modern china - Amsterdam University Press

advertisement
Elementaire Deeltjes · 5
M ODERN C HIN A
A
U
P
·Rana Mitter·
Modern China
Elementaire Deeltjes
Elementaire Deeltjes, de serie boekjes van Amsterdam University
Press (AUP), maakt kennis toegankelijk voor een breed publiek.
Elementaire Deeltjes is dé manier om snel alles te weten te komen
over de onderwerpen die je interesseren.
Experts nemen je mee op een ontdekkingsreis waarbij elk thema
in de meest beknopte vorm volledig uitgediept wordt. Een serie
handige en handzame boekjes, met altijd het antwoord op de
vraag: ‘Hoe zit dat nou eigenlijk?’
Modern China
Rana Mitter
Geactualiseerd door Frank Pieke
AUP
Oorspronkelijke uitgave: Rana Mitter, Modern China: A Very Short
Introduction, Oxford University Press, 2008 [isbn 978-0-19-922802-7]
Vertaling: Cornelis van Ginneken
Ontwerp omslag: Michel van Duyvenbode, Amsterdam
Ontwerp binnenwerk: Crius Group, Hulshout
isbn
978 90 8964 641 5
e-isbn 978 90 4852 305 4
nur692
© R. Mitter / AUP, Amsterdam 2014
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar
gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch,
door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond
van artikel 16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals
gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te
voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor
het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en
andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de
uitgever te wenden.
Inhoud
Uitspraak
7
1. Wat is modern China?
9
2. De oude en de nieuwe orde
26
3. De modernisering van China
50
4. Is de Chinese samenleving modern?
88
5. Is de Chinese economie modern?
117
6. Is de Chinese cultuur modern?
134
7. Brave new China? 155
Tijdlijn
157
Illustratieverantwoording
159
Verwijzingen
160
Verder lezen
163
Dankwoord
166
Index
167
Uitspraak
In dit boek wordt het pinyin-systeem voor de transcriptie
van het Chinees gebruikt. Bij de uitspraak moet wel met de
volgende zaken rekening worden gehouden:
c wordt uitgesproken als ts
x wordt uitgesproken als sj
q wordt uitgesproken als tsj
En de samenstellingen chi, zhi, ri, si, shi en zi worden uitgesproken alsof de i-klank een rr is; dus: chr, zhr, enzovoort.
7
1.
Wat is modern China?
Je kunt je niet aan de algemene indruk onttrekken dat
China eindelijk zijn bestemming heeft gevonden […] De
minachting voor buitenlanders is verleden tijd […] Zelfs
op afgelegen plaatsen voelden we het nieuwe elan – dat
curieus genoeg valt af te lezen aan het bijna universele
verlangen om Engels te leren […] Kennis van het Engels
wordt namelijk gezien als de weg naar de vooruitgang, als
de sleutel naar kennis van westerse wetenschap, kunst,
filosofie en politiek.
Deze observatie is afkomstig uit het boek New China van W.Y.
Fullerton en C.E. Wilson. In het derde decennium van China’s
periode van ‘hervorming en openstelling’ (gage kaifang) hebben de oude clichés van de maoïstische periode – Chinese
werkmieren in blauwe wollen overalls die xenofobe, antiimperialistische slogans herhalen – eindelijk plaatsgemaakt
voor nieuwe impressies. De steden staan vol wolkenkrabbers,
door nieuwe eigendomsvormen is het platteland volledig
hervormd, de arbeidsmigratie is enorm toegenomen en na
jaren isolatie verlangt de bevolking weer naar contact met
de buitenwereld. Fullerton en Wilsons indruk dat China
zijn bestemming nadert en dat een aanzienlijk deel van de
bevolking Engels leert als manier om die bestemming te bereiken, lijkt redelijk van toepassing op het huidige China, dat
zo duidelijk anders is dan het land dat een generatie geleden
werd geregeerd door voorzitter Mao.
Fullerton en Wilson noteerden hun observaties echter
niet nadat ze met een van de vele 747’s van Air China waren
geland op Kennedy of Heathrow Airport. Ze schreven hun
boek een volle eeuw geleden, en hun bespiegelingen met de
ondertitel ‘een modern reisverhaal’ kwamen tot stand op wat,
achteraf gezien, wel een zeer pikant moment in de historie
9
van China was: het jaar 1910. Het China dat zij portretteerden
was vitaal en optimistisch, en sterk gericht op de buitenwereld. Maar nog geen jaar later viel de Qing-dynastie, het
laatste Chinese keizerlijke huis. De revolutie van oktober
1911 maakte een eind aan de tweeduizendjarige traditie van
keizerlijk bestuur in China, om plaats te maken voor een
republiek. Die republiek zou na minder dan veertig jaar ook
weer sneuvelen en worden opgevolgd door de Volksrepubliek.
