij het berekenen van de Best Estimate
zit er dus geen impliciete ruimte in de gehanteerde grondslagen. Een
ander verschil met het huidige regime is dat discontering van
toepassing is bij de waardering van alle verzekeringsverplichtingen en
wel
tegen
de
relevante
risicovrije
rentetermijnstructuur.
Schadeverzekeraars dienen aparte Best Estimates te berekenen voor
de schadevoorziening en voor de premievoorziening. De Best Estimate
van de premievoorziening zal in het algemeen verschillen van de
onverdiende premie; de verzekeraar zal immers proberen een premie
in rekening te brengen die hoger is dan de (contante waarde van de)
verwachte schade van het desbetreffende verzekeringscontract.
Verwachte toekomstige nog te ontvangen premies uit hoofde van
lopende polissen dienen te worden meegenomen bij de berekening van
de premievoorziening.
•
Een Risicomarge dient te worden opgeteld bij de Best Estimate om te
komen tot een marktconsistente waardering van de technische
voorzieningen. De Risicomarge wordt berekend volgens de Cost-ofCapital methode: CoC. Deze methode berust op de idee dat een
verzekeraar (of kapitaalverstrekker) wenst te worden beloond voor het
dragen van risico. De CoC methode komt daarbij op het volgende neer.
Veronderstel dat een verzekeraar een portefeuille zou willen
overdragen, of juist overnemen. Een overnemende verzekeraar zal een
portefeuilleoverdracht niet accepteren als daarbij activa worden mee
overgedragen ter waarde van alleen de Best Estimate van de
desbetreffende portefeuille. De toekomstige uitkeringen uit hoofde van
de portefeuille kunnen immers anders zijn, en wellicht hoger, dan de
verwachte kasstromen van de Best Estimate, en de overnemende
verzekeraar wil dit risico niet lopen zonder een verwacht positief
rendement. De overnemende verzekeraar zal dus een additioneel
bedrag aan activa, boven de Best Estimate, mee overgedragen willen
zien: een Risicomarge.
De omvang van de Risicomarge wordt bepaald op basis van de
volgende gedachtegang. Een verzekeraar dient niet alleen technische
voorzieningen aan te houden, maar ook kapitaal, risicodragend
vermogen. De verzekeraar, of kapitaalverstrekker, wil vergoed worden
voor het beschikbaar stellen van dit risicodragend vermogen. De
Risicomarge wordt nu bepaald door de kapitaaleis te vermenigvuldigen
met een ‘Cost of Capital’-voet. De kapitaaleis in de berekening van de
Risicomarge betreft alleen de SCR-en voor de risico’s die inherent zijn
aan de portefeuille verzekeringsverplichtingen; deze omvatten ook het
operationele risico en het tegenpartijkredietrisico van vorderingen uit
hoofde van herverzekering8. Cruciaal is dat ‘vrijwillig’ (of ‘vermijdbaar’)
marktrisico niet is inbegrepen. De omvang van de Risicomarge wordt
bepaald door de kenmerken van de verzekeringsportefeuille. Risico’s
7
Verder zij opgemerkt dat de afkoopwaardevloer zoals gehanteerd bij Solvency I niet van toepassing is onder
Solvency II.
8
Er kan ook een resterend marktrisico zijn.
9/56
die hedgebaar zijn (kunnen worden afgedekt)
meegenomen in de berekening van de Risicomarge.
worden
niet
De CoC-voet is bepaald op 6%. De Best Estimate zal, naar gemiddelde
verwachting, precies voldoende zijn om de portefeuille af te wikkelen;
de Risicomarge zal dan in de tijd vrijvallen. Het bedrag van deze vrijval
is dan precies genoeg om de kapitaalverstrekker een rendement van
6% (boven de risicovrije rente) op te leveren. Alleen de rente boven de
risicovrije rentevoet wordt meegenomen in de berekening van de
Risicomarge; het ter beschikking gestelde kapitaal kan immers zelf
worden uitgezet tegen de risicovrije rente.
Gestileerd voorbeeld van de berekening van de Risicomarge. Omwille van de
inzichtelijkheid wordt discontering buiten beschouwing gelaten.
Een verzekeraar heeft een portefeuille die in 1 jaar uitloopt, zonder verdere
premie-ontvangsten. De Best Estimate is 200. Het aan te houden kapitaal voor
onvermijdbare risico’s – ook voor slechts 1 jaar – is 100. De CoC-voet is 6%
boven de risicovrije rente. De Risicomarge bedraagt nu 100x6%= 6. De
technische voorzieningen zijn 200+6= 206. De verzekeraar belegt de 100
kapitaal tegen de risicovrije rente: stel deze is 3%.
Na uitloop van de portefeuille, na 1 jaar, heeft de verzekeraar (naar gemiddelde
verwachting) 200 uitbetaald. Er is een vrijval in de voorziening van 6. Verder
heeft het uitgezette kapitaal van 100 een rente van 3 opgeleverd. De
kapitaalverstrekker kan nu het geïnvesteerde kapitaal van 100 terugkrijgen,
plus de risicovrije rente van 3 plus het rendement van 6.
Bij een langere uitloop dient uiteraard kapitaal te worden aangehouden over een
langere periode. Deze (gedisconteerde) kapitaalskosten – vereist rendement komen dan op dezelfde manier tot uiting in de Risicomarge. De Risicomarge zal,
opnieuw naar gemiddelde verwachting, vrijvallen in samenloop met het
uitlooppatroon van de portefeuille.
•
De technische voorzieningen zoals op deze wijze bepaald zullen dus in
het algemeen verschillen van de huidige Solvency I technische
voorzieningen; de Risicomarge is niet gelijk aan het verschil tussen de
huidige Solvency I technische voorzieningen en de QIS5 Best Estimate.
•
Verzekeringsverplichtingen
dienen
te
minimaal
te
worden
onderscheiden naar branches (‘line of business’, LoB). Deze
segmentatie geldt voor beide componenten van de technische
voorzieningen, de Best Estimate en de Risicomarge. Een meer
gedetailleerde indeling in homogene risicogroepen dient te worden
uitgevoerd waar dit nodig is voor een meer accurate vaststelling van de
technische voorzieningen. Verzekeringsverplichtingen dienen te worden
ingedeeld (gesegmenteerd) naar de branche die het beste de aard van
10/56
de onderliggende risico’s weerspiegelt. Merk op dat dit uitgangspunt
betekent dat de segmentatie in deze branches (LoBs) niet de indeling
volgt in de branches voor het schade- en levenbedrijf zoals opgenomen
in de wetgeving voor de vergunningverlening, of de classificatie voor
financiële verslaggeving. Verzekeringsverplichtingen die in de
bedrijfsvoering worden behandeld op dezelfde technische (actuariële)
basis als levensverzekeringen dienen te worden beschouwd als
levensverzekeringverplichtingen, ook indien zij in juridisch opzicht
schadeverzekeringen zijn. Evenzo dienen verzekeringsverplichtingen
die in de bedrijfsvoering worden behandeld op dezelfde technische
(actuariële) basis als schadeverzekeringen, te worden beschouwd als
schade, ook indien zij in juridisch opzicht levensverzekeringen zijn. In
het bijzonder geldt dat annuïteiten uit hoofde van schadeverzekeringen
als
levensverzekering
dienen
te
worden
aangemerkt.
Zorgverzekeringen worden onderscheiden in twee typen, op grond van
hun technische karakteristieken:
•
o
SLT Health (SLT: similar to life technique): zorgverzekeringen die
worden
gevoerd
op
eenzelfde
technische
basis
als
levensverzekeringen
o
Non-SLT Health: zorgverzekeringen die niet worden gevoerd op
eenzelfde technische basis als levensverzekeringen
U wordt aangeraden zelf de Technische Specificaties te bestuderen voor
een meer uitgebreide beschrijving van de segmentatie in QIS5. De
segmentatie is uiteraard ook opgenomen in het werkblad. De aard van
de onderliggende risico’s bepaalt niet alleen de segmentatie in de
technische voorzieningen; zij komt ook tot uiting bij de bepaling van de
vereiste solvabiliteit (zie ook de sectie over vereiste solvabiliteit
verderop in deze handleiding).
Discontering bij QIS5
24.
NB: U wordt aangeraden zelf de relevante secties van de Technische
Specificaties te bestuderen9.
25.
Onder
Solvency
II
wordt
gedisconteerd
met
de
‘risicovrije’
rentetermijnstructuur (rentekromme). De bepaling van deze risicovrije
rente en de manier van disconteren zijn in QIS5 anders dan in QIS4, met
een aantal gevolgen voor de vereiste berekeningen en opgevraagde
informatie.
26.
Voor QIS5 worden de te gebruiken rentevoeten beschikbaar gesteld in de
werkbladen. Deze zijn onderdeel van de QIS5 documenten zoals
uitgevaardigd door de Europese Commissie:
•
9
QIS5: Relevant risk-free interest rate term structures
Zie in het bijzonder sectie V2.3 over discontering en sectie SCR 5.11 over illiquiditeitspremierisico.
11/56
27.
Deze rentekrommen zijn afgeleid, in eerste instantie, van swaprentes, met
een kleine aanpassing voor kredietrisico. De langere rentes zijn bepaald
onder de veronderstelling dat er stabiele zeer lange rente is10; de rentes
worden vervolgens bepaald door ‘een lijn te trekken’ tussen het laatste
punt waar de markt nog wordt verondersteld liquide te zijn, en deze zeer
lange rente, in de verre toekomst. De beschikbaar gestelde QIS5
rentekrommen
bevatten
ook
een
‘illiquiditeitspremie’11.
De
illiquiditeitspremie is niet van toepassing op het langere – geëxtrapoleerde
– einde van de rentekromme.
28.
In totaal stellen de QIS5 werkbladen, in eerste instantie, een viertal
volledige rentekrommen ter beschikking, voor een aantal valuta, met
respectievelijk:
•
Een 100% illiquiditeitspremie
•
Een 75% illiquiditeitspremie
•
Een 50% illiquiditeitspremie
•
Geen illiquiditeitspremie
29.
Voor looptijden van minder dan een jaar dient voor discontering de
eenjarige rentevoet te worden gebruikt.
30.
De gekozen benadering, en meer in het bijzonder de opname van een
illiquiditeitspremie, heeft consequenties voor:
•
De bepaling van de (Best Estimate) technische voorzieningen:
o
•
te
De bepaling van de kapitaaleis (SCR):
o
31.
Verschillende typen van verzekeringsverplichtingen dienen
worden gedisconteerd met verschillende rentekrommen.
De scenario’s (deelmodules) voor marktrisico’s bevatten nu niet
alleen ‘ algemeen’ renterisico– de rente kan hoger of lager zijn –
maar ook specifiek illiquiditeitspremierisico – het risico dat de
illiquiditeitspremie afneemt. In het kort:
−
Het scenario voor renterisico betreft een verandering van de
swaprente component; de illiquiditeitspremie blijft gelijk
−
Het
scenario
voor
illiquiditeitspremierisico
betreft
een
verandering in de illiquiditeitspremie component; de swaprente
component blijft gelijk
De Technische Specificaties geven aan welke verplichtingen dienen te
worden gedisconteerd met welke rentekromme zoals aangegeven in
paragraaf 28. Verzekeraars dienen aan te geven welke verplichtingen
(d.w.z. verzekeringsverplichtingen die tot uiting komen in de technische
voorzieningen) zij disconteren met welke van de verschillende
10
Voor de meeste valuta is deze rente 4.2%. Deze bestaat uit een veronderstelde lange termijn reële rente van
2,2 % en een veronderstelde lange termijn inflatie van 2%.
11 Zie ook het rapport ‘Task Force report on the Liquidity premium’, van 3 maart 2010, op de CEIOPS website.
12/56
rentekrommen, en de desbetreffende vragen in de kwalitatieve vragenlijst
te beantwoorden.
32.
De Technische Specificaties bepalen het volgende:
•
Voor QIS5 dienen deelnemers te bepalen welke verplichtingen mogen
worden gedisconteerd met de risicovrije rentetermijnstructuur met een
100% illiquiditeitspremie, door na te gaan of deze voldoen aan alle van
de navolgende criteria:
o
de enige verzekeringstechnische risico’s verbonden aan de polissen
zijn langlevenrisico en kostenrisico;
o
de verzekeraar draagt geen enkel risico in geval van welke vorm
dan ook van polisopzegging (onnatuurlijk verval); en
o
de premies zijn al betaald en geen inkomende kasstromen zijn
meegenomen bij de bepaling van de technische voorzieningen voor
de polissen.
De beoordeling van deze vereisten dient plaats te vinden op het niveau
van elke polis afzonderlijk, waarbij alle kasstromen van een polis gelijk
worden behandeld.
•
Voor QIS5 dienen deelnemers te bepalen welke verplichtingen dienen
te worden gedisconteerd met de risicovrije rentetermijnstructuur met
een 75% illiquiditeitspremie, uitgaande van het volgende:
o
•
levensverzekeringspolissen
met
bovengenoemde criteria voldoen.
winstdeling
die
niet
aan
Alle verplichtingen die niet onder een van de twee bovenstaande
paragrafen vallen, worden gedisconteerd met de risicovrije
rentetermijnstructuur met een 50% illiquiditeitspremie12.
33.
De disconteringvoeten zoals aangeleverd in het QIS5 pakket dienen te
worden gebruikt voor de discontering, bij de berekening van de Best
Estimate en de Risicomarge. De Risicomarge wordt berekend met
gebruikmaking van de rentekromme die geen illiquiditeitspremie bevat.
34.
Aangezien
er
een
illiquiditeitspremie
is
opgenomen
in
de
disconteringsvoet, bevat QIS5, zoals eerder opgemerkt, ook een
illiquiditeitspremierisico: het risico van een toename van de waarde van de
technische voorzieningen als gevolg van een lagere illiquiditeitspremie.
Een illiquiditeitspremierisico ‘schok’ is derhalve opgenomen bij de
scenario’s, onder de marktrisico’s. Het voorgeschreven scenario bestaat uit
en vermindering met 65% van de illiquiditeitspremie13. Deze vermindering
met 65% beperkt zich tot de illiquiditeitspremie die wordt gebruikt bij de
berekening van de technische voorzieningen (zie ook de CEIOPS Q&A over
illiquiditeitspremierisico).
35.
CEIOPS is voornemens eveneens de rentekrommen na dit scenario – dus
met de verlaagde illiquiditeitspremie – op te nemen in de Helper tabs.
12
Unit-linked verzekeringen vallen buiten het bestek van deze handleiding. Zie hiervoor de Technische
Specificaties.
13
Zie ook de Technische Specificaties sectie SCR.5.11.
13/56
36.
De QIS5 Technische Specificaties beschrijven voorts, onder andere, de
overgangsmaatregel met betrekking tot de disconteringvoet.
Vereiste solvabiliteit
37.
Solvency
II
kent
twee
verschillende
kapitaaleisen,
de
solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR: Solvency Capital Requirement) en de
minimumkapitaalvereiste (MCR: Minimum Capital Requirement). Hoewel
een precieze vergelijking met het huidige Solvency I regime niet opgaat,
kan de rol van de SCR grosso modo worden vergeleken met die van de
huidige vereiste solvabiliteitsmarge en de MCR met het huidige
garantiefonds (1/3 van de vereiste solvabiliteitsmarge). Daarnaast zal
Solvency II, net als het huidige regime, een absolute ondergrens aan de
vereiste solvabiliteit bevatten, de absolute minimumkapitaalvereiste
(AMCR: Absolute Minimum Capital Requirement).
38.
Het bedrag van de SCR wordt in Solvency II wel heel anders vastgesteld
dan de huidige vereiste solvabiliteitsmarge. Kerngedachte is dat alle
potentieel belangrijke en goed kwantificeerbare risico´s tot uiting moeten
komen in de kapitaaleis, aangezien al deze risico’s de financiële positie van
de verzekeraar kunnen beïnvloeden.
39.
Bij de berekening van de SCR wordt systematisch en stapsgewijs een
aantal risico´s bekeken. Dit wordt geïllustreerd door onderstaande figuur,
ontleend aan de QIS5 Technische Specificatie.
14/56
SCR
Adj
Market
BSCR
Health
Interest
rate
SLT
Health
Equity
Mortality
Op
Default
CAT
Non-SLT
Health
Life
Non-life
Mortality
Premium
Reserve
Longevity
Premium
Reserve
Lapse
Property
Disability
Morbidity
Longevity
Spread
Disability
Morbidity
Lapse
Currency
Lapse
Expenses
Concentration
Expenses
Revision
Illiquidity
Revision
CAT
Lapse
40.
41.
Intang
CAT
= included in the
adjustment for the lossabsorbing capacity of
technical provisions
under the modular
approach
Het is het eenvoudigste te beginnen met de zes ‘hoofd’-risicocategorieën:
•
Market
•
Health
: Verzekeringstechnisch risico voor verplichtingen uit hoofde
van zorgverzekeringen
•
Default : Tegenpartijkredietrisico, met inbegrip van die uit hoofde van
herverzekering
•
Life
: Verzekeringstechnisch risico voor verplichtingen uit hoofde
van levensverzekeringen
•
Non-life : Verzekeringstechnisch risico voor verplichtingen uit hoofde
van schadeverzekeringen
•
Intang
: Marktrisico
: Risico gerelateerd aan de waarde van immateriële activa
De figuur laat zien dat op een na alle hoofdcategorieën kunnen worden
onderverdeeld in verschillende componenten of deelmodules. Marktrisico
bijvoorbeeld bestaat uit:
•
Interest rate
rentekromme
•
Equity (aandelen): het risico van lagere aandelenkoersen
•
Property (onroerend goed): het risico van lagere prijzen van onroerend
goed
(rente):
het
15/56
risico
van
een
verandering
in
de
•
Spread (‘spread’, renteopslag): het risico van een hogere ‘spread‘
(bijvoorbeeld de opslag op de rente van een bedrijfsobligatie boven de
risicovrije rente); een hogere ‘spread’ leidt tot lagere prijzen
•
Currency (valuta, wisselkoers):
veranderingen in wisselkoersen
•
Concentration (concentratie): het risico van een geconcentreerde in
plaats van goed gespreide beleggingsportefeuille
•
Illiquidity (illiquiditeit): het risico van veranderingen in de liquiditeit van
de markt (zie ook de eerdere sectie over discontering en de
illiquiditeitspremie)
het
risico
van
–
nadelige
–
42.
