Basisbegrippen uit de sociale filosofie

advertisement
 1
Basisbegrippen uit de sociale filosofie
Addendum I bij het hoofdstuk ‘Politiek en democratie in postpolitieke tijden.
Een inleiding in het denken van Chantal Mouffe’ in het boek Dwarsliggers
voor opbouwwerk van Alain Storme
Het onderscheid dat Chantal Mouffe maakt tussen het politieke en de politiek gaat
terug op haar kijk op het wezen van de sociale werkelijkheid. De wereld van het
sociale is wezenlijk open van karakter. Anders dan het ding, dat volledig gevormde
identiteit is, op zichzelf gesloten en een en al positiviteit, is het sociale doortrokken
van de negativiteit van het antagonisme, van de wij-zij-tegenstelling. Het antagonistisch karakter van het sociale is geen bijkomstig gegeven, maar is constitutief
in de zin dat het onoverkomelijk is, niet teniet kan gedaan worden. Er bestaan
geen rationele oplossingen voor de conflictueuze aard van het sociale. Het politieke
nu refereert naar die dimensie van antagonisme waarvan de sociale realiteit doortrokken is. De politiek is het veelkleurige palet aan praktijken en structuren die
vormgeven aan menselijk samenleven in een conflictueuze, door antagonismen
gekarakteriseerde sociale context.
Het fundamenteel open karakter van het sociale heeft belangrijke consequenties
voor een gegeven maatschappelijke orde. Elke sociale orde is wezenlijk politiek van
aard en drukt een hegemonie uit voor zover ze staat voor een beslissing in een immer onbeslist terrein. Elke orde is ook voorlopig en onbeslist omdat ze vorm kreeg
doorheen een specifieke configuratie van krachtsverhoudingen die uit vele andere
mogelijkheden die ene orde vastlegde en daarmee andere uitsloot. Een sociale orde
zou ook altijd anders kunnen zijn. Ze is contingent omwille van de steeds aanwezige mogelijkheid dat een tegenhegemonie een andere orde installeert. Zo steunt
de geglobaliseerde economie vandaag als specifieke orde op de hegemonie van het
neoliberalisme.
Antagonisme en hegemonie zijn de twee basisbegrippen waarop de sociale ontologie steunt die Mouffe samen met Ernesto Laclau ontwikkelde in Hegemony
and socialist strategy. Towards a radical democratic politics. Dit werk gaat
ook, zoals de titel suggereert, op zoek naar een visie voor de linkerzijde die meer
2 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
oog heeft voor het politieke moment in de vormgeving van een andere samenleving. Het marxisme heeft, net al het liberalisme, het politieke niet adequaat
getheoretiseerd. Het was zijn blinde vlek, vermits maatschappelijke evoluties
gedetermineerd werden door de ‘objectieve krachten’ van de geschiedenis en de
ontwikkelingswetten van de economische onderbouw met de arbeidersklasse in de
voorbestemde rol van revolutionair subject. Laclau en Mouffe ontwikkelden hun
theorie van het sociale ook om tegenbewegingen die hun brandstof niet aangeleverd krijgen vanuit het klassenantagonisme en er ook niet toe te herleiden zijn, de
plaats te geven die hen vanuit de marxistische theorie wordt ontzegd. Het komt er
voor hen op aan zoveel mogelijk terreinen waar antagonismen spelen op één lijn te
krijgen (ketens van equivalentie te vormen) om de idee van gelijkheid ingang te
doen vinden, zonder evenwel aan de idee van vrijheid afbreuk te doen. Dit is het
project van een radicale en pluralistische democratie dat bestaande politieke instellingen van de liberale democratie als uitgangspunt neemt en ze radicaliseert om
naar een tegenhegemonie toe te werken.
Invloeden
Het denken van Chantal Mouffe is weerbarstig en wortelt in een stevige sociaal-filosofische fundering. Tot haar belangrijkste invloeden behoren Antonio
Gramsci (het hegemoniebegrip), het poststructuralisme – onder andere van
Jacques Derrida – en de late Wittgenstein uit de Filosofische onderzoekingen.
De rol van het vreemde in de vorming van identiteiten – het ‘constitutieve
buiten’ en meer algemeen het deconstructiedenken1 van Derrida (19302004) – vormt een belangrijk aanknopingspunt in de discourstheorie die
Mouffe samen met Laclau ontwikkelt in Hegemony and socialist strategy
(Hss). In de aanhef tot een commentaar op het etnografisch werk van Claude Lévy-Strauss (Derrida, 1967, p.409 e.v.) maakt Derrida gewag van een
belangrijke gebeurtenis op het vlak van het denken over structuren. Meer
bepaald over wat een structuur tot structuur maakt. Wat is de structuralité
1 Een tekst kunnen we niet op één manier interpreteren omdat woorden meer dan één
betekenis hebben. Om de betekenissen en vooronderstellingen te achterhalen moet een tekst
uit mekaar gehaald worden. In de filosofie gaat deconstructie om de ontmanteling van de
grote filosofische systemen, van de grote verhalen (‘Filosofen zijn tirannen die, omdat ze niet
over legers beschikken, de wereld aan hun systemen onderwerpen’, zo drukt Robert Musil
(1880-1942) in De man zonder eigenschappen dit postmoderne gevoel uit.).
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 3
van een structuur? Hoe verbinden verschillende elementen zich tot een
totaliteit, een totaliteit zonder dewelke een structuur geen structuur zou
zijn. Traditioneel heeft men dat, aldus Derrida, gedacht in termen van een
centrum, een eenheid stichtend principe dat wel coherentie verleende aan
de elementen van de structuur maar tegelijk wezenlijke processen in de
vorming van een structuur – Derrida spreekt van ‘le jeu de la structure’ –
in het verborgene hield. Enerzijds is het centrum datgene wat elementen
vastlegt en dus hun identiteit fixeert, anderzijds staat het centrum buiten
of ontsnapt het aan de structuralité van de structuur. Het centrum staat
paradoxalerwijs binnen en buiten de structuur. Doorheen de geschiedenis
heeft men dat centrum opeenvolgende namen gegeven: wezen, doel, energie, essentie, God en (vooruitlopend op de kritiek van Laclau en Mouffe):
samenleving. Maar wat gebeurt er vanaf het moment dat men het centrum
niet langer gaat denken als iets ‘tastbaars’, iets ‘fixeerbaars’, maar als een
totaliteit, een vorm, of nog, een functie georganiseerd volgens een eigen
wetmatigheid waarin de diverse bestanddelen slechts zin hebben in relatie
of in oppositie tot elkaar? ‘Het is het moment waarop de taal het problematische universele veld overspoelt. Het is het moment waarop alles
bij gebrek aan centrum of oorsprong discours wordt – op voorwaarde dat
we het eens zijn over de betekenis van dat woord – een systeem namelijk
waarin het centrale betekende (...) nooit absoluut aanwezig is buiten een
systeem van verschillen’. Vanuit deze passages kunnen we een verbinding
leggen naar de kritiek van Laclau en Mouffe op het dualisme in de opvatting over de sociale werkelijkheid in de marxistische traditie (zie noot 10)
en naar hun eigen opvatting, ontwikkeld in hun politieke discourstheorie.
