aftekenlijst

advertisement
MEDISCHE BASISKENNIS
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
2015/2016
2
INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
Inhoud:
1:1 inleiding:
1:2 anatomie:
1:3 fysiologie
1:4 topografie.
3
1:1 INLEIDING ANATOMIE FYSIOLOGIE EN PATHOLOGIE
Het menselijk lichaam bestaat uit weefsels en organen, die een nauwe samenhang met
elkaar hebben.
Dankzij allerlei ingebouwde regelmechanismen kan het lichaam functioneren.
Dat dit allemaal goed verloopt, vinden wij normaal maar dat er af en toe storingen optreden
is niet verwonderlijk. Het is een zeer complex gebeuren.
Stoornissen ontstaan:
 Enerzijds, door stoornissen vanuit het lichaam zelf, zoals:
o onder andere slijtage
 Anderzijds door continue bedreiging van buiten af, zoals:
o infectie verwekkende micro-organismen;
o geweld in allerlei vormen;
o het niet goed functioneren van een orgaan, of orgaansysteem.
Algemene regels, die van toepassing zijn op de medische woorden.
Uitspraak:
De klemtoon ligt op de 3e lettergreep van achteren. Als er minder dan drie lettergrepen zijn
ligt deze op de eerste.
Voorvoegsels. Leer ze uit je hoofd, want je komt ze steeds tegen!
intra
extra
infra
sub
supra
binnen
buiten
onder
onder
boven
inter
peri
tussen
rondom
ante
pre
post
voor
voor
na
per
para
doorheen
naast
Voorvoegsels bij pathologie:
itis
ontsteking
oom gezwel
ose
aandoening, gebruikt in tegenstelling tot itis.
Dus een niet ontstekingachtige aandoening, zoals artrose ten opzichte van artritis.
4
1:2 ANATOMIE
Anatomie (ontleedkunde) is de kennis van de bouw van het menselijk lichaam:
 macroscopische anatomie: Waarneming met het blote oog.
o Dit is de ontleedkunde, waarbij ontleed wordt met pincet of mes.
 microscopische anatomie: Waarneming met een microscoop, lichtmicroscoop en
elektronenmicroscoop.
o Hiermee worden de met het blote oog onzichtbare structuren, zoals weefsels
en cellen, zichtbaar gemaakt.
Anatomie is opgebouwd uit:
 cytologie, de leer van de cellen:
o De cel is de kleinste bouwsteen van het menselijke lichaam.
 histologie, de leer van de weefsels:
o Weefsels zijn opgebouwd uit een groot aantal cellen met dezelfde bouw en
functie.
 Een orgaan, bestaat uit verschillende weefsels, die met elkaar een
functie uitoefenen.
 embryologie, beschrijft de ontwikkeling van de cellen en weefsels;
 topografie, bestudeert de ligging van de organen ten opzichte van elkaar:
o Aanvullende informatie wordt verkregen door beeldvormende technieken.
 röntgen, CT-scanning, MRI, echografie en scintigrafie.
1:3 FYSIOLOGIE
Is de wetenschap van het functioneren van levende organismen. De normale werking en
eigenschappen van het lichaam. (logos = woord of leerstelling)
Het onderzoekt de werking van de organen en de wijze waarop deze elkaar onderling
beïnvloeden.
De Wereldgezondheidsorganisatie WHO heeft in 1948 een definitie over gezondheid
opgesteld en deze luidt:
 Gezondheid is een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en
maatschappelijk welzijn en niet slechts de afwezigheid van ziekte of andere
lichamelijke gebreken.
Lichaam reageert als een eenheid en is, van klein naar groot, opgebouwd uit:
 cel, is de kleinste bouwsteen;
 weefsel bestaat uit een groot aantal cellen met dezelfde bouw en functie;
o Zoals:spierweefsel, zenuwweefsel, dekweefsel, bind- en steunweefsel.
 orgaan, is opgebouwd uit verschillende weefsels, die samen een functie vervullen;
 orgaanstelsel, zijn verschillende organen en structuren, die samen aan een
levensfunctie werken; Deze overlappen elkaar regelmatig, zoals:
o het hormoon- en zenuwstelsel;
o uitscheiden van afvalstoffen gebeurt door: urinewegstelsel,
spijsverteringsstelsel en ademhalingsstelsel.
Cel
Een cel is een levend organisme en de kenmerkende eigenschappen hiervan zijn:
 stofwisseling is het opnemen, verwerken en uitscheiden van stoffen;
 verrichten van arbeid, kost energie;
 vermogen om op prikkels uit de omgeving te reageren;
 voortplanting;
5
 groei, door stofwisseling.
Voor het functioneren van de cel, moet deze:
 worden voorzien van zuurstof en voedingsstoffen;
 afvalstoffen, o.a. koolzuur, moet verwijderd worden;
 bereikbaar zijn voor prikkels.
Vegetatieve functies, onwillekeurige functies of autonome functies, (vegetare = groeien).
Dit zijn de functies voor de bouw en energie voorziening van het lichaam. Hiertoe behoren:
 stofwisseling, is de opname van voedingsstoffen en het omzetten hiervan in
energie;
 ademhaling, de opname van zuurstof en de afgifte van koolzuur in de longen;
 warmtehuishouding, de regulatie hiervan is de temperatuurszin;
 uitscheiding, dit geschied via:
o de nieren, de afvalstoffen worden met de urine uitgescheiden.
o de darmen de afvalstoffen worden met de ontlasting uitgescheiden.
o verder ook via de ademhaling en de huid.
 vervoer, via het bloedvatenstelsel, zoals zuurstof, koolzuur en voedingsstoffen;
 coördinatie van al deze processen:
o Via vegetatieve zenuwstelsel en hormoonstelsel.
Animale functies of willekeurige functies, (anima = leven) de hogere functies zijn voor:
 beweging;
 contact met de omgeving via zintuigen;
 psychische processen;
 voortplanting.
Voor al deze processen zijn orgaanstelsels nodig, zoals:
 beenderstelsel;
 spierstelsel;
 spijsverteringsstelsel;
 vaatstelsel:
o zoals, hart, bloedvaten en lymfevaten;
 ademhalingsstelsel;
 nieren en urinewegen;
 geslachtsorganen;
 zintuigen;
 hormoonstelsel;
 zenuwstelsel.
6
1:4 Pathologie
Pathologie (pathos = lijden, emotie of aandoening)
De ziekteleer dit beschrijft, het niet goed functioneren van orgaan of orgaansysteem. Dit kan
zich uiten in pijn en/of ziek zijn. Als zodanig is het een onderdeel van de geneeskunde. Op
grond daarvan kan men de pathologie onderverdelen in de etiologie, de oorzaken van een
pathologisch proces en de nosologie (nosos = ziekte logos = leer): de indeling van de ziekten.
Het vakgebied behelst de diagnostiek van ziekten en het onderzoek naar oorzaken en
mechanismen voor het ontstaan ervan.
De klinisch patholoog is een medisch specialist, die met behulp van de microscoop op celen weefselmateriaal van patiënten diagnosen stelt. Daarnaast wordt er op een afdeling
Klinische Pathologie postmortaal (=na de dood), diagnostisch onderzoek verricht.
De patholoog:
 werkt vooral op aanvraag van andere medisch specialisten;
 onderzoekt cellen, weefsels, vochten, uitstrijkjes of ander lichaamsmateriaal;
 onderzoekt patiënten die zijn overleden:
o Dit is ‘sectie’ of ‘obductie’. Gebeurt alleen als nabestaanden hier toestemming
voor geven.
1:5 TOPOGRAFIE, PLAATSAANDUIDINGEN
Om de ligging van verschillende lichaamsdelen te beschrijven wordt een internationale
standaard naamgeving gebruikt, uitgaande van de anatomische houding.
Hierbij staat het lichaam rechtop, met de voeten plat op de grond evenwijdig aan elkaar,
knieën gestrekt, het hoofd naar voren gericht, de armen hangen met de handpalmen naar
voren gericht gestrekt langs het lichaam.
De verschillende vlakken zijn:
 transversale vlak of horizontale vlak (transversaal = in dwarse richting); Deze
vormen de dwarsdoorsneden door het lichaam, of lichaamsonderdelen.
o Het loopt loodrecht op de andere vlakken en verdeelt lichaam of
lichaamsonderdelen in een boven en onderkant.
o Kan op elke lichaamsniveau getrokken worden.
o Transversale as, as in transversale vlak, loodrecht op saggitaal vlak.
o Longtiduale as (in de lengterichting) loopt van boven naar beneden door het hoofd en de stuit
dus verticaal gericht.
o Longitudinale as, staat in het frontale vlak loodrecht op het transversale vlak.
 verticale vlak is onderverdeeld in:
o frontale vlak, gaat door de lichaamsas, evenwijdig aan de borst, buik en rug;
 Het verdeelt het lichaam in een voor en een achterkant.

