Het zwijgrecht van de rechtspersoon

advertisement
Het zwijgrecht van de
rechtspersoon
prof. mr. D.R. Doorenbos*
1. Inleiding
Op het terrein van het strafrecht wordt de rechtspersoon
sinds 1976 erkend als volwaardig rechtssubject, als een zelfstandig drager van rechten en plichten. Een rechtspersoon
kan in beginsel elk denkbaar strafbaar feit begaan en daarvoor worden vervolgd en bestraft. De rechtspersoon zal
dus ook als verdachte kunnen worden aangemerkt en zich
als zodanig moeten kunnen verweren tegen de ingebrachte beschuldigingen: niet alleen ter terechtzitting, maar ook
in de fase van het voorbereidend onderzoek. In dat kader is
het van belang te weten of en in hoeverre de rechtspersoon
een zwijgrecht heeft. Bij bevestigende beantwoording rijst
de vervolgvraag hoe de rechtspersoon een hem toekomend
zwijgrecht zou moeten effectueren.
Opmerkelijk genoeg, lijken deze vragen – bijna veertig
jaar na de volwaardige erkenning van de rechtspersoon in
het strafrecht – nog goeddeels open te staan. Zelfs de basale vraag of een verdachte rechtspersoon zich in de opsporingsfase in dezelfde mate op een zwijgrecht kan beroepen
als een natuurlijke persoon, blijkt in elk geval in de literatuur niet eenduidig te worden beantwoord.1 En over de wijze
waarop de vervolgvraag naar het effectueren van het zwijgrecht moet worden beantwoord, bestaat al helemaal geen
overeenstemming. Deze stand van zaken is weliswaar verklaarbaar2, maar toch zal de kwestie ooit – kan het zijn op
korte termijn – nader moeten worden opgehelderd. Dat is
niet alleen van belang met het oog op de rechtszekerheid
voor verdachte rechtspersonen en de daarbij betrokken natuurlijke personen, maar het is ook van belang voor de discussie over de medewerkingsplicht bij inlichtingenvorderingen op het terrein van het bestuurlijk handhavingsrecht.3
Zwijgen in een strafrechtelijk onderzoek leidt zelden tot
enig rechtsgevolg, maar zwijgen in een bestuurlijk onderzoek kan resulteren in zeer hoge boetes. Gezien de actuele
tendens dat toezichthouders steeds vaker verhoren (willen)
afnemen van werknemers of ex-werknemers van ondernemingen die worden verdacht van wetsovertredingen, zijn de
vragen rondom het bestaan en de reikwijdte van het zwijgrecht van de rechtspersoon zeer relevant.
2. Heeft de verdachte rechtspersoon wel
een zwijgrecht?
In het licht van de erkenning van de rechtspersoon als volwaardig rechtssubject in het strafrecht, is het logisch en redelijk dat een verdachte rechtspersoon zich kan beroepen
op het zwijgrecht, op dezelfde momenten als een verdachte natuurlijke persoon dat kan doen. De rechtspersoon kan
zijn zwijgrecht derhalve niet alleen inroepen ter terechtzitting, maar ook in de fase van het voorbereidend onderzoek.
Dat laatste is van groot belang, omdat strafrechtelijk bewijs vooral in die voorfase wordt verzameld. In veel gevallen doet de rechtspersoon er verstandig aan zijn zwijgrecht
Nr 5/6 december 2013
d-Doorenbos.indd 175
in stelling te brengen in het opsporingsonderzoek, terwijl het
vaak minder verstandig is het zwijgrecht (ook) ter zitting in
te roepen. Dat houdt verband met de achterstand in de informatiepositie in het voorbereidend onderzoek, die ter zitting
zal zijn opgeheven. Het praktisch belang van het zwijgrecht
voor de rechtspersoon ligt daarom bij uitstek in de voorfase
van het onderzoek.
Het hier gehanteerde uitgangspunt – de rechtspersoon heeft
een zwijgrecht, ook in de fase van het voorbereidend onderzoek – lijkt misschien vanzelfsprekend, maar is in de literatuur herhaaldelijk in twijfel getrokken. Die twijfel lijkt te
zijn ingegeven door vrees voor bewijsmoeilijkheden, door
de opvatting dat rechtspersonen zich naar hun aard niet (onverkort) op het zwijgrecht kunnen beroepen en door het ontbreken van een wettelijke voorziening voor de vraag wie
het zwijgrecht voor de rechtspersoon in stelling kan brengen.4 Zoals hierna zal blijken, meen ik dat geen van deze opgeworpen punten anno 2013 zwaarwichtig genoeg is om de
rechtspersoon een beroep op het zwijgrecht te kunnen ontzeggen, dan wel de reikwijdte daarvan te beperken ten opzichte van de natuurlijke persoon.
Laat ik vooropstellen dat de discussie in de literatuur over
de toepasselijkheid van het zwijgrecht voor de rechtspersoon in de fase van het voorbereidend onderzoek naar mijn
oordeel een achterhoedegevecht is. In de rechtspraak lijkt
zij namelijk reeds afdoende te zijn beslecht. De Hoge Raad
heeft reeds in 1993 zonder enig voorbehoud beslist dat de in
art. 6 EVRM neergelegde waarborgen niet alleen voor natuurlijke personen maar ook voor rechtspersonen hebben te
gelden.5 Daaruit volgt dat ook rechtspersonen zich dus kun-
*
1.