Deze theorie is ook schatplichtig aan de door Ludwig Wittgenstein (18891951) ontwikkelde opvatting van taal waarin betekenis tot stand komt doorheen de praktijk van aan pragmatische regels gebonden taalspelen en niet
op de manier zoals Augustinus zich dat voorstelde. Betekenis als aan het
woord gekoppeld en verwijzend naar het voorwerp waarvoor een woord
staat ‘hoort thuis in een primitieve voorstelling van de manier waarop taal
functioneert’ (Wittgenstein, 2006, p.14 – zie ook noot 7). Deze taalspelen
krijgen op hun beurt uiteindelijke zin en betekenis binnen de levensvormen
waarin ze zich ontplooien.2 Voor Wittgenstein is overeenstemming tussen
2
De Wittgensteinse grammatica is de plaats waar taal, denken en realiteit samenkomen.
4 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
mensen niet in de eerste plaats een zaak van rationeel denken maar een
kwestie van gedeelde levensvormen. Ook voor de fundering van haar eigen
politieke theorie haalt Mouffe, tegen de aanspraken van het rationalistische
denkkader en de universaliteit van het liberaal-democratisch regime in, argumenten bij Wittgenstein. Meer bepaald uit zijn onderzoek naar wat het
precies betekent om regels te volgen,3 en bij zijn stelling dat verschillende
dingen die door een begrip omvat worden niet te definiëren zijn in termen
van essentiële gemeenschappelijke kenmerken maar hooguit in termen van
familiegelijkenissen. Het belang van Wittgenstein ligt voor haar niet in
het feit dat hij een politieke theorie aanlevert, noch dat men een dergelijke theorie op grond van zijn denken zou kunnen opzetten. Wittgenstein
wijst eerder een nieuwe manier aan om over het politieke te theoretiseren
vanuit het adagio: ‘Denk niet, maar kijk!’ Hij benadrukt het particuliere
geval, de noodzaak om pluraliteit en tegenstellingen te aanvaarden en de
nadruk op het onderzoekende en sprekende zelf. De dominante politieke
theorieën zijn volgens Mouffe schatplichtig aan het platonisch universalisme en rationalisme dat het bestaan poneert van algemene wetten die
niet aan de contextuele specificiteit van het particuliere geval gebonden
zijn. Zij geven bijgevolg voorrang aan de rede boven het redevoeren. Contextualisme, voorrang van het bijzondere boven het algemene, pluralisme
van de werkelijkheid, voorrang van het verschil boven de eenheid: het zijn
allemaal elementen uit een denktraditie die terug gaat op Aristoteles. Deze
traditie beleefde na Montaigne een lange winterslaap tot ze, te beginnen
bij Nietzsche, vooral in de laat-twintigste-eeuwse differentiefilosofie aan
een comeback begon.4 In deze zin schrijft het denken van Chantal Mouffe
en de radicale democratie die ze belichaamt, zich in in de copernicaanse revolutie die in de twintigste eeuw in de filosofie heeft plaatsgevonden: ‘Een
beweging weg van het absolute naar het relatieve, van het universele naar
het particuliere, van het trancendentale subject naar het gesitueerde zelf’
(Hekman, 1993, p.17). Vandaar de stelling van Mouffe dat er geen nood is
aan een nieuwe theorie over politiek binnen het rationalistische denkkader,
maar aan een nieuwe wijze van denken over het politieke.
3
Regels worden niet zomaar toegepast in verschillende contexten, er is niet de regel en dan de
toepassing, het moment van toepassing, de specifieke context wordt onderdeel van de regel.
4 Een boeiende ideeëngeschiedenis over de strijd tussen deze twee denkrichtingen vanaf de
renaissance is te vinden in S. Toulmin 1993.
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 5
Hegemony and socialist strategy. Towards a radical democratic politics
Veel van de basisideeën en kennistheoretische grondslagen waarop Mouffe
na 1985 zal verder bouwen komen uit de smidse van dit werk. Vooral Laclau heeft de discourstheoretische aanzetten uit Hss in latere publicaties
verder uitgewerkt. Hss vertrekt vanuit een dubbele vaststelling: links verkeert in een politieke crisis als gevolg van de mislukkingen van het ‘reëel
bestaande socialisme’, en links verkeert in een theoretische crisis als gevolg
van het onvermogen van de marxistische theorie om, gevangen als die zit
in de orthodoxie van het klassenbegrip, om te gaan met het rijkgeschakeerde en veelkleurige palet waarin de sociale strijd zich manifesteert. Hss
is postmarxistisch voor zover het komaf maakt met enkele heilige huisjes
van het marxisme: zijn economisme (de maatschappelijke bewegingswetten van het kapitaal), zijn essentialisme (de arbeidersklasse als voorbestemd
en uitverkozen revolutionair subject), zijn politiek afwachtende houding
(vermits sociale veranderingen enkel en noodzakelijkerwijs van economische veranderingen te verwachten zijn). Hss is echter ook postmarxistisch
omdat het een poging is om, vanuit de laat-twintigste-eeuwse filosofische
stroming van het poststructuralisme, het marxisme te deconstrueren, zonder evenwel afstand te doen van het morele gehalte van datzelfde marxisme: zijn emancipatorische ambities. Van hieruit kan Hss op meerdere
niveaus gelezen worden.
Kritiek op de marxistische leer
Hss ontvouwt op de eerste plaats een kritiek op het essentialisme in het
marxisme. Het hegemonieconcept werd in de marxistische leer binnengehaald en wel op het moment dat de leer in een crisis terechtkwam nadat
zijn voorspellende karakter in concrete historische inbeddingen te wensen overliet. Tegen het einde van de negentiende eeuw kon iemand als
Karl Kautsky de theorie van de eenheid van het proletariaat nog staven
aan de hand van ervaringen uit de voorgaande decennia van depressie en
economische crisis. Er was ogenschijnlijk convergentie tussen theorie en
praktijk. Met de heropleving van de economie rond de eeuwwisseling lijkt
er eerder sprake van toenemende versplintering en proliferatie van strijd
rond deelbelangen. Iemand als Rosa Luxemburg zal twee decennia later
6 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
in tegenstelling tot Kautsky klasseneenheid niet als beginpunt voor haar
analyses nemen, maar als een doorheen een spontaneïstisch revolutionair
proces te vormen eenheid.