En net als de voorgaande regimes, zou ook de leiding van
de Volksrepubliek decennialang wanhopig op zoek blijven
naar een manier om een modern China te creëren. Dat een
reisbeschrijving uit het begin van de 20ste eeuw nog steeds
actueel klinkt in het begin van de 21ste eeuw, zegt wel iets
over hoe lang het China heeft gekost om zo’n eigen visie van
modernisering te ontwikkelen.
China heeft, met ruim 1,3 miljard inwoners, de grootste
bevolking ter wereld. De economie groeide in het eerste decennium van deze eeuw met gemiddeld ongeveer tien procent per
jaar. Het land streeft naar een regionale en mondiale rol en is
inmiddels ook politiek en economisch actief in Afrika, LatijnsAmerika en het Midden-Oosten. Het wil zich profileren als een
verantwoordelijk lid van de wereldgemeenschap en ook een
rol spelen in probleemgebieden als Iran en Noord-Korea, waar
het Westen weinig invloed heeft. De Olympische Spelen van
2008 in Beijing en de Wereldtentoonstelling in Sjanghai in 2010
markeerden een soort ‘uit de kast komen’ van China als geïntegreerd lid van de wereldgemeenschap. Beide evenementen
vormden de bekroning van de ‘vreedzame opkomst’ (heping
jueqi) die sinds halverwege de jaren 90 werd gepredikt. Deze
door politiek strateeg Zheng Bijian bedachte term werd door
veel Chinese ideologen echter te confronterend gevonden en
is nu vervangen door de term ‘vreedzame ontwikkeling’. Het
idee is echter hetzelfde: China moet weer zijn rol als regionale
en mondiale macht herwinnen die het halverwege de 19de
eeuw verloor.
10 Overal in China zie je tekenen van verandering. Er zijn
aanzienlijke delen van westelijk China onder water gezet voor
de gigantische Drieklovendam in de Yangtse-rivier. De voormalige bewoners van de ondergelopen gebieden zijn verhuisd
naar stedelijke centra, als onderdeel van een algemene trek
in China van het traditionele platteland naar de stad. China’s
censuurwetten zijn nog altijd streng. Niet mondiaal marktleider Google maar de eigen internetzoekmachine Baidu domineert de markt. Ondanks de strenge censuur is er echter ook
een soort grijze zone ontstaan, waarbij culturele producten
soms worden veroordeeld maar niet verboden, of eerst worden
toegestaan en later weer niet. Niet alleen undergroundfilms
en kritische of pornografische internetsites bevinden zich in
deze zone, maar ook officiële media bewegen zich vaak in dit
schemergebied. Bovendien hebben die media nu te maken met
dezelfde commerciële druk als hun particuliere concurrenten.
1. Arbeidsmigranten zijn een gebruikelijke aanblik op Chinese bouwplaatsen.
Hun arbeid legt de basis voor de futuristische skylines van steden als Sjanghai
en Beijing.
11
China is nu een grote speler op de wereldmarkt. In de eerste
jaren van de 21ste eeuw leidde China’s snel groeiende export
tot bezorgdheid in de VS en de EU over het Chinese handelsoverschot. Het Westen was ook bezorgd over de waarde van
de Chinese munt (de yuan of renminbi), die kunstmatig laag
werd gehouden ten opzichte van de dollar. De VS en de EU
drongen dan ook regelmatig aan bij de Volksbank van China
om de munt op te waarderen. Dankzij het betalingsoverschot
heeft China voldoende armslag om te investeren in de rest van
de wereld, van de VS tot Afrika en Rusland. Chinese bedrijven
namen in 2005 de failliete boedel over van de Britse autofabrikant Rover; in 2007 poogde de Britse f inanciële dienstverleningsbank Barclays, met behulp van Chinees kapitaal,
tevergeefs, de Nederlandse rivaal ABN-AMRO over te nemen.
Niettemin is China bezig aan een van de meest hachelijke
balanceeracts uit de wereldgeschiedenis. Het land heeft de
snelst groeiende grote economie ter wereld, maar de inkomenskloof tussen arm en rijk is inmiddels ook een van de
grootste, al verheft het beleid miljoenen uit de armoede.
