kabinet en regering / §4:Het Parlement

advertisement
Samenvatting Politiek ma2
1
parlementaire democratie
Toets november 2009
Hele boek!!!
2
§1: politiek, staat en dictatuur
Politiek: het maken van keuzes zodat een land, een
provincie of een gemeente kan worden bestuurd
Invloed door:
- Stemmen
- Lid worden van politieke partij
- Contact opnemen met politici
- Verzoek indienen (bvb bij gemeenteraad)
- Media benaderen
- Aansluiten bij actiegroep
- Bezwaarschrift schrijven (rechter)
- Burgelijke ongehoorzaamheid (kerk zet geen
asielzoekers uit)
3
§1: politiek, staat en dictatuur
Dictatuur
Democratie
- Cuba (Fidel Castro)
- Nederland
- 1 persoon/groep/familie/partij - Volksvertegenwoordiging
militairen aan de macht
- Tegenoversgestelde van democratie
- Grondwet geldt niet
- Grondwet met basisrechten
- Fraude bij verkiezingen
- Geheime/vrije verkiezingen
- Geen gelijke rechten
- Gelijke rechten voor iedereen
- Burgers onderdrukt
- Burgers recht op vrijheid
- Censuur
- Persvrijheid
- Niet je mening uiten
- Vrijheid van meningsuiting
- Manipulatie/indoctrinatie
- Indirecte democratie
- Onderdanen
- burgers
- Nooit een rechtsstaat
- rechtsstaat
- Rechters niet onafhankelijk
- trias politica
4
- Heerst veel angst
- leven in vrijheid
§2: Nederland is een rechtsstaat en democratie
2 Basiselementen voor democratie:
1. Alle 18+ inwoners met NL paspoort kunnen d.m.v.
algemeen kiesrecht invloed uitoefenen op de
besluitvorming
2. Aantal grondrechten is gewaarborgd om in vrijheid
invloed te kunnen uitoefenen.
(er is enkel sprake van democratie als er ook een
rechtsstaat is)
Gelijkheid: alle burgers hebben gelijke rechten. Er mag
niet worden gediscrimineerd.
Vrijheid: burgers moeten hun eigen leven kunnen inrichten.
5
§2: Nederland is een rechtsstaat en democratie
Grondwet: Wet waarin de belangrijkste rechten en plichten van alle
inwoners in een land zijn vastgelegd.
alle andere wetten zijn hierop gebaseerd.
Wat staat er o.a. in de grondwet:
1. Algemeen kiesrecht
2. Regelmatige verkiezingen
3. Vrijheid van meningsuiting
4. Vrijheid van vereniging en vergadering
5. Machtenscheiding (triaspolitica)
6. Persvrijheid
7. Recht om politieke partij op te richten
8. Recht op gelijke behandeling
9. Recht om niet zomaar door de politie te worden opgepakt.
§2: Nederland is een rechtsstaat en democratie
Rechten:
1. Algemeen kiesrecht
2. Recht om politieke partij op te richten
3. Recht op gelijke behandeling
4. Recht om niet zomaar door de politie te worden opgepakt.
Plichten:
1. Plicht om belasting te betalen
2. Plicht om naar school te gaan. Leerplicht
3. Plicht om je id bij te hebben
§2: Nederland is een rechtsstaat en democratie
•
•
•
•
•
•
Directe democratie:
Burgers kunnen rechtstreeks meepraten en
beslissen.
Alleen bij weinig inwoners
Soms via referendum: volksstemming
Indirecte democratie:
via een volksvertegenwoordiging.
burgers stemmen op vertegenwoordigers die hun
belangen behartigen in de politieke besluitvorming.
Deze hebben de meeste landen in de wereld
8
§2: Nederland is een rechtsstaat en democratie
Rechtsstaat: een land waarin iedereen rechten heeft en
waar deze rechten zijn vastgelegd in wetten.
Triaspolitica (machtenscheiding)
Door deze splitsing voorkomen we machtsmisbruik.
Hierdoor heeft dus nooit één groep alle macht.
