Vraag

advertisement
Voorkennis?
 Ingangstoets
Vraag A
Wat is een synaps?
Vraag A
Een synaps is de opening tussen twee zenuwcellen.
Vraag B
Welke 2 soorten cellen komen voor in het
zenuwstelsel?
Vraag B
Neuronen en gliacellen zijn de twee soorten
zenuwcellen.
Vraag C
Welke 3 soorten neuronen ken je?
Vraag C
Sensorische, schakel- en motorische neuronen.
Vraag D
Uit welke 3 onderdelen is een neuron opgebouwd en
wat is de functie van elk onderdeel?
Vraag D
Een neuron is opgebouwd uit een cellichaam, één of
meer dendrieten en een axon.
Zenuwcel
 Dendriet = uitloper naar
cellichaam toe
 Axon (neuriet) = uitloper
van cellichaam af
 Myelineschede
 Cellen van Schwann
Teken een zenuwcel
Benoem:
 Axon
 Axoneindknopjes
 Cellichaam
 Dendrieten
 Celkern
 Knoop van Ranvier
 Myelineschede
 Neuriet
Controle zenuwcel
Vraag E
Vergelijk een standaard axon en een standaard
dendriet wat betreft de richting waarlangs de impuls
loopt en het aantal ervan per cel.
Vraag E
Een cel heeft één of meer dendrieten en slechts één
axon. Zowel dendrieten als axonen hebben per
uitloper meerdere vertakkingen voor een maximaal
aantal contactpunten, de synapsen, tussen de
neuronen.
Werking sensoren
 Prikkel  impuls
 Impuls  als prikkeldrempel overschreden
 Sterkere prikkel  hogere frequentie
Passerproef
 2 sateprikkers per duo
Functie
 Sensorische zenuwcellen:
 1 dendriet (+ myelineschede)
 Signaal: buiten  cellichaam  Centraal Zenuwstelsel
 Motorische zenuwcellen:
 Meerdere dendrieten
 Signaal: Centraal Zenuwstelsel  spieren / klieren
 Schakelcellen:
 zenuwcel  zenuwcel
 Meeste zenuwcellen in ruggenmerg zijn schakelcellen
Benoem de zenuwcellen
•Sensorisch
•Motorisch
•Schakelcel
Zenuwcel 3 functionele delen:
 Ontvangend deel (dendriet)
 Geleidend deel (axon)
 Overdragend deel
(synaps of motorische eindplaat)
Vraag: Wat is welk deel?
Geleidend
deel
Overdragend
deel
Ontvangend
deel
Contacten in een zenuwcel
Vraag F
Noem 3 voorbeelden van functies die gliacellen
kunnen hebben.
Vraag F
 Het synchroniseren van functionele groepen
zenuwcellen;
 vormen van myelineschedes;
 verhuizen van zenuwcellen en stimuleren van deling
van nieuwe zenuwcellen tijdens embryonale
ontwikkeling.
Vraag
 Hoe komt het dat zenuwcellen slechts in 1 richting
een signaal doorlaten?
Bloed-hersenbarrière
Vraag g
Wat bedoelt men met de bloed-hersenbarrière?
Het mechanisme waardoor veel chemische stoffen
buiten de hersenen worden gehouden.
Vraag h
Welk groot voordeel levert de bloed-hersenbarrière?
Door de barrière is de kans klein dat ziektekiemen de
hersenen kunnen bereiken.
Vraag i
Welk nadeel brengt de bloed-hersenbarrière met zich
mee?
Het transport van o.a. glucose en aminozuren moet via
actief transport door de barrière plaatsvinden.
Normaal kunnen deze passief verplaatst worden.
Vraag j
Welke moleculen gaan zonder meer door de
bloedvatwand van de hersenhaarvaten heen?
Alleen zuurstof, koolstofdioxide en water en in vet
oplosbare moleculen.
Onder deze laatste vallen ook:
 heroïne,
 nicotine,
 cannabiol,
 alcohol en
 cafeïne.
Vraag k
Op welke manier komen de andere stoffen door die
wand heen?
De andere stoffen worden via actief transport
verplaatst.
Vraag l
Stel dat alle haarvaten in het lichaam ook een barrière
zouden hebben zoals de hersenhaarvaten: wat zou het
nadeel daarvan zijn?
Dit zou het lichaam veel meer energie kosten.
Vraag m
Chronisch alcoholisten zien er met hun bierbuik
weldoorvoed uit.
Toch kunnen hun hersencellen vroegtijdig
degenereren.
Leg uit waarmee dit samenhangt.
De alcoholisten hebben tekort aan B1
Drinken vooral alcohol
B1 (=thiamine): verbranding van glucose ATP
Gebrek B1 = gebrek energie = afsterven hersencellen =
Korsakoff
Het brein
 Film
Zenuwstelsel
 Waaruit bestaat het Centrale zenuwstelsel?
  hersenen en ruggenmerg
 Hoe heet het andere deel?