Fatsoenlijke gezondheidszorg en onderwijs zijn alleen beschikbaar voor wie het kan betalen. China is bovendien in de
greep van een grondstoffen- en milieucrisis. In heel China
wordt de industriële productie regelmatig onderbroken door
stroomuitval. Het land moet energie- en mineraalbronnen
uit de hele wereld bijeenschrapen. Door milieuvervuiling
moeten fietsers smogmaskers dragen en is de Yangtse-dolfijn
uitgestorven. En China is inmiddels verantwoordelijk voor ’s
werelds grootste uitstoot van CO2. China blijft een eenpartijstaat en treedt streng op tegen politieke dissidenten. Toch zijn
er elk jaar tienduizenden, soms gewelddadige, demonstraties
tegen het overheidsbeleid. Ook de corruptie tiert welig.
Er zijn grote verschillen tussen het China van het begin van
de 20ste eeuw en dat van het begin van de 21ste. Het China
van een eeuw geleden was een speelbal van westers en Japans
imperialisme; het land liep gevaar om door buitenlandse
12 machten, in termen uit die tijd, ‘te worden opgedeeld als een
meloen’. Het was een zwakke en kwetsbare staat. Het China
van nu kent wel ernstige interne wrijvingen en breuklijnen,
maar staat veel sterker in zijn schoenen. Toch zijn er ook
opmerkelijke overeenkomsten tussen het China van nu en
dat van toen: politieke instabiliteit en tal van economische
en sociale problemen. En net als toen moet China weer een
rol proberen te vinden in een wereld die, zij het minder dan
in de periode vlak na de Koude Oorlog, wordt gedomineerd
door het Westen.
De Chinese leiders zijn zich terdege bewust van de
geschiedenis. Ze beseffen maar al te goed dat de schijnbaar
ten dode opgeschreven Qing-dynastie indrukwekkend snel
aan het moderniseren was aan het begin van de 20ste eeuw,
maar vervolgens toch instortte; net als de meeste Chinese
regimes in de vier decennia daarna. De huidige leiders van de
Volksrepubliek proberen dit lot te vermijden. Om hun angst en
voorzichtigheid bij het hervormen te begrijpen moet je China
proberen te doorgronden binnen de historische en mondiale
context. Daarom zal ik in dit boek proberen om die context
te schetsen en redenen aan te dragen waarom het moderne
China er uitziet zoals het nu doet.
Mijn beeld van China zal drie belangrijke gezichtspunten
weerspiegelen. Mijn eerste punt is dat China niet echt een
gesloten maatschappij is, maar juist bijna altijd open heeft
gestaan voor invloeden van buitenaf. We kunnen de Chinese
cultuur en maatschappij niet begrijpen zonder de context
van de buitenwereld. We moeten, met andere woorden, China
niet zien als een op zichzelf staande geïsoleerde samenleving,
maar als deel van een veranderende regionale en mondiale
cultuur. Mijn tweede punt is dat het te simpel is om te zeggen
dat China is getransformeerd van een traditioneel verleden
naar een modern heden. Het moderne China dat we nu zien,
is juist een complex mengsel van inheemse sociale invloeden
en gebruiken, met externe invloeden die vaak, maar niet altijd,
13
afkomstig zijn uit het Westen. De maatschappij veranderde
niet in één keer in 1912, met het aftreden van de laatste keizer,
of in 1949, met de communistische revolutie. Het China van
nu is echter ook niet nog steeds wezenlijk hetzelfde land dat
honderd of tweehonderd jaar geleden werd geregeerd door
keizers. Mijn derde punt is dat we, om de ontwikkeling van
het moderne China te begrijpen, niet alleen de bovenlaag van
politieke leiders en hun conflicten moeten bestuderen. We
moeten zowel kijken naar de continuïteit als naar de veranderingen in de manier waarop de Chinezen zijn gemoderniseerd
en naar de impact van die veranderingen op de maatschappij
en cultuur als geheel.
Wat betekent het om Chinees te zijn?
De belangrijke vraag blijft hoe dan ook: wat is modern China?
Voor een antwoord moeten we de volgende termen eerst nader
onderzoeken: China en modern.
