GELIJKAARDIGE AANPASSINGEN BIJ WATERDIEREN De

advertisement
GELIJKAARDIGE AANPASSINGEN BIJ WATERDIEREN
De graskarper, een vis.
De bruinvis, een zoogdier.
24 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
2. DIEREN
__________________________________________________________________
Doelstelling : we bekijken de grote indeling van het dierenrijk, waarbij we de nadruk op
gewervelden leggen. We ontdekken de grote verscheidenheid aan vormen en aan
aanpassingen van dieren aan hun omgeving.
2.1 HOE LEVEN DIEREN?
Vanuit het water hebben dieren niet alleen het land, maar ook het
luchtruim veroverd. Dieren vertonen aldus zeer uiteenlopende
levenswijzen, en dito aanpassingen.
Voortbewegen
Op het land bewegen dieren zich lopend, kruipend of springend
voort. Dieren met poten kunnen soms snel lopen. Ze kunnen dan
grote afstanden afleggen om voedselgebieden te bereiken of om
een partner te zoeken. Snel lopen kan ook nodig zijn om prooien te
vangen, of om aan zijn belagers te ontkomen. Landdieren zonder
poten bewegen zich al kronkelend of schuivend voort. Sommige zijn
erg traag. Een dergelijke levensvorm is helemaal niet onpraktisch als
je maar hoeft te wachten tot een prooi voorbijkomt (sommige
slangen), of wanneer het voedsel zich in de onmiddellijke omgeving
bevindt en niet kan weglopen (plantenetende slakken). Of ook
wanneer je gangen graaft in de  bodem (regenworm). Het al dan
niet hebben van poten is evenwel geen algemeen criterium voor de
snelheid van een dier. Sommige dieren met poten zijn uiterst traag,
zoals een kameleon, terwijl bepaalde slangen behoorlijk snel kunnen
zijn! Springen, zoals sprinkhanen doen, is een handige combinatie
van zich voortbewegen én zich snel uit de voeten maken voor een
belager.
zoogdieren: p. 39
vissen: p. 29
vogels: p. 35
insecten e.a. ongewervelden: p. 43
In het water moeten dieren de weerstand die het water uitoefent
overwinnen. Zwemmende waterdieren hebben daarom een erg
gestroomlijnd lichaam. We vinden deze spoelvorm bij zeer
uiteenlopende diergroepen terug: walvissen zijn zoogdieren maar
hebben hun naam niet gestolen. Hun bouw vertoont zeer veel
gelijkenis met die van de echte vissen. Hun poten zijn vinvormig
geworden. Niet alle waterdieren zwemmen. Er zijn er die op of in de
waterbodem leven of zich vastzetten op planten of stenen. Dit
laatste is een leefwijze die typisch is voor stromend water. Waarom
je voortbewegen als het voedsel toch komt aangedreven (cf.
zeeanemonen) ?
Om zich door de lucht te kunnen voortbewegen, moet de
zwaartekracht overwonnen worden. Dit vereist vooreerst een niet te
zwaar lichaam. Vogels hebben een heel licht skelet en vleugels die
bij voortbeweging een opwaartse druk veroorzaken. De vogelvleugel
heeft model gestaan voor die van onze vliegtuigen. Wat voor de
gewervelden de vogels zijn, zijn de insecten voor de ongewervelden.
De meeste insecten kunnen vliegen. Sommige doen dit vrij traag,
zoals dagvlinders die van bloem naar bloem fladderen. Andere zijn
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 25
DIEREN MISLEIDEN DIEREN
Om zich te beschermen tegen predatoren, vertonen dieren bijzondere aanpassingen.
Enkele hiervan zijn:
CAMOUFLAGE
Permanente camouflage
Wilde eend: wijfje
broedt op de grond en
is gecamoufleerd.
Wijfjes van
holenbroeders zoals
Koolmees en Bergeend
zijn niet gecamoufleerd.
Spanrups: neemt de
vorm van een takje aan.
Veranderlijke camouflage
schol
lichte ondergrond
schol
donkere ondergrond
MIMICRY
Dagpauwoog: bij plots openvouwen
van de vleugels lokken de ‘ogen’
een schrikreactie uit (mimicri).
zweefvlieg
(ongevaarlijk)
lijkt op
wesp
(gevaarlijk)
SIGNAALKLEUREN: de kleurencombinaties geel-zwart en zwart-rood betekenen
‘gevaar. Bijvoorbeeld bij de wesp (gevaarlijk) en bij de zebrarups (onsmakelijk).
26 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
vleermuizen: p. 39 en p. 139
zeer behendige vliegers, denk aan libellen die al vliegend op jacht
gaan naar andere insecten. Een bijzondere groep vliegers zijn de
vleermuizen. Tussen hun ‘vingers’, achterpoten en staart zit een
dunne vlieghuid gespannen, waarmee ze zich al fladderend en
zwevend maar niettemin uiterst wendbaar kunnen voortbewegen.
Voeden
planten: p. 3
insecten: p. 45
Dieren kunnen niet zelf hun voedsel aanmaken, zoals de groene
planten doen. Ze halen hun voedsel rechtstreeks of onrechtstreeks
uit de planten.
Planteneters voeden zich rechtstreeks met planten of hun
producten. Koeien eten vooral gras. Hun bijzondere maag is
aangepast om de moeilijk afbreekbare cellen van de grasplanten te
verteren; koeien herkauwen bovendien hun voedsel. Reeën eten
bladeren van struiken, maar ook allerlei kruiden. Insecten eten
bladeren (kevers, rupsen) of zuigen suikerhoudend plantensap
(bladluizen).
Diereneters (vleeseters) voeden zich met planteneters (of met
andere vleeseters). Dit kan door de prooi te doden en heelhuids of
gedeeltelijk op te eten. Meestal is in zo’n geval de  predator heel
wat groter dan zijn prooi. Denken we aan de kat en de muis. Maar
dit hoeft niet altijd het geval te zijn. De leeuw is kleiner dan de zebra
waarop hij jaagt en, dichter bij ons, kan de kleine Wezel een
middelgroot Konijn aan. Een andere vorm om zich te voeden is
parasiteren. Bij parasieten op dieren bestaat het voedsel vaak uit
bloed van het slachtoffer. Parasieten zijn in de regel veel kleiner dan
hun prooi. Meestal blijft de prooi na het parasiteren gewoon verder
leven. Onrechtstreeks kunnen parasieten echter een bedreiging
vormen, door ziekten over te brengen. Er zijn ook parasieten die hun
prooi zelf niet opeten, maar ze verlammen en achterlaten als
voedsel voor hun eigen nageslacht. Zo vangen sommige soorten
sluipwespen rupsen, die ze naar hun nest voeren om als ‘dagvers’
voedsel voor de larven te dienen.