De diverse stromingen binnen de Tweede Internationale5 zijn in feite
even zo veel pogingen om de gefragmenteerde sociale werkelijkheid en
de politieke praktijk van de sociaaldemocratie terug in overeenstemming
te brengen met het postulaat van de eenheid van het proletariaat. Op dat
punt onderwerpen Laclau en Mouffe de inspanningen van het orthodox
marxisme (met figuren als Karl Kautsky (1854-1938), Georgi Plechanov
(1856-1918) en later Vladimir Lenin (1870-1924)), het revisionisme (met
de figuur van Edouard Bernstein (1850-1932)) en het revolutionair syndicalisme (met de figuur van Georges Sorel (1847-1922)) aan een kritisch
onderzoek. In de orthodoxie bijvoorbeeld staat de ‘wetenschappelijkheid’
van de theorie ervoor garant dat historische trends zullen samenvallen met
het soort sociale articulaties die in het paradigma worden voorgesteld. Het
zijn de bewegingswetten van de onderbouw die de in de praktijk vastgestelde kloof zullen overwinnen en de eenheid herstellen. Dit mechanisch
determinisme laat zeer weinig ruimte voor een beslissende inbreng van
de contingente politieke factor, die slechts schoorvoetend een plaats krijgt
voor zover de omstandigheden een afwachtende houding tot op een onbestemd punt in de toekomst niet toelaten. Zo ziet Kautsky een bemiddelende rol weggelegd voor intellectuelen. Het revisionisme van Bernstein zal er
precies in bestaan het rigide basis-bovenbouw-determinisme in te perken
door een grotere rol toe te kennen aan autonome politieke interventies
waarbij de partij de eenheid van de werkende klasse als leidende klasse zal
realiseren. Bij Sorel verschuift het decisieve moment van klasseneenheid
nog meer naar het politieke niveau, naar het niveau van directe (vakbonds)
actie, de wil van groepen om via strijd (de mythe van de algemene staking)
de gewenste economische ordening naderbij te brengen.
Het is in deze context van veralgemeende fragmentatie van de concrete
klassenstrijd, een fragmentatie die de wetmatigheden van de theorie tart,
dat het concept ‘hegemonie’ ingang vindt. Bij Lenin verschijnt het hegemoniebegrip in zijn behandeling van klassenallianties. Groepen die een
specifiek belang vertegenwoordigen, sluiten allianties tegen een gemeen5 Opgericht op 14 juli 1889. De Belgische socialistische voormannen Emile Vandervelde en
Camille Huysmans zouden er een belangrijke rol in spelen.
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 7
schappelijke vijand. Het democratisch potentieel dat in dergelijke brede allianties (massabewegingen) schuilt, wordt echter in een autoritaire richting
afgebogen doordat de leiding in dergelijke allianties de arbeidersklasse, en
daarbinnen een partijvoorhoede, toekomt. Kenmerkend voor de orthodoxmarxistische behandeling van het hegemoniebegrip – onder meer maar
niet enkel in het leninisme – is dat de identiteit van de actoren die allianties
aangaan vooraf gegeven is en doorheen de alliantie ook geen wezenlijke
veranderingen ondergaat. Hegemonie uitoefenen dekt bij Lenin vooral
een instrumentele, politiek-tactische lading. De arbeidersklasse geeft leiding aan een brede massabeweging met het oog op het veiligstellen van de
eigen belangen. Het is met deze opvatting dat Gramsci, zoals we verder
zullen zien, tot op zekere hoogte zal breken.
Een theorie van het sociale
Politieke discourstheorie
In een tweede beweging bevat Hss de contouren van een eigen visie op het
wezen van de sociale werkelijkheid. Hier bevinden zich de aanzetten van de
politieke discourstheorie van Laclau en Mouffe. Uitgangspunt voor deze
discourstheorie is dat de werkelijkheid discursief geconstrueerd wordt.6
Het sociale is een discursieve ruimte. Dit betekent niet dat de werkelijkheid niet zou bestaan onafhankelijk van het denken, zoals het idealisme
voorhoudt. Laclau en Mouffe zeggen het zo:
‘Een aardbeving of het vallen van een steen (een object of een gebeuren in de werkelijkheid) is een voorval dat wel degelijk bestaat in de
zin dat het hier en nu voorvalt, onafhankelijk van mijn wil. Maar of
hun specificiteit als dingen geconstrueerd is als “natuurverschijnselen” of van “uitdrukking van de wraak van God” gaat terug op de
structuur van het discursieve veld. Wat ontkend wordt, is niet dat zo’n
dingen onafhankelijk van het denken zouden bestaan, maar die eerder
6
Voor een introductie en commentaar bij het betreffende hoofdstuk in Hss, zie Howarth et al,
2000, p.1-37 en Glynos et al., 2009.
8 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
andere bewering dat ze zichzelf als objecten zouden kunnen presenteren buiten elke discursieve voorwaarde van verschijnen om.’(Hss, 108)
De zin en betekenis die wij aan de werkelijkheid geven, zowel de materiële
als de immateriële, zijn in sociale praktijken geconstrueerde systemen van
regels en posities. Neem het voorbeeld van de met uitsterven bedreigde
tijger. Voor stropers is het dier een louter economisch goed dat veel geld
opbrengt en dus kan afgeschoten worden. Voor Chinezen zijn tijgerbotten
een belangrijke grondstof in de geneeskunde. Voor de boer is hij een gevaar voor het vee en mag hij dus vergiftigd worden. Voor wetenschappers
en dierenrechtenactivisten is de tijger een belangrijke schakel in de biodiversiteit die met alle macht moet beschermd worden. Voor nog anderen is
de tijger een nationaal symbool. Voor al deze actoren bestaat er zoiets als
‘tijger’ (als ‘verwijzing’ in de Augustiniaanse betekenis van het woord7),
maar de betekenis-‘lading’ die ‘tijger’ krijgt wordt, bepaald door de regels
van het discours waarbinnen die betekenis vormkrijgt en dat op zijn beurt
ingebed zit in en context van andere discoursen.
Discoursen zijn sociale praktijken waarin betekenis tot stand komt en in
die zin zijn het gedeelde vormen van wereldverstaan. Doorheen het discours wordt de identiteit van subjecten en objecten vastgelegd. Niet enkel
de tijger krijgt betekenis, ook de identiteiten van de subjecten, de actoren
worden bepaald in hun respectievelijke subjectposities, in hun hoedanigheid van stropers, gifmengers, geneesheren, natuurbeschermers, … Zoals
de taalspelen in hun Wittgensteiniaanse tot essentie herleide vorm, zo zijn
discoursen relationele configuraties waarin actoren, woorden en acties interageren en waarin elk element zijn zin of identiteit verkrijgt in relatie tot
en in onderscheid met andere elementen (het ‘constitutieve buiten’ van
Derrida). Mag de verwantschap tussen het taalspel en het discours het er
op het eerste gezicht op doen lijken dat het in een discours enkel om een
mentale aangelegenheid gaat, net zo min als het in het taalspel alleen een
kwestie is van taal, zo ook heeft het discours materiële en immateriële aspecten. Niet alles is een kwestie van taal, maar de eigenschappen van taal
gelden voor elke zinvolle structuur. Elk betekenisvol systeem, instellingen,
7
Wittgensteins beschouwingen over taal en betekenis in de Filosofische onderzoekingen starten
met een kritiek op deze Augustiniaanse opvatting. De kerkvader Augustinus van Hippo (354430) schreef onder meer Belijdenissen en De stad van God.
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 9
politieke apparaten, staten, bestaan als het ware uit gesedenteerde discoursen.