Als dit vlak dwars door het lichaam loopt spreken we van mediofrontaal vlak.
(medio = midden) (frons = voorhoofd, frontaal = evenwijdig aan het
voorhoofd).
o sagittale vlak, (sagitta = pijl, de richting van een afgeschoten pijl);
 Dit is het vlak dat door de lichaamsas gaat en loopt van voor naar
achteren.
o mediane vlak, als het sagittale vlak dwars door het midden loopt.(mediaan =
middelste);
o sagittale as, as in het sagittale vlak, loodrecht op het frontale vlak.
7
mediaal:
lateraal:
naar het midden toe;
naar de zijkant toe, van het midden
vandaan;
superior:
aan de bovenzijde;
inferior:
aan de onderzijde;
anterior:
aan de voorzijde (buikzijde);
posterior: aan de achterzijde (rugzijde);
ventraal:
aan de buikzijde, zelfde betekenis als
anterior.
dorsaal:
aan de rugzijde, zelfde betekenis als
posterior;
rostraal:
aan zijde van gezicht;
caudaal:
aan de onderzijde;
craniaal:
aan de bovenzijde;
proximaal: dichtstbijzijnde punt t.o.v. lichaam op
extremiteiten (ledematen);
distaal:
verst gelegen, t.o.v. lichaam, naar
einde van de extremiteiten toe;
centraal:
in de omgeving, of midden van het
lichaam;
perifeer:
aan de omtrek of buitenkant van
een structuur.
extern:
naar de buitenkant van een structuur
toe;
intern:
naar de binnenkant van een structuur
toe;
palmair:
zijde van de handpalm;
plantair:
zijde van de voetzool;
radiaal:
zijde van het spaakbeen (radius) of
duimzijde;
ulnair:
zijde van de ulna (ellepijp) of
pinkzijde.
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

Rekenen

3 Cards Patricia van Oirschot

Create flashcards