antwoorden - science-natuurkunde

advertisement
Oefenopgaven
(antwoorden)
De doorgestreepte antwoorden hoef je niet te kennen. De geel gestreepte antwoorden komen niet
voor in de video.
1.
a.
b.
c.
d.
e.
Door het wrijven verplaatsen elektronen zich van het ene voorwerp naar het andere zodat
het ene voorwerp positief en het andere voorwerp negatief geladen wordt.
Nee, hij kan alleen uitslaan zonder dat er een verschil te zien is bij positief, of negatief.
Zie video.
Voorwerpen met verschillende lading trekken elkaar aan, dus negatief geladen.
Er is evenveel positieve, als negatieve lading.
2.
a.
b.
c.
3.
4.
serieschakeling
Als er een kracht werkt tussen 2 punten, is er een spanning.
Stroom is een afspraak, deze loopt altijd van + naar -. Bij de fysische stroom kijk je wat er
beweegt, elektronen bewegen daarbij van – naar +, positieve deeltjes bewegen van + naar d. Zie video
e. Over de spanningsbron daalt de potentiaal, deze is dus 8V - 24V = -16 V = UA = UB = U C = UD.
f. Het potentiaal verschil tussen E en D is 16 V, dus dat geeft de voltmeter ook aan.
g. Hoe groter de spanning over een weerstand, hoe meer energie er wordt afgestaan, dus
over de rechterweerstand wordt meer energie afgestaan.
h. Hoe groter de spanning over een weerstand, hoe groter de kracht, dus bij de
rechterweerstand wordt harder getrokken aan de deeltjes.
Zie video.
a.
b.
c.
Zie video
37,2 V.
Een PTC, zie video.
a.
b.
Er moeten geladen deeltjes zijn die in beweging kunnen komen om een stroom te krijgen.
Ionen zijn deeltjes waarbij er of meer of minder elektronen zijn dan het aantal protonen in
de kern. De positieve ionen gaan bewegen van + naar – en de negatieve ionen gaan
bewegen van – naar +, zo kan de stroom dus gaan lopen.
De geladen deeltjes gaan naar B, of C en worden daar opgenomen zodat er minder deeltjes
in de oplossing komen. Als er minder geladen deeltjes zijn doen er ook minder mee met de
stroom en wordt deze dus kleiner.
5.
c.
6.
a.
b.
c.
d.
e.
Daarin kun je zien hoe bij elke spanning de stroom is.
Ohmse weerstand, een rechte lijn door de oorsprong, dat geldt voor weerstand R.
Je ziet dat bij het lampje de stroom het kleinste is, dus de weerstand het grootste.
PR = 4,1 W en Plampje = 3,4 W.
Samen 7,5 W. E = 9000 J.
a.
b.
c.
6,0 A
1A
10 V
7.
8.
Als er stroom loopt, loopt deze van de pluspool naar de minpool van de spanningsbron. Maar dit
is tegen de voorwaartse richting van de diode in. Er loopt dus geen stroom.
9.
𝑅 = 𝜌 ∙ 𝐴 → 0,051 = 𝜌 ∙ 0,80∙10−6 → 𝜌 = 0,051 ∙
𝑙
2,4
0,80∙10−6
2,4
= 17 ∙ 10−9 Ω∙m
De draad is van koper gemaakt.
𝑄
0,73
10. Per seconde stroomt 0,73 C lading door het apparaat. Dit zijn 𝑒 = 1,60∙10−19 = 4,6 ∙ 1018
elektronen.
Download
Random flashcards
Rekenen

3 Cards Patricia van Oirschot

kinderdagverblijf Wiekwijs

2 Cards oauth2_google_7b80f232-43ab-4a38-be6e-61287e4cdb0a

Create flashcards