stamletter in de SCHoFTKiP? hele werkwoord opschrijven

advertisement
INHOUDSOPGAVE
Deel 1 Spelling
1.0
1.1
1.2
1.3
1.4
1.5
1.6
1.7
1.8
1.9
1.10
Inleiding .............................................................................................................................. 2
Werkwoordsvormen ........................................................................................................... 2
Meervoud van zelfstandige naamwoorden ......................................................................... 5
Tussenklank bij samenstellingen: 's' en 'e(n)' .................................................................. 7
Hoofdletters ....................................................................................................................… 8
Afbreken van woorden ...................................................................................................… 9
Koppelteken ...................................................................................................................… 10
Weglatingsstreepje .........................................................................................................… 11
Getallen ..........................................................................................................................… 11
Alle / allen ? ...................................................................................................................… 12
Wat vaak verkeerd gaat ..................................................................................................… 13
1
1.0 Inleiding
Correcte spelling is in een aantal gevallen echt belangrijk. In je sollicitatiebrief bijvoorbeeld. Of in een
artikel dat wordt gepubliceerd.
Iemand die niet correct spelt, wekt de indruk slordig, onzorgvuldig te zijn, niet bereid de moeite te
nemen op te zoeken wat de correcte spelling is, niet bereid een activiteit af te sluiten met een controle.
Op gezette tijden vind je in de ingezonden-brievenrubriek korte artikelen waarin lezers zich beklagen
over spelfouten. Zij ervaren spelfouten als verloedering van de taal, maar vooral als bewijs van
onbetrouwbaarheid van de auteur. Hun redenering komt meestal neer op: als je niet eens weet hoe je
het woord ................. spelt, hoe kun je dan verstand hebben van het onderwerp waarover je schrijft.
Als je echt een boodschap hebt voor je lezer, verlies je in dit geval een deel van je publiek.
De spellingscontrole in tekstverwerkingsprogramma’s spoort wel aardig wat fouten (meestal tikfouten)
op, maar doet eigenlijk niets anders dan een woord vergelijken met alles wat zich in zijn voorraad
woorden bevindt. Fouten in de werkwoordsvormen zijn bijna niet op te sporen, omdat ze veranderlijk
zijn en aan de gemiddelde tekstverwerker niet is geleerd welke vorm hij moet kiezen: koste (koste wat
het kost = hoe duur het ook moge zijn), kosten, kostte, kostten. Werkwoordsvormen die absoluut
onmogelijk zijn, zal hij wel opsporen: wat heeft die auto gekosd, zij werdt gisteren opgebelt door haar
nigt. De verklaring is simpel: deze vormen komen niet voor in de woordenlijst van de tekstverwerker.
1.1 Spelling van werkwoordsvormen
In principe zijn er twee manieren om aan de correcte spelling van werkwoordsvormen te komen. De
beste methode is de methode die jou de meeste goede resultaten oplevert.
De eerste methode is een redeneerschema, waarbij je telkens uit twee mogelijkheden kiest en
uiteindelijk bij de goede oplossing uitkomt.
Het schema vind je op bladzijde 5en 6
De eerste keuze is altijd: is er sprake van een persoonsvorm? ja / nee.
Veel spellingsproblemen verdwijnen als een schrijver het antwoord op deze vraag altijd goed heeft.
De tweede methode is de analogiemethode.
Bij onzekerheid over de spelling van een werkwoordsvorm vervang je het werkwoord door het
werkwoord smurfen waaraan je makkelijk kunt horen hoe je het moet spellen
het gebouw bevind ? bevindt ? zich op het marktplein.
het gebouw smurf t zich op het marktplein.
TEGENWOORDIGE TIJD:
je hoort nu of er wel of geen t achter komt:
hij loopt - hij smurft ; loop jij - smurf jij
VERLEDEN TIJD:
sterke werkwoorden: uitsluitend een d
zwakke werkwoorden: stam + te(n) of de(n)
Zij hield zich groot ; reed hij te hard?