Wetgevendmacht:
1e en 2e kamer
beslissen over
de
wetsvoorstellen
Uitvoerendemacht:
ministers (en
ambtenaren zoals
de politie) voeren
de wet uit
Rechterlijkemacht:
de rechters
oordelen in
specifieke situaties
of er volgens de wet
is gehandeld.
9
§2: Nederland is een rechtsstaat en een democratie
Eens per 4 jaar stemmen voor:
- Tweede kamer
- Provinciale Staten
- Gemeenteraad
Eens per 5 jaar stemmen voor:
- Europees Parlement
10
§2: Nederland is een rechtsstaat en een democratie
Passief kiesrecht:
Gekozen kunnen worden als
lid van de Tweede Kamer en
de andere volksvertegenwoordigende lichamen:
verkiesbaar stellen
Actief kiesrecht:
Nederlanders van 18 jaar en
ouder met Nederlands paspoort
hebben het recht om te
stemmen
11
§2: Nederland is een rechtsstaat en een democratie
Lijsttrekker:
de hoogst geplaatste persoon op de
kandidatenlijst van een politieke partij bij
verkiezingen. De belangrijkste persoon van
de partij in de verkiezingsstrijd.
Zwevende kiezers:
Groep kiezers die bij verkiezingen niet steeds
op dezelfde politieke partij stemt.
Voorkeursstemmen:
Stemmen op een persoon (niet op een partij)
waardoor die misschien wel in de
tweedekamer komt, ondanks dat die laag op
de lijst staat.
12
§2: Nederland is een rechtsstaat en een democratie
Evenredige vertegenwoordiging: alle zetels
worden gelijk verdeld op baisis van alle geldig
uitgebrachte stemmen.
Kiesdeler
- Aantal geldig uitgebrachte stemmen
150 zetels
- Voorbeeld:
7.500.000 geldig
uitgebrachte stemmen
dan is de kiesdeler:
7.500.000/150
= 50.000 stemmen
1 zetel
voor 1 zetel nodig.
13
§3: kabinet en regering / §4:Het Parlement
parlement
Premier
Staatssecrtarissen
Tweede kamer
Ministeries
Ong. 15
150
Koningin
Kabinet
Regering
Volksvertegenw
oordiging
Staten-Generaal
Indirect gekozen
Ministers
Ministerraad
Eerste kamer
Direct gekozen
75
14
§3: kabinet en regering / §4:Het Parlement
Parlement (ookwel: Staten-Generaal of Volksvertegenwoordiging)
Tweede kamer
Eerste kamer
150
75
Direct gekozen
Regering
Koningin
Indirect gekozen
Ministerraad
Ministers
Kabinet
Staatssecretarissen
Ong. 15
Premier: leider kabinet (minister president)
Ministeries: gespecialiseerde beleidsterreinen
15
§3: kabinet en regering / §4:Het Parlement
16
§3: Kabinet en regering
Tweedekamer verkiezingen  dan de
kabinetsformatie
Formatie van ministers die:
- Het samen globaal eens zijn over het
toekomstig beleid
- Samen de meerderheid van de zetels
hebben (de helft + 1 = 76)
17
§3: Kabinet en regering
Hoe gaat de kabinetsformatie:
1. Vergadering met:
- Koningin
- Vice-president Raad van State
- Voorzitters 1e en 2e Kamer
- Fractievoorzitters
2. Koningin benoemt informateur
- Deze onderzoekt welke partijen misschien samen kunnen
- Laat partijen compromissen sluiten
- Stelt samen met coalitiepartijen het regeerakkoord op
3. Koningin benoemt formateur
- Zoekt geschikte ministers en staatssecretarissen
- Is meestal afkomstig van de grootste regeringspartij en
wordt meestal minister president
4. Koningin benoemt ministers en staatssecretarissen
5. Foto op het bordes
18
§3: Kabinet en regering
§3: Kabinet en regering
De (nieuwe) regering noteert de
belangrijkste plannen voor komende
4 jaar in een regeerakkoord.