‘China’ verwijst nu doorgaans naar de Volksrepubliek China,
de staat die in 1949 werd gesticht na de zege van de Chinese
Communistische Partij (CCP) onder leiding van voorzitter
Mao Zedong. Die staat beslaat in wezen hetzelfde gebied als
het Chinese rijk onder de laatste keizerlijke dynastie, de Qing
(1644-1911). De moderne staat heeft ook een stevige vinger in de
pap in Tibet, maar maakt, in tegenstelling tot de Qing, geen aanspraak op Buiten-Mongolië of de streken in het noordoosten die
werden veroverd door tsaristisch Rusland. Men oefent evenmin
controle uit over Taiwan. Bij al die geografische continuïteit
mogen we echter niet over het hoofd zien dat China in de loop
der eeuwen wel degelijk is veranderd en dat nog steeds doet.
Zo’n 2.500 jaar geleden bestond er een groep onafhankelijke
staten die met elkaar in conflict waren in het centrum van
wat we nu ‘China’ noemen. De literatuur en historie uit deze
periode zijn herkenbaar als Chinees. Het schrift is leesbaar voor
wie de moeite neemt om de klassieke vorm van de Chinese taal
te leren. Vanaf 221 v.Chr. werden deze staten verenigd door een
14 opeenvolgende reeks van keizers en dynastieën, zoals de Han-,
de Tang-, de Song-, de Yuan-, de Ming- en de Qing-dynastie.
Deze dynastieën creëerden China’s klassieke beschaving en
een samenleving waarin zowel kunst, literatuur en staatkunde
als geneeskunde en technologie floreerden.
Het volk uit die periodes zag zichzelf niet als inwoners van
China, of Zhongguo (‘Middenrijk’, het huidige Chinese woord
voor China). Het idee van Chinees-zijn, in de betekenis die wij
eraan geven, als nationale of etnische identiteit, is een product
van de 19de eeuw (net als de term Zhongguo). Toch deelde men
in al die eeuwen en tijdens al die dynastieën wel een duidelijk
idee van wat we een Chinese identiteit zouden kunnen noemen. Het grootste deel van de bevolking identificeerde zich
met de heersende dynastie zelf, als ‘volk van de Ming’ of ‘volk
van de Qing’. Maar wat zat er achter zo’n benaming? Waar
moest je aan voldoen om bij het ‘volk van de Ming’ te horen?
In de loop der eeuwen waren er tal van gedeelde kenmerken
die de diverse pre-Chinese gemeenschappen samenbrachten.
Al heel vroeg was de Chinese maatschappij een sedentaire
landbouwsamenleving, die zich onderscheidde van nomadische volken als de Mantsjoes, Mongolen en Jurchen, waarmee
men wel periodiek in contact kwam. Een van die gedeelde
kenmerken was het gebruik van irrigatie. De agrarische Chinese volken waren ook veel omvangrijker dan hun buren.
En dankzij gestage gebiedsuitbreiding nam die omvang in
de loop der eeuwen alleen maar toe. Het zeer vroege China
werd nog bewoond door aparte volken, maar vanaf 221 v.Chr.,
na de vereniging onder de Qin-dyanstie, ging één volk overheersen. Dat volk duiden we nu aan als ‘Chinezen’ (ook vaak
‘Han-Chinezen’ genoemd, vanwege hun dominante rol in de
Han-dynastie).
Maar waarom gingen de Chinezen zichzelf als Chinezen
zien? Meestal komt een gedeelde identiteit voort uit gedeelde
rituelen. De Chinese staatkunde en de normen en waarden
van alledag werden meer dan 2000 jaar gedomineerd door een
15
reeks gedeelde sociale en politieke uitgangspunten, die hun
oorsprong vonden in de ideeën van Confucius, een denker uit
de 6de eeuw v.Chr. Als je deze normen en waarden adopteerde,
was je, onafhankelijk van je afkomst, lid van het ‘volk van de
dynastie’, dat wil zeggen Chinees.
Het confucianisme wordt soms een religie genoemd, maar
is eerder een ethisch systeem, of een systeem van normen en
waarden. Door de alomtegenwoordigheid in de maatschappij, de flexibiliteit en het aanpassingsvermogen doet het
wel denken aan de manier waarop het joods-christelijke
normensysteem vervlochten is in westerse maatschappijen.
