Ethiek: discipline binnen de filosofie die zich bezig houdt met de

advertisement
Ethiek: discipline binnen de filosofie die zich bezig houdt met de vraag ‘wat is goed’. Het
gaat over moraal en de systematische refelctie op de moraal.
Moraal: waarden en normen die, al dan niet bewust, gelden binnen de maatschappij.
-prescriptief (voorschrijvend, behoort te zijn, moet, waardebepalend karakter)
-betreft gemeenschap en samenleving
-morele regels hebben voorrang boven andere regels (prioriteit)
-universaliseerbaar (voor iedereen, overal en altijd geldend), dan ben je een universalist. Ben je het er niet mee eens, dan ben je een relativist.
-directheid of emotionele lading, doet appèl op je gevoel
Intrinsieke waarde: staat op zichzelf, behoeft geen argumentatie of begronding, staat niet in
dienst van een andere waarde. Voorbeelden: mens, geluk.
Instrumentele waarde: ondergeschikt aan andere waarden, meestal met doel de hogere
waarde te verwerkelijken Voorbeeld: geld.
Waarde: waar je naar streeft, bovengrens, ideaal
Norm: gebod, wat je moet doen, ondergrens, handelingsvoorschrift
Nadenken over normen geeft twijfel, maar ook zekerheid dat je niet zómaar handelt. Daarom
moet je je bezighouden met ethiek; inzicht vergroot je vrijheid. Wel geldt: hoe groter je
vrijheid, des te meer verantwoordelijkheid.
Fernando Savater: je bent een imbiciel als je je verantwoordelijkheid ontloopt. Onze enige
plicht in het leven is om geen imbiciel te zijn. Hij bedoelt hier iemand die een steunpunt nodig
heeft. In het ‘goede leven’ onderscheidt hij 5 categoriën:
-Verveelden; mensen die niets willen
-Besluitelozen; mensen die alles willen en niet kunnen kiezen
-Conformisten; mensen die niet weten wat ze willen en geen moeite doen om dat te weten
-Halfslachtigen; mensen willen iets en weten waarom, maar doen het niet
-Koppigen; vastberaden mensen die iets willen maar een verkeerde kijk op het leven hebben
Elke keer wanneer je een morele keuze maakt, neem je een ethische positie in:
-deugdethiek, goede eigenschappen/deugden staan centraal voor goed handelen
-egoïsme, goed handelen doe je uit (welbegrepen) eigenbelang
-hedonisme, handelingen zijn goed als het genot of plezier oplevert
-altruïsme, bij goed handelen plaats je anderen op de eerste plaats
-utilisme, zoveel mogelijk voordeel voor zoveel mogelijk mensen (nut)
-intuïtionisme, goed handelen is trouw blijven aan je innerlijk besef, intuïtie volgen
-gelovigen, handelen zoals je religie het voorschrijft
-universalisme (deontologie), je handeling zou als een wet moeten kunnen gelden voor ieder
-relativisme, je handelingen zijn altijd gekleurd en je mag dus niet oordelen
-legalisme, goed handelen is wat binnen de wet is toegestaan
-existentialisme, je bent zelf verantwoordelijk, jij kiest voor jou handeling die goed is
-pragmatisme, handeling is goed als het voor een bepaald doel dient (werkt het?)
-nihilisme, geen goden of geboden, ze zijn en blijven dieren, er is geen moraal
Determinisme: vrijheid is een illusie, alles is voorbestemd. Je kunt iemand niet
verantwoordelijk stellen voor zijn gedrag. Plaatst zich buiten de ethiek.
1
Er zijn 4 soorten ethiek:
>toegepaste ethiek; oplossen van praktische ethische vraagstukken. Wat is de beste
oplossing?
>descriptieve ethiek; beschrijft feitelijke normen en normenstelsels, bij journalisten en
sociologen bijvoorbeeld. Wat vindt men wanneer en waar goed? (tijd + cultuur)
>normatieve ethiek; criteria ter beoordeling of rechtvaardiging van menselijk handelen. Is
zowel descriptief (voorschrijvend) als descriptief (beschrijvend)
>meta-ethiek; onderzoek naar betekenissen van begrippen die belangrijk zijn in moraal en
ethiek.