2.
3.
4.
5.
Daan Doorenbos is advocaat bij Stibbe te Amsterdam en
hoogleraar Ondernemingsstrafrecht aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.
Zie voor een beknopt overzicht C.P.M. Cleiren in Tekst &
Commentaar Strafvordering, 9e druk, Deventer 2011, art.
528 Sv, aant. 6c (Problemen bij toekenning zwijgrecht aan
rechtspersonen).
Zie hierna, onderdeel 9.
Vgl. in dit verband ook O.J D.M.L. Jansen, ‘Het zwijgrecht van ondernemingen in het Nederlandse boeterecht’,
TOS 2004, p. 67-77, op p. 75-76, waar hij bepleit dat in het
bestuurlijk boeterecht aansluiting moet worden gezocht bij
het strafprocesrecht, om vervolgens droogjes vast te stellen
dat het niet eenvoudig is het strafprocesrecht te vinden
waarbij aansluiting moet worden gezocht.
Zie m.n. R.A. Torringa, Strafbaarheid van rechtspersonen,
diss. Groningen, Arnhem 1984, p. 134-135; J. Wortel, De
onderneming in het strafrecht, Lelystad 1987, p. 95-96;
A.L.J. van Strien, De rechtspersoon in het strafproces, diss.
Leiden, Den Haag 1996, p. 186-190.
HR 1 juni 1993, NJ 1994, 52.
Tijdschrift voor SANCTIERECHT
& COMPLIANCE
175
08-12-13 11 34
Het zwijgrecht van de rechtspersoon
nen beroepen op het in art. 6 EVRM besloten liggende ‘right
to remain silent and not to contribute to incriminating himself’ als zijnde ‘generally recognised international standards
which lie at the heart of the notion of a fair procedure’ als
bedoeld in art. 6 EVRM.6 Mij zijn geen arresten bekend
waarin beperkingen worden aangebracht op deze waarborgen op grond van het feit dat de ‘criminally charged person’
een rechtspersoon is. Integendeel: in meer recente arresten
waarin rechtspersonen zich beriepen op het recht geen bewijs tegen zichzelf te hoeven leveren, toetste de Hoge Raad
zonder enig voorbehoud aan art. 6 EVRM.7 Uit niets blijkt
dat het feit dat de verdachte een rechtspersoon was, bij de
beoordeling enig gewicht in de schaal wierp. Dat lijkt mij
logisch en redelijk, omdat het ook slecht te rijmen zou zijn
met de centrale betekenis die het EHRM toekent aan het
zwijgrecht en het recht geen bewijs tegen zichzelf te hoeven
leveren. Indien het zwijgrecht voor de rechtspersoon zou
worden ingeperkt, zou de rechtspersoon een minder eerlijk
proces ten deel vallen dan de natuurlijke persoon, zo is de
implicatie van de zojuist aangehaalde EHRM-jurisprudentie. Als uitgangspunt zou dat toch bepaald moeilijk te verdedigen zijn.8
Waar het de toepassing van het EVRM op rechtspersonen
betreft, lijkt de tendens in de EHRM-jurisprudentie eerder
verruimend dan beperkend te zijn.9 Ook in dat licht bezien
lijkt de stelling dat een rechtspersoon zich niet, althans niet
in dezelfde mate als een natuurlijk persoon, op het zwijgrecht en het ‘nemo tenetur’-beginsel zou kunnen beroepen,
steeds minder goed houdbaar. Daarbij merk ik overigens op
dat een rechtspersoon zeer wel onder rechtens onaanvaardbare druk kan worden gezet, door onbehoorlijke machtsuitoefening van de zijde van de autoriteiten. Dat die druk en
machtsuitoefening in voorkomend geval allereerst de natuurlijke personen binnen de rechtspersoon zal treffen en
mogelijk pas via hen de rechtspersoon, doet daar niets aan
af. Zoals juridisch kan worden beredeneerd dat een rechtspersoon een moord pleegt, zo kan evenzeer worden beredeneerd dat de marteling of vernedering van functionarissen
van een rechtspersoon juridisch moet worden vertaald als
ontoelaatbare dwang jegens die rechtspersoon (zoals zij dan
wellicht ook is bedoeld).
De wet biedt verder geen aanknopingspunten om het zwijgrecht van de rechtspersoon ter discussie te stellen. In art. 51
Sr wordt zonder enige beperking vooropgesteld dat rechtspersonen strafbare feiten kunnen begaan, hetgeen impliceert dat rechtspersonen daarvan verdacht kunnen worden.