Personen kunnen de bestaande normen dan wel aanvechten of
verwerpen, maar ze zijn, al dan niet bewust, zelf ook gevormd
door die normen. Het confucianisme is gebaseerd op ideeën
van wederzijdse verplichting en een vaste maatschappelijke
hiërarchie. Het wordt bovendien gekenmerkt door het geloof
in zelfontplooiing, onderwijs en verbetering en vooral door
een sterke hang naar een geordende samenleving. Het confucianisme veroordeelt geweld en staat tweeslachtig tegenover
het maken van winst. Het ultieme ideaal is het bereiken van de
status van ‘wijze man’ (sheng). Men dient echter op z’n minst
te streven naar de status van junzi, wat vaak wordt vertaald
als ‘gentleman’, maar waarbij we misschien beter kunnen
denken aan ‘een integer persoon’. Confucius’ ideaalbeeld was
de Zhou-dynastie, een vermeend gouden tijdperk, dat ook
tijdens Confucius’ leven al geruime tijd voorbij was, maar
een (wellicht onbereikbare) standaard zette voor het heden.
Confucius’ opinies kwamen niet uit de lucht vallen. Hij
leefde in de periode van de Strijdende Staten, een gewelddadig
tijdperk waarvan de mores hem tegen de borst stuitten en dat
hem enorm deed verlangen naar orde en stabiliteit. Hij was
overigens niet de enige denker die het klimaat in het vroege
China beïnvloedde. Xunzi meende, anders dan Confucius en
Mencius, die beiden geloofden in de goedheid van de mens,
dat mensen in wezen slecht zijn. Han Feizi ging nog verder
16 en stelde dat ethische codes geen zin hebben. Alleen een
systeem van strikte wetten en harde straffen kon volgens hem
mensen van het kwaad weerhouden. Deze periode, de vijfde
eeuw v.Chr., was een tijd van diepe crisis in de regio die we
nu kennen als China, maar leidde, ironisch genoeg, toch tot
een ongeëvenaarde bloei van het culturele en intellectuele
leven. Het tijdperk is te vergelijken met de crisisperiode in het
Griekenland van de vijfde eeuw v.Chr., die een indrukwekkende stroom drama en filosofie opleverde. Maar ondanks
het gemengde intellectuele gistingsproces van die tijd, waren
het vooral Confucius’ gedachten die in de Chinese staatkunde
doordrongen. Wel werden zijn ideeën, vaak bijna onherkenbaar, aangepast door staatslieden en denkers die in de loop
der eeuwen uit zijn geschriften putten. De confucianistische
basisstellingen hielden al die tijd echter wel stand.
De premoderne Chinezen hadden een duidelijk idee dat
ze anders waren dan andere volken, niet in de laatste plaats
omdat ze regelmatig moesten vechten tegen hun buren.
Tijdens twee van China’s grootste dynastieën, de Yuan en de
Qing, werd het land geregeerd door niet-etnische Chinezen
(respectievelijk Mongolen en Mantsjoes). De opmerkelijke
veerkracht van het Chinese systeem van staatkunde zorgde er
echter voor dat deze vreemde indringers zich snel aanpasten
aan de Chinese normen van bestuur. Dit onderscheidde
hen van de latere westerse imperialisten, die dat absoluut
niet deden. De assimilatie was overigens niet volkomen.
De Qing-dynastie handhaafde tijdens alle eeuwen van hun
machtsuitoefening een complex Mantsjoe-systeem van
elite-identiteiten: Mantsjoes waren georganiseerd in vaandels
(groeperingen gebaseerd op hun militair-nomadische verleden) en Mantsjoe-vrouwen bonden hun voeten niet af. Maar
over de hele linie bleef de hele maatschappij doortrokken
van de rituelen en stellingen van de confucianistische ethiek:
Qing-China bleef in wezen een Chinese samenleving en werd
geen Mantsjoe-maatschappij.
17
2. Een rijke Chinese vrouw uit het begin van de 20ste eeuw met dure kleding en
afgebonden voeten.
In de 19de eeuw vond een ingrijpende verandering plaats
in de Chinese zelfperceptie. Eeuwenlang werd het rijk Tianxia
genoemd, wat ‘alles onder de hemel’ betekent. (De term
wordt door sommigen in China weer gebruikt als expressie
van China’s groeiende mondiale aanwezigheid.) Dat wil niet
zeggen dat de premoderne Chinezen niet erkenden dat er ook
andere landen en volken waren – dat deden ze wel degelijk. Ze
vonden alleen dat hun rijk alles en iedereen van enig belang
omvatte. De grenzen van dat rijk zag men als flexibel, zij het
niet als eindeloos oprekbaar. (Het Verdrag van Nertsjinsk uit
1689 stelde de grens tussen China en Rusland vast die nu nog
bestaat; het ontbrak Qing-China zeker niet aan territoriaal
besef.)