Zij pakte het niet! De gids leidde ons naar de top.
2
Twijfel?
Kijk dan naar SCHoFTKiP:
eindigt de stam van het werkwoord op een t , k , f , s , ch of p
of
hoor je aan het eind van de stam van het werkwoord (hele werkwoord minus -en: mixen, stam = mix)
een S- klank, dan komt er te(n) achter de stam, in alle andere gevallen de(n).
VOLTOOID DEELWOORD: zorg dat je dit herkent!!
In de zin staat altijd een hulpwerkwoord zijn, hebben of worden.
Zij is gestraft. Hij wordt gemarteld. Zij hebben gepijnigd.
Voltooid deelwoord herkend?
Langer maken en luisteren:
Voorbeeld:
gehoord
langer: hoorde dus: gehoord
Weet je het niet: juichte of juichde? Dan weer naar SCHoFTKiP kijken.
SPECIALE GEVALLEN
Onder andere door de invloed van de computer en nieuwe communicatiemiddelen en
communicatievormen ontstaan nieuwe (werk)woorden die niet zelden uit het Engels komen: faxen,
mailen, plannen, skippen, downloaden, timen.
Als je dit soort werkwoorden in een Nederlandse tekst gebruikt, moet je ze als Nederlandse werkwoorden behandelen, maar afgaan op de laatste klank in de stam die je hoort (bij racen een s!).
Dus: faxen, faxte, gefaxt
downloaden, downloadde, gedownload
timen, ik time, hij timet, timede, getimed (de e moet erin, om leesproblemen te voorkomen)
racen, ik race, hij racete, geracet (S-klank!)
plannen, plande, gepland
BIJVOEGLIJK NAAMWOORD, gemaakt van een voltooid deelwoord
Het vergrote sportterrein voldoet uitstekend.
Let op: zo’n bijvoeglijk naamwoord maakt geen deel uit van het gezegde, is dus geen werkwoordsvorm. Je hoeft dus helemaal niet na te denken over ingewikkelde schrijfwijzen, maar je behandelt het
als ieder ander bijvoeglijk naamwoord. Je schrijft het op de meest eenvoudige manier:
de verbrede sloot
verbreed - verbrede
want breed - brede
het verroeste slot
verroest - verroeste
want woest - woeste
het gelande vliegtuig geland - gelande
want blond - blonde
het gewitte plafond
gewit - gewitte
want wit - witte
TEGENWOORDIG DEELWOORD (ook wel: onvoltooid deelwoord)
Er staat altijd -end aan het eind
Huilend(e) liep het meisje naar haar moeder.
Roepend, gillend, krijsend verzette de gevangene zich.
2
SPELLING VAN WERKWOORDSVORMEN
PERSOONSVORM ?
(verander de zin van tijd; de persoonsvormen veranderen mee)
JA
TEGENWOORDIGE TIJD
STAM + regel
 STAM opschrijven
 IK in de zin? JA? Klaar
 JE=JIJ pal achter PV? JA? Klaar
 TWEE KEER NEE = STAM + T
VERLEDEN TIJD
SCHoFTKiP
 STAM opschrijven
 stamletter in de SCHoFTKiP?
STAM + TE(N)
 stamletter niet in de SCHoFTKiP?
STAM + DE(N)
3
PERSOONSVORM ?
(verander de zin van tijd; de persoonsvormen veranderen mee)
het is
NEE
of
VOLT. DEELWOORD
 stamletter in de SCHoFTKiP?
eindigt op t
 stamletter niet in de SCHoFTKiP?
eindigt op d
het is
HELE WERKWOORD
hele werkwoord opschrijven
bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
wordt als bijvoeglijk naamw. geschreven:
hard - (het) harde (ei)
afgebrand - (het) afgebrande (huis)
groot - (het) grote (boek)
vergroot - (de) vergrote (foto)
dik - (het) dikke (boek)
gered - (de) geredde (man)
4
Oefening 1.1
Schrijf de correcte vorm op:
1.
