Verslag Schadelijke Praktijken 7 april - Netwerk VN

advertisement
Verslag expertmeeting Schadelijke Praktijken
7 april 2016, 14.00-16.30 uur
Kinderrechtenhuis, Leiden
Het Netwerk VN-Vrouwenverdrag en Defence for Children- ECPAT (DCI) organiseerden op donderdag
7 april 2016 een expertmeeting over schadelijke praktijken (o.a. vrouwelijke genitale verminking,
gedwongen huwelijk en eer gerelateerd geweld). Deze praktijken treffen zowel vrouwen als meisjes;
daarom hebben de comités die toezicht houden op het Vrouwenverdrag en op het
Kinderrechtenverdrag voor het eerst hun krachten gebundeld en gezamenlijke aanbevelingen
geformuleerd om deze praktijken te bestrijden (CEDAW en CRC in de Joint General Recommendation
GR 31 CEDAW en GR 18 CRC). De bijeenkomst stond in het teken van het formuleren van
aanbevelingen voor een effectieve aanpak van schadelijke praktijken in Nederland. Leontine
Bijleveld, voorzitter van het Netwerk VN-Vrouwenverdrag, leidde de bijeenkomst. Twee deskundigen
hielden een inleiding: Martin Vegter, juridisch adviseur Kinderrechten en Migratie bij Defence for
Children (DCI) en Petra Snelders, adviseur huiselijk geweld en schadelijke praktijken, voorheen
werkzaam bij Movisie en nu freelancer op het gebied van mensenrechten, vrouwen en migratie.
Introductie
Leontine Bijleveld heet iedereen welkom en introduceert de twee sprekers van deze bijeenkomst. Ze
vertelt vervolgens kort over het VN-Vrouwenverdrag en het CEDAW comité dat toezicht houdt op de
implementatie ervan door verdragsstaten. Het verdrag gaat over de uitbanning van alle vormen van
discriminatie van vrouwen. Elke vier jaar moeten de staten die het verdrag geratificeerd hebben,
waaronder ook Nederland, rapporteren over de voortgang van de uitvoering van het verdrag. De
regeringsrapportage van het Koninkrijk der Nederlanden is in oktober 2014 verschenen. Hierna volgt
eerst een schriftelijke ronde: een werkgroep uit het CEDAW comité formuleert vragen in een
presessie: de List of Issues. Het comité laat zich graag informeren door ngo’s over hun perceptie van
de naleving van het verdrag door de regering. Het Netwerk VN-Vrouwenverdrag heeft deze
informatie gebundeld in een Schaduwrapportage. Na een schriftelijke reactie van de regering wisselt
het CEDAW vervolgens een dag lang met een Nederlandse regeringsdelegatie van gedachten over de
vrouwenrechten in Nederland. Daarna publiceert het CEDAW in zogeheten Concluding Observations
aanbevelingen voor de Nederlandse regering.
We zitten nu in de zesde rapportage cyclus. In maart was de presessie. Leden van het netwerk
hebben een mondelinge toelichting gegeven op de schaduwrapportage. De Nederlandse regering zal
de komende periode vragen van het CEDAW comité gaan beantwoorden. Enkele van de vragen van
CEDAW gaan over schadelijke praktijken en negatieve stereotypen ten aanzien van zwarte,
migranten en vluchtelingen vrouwen. De discussie vandaag gaat over wat hierover opgenomen kan
worden in de volgende schaduwrapportage.
Lezing Martin Vegter
Over een deel van de in zijn inleiding gepresenteerde materie heeft Martin Vegter onlangs een
artikel gepubliceerd: ‘Moeders wil is geen wet. Gebrekkige bescherming van Guineese meisjes als
1
moeder tegen besnijdenis is’. 1 Er zijn op de Helpdesk Kinderrechten en Migratie van Defence for
Children plusminus 30 gevallen per jaar waarin vrouwelijke genitale verminking (VGV) een
asielmotief is. Asiel in geval van VGV kan op twee manieren worden verleend:


op grond van vervolging (grond A), wat volgt uit het VN Vluchtelingenverdrag;
op grond van subsidiaire bescherming tegen foltering/onmenselijke en vernederende
behandeling (grond B).