§3: Kabinet en regering
Huidige regeringspartijen:
Huidige oppositiepartijen:
§3: Kabinet en regering
Wat doet de koningin?
- Zet handtekening onder alle
wetten
- Leest de troonrede voor
- Overlegt met de minister
president
- Vertegenwoordigt ons land in het
buitenland
- Helpt ná de verkiezingen met het
vormen van de nieuwe regering
- Onschendbaar
24
§3: Kabinet en regering
Ministers zijn politiek verantwoordelijk voor hun
beleidsterrein (portefeuille)
Maken zij een ernstige fout:
- Aftreden
Of
- Kamerleden dienen motie
van wantrouwen in
(aangenomen = ook aftreden)
Motie van wantrouwen tegen hele kabinetsbeleid =
kabinetscrisis
25
§4: Het Parlement
26
§4: Het Parlement
Een politieke partij:
1.
2.
3.
Heeft ideeën over alle belangrijkste beleidsterreinen
(programma)
Stelt kandidaten bij verkiezingen
Ze komen op voor het algemeen belang
Een pressiegroep:
1.
2.
3.
Heeft ideeën over enkele belangrijke beleidsterreinen
Stelt zich NIET verkiesbaar
Probeert de politiek te beïnvloeden
27
§4: Het Parlement
Coalitieregering:
Regering die uit meerdere partijen bestaat.
Regeringspartijen:
Heeft leden In het parlement én in de regering
(de meerderheid zelfs)
Oppositiepartijen:
Heeft leden in het parlement
Let op regering + stelt dingen voor
28
§4: Het Parlement
Wat doet het Parlement?
Wetgevende taak:
Stemrecht bij wetsontwerpen
Budgetrecht = rijksbegroting wel of niet goedkeuren
Initiatief = wetsontwerp indienen
Amendement = bij meerderheid veranderingen aanbrengen in
wetsvoorstellen
Controlerende taak:
Vragenrecht = elke dinsdag vragen stellen aan ministers
Moties = bijvoorbeeld een motie van wantrouwen aannemen of
indienen
Houden van interpellatie over belangrijk onderwerp  spoeddebat
Parlementaire Enquête houden, onderzoekscommissie vormen,
29
onder ede laten getuigen.
§4: Het Parlement
Van wetsontwerp naar wet:
1. Regering maakt wetsontwerp 
2. Zendt ontwerp naar Tweede Kamer
fractiespecialisten bekijken het, kunnen punten wijzigen,
stellen vragen aan de minister: debateren. Daarna geeft
voltallige Tweede Kamer het oordeel over het wetsontwerp 
3. Meerderheid Tweede Kamer voor  gaat naar Eerste kamer
Mag géén wijzigingen meer aannemen, bekijkt het nog eens
goed, zegt: “ja” of “nee” (bijna altijd; “ja”)
4. Betreffende minister + koningin zetten handtekening onder de
wet
5. Wet komt in de Staatscourant
30
§5: Gemeente en provincie
Gedecentraliseerde eenheidsstaat:
Rijk beslit grote lijnen, gedetailleerde invulling
wordt aan lagere overheden overgelaten.
Voordelen:
Nadelen:
-Meer eenheid
-Lokale bevoegdheden
zijn beperkt
-Meer centrale sturing
-Maar niet alles
centraal geregeld
-Betere afstemming
-Meer lokale
zeggenschap
-Té veel centrale sturing
-Te veel
verscheidenheid
31
§5: Gemeente en provincie
Gemeente:
4 jaar stemmen  gemeenteraad
Taken liggen dichter bij huis
- Bestemmingsplannen
- Verkeer
- Openbaar vervoer
- Woonerven
- Sport en onderwijsvoorzieningen
- Horeca vergunningen
32
§5: Gemeente en provincie
Het college van B&W:
- College van Burgemeester en Wethouders.
- Voert het beleid uit.
- Worden benoemd door de gemeenteraad.
Gemeenteraad:
- neemt besluiten
- controleert het college van B&W.
- Wordt gekozen door de bevolking.
De burgemeester:
- is voorzitter van de gemeenteraad en College van
B&W.