In Laclau’s typering van het discours als ‘het geheel van regels plus die
acties die hen bekrachtigen, verstoren of ondermijnen’, ligt een andere
belangrijke eigenschap besloten: discoursen als discursief geconstrueerde
structuren zijn contingent en politiek van aard.8 Wat een discours tot een
instabiele, niet essentialistische en contingente structuur maakt, heeft te
maken met de intrinsieke leegte waardoor elk discours gekarakteriseerd
wordt. Als sociale constructie staat een discours niet volledig op zichzelf,
noch is het zichzelf voldoende: het verkrijgt identiteit in relatie tot andere
discoursen (als onderdeel van een discursieve formatie) binnen het discursieve veld waarover het volledige maar tegelijk onbereikbare zeggenschap
claimt. ‘Het discursieve veld bepaalt tegelijk het noodzakelijk discursief
karakter van elk object en de onmogelijkheid van om het even welk discours om diens betekenis uitputtend te fixeren’ (Hss, p.111). Elk object
kan, afhankelijk van het discours, met een andere betekenis geladen worden. Een ultieme betekenis (in de zin van de essentie van een object) kan
dus nooit verkregen worden, vermits elk object door telkens andere zingevende systemen (discoursen) kan gegrepen worden. Discours betekent dus
ook partiële, semistabiele fixatie (of zingeving) van het discursieve veld. Er
is steeds een ‘buiten’ dat de zingeving van het discours tot een voorlopige
en belaagde zingeving maakt. In de sociale praktijk van het discours verkrijgen objecten en subjecten zin of identiteit door interacties – articulaties
– die ontstaan tussen elementen in het discursieve veld.
De stelling ‘het sociale is een discursieve ruimte’ (Hss, p.x) onderscheidt
de positie van Laclau en Mouffe ten opzichte van de traditionele filosofische en marxistische aannames over het wezen van het sociale. Dit betekent een verwerping van elke essentialistische benadering ervan en een alternatieve kijk hierop binnen de contouren van een eigen, in het poststructuralisme gewortelde discourstheorie. Laclau en Mouffe verwerpen zoiets
als de idee van ‘samenleving’ als het funderende principe van haar partiële
processen. De essentie van het sociale is dat het geen essentie heeft. Het
sociale is wezenlijk open en pluralistisch van karakter. Elke betekenaar is
ultiem ondefinieerbaar (Hss, p.88). Het sociale is open doordat elk discours
‘overspoeld’ wordt door de oneindigheid van het discursieve veld (Hss,
8
In wat volgt baseren we ons op Wrangel, 2007 en Howarth, 2000, p.11 e.v..
10 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
p.113).Wat wij sociale orde(s) noemen, zijn steeds onzekere en uiteindelijk
tot mislukking gedoemde pogingen om het veld van partiële processen te
beheersen (Hss, p.96).
Articulatie, antagonisme en hegemonie
Om de specificiteit van relaties en interacties binnen sociale praktijken te
karakteriseren, introduceren Laclau en Mouffe vooreerst het cruciale begrip ‘articulatie’. Vervolgens geven de begrippen ‘antagonisme’ en ‘hegemonie’ de discourstheorie van Laclau en Mouffe haar wezenlijk politieke
karakter, vermits hiermee de structurering van de sociale werkelijkheid
primair steunt op daden van macht.
Articulatie
Omdat ‘“samenleving” als een volledig gesloten (sutured) en zelf-gedefinieerde totaliteit geen geldig voorwerp van discours is’ (Hss, p.111), zeggen
Laclau en Mouffe dat elke sociale praktijk articulatorisch is. ‘Articulatie’
begrijpen ze als ‘iedere praktijk die een relatie legt tussen elementen op
zo’n manier dat hun identiteit is gewijzigd als resultaat van die praktijk’
(Hss, p.105). Elementen vanuit het discursieve veld worden in het discours
tot momenten gearticuleerd, ‘gestold’ of in gedifferentieerde posities vastgezet, zij het op een steeds voorlopige manier. Wat Laclau en Mouffe in
eerste instantie doen en dat op een hoog niveau van abstractie, is de relatie
tussen noodzaak en contingentie9 in (sociale) systemen discursief, op een
niet-essentialistische manier herdenken (Hss, p.105).10 Wat houdt dat in?
9 Of tussen het universele en het particuliere.
10 Als antwoord op de dualistische benadering die ze onderkennen bij de marxistische theoretici.
Dit dualisme drukt een bepaalde opvatting uit over de verhouding tussen noodzaak en
contingentie. In het geval van deze theoretici wordt deze verhouding niet beschouwd als het
in interactie treden van twee onderscheiden positieve principes om historische situaties te
verklaren, maar verhouden beide zich eerder als ‘antithetische logica’s die slechts met mekaar
interageren doorheen de wederzijdse beperking van hun effecten’ (Hss, p.12). De logica van
de noodzaak (als logica van het ‘letterlijke’) onderdrukt elke variatie in de praktijk, terwijl
de logica van het contingente (als logica van het symbolische) de geproclameerde noodzaak
telkens weer een hak zet. Dat dit dualisme deze theoretici voor moeilijkheden plaatst, maakt
het geval Rosa Luxemburg duidelijk. Zij ziet dat in ‘normale’ periodes zoals in het Duitsland
van het begin van de twintigste eeuw de arbeidersbeweging verdeeld is en dat enkel een
periode van revolutie of doorheen een revolutionair proces die eenheid als klasseneenheid zal 
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 11
Elk systeem impliceert of geeft uitdrukking aan noodzaak. Noodzaak is in
dit geval niet een of ander principe dat vooraf en van buitenuit de bestanddelen van een systeem tot het systeem verbindt (zie de structuralité van een
structuur bij Derrida, p. 2-3), maar het is de uitdrukking van de relaties
tussen de bestanddelen, van de wederzijdse afhankelijkheden waarin ze
vervat of gevangenzitten. Deze noodzaak als geheel van afzonderlijke bestanddelen transcendeert hen en geeft er ook nieuwe betekenis aan. Dat is
duidelijk te merken aan het gegeven ‘taal’: taal is meer dan een willekeurig
bijeenzetten van afzonderlijke tekens of een toevallige opeenvolging van
afzonderlijke klanken. Taal is de uitdrukking van een bepaalde verhouding
tussen tekens en klanken waardoor ze in en alleen in die verhouding gezamenlijk een bepaalde betekenislading verkrijgen die hun afzonderlijke
betekenis overstijgt.
Getransponeerd naar het sociale moet de relatie tussen noodzaak en
contingentie dan als volgt opgevat worden. Contingentie is aanwezig in het
noodzakelijke voor zover het sociale zich constitueert als een symbolische
orde, dat wil zeggen als een orde waarvan de ‘letterlijkheid’, de noodzaak,
steeds ondergraven wordt. Omgekeerd is noodzaak aanwezig in het contingente als de poging om contingentie in te dijken, om orde te creëren.