18 De komst van het westerse imperialisme dwong China
echter om zichzelf, voor het eerst, ook te zien als onderdeel
van een internationaal systeem. Onder invloed van Europese
politieke ideeën ontstond het beeld van China als een natiestaat. Veel Chinezen gingen inzien dat het oude China was
verdwenen en dat er een nieuw China moest worden gevormd
om een plaats in te nemen in de hiërarchie der naties. Dat
proces is nu feitelijk nog steeds gaande.
De moderne Volksrepubliek omvat echter niet het hele
China, of de hele Chinese wereld. Taiwan geeft een heel
andere, levendige en democratische invulling aan het begrip
‘Chinese cultuur’; net als Hongkong. Bovendien is er een grote
Chinese diaspora van ‘overzeese Chinezen’, die samenlevingen als Singapore domineren en van wie op alle bewoonde
continenten gemeenschappen te vinden zijn.
China is kortom een continent, niet slechts een land. Het
is een reeks identiteiten waarvan sommige worden gedeeld,
sommige van elkaar afwijken en sommige tegenstrijdig zijn:
modern, confucianistisch, autoritair, democratisch, vrij en
ingeperkt. China is vooral een meervoudsvorm.
Wat is modern?
‘Modern’ wordt regelmatig gebruikt in de zin van ‘recent’.
Een studie over modern China zou zich dan bezig moeten
houden met de afgelopen eeuw, of iets dergelijks. Dit boek
hanteert echter een specifiekere definitie van ‘modern’, omdat
je daarmee beter tot de kern kunt komen van een aantal van
de grootste vragen over China: wat voor soort maatschappij
en cultuur is het en wenst het te worden?
Er zijn twee opvattingen over modern China die we al bij
voorbaat willen afwijzen. Als je probeert te bepalen op welke
manier China al dan niet is veranderd sinds de 19de eeuw,
kun je namelijk makkelijk vervallen in twee al te simpele
voorstellingen van zaken.
19
De eerste opvatting was vooral gebruikelijk in het Maotijdperk, toen China volledig van politiek en sociaal systeem
veranderd leek. In de lijn van de retoriek van de Chinese
Communistische Partij sprak men van een ‘Nieuw China’
(zoals het citaat aan het begin van dit hoofdstuk laat zien,
was dit niet het eerste gebruik van de term ‘Nieuw China’ en
het was ook niet het laatste): het oude, feodale, traditionele
en semikoloniale China, een wereld van wrede sociale hiërarchieën, voetafbinding, marteling en armoede, was eindelijk
terzijde geschoven voor een eerlijker, industrieel ontwikkeld
en rechtvaardig China.
De tweede voorstelling van zaken was vroeg in de 20ste
eeuw gebruikelijk, werd na 1949 een tijd in de ban gedaan,
maar doet nu weer volop opgeld. Deze stelling luidt dat China
in wezen helemaal niet is veranderd. Zelfs leiders als Mao en
Deng Xiaoping (de hervormingsleider van de jaren 80) waren,
ondanks hun ideologische communistische vernislaag, in feite
gewoon keizers die terugvielen in het vertrouwde patroon.
Op het huidige platteland overheersen nog altijd dezelfde
traditionele bijgeloven, religies (zoals de door de partij verboden Falun Gong-sekte) en hiërarchieën als honderden
jaren geleden. Op de keper beschouwd is China nog steeds
een confucianistische, hiërarchische samenleving met een
pseudocommunistisch plakkertje erop.
Beide opvattingen slaan de plank mis. China is een door en
door moderne maatschappij. Alleen is de manier waarop die
moderniteit zich heeft gemanifesteerd onmiskenbaar gevormd
door het erfgoed van het premoderne (een term die te prefereren is boven ‘traditioneel’) verleden. Niet dat het premoderne
verleden ooit monolithisch of statisch was: China kende enorme
veranderingen in de loop der eeuwen. Het land ontwikkelde als
eerste een ambtenarenapparaat, liep voorop in wetenschap
en technologie (de uitvinding van buskruit, klokken en het
kompas), kende een uiterst handelsgerichte economie (vanaf
circa 1000) en een rijk geschakeerde religieuze cultuur.