Dit is meer een verschil in denkniveau:
1. moreel probleem ondervinden
2. geldende moraal biedt een oplossing
3. afwegen wat rechtvaardig is
4. begrippen ophelderen, en of het helpt ga je weer naar niveau 1
Consequentialisme / utilisme / utilitarisme (ook hedonisme)
Utile = nut, hedonè = genot, nadruk ligt op het gevolg van de handeling (consequentie).
Hier geldt één intrinsieke waarde waar alles op teruggaat: pleasure (afwezigheid van pijn)
Voordelen van dit systeem is dat je er helder en objectief over kunt discussiëren (alhoewel
over intrinsieke waarden niet te discussiëren valt), en we kunnen met de hedonistische
calculus afwegen wat goed is (rekenmethode om pijn en plezier af te wegen).
Jeremy Bentham (1748-1832)
Drie belangrijkste principes voor zijn morele filosofie:
1. utiliteitsbeginsel  grootste geluk voor het grootste aantal mensen
2. universeel egoïsme  iedereen doet ook iets uit egoïsme
3. kunstmatige identificatie met belangen van anderen  je kunt je verplaatsen in anderen.
-dat is terug te brengen op het verschil tussen sympathie en antipathie
-plezier is goed op zich, maakt niet uit voor wie
-jouw belangen zijn nauw verweven met die van anderen
John Stuart Mill (1806-1873)
Utilitaristisch principe: een handeling is goed als hij het geluk bevordert en slecht als hij het
tegendeel bewerkstelligt. Ook hier geldt de hedonistische calculus. Mill ziet meer geluk en
dus meer waarde in hoge intellectuele activiteit.
Er zijn twee motivaties om je sociaal op te stellen:
-extern: angst voor God/medemens + hoop om anderen te plezieren
-intern: plichtsgevoel/levenservaring + instinctief gevoel van eenheid
Kritiek op het utilisme:
1. Er wordt geen rekening gehouden met minderheidsgroepen
2. Je kunt de kwaliteit van geluk niet meten, hoe is het kwantificeerbaar? De hedonistische
calculus werkt niet.
3. De intrinsieke waarde ‘plezier’ is geen consequentialistisch denken, waarom juist die
waarde? Er zijn er veel meer te verzinnen.
2
4. naturalistische drogreden: prescriptie volgt bij utilisme uit descriptie, dat kan niet. Geluk
of plezier is een stand van zaken, descriptief, beschrijvend. Daaruit een moreel oordeel
afleiden kan niet, normatieve term kan niet voortvloeien uit een empirische.
Hedonistische calculus: 7 vragen te stellen:
1. Intensiteit (hoe intens is het genieten/de pijn?)
2. Duur (hoe lang duurt het?)
3. Zekerheid (zal mijn handeling zeker leiden tot dit geluk/deze pijn?)
4. Nabijheid (hoe lang duurt het tot mijn handeling effect heeft?)
5. Vruchtbaarheid (hoe groot is de kans dat deze genieting er echt op volgt?)
6. Zuiverheid (hoe groot is de kans dat een andere genieting er op volgt?)
7. Uitgebreidheid (wie zullen nog meer de gevolgen ondervinden?)
Deontologie / plichtsethiek
Er wordt gekeken naar de handeling zelf.
Immanuel Kant (1724-1804)
Uitgangspunt om je moreel te gedragen ligt in het zuiver verstand. We maken vrije keuzes.
Universalisme: iedereen zou tot dezelfde morele conclusie moeten komen.
Goede wil: de oorzaak van het opvolgen van je plicht, motivatie voor goed handelen.
1. Morele handeling komt voort uit verplichting
2. Morele waarde hangt af van de wet/regel, niet van het gevolg
3. Verplichting komt voort uit respect voor de regel/wet, dus goede wil, niet uit neiging
Categorische imperatief: altijd en overal geldig gebod/bevel.
1. Handel zo dat je kunt willen dat de maxime van je handeling als algemene wet kan gelden
2. Behandel een ander nooit als middel maar altijd als doel op zich
Je moet een autonoom wezen zijn om respect te kunnen hebben voor de algemene wet. Je legt
jezelf de wet op: autos = zelf, nomos = wet. Tegenovergesteld is heteronoom.