Gisteren (storten) de (branden) toren met een enorm kabaal in.
2.
Voorbijgangers (draaien, o.v.t.) hun hoofd om voor de (verachten) verrader.
3.
Het (kneden) deeg (worden, o.t.t.) tot bolletjes (rollen)
4.
Zijn die bomen (omwaaien) of zijn ze (omkappen)?
5.
Er (worden) precies een jaar geleden een aanslag (plegen) op de (haten) landvoogd.
6.
Heb je je eten goed (kauwen) of heb je het zo maar (doorslikken)?
7.
De jongens hebben (voetballen) met dat (verroesten) blikje.
8.
(Huilen) kwam het ventje de klas binnen.
9.
Wat hebben jullie (boffen) dat de buschauffeur heeft (wachten).
10.
De heerlijk (kruiden) soep smaakte de (uithongeren) soldaten prima.
11.
Heb jij je geld al (tellen) of heb je het zo maar in je spaarpot (stoppen)?
12.
Ik (aanvaarden, o.t.t.) jouw plan, het zal onmiddellijk worden (uitvoeren).
13.
(Worden, o.t.t.) jij daar nou ook zo beroerd van?
14.
Ik (geloven, o.v.t.) niet dat de stad zich nog zou (uitbreiden).
15.
De (misleiden) koper dacht dat hij een Van Gogh had (aanschaffen).
16.
(Antwoorden, o.v.t.) hij gisteren ook al verkeerd?
17.
Het (gebeuren, o.t.t.) vaak dat die leraar zich (beledigen) voelt.
18.
(Hinneken) liep de merrie op het veulen toe.
19.
De (verontrusten) ouders hadden al enige malen de politie (bellen).
20.
Op dat drukke kruispunt (gebeuren o.t.t.) wel drie keer in de week een ongeluk, het (worden)
tijd dat de gemeente daar eens aandacht aan (besteden)
1.2 Meervoud van zelfstandige naamwoorden
We schrijven -en in het meervoud:
1. Als een zelfstandig naamwoord op -ie eindigt en de klemtoon valt op deze laatste lettergreep.
Voorbeelden: melodie - melodieën; knie - knieën
(let erop dat het trema op de tweede e komt)
2. Als een zelfstandig naamwoord eindigt op de onbeklemtoonde lettergreep -it , -ik , -es , -et
Onthoud de voorbeelden: kieviten, monniken, dreumesen, lemmeten
3. Als een zelfstandig naamwoord eindigt op -ee
Voorbeelden: fee - feeën; idee - ideeën
(uitzonderingen op deze regel: woorden als dominees)
We schrijven -n in het meervoud:
Als het zelfstandig naamwoord op -ie eindigt en de klemtoon niet op deze laatste lettergreep valt.
Voorbeelden: bacterie - bacteriën; evangelie - evangeliën
(let ook hier op de plaats van het trema)
5
We schrijven -s in het meervoud:
1. Als het zelfstandig naamwoord eindigt op: -e, -é, -ee, -eu, -ue, -ui, -eau
Voorbeelden: horloges, cafés, dictees, milieus, tenues, etuis, bureaus
2. Bij sommige zelfstandige naamwoorden die eindigen op -ie
Voorbeelden: tralie - tralies; vakantie - vakanties
We schrijven 's in het meervoud:
Als het zelfstandig naamwoord eindigt op: -a, -i, -o, -u, -y
Voorbeelden: mama's, ski's, piano's, paraplu's, hobby's
Er zijn ook nog enkele bijzondere meervoudsuitgangen:
1. Oorspronkelijk vreemde woorden op -icus krijgen in het meervoud -ici
Voorbeelden: medicus - medici ; technicus - technici
2. Oorspronkelijk vreemde woorden op -um
krijgen in het meervoud -a of -s
Voorbeelden: museum - museums / musea
jubileum - jubileums / jubilea
3. Sommige woorden hebben een afwijkend meervoud
Voorbeelden: Engelsman - Engelsen; timmerman - timmerlui / timmerlieden
4. De eindletter in Nederlandse woorden wordt in het meervoud z bij woorden die op een s eindigen
Voorbeelden: baas - bazen; hof - hoven
5. De eindletter in Nederlandse woorden wordt in het meervoud v bij woorden die op een f eindigen
Voorbeelden: boef - boeven; graaf - graven
6. In vreemde woorden blijft de f
Voorbeelden: fotograaf - fotografen; hiëroglief - hiërogliefen
We kennen veel Italiaanse woorden op een –o in onze taal. Die woorden hebben vooral met
banken, post en muziek te maken. Je mag die woorden op twee manieren schrijven.