Zoals hierboven opgemerkt zijn het de kenmerken van de
verzekeringsverplichtingen, en niet hun juridische classificatie, die hun
toewijzing aan een bepaalde branche (LoB) bepalen. Zij bepalen ook welke
verzekeringstechnische risico’s en deelrisico’s, en hun mogelijke gevolgen,
de verzekeraar dient te betrekken bij de bepaling van de SCR14. De
segmentatie van de technische voorzieningen en de toepassing van de
SCR modules dienen consistent te zijn; beide aspecten berusten immers
op dezelfde onderliggende kenmerken.
43.
De werkwijze voor de bepaling van de SCR is nu in het kort als volgt15.
44.
Bereken voor elk van de relevante deelrisico´s het gevolg van de
voorgeschreven scenario´s op het surplus (net asset value) van de
verzekeraar (in sommige gevallen levert toepassing van een eenvoudige
formule de uitkomst). Een verslechtering van de net asset value door het
optreden van een specifiek deelrisico, in de vorm van het voorgeschreven
scenario, kan ook worden gezien als de hoeveelheid kapitaal die nodig is
om de gevolgen van dat scenario op te vangen – en vormt daarmee een
partiële kapitaaleis. Deze partiële kapitaaleisen worden nu in stappen
gecombineerd, werkend ´van onder naar boven´. Eerst worden de
deeluitkomsten
gecombineerd
tot
de
uitkomsten
voor
de
hoofdcategorieën. Deze worden op hun beurt geaggregeerd tot een
kernsolvabiliteitskapitaalvereiste
(BSCR:
Basic
Solvency
Capital
Requirement). Hier wordt een kapitaaleis voor operationeel risico bij
opgeteld. Eventueel zijn er nog correcties in verband met discretionaire
winstdeling en uitgestelde belastingen.
45.
Bij dit combineren van de verschillende partiële kapitaaleisen wordt
rekening gehouden met zogeheten diversificatie-effecten, in zowel de
eerste als tweede stap. De gedachte hierbij is dat niet alle risico´s (in de
vorm van de gespecificeerde scenario´s) zich noodzakelijkerwijs
tegelijkertijd voordoen. De totale kapitaaleis kan in die gedachtegang
daarom minder zijn dan de som van de partiële kapitaaleisen.
Rekentechnisch wordt dit bereikt door bij de aggregatie gebruik te maken
van voorgeschreven correlatiematrices in de verschillende stappen (deze
14
De aangehouden beleggingen bepalen uiteraard welke deelmodules van marktrisico van toepassing zijn.
Winstdelende polissen worden hier niet besproken. Zie ook de volgende sectie. Voor de erkenning van
risicomitigatie wordt u verwezen naar de Technische Specificatie.
15
16/56
berekeningen worden automatisch uitgevoerd door het QIS5 werkblad).
Het is van belang te benadrukken dat de uiteindelijke SCR eis in
belangrijke mate wordt bepaald door de gehanteerde correlaties –
veronderstelde mate van samenhang tussen de risico´s – naast de
specificatie van de scenario’s voor de afzonderlijke risico's.
46.
De bepaling van de MCR lijkt wel op de bepaling van de vereiste
solvabiliteitsmarge in het huidige Solvency I regime: een relatief
eenvoudige formule gebaseerd op een aantal indicatoren voor de omvang
van het verzekeringsbedrijf. Voor levensverzekeraars wordt de MCR
afgeleid uit de omvang van de technische voorzieningen en het
risicokapitaal. Bij schadeverzekeraars is de MCR gebaseerd op de
technische voorzieningen en de jaarlijkse premieomzet. Om een koppeling
te waarborgen tussen de MCR en de SCR is verder bepaald dat de MCR
dient te liggen binnen een bandbreedte van 25-45% van de SCR. Een
dergelijke koppeling is nodig omdat toezicht moet kunnen worden
geïntensiveerd naarmate de financiële positie van een verzekeraar,
waarvan de MCR en SCR indicatoren zijn, verslechtert.
SCR: modulaire benadering en equivalent scenario
47.
In QIS5 worden twee berekeningswijzen voor de SCR getest: de modulaire
benadering en het equivalente scenario.
48.
Het berekenen van de SCR conform de standaard formule zoals hiervoor
beschreven heet ook wel de modulaire benadering. Deze aanpak berust
immers op de berekening van een aantal modules, waarvan de uitkomsten
vervolgens worden geaggregeerd. Bij deze aggregatie wordt rekening
gehouden met diversificatie-effecten, gebaseerd op de veronderstelling dat
risico’s – zoals weergegeven in de scenario’s – zich niet noodzakelijkerwijs
gelijktijdig zullen voordoen. De SCR is minder dan de som van de SCR-en
voor de afzonderlijke deelrisico’s.
49.
De onderliggende idee van het equivalente scenario is in de kern de
volgende. Onder de benadering van het equivalente scenario wordt een
nieuw ‘pakket’ van scenario’s – het equivalent scenario – berekend die
zouden leiden tot dezelfde oorspronkelijke uitkomst als al deze schokken
zich tegelijkertijd zouden voordoen. Diversificatie-effecten in de modulaire
benadering worden als het ware ‘toebedeeld’ aan de afzonderlijke risico’s:
de ‘omvang’ van het onderliggende scenario, of schok, en de gevolgen
daarvan zijn onder het equivalente scenario minder, voor een bepaald
deelrisico, dan onder de modulaire benadering. De nBSCR is dan de
vermindering van de net asset value als alle scenario’s zich tegelijkertijd
zouden voordoen.
50.
Uit rekenkundig oogpunt bouwt het equivalente scenario voort op de
uitkomsten onder de modulaire benadering. Het werkblad berekent de
17/56
gereduceerde schokken onder het equivalente scenario. Het werkblad
neemt de ‘modulaire risico’s’ die bijdragen aan de BSCR, maar reduceert
vervolgens de afzonderlijke schokken door rekening te houden met de
diversificatie-effecten zoals weerspiegeld in de correlatiematrices. Deze
benadering kan in het bijzonder worden gebruikt bij het bepalen van het
verliesabsorberende vermogen van toekomstige winstdeling en uitgestelde
belastingen. Het geeft ook nader inzicht in de risico’s die bijdragen aan de
SCR. Door vervolgens het gehele equivalente scenario toe te passen op
hun balans kunnen verzekeraars rekening houden met niet-lineaire
effecten van ‘schokken’ (negatieve scenario's) op hun balans, bijvoorbeeld
als gevolg van afdekkingstrategieën.
51.
U wordt verder verwezen naar de Technische Specificaties, in het bijzonder
hoofdstuk SCR2. Verzekeraars dienen in het bijzonder nota te nemen van
paragraaf 2.8. De aanpassing voor het verliesabsorberende vermogen van
de technische voorzieningen en uitgestelde belastingen (zie ook hieronder)
dienen te worden berekend volgens beide methoden.
52.
Voor berekeningen die afhangen van de SCR (zoals de Risicomarge of het
in aanmerking te nemen aanwezige eigen vermogen) dient het resultaat
van het equivalente scenario te worden gebruikt.
Winstdeling en uitgestelde belastingen
53.
De ‘SCR-boom’ laat zien dat de uitkomsten van de zes ‘tussenliggende’
risico’s worden gecombineerd tot een kernsolvabiliteitskapitaalvereiste
(BSCR: Basic Solvency Capital Requirement). Deze BSCR wordt dan
enerzijds verhoogd met een kapitaaleis voor operationeel risico, en
anderzijds
verlaagd
door
aanpassingen
uit
hoofde
van
het
verliesabsorberende vermogen van de technische voorzieningen en
uitgestelde belastingen.
54.
Wat betreft de technische voorzieningen houdt de aanpassing voor
winstdeling rekening met het risicomitigerende effect van toekomstige
discretionaire winstdeling in zoverre verzekeraars kunnen aantonen dat
een verlaging van zulke winstdeling kan worden gebruikt voor het
opvangen van onverwachte verliezen, mochten deze zich voordoen. Het
onderwerp winstdeling valt buiten het bestek van deze handleiding,
aangezien deze handleiding met name is bedoeld voor kleinere
verzekeraars die relatief recht-toe-recht-aan producten aanbieden, en
geen complexe beleggingen aanhouden. Desalniettemin is het zinvol
enkele woorden te wijden aan het onderwerp winstdeling, met het oog op
een goed begrip en juiste invulling van het werkblad door alle
verzekeraars. Verzekeraars die winstdelende polissen voeren worden
verder verwezen naar de Technische Specificaties.
55.
Allereerst dient u er nota van te nemen dat winstdeling (toekomstige
discretionaire winstdeling) zowel ‘contractuele’ als ‘pure’ discretionaire
winstdeling omvat, zoals uiteengezet in de Technische Specificatie
TP.2.88.
18/56
56.
Winstdeling heeft betrekking op zowel de bepaling van de Best Estimate
als de berekening van de SCR deelmodules. Bij het berekenen van de Best
Estimate bevatten de uitgaande kasstromen een verwacht bedrag aan
winstdeling. In essentie bestaat de Best Estimate dus uit een
gegarandeerd deel en een tweede deel met een meer voorwaardelijke
aard, dat daarom als potentieel verliesabsorberend kan worden gezien. Dit
gedeelte wordt ook wel de FDB genoemd, de waarde van de toekomstige
discretionaire winstdeling (FDB: Future Discretionary Benefits). Bij het
berekenen van de SCR deelmodules dienen twee berekeningen te worden
gemaakt: een berekening die er van uit gaat dat het bedrag aan
winstdeling ongewijzigd blijft ten opzichte van de oorspronkelijke
berekening van de Best Estimate, en een berekening die rekening houdt
met een wijziging (in casu verlaging) van het bedrag aan winstdeling, als
gevolg van het desbetreffende scenario. De eerste uitkomst wordt de
‘bruto’ uitkomst genoemd, de tweede uitkomst de ‘netto’ uitkomst, met als
notatie steeds nSCR voor het desbetreffende risico. Aggregatie van deze
uitkomsten geeft dan een ‘bruto’ BSCR en een ‘netto’ nBSCR. Het verschil
tussen deze twee getallen is een eerste indicator voor het
verliesabsorberende vermogen van de technische voorzieningen. Dit
verschil heeft echter een ‘plafond’ ter grootte van de FDB: het totale
verliesabsorberende
vermogen
kan
niet
groter
zijn
dan
het
‘voorwaardelijke’ deel van de technische voorzieningen.
57.
Bij het invullen van het tabblad SF.SCR_G in het werkblad dienen alle
verzekeraars de invoercellen voor zowel de ‘bruto’ als ‘netto’ uitkomsten in
te vullen. Verzekeraars die geen winstdelende polissen voeren vullen
dezelfde getallen in; anders werkt het werkblad niet naar behoren. Het
werkblad voert de aggregatie uit. Voor het equivalente scenario berekent
het werkblad zowel ‘bruto’ als ‘netto’ scenario parameters.
58.
Het verliesabsorberende vermogen van uitgestelde belastingen wordt in
het kort als volgt bezien. Mochten de risico’s, zoals weerspiegeld in de
scenario’s om de SCR te bepalen, zich daadwerkelijk voordoen, dan kan
dat een wijziging met zich brengen in de fiscale positie van de
verzekeraar. Deze fiscale positie kan een verliesabsorberend vermogen
hebben. Hiermee wordt rekening gehouden in de QIS5 berekeningen.
59.
In essentie is de aanpassing voor het verliesabsorberende vermogen van
uitgestelde belastingen gelijk aan de verandering in de uitgestelde
belastingen van een verzekeraar die zou resulteren bij een onmiddellijk
verlies ten bedrage van de BSCR + de aanpassing in de technische
voorzieningen uit hoofde van winstdeling (een negatief bedrag) + de
kapitaaleis voor operationeel risico. U wordt verwezen naar de Technische
Specificaties voor een volledige beschrijving van dit onderwerp. Gelieve er
verder nota van te nemen dat bij deze berekening een vermindering van
uitgestelde
belastingverplichtingen
of
een
toename
van
belastingvorderingen leidt tot een negatieve aanpassing voor het
verliesabsorberende vermogen van uitgestelde belastingen: de BSCR
wordt verlaagd bij deze aanpassing.
19/56
Eigen vermogen
60.
Het huidige regime maakt al onderscheid tussen verschillende
kapitaalsbestanddelen. Sommige vormen van kapitaal mogen volledig
meetellen, andere alleen in beperkte mate of onder bepaalde aanvullende
voorwaarden. Daarnaast zijn, in het huidige regime, de eisen aan
kapitaalsbestanddelen tegenover het garantiefonds strenger dan die aan
kapitaal tegenover de vereiste solvabiliteit.
61.
Ook Solvency II rangschikt kapitaal naar kwaliteit. Het kernvermogen
(‘Basic own funds’) zijn de kapitaalbestanddelen op de balans van de
verzekeraar; zij bestaan uit het overschot van activa boven passiva (‘net
assets’) en achtergestelde verplichtingen. Het kernvermogen wordt
ingedeeld in drie ‘klassen’ (tiers), gebaseerd op hun mate van
beschikbaarheid om verliezen te absorberen, hetzij in een going concern
situatie, hetzij bij liquidatie (winding up). De hoogste kwaliteit kapitaal
(gebaseerd op de criteria in de Technische Specificaties, OF 8) vormt het
Tier 1 kernvermogen. Andere own fund bestanddelen worden, afhankelijk
van hun kwaliteit, aangemerkt als tier 2 of 3.
62.
Aanvullend
eigen
vermogen
(ancillary
own
funds)
zijn
kapitaalbestanddelen anders dan kernvermogen, en die kunnen worden
opgeroepen om verliezen op te vangen. Dit zijn ‘off-balance’ posten,
terwijl kernvermogen op de balans aanwezig is. Voor QIS5 geldt dat alleen
bestanddelen die op het ogenblik al worden gebruikt om te voldoen aan de
kapitaaleisen van Solvency I mogen worden geclassificeerd als Tier 2 of 3
(afhankelijk van in welke tier dit bestanddeel zou worden opgenomen als
het zou worden opgeroepen en betaald) aanvullend eigen vermogen, voor
het bedrag waarop zij op dit moment worden erkend.
63.
Onder Solvency II zijn de eisen aan het eigen vermogen ter dekking van
de MCR anders dan aan die ter dekking van de SCR. Zo tellen bijvoorbeeld
Tier 3 kernvermogen en aanvullend eigen vermogen niet mee ter dekking
van de MCR. Sectie OF.3 van de QIS5 Technische Specificaties behandelt
de erkenning/toelaatbaarheid (eligibility) van eigen vermogen en de
limieten die gelden voor de Tiers 1, 2 en 3. Kortweg:
•
Ter dekking van de SCR:
o
het aandeel van Tier 1 bestanddelen dient ten minste 50% van de
SCR te zijn;
o
het bedrag aan Tier 3 bestanddelen moet minder zijn dan 15% van
de SCR.
•
Ter dekking van de MCR zijn alleen Tier 1 bestanddelen en Tier 2
kernvermogen toegelaten. Ten minste 80% van de MCR dient te zijn
gedekt door Tier 1 bestanddelen.
•
Binnen deze limieten mogen andere al gestorte kapitaalsinstrumenten
(zie ook paragraaf OF.4(1)(g)) niet meer zijn dan 20% van de totale
Tier 1 bestanddelen.
20/56
Deelnemingen
64.
De QIS5 Technische Specificaties wijden een apart hoofdstuk (SCR 15)
aan deelnemingen, waarin hun waardering, behandeling onder eigen
vermogen en de bepaling van de kapitaaleis (SCR) worden besproken,
vanuit solo perspectief. QIS5 deelnemers wordt aangeraden zelf de
Technische Specificaties te raadplegen.
65.
Enkele belangrijke
Specificaties zijn:
punten
-
niet
uitputtend
-
uit
de
Technische
• Definitie:
Deelneming betekent eigendom, rechtstreeks of door middel van
zeggenschap, van 20% of meer van de stemrechten of het eigen
vermogen van de onderneming.
• Waardering:
Deelnemingen dienen op de balans te worden opgenomen tegen een
marktconsistente waarde. Dit kan, afhankelijk van de omstandigheden,
een rechtstreeks waarneembare marktprijs zijn, of een waardering met
gebruik van de ‘adjusted equity method’ (aangepaste eigen vermogen
methode). In essentie betekent dit de net asset value van de deelneming.
Dit dient te worden bepaald op marktconsistente grondslagen, d.w.z. in
overeenstemming met de uitgangspunten van waardering van Solvency II.
De term ‘adjusted’ (aangepast) wordt gebruikt omdat de activa en passiva
worden aangepast naar hun Solvency II (marktconsistente) waarden. Een
pro rata aanpassing dient nog te worden toegepast als de deelneming
minder dan 100% is. Als een laatste mogelijkheid mag ‘mark to model’
(een modelmatige waardering) worden gebruikt.
• Benadering bij het bepalen van het eigen vermogen:
Voor deelnemingen in financiële en kredietinstellingen (bijv. banken en
beleggingsondernemingen, maar niet verzekeraars) wordt de waarde van
de deelnemingen niet erkend bij het eigen vermogen; daarom dient hun
waarde in mindering te worden gebracht op het Tier 1 kapitaal. Een
belegging in Tier 2 kapitaal van de deelneming dient in mindering te
worden gebracht op het Tier 2 kernvermogen.
•
Andere soorten deelnemingen (bijv. in entiteiten die geen bank of
beleggingsonderneming zijn) worden meegenomen via de SCR (zie ook
SCR15.3 van de Technische Specificaties voor een meer precieze
beschrijving).
•
Benadering bij de SCR kapitaaleis:
o
Voor deelnemingen in financiële en kredietinstellingen is er geen
verdere kapitaaleis, aangezien hun waarde al in mindering is
gebracht op het eigen vermogen.