20 De gelijkenis tussen veel ontwikkelingen in Europa en
China in de periode van 1000 tot circa 1800 mag echter niet
verhullen dat keizerlijk China en het vroegmoderne Europa
ook enorm verschilden in uitgangspunten en geestelijke instelling. In het Westen ontwikkelde de moderniteit zich op
basis van een aantal opvattingen over de organisatie van een
maatschappij, die voor een groot deel nog steeds een sterke
invloed uitoefenen. Centraal stond het idee van vooruitgang
als de drijvende kracht in het menselijk bedrijf. Filosofen als
Descartes en Hegel dichtten moderniteit een rationaliteit en
een doelgerichtheid toe, in een overkoepelende ontwikkeling
die suggereerde dat de wereld zich in een bepaalde richting
bewoog; een richting die in grote lijnen positief was. De
vooruitgang werd op diverse manieren aangedreven. Door
het idee dat dynamische verandering bijvoorbeeld iets goeds
in zichzelf was. In premoderne maatschappijen was men vaak
bang dat verandering iets destructiefs was, maar de moderne
mentaliteit heette veranderingen juist welkom. Met name de
aanvaarding van en het enthousiasme voor vooruitgang via
economische en later industriële groei, gingen een centrale
rol spelen in de ontwikkeling van de moderne maatschappij.
Ook het idee van rationaliteit, zoals dat in de Verlichting van
de 18de eeuw werd geformuleerd – het vermogen om keuzes
te maken en besluiten te nemen op een logische, wetenschappelijke manier – was van cruciaal belang voor de ordening van
een moderne samenleving.
Met de komst van de moderniteit veranderde ook de manier
waarop leden van een samenleving naar zichzelf keken. De
samenleving werd geseculariseerd: de moderne mentaliteit
stond niet per se vijandig tegenover religie, maar religie kreeg
wel een beperkte ruimte in de samenleving toegewezen en
speelde niet meer de doorslaggevende rol van voorheen. Het
individuele, met rede begiftigde ik werd nu het centrum van de
moderne wereld. Tegelijkertijd werden de traditionele banden
tussen het individu en de bredere gemeenschap doorgesneden.
21
In moderne samenlevingen golden niet langer de feodale
hiërarchieën van status en slavernij. Deze werden vervangen
door een grotere mate van gelijkheid of, in ieder geval, een
niet-hiërarchisch maatschappijmodel.
Maatschappijen zijn vaak vooral modern omdat ze zichzelf
als zodanig beschouwen: zelfbewustzijn (verlichting) staat
centraal in de moderne mentaliteit en alle identiteiten die
daaruit voortvloeien, zoals een nationaal bewustzijn. Dit heeft
met name in het Westen ertoe geleid dat er een veel scherpere
scheidslijn wordt getrokken tussen de eigen moderne waarden
en de waarden die elders in de wereld gelden. China vertoonde
echter ook al diverse kenmerken van moderniteit lang voordat
het Westen er een duidelijke invloed had. Zo hanteerde men in
China al vanaf de 10de eeuw n.Chr. een toelatingssysteem voor
het ambtenarenapparaat, een duidelijk rationele en geordende
manier om een sterke elite te kiezen. In Europa werd dat soort
zaken destijds nog geregeld via religieuze decreten en bruut
geweld. In China ontstond in die tijd al een geïntegreerde en
krachtige commerciële economie, waarbij marktgewassen de
plaats innamen van landbouw voor eigen gebruik. Het is duidelijk dat veel aspecten van moderniteit eerder en duidelijker
zichtbaar waren in China dan in Europa.
Een van de sterkste elementen van het moderne denken in
Europa was het idee dat de eigen ontwikkeling en opbouw radicaal anders waren dan die van andere maatschappijen. Dat
kwam mede door een verlangen om een duidelijk onderscheid
te creëren tussen de West-Europese politiek en die van andere
maatschappijen. Dat speelde met name in de 19de eeuw een
rol, toen men een ideologische rechtvaardiging zocht voor
de imperialistische politiek. In veel opzichten echter waren
veel attributen van de moderne mentaliteit – vooral zelfbewustzijn en het bijbehorende anti-hiërarchische denken –
ontleend aan een eerdere religieuze traditie, waarin geboorte
en wedergeboorte een cruciale rol speelden. Het christendom
was duidelijk een van de bronnen van dit concept (en het legde
22 ook het culturele fundament voor het vooruitgangsdenken
dat aan de klassieke moderniteit ten grondslag ligt), maar
ideeën van verlichting en zelfbewustzijn bestonden al veel
eerder binnen de boeddhistische traditie, en later, in een
andere vorm, ook in de islam. De sterk Eurocentrisch gerichte
denkers over moderniteit hebben het altijd lastig gevonden
om de interculturele wortels ervan te erkennen, maar die
zijn er wel degelijk.