- Wordt benoemd door de regering.
33
§5: Gemeente en provincie
Provincie:
4 jaar stemmen  provinciale staten
- Taken liggen bij:
- Ruimtelijke ordening
- Verkeer
- Milieu
- Toezicht op gemeenten
- Toezicht op waterbeheer
34
§5: Gemeente en provincie
Ledental Provinciale Staten hangt
af van aantal inwoners van de
provincie.
De Provinciale Staten kiezen de
leden van de Gedeputeerde
Staten (dagelijks bestuur)
35
§5: Gemeente en provincie
Dagelijks bestuur:
College van B en W
Benoemd door
GR
Benoemd door
regering
Burgemeester
Wethouders (2-9)
Géén lid GR
Gemeenteraad (9 tot 45 leden)
Gekozen door de bevolking
36
§5: Gemeente en provincie
Dagelijks bestuur:
College van Gedeputeerde Staten
Benoemd door
PS
Benoemd door
regering
Commissaris van
de Koningin
Gedeputeerden (6-8)
Géén lid PS
Provinciale Staten (39 tot 83 leden)
Fractie 1
oppositie
Fractie 2
oppositie
Fractie 3
college
Fractie 4
college
Fractie 5
college
37
§6: Nederland en Europa
EU: Europese Unie
- Eigen munteenheid (€)
- Zorgt voor vrede
- Meer concurrentie in
europa
- Vooral ecnomische
belang
- Eens per 5 jaar gekozen
38
§6: Nederland en Europa
EU: Europese Unie: nadelen
- Verlies nationale
soevereiniteit: De
Nederlandse regering kan
niet alles zelf beslissen
- Weinig democratisch
karakter
- Nederlandse burger hebben
minder invloed op besluiten
van de EU (dan van onze
nationale regering)
39
- Verlies werkgelegenheid
§6: Nederland en Europa
Er zijn drie instellingen die samen het bestuur
van de Europese Unie vormen:
• Europese Commissie
• Europees Parlement
• Raad van Ministers
40
§6: Nederland en Europa
Europese Commissie:
- het 'dagelijks bestuur‘
- initiatief tot voorstellen voor wetgeving en
maatregelen op Europees niveau
- zorgt voor uitvoering van de wetten
41
§6: Nederland en Europa
Het Europees Parlement
- Eens per 5 jaar gekozen
- Zorgt ervoor dat wetten democratisch tot
stand komen.
- Adviseert of beslist over de wetsvoorstellen.
- Beslist over de toetreding van nieuwe
landen.
- Controle over de Europese Commissie.
42
§6: Nederland en Europa
Raad van Ministers
- de ministers van de afzonderlijke lidstaten
nemen de uiteindelijke beslissing over de
wetgeving in de Unie.
- Overleggen met regeringsleiders (euro-top)
- Luisteren naar voorstellen van de
Commissie en het advies van het Europees
Parlement.
43
§6: Nederland en Europa
Leden van de EU:
44
§6: Nederland en Europa
45
§6: Nederland en Europa
Verenigde Naties (VN)
- Bijna alle landen van de wereld zijn er lid van
- Doel: komende generaties behoeden voor
oorlog
- Door internationale vrede en veiligheid te
handhaven
- Samen werken bij natuurrampen, oorlog,
hongersnood en armoed
- Respect bevorderen van mensenrechten
vlag VN:
46
§6: Nederland en Europa
Bestuur van de Verenigde Naties (VN)
Er zijn zes bestuursorganen die de
werkzaamheden van de organisatie
aansturen:
1. de Algemene Vergadering
2. de Economische en Sociale Raad
3. het Internationaal Gerechtshof
4. het Secretariaat (secraterus-generaal)
5. de Trustschapsraad (tegenwoordig inactief)
6. De Veiligheidsraad
47
§6: Nederland en Europa
Taken:
- Van september tot december bespreken ze de
problemen in de wereld
- Soms komt er een resolutie.