Niet alle dieren zijn ofwel planten-, ofwel diereneter. Veel  soorten
zijn alleseter. Dit kan betekenen dat ze plantaardig of dierlijk voedsel
door elkaar gebruiken. Een Egel eet slakken en insecten, maar zal
geen vruchten overslaan. Soms wisselt het dieet naargelang van het
seizoen. Mezen eten insecten in het zomerhalfjaar, maar moeten in
de winter op plantaardig voedsel (zaden) overschakelen. Dieren die
verschillende soorten voedsel eten, zijn veel beter aangepast aan
periodes van voedseltekort.
Afvaleters eten afgestorven materiaal dat van plantaardige
(regenwormen) of dierlijke (aaskevers) oorsprong kan zijn. Heel wat
insecten voeden zich met uitwerpselen, zoals mestkevers en de
larven van een aantal vliegen.
Voortplanten
slakken: p. 43
spinnen: p. 45 en p. 153
vissen: p. 29
kikkers en padden: p. 31 en p. 135
Veel ongewervelden zijn tweeslachtig, zoals wormen en de meeste
landslakken. Spinnen en insecten kennen mannetjes en wijfjes. Bij
een aantal insectensoorten kunnen de wijfjes ook onbevruchte eitjes
leggen. Een duidelijke geslachtsverdeling is de regel bij
gewervelden. Bij vissen en bij kikkers en padden gebeurt de
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 27
INDELING VAN HET DIERENRIJK
Gewervelden
vissen
amfibieën
reptielen
vogels
zoogdieren
Ongewervelden (enkele vertegenwoordigers)
regenworm
sluipwesp
kreeft
spin
slak
anemoon
28 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
bevruchting uitwendig. Bij sommige salamanders en bij de andere
groepen gewervelden inwendig. Voor de voortplanting bestaan twee
strategieën: kwaliteit en kwantiteit. De eerste behelst het produceren
van weinig nakomelingen, die goed beschermd worden door de
ouder(s). De tweede is gericht op het produceren van zeer veel
nakomelingen. Dit kan leiden tot verschillen in broedzorg. Zo krijgt
de Fuut meestal slechts twee jongen. Als de moederfuut met haar
kuikens gaat zwemmen, neemt ze ze op haar rug mee. Zo blijven ze
buiten het bereik van b.v. een op de loer liggende Snoek. Bij Wilde
eend bestaat dit gedrag niet, maar hier kan één nest tot twaalf
jongen tellen. De meeste vissen leggen hun eieren gewoon op een
geschikte plaats in het water. Als ze uitgekomen zijn, zijn de jonge
visjes zelfs niet veilig voor hun eigen ouders! Stekelbaarsjes
daarentegen leggen weinig eitjes. Ze worden bewaakt door het
mannetje in een door hemzelf vervaardigd nestje.
1.2 BEKNOPT OVERZICHT VAN HET
DIERENRIJK
indeling planten: p. 11
Dieren vertonen een nog grotere verscheidenheid aan levensvormen
dan planten. De indeling van het dierenrijk berust daarom op andere
criteria dan die van het plantenrijk, waar vooral de manier van
voortplanten doorslaggevend is. Bij dieren speelt een hele reeks
kenmerken een rol. In deze cursus ligt de nadruk op de
gewervelden. Van de ongewervelden worden slechts enkele
groepen bij wijze van voorbeeld behandeld. Ze komen meer
uitgebreid aan bod in de cursus natuurgids.
Een eerste grote indeling van het dierenrijk is: ongewervelden en
gewervelden. Gewervelden hebben een inwendig geraamte of
skelet; ongewervelden hebben dat niet. Bij de gewervelden
onderscheiden we vijf grote groepen: vissen, amfibieën, reptielen,
vogels en zoogdieren. Hoewel deze indeling, wat de reptielen
betreft, wetenschappelijk ter discussie staat, wordt ze nog algemeen
gebruikt wegens haar praktische hanteerbaarheid.
Vissen
Vissen zijn gewervelde dieren die hun volledige levenscyclus in het
water doorbrengen. Als ledematen hebben ze vinnen. De huid is
meestal met schubben bedekt. De  ademhaling gebeurt
gewoonlijk door  kieuwen. Vissen hebben geen constante
lichaamstemperatuur. Een vis beweegt zich voort door met zijn
gestroomlijnde lichaam een kronkelende beweging uit te voeren. Zo
drukt hij als het ware het water weg waardoor hij zelf vooruitgaat. De
staartvin is het belangrijkste orgaan voor de voortbeweging. De
overige vinnen dienen vooral voor het bewaren van evenwicht en
richting. Behalve over de gewone zintuigen, beschikken vissen nog
over een bijzonder orgaan: de zijlijn of zijstreep. Hiermee registreert
de vis de druk van het water die op zijn zijflanken wordt uitgeoefend.
Zo kan een vis hindernissen of andere vissen waarnemen, ook in het
donker. De meeste vissen hebben een zwemblaas. Deze met lucht
gevulde zak wordt samengedrukt naarmate de vis dieper zwemt en
dus meer waterdruk ondervindt. Op die manier past de soortelijke
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 29
VISSEN
Vissen zijn volledig aan het leven in het water aangepast. Ze hebben een gestroomlijnd lichaam dat
weinig weerstand biedt in het water. Met hun staart en hun vinnen kunnen ze zich voortbewegen en
hun evenwicht bewaren. Kieuwen stellen ze in staat zuurstofgas uit het water op te nemen.
IN MEMORIAM... OF DEFINITIEF VERGETEN?
Uit onze wateren zijn verdwenen: Atlantische zalm, elft,
fint, houting, kwabaal, rivierprik, steur, zeeforel en
zeeprik. Voor volgende soorten is de toestand allesbehalve schitterend: bittervoorn, gestipte alver, kleine
modderkruiper en winde. Wie volgt? ...