Antagonisme
De antagonistische relatie
Laclau en Mouffe vragen zich af of er ervaringen en discursieve vormen
zijn waarin de vruchteloosheid van pogingen om sociale orde en stabiliteit eens en voor altijd vast te leggen zich manifesteert. Welk mechanisme
ondergraaft de objectiviteit van het sociale, of maakt dat het sociale enkel
in termen van metaforen en symbolen te vatten is (Hss, p.122)? Hier doet
 hersteld worden. Maar vanuit de logica van de contingentie laat niks toe te voorspellen dat
dergelijk spontaan proces ook de geponeerde klasseneenheid zal brengen – misschien wel een
eenheid, maar niet noodzakelijk een klasseneenheid. Van hieruit maken Laclau en Mouffe hun
ambitie duidelijk: ‘Faced with attempts to tackle the crisis of an essentialist monism through
a proliferation of dualisms – free will/determinism; science/ethics; individual/collectivity;
causality/theology – the theory of hegemony will ground its response on a displacement of
the terrain which made possible the monist/dualist alternative’ (Hss, p.13-14). Dan wordt het
sociale een discursieve ruimte.
12 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
het concept (sociaal) ‘antagonisme’ zijn intrede. Wat verstaan Laclau en
Mouffe onder een antagonistische relatie? Om de essentie hiervan te vatten wijzen ze eerst op wat antagonisme onderscheidt van de noties ‘reële
tegenstelling’ en ‘logische contradictie’. Reële tegenstellingen volgen de
formule ‘A - B’. Elke term bezit een eigen identiteit, onafhankelijk van
de relatie met de andere term. Bij een botsing van twee voorwerpen gaat
het om een reële tegenstelling, beantwoordend aan fysieke wetmatigheden, en kan men moeilijk van een antagonisme gewagen. Contradicties
volgen de formule ‘A - niet A’ en bestaan enkel op logisch-conceptueel
niveau. Maar ze zijn niettemin werkelijk omdat logica een onderdeel van
de werkelijkheid is. Iets anders en fout is de bewering als zou de werkelijkheid contradictorisch zijn, zoals bijvoorbeeld de geschiedenis die zich
ontplooit volgens het schema these-antithese-synthese (Hss, p.122). Wat
de drie concepten gemeen hebben, is dat het objectieve relaties zijn. In het
geval van reële tegenstellingen relaties tussen reële objecten, in het geval
van contradicties relaties tussen logische concepten. Bij het antagonisme,
in de sfeer van sociale relaties, is er ook sprake van reële tegenstellingen,
maar dan als metafoor voor botsingen in de fysieke wereld. Het onderscheid met reële tegenstellingen en contradicties zit hem hierin dat, waar
het bij deze laatste gaat om ‘botsingen’ tussen vooraf en volledig gevormde
entiteiten, een antagonisme niet het gevolg is van een botsing tussen volledig gevormde identiteiten, maar voortkomt uit de onmogelijkheid om tot
volledige identiteit te komen. Antagonisme ontstaat daar waar de andere
mij in mijn anders-zijn belet volledig mezelf te zijn, en omgekeerd.
Antagonisme als de ervaring van de limiet van het sociale
Als partiële en voorlopige vorm van objectivering is het antagonisme tevens uitdrukking van de limiet van elke vorm van objectiviteit (‘antagonism
constitutes the limits of every objectivity’, Hss, p.125). In het taalgebruik kan
de specificiteit van het antagonisme niet omschreven worden. Meestal gebeurt dat doorheen een beschrijving van de omstandigheden waarin antagonismen zich uiten.11 ‘Antagonismen ontsnappen aan de mogelijkheid
om via de taal gegrepen te worden, omdat taal enkel bestaat als een poging
11 Bijvoorbeeld in de zin: ‘De straat werd afgesloten en dat leidde tot een botsing met de
ordetroepen.’
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 13
om dat te fixeren wat het antagonisme ondergraaft’ (Hss, p.125). Dus, met
verwijzing naar Wittgenstein: antagonismen kunnen getoond worden, niet
gezegd. Vermits reeds aangetoond werd dat het sociale slechts bestaat als
een partiële poging om een samenleving vorm te geven is het antagonisme,
als locus van de onmogelijkheid om tot volledige identiteit te komen, de
ervaring van de limiet van het sociale. Het antagonisme is geen onderdeel
van het sociale, maar geeft vorm aan het sociale, bepaalt de grenzen van het
sociale. Nog anders uitgedrukt: het sociale vormt niet het kader waarbinnen antagonismen plaatsvinden, het zijn antagonismen die het kader van
het sociale bepalen (‘Antagonisms are not internal but external to society; or
rather, they constitute the limits of society, the latters impossibility of fully constituting itself. The limit of the social must be given within the social itself as something
subverting it, destroying its ambition to constitute a full presence.’ Hss, p.125).
Elementen, momenten en nodale punten als bouwstenen van het discours
Hoe komt de ‘subversieve’, ondermijnende werking van het antagonisme
aan de oppervlakte? Weiden we voorafgaandelijk nog even uit over twee
concepten die in de discourstheorie van Laclau en Mouffe het begrip ‘articulatie’ als gebeuren verder onderbouwen: momenten en nodale punten.
Momenten zijn, zoals we al even aanhaalden, elementen uit het onuitputtelijke reservoir van betekenaars in het discursieve veld die tot differentiële
posities in een systeem zijn gearticuleerd. ‘Discours’ zal precies verwijzen
naar het gestructureerde eindresultaat van die articulatorische praktijk en
is te begrijpen als een systeem van tot momenten gedifferentieerde elementen (Hss, p.111). Maar elementen worden door Laclau en Mouffe ook
‘floating signifiers’ (Hss, p.113) genoemd omdat ze in een discours nooit een
totale fixatie of zingeving krijgen, nooit volledig op een essentie vastgepind
kunnen worden. Elementen verstarren nooit volledig tot momenten. Dat
contingente elementen alsnog gefixeerd kunnen worden in een zinvol systeem van momenten, in een discours – als een poging om het discursieve
veld te beheersen, een discursief centrum te creëren – heeft te maken met
bepaalde elementen die als geprivilegieerde betekenaars over wervende en
bindende kracht beschikken: nodal points (met verwijzing naar het Lacaniaanse begrip ‘point de capiton’, Hss, p.105 e.v.). Bijvoorbeeld ‘communisme’
als betekenaar voor de articulatie van de elementen ‘democratie’, ‘staat’,
14 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
‘vrijheid’, … Bijvoorbeeld ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ in de ‘liberale democratie’.
Voor deze geprivilegieerde discursieve punten in het discursieve veld
gaat Laclau later de term ‘lege betekenaar’ hanteren (empty signifier). Dat
zijn betekenaars die als het ware de belofte inhouden van totale fixatie, van
volmaaktheid. Ze zijn niet noodzakelijk geladen met een precieze inhoud,
maar ze vervullen wel de rol van regulatieve ideeën ten aanzien van sociale
en politieke claims van diverse groepen. In het sociale veld houden lege
betekenaars verband met de teleologie, de doelgerichtheid van het samenleven. Meestal verwijzen ze naar het positieve tegendeel van een historische beperking: ‘rechtvaardigheid’ versus onrecht, ‘orde’ versus wanorde,
‘solidariteit’ versus zelfzucht. Ze zijn ‘leeg’ omdat ze verwijzen naar een
nog-niet, maar ze zijn daarmee in staat om de actuele leegheid van het
discursieve centrum zin te geven.