VGV is volgens de UNHCR een vorm van vervolging en dus kan er in theorie op de A-grond asiel
worden verleend aan iemand die risico loopt op VGV in het land van herkomst. De praktijk in
Nederland laat echter zien dat er met name asiel op de B-grond wordt verleend wanneer er risico op
VGV bestaat en dus op marteling/foltering. VGV wordt in Nederland dus niet als vervolging
beschouwd. Bij de Helpdesk bij DCI komen onder andere zaken uit Sierra Leone, Guinee, Liberia,
Nigeria en Egypte. In Guinee is de prevalentie van VGV erg hoog bij alle bevolkingsgroepen. De vraag
is hoe door Nederland wordt bepaald of iemand risico loopt.
Jurisprudentie omtrent VGV
Een eerste voorbeeld dat Vegter aanhaalt is een zaak uit 2010, waarbij de Raad van State (RvS) besloot
dat een moeder met haar dochter ondanks het risico op VGV kon terugkeren naar het land van
herkomst, Guinee. De RvS achtte het aannemelijk dat de moeder haar dochter kon beschermen tegen
VGV omdat ze economisch zelfstandig was. Er was m.a.w. geen bezwaar tegen de afwijzing van het
asielverzoek. Moeder en dochter hebben de zaak vervolgens voorgelegd aan het Europees Hof voor
de Rechten van de Mens (EHRM) en om een Interim Measure verzocht (een voorlopige maatregel die
Nederland verbiedt hen uit te zetten naar Guinee). Het EHRM heeft die Interim Measure afgegeven.
Daarin heeft de IND (strikt genomen: de staatssecretaris) destijds aanleiding gezien de vrouw uit te
nodigen opnieuw asiel aan te vragen. Dat deed zij en vervolgens werd aan haar en haar dochter alsnog
een asielvergunning verleend.
In 2015 was er eenzelfde uitspraak van de Raad van State. Dit keer woog zwaar dat de moeder zelf had
aangegeven dat zij niet wilde dat haar dochter besneden werd. De RvS oordeelde dat dit voldoende
was om haar in staat te achten haar dochter tegen VGV te beschermen. Volgens Vegter lijkt deze wil
van de ouders en met name van de moeder nu bepalend geworden te zijn, terwijl in eerdere
Ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken steeds werd gesteld dat het voor ouders
lastig is om VGV te weigeren vanwege de sociale druk. Bovendien is het feit dat de moeder niet wil dat
haar dochter besneden wordt nu juist de reden voor moeder (en dochter) om asielbescherming te
vragen, omdat zij bang is dat zij de druk toch niet zal kunnen weerstaan.
In het meest recente Ambtsbericht van Buitenlandse Zaken (2014) wordt gesuggereerd dat het aantal
gevallen van VGV licht zou afnemen, maar dit blijkt niet uit de cijfers. Percentages blijven gelijk.
Volgens Vegter is er geen reden om aan te nemen dat de wil van de moeder in Guinee van
doorslaggevend belang is geworden. Er zijn in het laatste Ambtsbericht vertrouwelijke bronnen
opgevoerd waaruit verbetering zou blijken. Deze informatie wordt niet ondersteund door andere
bronnen met betrekking tot VGV in Guinee. Over het gebruik van vertrouwelijke bronnen zijn
Kamervragen gesteld door de SP. In zijn antwoord stelt de staatssecretaris dat omwille van de
veiligheid van de bronnen de identiteit niet kan worden prijsgegeven. Vegter zet vraagtekens bij deze
suggestie van verbetering en vraagt zich af welk gevaar deze bronnen zouden lopen.
Na de negatieve uitspraak van de Raad van State legt een Guineese vrouw haar zaak voor aan het antiFoltercomité, dat toezicht houdt op de naleving van het VN Verdrag tegen foltering. In december 2015
werd deze klacht van de meerderjarige Guineese vrouw door het Committee Against Torture (CAT)
1
Asiel & Migratierecht (A&MR) 2016 nr. 3 p. 115-122
2
gegrond verklaard. De vrouw had een hersteloperatie ondergaan en kon als onbesneden worden
gezien. Daarom was het risico op herbesnijdenis voor haar aanwezig, zo luidde het oordeel van het
CAT. Ze had eerder, tijdens haar jeugd, een besnijdenis ondergaan met ernstige gevolgen voor haar
fysieke en mentale welzijn. Ook die aspecten spelen een belangrijke rol bij het oordeel van het CAT dat
uitzetting van deze vrouw in strijd is met het anti-Folterverdrag. Haar klacht werd daarom gegrond
verklaard. Het CAT benadrukt dat VGV weliswaar strafbaar is gesteld in Guinee, maar dat vrouwen daar
geen effectieve bescherming aan kunnen ontlenen.