21/56
o
Deelnemingen worden uiteenlopend behandeld, afhankelijk van of
het een strategische deelneming betreft of niet. Strategische
deelnemingen zijn onderworpen aan een lagere kapitaaleis voor
aandelenrisico, van 22%; niet-strategische deelnemingen zijn
onderworpen aan de standaard aandelenschok in QIS5, van 30% of
40%. U wordt verzocht de Technische Specificaties te raadplegen
voor de kapitaaleisen die gelden voor deelnemingen, hun
behandeling in de deelmodule voor concentratierisico, en voor
aanvullende informatie over deelnemingen die wordt verzameld.
o
Waar het effect van het houden van een deelneming gelijk is aan
dat van het direct houden van onroerend goed, dient de deelneming
ook te worden behandeld als onroerend goed, en te worden
opgenomen in de deelmodule voor onroerend goed risico (zie ook
SCR15.7 van de Technische Specificaties).
22/56
De QIS5 werkbladen
Overzicht van de QIS5 werkbladen
66.
Alle werkbladen die nodig zijn voor QIS5 zijn beschikbaar op de website
van CEIOPS. Nationale toezichthouders kunnen deze ook beschikbaar
stellen op hun eigen website, eventueel aangevuld met praktische
informatie over de aanlevering, cursussen etc. Verder is er zowel een
nationale als een Europese Vragen en Antwoorden (Questions and
Answers, Q&A) procedure. De Europese Q&A is beschikbaar op het
speciale QIS5 gedeelte van de CEIOPS website. CEIOPS biedt ook een
QIS5 Email-alert dienst aan. U wordt aangeraden regelmatig de website te
bezoeken voor eventuele updates.
67.
Wat betreft deze handleiding is het belangrijkste werkblad het QIS5
werkblad:
•
QIS5 spreadsheet
68.
Dit werkblad is bedoeld voor de QIS5 inzending van individuele
verzekeraars, maar moet ook worden gebruikt door verzekeringsgroepen.
Verzekeraars die onderdeel zijn van een groep dienen ook voor elke
verzekeraar afzonderlijk het werkblad in te vullen. Het werkblad wordt
gebruikt om de balans en solvabiliteitspositie weer te geven onder QIS5,
ook in vergelijking met die onder Solvency I.
69.
Bij het invullen van het werkblad kunt u gebruik maken van een aantal
hulpprogramma’s, welke CEIOPS ter beschikking stelt:
•
QIS5 Simplification tabs (vereenvoudigingen)
•
QIS5 Helper tabs (hulpprogramma’s)
70.
Simplification tabs (vereenvoudigingen) helpen om de vereenvoudigde
berekeningen uit te voeren zoals beschreven en toegestaan in de
Technische Specificaties. Helper tabs (hulpprogramma’s) zijn geen
onderdeel
van
de
Technische
Specificaties,
maar
aanvullende
rekenprogramma’s die CEIOPS op eigen initiatief beschikbaar stelt.
71.
De uitkomsten van de berekeningen in deze extra rekenprogramma’s
dienen vervolgens te worden ingevuld in het hoofdwerkblad.
Opzet van het QIS5 werkblad: waar staan de kern
concepten in het werkblad?
72.
Het QIS5 werkblad is verdeeld in een aantal tabbladen, zoals weergegeven
in onderstaand overzicht.
23/56
Werkblad Tips
In het tabblad ‘0.Language’ kan de taalinstelling worden gekozen. Deze
taalkeuze is nog niet operationeel in de eerste versie van het werkblad, maar zal
zo snel mogelijk worden toegevoegd.
Het werkblad is beveiligd met een blanco wachtwoord, zodat u eenvoudig de
geprogrammeerde formules kunt bekijken en eventuele aanvullende
berekeningen kunt uitvoeren. Wilt u zo goed zijn er wel op te letten dat u voor
de inzending aan de toezichthouder een ongewijzigd werkblad gebruikt? Alle
tabbladen bevatten blokken met beveiligde cellen. Onbeveiligde cellen kunnen
worden gebruikt voor eigen berekeningen bij het invullen van het werkblad.
Het werkblad bevat zogeheten hyperlinks naar de Technische Specificaties,
zodat u rechtstreeks kunt doorklikken naar de relevante alinea’s van de
Technische Specificaties.
Het is een omvangrijk werkblad. Voor een vlotte invulling kan er voor worden
gekozen om de doorrekening (in het werkblad) op handmatig te zetten. Via
functietoets F9 kan dan herberekening plaatsvinden.
Sommige invoercellen dienen te worden ingevuld met behulp van een
‘keuzemenu’ (‘drop down menu’). Door te klikken op een dergelijke cel
verschijnt een pijltje. Door op het pijltje te klikken verschijnt een aantal
keuzemogelijkheden, waaruit u de gewenste optie selecteert.
73.
Het tabblad Index geeft een overzicht van de tabbladen van het werkblad,
met een kleurcode die het type tabblad aangeeft. Solo verzekeraars, die
geen onderdeel zijn van een groep, en die de standaard formule gebruiken
voor de berekening van de SCR hoeven slechts een deel van het werkblad
in te vullen.
Een grijs inleidend tabblad
Lichtblauwe tabbladen
(I: Input)
24/56
P. Index
I. Participant
I. Valuation
I. Assets
I. Participations
I. Own funds items details
I. Current situation
I. Premiums
I. QIS5 insurance obligations
I. Geographical diversification
I. SCR Adjusted
Verzekeraars die geen onderdeel
zijn van een groep mogen het
tabblad SCR.Adjusted buiten
Donkerblauwe tabbladen
(SF: Standard Formula)
Paarse tabbladen die betrekking hebben op
interne modellen
(IM: Internal Models)
Oranje tabbladen die betrekking hebben op
groepen
(G: Group)
Een grijs tabblad dat alle gebruikte
invoergegevens en uitkomsten opslaat in
één lange datakolom
Grijze tabbladen die alle in het werkblad
gebruikte termen bevatten
74.
beschouwing laten.
SF.SCR_G
SF.RFF
SF.MCR_G
O.Overview
Verzekeraars die de standaard
formule gebruiken voor de
berekening van de SCR mogen
deze tabbladen buiten
beschouwing laten. Interne
modellen vallen buiten het
bestek van deze handleiding.
Deze tabbladen worden in deze
handleiding niet verder
besproken. CEIOPS zal een
aparte handleiding beschikbaar
stellen voor het invullen van
deze tabbladen.
Solo verzekeraars die geen
onderdeel zijn van een groep
kunnen deze tabbladen buiten
beschouwing laten. Deze
tabbladen worden in deze
handleiding niet verder
besproken.
D.Datasets
0.Language
Tabbladen met vertaalde
termen, in de talen waarvoor die
beschikbaar zijn gesteld. Deze
tabbladen geven dus ook een
overzicht van de technische
termen die worden gebruikt in
QIS5, met hun vertaling.
Het werkblad gebruikt ook een kleurcode voor de individuele cellen.
•
De lichtblauwe cellen zijn invoercellen. Deze lichtblauwe cellen treft u
aan in zowel de lichtblauwe als donkerblauwe tabbladen.
•
Terracotta cellen bevatten de uitkomsten van tussenberekeningen.
•
Paarse cellen
berekening.
•
Ook gele cellen zijn uitvoercellen; vaak bevatten deze eenvoudige
formules.
bevatten
de
einduitkomst
van
de
desbetreffende
75.
NB: verschillende ‘type’ cellen kunnen voorkomen in een tabblad,
ongeacht de kleur van het tabblad zelf.
76.
Het vorige hoofdstuk besprak de kernconcepten van Solvency II:
25/56
77.
Balans
•
Opstellen van een balans, met marktconsistente waardering
•
Bepalen van risicogevoelige kapitaaleisen
Deze onderdelen zijn, grosso modo, als volgt terug te vinden in het
werkblad. In het volgende hoofdstuk vindt u een meer gedetailleerde
toelichting op elk der tabbladen.
Informatie over de balans, met inbegrip van eigen
vermogen, is vooral opgenomen in de lichtblauwe tabbladen.
Er is geen apart uitvoer-tabblad met een overzicht van
alleen de balans en de samenstelling van het eigen
vermogen. Het lichtblauwe tabblad ‘Valuation’ vervult die rol.
Het donkerblauwe uitvoer- tabblad ‘Overview’ bevat ook een
overzicht van deze gegevens, maar dan in samenhang met
de kapitaaleisen.
Het lichtblauwe tabblad ‘Valuation’ bevat de balans. De
actiefzijde van de balans dient te worden ingevuld in sectie
1; de passiefzijde in sectie 2. De balansposten worden
opgevraagd op drie waarderingsgrondslagen: huidige basis,
Solvency I en QIS5. Om de vergelijking – de veranderingen
als gevolg van de overgang van Solvency I naar QIS5 - te
vergemakkelijken, wordt nog aanvullende informatie
opgevraagd: welk deel van een wijziging berust op een
mogelijk andere classificatie van een balanspost, en welk
deel komt door een waardeverandering als gevolg van een
andere waarderingsgrondslag. Uiteraard zal een wijziging in
waarderingsgrondslag in het algemeen een verandering in
het in aanmerking te nemen aanwezige eigen vermogen met
zich meebrengen. Sommige onderdelen van de balans
kunnen pas worden ingevuld nadat de gedetailleerde
tabbladen (bijvoorbeeld ‘Current situation’ en ‘QIS5
insurance obligations’ zijn ingevuld.
Het lichtblauwe tabblad ‘Valuation’ vraagt ook, in sectie 3,
nadere informatie over het eigen vermogen. Dit omvat ook
informatie over overgangsmaatregelen. Onder zowel
Solvency I als Solvency II dienen kapitaalbestanddelen te
voldoen aan bepaalde voorwaarden om mee te kunnen tellen
als aanwezig eigen vermogen, d.w.z. als kapitaal dat mag
dienen ter dekking van een kapitaaleis (onder Solvency I de
vereiste solvabiliteitsmarge of het garantiefonds, onder
Solvency II de SCR en MCR). Deze voorwaarden verschillen
echter tot op zekere hoogte tussen Solvency I en QIS5.
Kapitaalbestanddelen die nu al worden aangehouden en die
meetellen als aanwezig kapitaal onder Solvency I, en die
normaal gesproken niet als zodanig zouden kwalificeren
onder QIS5, mogen in sommige gevallen toch worden
beschouwd als aanwezig (toegelaten) eigen vermogen, om
de overgang naar Solvency II te vergemakkelijken.
Sectie 4 van dit tabblad vraagt informatie over de gebruikte
waarderingsmethoden om de QIS5/Solvency II waarden te
bepalen.
Het lichtblauwe tabblad ‘Assets’ vraagt nadere informatie
over sommige activa en daaraan verbonden risico’s. De
26/56
Kapitaalseisen: SCR
en MCR
totaalbedragen in de balans dienen uiteraard te
corresponderen met de gedetailleerde gegevens in dit
tabblad.
Het lichtblauwe tabblad ‘Participations’ vraagt om nadere
gegevens over de aard en waarde van eventuele
deelnemingen. Gelieve er nota van te nemen dat dit tabblad
ook van toepassing is op solo verzekeraars die geen
onderdeel zijn van een groep. De aard van de deelneming
kan worden aangegeven door middel van een code die kan
worden gekozen uit een keuzemenu.
Het lichtblauwe tabblad ‘Own funds items details’ bevat een
overzicht van de bestanddelen van het eigen vermogen die
al zijn gerapporteerd in het tabblad ‘Valuation’. Daarnaast
wordt nadere informatie gevraagd over eventuele andere
kapitaalbestanddelen.
Het lichtblauwe tabblad ‘Current situation’ vraagt een
gedetailleerde indeling van de technische voorzieningen, op
de huidige Solvency I basis. Dit tabblad gebruikt dan ook de
Solvency I segmentatie. De totalen in de balans dienen
uiteraard te corresponderen met de gedetailleerde informatie
die hier wordt verstrekt. Dit tabblad vraagt ook naar de
huidige (Solvency I) vereiste en aanwezige
solvabiliteitsmarge, en het garantiefonds.
Het lichtblauwe tabblad ‘QIS5 insurance obligations’ vraagt,
op overeenkomstige wijze, een gedetailleerde indeling van
de technische voorzieningen op QIS5 basis. Dit tabblad
gebruikt de QIS5 segmentatie. Ook nu dienen de totalen in
de balans te corresponderen met de meer gedetailleerde
informatie die hier wordt verstrekt.
Het donkerblauwe tabblad SF.SCR_G bevat zowel de meeste
invoercellen om de SCR te bepalen als de resultaten. De
term SF heeft betrekking op de standaard formule. Voor elk
van de risico’s die zijn opgenomen in QIS5 dienen de
gevolgen van een voorgeschreven scenario op de net asset
value van de verzekeraar te worden berekend. De gevraagde
invoer bestaat in het algemeen uit de waarde van de activa
en passiva zowel voor als na het desbetreffende
voorgeschreven scenario. Voor elk scenario hoeft alleen de
waarde van die activa en passiva die gevoelig zijn voor het
desbetreffende scenario te worden beschouwd. Voor
sommige risico’s – bijvoorbeeld premie- en
schadevoorzieningrisico voor schade – zijn de uitkomsten
van zo’n scenario niet van toepassing; het werkblad gebruikt
een andere formule om de kapitaaleis te berekenen.
De berekening van de SCR berust ook, zij het in mindere
mate, op informatie die in andere tabbladen wordt
verzameld. Het lichtblauwe tabblad ‘Premiums’ vraagt naar
de premie-omzet; deze wordt gebruikt bij de berekening van
de SCR voor premierisico voor schade en zorg met een
schadekarakter. Het lichtblauwe tabblad ‘Geographical
diversification’ wordt gebruikt om mogelijke diversificatieeffecten te bereken, bij de berekening van de SCR voor
verzekeringstechnisch risico voor schade en zorg met een
schadekarakter.
Het tabblad SF.MCR_G vraagt aanvullende informatie die
nodig is voor de berekening van de MCR. Veel van deze
gegevens zijn elders al beschikbaar. De verhoudingsgewijs
27/56
Totale financiële
positie: balans en
kapitaalspositie
eenvoudige formule voor de MCR geeft een goed inzicht in
de berekening.
Het donkerblauwe tabblad SF.RFF heeft betrekking op
zogeheten ‘ring fenced funds’. Een bespreking van ‘ring
fenced funds’ valt buiten het bestek van deze handleiding.
Naar verwachting is dit onderwerp niet van toepassing op de
meeste kleinere verzekeraars.
Het donkerblauwe tabblad ‘Overview’ geeft een overzicht
van de financiële positie onder QIS5, met een vergelijking
met Solvency I. Solvency II betekent, zoals hierboven
uiteengezet, veranderingen in zowel het opstellen van de
balans als het bepalen van de solvabiliteitspositie. Deze
dienen in samenhang te worden bezien. Dit
overzichtstabblad is dan ook gewijd aan beide.
Het tabblad ‘Overview’ bevat ook informatie over de
toepassing van de criteria over de toelaatbaarheid van
bestanddelen van het eigen vermogen in relatie tot de SCR
en MCR.
28/56
Invullen van het QIS5 werkblad
78.
In dit hoofdstuk wordt in meer detail beschreven hoe het QIS5 werkblad
kan worden ingevuld. De rapportagedatum is voor alle deelnemers 31
december 2009. In het onderstaande worden alleen de invoer-tabbladen
beschouwd, voor verzekeraars die de standaard formule gebruiken.
79.
Voor een beperkt aantal onderdelen in QIS5:
•
worden twee alternatieve benaderingen getest; of
•
wordt één benadering getest, maar worden data verzameld die een
beoordeling van de gevolgen van een alternatieve benadering mogelijk
maken.
80.
Dit wordt steeds aangegeven in de handleiding. Verzekeraars worden
dringend verzocht beide benaderingen in te vullen en de gevraagde
gegevens te verstrekken. Zulke informatie is buitengewoon nuttig bij
verdere discussies.
81.
De volgorde van invullen van het werkblad is belangrijk. In het algemeen
dient u te starten met de meer gedetailleerde informatie. Daarnaast geldt
dat de Risicomarge pas kan worden berekend nadat de desbetreffende
SCR deelmodules zijn ingevuld. Waar dit relevant is wordt in het
onderstaande de volgorde van invullen aangegeven.
82.
Het werkblad bevat een aantal controlecellen om de consistentie bij het
invullen te controleren. U wordt verzocht ook zelf de consistentie van het
ingevulde werkblad en eventuele hulpprogramma’s te controleren voordat
u het werkblad verzendt.
Tabblad Participant
Sectie 1 Informatie over deelnemer
In deze sectie wordt algemene informatie gevraagd over de deelnemende
verzekeraar. U hoeft alleen de lichtblauwe invoercellen in te vullen. De eerste
sectie geeft ook een overzicht van de kleurcode die in dit tabblad wordt gebruikt.
De meeste invoercellen spreken voor zich.
In cel D9 vult u de naam van de verzekeraar in. In cel D10 wordt gevraagd om
een (door u te kiezen) afkorting van de naam.
Cel D11: de juridische vorm van de verzekeraar kunt u aangeven in het
Nederlands.
Cel D13 betreft de verslaggevingsbasis, door middel van een keuzemenu. Voor
solo verzekeraars is de verslaggevingsbasis ‘legal entity’. De toelichtende tekst in
de cellen G-I in deze rij geeft aan dat de tabbladen die betrekking hebben op
groepsaspecten dan mogen worden verwijderd, of simpelweg buiten beschouwing
kunnen blijven.
In cel D14, onder ‘Hoofd verzekeringstype, kiest u door middel van een
keuzemenu het type verzekeraar: life, non-life, composite, reinsurance, captive
(leven, schade, composietverzekeraar, herverzekering, captive).
In cel D15 geeft u aan of de activa ook beleggingen in deelnemingen of
29/56
groepsmaatschappijen betreffen. Indien dit niet het geval is, kan het tabblad
Participations buiten beschouwing blijven (dan wel worden verwijderd). U dient er
hierbij wel bij stil te staan dat ook verzekeraars die niet worden gezien als
onderdeel van een groep toch deelnemingen kunnen hebben, bijvoorbeeld een
schadeverzekeraar die voor 100% eigenaar is van een technisch expertisebureau.
Dergelijke deelnemingen moet worden gerapporteerd in het tabblad
‘Participations’.