Lege betekenaars spelen een grote rol in het politieke discours, begrepen
als de strijd om die leegheid van een inhoud, van betekenis te voorzien, om
met andere woorden een hegemonie te vestigen (Laclau, 2006 p.36-46).
Daaruit volgt ook dat macht doorslaggevend is in de vormgeving van objectiviteit. Discoursen sluiten andere uit of heffen ze op en zijn constitutief
voor verhoudingen van boven- en onderschikking binnen sociale formaties.
Equivalentie en differentie
We gaan nu terug naar de vraag hoe het antagonisme een bedreiging vormt
voor de gegeven orde van een gedifferentieerd systeem van momenten,
met andere woorden, voor de sociale realiteit? We zagen reeds hoe Laclau
en Mouffe in hun overdenken van de relatie tussen noodzaak en contingentie aangaven dat contingentie en noodzaak mekaar wederzijds ondergraven en dat het specifieke van de sociale werkelijkheid alleen op deze
manier kan begrepen worden. De ervaring hiervan zochten en vonden ze
in het antagonisme. Doorheen het antagonisme wordt de objectiviteit of
positieve identiteit van het sociale12 gepenetreerd door negatieve identiteit.
Om dit discursief te construeren vallen Laclau en Mouffe terug op de notie
‘equivalentie’. Een voorbeeld uit Hss moet verduidelijken hoe dit proces
12 Het cruciale derde hoofdstuk van Hss heet niet voor niks ‘Beyond the positivity of the social:
antagonism and hegemony’.
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 15
precies in zijn werk gaat. Een kolonisator verschilt op heel wat vlakken van
gekoloniseerden. Al deze verschillen (in gedrag, taal, huidskleur, kledij, …)
vormen een gestructureerd systeem van momenten, een gedifferentieerd
geheel van posities. Ze zijn echter equivalent aan mekaar in de zin dat ze
allemaal de kolonisator onderscheiden van de gekoloniseerden. Deze equivalentie geeft aan wat de kolonisator niet is. Hij wordt in hoofde van de
gekoloniseerde discursief geconstrueerd als de antigekoloniseerde. De positieve identiteit van de kolonisator wordt gepenetreerd door een negatieve
die er niet mee te integreren valt. Laclau en Mouffe concluderen dan ook
‘dat zekere discursieve vormen, doorheen equivalentie, alle positiviteit
van het object annuleren en een reëel bestaan aan negativiteit op zich
geven. Deze onmogelijkheid van het werkelijke [the real] – negativiteit – heeft een vorm van aanwezigheid bereikt. Doordat het sociale
gepenetreerd wordt door negativiteit – dat wil zeggen door antagonisme – bereikt het niet de status van transparantie, van volledige aanwezigheid en de objectiviteit van zijn identiteiten wordt permanent
ondergraven. Vandaar dat de onmogelijke relatie tussen objectiviteit
en negativiteit constitutief is voor het sociale.’ (Hss, p.129)
Vertaald naar het meer concrete niveau van de structurering van de politieke ruimte zijn equivalentie en differentie, als logica’s die mekaar in het
antagonisme wederzijds ondergraven, op volgende manier aanwijsbaar.
Gaan we illustratiegewijs uit van de veronderstelling dat de sociale realiteit
door slechts een enkel antagonisme opgedeeld wordt (bijvoorbeeld in een
samenleving van onderdrukking waarin twee kampen tegenover mekaar
komen te staan), dan zijn de eisen van diverse sectoren en actoren in het
maatschappelijk veld aan de kant van de onderdrukten en de onderdrukkers equivalent voor zover ze uitdrukking zijn van een antisysteem respectievelijk systeembetekenis. In feite staan dan twee equivalentieketens
(chains of equivalence) tegenover mekaar. Hoe sterker de equivalentielogica
(en dus de tegenstellingen), hoe uniformer en eenvoudiger de politieke
ruimte. Hoe meer de differentielogica zich doorzet, hoe complexer en hoe
uitgebreider. Eisen kunnen uit de equivalentieketen losgeweekt worden
door eraan tegemoet te komen, door het antagonisme te verzwakken dus
(chain of difference). Hoe meer de politieke ruimte de kenmerken van een
democratie benadert, hoe meer een allesoverheersend antagonisme (en
16 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
twee tegenover mekaar staande discoursen) plaats ruimt voor een veelheid van antagonismen met hun respectievelijke equivalentieketens die het
politieke veld kriskras doorkruisen, hoe meer subjectposities gaan prolifereren. Laclau en Mouffe spreken van een popular subjectposition als een
antagonisme de samenleving in twee kampen verdeelt, en van democratic
subjectpositions voor antagonismen die dat niet doen.
Antagonisme en subjectvorming
Ten slotte nog dit. Antagonismen zijn wezenlijk in de vorming van (politieke) identiteit en manifesteren zich in de vorm van identiteitscrises. Vanuit
hun poststructuralistische inbedding verzetten Laclau en Mouffe zich tegen
een essentialistische opvatting van het subject, als iets waarvan de identiteit
vooraf bepaald is, een en ondeelbaar, voor zichzelf volledig transparant en
oorsprong en fundament van sociale relaties. Subject is altijd subjectpositie
in een discursieve structuur (Hss, p.115) en de identiteit van deze positie is
steeds open, wijzigend conform de grondkarakteristieken van die structuur.
Identiteit is dus wezenlijk relationeel van aard, ze wordt gedefinieerd door
andere identiteiten die als ‘constitutief buiten’ fungeren. Afhankelijk van
het discours waarin men zich bevindt en de plaats die dat inneemt in het
discursieve veld, kan men verschillende subjectposities innemen. Discoursen binnen het discursieve veld zijn verwikkeld in een strijd om hun particulier discours als universeel geldend te claimen. Met deze laatste toevoeging
komen we aan de behandeling van hegemoniale articulatorische praktijken.
Hegemonie
Laclau en Mouffe weken het hegemoniebegrip13 los uit het klassieke paradigma van een dichotomie van twee fundamenteel tegengestelde klassen
die op het economische terrein strijden voor hegemonie. Daarbij zijn ze
diepgaand beïnvloed door Antonio Gramsci (1891-1937). Die zorgde voor
een soort ‘waterkering’ in het denken over hegemonie. Gramsci breekt tot
op grote hoogte met het reductionisme en geeft ruim baan aan het toeval13 We beperken ons hier tot de opvatting van hegemonie binnen het theoretisch kader van Hss.
Vooral Laclau heeft later pogingen ondernomen om het begrip meer ‘vlees en bloed’ te geven,
o.a. in zijn discussies met Slavoj Zizek en Judith Butler.