Vegter wijst op een hiaat in de uitspraken van de Raad van State. De RvS houdt namelijk geen rekening
met de gevolgen als een moeder er daadwerkelijk in zou slagen haar kind te beschermen tegen VGV.
De sociale druk is groot, net als de maatschappelijke consequenties van het onbesneden zijn: het kind
kan uitgescholden en geïsoleerd worden en als een paria behandeld worden in de samenleving. Er zijn
grote maatschappelijke consequenties van het onbesneden zijn, waardoor bescherming in die context
bijna onmogelijk is. Die onmenselijke behandeling van een kind kan ook een asielgrond vormen.
De hoogste vreemdelingenrechter in België heeft, in tegenstelling tot de RvS, een quasi-zekerheid
vastgesteld dat een Guinees meisje bij terugkeer besneden wordt, los van individuele kenmerken. Die
beoordeling van het risico in België staat dus haaks op de beoordeling van ditzelfde risico in
Nederland. Het gevolg kan zijn dat Guineese meisjes naar België gaan in plaats van Nederland voor
een asielaanvraag, met een grotere kans op succes. Het strenge beleid van de IND gaat volgens Vegter
te ver en moet worden veranderd.
Vragen/discussie
Diana Geraci (Pharos) merkt op dat het erg slecht is dat er geen openlijke bronnen zijn in de VGV
zaken, terwijl dit in de wetenschap ondenkbaar is. Steffie van Waardenburg (BlijfGroep) is benieuwd
naar wat er met de Kamervragen van de SP is gebeurd. Die vragen zijn door de staatssecretaris
beantwoord, maar deze antwoorden gingen niet in op de reden waarom in het nieuwste
Ambtsbericht vertrouwelijke bronnen zijn opgevoerd. Er is slechts gesteld dat er in een Ambtsbericht
gebruik mag worden gemaakt van anonieme bronnen. DCI heeft hierover wel regelmatig contact met
de SP-fractie in de Tweede Kamer. Ineke Boerefijn (CRM) wijst erop dat het verdrag van Istanbul (het
verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld)
bepalingen bevat over VGV. Interessant is ook een boek van de Raad van Europa en Amnesty
International dat de verdragsbepalingen uitlegt.
Leontine Bijleveld merkt op dat het fijn was voor de betrokkene haar asielverzoek alsnog toegewezen
te krijgen na het voorleggen van haar zaak aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De
keerzijde is dat er geen uitspraak van het EHRM in deze VGV-zaak is gedaan, terwijl zo’n uitspraak
een grote impact zou kunnen hebben gehad, voor vergelijkbare gevallen. Desgevraagd beaamt
Vegter dat dit asielaanbod aan betrokkene ook uitgelegd kan worden als strategie van de
Nederlandse regering om voor hen kansloze EHRM-uitspraken te vermijden.
Petra Snelders
Zowel vrouwen (VN-Vrouwenverdrag, CEDAW) als meisjes (VN-Kinderrechtenverdrag, CRC) worden
getroffen door schadelijke praktijken. Het is belangrijk te beseffen dat deze praktijken diepgeworteld
zijn in sociale gedragingen en te maken hebben met de machtsverschillen tussen vrouwen en
mannen en ongelijke rolpatronen. Vrouwen en meisjes hebben een inferieure positie ten opzichte
van mannen en jongens en schadelijke praktijken houden deze machtspositie in stand. Zulke
praktijken zijn meestal gewelddadig maar kunnen ook subtiel zijn, zoals door groepsdruk. Ze worden
in de aanbevelingen van de twee verdragscomités dan ook gezien als een ernstige vorm van
schending van mensenrechten en vrijheden. Het geweld is intergenerationeel overgebracht en kan
worden uitgevoerd door familie, gemeenschap of de samenleving. Dit heeft gevolgen voor de gehele
3
ontwikkeling en ontplooiing van meisjes, hun gezondheid en mogelijkheden tot participatie. Ook
jongens kunnen overigens het slachtoffer zijn.
Voorheen werd er gesproken over ‘schadelijke traditionele praktijken’. De term traditioneel is er
echter uitgehaald omdat ‘traditie’ voor veel mensen een positieve klank heeft en omdat schadelijke
praktijken niet alleen uit tradities voort komen. Verder is het belangrijk te beseffen dat schadelijke
praktijken niet alleen in islamitische gemeenschappen voorkomen, maar ook voorkomen bij
bijvoorbeeld de Sinti, Roma, orthodoxe joden en orthodoxe christenen. Het is niet toe te spitsen op
een bepaalde religie of gemeenschap.