Dat is een soort niet bindende wetgeving
- Ze kunnen voorstellen om een land te boycotten
- Vredestroepen: ze kunnen militairen sturen naar
een gebied. (zoals de Nederlandse Blauwhelmen)
48
§7:Knelpunten in de politiek
Er zijn veel knelpunten in de politiek:
- Politiek vinden veel mensen niet
interessant: de afstand is groot tussen
kiezers en politici
- Parlement hebben wij gekozen: zij zouden
meer macht moeten hebben dan de
regering
- Regeringspartijen maken regeerakkoord,
parlement heeft weinig te vertellen:
49
meerderheid is toch wel voor.
§7:Knelpunten in de politiek
- Parlement neemt soms een besluit tegen
de wil van de NL-bevolking
- Sommige problemen zijn nou eenmaal
moeilijk op te lossen
- Regels zijn té ingewikkeld daarom weinig
vertrouwen in de politiek (bureauctatie)
- Soms houden aan de regels op Europees
niveau, ookal niet mee eens
50
§7:Knelpunten in de politiek
- Referendum: Kiezers stemmen direct
over een bepaald onderwerp.
- Regionale kandidaatstelling: kandidaten
voor politieke partijen moeten uit de
verschillende regio’s komen.
- Deregulering: taken worden steeds meer
uitgevoerd door gemeente en provincie in
51
plaats van landelijk.
§8: Politieke besluitvorming
Stelsel van politieke besluitvorming.
Voor het nemen van een besluit/het maken
van een wet moet altijd eerst een reden
zijn. Er zijn 5 fasen waarin de besluiten
genomen worden binnen de politiek:
52
§8: Politieke besluitvorming
Stelsel van politieke besluitvorming:
poortwachters: kijken of het probleem belangrijk genoeg is om op de politieke agenda te komen
Fase 1:
Invoer
Fase 2:
Omzetting
Fase 3:
Besluitvorming
Fase 4:
Uitvoer
Fase 5: Terugkoppeling: werkt de maatregel/wet? Evalueren.
Uiten van
wensen,
verlangens en
behoeften.
VB Er wordt actie
gevoerd omdat er
te veel tussen
uren zijn
Prioriteit bekijken,
onderzoeken wat
mogelijke
oplossingen zijn
-Meer huiswerkuren
-Vroeger/later naar school
-Zaterdag ook naar school
-Etc….
(Voorlopig)
besluit wordt
genomen.
Meer huiswerkuren
beste oplossing
Wat vindt het
parlement?
Besluit wordt
uitgevoerd.
Scholen moeten
huiswerkbegeleid
uren instellen.53
§9: Burgers, de media en pressiegroepen
Wie hebben er invloed op de politiek?
• Media
• Burgers
• Pressiegroepen
– Belangengroepen
– actiegroepen
54
§9: Burgers, de media en pressiegroepen
Media vervult 5 functies:
1. Informatieve functie: informatie geven over bepaalde
gebeurtenissen en besluiten die genomen worden
2. Agendafunctie: journalisten zien problemen die onder
de bevolking speelt en brengt dit onder de aandacht
3. Commentaar- en meningsvormende functie: media
levert kritiek op de politiek
4. Controlerende functie: media houdt de politiek in de
gaten
5. Spreekbuisfunctie: bevolking kan zelf via media hun
mening geven
55
§9: Burgers, de media en pressiegroepen
Wat kunnen burgers doen?
- stemmen: door hun stem hun mening laten horen
- Spreekrecht: tijdens hoorzittingen in de 2e Kamer,
Gemeenteraad, etc
- Lid worden van een politieke partij
- Zelf een politieke partij oprichten
Partij voor naatenliefde, vrijheid en diversiteit/pedopartij:
Gesprek met Pnvd voorzitter Artikel over 'pedopartij‘
- Contact opnemen met politici
- verzoek/klacht/bezwaarschrift indienen
- Media inschakelen (spreekbuisfunctie)
- Lid worden van pressiegroep
- Demonstreren
- Nationale Ombudsman inschakelen:
www.nationaleombudsman.nl/
56
§9: Burgers, de media en pressiegroepen
Pressiegroepen hebben bepaalde belangen en proberen
darom invloed uit te oefenen op de besluiten van de
politici.