Kritiek op de deontologie:
1. geen objectief criterium om te bepalen wat goed is. Kant zou zeggen van wel: verstand
2. houdt te star vast aan principes, dat leidt tot onacceptabele morele beslissingen
3. regels/wetten kunnen op gespannen voet met elkaar staan
4. plichtsethische regels zijn bedoeld om chaos in de samenleving op te lossen, dus toch een
doel, dus ook consequentialistisch
Plato
De mens heeft duidelijke criteria nodig voor zijn handelen. Een ideale staat voor het goede
leven: eerste stand met werkers, tweede stand met wachters, derde met heersers. Dit staat voor
de 4 kardinale deugden:
matigheid - werkers (boeren)
dapperheid - wachters (soldaten)
wijsheid - heersers (filosofen)
rechtvaardigheid - belangrijkste deugd die ontstaat door evenwicht tussen bovenstaanden
Hoogste idee is het goede / ware / ene. Iedereen behoort daarnaar te handelen en gebruikt
daarbij zijn phronèsis; wijsheid of verstandigheid.
Kardinaal = cardo = spil = waar het om draait.
3
Na Plato schreef Plotinus in 300 nChr. het boek Enneaden, boek over ‘dat ene’. Is mystiek.
Deugdethiek
Praktische ethiek: er wordt gekeken naar jouw situatie en aanleg.
De leer van de deugdethiek is gegrondvest in de leer van Aristoteles. Hij schreef het boek
Ethica Nicomachea, dat de basis werd van heel de deugdethiek.
Waarde
-positief, nastrevenswaardig, ideaal
-maximaal, optimaal geformuleerd
-subjectief
Norm
-negatief, wat niet mag, grens
-minimum, mag er niet onder zakken
-objectief, onafhankelijk van de persoon
Deugd = virtus = virtuositeit / voortreffelijkheid. Optimale verwerkelijking.
Potentie (aanleg)  actualisatie (verwerkelijking)
Aristoteles
de mens is:
zooion logon echon (levend wezen met rede begiftigd)
zooion politikon (levend wezen dat samenleeft in een polis)
Optimale verwerkelijking van je natuur/aard vereist opgroeien in een cultuur.
Onderweg in je persoonlijke ontwikkeling heb je te maken met zaken als opvoeding, milieu
en vrienden. Je kunt hierin vergissingen maken, van het goede pad afwijken. Zo ontstaat
criminaliteit: niet bewust van wat je doet. Als je weet hebt van het goede, doe je het goede.
Het goede is het midden tussen twee extremen. Hoe weet je waar het midden ligt? Dat is
altijd anders. Je moet het beredeneren door je verstand te gebruiken en door te kijken naar een
lichtend voorbeeld. Gebruik je phronèsis; door nadenken en overwegen voorzichtig handelen.
laf
dapper
roekeloos
nors
vriendelijk
vleierig
ongevoelig matig
onmatig
nederig
fier
verwaand
lomp
geestig
platte grappenmaker
schaamteloos terughoudend verlegen
gelaten
bedaard
opvliegend
Bij een moreel juiste handeling komen altijd de 4 kardinale deugden kijken.
Deugd: virtuositeit, midden (dmv verstand en lichtend voorbeeld), houding (opvoeding,
milieu), praktisch.
We doen alles met een doel, en het menselijk doel is Eudaimonia, geluk (objectief). Daarom
is Aristoteles’ ethiek een teleologische / doelgerichte ethiek.
1. wat is het doel?
2. wat zijn de beste middelen om dit doel te bereiken?
Etnocentrisme: andere culturen worden beoordeeld vanuit ons eigen waarden- en
normensysteem. Dat is onbewust, uit neiging.
Cultuurrelativisme: je erkent dat er meerdere culturen zijn en je mag daarover niet oordelen.
Dat is dan relativering van de waarheid en van wat goed is.
4
Ethisch relativisme: verschillende oordelen uit verschillende culturen zijn gelijkwaardig. Er is
geen meta-ethisch of meta-cultureel standpunt mogelijk. Standpunten kun je dus eigenlijk niet
vergelijken en dus andere culturen niet afkeuren.
Als je zegt; ik bemoei me er niet mee, impliceert dat dat je erboven staat, maar dat kan niet.
Want alles dient gelijkwaardig te zijn.
Paradox: de uitspraak ‘alle culturen moeten gelijkwaardig zijn’ is een oordeel op zich, terwijl
je niet dient te oordelen.
Ethisch relativisme vereist wederzijds respect (erkenning), en daarmee samenhangend
mogelijkheid tot discussie en daarmee ook mogelijkheid tot vergelijken van ethische posities.
Je moet dus toch een gemeenschappelijke grondslag hebben (universalistisch).
5
Download