Wel is het zo dat men in China vóór het midden van de 19de
eeuw bepaalde sleutelideeën van de opkomende elites in Europa tussen de 16de en 19de eeuw nou juist niet deelde. China
ontwikkelde in die periode geen sterke politieke bewegingen
die geloofden in het slechten van oude hiërarchieën. In de
confuciaanse wereld waren ‘alle mensen in de vier zeeën’ wel
‘broeders’, maar waren ‘alle mensen’ zeker niet gelijk. Chinese
denkers stelden het individuele ik niet voor als een positief
contrast ten opzichte van het collectieve, al zat er wel een
duidelijk idee van persoonlijke ontwikkeling in het streven
om een ‘gentleman’ of ‘wijze’ te worden. Ook het idee van
een doelgerichte progressie speelde geen belangrijke rol in
het Chinese denken. Men zag de beweging in de geschiedenis
eerder als een poging om de verloren gouden eeuw van de
Zhou en de manieren van de verre voorouders te herstellen.
Innovatie en dynamische verandering werden niet geprezen
als verdiensten op zich. Men ontwikkelde in premodern
China wel uiterst complexe technologie en nieuwe vormen
van staatskunde, maar benadrukte vooral het belang van
tradities en orde. Het is overdreven om te zeggen dat het
confucianistische gedachtegoed vijandig stond tegenover alle
vormen van handel, maar het idee van economische groei
als iets goeds op zichzelf speelde niet zo’n centrale rol in de
premoderne Chinese denkwereld als in de moderniteit zoals
die opkwam in Europa.
Deze uitgangspunten verschillen radicaal met die van het
huidige China. Sinds het begin van de 20ste eeuw hebben
23
China’s regeringen en intellectuelen de meeste principes
van de moderniteit overgenomen, al was er hevig verzet
tegen ideeën die werden opgedrongen door de westerse en
Japanse imperialisten. Zoals we in hoofdstuk 2 en 3 zullen
zien, verklaarden zowel de communisten als de nationalisten
die China in de 20ste eeuw domineerden dat er een nieuwe,
dynamische cultuur nodig was; dat hiërarchieën afgebroken
moesten worden; en dat orde wel belangrijk was, maar economische groei de enige manier was om China rijk en sterk
te maken. Wat dat betreft waren de leiders van China aan het
begin van de 20ste eeuw overtuigender en compromislozer
modern in hun opvattingen dan veel van hun tijdgenoten
in India of Japan. Zoals we in hoofdstuk 3 zullen zien, was
de Chinese 4 mei-beweging van de vroege 20ste eeuw veel
feller gekant tegen het confuciaanse verleden dan een figuur
als Ghandi het verleden van de Indiase samenleving afwees.
Maar tegelijkertijd heeft het streven naar moderniteit
iets ongrijpbaars. Moderniteit is geen vastomlijnd begrip en
ook de Chinese concepten ervan veranderen: de moderniteit
van de Beweging voor Zelfversterking, die in de late Qingdynastie pleitte voor de adoptie van westerse technologie,
is niet hetzelfde als de moderniteit van de radicalen die een
paar decennia later een ‘nieuwe cultuur’ afkondigden, of de
moderniteit van de nationalisten en communisten, voor wie
het primaire doel een stabiele, moderne identiteit voor de Chinese staat en het volk was. Zelfs nu is het antwoord op de vraag
wat een modern China is, of wil zijn, nog voortdurend aan
verandering onderhevig. Wel is China door zijn herontdekte
kracht tegenwoordig in een veel betere positie dan voorheen
om een eigen model van moderniteit te ontwikkelen, als variant op de bredere mondiale definitie van de term.
Met slechts een paar uitzonderingen waren alle partijen
die in de 20ste eeuw streden voor China’s toekomst modern.
Niet louter modern in de zin van recent, maar modern in hun
afwijzing of aanpassing van de confuciaanse normen van het
24 verleden en in hun aanvaarding van een nieuw stel normen.
Die normen waren wel van externe oorsprong, maar werden
zodanig aangepast dat de begrippen ‘China’ en ‘modern’ met
elkaar te verenigen waren en elkaar niet langer wederzijds
uitsloten. Hoewel ze hun eigen retoriek talloze malen geweld
aandeden, hebben Chinese leiders in de 20ste – en 21ste – eeuw
geprobeerd om een natiestaat te creëren met een gelijke, zelfbewuste bevolking. Dat is zonder meer een modern doel. In
de rest van dit boek zullen we bekijken in hoeverre ze daarin
zijn geslaagd.
25
Download