Pressie: onderstuk zetten
Belangengroepen: komen op voor een bepaalde groep uit
de samenleving.
VB: patiëntenverenigingen, consumentenbond,
winkeliersvereniging, vakbonden, Laks
Actiegroepen: zetten zich (soms voor korte tijd) in voor
een duidelijk probleem. Verschillende mensen kunnen
hierin deelnemen.
Actieorganisaties: Greenpeace, amnesty international,etc57
§9: Burgers, de media en pressiegroepen
Hoe krijgt een Pressiegroep macht?
-
Kennis
Grootte van de groep
Geld
Toegang tot media
Toegang tot politici
Charisma van de leider
Zitting hebben in het bestuur
58
§10: politieke stromingen
Links:
• Gelijkheid/
gelijkwaardigheid
• Actieve overheid/ grote Midden:
rol voor de staat.
• Naastenliefde
• komen op voor mensen
(elkaar helpen)
met een zwakke positie • hechten veel waarde
Rechts:
in de samenleving
aan het gezin
• Partijen met progressieve • beperkte rol voor de • Vrijheid
uitgangspunten.
• Passieve overheid/
staat
beperkte rol voor de staat
• Meestal richting
• conservatieve
socialisme
• economische vrijheid
uitgangspunten
• Christelijke normen • partijen met
conservatieve
en waarden
uitgangspunten
• Meestal richting liberaal
Midden
§10: politieke stromingen
Christendemocratie:
-
Zit tussen links en
rechts in
hechten veel waarde
aan het gezin en
Christelijke normen
en waarden 
-
-
Geloof
Bijbel schrijft voor hoe
de mens zich dient te
gedragen
60
§10: politieke stromingen
Liberalen:
- Vrijheid als het ideaal
-Economische vrijheid
-Persoonlijke vrijheid
- De ontwikkeling van het individu staat
voorop.
- Het individu is verantwoordelijk voor
het inrichten van zijn leven.
-Overheidsbemoeienis moet hierbij
minimaal zijn.
Politiek midden
61
§10: politieke stromingen
Socialisme / Sociaal- democratie
- Gelijkheid de belangrijkste waarde
- de staat moet het verschil in economische macht, dus
arm en rijk, voorkomen.
- voor een eerlijke samenleving met gelijke kansen
- Veel overheidsbemoeienis om sociale en
maatschappelijke problemen op te lossen
- sterke antipathie voor een (te) vrije markt.
Politiek midden
62
§10: Politieke stromingen
Confessionalisme
-
Politieke opvattinge gebasseerd op geloofsovertuiging
Rentmeesterschap: als mens goed voor de aarde zorgen
Gespreide verantwoordelijkheid: ‘zorgzame samenleving’
Maatschappelijk middenveld: overheid aanvullende rol, de
rest overlaten aan bvb welzijnsinstellingen en
schoolbesturen.
Confessionalisme
Politiek midden
63
§10: Politieke stromingen
Progressief:
is een politieke stroming gebaseerd op progressie
- Vooruitgang, toenemend, vooruitgaand, zich
uitbreidend
- Hoort meestal bij de links/sociaal-democratische
denkwijze
Conservatief:
is een politieke stroming die zich grondvest
op de traditie.
Latijnse conservare, dat "in ongeschonden toestand
bewaren" betekent.
Weinig verandering, het oude in takt willen houden
Hoort meestal bij de rechtse/liberale en
Christen=democratische visie
64
§10: Politieke stromingen
§10: Politieke stromingen
Communisme:
een extreme vorm
van socialisme
Gelijkheid staat
centraal
productiefactoren
beheerd door de
staat.
Particuliere eigendom
is niet toegestaan.
Fascisme:
Heeft zeer nationalistische
en autoritaire beginselen.