In cel D16 kunt u aangeven of schade- of zorgverzekeringen worden gevoerd in
meer dan één geografische regio. Indien dit niet het geval is, kan het tabblad
‘Geographical Diversification’ buiten beschouwing blijven (dan wel worden
verwijderd). Indien het antwoord bevestigend luidt, dient u het tabblad
‘Geographical Diversification’ wel in te vullen. Zie echter ook de toelichting op dit
tabblad elders in deze handleiding.
Hetzelfde geldt voor cellen D17 en D18. Cell D17 betreft ‘ring fenced funds’ . Ring
fenced funds vallen buiten het bestek van deze handleiding. Naar verwachting is
dit onderwerp niet van toepassing op veel kleinere verzekeraars. Cel D18 betreft
interne modellen.
Het rapportagejaar is al ingevuld op 2009 (cel D19).
Cel D20 heeft als standaard datum 31-12-2009. U wordt verzocht deze datum te
overschrijven als een andere rapportagedatum van toepassing is.
In de volgende cellen kunt u aangeven welke valuta wordt gebruikt voor de
rapportage (D21) en of er wordt gerapporteerd in eenheden van duizenden of
miljoenen. Het werkblad bepaalt dan zelf een conversiefactor, zodat de
uitkomsten van de verschillende verzekeraars goed kunnen worden opgeteld.
De resterende vragen spreken voor zich. De ‘1e niveau EER toezichthouder’ is de
nationale toezichthouder.
In cel D29 kunt u aangeven of de verzekeraar onderdeel is van een groep. Indien
het antwoord bevestigend is, verschijnen er enkele vervolgvragen. Deze hoeven
alleen te worden beantwoord door verzekeraars die onderdeel zijn van een groep.
De cellen D35-D37 zijn gereserveerd voor gebruik door de toezichthouder.
Sectie 2 Contact informatie
U wordt verzocht de contactgegevens van twee contactpersonen voor QIS5 bij
uw verzekeraar te vermelden.
Tabblad Valuation
Sectie 1 Balans - Activa
In deze sectie wordt informatie gevraagd over de waarde van de activa, op drie
grondslagen:
o Huidige accounting basis
o Solvency I waarderingsprincipes
o QIS5 waarderingsprincipes
‘Huidige accounting basis’ kan het beste worden vergeleken met de jaarrekening.
‘Solvency I waarderingsprincipes’ is voor Nederland de waardering in de huidige
Wft verslagstaten.
‘QIS5 waarderingsprincipes’ betreft een marktconsistente waardering, zoals
hiervoor uiteengezet.
Zie bij het invullen ook de opmerking in kolom G. Het werkblad kopieert
automatische de waarden ingevuld in kolom F, de huidige grondslagen, naar
kolom G, de Solvency I waarderingsprincipes. U wordt verzocht voor elke
balanspost na te gaan of deze bedragen inderdaad gelijk zijn. Indien dit niet het
geval is dient de formule in de desbetreffende cel in kolom G te worden
overschreven, met het juiste bedrag onder de Solvency I waarderingsprincipes. U
wordt verzocht niet de gele cellen aan te passen; de totalen worden berekend
30/56
door het werkblad.
Het is belangrijk dat u zich inspant om voor de QIS5 waarderingsprincipes
inderdaad zo goed als mogelijk marktconsistente waarden in te vullen. Zie verder
ook sectie 4 van dit tabblad over de gebruikte waarderingsmethode.
De kolommen J, K en L zijn opgenomen om meer inzicht te bieden in de gevolgen
van een verandering in waarderingsgrondslag, en een mogelijk andere
classificatie van balansposten. In kolom J kunt u aangeven of er een andere
classificatie heeft plaatsgevonden van Solvency I naar QIS5; het bedrag van een
post met een andere classificatie dient u aan te geven op een Solvency I
waarderingsgrondslag. Een andere classificatie die leidt tot een verhoging moet
worden ingevuld als een positief bedrag; een verlaging als een negatief bedrag.
De kolommen K en L betreffen informatie over verschillen in waardering als
gevolg van een overgang van Solvency I (na mogelijke herclassificatie) naar
QIS5. Voor balansposten met een toename in waarde onder QIS5, rapporteert u
de toename (dus niet de uiteindelijke waarde) in kolom K, als een positief getal.
Als de balanspost in waarde afneemt, gebruikt u kolom L, en vult u de afname als
een negatief getal in.
De waarde van goodwill onder QSI5 is nul.
Overige immateriële activa kunnen een waarde hebben onder QIS5. Zie hiervoor
sectie V1.4 van de Technische Specificaties.
Als beleggingen worden aangehouden in collectieve beleggingsfondsen, dient een
‘doorkijkbenadering’ (‘look through’) te worden toegepast, d.w.z. het
beschouwen van de aard van de onderliggende activa en dienovereenkomstig
rapporteren. Analoog worden bij de berekening van de SCR zulke activa dan
meegenomen in de relevante deelmodules.
Zie voor de waardering van deelnemingen de Technische Specificaties, hoofdstuk
15, en de eerdere sectie over deelnemingen in deze handleiding.
Hypotheken met onroerend goed als onderpand dienen te worden gerapporteerd
onder ‘leningen met onderpand’.
Bij QIS5 dient herverzekering te worden gerapporteerd op een ‘bruto’ basis. Aan
de passiefzijde van de balans worden de technische voorzieningen bruto
opgenomen: vorderingen uit hoofde van herverzekering worden vermeld aan de
actiefkant van de balans. U wordt verzocht deze benadering ook te gebruiken bij
het invullen van de kolommen F en G, ook indien u momenteel rapporteert op
een ‘netto’ basis, omwille van de vergelijkbaarheid. De QIS5 waarde van de
vordering uit hoofde van herverzekering kan pas worden ingevuld na de
vaststelling van de technische voorzieningen op QIS5 basis, aangezien het
verwachte bedrag van vorderingen uit hoofde van herverzekering in beginsel
afhangt van de waardering van de technische voorzieningen.
De berekening van de waarde van de vorderingen uit hoofde van herverzekering
vindt plaats in twee stappen, als volgt:
o Bepaal de Best Estimate van deze vorderingen, dus zonder Risicomarge.
o De uitkomst van die berekening moet nog worden bijgesteld om rekening te
houden met verwachte verliezen als gevolg van default van de tegenpartij
(onverwachte verliezen worden weerspiegeld in de SCR). De bijstelling dient
te zijn gebaseerd op een beoordeling van de kans op wanbetaling en het
gemiddelde verlies dat dan resulteert (loss-given-default).
o CEIOPS is voornemens een hulpprogramma uit te brengen dat kan worden
gebruikt bij deze berekening.
Geactiveerde eerste kosten (uitgestelde eerste kosten) worden niet erkend onder
QIS5. Solvency II is immers gebaseerd op een schatting van verwachte
kasstromen; geactiveerde eerste kosten hebben betrekking op een uitgaande
kasstroom die in het verleden heeft plaatsgevonden. De (toekomstige) premies
kunnen uiteraard een kostenopslag voor deze eerste kosten bevatten; dit wordt
dan betrokken bij de bepaling van de technische voorzieningen. Wanneer u deze
rij invult op huidige en Solvency I grondslagen wordt u verzocht het bedrag aan
geactiveerde eerste kosten expliciet te vermelden aan de actiefkant van de
31/56
balans, en niet in mindering te brengen aan de passiefkant. Dit verbetert de
vergelijkbaarheid van de uitkomsten.
Sectie 2 Balans – Passiva
De passiva dienen op basis van dezelfde drie waarderingsgrondslagen te worden
gerapporteerd als de activa:
o Huidige accounting basis
o Solvency I waarderingsprincipes
o QIS5 waarderingsprincipes
Ook hier zijn extra kolommen opgenomen om meer inzicht te bieden in de
gevolgen van een verandering in waarderingsgrondslag, en een mogelijk andere
classificatie van balansposten. U wordt verzocht zorgvuldig na te gaan of
herclassificaties hebben plaatsgevonden en deze te rapporteren, aangezien de
QIS5 segmentatie tot op zekere hoogte afwijkt van de Solvency I segmentatie.
De toelichting bij sectie 1 is ook van toepassing op deze sectie. Ook hier bevatten
de lichtblauwe invoercellen in kolom G een formule die ze gelijkstelt aan de
waarde in kolom F. U wordt verzocht weer voor elke balanspost na te gaan of
deze bedragen inderdaad gelijk zijn. Indien dit niet het geval is, dient de formule
in de desbetreffende cel in kolom G te worden overschreven met het juiste
bedrag onder de Solvency I waarderingsprincipes.
Ga echter eerst naar de tabbladen ‘Current situation’ en ‘QIS5 insurance
obligations’ en vul daar de relevante secties in, want de gevraagde informatie
over de technische voorzieningen kan pas worden verstrekt als deze meer
gedetailleerde tabbladen zijn ingevuld. Let op: hier wordt gevraagd om de bruto
bedragen.
De Solvency I bedragen moeten worden gerapporteerd als ‘berekend als een
geheel’. Zoals eerder uiteengezet, worden onder Solvency II de technische
voorzieningen – in de meeste gevallen – bepaald als de som van de Best
Estimate en de Risicomarge. De waarde onder QIS5 zal in de regel dus ook
afwijken van het Solvency I bedrag. De Risicomarge wordt bepaald aan de hand
van de Cost-of-Capital methode en is dus niet eenvoudigweg het verschil tussen
de huidige Solvency I technische voorzieningen en de QIS5 Best Estimate. De
Risicomarge hangt af van de berekening van de relevante SCR componenten en
kan dus pas in een later stadium worden bepaald.
Bij de waardering van financiële verplichtingen (bijvoorbeeld senior
verplichtingen en achtergestelde verplichtingen) is de kredietwaardigheid bij het
aangaan van de verplichting van toepassing. Latere veranderingen in de
kredietwaardigheid worden bij de waardering niet in aanmerking genomen.
Anderzijds werken wijzigingen in de algemene risicovrije rente wel door in de
waardering.
Rijen 100-102 zijn niet van toepassing op solo verzekeraars die geen onderdeel
uitmaken van een groep. Deze cellen moeten echter wel worden ingevuld bij de
solo inzending door verzekeraars die onderdeel vormen van een groep.
Rij 104 berekent de waarde van de activa minus de passiva; dit is de ‘saldopost’.
Sectie 3 Informatie over vermogen
U wordt dringend aangeraden zelf de sectie in de Technische Specificaties over
eigen vermogen te bestuderen, inclusief de overgangsbepalingen die gelden voor
QIS5.
Het overschot van activa boven passiva (minus aangehouden eigen aandelen)
plus achtergestelde verplichtingen en aanvullend eigen vermogen leveren het
Eigen Vermogen van een verzekeraar op.
Op de volgende posten dienen aanpassingen (aftrek of verandering van Tier) te
worden toegepast:
o Deelnemingen – Deelneming betekent het eigendom, rechtstreeks of door
middel van zeggenschap, van 20% of meer van de stemrechten of het eigen
vermogen van een onderneming of het anderszins uitoefenen van invloed van
32/56
betekenis. De aanpak voor het bepalen van het eigen vermogen is eerder in
deze handleiding uiteengezet.
o Ring-fenced funds (RFF) – Als een kapitaalpost maar beperkt in staat is
verliezen op going concern-basis te absorberen omdat dit kapitaal niet
overdraagbaar is en alleen binnen het RFF kan worden aangewend, is een
aanpassing vereist van het aanwezige eigen vermogen en de SCR. Er wordt
een ´eigen’ SCR berekend voor elke RFF en een SCR voor de risico’s die
voortvloeien uit de rest van de activiteiten buiten de RFF. Aan beperkingen
onderhevig eigen vermogen (d.w.z. eigen vermogen in een ring-fenced fund)
dat de nominale SCR van een RFF te boven gaat, wordt afgetrokken.
o Restricted reserves – In bepaalde rechtsgebieden kunnen bij wet of op grond
van de statuten van een verzekeraar bepaalde reserves worden vereist, die
uitsluitend voor bepaalde doeleinden worden aangelegd en gebruikt. In het
kader van QIS5 dienen deze reserves niet te worden beschouwd als ringfenced funds. Dergelijke reserves komen alleen in aanmerking voor opname
in het eigen vermogen met betrekking tot de risico’s die zij dekken. Bedragen
boven het bedrag dat het gerelateerde risico dekt, dienen daarom uitgesloten
te worden van het eigen vermogen als zij helemaal niet beschikbaar zijn (Op
het werkblad moeten de gegevens in de juiste cel onder Aftrek worden
ingevuld) of afgetrokken worden van Tier 1 en opgenomen worden in Tier 2
als zij wel beschikbaar zijn voor alle verliezen in geval van liquidatie (Op het
werkblad moeten de gegevens in de juiste cel onder Wijziging klasse (Tier)
worden ingevuld).
o Uitgestelde belastingvorderingen – Het bedrag dat de netto uigestelde
belastingvorderingen uitmaakt, moet worden overgeheveld van Tier 1 naar
Tier 3.
Onder de overgangsmaatregelen is het toegestaan een bestaand
kapitaalinstrument (of een instrument dat vóór de invoering van Solvency II zal
worden uitgegeven) als kapitaal op te nemen onder Solvency II als het voldoet
aan een minimum aantal criteria maar niet voldoet aan alle criteria van Solvency
II.
De criteria onder QIS5 beogen alleen de overgangsmaatregelen uitvoerbaar te
maken in het kader van QIS5. Zij zijn geen indicatie van de inhoud van de
definitieve overgangsbepalingen (zie ook sectie OF.4 van de Technische
Specificaties).
Verzekeraars moeten deze cellen invullen met gebruik van gegevens die zijn
gebaseerd op de criteria in OF.40-OF.45 en Bijlage Q van de Technische
Specificaties.
Sectie 4 Informatie over waarderingsmethoden toegepast ter bepaling van de Solvency
II balans
In deze sectie wordt informatie gevraagd over de gebruikte
waarderingsmethoden. Let op: alle waarden moeten worden gerapporteerd als
een percentage van de totale QIS5/Solvency II balans.
Sectie 5 Intragroepsactiva en -passiva, voor ondernemingen in een groep
Solo verzekeraars (die geen onderdeel zijn van een groep) kunnen deze sectie
overslaan.
Tabblad Assets
Sectie 1 Informatie over obligaties
In deze sectie wordt gevraagd om een gedetailleerde uitsplitsing van beleggingen
in leningen aan of aantoonbaar gegarandeerd door nationale overheden en
posities in multilaterale organisaties en de Europese Centrale Bank. Van deze
33/56
posities moet de waarde worden gerapporteerd in de rapportagevaluta van de
verzekeraar.
Sectie 2 Informatie over valutarisico exposure (in valuta gebruikt bij invullen QIS5
werkblad).
In deze sectie wordt gevraagd om meer bijzonderheden van valutarisico’s. Net
zoals hiervoor moet van deze posities de waarde worden gerapporteerd in de
rapportagevaluta van de verzekeraar.
Sectie 3 Informatie over spreads – totalen
In deze sectie wordt gevraagd om meer bijzonderheden van spread producten,
uitgesplitst naar diverse soorten en ratingklasse. De informatie over de modified
duration maakt een nadere gevoeligheidsanalyse mogelijk. Er kan gebruik
worden gemaakt van de relevante Helper tab om de in de invoercellen vereiste
getallen te bepalen.
Sectie 4 Informatie over de concentratie van beleggingen gebruikt in de berekening van
het concentratierisico
Er kan gebruik worden gemaakt van de relevante Helper tab om de in de
invoercellen vereiste getallen te bepalen.
Sectie 5 Informatie over het tegenpartijkredietrisico
Er kan gebruik worden gemaakt van de relevante Helper tab om de in de
invoercellen vereiste getallen te bepalen.
Tabblad Participations
In deze sectie wordt gevraagd om een gedetailleerde uitplitsing naar de aard en
de waarde van de deelnemingen die de verzekeraar heeft.
Zoals eerder opgemerkt, dient u er wel bij stil te staan dat ook ‘solo’
verzekeraars (in het kader van QIS5 geen onderdeel van een groep) toch
deelnemingen kunnen hebben, bijvoorbeeld een schadeverzekeraar die voor
100% eigenaar is van een technisch expertisebureau. Dergelijke deelnemingen
moeten hier worden gerapporteerd.
Dergelijke deelnemingen kunnen van elk in de rijen 16-18 beschreven type zijn.
Als de deelneming van strategisch aard wordt geacht, is de categorie in rij 16
(RUS) van toepassing.
Als de deelneming niet van strategische aard wordt geacht, is categorie 17 of 18
van toepassing. Deze categorieën zijn vergelijkbaar met de voor aandelen
gebruikte categorieën: ‘wereldwijd’ (RUG) of ‘overig’ (RUO).
Gebruik rij 27 e.v. om de gevraagde informatie te geven. De cellen in kolom C
moeten worden gebruikt om de juiste categorie te selecteren.
Rijen 7-19 geven een totaaloverzicht, gebaseerd op de gegevens die zijn
ingevoerd in de invoercellen in rij 27 e.v.
Tabblad Own fund items details
Sectie 1 Informatie uit het tabblad waardering overige kapitaalelementen
Deze sectie bevat geen invoercellen. De informatie in dit tabblad is al gegeven in
de Valuation tab.
34/56
Sectie 2 Berekening gebaseerd op gedetailleerde lijst van kapitaalelementen
Deze sectie bevat geen invoercellen. Deze sectie geeft een totaaloverzicht op
basis van de in sectie 3 van dit tabblad verstrekte informatie.
Sectie 3 Gedetailleerde lijst van kapitaalelementen
In deze sectie wordt gevraagd om bijzonderheden van andere
kapitaalbestanddelen. De kolommen C, D en E bevatten keuzemenu’s. De codes
in kolom C verwijzen naar de categorieën die in eerder secties zijn beschreven.
Raadpleeg de Technische Specificaties bij het invullen van deze sectie.
Tabblad Current situation
Sectie 1 Huidige Solvency I positie
Let op: cel D14 heeft betrekking op het garantiefonds – d.w.z., in essentie een
derde van de vereiste solvabiliteitsmarge, en niet het absolute minimumbedrag.
Deze waarde kan natuurlijk wel worden beïnvloed door het absolute
minimumbedrag (AMCR).
Sectie 2 Voorzieningen gebaseerd op huidige waarderingsgrondslagen (accounting) –
totalen
De totalen in deze sectie worden door het werkblad berekend op basis van de
meer gedetailleerde informatie die in sectie 3 moet worden verstrekt.