Vier vormen van schadelijke praktijken
Voor beide verdragscomités zijn de schadelijke praktijken duidelijk vormen van geweld. Er worden in
de aanbeveling vier vormen uitgebreid besproken. Een eerste vorm is vrouwelijke genitale
verminking (VGV) waarmee de seksualiteit van vrouwen en meisjes gecontroleerd wordt. Een tweede
vorm is kindhuwelijken en gedwongen huwelijk, waaronder ook huwelijkse gevangenschap wordt
verstaan. Deze vorm is vaak gelinkt met de derde vorm, polygamie. Een vierde vorm van schadelijke
praktijken zijn misdaden in naam van de zogenaamde eer van een familie of gemeenschap. De
dader(s) straft ongetolereerd gedrag af om culturele, religieuze of traditionele gewoonten te
herstellen of te behouden.
Ook andere praktijken zijn aan deze hoofdvormen te linken, zoals steniging en incest. Denk ook aan
lichamelijke aanpassingen gericht op het in stand houden van een bepaald vrouwbeeld (nek-ringen,
schaamlipcorrecties, dun zijn).
Vereisten
De twee verdragscomités bevelen aan alomvattend, holistisch beleid te ontwikkelen om schadelijke
praktijken te voorkomen en te bestrijden. Politieke verantwoordelijkheid op alle niveaus is
noodzakelijk; alle sectoren (horizontaal) en alle actoren hierin op elk niveau (verticaal) zijn belangrijk
in de coördinatie van beleid. Ook een nationaal juridisch raamwerk met budget is nodig. In de hele
aanpak moet er verwezen worden naar onderliggende structurele oorzaken van schadelijke
praktijken; stereotypen en ongelijke genderrollen moeten aangepakt worden.
De comités hechten groot belang aan het verzamelen, analyseren en verspreiden van kwalitatieve en
kwantitatieve gegevens. De dataverzameling in Nederland staat nog in de kinderschoenen: cijfers zijn
momenteel zeer onduidelijk, onvolledig en nauwelijks onderbouwd. Er zijn vooral schattingen. Meer
onderzoek hiernaar behoort dan ook op de agenda van de overheid te staan.
Wetgeving
In de wetgeving is een brede aanpak belangrijk. De comités vinden dat professionals een meldplicht
moeten hebben. Het strafrecht moet samen gaan met voorzieningen voor bescherming van
slachtoffers. Schadelijke praktijken moeten dan ook als asielgrond kunnen worden aangevoerd. In de
Nederlandse wetgeving zijn schadelijke praktijken strafbaar als vorm van ernstige mishandeling.
Maar in de praktijk wordt er weinig vervolgd, met name in het geval van VGV. Er waren slechts zeven
VGV-zaken in de afgelopen vijf jaar die allen geseponeerd zijn door gebrek aan bewijs als het niet in
Nederland is gebeurd of omdat er geen medewerking was vanuit de ouders. Met betrekking tot VGV
zijn er weinig concrete signalen, er wordt bij Veilig Thuis met name alleen dreiging geconstateerd.
Een vraag is of het strafrecht helpt bij het voorkomen van VGV of dat het slechts ‘symbool wetgeving’
is. Uit een rapport van Pharos 2013 blijkt dat de mentaliteit niet veranderd is maar men wel bang is
voor uithuisplaatsing van kinderen waardoor de VGV praktijken minder lijken voor te komen.
Wat betreft de huwelijksdwang en polygamie schrijft de wet voor dat je boven de 18 jaar moet zijn
4
om te trouwen en dat huwelijken tussen neven en nichten, polygame huwelijken en kindhuwelijken
niet zijn toegestaan. In de praktijk zijn er veel signalen maar harde gegevens zijn niet bekend.
Daarom luidt ook hier de vraag of en hoe het strafrecht helpt bij het voorkomen en bestrijden van
het geweld. Wat is de effectiviteit in de praktijk?