Bittervoorn: legt haar eieren, om ze te beschermen, door
middel van een lange legbuis in zoetwatermosselen. Haar
voedsel bestaat uit planten en kleine ongewervelden.
VISSEN IS NIET GOED VOOR VISSEN!
Sportvisserij is een belangrijke bedreiging voor de
inheemse visstand.
Negatieve ingrepen zijn:
• het uitzetten van uitheemse concurrerende soorten
zoals snoekbaars en zonnebaars;
• kunstmatig ingrijpen in de populaties van inheemse
soorten door massaal uitzetten en daarna weer
afvangen. Ook de soorten die in relatie met deze
vissoorten staan (prooien of predatoren) worden
hierdoor beïnvloed.
Voorstanders zeggen dat de sportvisserij een maatschappelijk draagvlak creëert voor waterzuivering en
uiteindelijk dus ook positieve effecten heeft.
Rivierdonderpad: leeft op de bodem van beken
en rivieren van allerlei diertjes. Hij heeft geen
zwemblaas en kan dus niet in het water zweven.
Beekprik: primitieve vis waarvan de
larven drie tot vijf jaar in rivierslib leven.
Ze eten bacteriën en microscopisch
kleine wieren. Daarna ondergaan ze
een gedaanteverwisseling tot volwassen prikken. Deze eten niet. Ze paaien
en sterven kort nadien.
Baars: roofvis van langzaam stromende
rivieren en van meren (zandwinningsputten!).
Het is een belangrijke ‘sportvis’.
30 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
massa van de vis zich constant aan de druk van het omringende
water aan en vertoont de vis geen neiging tot stijgen of dalen.
Sommige vissen hebben geen zwemblaas. Ze leven meestal op de
 bodem. Voorbeelden zijn de in onze beken zeldzaam geworden
Rivierdonderpad, en platvissen en haaien aan de kust.
Vissen leggen eieren, meestal in zeer grote aantallen. In één
paarperiode legt een Steur zes miljoen eieren, een Kabeljauw zes
en een half miljoen en een Tarbot negen miljoen. Voor een karper is
dit aantal twintig- tot zeventigduizend, voor een forel daarentegen
‘slechts’ drieduizend.
De vissen worden onderverdeeld in drie grote groepen: rondbekken,
kraakbeenvissen en beenvissen. De eerste zijn de prikken. Ze
worden wetenschappelijk meestal niet tot de echte vissen gerekend.
De tweede hebben een skelet uit kraakbeen. Het zijn de haaien en
roggen. Het is een primitieve, d.w.z. vroeg in de evolutie ontstane,
groep vissen. De derde hebben een benig skelet met graten. Hiertoe
behoren de andere vissen.
Meer dan de helft van de ongeveer veertig bij ons voorkomende vis soorten is uitgestorven of sterk bedreigd. De oorzaken zijn van
verscheidene aard. In de eerste plaats gaat de visdiversiteit achteruit
door de alomtegenwoordige waterverontreiniging. Verder spelen
structurele veranderingen aan oppervlaktewaters een belangrijke rol.
B.v. het bouwen van stuwen (barrières) en het kanaliseren en
betonneren van de waterlopen en hun oevers. Hierdoor zijn heel wat
paaiplaatsen verdwenen of onbereikbaar geworden. Ook de
sportvisserij heeft een zichtbare impact op het voorkomen van
vissoorten door b.v. het uitzetten van vis, overbevissing of het
verrijken van het water met lokvoedsel.
meandering: p. 67
Gelukkig lijkt op een aantal plaatsen het ergste leed nu geleden. De
waterkwaliteit evolueert van zeer slecht naar slecht, en soms nog
iets beter. Ook in het beheer van (vooral onbevaarbare) waterlopen
komt stilaan verandering. De bevoegde diensten (gewest, provincies
en gemeenten) zien waterlopen niet langer als afvoerkanalen voor al
dan niet vervuild water. Hier en daar wordt zelfs de natuurlijke
meandering van beken in ere hersteld.
Enkele vissen zijn in Vlaanderen bij wet beschermd. Andere mogen
als ‘sportvis’ gevangen worden onder bepaalde voorwaarden.
Amfibieën
Amfibieën hebben een naakte huid zonder bescherming tegen
uitdroging. Ze hebben een wisselende lichaamstemperatuur.
Amfibieën maken als het ware de evolutieve sprong van water naar
land. De voortplanting gebeurt nog in het water. Het volwassen
stadium maken de meeste soorten op het land door, zij het meestal
in een vochtig  milieu. Poelen die in de nazomer uitdrogen,
vormen voor amfibieën geen bezwaar. Ze zijn op dat ogenblik al in
staat het water te verlaten. Door hun amfibische levenswijze kunnen
deze dieren dus leven in waterpartijen die voor vissen ongeschikt
zijn. Permanente waters waar vis op zit zijn voor amfibieën minder
geschikt, aangezien alle  inheemse vissen hun larven lusten. Dit
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 31
VISSEN
rugvin
stekel (rugvin)
zijdestreep
staart
kieuwdeksel
bek
staartvin
borstvin
aarsvin
buikvin
AMFIBIEËN
bruine kikker
gewone pad
groene kikker
alpenwatersalamander
PLONS DE GROENE KIKKER
De meest bekende -maar tevens bedreigde- amfibie is de groene kikker. Hij verblijft nagenoeg altijd
in en om het water. Hij werd vroeger ‘boerennachtegaal’ genoemd omwille van het luidruchtig
gekwaak dat overdag maar ook ‘s nachts onophoudelijk weerklinkt. De mannetjes bezitten twee
kwaakblazen. Vooral tijdens de paartijd (mei) vertonen de in groepsverband levende kikkers grote
activiteit. Niet-actieve dieren vallen door hun schutkleur nauwelijks op. Enkel de grote ogen steken
boven het water uit. Ook als ze op de oever tussen de planten zitten te zonnen, worden ze meestal
pas opgemerkt als ze met een luide plons het water inspringen.