porto - porti / porto’s
saldo - saldi / saldo’s
tempo - tempi / tempo’s
Bij afkortingen schrijf je ‘s.
cd - cd’s
tv - tv’s
wc - wc’s
Maar: taal is levend
blad – bladen
stad – steden
blad – bladeren
Oefening 1.2
Zet onderstaande zelfstandige naamwoorden in het meervoud:
1. perzik
6. categorie
11. etalage
2. cadeau
7. aquarium
12. zeeman
3. collega
8. taxi
13. neerlandicus
4. fiasco
9. ree
14. executie
5. penalty
10. attaché
15. accu
6
pad – padden
1.3 Tussenklank bij samenstellingen: ‘s’ , ‘e’, ‘en’
Als twee woorden
worden samengevoegd, spreken we van een samenstelling.
Meestal levert de schrijfwijze van zo'n samenstelling geen problemen op.
Soms moeten er echter tussen de twee samengevoegde woorden één of meer letters worden geplaatst.
Voorbeelden: pruim-en-boom; blind-e-darm; dorp-s-straat
Basisregel: zelfstandig naamwoord + zelfstandig naamwoord:
gebruik tussenklank ‘en’
Voorwaarde voor de basisregel
• het eerste zelfstandig naamwoord van de samenstelling heeft alleen een meervoud op -en
dus
kip (meervoud: kippen)
+ hok = kippenhok
pan (meervoud: pannen)
+ koek = pannenkoek
maar keuze (meervoud: keuzen/keuzes)
+ pakket = keuzepakket
waarde (meervoud: waarden/waardes) + vermindering =
waardevermindering
Tussenklank ‘e’
• Als het eerste zelfstandig naamwoord geen meervoud heeft
tarwe
dus
tarwekorrels
rogge
dus
roggebroden
rijst
dus
rijstevlaaien
eer
dus
ereboog
• Als het eerste zelfstandig naamwoord ook een meervoud op -s heeft
gedaante, meervoud: gedaanten/gedaantes, dus: gedaanteverandering
bede, meervoud: beden/bedes, dus: bedevaart
• Als van het eerste zelfstandig naamwoord maar één exemplaar bestaat
dus: zonnestraal, maneschijn
Koninginnedag (als daarmee bedoeld wordt: de Nederlandse koningin)
maar: koninginnenjurken zijn vaak unieke kledingstukken
• Als het eerste deel geen zelfstandig naamwoord is
rodekool, blauweregen
• Als de samenstelling als geheel een bijvoeglijk naamwoord is
en
het eerste deel een versterking is van het tweede deel:
beregoed, reuzeleuk
• Als een woord niet meer ervaren wordt als samenstelling:
paddestoel, elleboog
7
Tussenklank ‘s’
1. Als we deze -s- horen
Voorbeelden: zonsopgang, dorpsplein
2. Als we de -s- niet kunnen horen, omdat het tweede deel van de samenstelling met een sisklank (s, z,
ch) begint, gebruiken we de analogiemethode: het is dorp-s-kerk, dus ook dorp-s-straat
Voorbeelden: personeelschef, stadsschouwburg
Oefening 1.3
Maak van onderstaande woorden steeds een samenstelling:
1. hond - asiel
6. bed - laken
2. stad - ziekenhuis
7. klas - leraar
3. berk - bos
8. gedachte - gang
4. geboorte - cijfer
9. koning - zoon
5. den - boom
10. vos - jacht
11. roos - struik
12. bril - glazen
13. oorlog - schip
14. knorre - pot
1.4 Hoofdletters
We schrijven een hoofdletter:
1. Aan het begin van een zin
maar
als deze begint met 's, 't, 'k, 'n, begint het volgende woord met de hoofdletter.