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 17
lige, contingente politieke moment in de structurering van de sociale werkelijkheid. Leiderschap in Gramsci’s hegemoniebegrip is niet zoals in een
klassenalliantie politiek-tactisch van aard (bij Lenin komt deze leiding de
arbeidersklasse en daarbinnen een voorhoede toe) als wel intellectueel, cultureel en moreel binnen een ‘historisch blok’. De hegemoniale link krijgt
bij Gramsci een relationeel karakter. Intellectueel, cultureel en moreel leiderschap impliceert gedeelde ideeën en waarden en culmineert in een collectieve wil waarbinnen ideologie het cement vormt dat een historisch blok
aan mekaar smeedt. Ideologie is daarbij niet zomaar een bijverschijnsel van
de economische onderbouw, te situeren binnen de superstructuur en op te
vatten als ideeën en ‘vals bewustzijn’: ze materialiseert via de werking van
instituties. Dat hoeft een leidende klasse in de zin van Lenin met eigen
ambities nog niet uit te sluiten, maar Gramsci zet een beslissende stap: de
ideologie van een collectieve wil heeft niet noodzakelijk een klassenkarakter maar smeedt uiteenlopende doelen om tot een gezamenlijk doel. Dat
impliceert ook dat de identiteit van actoren die een hegemoniale relatie
aangaan doorheen die relatie veranderingen ondergaat.
Gramsci opent volgens Laclau en Mouffe de deur voor een democratische hegemoniale praktijk. Toch blijft zijn denken binnen een harde essentialistische kern gevangen: het primaat van één, vanuit zijn positie in de
economische basis, leidende, eenheid stichtende klasse en de vorming van
sociale formaties rond één hegemoniaal centrum. Voor Laclau en Mouffe
ontkomt Gramsci evenmin aan de valkuil van het dualistisch denken dat de
kern vormt van hun kritiek op de opvattingen van het wezen van het sociale
bij alle marxistische theoretici vanaf de Tweede Internationale (tot en met
Althusser met zijn ‘determinering in laatste instantie’).
Hegemoniale, articulatorische praktijken zijn voor Laclau en Mouffe essentieel politiek van aard. Hegemonie is een type van politieke relatie (Hss,
p.141), geen gedecreteerde plek in het sociale van waaruit het zijn werking
uitoefent. De openheid van het sociale, de onmogelijkheid om zijn pluralistisch karakter tot een onderliggend principe te reduceren, maakt dat er
niet één, maar vele hegemoniale nodale punten zijn. In de mate dat het
sociale differentieert, zoals in moderne samenlevingen het geval is, in die
mate wordt politiek hegemoniale politiek: praktijken die het er op aanleggen op een terrein, doortrokken van antagonismen, gemeenschappelijke
18 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
projecten te smeden waarin particuliere belangen erin slagen zich als universeel te doen gelden. Articulatorische praktijken hebben een hegemoniaal karakter voor zover er twee voorwaarden vervuld zijn: ‘de aanwezigheid
van antagonistische krachten en de instabiliteit van de politieke grenzen
die hen verdeelt’ (Hss, p.136), i.c. rivaliserende politieke projecten.14 Hegemoniale praktijken stabiliseren in hegemoniale formaties (bijvoorbeeld de
huidige neoliberale hegemoniale formatie). Maar dit stabiliseren is steeds
voorlopig, zoals het sociale immers ook door voorlopigheid gekenmerkt
wordt. Elke hegemoniale orde draagt in zich de kiemen van een mogelijke
contrahegemoniale orde. Elke orde is een ‘momentopname’, weerspiegelt
een consensus waarin de beslissing waarop de consensus steunt, andere
mogelijke orden uitsluit. De sociale werkelijkheid presenteert zich in dit
beslissingsmoment als een orde die het resultaat is van daden van macht.
Terugblikkend op Hss zal Mouffe later zeggen: ‘Dit punt waarin objectiviteit en macht samenvloeien, hebben we “hegemonie” genoemd’ (Dp, p.21
en p.99). Het sociale, de sociale orde is het sediment van politiek handelen,
van politieke praktijken. Het spel van hegemonie en contrahegemonie is
het terrein bij uitstek van de politiek. Het politieke is datgene wat in steeds
wisselende (hegemoniale) praktijken het sociale als sociale orde vormgeeft.
Wanneer men een sociale orde ervaart als iets vanzelfsprekends, dan is dat
omdat de politieke praktijken die er aan ten grondslag liggen uit het blikveld verdwenen zijn. Hegemonie werkt dan het krachtigst wanneer een
bepaalde sociale orde als natuurlijk overkomt en niet als zijnde vanuit de
‘natuur’ van intermenselijke verhoudingen – het antagonisme – ingesteld.
Radicale en pluralistische democratie
De concepten articulatie, antagonisme en hegemonie schragen de visie
van Laclau en Mouffe op de sociale werkelijkheid. Vanuit dit conceptueel
kader wil Hss van hieruit ten derde, na de kritiek op het marxisme en een
14 Laclau en Mouffe maken een onderscheid tussen relaties van onderschikking (subordination)
en relaties van onderdrukking (oppression). Een bepaalde verhouding wordt als onderdrukkend
beschouwd vanaf het moment dat een antagonisme een relatie van onderschikking
binnengesijpeld is. Dit kan enkel op grond van een extern discours. Een belangrijk moment in
de strijd tegen diverse vormen van onderschikking zien Laclau en Mouffe aanbreken wanneer
het discours rond vrijheid en gelijkheid in de democratische revolutie tijdens de verlichting
taal krijgt (Hss, 154).
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 19
eigen theorie over het sociale, de notie ‘democratie’ verder doordenken in
radicaal-pluralistische zin en wegen tonen voor een andere socialistische
strategie.15 Hss mag dan vanuit marxistisch oogpunt bezien dwars op de
tijdsgeest staan op een ogenblik dat het paradigma aan alle kanten belaagd
werd, het is ook geschreven in de periode van de opkomst van de Nieuwe Sociale Bewegingen. In zekere zin kan men de bijdrage van Laclau en
Mouffe beoordelen als een bijdrage tot het theoretisch onderbouwen van
het belang van deze bewegingen in de strijd voor een andere maatschappelijke orde.
De kritische beweging binnen Hss betrof een bepaalde opvatting over
het sociale en over de opdeling ervan, binnen het marxisme, in twee tegengestelde kampen als een oorspronkelijk en vaststaand gegeven, voorafgaand aan enigerlei vorm van hegemoniale constructie. In die zin is er
met Marx continuïteit met de jakobijn Robespierre, met dat verschil dat
de sociale werkelijkheid en het politieke landschap in 1848 zich niet meer
uitputtend laten verklaren vanuit een opdeling van de samenleving in twee
tegenover mekaar staande kampen. Marx beschreef een deel van maar niet
de gehele sociale realiteit. Vandaar de kronkels die de theorie zich laten zal
dienen aan te meten.