32 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
tuinvijvertje: p. 77
is met name van belang bij de aanleg van een tuinvijvertje. Je maakt
best van in het begin een keuze: een amfibieënvijver of een
vissenvijver. Alleen in grote vijvers met dichte plantengroei kunnen
beide groepen samen overleven.
De ademhaling gebeurt door longen (de larven tijdelijk door
kieuwen), door de slijmhuid in de mondholte en door de
lichaamshuid. Sommige amfibieën kunnen een hele winterslaap
doormaken in de modder van een vijverbodem omdat ze in het water
opgeloste zuurstof door hun huid kunnen opnemen.
Amfibieën leggen eieren in het water. Als de eitjes in contact komen
met water gaan ze zwellen. Er ontstaat een geleiachtig omhulsel. Uit
de eitjes ontwikkelen zich de larven. Ze ademen door kieuwen en
maken een gedaanteverwisseling (metamorfose) door tot volwassen
amfibieën.
padden en kikkers: p. 135
veedrinkpoelen: p. 73
In onze streken komen twee groepen amfibieën voor: de
salamanders enerzijds en de padden en kikkers anderzijds.
Salamanders behouden hun staart in volwassen stadium. Bij de
larven van padden en kikkers (kikkervisjes of dikkopjes) verdwijnt de
staart tijdens de gedaanteverwisseling. Kikkers kunnen goed
springen, padden bewegen zich kruipend voort. De eerste hebben
een gladde huid; de tweede een wrattige huid.
Amfibieën hebben het erg moeilijk gekregen door watervervuiling,
het dichtgooien van veedrinkpoelen en grachten en –in het bijzonder
wat padden betreft– het wegverkeer. Padden maken massale
trekbewegingen van hun winterverblijfplaats naar het water waarin
ze zich voortplanten. Vaak worden beide gebieden gescheiden door
een drukke verkeersweg. Op steeds meer plaatsen worden
paddenoverzetacties georganiseerd of, beter nog, paddentunnels
aangelegd. Amfibieën kunnen in een gewone tuin vooruitgeholpen
worden, door een tuinvijvertje aan te leggen. Zorg ervoor dat er
voldoende schuilmogelijkheden zijn; de reiger lust graag kikkers!
Hiervoor schreven we al dat vissen en amfibieën geen goede
vrienden zijn. Maak dus een keuze, of leg twee vijvers aan...
Alle amfibieën zijn in Vlaanderen bij wet beschermd.
Reptielen
heide: p. 55 en p. 63
Reptielen hebben schubben of schilden als huidbedekking. Deze
harde hoornlaag beschermt ze tegen uitdroging. Ze hebben een
wisselende lichaamstemperatuur. De ademhaling gebeurt door
longen. De meeste reptielen komen op droge, warme plaatsen voor.
De inheemse maar zeer zeldzame Ringslang is echter een
waterdier, terwijl de bijna even zeldzame Adder vochtige
heideterreinen verkiest.
Reptielen planten zich voort met eieren die omgeven zijn door een
leerachtige schaal. Bij de inheemse Levendbarende hagedis en bij
de Adder worden de eieren al in het moederlichaam uitgebroed en
komen de jongen direct uit het ei ter wereld. Dit is een aanpassing
aan het leven in eerder noordelijke streken, waar de zonnewarmte
onvoldoende is om de eieren uitgebroed te krijgen.
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 33
REPTIELEN
adder
hagedis
hazelworm
34 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
De reptielen worden onderverdeeld in schildpadden, krokodillen,
brughagedissen, hagedissen en slangen. De eerste drie groepen
komen bij ons niet voor, hoewel uitgezette moerasschildpadden
steeds meer overleven in waterrijke parken. De Levendbarende
hagedis is hier en daar nog wel te vinden. De kans om een slang
tegen te komen, is wel heel klein geworden. Ze zijn niet alleen uiterst
zeldzaam geworden, een slang is ook nog steeds banger van een
mens dan omgekeerd! Hazelworm komt nog vrij verspreid in kleine
aantallen in Vlaanderen voor, maar leidt een erg verborgen
levenswijze. Men vindt hem soms in de composthoop, waar hij van
de vrijkomende warmte profiteert. Hoewel het een pootloze hagedis
en dus volstrekt ongevaarlijk dier is, moet het een ontmoeting met
de mens vaak met de dood bekopen...
Alle reptielen zijn in Vlaanderen bij wet beschermd.
Vogels
broedtijd: p. 129 en p. 131
trek: p. 157
Vogels stammen, samen met sommige reptielen zoals krokodillen, af
van de dinosauriërs. Ze hebben een constante lichaamstemperatuur. De huidbedekking bestaat uit veren. Ze zijn van
verschillende structuur, naar gelang van hun functie. De slagpennen
zijn het sterkst ontwikkeld, naast de stuurpennen uit de staart. Een
veer bestaat uit een schacht met aan weerszijden een vlag. Deze
wordt gevormd door baarden, die aan weerszijden uitsteekseltjes
hebben: de baardjes. De naar de top van de veer gerichte baardjes
zijn voorzien van haakjes. Ze grijpen de bovenliggende baardjes
vast. Zo vormt de vlag een zeer licht, goed samenhangend dicht
netwerk dat geen grote weerstand ondervindt bij beweging door de
lucht. Slagpennen hebben ongelijke vlaggen, bij stuurpennen zijn
deze gelijk. Dekveren bedekken het vogellichaam en geven het zijn
algemene vorm. Donsveren zijn vlokkerig en zacht en vormen de
beste isolatie tegen koude. Eén- of tweemaal per jaar verliezen de
vogels in betrekkelijk korte tijd hun veren en krijgen ze een nieuw
kleed. De rui van onze inheemse vogels heeft gewoonlijk plaats in
de nazomer, na de broedtijd en voor de trek. In die periode is het
voedselaanbod het grootst. Eenden en ganzen verliezen al hun
slagpennen kort na elkaar en kunnen dan gedurende enige tijd niet
vliegen. In het voorjaar ruien veel vogels nog eens. Ze krijgen dan
hun prachtkleed, dat ze gebruiken voor hun paringsritueel.
Na de veren zijn de snavel en de poten de belangrijkste kenmerken
van een vogel. Ze geven informatie over de leefwijze en de voeding
van het dier. Roofvogels hebben typische haaksnavels, waarmee ze
een prooi kunnen verscheuren. Viseters, zoals Blauwe reiger en
IJsvogel, hebben een dolksnavel. Grondeleenden halen met hun
platte zeefsnavel allerlei kleine dieren en planten uit het water.