Voorbeelden: 's Avonds; 't Hagelde; 'k Zou het niet weten; 'n Klier van een jongen
Als deze begint met een getal, begint het volgende woord met de hoofdletter.
Voorbeelden: 31 Jongens hadden het gezien; 37 Boeken had zij gelezen
2. Bij eigennamen of bij van een eigennaam afgeleide woorden
Voorbeelden: Jan-Pieter; het Brabants dialect; meneer De Vries;
mevrouw In het Veld; Zuid-Amerika; Zuid-Amerikaans; Oost-Vlaams
3. Namen van talen, kranten, tijdschriften, schilderijen; titels van boeken
Voorbeelden: onze leraar Duits
De Telegraaf ; Vrij Nederland
De Nachtwacht
Heere Heeresma schreef Een dagje naar het strand
4. Na een dubbele punt, als iemand begint te spreken (directe rede)
Voorbeeld:
Hij zei: “Vannacht vroor het.”
5. Na een briefaanhef (ondanks de komma!)
Voorbeeld:
Geachte heer,
Zoals u in uw laatste brief schreef, …
Probleemgevallen:
namen van dagen en maanden schrijf je met een kleine letter
meneer Jan de Vries maar meneer De Vries
mevrouw I. van de Bak maar mevrouw Van de Bak
8
Oefening 1.4
Schrijf in de onderstaande zinnen waar nodig hoofdletters:
1.
's winters is het daar erg mooi.
2.
in de vakantie gaan wij naar de franse jura.
3.
de vlaamse schrijver alfons de ridder, die schreef onder het pseudoniem willem elsschot,
schreef bekend geworden boeken als lijmen en het been.
4.
geschiedenis vind ik een erg moeilijk vak, ik neem dan ook liever aardrijkskunde in mijn
pakket.
5.
na een voortreffelijke franse maaltijd genoten te hebben, pakte hij zijn favoriete weekblad de
groene amsterdammer.
6.
sinds de stichting van de staat israël is de situatie in het midden-oosten erg gespannen.
7.
's middags drinkt mevrouw van den abeele altijd een kopje engelse kruidenthee.
8.
annie m.g schmidt schreef het bekend geworden liedje dikkertje dap.
1.5 Afbreken van woorden
Advies:
probeer zo weinig mogelijk woorden af te breken:
ten eerste is het voor een lezer niet prettig als hij een woord niet kan overzien
en
ten tweede zijn de regels voor het verdelen in lettergrepen ingewikkeld.
(een lettergreep bestaande uit één klinker mag niet los komen te staan)
Regels voor het afbreken van woorden:
1. tussen twee klinkers die geen tweeklank (ei, ui, oei, enz.) vormen
Voorbeelden: be-amen; bui-ig; draai-en
2. tussen de delen van een samenstelling
Voorbeelden: vlees-schaal; boom-tak
3. na een voorvoegsel
Voorbeelden: on-vriendelijk; be-lasten
4. voor een achtervoegsel dat met een medeklinker begint
Voorbeelden: boom-pje; naai-ster
en voor de achtervoegsels -aard en -achtig
Voorbeelden: laf-aard; rood-achtig
5. één tussenmedeklinker gaat bij het afbreken naar rechts
Voorbeelden: lo-pen; me-ten
6. twee medeklinkers: één naar links en één naar rechts
Voorbeelden: mees-ter; kap-per; zin-gen(!)