Keert zich tegen vrijheid,
gelijkheid en tolerantie
Voelen bedreigd door
maatschappelijke
veranderingen en ‘vreemde
groepen’
Verering eigen natie en volk
Agressieve rassenleer
Confessionalisme
66
Socialisme
Links
Communisme
Confessionalisme Liberalisme
Politiek midden
Christendemocratie
Rechts
Fascisme
67
§11: linkse en rechtse partijen
Partijen in de 2e kamer op volgorde van
aantal zetels:
§11: linkse en rechtse partijen
Partijen in de 2e kamer: links
-Meest links. Komt op voor belangen arme mensen. Goede
uitkeringen! Rijken meer belasting betalen. Goedkope
gezondheidszorg.
-Komt op voor milieu. Ongelijkheid tussen mensen tegengaan.
Gratis kinderopvang/ meer vrouwen werken. Schone energie
gebruiken. Kraamverlof voor vaders. Geen koningshuis meer.
-Komt op voor belangen van dieren. Rechten van het dier
opnemen in grondwet. Dierenmishandeling streng straffen.
Einde aan dierproeven. Verbod gebruik dieren in reclame/films
-Overheid zorgt vooral voorvoldoende werkgelegenheid.
- Door ziekte, handicap of ouderdom niet werken: overheid
geeft uitkering! Tot 27 jaar werk/leerplicht. Geld aan bedrijven
voor langdurig werklozen. Discriminatie bij bedrijf = boete!
§11: linkse en rechtse partijen
Partijen in de 2e kamer: Midden
-Democratie vernieuwen. Meer macht voor burgers. Meer geld
voor onderwijs. Soepel ontslagrecht. Kiezen burgemeester en
minister president. Gevangenisstraf = taakstraf. Meer eu.
-Protestants/christelijk. Hulp aan vluchtelingen in ons land.
Geen abortus en euthanasie. God beslist. Zuinig zijn op de
aarde (is van god), kinderbijslag aan gezin met kinderen.
Alcohol en drugsgebruik streng aanpakken.
-Christelijke partij. Mensen moeten voor elkaar zorgen. In
noodgevallen helpt de overheid. Overheid niet bemoeien met
opvoeding kinderen. Maatschappelijke stage jongeren
verplicht. Altijd hulp geven aan ontwikkelingslanden.
§11: linkse en rechtse partijen
Partijen in de 2e kamer: Rechts
-Vrijheid belangrijkst! Meer wegen aanleggen ivm files,
werkgevers vrijheid geven (zoals makkelijk ontslaan). Meer
geld voor politie.
-Gereformeerde partij. Regeren volgens de bijbel. Mensen
beschermen, verder niet mee bemoeien. Abortus en
euthanasie en homohuwelijk verboden. Moord = doodstraf.
-Harde uitspraken over Islam. Mensen zelf verantwoordelijke
voor hun gedrag, iedereen aanpassen aan regels van dit land.
Ook ander geloof/cultuur. Zo niet: Hoge straf. Na 3
geweldsmisdrijven: levenslang. Weinig immigranten toelaten.
§11: linkse en rechtse partijen
Soorten Partijen:
- Op basis van IDEOLOGIE: ontstaan door
dezelfde ideologiën/stromingen
- ONE-ISSUEPARTIJEN: gericht op 1 aspect
in de samenleving. (PvdD)
PROTESTPARTIJEN: ontstaan uit onvrede
met bestaande politiek. (LPF)
- NIET-DEMOCRATISCHE parijen: zoals
fascisitische partijen. Komen niet vaak voor
in parlementen.
72
§11: linkse en rechtse partijen
Functies van partijen:
- Integratiefunctie: het partijenprogramma
- Informatiefunctie: informeren over
standpunten
- Participatiefunctie: burgers stimuleren actief
aan politiek te doen
- Selectiefunctie: mensen die in de politiek
willen, kijken bij welke partij ze willen ed.
73
Analyse
maatschappelijk
vraagstuk
74
Analyse maatschappelijke vraagstukken
• Een maatschappelijk probleem:
1. Sociaal probleem: veel mensen hebben er
mee te maken
2. Verschillende meningen: het is niet snel op
te lossen omdat er vaak zoveel
verschillende meningen over zijn
3. Overheid: de overheid moet erbij betrokken
zijn om dit probleem te kunnen oplossen
4. Aandacht van de media: het probleem
moet de aandacht van de media krijgen.