Let op: deze gegevens hebben betrekking op de waarderingsgrondslag van
Solvency I.
Sectie 3 Detailinformatie over technische voorzieningen gewaardeerd op huidige
grondslagen
NB: de hier gevraagde informatie moet worden gerapporteerd volgens de
waarderingsgrondslag van Solvency I.
In deze sectie wordt gevraagd naar het bedrag van de technische voorzieningen,
per branche. De segmentatie in dit tabblad geeft dus tevens de segmentatie
volgens Solvency I weer. De bovenste helft van deze sectie betreft de bruto
technische voorzieningen, de onderste helft de netto technische voorzieningen.
Voor schadeverplichtingen wordt een onderscheid gemaakt tussen proportionele
en niet-proportionele herverzekering. De kolommen H-R hebben betrekking op
zowel directe verzekering als proportionele inkomende herverzekering. De
kolommen S-V hebben betrekking op niet-proportionele inkomende
herverzekering. De segmentatie van niet-proportionele inkomende
herverzekering is meer geaggregeerd.
Herverzekeraars rapporteren hun proportionele inkomende (schade)
herverzekering dus in de kolommen H-R.
U wordt verzocht te zorgen voor consistentie tussen de hier verstrekte (en in
sectie 2 samengevatte) getallen en de in de balans in het tabblad ‘Valuation’
gerapporteerde bedragen.
Tabblad Premiums
Sectie 1 Premies per branche en volumemaatstaf voor verzekeringstechnisch risico
Dit tabblad vraagt informatie over geboekte en verdiende premies, naar branche.
Deze informatie wordt later gebruikt bij de berekening van de kapitaaleisen, in
het bijzonder voor schade.
Voer in de kolommen D en E de bruto geboekte respectievelijk verdiende premies
35/56
in, d.w.z. vóór premiebetaling aan herverzekeraars. In de kolommen F en H
wordt gevraagd naar de gecedeerde premies, d.w.z. de aan herverzekeraars
betaalde premies. Kolom G vraagt welk deel van de geboekte premie wordt
gecedeerd voor ‘finite’ herverzekering. De netto geboekte en verdiende premies,
in de kolommen I en J, worden door het werkblad berekend.
Zie bij het invullen ook de opmerking in cel K11. Voor schadeverzekering en met
schadetechnieken vergelijkbare zorgverzekering (Non-SLT Health) worden de
blauwe invoercellen in de kolommen K, L en M ontleend aan het tabblad
‘Geographical diversification’ als dat tabblad is ingevuld.
Indien dit niet het geval is, voert u in de kolommen K en L de verwachte netto
premieomzet voor volgend jaar in; voor QIS5 is dat 2010. Deze getallen worden
gebruikt bij de berekening van de kapitaaleisen, voor schade en Non-SLT Health
(premierisico).
Kolom M zal vaak niet van toepassing zijn voor veel kleinere schadeverzekeraars.
P PP
De term lob in kolom M wordt gedefinieerd als de contante waarde van de netto
premies uit bestaande polissen die naar verwachting na het volgende jaar zullen
worden verdiend (voor QIS5 is dat vanaf 2011) voor elke branche (‘line of
business’, LoB)16. Deze term is alleen relevant voor polissen waaronder de
dekking na volgend jaar doorloopt. Voor jaarpolissen zonder verlengingsopties is
PlobPP nul. Verzekeraars hoeven PP niet te berekenen als deze term vergeleken
Plob
met
t ,earned
Plob
waarschijnlijk niet van betekenis is.
Sectie 2 Informatie premie en kosten nodig voor berekening SCR en MCR
Voer in cel E66 de jaarlijkse kosten in met betrekking tot unit-linked polissen. Dit
bedrag betreft de door de verzekeraar gemaakte kosten, en niet de aan
polishouders doorberekende kosten.
De bruto verdiende premiebedragen in de cellen H63-65 hebben betrekking op
het jaar voorafgaand aan het rapportagejaar; voor QIS5 is dat 2008.
Tabblad QIS5 insurance obligations
Sectie 1 Toewijzing Zorg naar QIS5 segmentatie
Zoals eerder uiteengezet in deze handleiding is de segmentatie onder Solvency II
gebaseerd op de kenmerken van de onderliggende risico’s. Deze sectie vraagt
naar informatie over hoe de activiteiten die momenteel als zorgverzekering
worden beschouwd, aan de QIS5 segmentatie zullen worden toegewezen. De
gevraagde bedragen zijn de technische voorzieningen op Solvency I basis, zowel
bruto als netto. Let op: dit heeft alleen betrekking op verplichtingen die onder
Solvency I worden gerapporteerd als zorgverzekering.
Rapporteer in rij 8 de polissen die in QIS5 zullen worden toegewezen aan Health
SLT. De bedragen in de rijen 9-11 hebben een non-SLT karakter en zullen aan
schade worden toegewezen.
Sectie 2 Gesegmenteerde berekening van Best Estimate en vorderingen (vóór
Risicomarge)
In deze sectie wordt gevraagd om bijzonderheden van de bruto Best Estimate en
van de vorderingen uit hoofde van herverzekering.
De kolommen G-J vragen naar de bruto bedragen van Best Estimates. In
sommige gevallen kunnen de technische voorzieningen echter worden berekend
16
Zie sectie SCR.9.2 van de Technische Specificaties over premie- en schadevoorzieningrisico voor schade.
36/56
‘als een geheel’, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen Best Estimate
en Risicomarge. Dit zal vaak niet van toepassing zijn op kleinere verzekeraars17.
Maar als deze aanpak wel van toepassing is, vult u in kolom G de juiste getallen
in.
Wat de segmentatie betreft moet elke polis worden toegewezen aan de branche
die het onderliggende risico bij aanvang van de polis het beste weergeeft.
Directe verzekeraars die schadeverzekeringen aanbieden, rapporteren directe
verzekering in de rijen 21-32. Eventuele inkomende herverzekering die door
directe verzekeraars is geaccepteerd, moet worden gerapporteerd in de rijen 3445 (voor proportionele herverzekering) of 47-50 (voor niet-proportionele
herverzekering).
Herverzekeraars rapporteren inkomende schadeherverzekeringspolissen als volgt.
Herverzekeraars laten de rijen 21-32 buiten beschouwing. Proportionele
inkomende herverzekering wordt gerapporteerd in de rijen 34-45. Inkomende
niet-proportionele herverzekering wordt gerapporteerd in de rijen 47-50.
Anders dan onder QIS4, worden technische voorzieningen die zijn gevormd voor
annuïteiten uit hoofde van schadepolissen, maar worden bepaald met gebruik
van actuariële levenmethoden, gerapporteerd onder
levensverzekeringverplichtingen in rij 75. Rapporteer in rij 76 het eventuele
bedrag daarvan (deelverzameling) dat is gebaseerd op zorgverzekering die op
dezelfde basis als levensverzekering (SLT) wordt aangeboden.
Voor schadepolissen zijn aparte Best Estimates vereist voor de premievoorziening
en de schadevoorziening. Deze worden gerapporteerd in de kolommen I en J.
Rapporteer het totaal in kolom H (inclusief eventuele bedragen van ‘als een
geheel’ berekende technische voorzieningen, indien van toepassing).
Voor levenpolissen is er geen onderscheid naar premie- en schadevoorzieningen.
De kolommen K-V worden gebruikt om de vorderingen uit hoofde van
herverzekering te rapporteren. Voor schadepolissen wordt een onderscheid
gemaakt tussen vorderingen die betrekking hebben op ofwel de
premievoorziening ofwel de schadevoorziening. Voor schadepolissen zijn ook
speciale kolommen beschikbaar om vorderingen uit special purpose vehicles of
‘finite’ herverzekering te rapporteren. Deze vallen buiten het bestek van deze
handleiding. Verzekeraars die dergelijke vorderingen niet hebben, kunnen zich
beperken tot invulling van kolom R, voor vorderingen uit hoofde van de
premievoorziening, en kolom V, voor vorderingen uit hoofde van de
schadevoorziening. De totalen in de gele cellen worden berekend door het
werkblad.
Voor levenpolissen worden alleen de kolommen K-N gebruikt, aangezien er geen
onderscheid wordt gemaakt naar premie- en schadevoorzieningen.
Zoals eerder uiteengezet, vindt de berekening van de waarde van vorderingen uit
hoofde van herverzekering plaats in twee stappen, en wel als volgt:
o Bepaal de Best Estimate van de vorderingen, dus zonder Risicomarge.
o De uitkomst van die berekening moet nog worden bijgesteld om rekening te
houden met verwachte verliezen als gevolg van het in default raken van de
tegenpartij (onverwachte verliezen worden weerspiegeld in de SCR). De
bijstelling dient te zijn gebaseerd op een beoordeling van de probability of
default en het gemiddelde verlies dat dan resulteert (loss-given-default).
o CEIOPS is voornemens een hulpprogramma uit te brengen dat kan worden
gebruikt bij deze berekening.
Sectie 3 (a) Risicomarge, (b) Bruto en netto technische voorzieningen, (c)
Volumemaatstaf, (d) Verwachte winsten in toekomstige premies (EPIFP)
De kolommen G en H hebben betrekking op de Risicomarge, die voor elk van de
geïdentificeerde segmenten afzonderlijk moet worden berekend. Rapporteer het
17
Zie sectie V.2.4 van de Technische Specificaties voor de voorwaarden voor deze berekeningsmethode.
37/56
berekende bedrag in kolom G; rapporteer in kolom H de gebruikte
berekeningsmethode door een keuze te maken uit het keuzemenu.
Let op: onder QIS5 wordt, anders dan onder QIS4, diversificatie tussen branches
(lines of business) in de SCR wel erkend bij de berekening van de Risicomarge
voor individuele verzekeraars. Aangezien de SCR voor een verzekeraar met
meerdere branches kleiner is dan de som van de SCR’s voor elke branche, is de
op basis van een dergelijke ‘gediversifieerde’ SCR berekende Risicomarge ook
kleiner dan wanneer de Risicomarge voor elke branche zou worden berekend met
gebruik van zijn ‘eigen’ SCR18.
CEIOPS is voornemens een hulpprogramma uit te brengen dat kan worden
gebruikt bij de berekening van de Risicomarge, voor zowel leven- als
schadeverzekeraars.
De Technische Specificaties voorzien in een aantal methoden ter berekening van
de Risicomarge. Bij de eenvoudigste methode, voor schadeverzekeraars, wordt
een vast percentage van de Best Estimate genomen als Risicomarge. Ook
verzekeraars die voldoen aan de voorwaarden om gebruik te mogen maken van
deze vereenvoudigingen worden uitgenodigd om desalniettemin te proberen,
waar mogelijk, de standaardberekeningen uit te voeren, opdat de praktische
uitvoerbaarheid daarvan afdoende wordt getest. De Helper tabs kunnen in dit
geval van nut zijn.
De kolommen O en P van deze sectie hebben betrekking op het onderwerp
‘verwachte winsten in toekomstige premies’ (EPIFP, expected profits in future
premiums). De Solvency II waardering van de technische voorzieningen is
gebaseerd op verwachtingen betreffende uitgaande (uitkeringen, enz.) en
inkomende (premies) kasstromen van de bestaande (lopende) polissen. Hogere
overeengekomen (toekomstige) premies impliceren – ceteris paribus – lagere
technische voorzieningen en een stijging van de net asset value en het eigen
vermogen. De zogenoemde ‘verwachte winsten in toekomstige premies’ wordt
dus op de balansdatum ‘erkend’ (merk op dat ook nog een Risicomarge moet
worden aangehouden). De vraag is gerezen of deze ‘erkenning’ van winstmarges
in toekomstige premies wellicht leidt tot een weergave van de financiële positie
van een verzekeraar die achteraf wellicht te optimistisch zou kunnen blijken te
zijn, vooral in moeilijke omstandigheden. Om meer licht te werpen op dit
onderwerp, vraagt QIS5 ook naar een berekening van de Best Estimate onder de
veronderstelling van ‘100% onnatuurlijk verval’. Om nauwkeuriger te zijn,
aangenomen moet worden dat in de toekomst verder geen premies meer zullen
worden ontvangen (op de bestaande en lopende polissen). Voor sommige
polissen houdt het voorgeschreven scenario beëindiging in, voor andere een
wijziging tot premievrije status. Benadrukt moet worden dat het voorgeschreven
scenario niet neerkomt op volledige polisopzegging met betaling van alle
afkoopwaarden.
Let op: deze aanpak is gelijkelijk van toepassing op zowel leven- als
schadepolissen. Raadpleeg de Technische Specificaties (OF 2.4) voor een
nauwkeurige beschrijving van het toe te passen scenario.
De onder dit scenario berekende Best Estimate bedragen moeten in kolom O
worden gerapporteerd. Het werkblad berekent dan de in kolom P gerapporteerde
EPIFP component als het verschil tussen deze twee Best Estimates, met een
minimumwaarde van nul.
Sectie 4 Illiquiditeitspremie
In de kolommen F-K wordt gevraagd de toewijzing van de
verzekeringsverplichtingen aan de verschillende illiquiditeitsbuckets te
rapporteren, naar het bedrag van de (Best Estimate) technische voorzieningen in
elke bucket, voor elke branche. Rapporteer ook de corresponderende modified
18
Zoals eerder opgemerkt, zijn hier alleen de SCR componenten relevant die risico’s weergeven die inherent zijn
aan de verzekeringsportefeuille.
38/56
durations.
Deze aanvullende gegevens worden gevraagd om een eventuele verdere analyse
van de gevoeligheid van de (Best Estimate) technische voorzieningen voor de
gebruikte disconteringsvoet mogelijk te maken, meer in het bijzonder voor de
illiquiditeitspremie als component daarvan. CEIOPS is voornemens een
hulpprogramma uit te brengen dat de gevraagde (modified) duration berekent.
De kolommen M-U hebben betrekking op overgangsbepalingen voor de
disconteringsvoet, voor levenverplichtingen. Dit onderwerp valt buiten het bestek
van deze handleiding. U wordt verder verwezen naar de Technische Specificaties.
Sectie 5 Overige informatie nodig voor de SCR en de MCR
De technische voorzieningen die hier moeten worden gerapporteerd, zijn
wederom de Best Estimate bedragen.
U wordt eraan herinnerd dat de gevraagde risicokapitaalgetallen ook op QIS5basis zijn, en dus waarschijnlijk verschillen van de getallen onder Solvency I.
Tabblad Geographical diversification
Sectie 1 Totalen en berekening van gediversifieerde volumemaatstaven van
gemodelleerde verzekeringstechnische risico’s van schade en zorg (niet vergelijkbaar
met leven)
De informatie in dit tabblad wordt gebruikt ter berekening van een mogelijk
diversificatievoordeel – verlaging van de kapitaaleis – op grond van geografische
diversificatie19, voor premie- en schadevoorzieningrisico.
De eerste sectie bevat geen invoercellen. Het werkblad gebruikt de in de tweede
sectie verstrekte informatie om de totalen en de omvang van een mogelijk
diversificatie-effect te berekenen.
Sectie 2 Netto geboekte premie en verwachte premies, netto uitstaande schaden per
geografische gebieden
Deze sectie vraagt informatie over de bedragen van premies en
schadevoorzieningen per branche en per geografisch gebied. Merk op dat hier
gevraagd wordt naar netto premies en de netto (Best Estimate) voorzieningen
voor uitstaande claims (netto PCO). De geografische segmenten zijn gedefinieerd
in Bijlage M bij de Technische Specificaties.
Om de berekening te vereenvoudigen, kunt u ervoor kiezen al uw polissen in een
branche toe te wijzen aan het belangrijkste geografische gebied. Dit kan relevant
zijn voor veel kleinere verzekeraars die grotendeels of uitsluitend actief zijn op
hun thuismarkt.
In de Technische Specificaties is bepaald dat de diversificatiefactor DIVlob op 1
moet worden gesteld voor de branche krediet en borgtocht en in geval de
standaarddeviatie voor premie- of schadevoorzieningrisico van de branche
afhankelijk is van een bedrijfsspecifieke parameter. Zie ook de secties in het
tabblad SF.SCR_G over premie- en schadevoorzieningrisico.
Tabblad SF.SCR _G
Dit tabblad bevat de meeste van de invoercellen die nodig zijn om de SCR te
berekenen plus de uitkomsten van de daarop volgende berekeningen.
Let op: het werkblad kan worden ‘uitgeklapt’ of ‘ingeklapt’ door te klikken op het
19
Zie sectie SCR.9.33 van de Technische Specificaties.
39/56
‘+’-teken of het ‘–‘-teken aan de linkerkant van het werkblad. Op deze manier
kan de gebruiker de niet-relevante delen van het tabblad ‘verbergen’.
De structuur van het tabblad kan goed worden vergeleken met de ’SCR-boom'
die eerder in deze handleiding werd gepresenteerd.
De secties 1-3 bevatten de ‘bovenkant’ van de boom: de SCR en hoe de SCR
wordt afgeleid uit de BSCR, met inbegrip van het operationeel risico en mogelijke
aanpassingen uit hoofde van toekomstige winstdelingen en uitgestelde
belastingen.
De secties 4 t/m 9 bevatten de ‘onderkant’ van de boom, waarbij elke sectie een
verdere onderverdeling bevat zoals ook gesymboliseerd wordt in de SCR-boom:
o Sectie 4: immaterieel actief risico
o Sectie 5: marktrisico
o Sectie 6: tegenpartijkredietrisico
o Sectie 7: verzekeringstechnisch risico leven
o Sectie 8: verzekeringstechnisch risico zorg
o Sectie 9: verzekeringstechnisch risico schade
Zoals eerder uiteengezet, moet voor de meeste deelmodules de consequentie van
een voorgeschreven scenario op de net asset value worden berekend, waarbij
mogelijke effecten op beide zijden van de balans in aanmerking worden
genomen. Anders dan bij QIS4, verlangt QIS5 als invoerwaarden de waarde van
zowel de activa als de passiva, zowel vóór als na de ‘schok’. Het werkblad
berekent dan het verschil, eveneens vóór en na de schok. Dit geeft een beter
inzicht in de effecten van een scenario dan alleen het nettoresultaat.