 Wat doet het Perifere zenuwstelsel?
  verbind organen met centrale zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel
 Hersenen
 Hersenstam
 Tussenhersenen
 Kleine hersenen
 Grote hersenen
 Ruggenmerg
Indeling naar functie:
 Animale zenuwstelsel:
 interactie
met de omgeving
 bestuurt skeletspieren
 Autonome zenuwstelsel:
 reguleert organen
Autonome zenuwstelsel
Opdracht
Bekijk bioplek.org  Inhoud animaties havo / vwo
 Zenuwstelsel  Membraan neuriet (axon)
impulsgeleiding
Voorbereiden (20 min)
 Presenteer (5 min) op digibord
 ingangstoets basisblok 5 vraag a t/m f
Vraag a
Welk proces kost een neuron in rusttoestand energie?
De Na/K-pomp die steeds energie gebruikt om een
constant potentiaalverschil te handhaven: Natrium ionen naar buiten en kaliumionen naar binnen
pompen.
Vraag b
Welke twee ionen worden in welke richting onder
invloed van de Na/K-pomp getransporteerd?
De Natrium -ionen stromen door de geopende
Natriumkanaaltjes naar binnen.
Vraag c
Welke ionen gaan tijdens de depolarisatie in welke
richting door de kanaaltjes van de celmembraan heen?
Natriumionen stromen naar binnen
Vraag d
Welk transport vindt er plaats tijdens de repolarisatie?
Kaliumionen stromen naar buiten
Vraag e
Welk transport vindt er plaats tijdens de herstelfase?
De Na/K-pomp:
• pompt natriumionen naar buiten,
• pompt kaliumionen naar binnen.
Vraag f
Waarvoor wordt in rust een membraanpotentiaal van 70 mV gehandhaafd?
 De rustpotentiaal moet gehandhaafd blijven zodat bij
een volgende impuls opnieuw een potentiaalverschil
aanwezig is waarbij makkelijk een nieuwe impuls
kan ontstaan.
Opdracht
Bekijk bioplek.org  Inhoud animaties havo / vwo
 Zenuwstelsel  synaps neurotransmitters
Voorbereiden (10 min)
 Presenteer (5 min) op digibord
 ingangstoets basisblok 5 vraag g t/m i
Vraag g
Op welke manier is er in synapsen sprake van een
recyclingproces?
 De neurotransmitters worden afgebroken en deels
weer aan elkaar gekoppeld in het presynaptische
eindblaasje.
Vraag h
Noem twee redenen waardoor een impuls maar in één
richting over het axon kan lopen.
 De impuls beweegt in één richting doordat de andere
zijde zich nog in de refractaire periode bevindt: niet
prikkelbaar is.
 Verder kunnen de neurotransmitters alleen aan de
presynaptische zijde uitgestoten worden.
Vraag i
Wat bedoelt men met het alles-of-niets-principe wat
betreft het ontstaan van een impuls?
 Als eenmaal een actiepotentiaal ontstaat, wordt deze
doorgegeven langs de zenuwcel zonder dat hij te
stoppen is.
Vraag j
Welk voordeel heeft de myelineschede van een axon?
 Doordat het ompolen op minder plaatsen hoeft
plaats te vinden, neemt het minder tijd. en daardoor
is de snelheid hoger.
Vraag 1
Hoe verloopt het signaal?
LR
RL
Vraag 2
 Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel?
 A: Ruggenmerg en zenuwen
 B: Ruggenmerg en hersenen
 C: Alle zenuwen
 D: Alleen de perifeer (aan de buitenzijde) gelegen
zenuwen
Vraag 3
 In de afbeelding zie je een





doorsnede van het ruggenmerg
1 = witte stof
3 = grijze stof
Vraag
Witte stof is wit door dat er
zenuwcellen doorheen lopen
met een myeline schede
A: JA
B: Nee
Vraag 4
•A: Sensorisch
•B: Motorisch
•C: Schakelcel
•A: Motorisch
•B: Sensorisch
•C: Schakelcel
•A: Schakelcel
•B: Motorisch
•C: Sensorisch
Vraag 5
Autonome zenuwstel
Waar of niet waar?
 Orthosympatische zenuwstelsel  rust
 Parasympatische zenuwstelsel  activiteit
 Waar
 Niet waar
Vraag 6
Waar of niet waar?
 Animale zenuwstelsel:
 interactie met de omgeving
 bestuurt dwarsgestreepte skeletspieren
 Autonome zenuwstelsel:
 reguleert organen
 Waar
 Niet waar
Vraag 7
Autonome zenuwstel
Waar of niet waar?
 Orthosympatische zenuwstelsel  rust
 Parasympatische zenuwstelsel  activiteit
 Waar
 Niet waar
Vraag 8
 Aan de binnenzijde van het membraan van een
zenuwcel in de rustfase bevinden zich veel negatief
geladen eiwitten en veel K+
 Waar
 Niet waar
Vraag 9
 Bij depolarisatie pompt de Na/K pomp Na naar
binnen
 Waar
 Niet waar
 Bij depolarisatie diffundeert Na via de Na kanaaltjes naar
binnen
Vraag 10
 Bij repolarisatie gaan Na-poorten dicht, K-poorten
open.
 K= naar buiten
 Binnenkant cel wordt negatief geladen
 Waar
 Niet waar
Winnaar
???
Download