75
Analyse maatschappelijk vraagstuk
Formele macht:
Deze macht is officieel vastgelegd in wetten
en regels (gezag)
Voorbeeld: de burgemeester verbied een
boetbalwedstrijd.
Informele macht:
Macht die niet officieel is vastgelegd
(invloed)
Vb: ‘regels’ die binnen je vriendengroep
gelden
76
Analyse maatschappelijk vraagstuk
Machtsmiddelen: Om macht te kunnen hebben, bestaan er
machtmiddelen.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Functie/beroep (politie als hij een bekeuring geeft)
Kennis/vaardigheden (dokter weet welke medicijnen je
nodig hebt)
Aanzien (de paus vraagt gelovigen iets wel of niet te doen
Overtuigingskracht (politici zijn vaak getraind om mensen te
overtuigen)
Geld (de overheid beslist wat ze doen met die miljarden
euro’s die ze hebben
Aantal (de klas weigert massaal een proefwerk te maken)
Geweld (een rechter veroordeeld de moordenaar tot 77
levenslang)
Analyse maatschappelijk vraagstuk
Normen: gedragsregels, verwachtingen over wat
normaal is, manier van handelen waar
mensen zich aan kunnen of moeten houden
Waarden: waarden zijn dingen en
denkbeelden waar we waarde aan hechten.
Aspecten die we belangrijk vinden.
Waarde: eerlijkheid
Norm: niet stelen
78
Analyse maatschappelijk vraagstuk
-
Propaganda: doelbewust eenzijdige
informatie geven, om meningen te
beinvloeden
-
Manipulatie: met opzet feiten weglaten of
veranderen
-
Indoctrinatie: voortdurend opdringen van
bepaalde meningen (met behulp van zeer
intensieve psychologische middeltjes)
79
Analyse maatschappelijk vraagstuk
-
Stereotypering: Beeld van een bepaalde
bevolkingsgroep dat met de werkelijkheid
weinig of niets te maken heeft.
VB: Afrikanen in rieten rokjes met botjes in
hun neus en dikke lippen
Nederlanders op klompen
-
Vooroordeel: Een vooroordeel is een
mening over iemand of een groep mensen
die niet op feiten is gebaseerd.
VB: 'alle duitsers hebben bierbuiken, 'Belgen
zijn dom', 'Nederlanders zijn krenterig' of
'dikke mensen zijn gezellig‘
-
Discriminatie: Als mensen op basis van
deze vooroordelen worden achtergesteld, is
er sprake van discriminatie.
80

ZENDER
INFORMATIE

ONTVANGER

Medium
OBJECTIEF/SUBJECTIEF
(Feiten/Meningen [Meerdere kanten])


BETROUWBARE BRONNEN
(CBS, Wikipedia, edu-sites)
MANIPULATIE
SELECTIEVE WAARNEMING
(Verdraaien)
(Passend voor jezelf)
PROPAGANDA
(Eenzijdig)
REFERENTIEKADER
INDOCTRINATIE
(Ervaring, Waarden)
(Dwingend/Langdurig)
DISCRIMINATIE
Stereotypering
Vooroordelen
81
Analyse maatschappelijke vraagstukken
Analyseschema:
• Wat is het probleem?
• Sociaaleconomische invalshoek:belangen,
belangentegenstellingen, belangengroepen, maatschappelijke
posities, gemeenschappelijke belangen, ongelijkheid, economische
belangen
• Sociaal-culturele invalshoek: waarden, normen, culturen,
pluriformiteit
• Politiek-juridische invalshoek: politieke agenda, machtsmiddelen,
actiegroepen, politieke partijen
• Veranderings- en vergelijkende invalshoek: hoe in het verleden?
Andere landen? Andere culturen?
• Oplossingen: standpunten partijen, overheid
• Eigen mening: subjectieve bronnen of objectieve bronnen
82
83
Download
Random flashcards
Create flashcards