Voor elk scenario hoeft alleen de waarde van die activa en passiva die gevoelig
zijn voor het desbetreffende scenario te worden beschouwd. Let op: in de
deelmodules gebruikt het werkblad de termen ‘initiële net asset value’ en ‘net
asset value na schok’ enz. Dit heeft dan alleen betrekking op het verschil tussen
de activa en passiva die onder het scenario vallen, en niet op de totale net asset
value. Bij de beschrijving van de deelmodules gaat de handleiding uit van
dezelfde interpretatie.
Voor sommige risico’s – bijvoorbeeld premie- en schadevoorzieningrisico voor
schade – zijn de uitkomsten van zo’n scenario niet van toepassing; het werkblad
gebruikt een andere formule om de kapitaaleis te berekenen. Enkele
voorbeelden:
o In sectie 2, over uitgestelde belastingen, zijn uitgestelde belastingvorderingen
(aan de actiefzijde) en uitgestelde belastingverplichtingen (aan de
passiefzijde) de bedragen die moeten worden gerapporteerd. Deze bedragen
moeten worden ingevoerd tegen initiële waarde en tegen de waarde na het
relevante scenario. Zowel het equivalente scenario als de modulaire
benadering worden getest.
o In sectie 5, over renterisico, moeten allereerst de initiële waarden worden
gerapporteerd: aan de actiefzijde de totale waarde van alle activa die
onderhevig zijn aan renterisico (en dus zijn opgenomen in het scenario); aan
de passiefzijde alle passiva die onderhevig zijn aan renterisico (merk op dat
alle verzekeringsverplichtingen moeten worden gedisconteerd). In de
volgende twee rijen (‘bruto’) moeten de waarden van de activa en passiva na
de voorgeschreven opwaartse en neerwaartse rentescenario’s worden
gerapporteerd, zonder rekening te houden met het effect van eventuele
winstdeling. De resterende twee rijen betreffen dezelfde scenario’s, maar nu
wel rekening houdend met het effect van eventuele winstdeling.
o Voor het aandelenrisico wordt meer gedetailleerde informatie gevraagd over
de initiële waarde van de aangehouden aandelen, gegeven de uiteenlopende
behandeling onder het aandelenscenario.
o In sectie 7, over verzekeringstechnische risico’s leven, is dezelfde
benaderingswijze van toepassing: geef de waarden op van activa en passiva
die gevoelig zijn voor het relevante levenscenario.
QIS5 toetst ook de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de berekeningen.
40/56
Solvency II benadrukt het beginsel van proportionaliteit. QIS5 bevat dus een
aantal vereenvoudigde berekeningswijzen (‘simplifications’). Echter, ook
verzekeraars die voldoen aan de voorwaarden om gebruik te mogen maken van
deze vereenvoudigingen worden uitgenodigd om desalniettemin te proberen,
waar mogelijk, de standaardberekeningen uit te voeren, opdat de praktische
uitvoerbaarheid daarvan afdoende wordt getest.
In het werkblad wordt gevraagd om twee berekeningen van het effect van elk
van de voorgeschreven scenario’s op de net asset value van de verzekeraar: niet
en wel rekening houdend met winstdeling. In het werkblad wordt dit aangeduid
als ‘bruto’ en ‘netto’ (exclusief respectievelijk inclusief winstdelingseffecten). Als
u geen producten met winstdeling aanbiedt, moet u toch beide
invoercellen invullen, met natuurlijk dezelfde getallen.
Om kringverwijzingen in de berekening te vermijden, moeten verwijzingen naar
technische voorzieningen bij de berekeningen voor de individuele SCR modules
worden begrepen als exclusief de Risicomarge. Met andere woorden, bij het
berekenen van het effect van een scenario op de net asset value wordt
aangenomen dat de Risicomarge hetzelfde blijft.
Bij uw berekeningen mag u rekening houden met het effect van financiële
risicomitigatie (bijv. hedging), mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Van
belang is dat de techniek voor risicomitigatie juridisch effectief is en er sprake is
van een daadwerkelijke risico-overdracht aan een derde. Zogeheten doorrollende
afdekkingsprogramma’s worden erkend, mits aan bepaalde voorwaarden is
voldaan. Dynamische afdekking dient niet te worden behandeld als een techniek
voor risicomitigatie. Houdt er rekening mee dat risicomitigatie andere risico’s met
zich mee kan brengen, bijv. tegenpartijkredietrisico; deze dienen tot uitdrukking
te komen in de SCR berekening. Als u gebruik maakt van financiële
risicomitigatie, dient u de Technische Specificaties, hoofdstuk 12, te raadplegen.
SCR QIS5 Standaard formulecomponenten
Deze sectie vat in kolom H samen welke van de deelmodules ‘beschikbaar' zijn,
d.w.z. of een berekening is uitgevoerd. Het werkblad geeft dit aan door voor elke
deelmodule te controleren of een SCR is berekend.
Let op: in diverse deelmodules moet de verzekeraar aangeven of een bepaald
risico ‘van toepassing’ is. Het is van belang dat deze invoercellen zorgvuldig
worden ingevuld, zodat tussen de twee een vergelijking kan worden gemaakt.
Verder wordt de verzekeraar in deze sectie gevraagd welke aanpak is gevolgd bij
de berekening van de deelmodules. Het antwoord kan worden gegeven door
middel van een keuzemenu. De door het werkblad berekende terracottakleurige
cellen betreffen de beschikbaarheid van een SCR eis; kolom J betreft de
berekeningsmethode. Merk op dat dit tabblad betrekking heeft op de standaard
formule en niet op een intern model.
Selecteer de relevante optie in de cellen van kolom J. Indien u gebruik hebt
gemaakt van een Helper tab, moet u dit aangeven. Als u gebruik hebt gemaakt
van een eigen aanpak, moet u ‘other’ selecteren. Als geen van deze opties van
toepassing is, selecteert u ‘standard model’. ‘NA' betekent 'niet van toepassing'.
‘Not modelled’ betreft risico’s waaraan een verzekeraar onderhevig is en
waarvoor dus een SCR had moeten worden berekend, maar waar de verzekeraar
deze berekening niet heeft uitgevoerd.
Vereenvoudigingen zijn niet als optie opgenomen omdat daar in de kwalitatieve
vragenlijst naar wordt gevraagd.
Solo verzekeraars (die geen onderdeel zijn van een groep) die geen ‘ring fenced
funds’ hebben, mogen de rijen 52-57 buiten beschouwing laten.
Sectie 1 Solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR) en Kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (BSCR)
volgens de standaard formule
Deze sectie geeft een overzicht van de uitkomst en de samenstelling van de SCR
en de BSCR. De enige vereiste invoer is de toepasselijkheid van de belangrijkste
41/56
risicocategorieën.
De resultaten geven ook informatie over het zogenoemde ‘equivalente scenario’.
Die kan worden berekend zowel zonder als met inachtneming van de effecten van
een eventuele winstdeling. Ook als u geen producten met winstdeling aanbiedt,
moet u – zoals eerder toegelicht – deze getallen in aanmerking nemen.
Sectie 2 Aanpassing voor het verliesabsorberende vermogen van toekomstige
winstdeling en uitgestelde belastingen.
Deze sectie gaat over twee soorten aanpassingen: voor het risicoabsorberende
vermogen van de technische voorzieningen en van uitgestelde belastingen. U
wordt verzocht de berekening van de aanpassing zowel onder de modulaire
benadering als voor het equivalente scenario uit te voeren. Raadpleeg met name
Technische Specificaties SCR 2.8.
Zoals uiteengezet in de inleiding op dit tabblad, wordt het effect berekend door
de situatie zowel vóór als na het relevante scenario expliciet in aanmerking te
nemen.
De rijen 101-245 presenteren informatie over het equivalente scenario, zowel
‘bruto’ als ‘netto’, zoals berekend door het werkblad. Zoals eerder vermeld, kan
de berekening van het equivalente scenario pas plaatsvinden nadat de SCR’s
voor de deelmodules onder de modulaire benadering zijn berekend.
Verzekeraars kunnen hun balans onder het equivalente scenario herberekenen;
bij deze berekening kunnen dan eventuele niet-lineaire kenmerken in aanmerking
worden genomen.
Voor het equivalente scenario:
o Voor de aanpassing voor het risicoabsorberende vermogen van de technische
voorzieningen:
In de rijen 92-99 kunt u een beknopte balans na toepassing van het
equivalente scenario presenteren.
Geef in cel F88 aan welk equivalent scenario werd gebruikt, ‘bruto’ of
‘netto’, d.w.z. op basis van de ‘bruto’ SCR’s of de ‘netto’ SCR’s.
Standaard moeten de ‘bruto' kapitaaleisen worden gebruikt om het
equivalente scenario te bepalen, maar soms kan het ‘netto’
equivalente scenario geschikter zijn (raadpleeg de Technische
Specificaties).
Voer in cel F85 de nBSCR onder het equivalente scenario in.
o Voor de aanpassing voor uitgestelde belastingen:
Het voorgeschreven scenario voor dit risico is het ‘onmiddellijke
verliesbedrag’: de aanpassing is gelijk aan de verandering in de
waarde van de uitgestelde belastingen die zou resulteren bij een
onmiddellijk verlies ten bedrage van de BSCR + de aanpassing voor
het verliesabsorberende vermogen van de technische voorzieningen
(uit hoofde van winstdeling) onder het equivalente scenario + de
kapitaaleis voor operationeel risico.
De cellen I249 en J249 bevatten reeds de initiële waarden van
eventuele uitgestelde belastingvorderingen of -verplichtingen.
Voer in de cellen I en J250 de waarden in van eventuele uitgestelde
belastingvorderingen of -verplichtingen na de schok. Het werkblad
berekent dan de verschillen.
Voor modulaire benadering:
o Voor de aanpassing voor het risicoabsorberende vermogen van de technische
voorzieningen:
Dit bedrag wordt door het werkblad berekend, op basis van reeds
verstrekte informatie.
o Voor de aanpassing voor uitgestelde belastingen:
Dit is in overeenstemming met het equivalente scenario. Het
voorgeschreven scenario voor dit risico is het ‘onmiddellijke
verliesbedrag’: de aanpassing is gelijk aan de verandering in de
42/56
waarde van de uitgestelde belastingen die zou resulteren bij een
onmiddellijk verlies ten bedrage van de BSCR + de aanpassing voor
het verliesabsorberende vermogen van de technische voorzieningen
(uit hoofde van winstdeling) onder de modulaire benadering + de
kapitaaleis voor operationeel risico.
De cellen I256 en J256 bevatten reeds de initiële waarden van
eventuele uitgestelde belastingvorderingen of -verplichtingen.
Voer in de cellen I en J257 de waarden in van eventuele uitgestelde
belastingvorderingen of -verplichtingen na de schok. Het werkblad
berekent dan de verschillen.
Sectie 3 Operationeel risico
Het werkblad berekent de SCR voor operationeel risico op basis van reeds
verstrekte informatie.
De formule voor de bepaling van operationeel risico is relatief eenvoudig en is
gebaseerd op het volume van het bedrijf. Er worden drie indicatoren gebruikt:
bruto verdiende premies en de groei daarvan (indien meer dan 10%), bruto
technische voorzieningen en voor unit linked polissen de kosten. Voor de
berekening wordt als eerste stap een percentage genomen van enerzijds de
premies en, indien van toepassing, de groei daarvan en anderzijds de technische
voorzieningen. Het hoogste bedrag daarvan wordt gebruikt ter bepaling van de
kapitaaleis. Voor deze uitkomst geldt een plafond van 30% van de BSCR, en er
wordt een percentage van de jaarlijkse kosten bij opgeteld.
De voor deze berekening vereiste gegevens worden ontleend aan andere delen
van het werkblad.
Sectie 4 Risico immateriële activa
De kapitaaleis voor immateriële activa is gelijk aan 80% van de waarde ervan.
Aangezien dit bedrag al is ingevoerd in de balans in het tabblad 'Valuation’,
berekent het werkblad de kapitaaleis zonder verdere invoerwaarden.
Sectie 5 Marktrisico
De uitkomsten voor de afzonderlijke deelrisico's die worden onderscheiden
binnen het marktrisico worden met elkaar gecombineerd tot één SCR voor
marktrisico, waarbij wordt uitgegaan van het bestaan van diversificatie-effecten:
de totale SCR voor marktrisico is minder dan de som van de SCR’s voor de
afzonderlijke deelrisico’s. Rekentechnisch wordt dit bereikt door gebruik te
maken van een correlatiematrix, waarbij de correlatie tussen de deelrisico's
minder is dan één. Voor de berekening van het marktrisico worden twee matrices
gebruikt: één die de veronderstelde 'onderlinge afhankelijkheid’ tussen elk van
deze uitkomsten vertegenwoordigt voor een scenario van een dalende rente en
één voor het scenario van een stijgende rente. Het werkblad zorgt hiervoor en
berekent de totale SCR voor marktrisico voor beide scenario's; de SCR voor
marktrisico is dan de hoogste van deze beide uitkomsten.
Als beleggingen worden aangehouden in collectieve beleggingsfondsen, dient een
‘doorkijkbenadering’ (‘look through’) te worden toegepast, d.w.z de aard van de
onderliggende activa moet worden beoordeeld. De onderliggende activa worden
dan meegenomen in de relevante deelmodules. Voor deelnemingen geldt een
uitzondering. Zie hiervoor de eerdere sectie over deelnemingen.
De eerste sectie vraagt om informatie over de toepasselijkheid van de
verschillende marktrisico's, zoals ook beschreven in de algemene inleiding op dit
tabblad, door een keuze te maken uit een keuzemenu.
Cel F282 verwijst naar het marktrisico uit hoofde van onder toezicht staande
verbonden ondernemingen die zijn uitgezonderd van het groepstoezicht.
Verzekeraars die geen deel uitmaken van een groep kunnen deze cel overslaan.
43/56
Renterisico
Deze deelmodule vraagt om de berekening van het effect van een verandering in
de rente op de net asset value20. Zoals eerder aangegeven in de sectie over
'Discontering’ heeft deze deelmodule betrekking op de swaprentecomponent van
de rentetermijnstructuur.
Zowel de activa- als de passivakant van de balans wordt in principe beïnvloed
door veranderingen in de rentestand. De scenario's van een hogere of lagere
rente worden in essentie bepaald door de rentetermijnstructuur op de
balansdatum (ultimo 2009) te vermenigvuldigen met een factor, die groter is aan
de kortere kant van de rentekromme21.
CEIOPS is voornemens om Helper tabs aan te bieden die de relevante
rentetermijnstructuur voor en na de ‘schok’ bevatten.
Wij wijzen erop dat in QIS5 ook bij schadeverplichtingen moet worden
gedisconteerd.
De eerste rij invoervelden (rij 312) heeft betrekking op de initiële waarde, d.w.z.
de waarde vóór een schok. Vermeld in cel I312 de waarde van activa die gevoelig
zijn voor (een verandering in) de rente en in cel J312 de waarde van passiva die
gevoelig zijn voor (een verandering in) de rente.
In de volgende rijen dient u de waarde van de activa en passiva na het
voorgeschreven scenario te vermelden. Dit moet gebeuren voor zowel een
opwaartse als een neerwaartse schok en zowel vóór (bruto) als na (netto) de
verrekening van eventuele winstdeling.
Het werkblad berekent de relevante veranderingen in de net asset value.
Aandelenrisico
Deze deelmodule vraagt om de berekening van het effect van een daling van
aandelenkoersen op de net asset value van de verzekeraar. Voor het bepalen van
de kapitaaleis voor het aandelenrisico wordt uitgegaan van de volgende
onderverdeling:
o Aandelen genoteerd op gereglementeerde markten in EEA (EER)- of OESOlanden (‘wereldwijd’): een daling van 30%
o Overige aandelen (bijv. in opkomende markten, niet beursgenoteerd, hedge
funds, etc.): 40%
o Wij wijzen erop dat deze cijfers al rekening houden met het effect van een
zogenaamd 'symmetrisch aanpassingsmechanisme’, zoals aangegeven in de
Solvency II Richtlijn. Kortweg: de aandelenschok zal groter zijn nadat de
aandelenmarkten zijn gestegen en kleiner nadat de aandelenmarkten zijn
gedaald. De percentages van 30% en 40% zijn afgeleid van een
uitgangsniveau van 39% dan wel 49%, waarop een correctie van -9% is
toegepast.
Voor deelnemingen wordt een andere benadering toegepast22:
o Voor deelnemingen in financiële en kredietinstellingen is de aandelenschok
nihil. Wij merken hierbij op dat bij het bepalen van het eigen vermogen de
waarde van deelnemingen in financiële en kredietinstellingen in mindering
wordt gebracht; het toepassen van een verdere schok zou dan niet consistent
zijn.
o De aandelenschok bedraagt voor strategische deelnemingen, ongeacht of
deze beursgenoteerd zijn of niet, is 22%.
o Voor overige deelnemingen is de algemene schok in QIS5, zoals hierboven
beschreven, van toepassing, d.w.z. 30% of 40%.
In specifieke gevallen, voor levensverzekeraars, mag mogelijk een speciale
20
De rentevolatiliteit wordt genoemd in de Technische Specificaties SCR 5.15, maar wordt niet afzonderlijk
genoemd in de voorgeschreven scenario’s.
21
Zie Technische Specificaties SCR 5.21 voor een overzicht van deze factoren, en een voorbeeld.
22
Zie ook de bovenstaande sectie over deelnemingen.
44/56
benadering worden toegepast: de zogenaamde ‘duration based’ benadering, zoals
beschreven in de Richtlijn artikel 304. Dit valt buiten het bestek van deze
handleiding. Zie de Technische Specificaties SCR 5.30 en 5.42.
Let u er op dat het bovenste gedeelte van deze sectie (rij 327-341) betrekking
heeft op deze ‘duration based’ benadering. Verzekeraars die deze speciale
benadering niet toepassen hoeven alleen de invoervelden in rij 344-357 in te
vullen.
Vastgoedrisico
Deze deelmodule vraagt om de berekening van het effect van een daling van de
onroerend goed prijzen op de net asset value van de verzekeraar. Het scenario
dat moet worden gebruikt is een daling van 25%. De schok geldt in principe voor
directe en indirecte onroerend goed beleggingen, met inbegrip van onroerend
goed beleggingen voor eigen gebruik van de verzekeraar.