Insecteneters zoals Heggenmus, mezen en Winterkoning worden
gekenmerkt door een priemsnavel, terwijl zaadetende vogels zoals
mussen en vinken een kegelsnavel bezitten. Heel bijzonder zijn de
snavels van waadvogels, zoals Grutto. Ze zijn lang en smal en
dienen om kleine prooien op te sporen die leven in het slik aan de
kust. De poten vertonen eenzelfde variatie in aanpassing.
Roofvogels hebben sterke klauwen om de prooi te grijpen, vandaar
de volksnaam ‘klamper’. Reigers en de genoemde waadvogels
hebben steltpoten, om in het water te kunnen gaan.
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 35
BOUW VAN EEN VOGEL
kruin
oordekveren
bovensnavel
nek
mantel
ondersnavel
vleugelstrepen
kin
keel
armpennen
borst
stuit
buik
bovenstaartdekveren
buitenste
staartpennen
onderstaartdekveren
BALTSGEDRAG
kievit
huismus
klappende
vleugels
zeilvlucht
fuut
turkse tortel
Balts is gedrag ter voorbereiding van de paring. De agressie en vluchtneigingen van de partners
ten opzichte van elkaar worden geleidelijk weggenomen. Tevens wordt het voortplantingsproces
gesynchroniseerd.
36 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
Zwemmende watervogels hebben poten met zwemvliezen voor de
voortbeweging.
De meeste vogels kunnen vliegen. Ze zijn zeer licht in vergelijking
met hun uiterlijk. Hun longen staan in verbinding met een stelsel van
luchtzakken, dat tot in de holle beenderen toe vertakt is. De
hierboven beschreven beenderen geven hen de vereiste
aërodynamische vorm. De enorme vliegspier neemt ongeveer de
helft van de lichaamsinhoud in. Deze zeer verregaande
vleermuizen: p. 39 en p. 139 aanpassingen maken dat bij vogels, anders dan bij de vleermuizen,
de poten vrij blijven. Hierdoor kunnen vogels ook goed lopen of
zwemmen. Vleermuizen daarentegen laten zich van op een hoogte
laten vallen om op de vleugels te gaan.
De voortplanting gebeurt bij vogels met eieren die omgeven zijn door
een kalkachtige schaal. Er is een grote variatie aan nesten,
afhankelijk van de leefwijze van de vogel. Denken we aan het amper
zichtbare ‘kuiltje’ bij Kievit of meeuwen, aan de kunstig vervaardigde
nesten van Merel en Winterkoning en aan de uitgehakte holen van
spechten. De eieren worden bebroed, door het wijfje en meestal ook
door het mannetje. Sommige jonge vogels kunnen bij het uitkomen
al dadelijk lopen of zwemmen. Ze zijn al helemaal met dons
bevederd. Het zijn nestvlieders: ze moeten onmiddellijk het nest uit
dat hen geen beschutting biedt. Andere moeten nog wekenlang in
het nest gevoederd en verzorgd worden. Het zijn nestblijvers. Het
nest geeft hen voldoende bescherming, zoals bij holenbroeders en
bij roofvogels die hoog in bomen broeden.
Er komen bij ons een paar honderd soorten vogels voor. Sommige
zijn zeer algemeen. Het zijn soorten die zich aangepast hebben aan
de moderne mensenwereld. Aan huizen en in tuinen broeden
Huismus, Merel en Turkse tortel. In parken met vijvers komen
alsmaar meer tamme ‘wilde’ eenden voor. Boven de bermen van de
autosnelweg jaagt Torenvalk... Steeds meer exotische soorten
bouwen
in
Vlaanderen
leefbare
populaties
op,
zoals
Halsbandparkiet, Nijlgans en Canadese gans. Verschillende
inheemse soorten hebben het steeds moeilijker. Soorten die in bijna
niet door de mens beïnvloede  landschappen leven, zijn reeds
lang uit onze gewesten verdwenen. Denken we aan Kraanvogel en
Steenarend. Andere konden het best vinden in het ouderwetse
landbouwlandschap met z’n vele kleine landschapselementen zoals
hagen, poeltjes en geriefhoutbosjes. Door het verdwijnen van dit
landschap komen hun populaties nu ook onder druk te staan.
Voorbeelden zijn Geelgors, Grauwe klauwier en Ortolaan (inmiddels
verdwenen). Roofvogels hebben in het recente verleden veel te
lijden gehad, niet alleen van vervolging –o.m. door duivenmelkers–
maar ook door het gebruik van pesticiden in de landbouw. Hierdoor
werden de vogels onvruchtbaar. Nu lijkt een aantal soorten zich
langzaam te herstellen. Nog steeds worden in onze gewesten veel
vogels gevangen en bejaagd. Door een steeds kleinere oppervlakte
aan  natuur hebben ook de vogelvangst en de jacht een
specifieke impact op vogelpopulaties. Soortbescherming kan
daarom voor verscheidene vogelsoorten helpen bij het ombuigen
van de negatieve trend in hun aantallen.
Alle bij ons voorkomende vogels zijn bij wet beschermd (behalve
enkele soorten die nog als jachtwild gerangschikt staan).
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 37
KLEINE ZOOGDIEREN
Mol, egel en de spitmuizen behoren tot de insecteneters. Ze hebben een spitse snuit met
voelharen en scherpe tandjes. Ze eten vooral insecten en andere ongewervelden.
bosspitsmuis
Spitsmuizen zijn geen knaagdieren.
Ze knagen nergens aan, want daarmee zouden ze hun scherpe tanden
bot maken. Het zijn kleine rovertjes die
in de tuin op zoek gaan naar slakken,
spinnen, wormen en andere ongewervelden.
Ratten, huismuizen en bosmuizen zijn ‘ware muizen’.