7. drie of meer medeklinkers: zoveel naar rechts als er aan het begin van een Nederlands woord
kunnen voorkomen
Voorbeelden: amb-ten ; art-sen ; ern-stig; be-schrijving
(let op: voor woorden met het achtervoegsel -tje geldt:
strootje wordt stro-tje ; cafeetje wordt café-tje)
9
Oefening 1.5
Breek onderstaande woorden op correcte wijze af:
1. kletsen
6. geven
2. ekster
7. hinken
3. glooien
8. maaien
4. zingen
9. erwten
5. schaapachtig
10. ontzien
1.6 Koppelteken
We plaatsen een koppelteken
1. voor de duidelijkheid
Voorbeelden: zee-egel; bom-melding, pijp-etuitje, gala-bal
2. als we losse woorden tot een eenheid willen smeden
Voorbeelden: een sta-in-de-weg; een doe-het-zelver; mond-op-mondbeademing
3. als we voorvoegsels verbinden met het hoofdwoord
Voorbeelden: pro-Arabisch; ex-minister; vice-voorzitter
4. om samenstellingen met gelijkwaardige delen te maken
Voorbeelden: sociaal-economisch; president-directeur
5. bij aardrijkskundige samenstellingen
Voorbeelden: Noord-Holland; West-Europa
6. in samenstellingen met letters, cijfers en bijzondere tekens
Voorbeelden: T-shirt; vwo-leerling; $-teken; het 50-jarig jubileum
7. in namen van getrouwde vrouwen
Voorbeelden: mevrouw Van den Akker-Hamersma; mevrouw Terlou-Zeilstra
8. in samenstellingen met sint
Voorbeelden: Sint-Nicolaas; Sint-Theresiakerk
9. in samenstellingen waarbij het tweede deel een bepaling is bij het eerste
Voorbeelden: Staten-Generaal; het kabinet-Lubbers
10. als het eerste woord alleen betrekking heeft op het woord erna
Voorbeeld:
Tweede-Kamerzitting
11. bij samenstellingen met niet en oud
Voorbeelden: niet-roker; oud-international
12. bij samenstoten van twee klinkers die samen één klank kunnen vormen
Voorbeelden: guerrilla-aanval; na-apen; achttiende-eeuws
10
Oefening 1.6
Plaats koppeltekens in onderstaande woordcombinaties:
1. Chauffeurhuisknecht
6. een kruidjeroermeniet
2. tabaksteler
7. Mevrouw Van Maanen Pieters
3. Zeeuws Vlaanderen
8. radioomroep
4. Sint Christoffel
9. oudburgemeester
5. het 25 jarig jubileum
10. havoleerlingen
1.7 Weglatingsstreepje
We plaatsen een weglatingsstreepje:
Als een deel van een woord is weggelaten:
Voorbeelden: in- en uitvoer; op- en aanmerkingen
Fout:
grote kinderen en kleine kinderen - grote - en kleine kinderen
We gebruiken het weglatingsstreepje dus alleen als we een deel van een woord weglaten en
niet als we een volledig woord weglaten.
Oefening 1.7
Welk deel van onderstaande woorden kun je weglaten? Plaats daar een weglatingsstreepje:
1. voorspoed en tegenspoed
4. voordelen en nadelen
2. prijsstijging en prijsdaling
5. inkoop en verkoop
3. jongenskleding en meisjeskleding
6. onderkleding en bovenkleding
1.8 Getallen
In een tekst schrijf je getallen meestal met letters en niet met cijfers:
Er waren drie weken verstreken; de tweede week was verreweg het leukst.
In de volgende gevallen echter gebruik je cijfers:
1. bij getallen boven de twintig.
Uitzonderingen:
tientallen tot honderd (tien, twintig, dertig, enzovoorts)
de getallen honderdduizend, miljoen, miljard
2. bij geldbedragen
3. bij maten
4. bij data
5. bij nummers
Oefening 1.8
Ga na of je in onderstaande zinnen cijfers of letters gebruikt:
1.
Ik heb drie maanden geleden bij u een reis naar Portugal geboekt; we zouden op vrijdag
zeventien juli vertrekken.
2.
De prijs van het televisie-toestel was 1100 gulden.
3.