Wij merken hierbij op23 dat niet alle onroerend goed gerelateerde beleggingen
worden beschouwd als onroerend goed, maar in plaats daarvan als aandelen;
deze moeten worden opgenomen in de deelmodule aandelenrisico. Dit zijn:
o Beleggingen in een bedrijf dat zich bezighoudt met vastgoedbeheer, of
o Beleggingen in een bedrijf dat zich bezighoudt met onroerend goed
projectontwikkeling of vergelijkbare activiteiten, of
o Beleggingen in een bedrijf dat leningen heeft verkregen bij instellingen die
buiten de verzekeringsgroep vallen om een hefboomeffect op de beleggingen
in onroerend goed te bewerkstelligen.
De achterliggende gedachte is dat deze beleggingen niet langer vergelijkbaar zijn
met 'gewone’ onroerend goed beleggingen.
Spreadrisico
Het spreadrisico komt voort uit de gevoeligheid voor veranderingen in het niveau
(of de volatiliteit) van renteopslagen (credit spreads) op de risicovrije
rentetermijnstructuur. De kapitaaleis voor het spreadrisico heeft niet alleen
betrekking op obligaties, maar ook op gestructureerde producten en
kredietderivaten. Een grondige beschrijving van deze module valt buiten het
bestek van deze handleiding. Verzekeraars die meer complexe beleggingen
aanhouden die zijn blootgesteld aan kredietrisico dienen de Technische
Specificaties te raadplegen.
Wij willen hier echter toch de volgende opmerkingen plaatsen:
o Binnen het kader van deze deelmodule geldt geen kapitaaleis voor leningen
die zijn verstrekt aan of die aantoonbaar gegarandeerd worden door de
nationale overheid van een EEA (EER) -land en die zijn uitgegeven in de
valuta van die overheid of die zijn uitgegeven door bepaalde internationale
organisaties of de Europese Centrale Bank24. Er geldt echter wel een
kapitaaleis voor blootstellingen aan niet EER-overheden en centrale banken
die luiden in en gefinancierd zijn in de binnenlandse valuta.
o De Technische Specificaties bieden ook een mogelijkheid voor
Vereenvoudigde berekeningen.
o Het spreadrisico uit hoofde van herverzekering is opgenomen in de
deelmodule tegenpartijkredietrisico. Meer algemeen moet het
tegenpartijkredietrisico dat verband houdt met een risicomitigerende
transactie aan de orde komen in de module voor het tegenpartijkredietrisico
en niet in de deelmodule voor het spreadrisico.
CEIOPS is voornemens Helper tabs beschikbaar te stellen ter ondersteuning van
de berekening van deze deelmodule.
23
24
Zie Technische Specificaties SCR 5.44 en 5.45.
Zie Technische Specificaties SCR.5.88.
45/56
Valutarisico
De verzekeraar kan beleggingen of verplichtingen hebben die luiden in een
andere valuta dan de lokale valuta, d.w.z. de valuta waarin de verzekeraar de
jaarrekening (en de QIS5 inzending) opstelt. Alle overige valuta's worden
vreemde valuta’s genoemd. Omdat er aan beide kanten van de balans sprake
kan zijn van een vreemde valuta exposure, zijn er twee voorgeschreven
scenario's: een opwaartse schok, gedefinieerd als een stijging van de waarde van
de vreemde valuta ten opzichte van de lokale valuta, en een neerwaartse schok,
gedefinieerd als een daling van de waarde van vreemde valuta ten opzichte van
de lokale valuta.
Het scenario dat moet worden toegepast betreft een plotselinge stijging of daling
van de waarde van de vreemde valuta ten opzichte van de lokale valuta met
25%. Wij merken hierbij op dat de omvang van de schok (ten opzichte van de
euro) geringer is voor bepaalde valuta's die zijn gekoppeld aan de euro25.
De uitkomsten van deze twee scenario's moeten voor elke vreemde valuta
afzonderlijk worden berekend; de relevante kapitaaleis voor elke vreemde valuta
is gelijk aan de uitkomst die het schadelijkst is voor de net asset value van de
verzekeraar. De totale SCR voor valutarisico is de som van deze uitkomsten.
Concentratierisico
Het concentratierisico zoals opgenomen in deze deelmodule is het risico dat
verband houdt met een accumulatie van blootstellingen aan dezelfde tegenpartij.
Het strekt zich uit tot activa die vallen onder de deelmodules voor het
aandelenrisico, spreadrisico (bijvoorbeeld bedrijfsobligaties) en het onroerend
goed risico26. Activa die al aan bod komen in de module voor het
tegenpartijkredietrisico vallen hier niet onder. Dit om overlappingen te
voorkomen.
In essentie ontstaat een kapitaaleis als de exposure op (een belegging in) een
individuele tegenpartij een bepaalde drempelwaarde27 te boven gaat. Deze
drempelwaarde wordt gedefinieerd als een percentage van de totale activa,
waarbij het percentage afhankelijk is van de rating van de tegenpartij. Tot de
‘totale activa’ behoren ook staatsleningen, hoewel deze volgens deze module
(vaak) geen kapitaaleis opleveren, zoals hieronder aangegeven (zie ook de
CEIOPS Q&A over concentratierisico).
Tot de totale activa behoren niet:
o activa die worden aangehouden in verband met levensverzekeringscontracten
waarvan het beleggingsrisico wordt gedragen door de polishouders;
o exposures van een verzekeraar (of herverzekeraar) op een tegenpartij die
deel uitmaakt van dezelfde groep, onder bepaalde voorwaarden; en
o activa die aan bod komen in de module tegenpartijkredietrisico.
De kapitaaleisen die voortvloeien uit afzonderlijke ‘surplus’ exposures worden
vervolgens gecombineerd tot één totale kapitaaleis.
Voor het concentratierisico op onroerend goed moeten verzekeraars een
inventarisatie maken van de exposures op afzonderlijke objecten die elk meer
dan 10% van de ‘totale activa’ vertegenwoordigen28. Hierbij moet de verzekeraar
rekening houden met direct en indirect onroerend goed, eigen bezit en andere
onroerend goed exposures. Objecten die zich in hetzelfde gebouw of voldoende
nabij bevinden dienen als één object te worden beschouwd.
Zie de Technische Specificaties (en Errata) voor de behandeling van
deelnemingen in de module voor het concentratierisico (SCR 5.127 en hoofdstuk
15 Deelnemingen).
25
Zie Technische Specificaties SCR 5.63.
Onroerend goed concentratierisico was niet opgenomen in QIS4.
27
Exposures op partijen binnen dezelfde groep zoals gedefinieerd in de Solvency II Richtlijn of de Financial
Conglomerate Richtlijn moeten worden behandeld als één exposure.
28
Bij het bepalen van de omvang van de totale activa moeten hier ook staatsleningen worden meegerekend.
26
46/56
Binnen deze deelmodule geldt geen kapitaaleis voor leningen die zijn verstrekt
aan of die aantoonbaar gegarandeerd worden door de nationale overheid van een
EEA (EER)-land en die zijn uitgegeven in de valuta van die overheid of die zijn
uitgegeven door bepaalde internationale organisaties of de Europese Centrale
Bank29.
Tegoeden bij banken kunnen vrijgesteld worden van deze deelmodule als ze
volledig en adequaat worden gedekt door een overheidsgarantieregeling binnen
de EER.
De deelmodule voor het concentratierisico vraagt door zijn aard niet om de
rapportage van veranderingen in de waarde van activa en passiva. De ‘initial
asset value’ is de net asset value voorafgaand aan een schok. De net asset value
na de schok (bruto) is gelijk aan de initial asset value minus de SCR voor
concentratierisico, zonder dat hierbij rekening wordt gehouden met een
verandering in de winstdeling. De net asset value na de schok (netto) is gelijk
aan de aanvankelijke asset value minus de SCR voor concentratierisico, waarbij
wel rekening is gehouden met veranderingen in de winstdeling.
CEIOPS is voornemens een hulpprogramma aan te bieden ter ondersteuning van
de berekening. Wij wijzen erop dat het niet noodzakelijk is om in deze Helper tab
alle beleggingen te vermelden. Er resulteert alleen een kapitaaleis voor
concentratierisico als de exposures een bepaald drempelbedrag te boven gaan.
Illiquiditeitspremierisico
Omdat in de rentetermijnstructuur een illiquiditeitspremie is verwerkt, is een
scenario met een lagere illiquiditeitspremie opgenomen. Zoals hiervoor
aangegeven in de sectie over ‘Discontering’ heeft deze deelmodule betrekking op
de illiquiditeitspremiecomponent van de rentetermijnstructuur.
Het scenario bestaat uit een veronderstelde daling van de illiquiditeitspremie met
65%.
De daling van 65% beperkt zich tot de illiquiditeitspremie die wordt gebruikt voor
het berekenen van de technische voorzieningen (zie ook de Errata op de
Technische Specificaties uitgegeven door de Europese Commissie).
Zoals eerder genoemd streeft CEIOPS ernaar Helper tabs beschikbaar te stellen
die de rentetermijnstructuren bevatten die relevant zijn voor QIS5.
Sectie 6 Tegenpartijkredietrisco
Het tegenpartijkredietrisico is het risico van mogelijke verliezen door het
onverwacht in gebreke blijven of een onverwachte verslechtering van de
kredietwaardigheid van de tegenpartijen en debiteuren van een verzekeraar. Wij
wijzen erop dat blootstelling aan het spreadrisico die valt binnen het bestek van
de deelmodule spreadrisico – in essentie beleggingen – niet valt onder de
deelmodule tegenpartijkredietrisico en vice versa.
De deelmodule maakt onderscheid tussen twee soorten exposures, aangeduid als
type 1 en type 2, waarvan de behandeling uiteenloopt, in overeenstemming met
de verschillende kenmerken van die typen.
o Type 1 betreft exposures die niet gediversifieerd worden en waarbij de
tegenpartij waarschijnlijk een rating heeft. Deze exposures kunnen min of
meer op individuele basis worden beschouwd. Hieronder vallen onder andere
herverzekeringsovereenkomsten, securitisaties en derivaten of andere
risicomitigerende contracten, geld op bankrekeningen, deposito’s bij cedenten
en kredietbrieven en garanties.
o Onder type 2 vallen exposures die in het algemeen gediversifieerd zijn en
waarbij de tegenpartij naar verwachting geen rating heeft. Deze exposures
worden meer in totaliteit beschouwd. Hieronder vallen onder andere
vorderingen op tussenpersonen, maar vooral ook hypothecaire leningen. Tot
type 2 worden onder andere ook deposito’s bij cedenten en kredietbrieven
29
Zie Technische Specificaties SCR.5.88.
47/56
gerekend als het aantal onafhankelijke tegenpartijen groter is dan 15.
De belangrijkste variabelen bij deze berekening zijn de geschatte loss-givendefault (LGD) van een exposure en de kans op wanbetaling (probability of
default, PD) door een tegenpartij. Bij de berekeningen wordt rekening gehouden
met onderpand. Een belangrijk punt is dat de deelmodule ook het
tegenpartijkredietrisico van risicomitigerende contracten dekt. Bijvoorbeeld: een
herverzekeringsprogramma kan het nettoverlies voor een verzekeraar als gevolg
van een bepaalde gebeurtenis verminderen maar ook leiden tot een toename van
de vorderingen uit hoofde van herverzekering en daardoor van het daarmee
verbonden tegenpartijkredietrisico.
In de invoercellen van deze sectie moet de verzekeraar aangeven of sprake is
van een van beide types en moet de uitkomst van de berekening van de type 1
en type 2 vorderingen worden vermeld. CEIOPS streeft ernaar een meer
gedetailleerd hulpprogramma aan te bieden voor de voor deze deelmodule
vereiste berekeningen.
De invoercellen ‘tegenpartijkredietrisico voor type 1 exposures of ‘type 2
exposures’ hebben betrekking op de uitkomsten van deze deelmodule voordat
rekening is gehouden met eventuele winstdeling ('bruto’ uitkomst). In de derde
invoercel (F429) kan de verzekeraar aangeven hoe groot het verliesabsorberende
vermogen van de technische voorzieningen is wanneer een tegenpartijrisico
realiteit zou worden. Verwacht wordt dat dit voor veel kleinere verzekeraars niet
van toepassing zal zijn.
Sectie 7 Verzekeringstechnisch risico voor verplichtingen uit hoofde van
levensverzekeringen
De Technische Specificaties, en de invoercellen in het werkblad, bieden ook
ruimte voor Vereenvoudigingen (Simplifications) voor deze risico's. Zoals eerder
genoemd worden verzekeraars aangemoedigd om, voor zover mogelijk, te
proberen de gestandaardiseerde benadering toe te passen.
U wordt eraan herinnerd dat, evenals elders in dit tabblad, de term technische
voorzieningen niet wordt geacht de Risicomarge te omvatten.
Sterfterisico
Het sterfterisico is het risico van vroegtijdig overlijden (technisch gezien: eerder
dan volgens de veronderstellingen die ten grondslag liggen aan de Best
Estimate). Het sterfterisico is van toepassing op verplichtingen waarbij het
actuele uitkeerbare bedrag bij overlijden groter is dan de technische
voorzieningen en waarbij derhalve een stijging van de sterftekansen leidt tot een
toename van de technische voorzieningen.
In QIS5 wordt de kapitaaleis voor sterfterisico berekend door uit te gaan van een
permanente toename van 15% van de sterftekansen voor elke leeftijd en elke
polis waarbij sprake is van sterfterisico.
Sommige verzekeringspolissen keren uit zowel bij overlijden als bij leven,
afhankelijk van het leven van dezelfde verzekerde persoon (verzekerde lijf). Deze
verplichtingen hoeven niet 'ontbundeld’ te worden. Voor dergelijke contracten
kan het sterftescenario worden toegepast, rekeninghoudend met de natuurlijke
hedge tussen overlijdensuitkeringen en uitkeringen bij leven. Wij merken hierbij
echter op dat per contract een bodemwaarde van nul van toepassing is als het
nettoresultaat van het scenario gunstig is voor de verzekeraar.
Langlevenrisico
Het langlevenrisico is min of meer het ‘spiegelbeeld’ van het sterfterisico. Hiervan
is sprake bij polissen waarbij een daling van het sterftekansen zou leiden tot een
toename van de technische voorzieningen. Kenmerkende voorbeelden zijn
pensioenannuïteiten en polissen die een eenmalig bedrag uitkeren in het geval
van overleven van het verzekerde leven tot op een vooraf bepaalde datum.
In QIS5 wordt de kapitaaleis voor langlevenrisico berekend door uit te gaan van
48/56
een (permanente) daling met 20% van de sterftekansen voor elke leeftijd en
voor elke polis waarbij sprake is van een langlevenrisico.
Zoals vermeld bij ‘sterfterisico’ keren sommige verzekeringspolissen zowel bij
overlijden uit als bij leven, afhankelijk van het leven van dezelfde verzekerde
persoon (verzekerde lijf). Deze verplichtingen hoeven niet 'ontbundeld’ te
worden. Voor dergelijke contracten kan het langlevenscenario worden toegepast,
ook in dit geval rekeninghoudend met de natuurlijke hedge tussen
overlijdensuitkeringen en uitkeringen bij leven. Ook hierbij geldt dat per contract
een bodemwaarde van nul van toepassing is als het nettoresultaat van het
scenario gunstig is voor de verzekeraar.
Invaliditeits- en morbiditeitsrisico
Morbiditeits- en invaliditeitsrisico is het risico van verliezen, of ongunstige
veranderingen in de waarde van verzekeringsverplichtingen, als gevolg van
veranderingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van invaliditeits- en
morbiditeitscijfers.
Naar verwachting zal het grootste deel van de verzekeringsverplichtingen
waarvoor dit risico relevant is worden opgenomen in de module
Zorgverzekeringen, in plaats van in de levensverzekeringsmodule. Volgens de
Technische Specificaties zal deze deelmodule van de module leven waarschijnlijk
alleen van toepassing zijn als het niet gepast is polissen te ‘ontbundelen’, dat wil
zeggen wanneer deze verzekeringsdekking wordt aangeboden als aanvulling bij
een levencontract.
Het voorgeschreven scenario bestaat uit zowel een stijging van de
invaliditeitscijfers als een daling van de herstelpercentages:
o Een stijging van de invaliditeitscijfers voor het komende jaar met 35%, in
combinatie met een (permanente) toename met 25% (t.o.v. de Best
Estimate) van de invaliditeitscijfers voor elke leeftijd in de volgende jaren
o Plus, indien van toepassing, een permanente daling met 20% van de
herstelpercentages voor invaliditeit.
Risico onnatuurlijk verval leven
Het onnatuurlijk vervalrisico is het risico van een verlies of een verandering in de
verplichtingen door een wijziging van het aantal polishouderopties dat naar
verwachting zal worden uitgeoefend. Wij wijzen erop dat de term 'onnatuurlijk
verval' in ruime zin moet worden geïnterpreteerd. De deelmodule heeft onder
andere betrekking op afkoop, beëindiging, omzetting naar premievrije status,
beperking maar ook op uitbreiding, verlenging, hervatting van
verzekeringsdekking, etc. Verzekeraars dienen zorgvuldig alle opties van hun
polishouders te inventariseren.
Bij sommige polissen kan onnatuurlijk verval – in elke vorm – een gunstig effect
hebben op (de net asset value van) de verzekeraar, maar in andere gevallen kan
het verval van een polis ongunstig zijn voor de verzekeraar. De deelmodule
omvat daarom een scenario met een daling van de vervalpercentages
(uitoefenpercentages) en een scenario met een toename van de
vervalpercentages (uitoefenpercentages). De kapitaaleisen dienen te worden
berekend door de afkoopwaarde en de best estimate voorziening per polis te
vergelijken. De zogenaamde ‘surrender strain’ van een polis wordt gedefinieerd
als het verschil tussen het actueel uitkeerbare bedrag bij afkoop en de
aangehouden best estimate voorziening (dus zonder Risicomarge). Ook hier geldt
dat de term ‘afkoopwaarde’ ruim moet worden geïnterpreteerd. In het bijzonder
mag de afkoopwaarde nul zijn als bij beëindiging geen vergoeding wordt betaald.