In de Aanbeveling wordt er met betrekking tot preventie en bescherming onder andere gewezen op
het vergroten van de kracht van vrouwen en meisjes, een actieve betrokkenheid van relevante
stakeholders, het betrekken van mannen en jongens, een 24 uurs hotline en kindvriendelijke en
gender sensitieve procedures. In Nederland zijn er campagnes, aandachtsfunctionarissen (Veilig
Thuis), gespecialiseerde opvang (mannen), draaiboeken en veel voorlichting. Samenwerking met alle
actoren en sectoren op alle niveaus is belangrijk. In Nederland zijn er overleggen met kleine groepen,
maar met name zmv-vrouwenorganisaties hebben er weinig vertrouwen in dat ze wezenlijke invloed
hebben op beleidsontwikkelingen en beleidsbeslissingen. Decentralisatie en bezuinigingen zorgen
voor verlies van expertise en leiden tevens tot minder contact met lokale ketenorganisaties.
In onze schaduwrapportage ten behoeve van de presessie van CEDAW is opgenomen dat er weinig
aandacht is voor kindbruiden buiten de groep Syrische vluchtelingen en is gewezen op
tekortschietende wetgeving ten aanzien van huwelijkse gevangenschap en gedwongen achterlating
in het land van herkomst van de ouders. Als reactie vraagt CEDAW meer informatie over
regeringsmaatregelen tegen negatieve stereotypering en discriminatie van migranten vrouwen, over
de stand van zaken in wetgeving van civielrechtelijke maatregelen tegen huwelijksdwang en over de
maatregelen tegen huwelijkse gevangenschap.
Vragen/discussie
Joyce Brummelman (DCI) vraagt zich af in welke fase we nu zitten met CEDAW en wat er nu gebeurt.
De CEDAW vragen zijn net binnen en de regering moet in mei/juni reageren. Eind oktober is dan de
zitting met 1 dag gereserveerd voor Nederland.
Ineke Boerefijn (CRM) en Steffie Waardenburg (BlijfGroep) stellen het beroepsgeheim aan de kaak,
tegenover de aanbeveling van de verdragscomités tot meldplicht van professionals. Verplicht melden
heeft volgens hen negatieve gevolgen en is te kort door de bocht. In plaats van zo’n meldplicht moet
er meer aandacht worden besteed aan deskundigheid op terrein van schadelijke praktijken bij de
professionals, vindt Annemiek Goes (Movisie). Petra Snelders beaamt noodzaak van deze
deskundigheidsbevordering. Roxane Warring (Moetd) merkt op dat in het algemene beleid van
professionals schadelijke praktijken een ‘ver van m’n bed show’ zijn, nog meer dan huiselijk geweld.
Ook hier ligt een vraag naar deskundigheid. Volgens Petra Snelders staat er genoeg op papier maar is
het de vraag in hoeverre de informatie ook echt in de praktijk wordt gebruikt.
Leontine Bijleveld vraagt of er in de programma’s voor jongeren over seksueel geweld ook de
schadelijke praktijken benoemd worden. Aaf Tiems (ministerie VWS) antwoordt dat seksuele normen
en waarden er in mee worden genomen en dat het belangrijk is voor jongeren om te weten wat er is
en wat hun rechten zijn. Roxane Warring (Moetd) stelt dat de schadelijke praktijken er niet
nadrukkelijk in opgenomen zijn maar dat vormen ervan wel worden meegenomen. Diana Geraci
(Pharos) vult aan dat het er ook bij Pharos in verweven zit.
Roxane Warring (Moetd) stelt dat er nog breder gekeken moet worden naar wat je rechten als mens
en als kind zijn, in plaats van te kijken naar slechts de extremen waar het mis gaat. Pien Klieverik
(DCI) wijst op dit punt van mensen-en kinderrechten op het project platform 2032. Dit is een nieuw
onderwijsprogramma voor toekomstig onderwijs waarin leerlingen werken aan hun persoonlijke
ontwikkeling en waarin, naast een vaste kern van kennis en vaardigheden, ruimte is voor verdieping
5
en verbreding op basis van hun capaciteiten en interesses.
Ineke Boerefijn (CRM) vertelt dat het College voor de Rechten van de Mens de wettelijke plicht/taak
heeft om mensenrechten educatie te bevorderen en dat het hierin meegenomen zou moeten
worden. Leonie van Gils (vrouwenbelangen) vult aan dat vroeger in de lessen (op school) sociaal
gedrag een punt van aandacht was.