Het zijn knaagdieren die voornamelijk leven van hoogwaardig voedsel als noten. Ze hebben grote oren en
een lange grijpstaart waarmee ze handig evenwicht
kunnen houden op richels.
gewone bosmuis
Veldmuizen behoren tot de groep van de
woelmuizen. Ze voeden zich voornamelijk
met planten en plantenwortels. Het zijn vrij
‘plompe’ diertjes met een korte staart.
veldmuis
38 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
Zoogdieren
Zoogdieren kennen we uiteraard het best, omdat ze het meest met
ons verwant zijn. Hun huidbedekking bestaat uit haren. De jongen
worden gezoogd met moedermelk. Alle inheemse zoogdieren zijn
placentaal: het jong groeit in de baarmoeder van het moederdier en
is langs de navelstreng verbonden met de placenta of moederkoek.
Behalve deze groep van zoogdieren zijn er nog de buideldieren en
enkele eierleggende zoogdieren, zoals het Vogelbekdier in Australië.
tuinen: p. 75
winterslaap: p. 171
Bekijken we de in ons land levende zoogdieren even van naderbij.
De grootste insecteneter is de Egel. Het is een bewoner van het
oude landbouwlandschap maar ook van tuinen. De Egel is vooral in
de schemering en ‘s nachts actief. Zijn manier van verdediging –zich
oprollen en stekels uitzetten– is in de natuur heel doeltreffend, maar
biedt geen soelaas tegen aanstormende auto’s... Egels houden een
winterslaap. Andere insecteneters zijn de spitsmuizen; het zijn
helemaal geen echte muizen! Ze ruimen in de tuin heel wat insecten
en slakjes op. Spitsmuizen zijn goed te herkennen aan hun lange,
spitse snuit, hun zeer kleine ogen en grotendeels in de vacht
verborgen oren. Ze houden geen winterslaap. De Mol heeft bij vele
tuinbezitters een kwalijke reputatie, als vernieler van gladgeschoren
gazons. De Mol graaft gangen in de bodem uit, waar hij op
regenwormen jaagt. Daardoor blijft de bodem luchtig en goed
gedraineerd. Wie een natuurtuin heeft, wil de mol eigenlijk niet
missen! Mollen houden evenmin een winterslaap.
Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren. Onze inheemse vleermuizen
eten insecten en andere ongewervelden die ze voornamelijk in de
vlucht vangen. Ze zijn in de schemering en ‘s nachts in de weer. Ze
kunnen zich feilloos oriënteren met behulp van een soort
sonarsysteem, waarmee ze geluidsgolven uitsturen en weer
opvangen. Vleermuizen houden een winterslaap. De meest
zeldzame soorten zoeken daar natuurlijke of kunstmatige grotten
voor op, zoals ijskelders. Andere soorten overwinteren in bvb.
gewone huizen of in bomen. Tijdens de winterslaap moeten
vleermuizen absoluut met rust gelaten worden; wakker worden
betekent energieverlies en onvermijdelijk de dood. Vroeger waren
vleermuizen bron van bijgeloof. Ze werden vaak aan staldeuren e.d.
gespijkerd. Gelukkig zien nu steeds meer mensen het boeiende en
nuttige van deze dieren in.
Bij knaagdieren denken we wellicht het eerst aan konijnen. Nochtans
worden Konijn en Haas tot een andere groep, die van de
haasachtigen of dubbeltandigen, gerekend. Beide soorten lijken veel
op elkaar, maar hebben een totaal verschillende leefwijze. Konijnen
leven in groep en graven holen. Hazen leven solitair en maken
slechts een oppervlakkig, bovengronds nest (‘leger’). Konijnen
vluchten zigzaggend weg. Hazen gaan pijlsnel op de vlucht en
kunnen daarbij haakse bochten van 90° maken.
De echte knaagdieren worden in de eerste plaats vertegenwoordigd
door de ratten en de (echte) muizen. Deze hebben een vrij lange
staart, erg dun behaard met duidelijke ringen. Is het dit ‘slangachtig’
uiterlijk van de staart dat sommige mensen zo’n panische angst voor
muizen bezorgt? Daarnaast zijn er nog de woelmuizen. Ze hebben
een stompere kop en een kortere, behaarde staart. De Veldmuis
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 39
dwergvleermuis
bunzing
40 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
winterslaap: p. 171
is de meest bekende en beruchte, of is dat de Muskusrat, een zeer
grote woelmuis die ingevoerd werd voor de pels en nu onze dijken
onveilig maakt? De fraaie slaapmuizen, o.a. Eikelmuis en
Hazelmuis, krijg je slechts zelden te zien. Ze komen voor in het
zuiden van het Vlaams Gewest. Ze houden een zeer lange
winterslaap, vandaar hun naam. Meer kans op een ontmoeting heb
je met de Eekhoorn, die nog vrij algemeen is in onze parken en
bossen. Het dier kan zich op een wonderwel behendige wijze
voortbewegen op stammen en in boomkruinen.
Roofdieren voeden zich met andere dieren. De Vos is een
hondachtige die bij ons nog voorkomt. Ondanks de felle bejaging,
neemt hij plaatselijk in aantal toe. Net zoals in het buitenland al werd
vastgesteld, past een aantal vossen zich aan om in de directe
omgeving van de mens te leven, tot bijvoorbeeld in het centrum van
Brussel toe. Deze ‘stadsvossen’ leven van allerlei afval die door de
mens wordt achtergelaten. De Vos heeft een kwalijke reputatie als
kippenrover. Toch moet men hem geen bovenmatige intelligentie
toedichten. Een stevig en goed onderhouden kippenhok is dé
remedie om Reinaert buiten te houden! Van de marterachtigen is de
Das de grootste. Hij komt voornamelijk nog voor in het zuiden van
Limburg en vooral in Voeren. De kleinste is de Wezel. Dit felle
rovertje eet vooral woelmuizen, maar kan wel een niet al te groot
konijn aan. Grotere broer is de Hermelijn. Deze heeft een
gelijkaardige lichaamsbouw, maar heeft een zwarte staartpunt. In de
winter krijgen sommige hermelijnen een witte vacht; de zwarte
staartpunt blijft evenwel. Deze winterpels was indertijd erg gegeerd
om koningsmantels e.d. af te boorden. Hermelijnen eten vooral
woelratten. Nog iets groter en vooral wat zwaarder gebouwd is de
Bunzing. De tamme vorm hiervan, de fret, wordt gebruikt om op
konijnen te jagen. Bunzing, Hermelijn en Wezel komen nog over het
gehele land voor. Dit kan al lang niet meer gezegd worden van de
marters, Boom- en Steenmarter. Ze komen hier en daar nog voor,
vooral in de oostelijke provincies. De Otter en de Europese nerts zijn
waterbewonende marterachtigen. In Vlaanderen zijn ze uitgestorven.