Van de Nederlandse bevolking vindt ruim tweeëntachtig procent ons land prettig om in te
wonen.
4.
In dat kleine café zaten 10 marechaussees, wat de sfeer er niet beter op maakte.
5.
Volgens een schatting van het Kinderfonds van de V.N. sterven er per jaar vele
honderdduizenden kinderen aan ondervoeding.
11
1.9 alle / allen ?
We schrijven zelfstandig gebruikte woorden met –n,
als ze betrekking hebben op personen
Voorbeelden: Allen dachten dat het wel mee zou vallen.
Slechts enkelen waren op tijd.
Je gebruikt in het meervoud geen -n
als je achter het woord een zelfstandig naamwoord kunt plaatsen dat al in de zin staat.
Voorbeelden: Voor ons liepen drie bejaarden, ze liepen alle met een stok
Op de auditie meldden zich honderden jongeren; slechts enkele mochten door
naar de volgende ronde.
Oefening 1. 9
Ga na welke woorden in onderstaande zinnen alsnog een -n krijgen:
1. Toptennissers verdienen veel; de meeste zijn miljonair.
2. Sommige geloven voortdurend dat het einde van de wereld nabij is.
3. Ik ben mijn boeken vergeten; kan ik de jouwe gebruiken?
4. Vele zijn van mening dat het milieu voorrang verdient.
5. Alle gelovigen vielen op hun knieën.
6. Onze poes had vier jongen. Ze werden alle verkocht.
7. We waren de enige die er iets van begrepen.
8. Vele supporters raakten slaags; enige belandden in het ziekenhuis.
1.10 Wat vaak verkeerd gaat
In de volgende vrij veel voorkomende woorden worden vaak fouten gemaakt.
Bekijk ze goed en probeer ze (voortaan) goed te spellen.
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden
Ze krijgen altijd -en
Voorbeelden: katoenen stof, koperen leidingen
bijvoeglijke naamwoorden op -ies en -eus
Voorbeelden: precies - precieze; luxueus - luxueuze
oude naamvalsvormen (schrijf nooit het zelfstandig naamwoord met een n!)
te allen tijde
in koelen bloede
in groten getale
te zijner tijd
met voorbedachten rade
in levenden lijve
te uwer informatie
bij dezen
12
de 100 probleemgevallen
abonnees
accommodatie
achttien
actie
adellijk
afgelasten
agressie
alleszins1)
althans
apparaat
attractie
baby’s
baby’tje
barbecuen
begrafenis
begroeiing
beïnvloeden
bij voorbaat
burgemeester
burgerlijk
caissière
carrière
cheque
comité
commissaris
complot
creëren
crisis
daarentegen
debacle
decennium
detail
dichtstbijzijnde
distantiëren
eega
eigenlijk
enige2)
enigszins
enquête
etnisch
faillissement
fascistisch
financieel
financiën
fotokopie
fotokopiëren
gecreëerd
geenszins
gefascineerd
gerechtelijk
gewelddadig
gezamenlijk
hartstikke
herinneren
1) dat lijkt me alleszins redelijk
hopelijk
hygiënisch
illusie
ingewikkeldste
insect
interessant
klerezooi
kritiek
liefdesscène
litteken
lucratief
manoeuvreren
milieu
misschien
naar aanleiding van
namelijk
niettemin
nochtans
onmiddellijk
openlijk
opticien
paardebloem
plafond
porselein
praktizeren
procédé
product
2) i.p.v. ‘enigste’
13
professor
publicatie
pyjama
racistisch
rechterlijk
reële
represailles
rijstevlaaien
scène
sperziebonen
suggereren
toentertijd
twijfelen
uittreksel
vacuüm
verassen
(cremeren)
verontrusten
verrassen
virtuositeit
volleybal
voorruit (auto)
voortdurend
vooruit
wederrechtelijk
weifelen
wezenlijk
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

Test

2 Cards oauth2_google_0682e24b-4e3a-44be-9bca-59ad7a2e66a4

Create flashcards