Diana Geraci (Pharos) wijst op vrouwen die met hun kinderen worden achtergelaten in het land van
herkomst. Het probleem is hoe je hulp kunt inroepen bij achterlating. Ambassades zijn niet altijd
even makkelijk te bereiken. En wat gebeurt er als je er in slaagt naar Nederland terug te keren? In de
praktijk is er niet meteen hulp en opvang. Daarvoor wordt er gekeken naar gevaar, veiligheid en
dreiging en achterlating wordt niet beschouwd als geweld (gevaar, veiligheid en dreiging). Er is wel
ambulante hulp. Leontine Bijleveld stelt dat het ook vaak gaat om kinderen met de Nederlandse
nationaliteit.
Diana Geraci (Pharos) vindt dat meer aandacht voor deze specifieke vormen van geweld tegen
vrouwen noodzakelijk is. In Nederland is er het probleem van bewijslast - het moet via de huisarts of
kennissen kenbaar gemaakt worden. De vrouwenopvang is overbelast. Aaf Tiems (ministerie VWS)
stelt dat het probleem van achterlaten meer zichtbaar moet worden en dat er naar praktische
oplossingen gezocht moet worden. Diana Geraci (Pharos) wijst op het belang van huisvesting voor
deze vrouwen en Petra Snelders vult aan dat er meer opvang nodig is.
Rukio Adow (VGV GGD Haaglanden) stelt dat mannen smoesjes gebruiken voor VGV, bijvoorbeeld
dat de vrouw daarmee een goede vrouw zou worden. In de Aanbeveling wordt nadrukkelijk gesteld
dat er geen rechtvaardigingsgronden voor schadelijke praktijken zijn.
Ineke Boerefijn (CRM) vindt ook het hebben van geen verblijfsvergunning bij het risico op schadelijke
praktijken een probleem.
Over polygamie wordt het volgende besproken. Shamsa Said (SONPPCAN) stelt dat polygamie vaak
nog moeilijker bespreekbaar te maken is in gemeenschappen waar het voorkomt dan andere vormen
van schadelijke praktijken. Petra Snelders stelt dat gesprekken m.b.t. bewustwording belangrijk zijn.
Daarnaast ligt de vraag hoe we ongedocumenteerde vrouwen kunnen helpen wanneer ze te maken
krijgen met geweld, behalve met een verblijfsvergunning?
Joyce Brummelman (DCI) vraag zich af of er bewijzen zijn van het hebben van meerdere vrouwen
zonder registratie, zoals één keer getrouwd te zijn maar wel met twee vrouwen een relatie te
hebben. Ze vraagt zich af of en hoe zoiets strafbaar te stellen is. Volgens Petra Snelders is dit niet te
bewijzen en ook niet strafbaar. Shamsa Said (SONPCCAN) stelt ook dat de bewijslast moeilijk is maar
de rechten van de vrouw bespreekbaar moeten worden gemaakt en moeten worden verbeterd.
Joyce Brummelman (DCI) vindt een vertaling van juridisch naar wat er werkelijk gebeurt betreffende
schadelijke praktijken belangrijk. Hoe komen we tot verbetering in de realiteit? In andere landen
regelt DCI juridische zaken; men denkt dat deze kennis helpt en met de focus op wetgeving de rest
ook volgt. Dit valt echter tegen. Het lijkt belangrijk om ook op de betrokkenen zelf te focussen. VGV
is ook minder geworden door de verstedelijking in de betreffende landen en door minder familie
druk; er is dus een afname op een natuurlijke manier.
Ineke Boerefijn (CRM) stelt dat er niet alleen schadelijke praktijken in landen als Sierra Leone
voorkomen, maar ook in Nederland, en buurlanden België en Duitsland. Gemeenten hebben ook nog
veel te leren/ aan te pakken voor opvang en het voorkomen van schadelijke praktijken.
Petra Snelders stelt dat Veilig Thuis door bezuinigingen weinig plek heeft voor opvang. Het mooie
6
aan deze aanbevelingen van de twee verdragscomités vindt zij de paragraaf over decentralisatie. Dit
is geen reden om verantwoordelijkheid bij de regio neer te leggen. Dit blijft de verantwoordelijkheid
van de landelijke overheid, die de verdragen geratificeerd heeft. Ineke Boerefijn (CRM) vertelt dat
het lokale beleid ook op de agenda bij CRM staat: BAAT bij mensenrechten in het sociale domein
(BAAT staat voor beschikbaar, aanvaardbaar, aanpasbaar en toegankelijk).
Na deze laatste discussie punten is het tijd voor napraten bij een hapje en een drankje, met de
mogelijkheid nog na te praten over de bijeenkomst. Er was een goede opkomst tijdens deze
geslaagde middag!
7
Download