De deelmodule specificeert drie berekeningen:
o Lapse shock down (neerwaartse onnatuurlijk vervalschok): een daling van
50% van de veronderstelde uitoefenpercentages voor polissen zonder een
positieve surrender strain (d.w.z. waarbij de afkoop een positief effect heeft
op de net asset value van de verzekeraar). Voor de verandering in het
49/56
percentage geldt een absoluut maximum van 20 procentpunt.
Lapse shock up (opwaartse onnatuurlijk vervalschok): een stijging van 50%
van de veronderstelde uitoefenpercentages voor polissen met een positieve
surrender strain (d.w.z. waarbij de afkoop een negatief effect heeft op de net
asset value van de verzekeraar). Het resulterende percentage na de schok
mag niet groter zijn dan 100%.
o Lapse mass shock (massale onnatuurlijk vervalschok): deze bestaat uit de
combinatie van de volgende factoren:
De afkoop van 30% van de verzekeringspolissen met een positieve
surrender strain, exclusief polissen voor niet-retail activiteiten
De afkoop van 70% van de verzekeringspolissen met een positieve
surrender strain voor niet-retail activiteiten
De uitkomst van de deelmodule is het maximum van deze drie uitkomsten. Het
werkblad vraagt om de uitkomst van alle drie deze berekeningen.
o
Kostenrisico
Het kostenrisicoscenario wordt gedefinieerd als de combinatie van:
o Een toename van de toekomstige kosten met 10% ten opzichte van de
prognoses gehanteerd bij de bepaling van de best estimate, en
o Een toename met 1% per jaar van de kosteninflatie boven het verwachte
niveau.
In het scenario moeten geen betalingen van kosten worden opgenomen als het
bedrag daarvan op de rapportagedatum al vaststaat.
Voor polissen met aanpasbare kostenopslagen moet rekening worden gehouden
met realistische managementacties met betrekking tot deze opslagen.
Herzieningsrisico
Deze risicomodule moet alleen worden gebruikt voor annuïteiten waarbij de
uitkeringen die op basis van de onderliggende verzekering verschuldigd zijn
kunnen toenemen als gevolg van veranderingen in de wetgeving of in de
gezondheidstoestand van de verzekerde persoon.
Hieronder vallen annuïteiten uit hoofde van schadeclaims, maar geen annuïteiten
uit hoofde van zorgverzekeringen die aan bod komen in de module Zorg
vergelijkbaar met leventechniek (Health SLT).
Het voorgeschreven scenario bestaat uit een toename met 3% van het jaarlijks
verschuldigde bedrag voor annuïteiten die zijn blootgesteld aan een
herzieningsrisico. Bij het beoordelen van het effect hiervan moet rekening
worden gehouden met de resterende uitlooptermijn van de annuïteiten.
Wij wijzen erop dat voor deze deelmodule ook een bedrijfsspecifieke parameter
(USP: undertaking specific parameter) kan worden gehanteerd. Verzekeraars die
gebruik maken van een USP moeten de gebruikte parameter vermelden in het
betreffende invoerveld. In de gerapporteerde USP moet de credibiliteitsweging al
zijn verwerkt (d.w.z. de USP moet bestaan uit het relevante gewogen gemiddelde
van de eigen historische volatiliteit en de standaard marktbrede parameter).
Catastroferisico leven (leven CAT risico)
De deelmodule catastroferisico leven beperkt zich tot polissen die zijn
blootgesteld aan het sterfterisico, d.w.z. polissen waarvoor een toename van de
sterfte leidt tot een toename van de technische voorzieningen.
Het scenario bestaat uit een absolute toename van het percentage polishouders
dat in het volgende jaar overlijdt met 1,5 per 1000.
Sectie 8 Verzekeringstechnisch risico voor verplichtingen uit hoofde van
zorgverzekeringen
In de sectie over zorgverzekeringstechnische risico’s wordt onderscheid gemaakt
tussen producten die actuarieel gezien vergelijkbaar zijn met leventechnieken
(SLT: similar to life techniques) en die daar niet mee vergelijkbaar zijn (non50/56
SLT). Dit correspondeert met de structuur van de tabbladen voor premies en
technische voorzieningen.
Dienovereenkomstig vormen de deelmodules die van toepassing zijn voor de
berekening van de SCR een afspiegeling van de deelmodules van hetzij de sectie
Leven hetzij de sectie Schade. Om deze reden zal de toelichting in deze sectie
regelmatig verwijzen naar de desbetreffende deelmodules daar, in plaats van de
tekst daarvan over te nemen.
Kapitaaleis voor zorgverzekeringstechnisch risico
De invoercellen in deze eerste sectie hebben alleen betrekking op de
toepasselijkheid van een bepaald risico. Andere cijfers worden afgeleid van elders
in het werkblad.
Zorgverzekeringstechnisch risico (vergelijkbaar met leventechnieken)
De enige invoercellen in deze deelsectie hebben ook hier alleen betrekking op de
toepasselijkheid van een bepaald risico.
Sterfterisico
De berekening hiervan is vergelijkbaar met die in de deelmodule Leven.
Langlevenrisico
De berekening hiervan is vergelijkbaar met die in de deelmodule Leven.
Invaliditeits- en morbiditeitsrisico
QIS5 maakt onderscheid tussen medische kosten en inkomensprotectie.
Invaliditeits- en morbiditeitsrisico voor medische kosten
Deze deelmodule voor medische kosten heeft geen direct equivalent in de sectie
Leven.
Deze deelmodule bevat twee hoofdscenario’s: een opwaartse schadeschok en een
neerwaartse schadeschok. Het scenario met een neerwaartse schadeschok hoeft
alleen te worden onderzocht voor polissen waarin een premieaanpassingsmechanisme is opgenomen dat voorziet in een verhoging van de
premies als de schades hoger uitvallen dan verwacht en in een premieverlaging
als de schades lager uitvallen dan verwacht. In andere gevallen mogen
verzekeraars ervan uitgaan dat het resultaat van dit scenario nul is.
De opwaartse schadeschok bestaat uit een veronderstelde toename met 1
procentpunt van de schade-inflatie, in combinatie met een permanente relatieve
wijziging in het schadeniveau van 5%.
De neerwaartse schadeschok vormt, indien van toepassing, het spiegelbeeld
hiervan.
Invaliditeits- en morbiditeitsrisico voor inkomensprotectie
De berekening hiervan is vergelijkbaar met die in de deelmodule Leven.
Zorg onnatuurlijk verval risico
De methodiek voor dit scenario is vergelijkbaar met die voor 'Leven’, alleen
worden andere parameters gebruikt. Voor het opwaartse en het neerwaartse
vervalrisico is het percentage 20% in plaats van 50%.
Kostenrisico
De berekening hiervan is vergelijkbaar met die in de deelmodule Leven.
Herzieningsrisico
De methodiek voor dit scenario is vergelijkbaar met die voor ‘Leven’, alleen wordt
een andere parameter toegepast: de veronderstelde stress is hier 4% in plaats
51/56
van 3%.
Wij wijzen erop dat voor deze deelmodule ook een bedrijfsspecifieke parameter
(USP: undertaking specific parameter) kan worden gehanteerd. Verzekeraars die
gebruik maken van een USP moeten de gebruikte parameter vermelden in het
betreffende invoerveld. In de gerapporteerde USP moet de credibiliteitsweging al
zijn verwerkt (d.w.z. de USP moet bestaan uit het relevante gewogen gemiddelde
van de eigen historische volatiliteit en de standaard marktbrede parameter).
Zorg vergelijkbaar met schadetechniek (niet vergelijkbaar met leventechniek)
De toegepaste benadering is in het algemeen vergelijkbaar met die voor Schade.
Een mogelijk aandachtspunt voor zorg vergelijkbaar met schadetechniek is echter
het bestaan van een zorgrisico vereveningssysteem (HRES:Health Risk
Equalisation System). Het risicomitigerende effect van een dergelijk systeem
komt tot uiting in de berekening van het premie- en schadevoorzieningrisico door
middel van een HRES correctieparameter.
De invoer voor de HRES moet worden ingevuld in rij 645-648.
Premie- en schadevoorzieningrisico
De onderliggende methodiek en berekening zijn vergelijkbaar met die voor de
submodule Schade. Ook hier zijn bedrijfsspecifieke parameters (USP) toegestaan.
Wij wijzen er op dat in de vermelde USP de credibiliteitweging al moet zijn
verwerkt (d.w.z. de USP moet bestaan uit het relevante gewogen gemiddelde van
de eigen historische volatiliteit en de standaard marktbrede parameter).
Onnatuurlijk vervalrisico zorg vergelijkbaar met schadetechniek (niet vergelijkbaar met
leventechniek)
De onderliggende methodiek en berekening zijn vergelijkbaar met die voor de
deelmodule schade.
Zorg CAT risico
De module zorg CAT risico is sterk gewijzigd ten opzichte van de specificaties van
QIS4. Dit is gebeurd om deze module risicogevoeliger te maken, met betrekking
tot zowel de mogelijke effecten van de gedekte risico’s als het mitigerende effect
van het herverzekeringsprogramma.
CEIOPS zal Helper tabs beschikbaar maken die de cijfers genereren waarom
wordt gevraagd in de invoercellen van deze deelmodule.
Sectie 9 Verzekeringstechnisch risico voor verplichtingen uit hoofde van
schadeverzekeringen
Het schadeverzekeringstechnisch risico bestaat uit het premie- en
schadevoorzieningrisico, het onnatuurlijk vervalrisico schade en het schade
catastroferisico.
Premie- en schadevoorzieningrisico schade
In deze module worden twee belangrijke bronnen van verzekeringstechnisch
risico behandeld: het premierisico en het schadevoorzieningrisico. Een korte
samenvatting:
o Het schadevoorzieningrisico betreft het risico dat de schadevoorzieningen (op
basis van best estimate) onvoldoende kunnen blijken te zijn en heeft derhalve
in essentie betrekking op een verstreken risicoperiode.
o Het premierisico heeft betrekking op de komende periode en het risico dat de
premies (met inbegrip van premievoorzieningen) onvoldoende kunnen blijken
te zijn.
De kapitaaleis voor zowel het premierisico als het schadevoorzieningrisico wordt
in essentie bepaald door twee componenten met elkaar te vermenigvuldigen:
o Een indicator voor het volume van de activiteit (exposure)
o Een indicator voor de volatiliteit van de activiteit (exposure)
52/56
Voor het premierisico bestaat de volume-indicator in wezen uit het bedrag van de
(verwachte) netto premies voor het komende jaar; voor het
schadevoorzieningrisico wordt de volume-indicator gevormd door de best
estimate van de schadevoorziening, na aftrek van vorderingen uit hoofde van
herverzekering en special purpose vehicles.
Voor de volatiliteitindicator kan gebruik worden gemaakt van standaard
marktbrede parameters of van bedrijfsspecifieke parameters (USP), voor zowel
het premie- als het schadevoorzieningrisico. Deze parameters zijn gebaseerd op
de standaarddeviatie van het onderliggende risico; de parameters zijn gelijk aan
ongeveer driemaal de standaarddeviatie.
Verzekeraars mogen bedrijfsspecifieke parameters gebruiken om de volatiliteit
weer te geven. Deze parameters zijn gebaseerd op de eigen historische
schaderatio’s van de individuele verzekeraar. In dit geval wordt de volatiliteit
berekend als een gewogen gemiddelde van de eigen historische volatiliteit en de
standaard marktbrede parameter: een langere historie met eigen cijfers geeft
meer gewicht aan de eigen cijfers en een evenredig lager gewicht aan de
standaard marktbrede parameters. CEIOPS is voornemens Helper tabs
beschikbaar te stellen ter ondersteuning van de berekening van de
bedrijfsspecifieke parameters. Deze USP-cijfers per branche moeten worden
ingevoerd in de relevante velden in kolom I.
Wij wijzen er op dat in de vermelde USP de credibiliteitweging al moet zijn
verwerkt (d.w.z. de USP moet bestaan uit het relevante gewogen gemiddelde van
de eigen historische volatiliteit en de standaard marktbrede parameter).
Het werkblad vereist ook de factor DIV. Deze vertegenwoordigt het voordeel uit
geografische spreiding, zoals al besproken in de toelichting op de tabbladen
‘Premiums’ en ‘Health non SLT and non-life’'. Zoals daar genoemd:
o Mogen verzekeraars ter vereenvoudiging van de berekening al hun
activiteiten binnen een branche onderbrengen in de belangrijkste
geografische regio. Dit kan relevant zijn voor veel kleinere verzekeraars die
grotendeels of uitsluitend actief zijn in hun thuismarkt. Er moet dan een DIVfactor van 1 (100%) worden gehanteerd.
o Volgens de Technische Specificaties moet een diversificatiefactor DIVlob van 1
(100%) worden gebruikt voor de branche krediet en borgtocht en wanneer de
standaarddeviatie voor premie- of schadevoorzieningrisico van de branche
wordt afgeleid van een bedrijfsspecifieke parameter.
Het werkblad voorziet eveneens in de invoer van een correctiefactor NP voor
niet-proportionele herverzekering, waardoor verzekeraars rekening kunnen
houden met het risicomitigerende effect van bepaalde excess of loss
herverzekeringen. De berekening van deze factor wordt beschreven in bijlage N
van de Technische Specificaties en valt buiten het bestek van deze handleiding.
Verzekeraars die deze factor niet berekenen dienen een waarde van 100% in te
vullen in het veld voor de NP correctiefactor.
De overige gegevens die nodig zijn om het premie- en schadevoorzieningrisico te
berekenen zijn al elders in het werkblad aanwezig en hoeven niet opnieuw te
worden ingevoerd.
Er wordt gevraagd om invoergegevens per branche. Het werkblad zorgt voor de
aggregatie.
Onnatuurlijk vervalrisico schade
Schadeverzekeringscontracten kunnen voor polishouders opties bevatten die een
aanzienlijke invloed hebben op de verplichtingen die hieruit ontstaan.
Voorbeelden zijn de optie om het contract voor het einde van de eerder
overeengekomen verzekeringsperiode te beëindigen of de optie om contracten te
verlengen tegen eerder overeengekomen voorwaarden.
Schadecontracten zonder dergelijke opties voor polishouders, of waarvoor de
aannames ten aanzien van het uitoefenpercentage van dergelijke opties geen
significante invloed hebben op de premievoorzieningen hoeven niet te worden
53/56
opgenomen in de berekeningen. Wanneer dit geldt voor de hele portefeuille
(behalve mogelijk voor een niet significant deel), mogen de drie gevraagde
componenten op nul worden gesteld.
Dit zou heel goed het geval kunnen zijn voor kleinere schadeverzekeraars die
redelijk eenvoudige producten aanbieden. Deze verzekeraars dienen dan een
waarde van nul in te vullen in de drie invoervelden.
Verzekeraars waarvoor dit vervalrisico van meer belang is dienen de Technische
Specificaties te raadplegen.
Schade CAT risico
De module catastroferisico schade is sterk gewijzigd ten opzichte van de
specificaties van QIS4. Dit is gebeurd om deze module risicogevoeliger te maken,
met betrekking tot zowel de mogelijke effecten van de gedekte risico’s als het
mitigerende effect van het herverzekeringsprogramma.
CEIOPS zal Helper tabs beschikbaar maken die de cijfers genereren waarom
wordt gevraagd in de invoervelden van deze deelmodule.
Tab SF MCR_G
Sectie 1 MCR topniveau berekening
Sectie 1 bevat de topniveau berekening voor de MCR. Omdat voor de MCR een
absoluut minimumbedrag geldt, vraagt deze sectie om het relevante bedrag van
de AMCR (Absolute Minimum Capital Requirement ofwel absolute minimum
kapitaaleis). Levensverzekeraars worden verzocht veld J17 in te vullen. Voor
schadeverzekeraars is dit veld J22. Composietverzekeraars moeten beide velden
invullen.
Sectie 2 Gedetailleerde berekening MCR
Deze sectie vraagt, in vier deelsecties, om meer uitvoerige informatie die nodig is
voor het berekenen van de MCR. Composietverzekeraar moeten zowel de levenals de schadesecties invullen. Kijk goed welke sectie van toepassing is.
Alleen sectie 2.4 bevat invoervelden. Alle overige informatie die nodig is voor
deze berekeningen wordt afgeleid van andere cijfers in het werkblad.
54/56
Resultaten
83.
Het ingevulde werkblad biedt inzicht in de belangrijkste onderdelen van de
financiële positie van een verzekeraar en de potentieel belangrijkste
kwantificeerbare risico's. Het werkblad biedt tevens een vergelijking
tussen de financiële positie onder het huidige regime en onder QIS5.
84.
Verzekeraars worden aangeraden om de QIS5 studie te gebruiken bij hun
verdere voorbereiding op Solvency II. De werkbladen – QIS5 werkblad en
Helper tabs - kunnen ook nuttig zijn bij een nadere analyse door de
verzekeraar, bijvoorbeeld bij het beoordelen van het effect van een
mogelijke
aanpassing
van
de
beleggingsstrategie
of
het
herverzekeringsprogramma. Verzekeraars worden ook uitgenodigd om te
bekijken of de standaard SCR-formule zoals getest in QIS5 kan worden
beschouwd als afdoend voor het weergeven van hun risicopositie.
85.
QIS5 bevat eveneens kwalitatieve vragenlijsten. Voor het succes van QIS5
is het van belang dat verzekeraars de betreffende vragenlijsten invullen.
55/56
Indiening van de werkbladen
86.
De nationale toezichthouders zullen uiteenzetten hoe de indiening precies
dient plaats te vinden30. U wordt verzocht niet alleen het ingevulde QIS5
werkblad, maar ook de gebruikte hulpprogramma’s en eventuele andere
vergelijkbare gebruikte programma’s mee te zenden. Deze gegevens zijn
zeer behulpzaam bij de beoordeling van de inzending door de
toezichthouder, maar ook, belangrijk, voor een goede terugkoppeling van
de bevindingen aan de individuele verzekeraars.
87.
Voorts herinneren wij u er aan ook de kwalitatieve vragenlijsten mee te
sturen. Deze bieden tevens de gelegenheid eventuele andere aanvullende
opmerkingen te maken.
30
Groepsinzendingen vallen buiten het bestek van deze handleiding.
56/56
Download