Door watervervuiling verdween hun voornaamste voedsel, de
vissen. Bovendien werden op vele plaatsen de oevers gebetonneerd
zodat nest- en rustplaatsen vernietigd werden. Tenslotte zijn er de
katachtigen. Wilde kat kwam eertijds over geheel Europa voor. Nu
breidt de soort zich opnieuw uit, waarbij het niet ondenkbaar is dat
ze via Voeren opnieuw haar intrede zal doen in het Vlaams Gewest.
Van de evenhoevigen komt het Wild zwijn opnieuw in Vlaanderen
voor, alweer in Voeren. Van de hertensoorten zien we vooral nog de
Ree in het Vlaams Gewest. Deze doet het echter steeds beter, door
o.a. meer gecontroleerde jacht, de toename van bramen in de
bossen (wintervoedsel) ten gevolge van vermesting en de dekking
die wordt geboden door maïsakkers. De inheemse Oeros is al sedert
het begin van de zeventiende eeuw uitgestorven. Zijn erfelijk
materiaal leeft echter verder in de talrijke tamme runderrassen.
Begin deze eeuw werd gepoogd om de Oeros ‘terug te fokken’. Dit
resulteerde in het zgn. ‘Heckrund’ (naar de Duitse gebroeders Heck,
die het experiment uitvoerden). Heckrunderen worden nu wel
gebruikt voor begrazing in natuurterreinen, evenals andere
‘primitieve’ rassen zoals Galloways en Schotse hooglandrunderen.
Van de onevenhoevigen kwam eertijds de Tarpan (bospaard) in
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 41
ZOOGDIERSPOREN IN DE SNEEUW
Zoogdieren krijg je niet zo gauw te zien, tenzij als verkeersslachtoffer of in een -verboden- klem.
Wie er echter na een besneeuwde nacht op uittrekt, staat verbaasd van hun alomtegenwoordigheid in bos en veld, duin en hei. Overal wordt het landschap doorkruist met sporen.
Sommige zijn gemakkelijk te herkennen.
vos
hond
Er is een gemakkelijke truuk om
vossen- en hondensporen uit elkaar te
houden. Let op de gerichtheid van het
rechthoekje tussen de voetkussentjes.
Opgepast, de truuk werkt niet altijd
100%, sommige hondenprenten lijken
op die van een vos. Je kan dus niet
met zekerheid zeggen dat het om een
vos gaat alleen maar op basis van een
pootafdruk.
Linksonder : prenten van
een Ree (een
evenhoevige).
Rechtsonder: prenten
van een konijnensprong.
Een reebok in het bos
42 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
Europa voor. Begin negentiende eeuw verdween hij in het wild. Ook
van dit dier werd gepoogd het terug te fokken vanuit tamme
paardenrassen. Het resultaat is de Konik (uitspraak: konjiek), die
alsmaar meer in natuurterreinen wordt ingezet.
Van de zeezoogdieren kwam de Gewone zeehond op de
zandbanken voor onze kust voor. Hij verdween door bejaging maar
vooral ook door ziekte en door vergiftiging van het kustwater. De
laatste jaren komen er weer meer zeehonden voor aan de IJzer- en
de Scheldemonding. Dit is o.m. te danken aan de werken die aan de
IJzermonding werden uitgevoerd om daar opnieuw zeehonden aan
te trekken.
Alle vleermuizen, spitsmuizen, Egel, Bruinvis, Das, Eekhoorn,
Geelhalsbosmuis, Hamster, Hazelmuis, Gewone en Grijze zeehond,
Otter, Tuimelaar en Wilde kat zijn wettelijk beschermd. De Bever
komt ondertussen opnieuw in Vlaanderen voor, onder meer na
enkele uitzettingen in de Dijlevallei. Deze diersoort is wettelijk
beschermd. Het is niet uitgesloten dat ook de Lynx ooit opnieuw in
Vlaanderen opduikt. Ook deze soort werd alvast wettelijk
beschermd.
Ongewervelden
De ongewervelden vormen met 95% van de soorten de grootste
onderverdeling van het dierenrijk. De eencelligen (zonder 
bladgroen) worden niet langer als dieren, maar als aparte
categorieën beschouwd. We behandelen hier maar drie groepen bij
wijze van voorbeeld: slakken, spinnen en insecten.
Slakken behoren samen met o.a. tweekleppigen (mosselen en
oesters) en inktvissen tot de weekdieren. Slakken hebben slechts
één schelp, het huisje, of zijn ‘naakt’. De bekendste naaktslak is de
Wegslak, een tot 15 cm grote slak waarvan de kleur varieert van
zwart tot oranje. Er zijn landslakken, zoals de fraaie geelzwart
gestreepte tuinslakken en de Wijngaardslak, en waterslakken, zoals
de Poelslak en de Gewone posthoornslak.
De ademhaling gebeurt door longen of met kieuwen (zeeslakken), of
door de huid (veel zoetwaterslakken die ook wel longen hebben).
Slakken bewegen zich voort met een groot gespierd orgaan, de
‘voet’. Ze glijden op een slijmspoor dat ze zelf afscheiden. De kop
heeft één tot twee paar intrekbare voelhorens. Als er één paar
voelhorens is, staan de ogen aan de basis daarvan op de kop
ingeplant. Bij twee paar voelhorens staan de ogen op het uiteinde
van het langste paar. Berucht bij tuiniers is de rasptong, waarmee ze
planten kunnen afschrapen. Niet alle slakken voeden zich met
levende planten. Er zijn er die (ook) afgestorven plantenmateriaal
eten en er zijn zelfs roofslakken.
De meeste landslakken zijn tweeslachtig. Ze paren met elkaar en
kunnen dan elk eieren leggen. Bij de paring schieten sommige
soorten kalkpijltjes (‘liefdespijlen’) in elkaars lichaam. Landslakken
leggen vrij grote eieren die tegen uitdroging beschermd worden door
een schaal; eieren van waterslakken hebben geen schaal.