Vanuit historisch perspectief betekent de democratische revolutie aan het
einde van de achttiende eeuw een belangrijke cesuur in de betekenis van
de politiek in de vorming van het sociale en het articuleren van sociale
relaties. Met de democratische revolutie beleven we het einde van de samenleving van het hiërarchische en ongelijke type voor zover de sociale
orde niet langer gefundeerd wordt in een goddelijke wil of in die van zijn
plaatsvervanger, de koning (Hss, p.154). Het sleutelmoment is de Franse
Revolutie, waarin de samenleving haar organische identiteit verliest en niet
langer vanuit één universeel standpunt beschreven wordt. Het sociale reproduceert zich niet langer in een gesloten, repetitief samenlevingstype
waarvan God, de koning of nog de Rede de onderliggende, eenmakende
principes zouden zijn (Dp, p.1). In wat, zo zal Mouffe zich later afvragen,
15‘Hss presenteert een herformulering van het socialistische project met vermijding van de aan
mekaar gelieerde valkuilen van het marxistische socialisme en de sociaaldemocratie omdat het
de linkerzijde van een nieuwe sociale verbeelding voorziet, een verbeelding die schatplichtig
is aan de grote ontvoogdingsbewegingen maar die ook recente theoretische bijdragen van de
psychoanalyse en de filosofie in de beschouwingen betrekt’ (Rp, p.10).
20 | dwarsliggers voor opbouwwer
addendum 1
onderscheidt de moderne democratie zoals die ontstond tweehonderd jaar
geleden, zich van de democratie in de hellenistische periode? Het beslissende kenmerk is voor haar niet het feit dat omwille van de complexiteit
van de samenlevingsverbanden vormen van directe democratie zouden vervangen zijn door de representatiedemocratie. Moderne democratie wordt
vooreerst gekenmerkt door een radicale onbepaaldheid. De premoderne
sociale verbeelding voelt haar zekerheden onder haar voeten wegzakken.
Macht, wetten en kennis worden onbepaald. Het zijn als het ware ‘lege
plaatsen’ waarrond politieke strijd geleverd wordt. Macht werd een ‘lege
ruimte’, een terrein van onbeslistheid waarbinnen niettemin beslissingen
worden genomen.
Politiek kan men dan ook definiëren als het nemen van beslissingen op
een terrein dat in essentie gekenmerkt wordt door onbeslistheid. Van dan
af werd politiek hegemoniale politiek, een strijd om intellectueel, cultureel
en moreel leiderschap. De matrix voor de nieuwe sociale verbeelding die
zich toen heeft doorgezet, kan omschreven worden als ‘vrijheid en gelijkheid voor iedereen’. Moderne democratie is niet simpelweg de terugkeer
van de oude idee van volkssoevereiniteit, maar de terugkeer van dat idee
binnen het symbolische kader gevormd door het liberale discours van individuele vrijheid en mensenrechten. Dit democratische discours van vrijheid en gelijkheid maakt het mogelijk om de in de premoderne sociale verbeelding onaantastbaar gewaande – want in de goddelijke wil gefundeerde
– relaties van onderschikking (bijvoorbeeld meester-slaaf) te beschouwen
als relaties van onderdrukking. Vandaar de opkomende strijd tegen vormen
van ongelijkheid op diverse terreinen van het sociale leven. De democratische revolutie die schijnbaar onvergankelijke vormen van onderschikking
voortaan gaat beschouwen als antagonistische, door menselijk handelen
geproduceerde vormen van onderdrukking, vormt het beslissende punt, de
cesuur voor de rol van het politieke in het creëren van sociale orde. Het
probleem van het politieke is vanaf dat moment het creëren van sociale
orde in een veld dat doortrokken is van antagonismen (Hss, p.137).
Wat verstaan Laclau en Mouffe onder een radicaal-pluralistische democratie? Ten eerste is het sociale een pluralistisch gegeven, en dat pluralisme
is radicaal voor zover het niet tot één dimensie te herleiden is. Het sociale
wordt ook niet ‘geregeerd’ door een basisantagonisme, maar is doortrokken van een veelheid van tot mekaar onherleidbare antagonismen. Dit
basisbegrippen uit de sociale filosofie | 21
radicaal-pluralisme is dan weer democratisch voor zover op al de terreinen
waar antagonismen voorkomen de idee van gelijkheid gerealiseerd wordt,
onder conditie dat ten eerste de gelijkheid voor de ene groep (subjectpositie) equivalent is aan en niet ten koste gaat van de gelijkheid van andere
groepen, en ten tweede dat de eis tot gelijkheid een tegenwicht krijgt in de
eis tot vrijheid, zonder dewelke van pluralisme geen sprake kan zijn. Politiek gesproken zijn Laclau en Mouffe alles behalve revolutionairen van het
jakobijnse type. In dat soort radicale omwentelingen is democratie het eerste slachtoffer. De kwestie is hoe te komen tot een vorm van gemeenschap
die het verschil niet onderdrukt, hoe de logica van gelijkheid verder uit te
breiden zonder de logica van vrijheid in het gedrang te brengen.
Het is een misvatting, aldus Laclau en Mouffe, te denken dat de idee
van vrijheid en gelijkheid automatisch in links-progressieve opvattingen en
praktijken haar beslag krijgt. Het antidemocratisch, neoconservatief offensief van de laatste decennia is hiervan een voorbeeld. De neoconservatieve
aanval op het vergelijk vervat in de hegemoniale orde van de welvaartsstaat
is evengoed gebaseerd op een bepaalde herdefiniëring van de ideeën van
vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en democratie. Het is de neoconservatieve hegemoniale ambitie een nieuw ‘historisch blok’ te realiseren steunend op een individualistische kijk op rechten en op een negatieve opvatting van vrijheid.
De taak van links bestaat er voor Mouffe en Laclau ten slotte niet in het
democratische terrein te verlaten, de liberaal-democratische ideologie af
te zweren en haar in te ruilen voor de totalitaire aanspraken van het soort
volkssoevereiniteit dat werkzaam is in democratieopvattingen genre volksdemocratie of directe democratie, ‘maar haar integraal uit te breiden in
de richting van een radicale en pluralistische democratie’ (Hss, p.176). In
1991 zal Mouffe dit standpunt nog eens verdedigen in de paper Towards a
liberal socialism. Daarin luidt het dat het de taak van links is een veelheid van
sociale relaties te democratiseren in overeenstemming met een liberaaldemocratisch regime. Te streven naar een liberaal socialisme (Rp, p.98) dat
rechtvaardigheid en burgerrechten met mekaar in verband brengt.
22 Literatuur addendum I
Derrida, J. (1967), La structure, le signe et le jeu. L’Ecriture et la difference, Seuil.
Hekman, S. (2009), ‘Radical plural democracy. A new theory for the left?’
In Negations. http://www.datawranglers.com/negations/index.html.
Howarth ,D.et al. (eds.) (2000), Discourse Theory and political analysis.
Manchester University Press.
Laclau, E. (2006), ‘Why do empty signifiers matter to politics?’ In
Emancipation(s), pp.36-46. Verso.
Laclau, E. & C. Mouffe (2001), Hegemony and socialist strategy. Towards
a radical democratic politics. Verso.
Mouffe, C. (1993), The return of the political. Verso.
Mouffe, C. (2000), The democratic paradox. Verso.
Toulmin, S. (1993), Cosmopolis. Verborgen agenda van de moderniteit.
Kampen.
Wittgenstein, L. (2006), Filosofische onderzoekingen. Boom.
Download