Huisjesslakken komen vooral op kalkrijke bodem voor. Ze hebben
heel wat kalk nodig om hun huisje aan te maken. De vrij grote
wijngaardslak is echt tot de kalkstreek beperkt. Niet alle slakken zijn
gebonden aan vochtige  biotopen. Slakken zijn wel vooral bij
vochtig weer en ‘s nachts actief.
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 43
SLAKKEN
De wegslak: een naaktslak.
Poelslak en posthoornslak: huisjesslakken in zoet water.
GEDAANTEVERWISSELING BIJ INSECTEN
volledige gedaanteverwisseling
onvolledige gedaanteverwisseling
larve
imago
vervellen
vervellen
ei
ei
pop
vervellen
nymfe
(larve)
imago
(= volwassen insect)
INSECTENLARVEN
bastaardrups (bladwesp)
pootloze made (vlieg)
rups (vlinder)
made met poten (kevers)
dierenetende larve
(kevers – mierenleeuw)
44 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
Spinnen behoren, net zoals de hierna besproken insecten, tot de
geleedpotigen. Ze zijn verwant met schorpioenen, teken, mijten en
hooiwagens. De belangrijkste verschillen met insecten zijn:
• er zijn vier in plaats van drie paar looppoten;
• het lichaam is verdeeld in twee delen: kopborststuk en achterlijf
(bij hooiwagens slechts één deel);
• vleugels ontbreken;
• er zijn spintepels (niet bij hooiwagens);
• allemaal diereneters.
jachttechnieken bij spinnen: p. 153
Hooiwagens zijn geen echte spinnen, hun lijf bestaat uit slechts 1
deel. Bij de spinnen kan men heel wat verschillende jachttechnieken
onderscheiden. Spinnen zijn vooral in het najaar opvallend
aanwezig.
Insecten vormen de diergroep die het best vertegenwoordigd is in
het dierenrijk, zowel wat soorten als wat aantallen betreft. Over heel
de wereld zijn een miljoen soorten bekend, tegen ‘slechts’
honderdduizend soorten van alle andere diergroepen samen.
Insecten vind je overal, behalve in zee.
spitsmuizen: p. 39
vleermuizen: p. 39 en p. 139
bestuiving: p. 139
voedselkringloop: p. 91
Doordat ze in zulke grote aantallen voorkomen, vormen ze een
belangrijke voedselbron voor andere levende wezens. Bepaalde
vogelsoorten zoals grasmussen, roodstaarten, zwaluwen en andere
zangvogels leven hoofdzakelijk van volwassen insecten en/of hun
larven. Sommige zoogdieren zoals spitsmuizen en vleermuizen
hebben insecten op het hoofdmenu staan. Vissen eten eveneens
insecten. Maar ook voor de plantenwereld spelen insecten een
belangrijke rol. Bepaalde plantenfamilies, zoals de lipbloemenfamilie
en de vlinderbloemenfamilie, zijn bij ons volledig op insecten
aangewezen voor hun bestuiving. Fruitbloesems worden druk
bezocht door bijen en vliegen, zodat vruchten gevormd worden.
Anderzijds nemen heel wat insecten (delen van) planten tot voedsel:
rupsen eten bladeren, bladluizen zuigen plantensap, enz. De larven
van vele insecten leven in de strooisellaag van de bodem of in de
modder van sloten. Ze vervullen daar samen met  bacteriën,
schimmels en andere ongewervelden een belangrijke rol bij de
humusvorming, het proces waarbij dode plantendelen worden
omgezet in humus. Hierin worden water en  mineralen
vastgehouden zodat deze opnieuw door de groene planten kunnen
worden opgenomen: de  voedselkringloop. Een groot deel
insecten leeft als  parasiet op andere insecten, zoals de larven
van sluipwespen en sluipvliegen. De volwassen wijfjes leggen hun
eieren in rupsen. Evenals de roofinsecten dragen ze ertoe bij dat er
geen insectenplagen ontstaan. Deze kunnen in onze
landbouwmonoculturen makkelijk optreden. In kassen wordt alsmaar
meer gebruik gemaakt van biologische bestrijding met parasitaire en
roofinsecten.
Insecten hebben geen last van uitdroging. Hun uitwendig
chitinepantser is bedekt met een waslaagje. Insecten komen haast
in alle biotopen ter wereld voor. De ademhaling gebeurt door middel
van een buizenstelsel dat via enkele openingen met de buitenwereld
verbonden is. Door dit tracheeënstelsel hebben de meeste insecten
geen rode bloedkleurstof (hemoglobine) nodig. Uitzondering hierop
zijn de larven van bepaalde muggen, die in zuurstofarme
modderbodems leven. Insecten hebben gescheiden geslachten.
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 45
VOLWASSEN INSECTEN
protura (oerinsecten)
snuitkever
(schildvleugeligen)
wants (halfvleugeligen)
springstaart (springstaarten)
mier koningin
(vliesvleugeligen)
zilvervisje (franjestaarten)
mier werkster
(vliesvleugeligen)
cicade (halfvleugeligen)
rugzwemmer (wants)
(halfvleugeligen)
oorworm (huidvleugeligen)
zweefvlieg (tweevleugeligen)
glazenmaker (libellen)
dagvlinder (schubvleugeligen)
sprinkhaan (rechtvleugeligen)
46 -  CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren
De voortplanting gebeurt met eieren (soms eierlevendbarend), die
niet altijd bevrucht hoeven te zijn. Opgroeiende insecten kennen
ofwel een volledige, ofwel een onvolledige gedaanteverwisseling.
Een aantal ongewervelden wordt in Vlaanderen wettelijk beschermd.
Bij de insecten zijn dat o.a. alle libellen, inlandse lieveheersbeestjes
en loopkevers maar ook soorten als Rode bosmier en Vliegend hert.
Bij de spinnen zijn Aardspin, Dwarsgestreepte wielspin, Gerande
oeverspin en Waterspin beschermd. Twee slakken (o.a. de eetbare
Wijngaardslak) vallen onder een Europese beschermingsregeling.
Deze jonge kievit is een nestvlieder (zie p. 37).
 CVN - Centrum Voor Natuur- en milieueducatie – Cursus Natuur-In-Zicht – Hoofdstuk Dieren - 47
Download