In de hoedanigheid van verdachte hebben zij vervolgens
aanspraak op alle rechten die het Wetboek van Strafvordering en het EVRM toekennen aan verdachten respectievelijk aan een ieder die ‘criminally charged’ is. Het zwijgrecht maakt daar deel van uit, waaraan het nationale recht
de cautieplicht verbindt.10 Zo luidt het positieve recht en op
die rechten heeft de wetgever geen enkele beperking aangebracht.11 Dat is overigens evenmin gebeurd bij gelegenheid van de introductie van de algemene bepaling inzake het
zwijgrecht op het terrein van het bestuursrecht.12 Ook daar
wordt het zwijgrecht zonder enig voorbehoud toegekend aan
degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Het zal dan gaan om
de vermeende overtreder, die evengoed een natuurlijke persoon als een rechtspersoon kan zijn.13 Voor het inlezen van
beperkingen op het zwijgrecht van de rechtspersoon, bieden
176
d-Doorenbos.indd 176
ook tekst en totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling
geen aanknopingspunten.
Wie de rechtspersoon het zwijgrecht in het voorbereidend
onderzoek wil ontzeggen of daarop beperkingen aangebracht wil zien, zal moeten erkennen dat die wens door de
wet niet wordt gesteund14, maar dan is kennelijk de opvatting dat de rechter dit wel zou kunnen en moeten doen. Zo
versta ik althans de opmerking in de losbladige commentaar op het Wetboek van Strafvordering waar wordt gesteld
‘dat men hooguit in twee gevallen het zwijgrecht aan de
rechtspersoon zou moeten toekennen’ en waarin ook overigens de suggestie wordt gewekt dat het toekennen van het
zwijgrecht aan de rechtspersoon in de opsporingsfase nog
een keuze zou zijn.15 Naar mijn mening is die keuze dus al
gemaakt – door de wetgever – en is het goed dat de rechter
hierop geen fundamentele beperkingen heeft aangebracht.
3. Is het zwijgrecht van de rechtspersoon beperkt?
In het feit dat de wetgever heeft nagelaten te regelen hoe een
rechtspersoon in het voorbereidend onderzoek zijn zwijgrecht zou kunnen inroepen, hebben sommige auteurs aanleiding gezien te stellen dat het zwijgrecht in die fase dan
ook niet zou kunnen worden uitgeoefend.16 Andere auteurs
hebben zich wat ruimhartiger getoond, door in de voor-
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
Tijdschrift voor SANCTIERECHT
Zie m.n. EHRM 17 december 1996 (Saunders tegen Verenigd Koninkrijk), NJ 1997, 699, m.nt. G. Knigge.
Zie o.a. HR 19 september 2006, NJ 2007, 39, m.nt. J.M.
Reijntjes; HR 21 december 2010, NJ 2011, 425, m.nt. J.M.
Reijntjes; HR 5 juli 2011, LJN BP6144.
Aldus ook reeds E. Myjer, Rechtspersoonlijk recht op een
behoorlijke strafprocedure?, in: M. van Kraaij en A. van
Veen (red.), Onderneming en Strafrecht, Nijmegen 1997, p.
21-32, op p. 25.
Zie bijvoorbeeld EHRM 16 april 2002 (Société Colas Est
e.a. tegen Frankrijk), NJ 2003, 452, m.nt. E.J. Dommering. Het Hof benadrukt hier ‘that the Convention is a
living instrument which must be interpreted in the light of
present-day conditions’ hetgeen resulteert in een ‘dynamic
interpretation’ volgens welke ook ondernemingen rechten
kunnen ontlenen aan art. 8 EVRM. (Voor art. 6 EVRM was
dat al eerder beslist).
Zie art. 29 lid 1 en 2 Sv: ‘De verdachte is niet tot antwoorden verplicht. Voor het verhoor wordt de verdachte
medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.’.
In dezelfde zin E. Myjer, a.w., p. 24, alsmede J.M. Reijntjes, Nederlandse Strafvordering, 11e druk, Deventer 2009,
p. 561.
Zie art. 5:10a lid 1 en 2 Awb: ‘Degene die wordt verhoord
met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende
sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor
wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht
is tot antwoorden.’
Zie art. 5:1 lid 2 en 3 Awb: ‘Onder overtreder wordt
verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke
personen en rechtspersonen.’
Zie A.L.J. van Strien, a.w., p. 187.
Zie Melai c.s., Het Wetboek van Strafvordering (losbl.),
Aant. 16.1 bij art. 528 Sv, Suppl. 161 (juni 2007).
Vgl. o.a. R.A. Torringa, a.w., p. 135; J. Wortel, a.w., p. 9595.
& COMPLIANCE
Nr 5/6 december 2013
08-12-13 11 34
Het zwijgrecht van de rechtspersoon
bereidende fase te willen aansluiten bij de regeling voor
de procesvertegenwoordiging van de rechtspersoon.17 De
rechtspersoon zou dan één vertegenwoordiger kunnen aanwijzen om namens hem desgewenst het zwijgrecht in te roepen.
Het eerstgenoemde betoog lijkt mij niet aanvaardbaar, alleen
al in het licht van de hiervóór aangehaalde rechtspraak. Het
zwijgrecht dat in art. 6 EVRM besloten ligt, zal net als de
andere fundamentele rechten die dit verdrag beoogt te waarborgen ‘practical and effective’ moeten zijn in plaats van
‘theoretical and illusory’. Wie stelt dat een verdachte rechtspersoon in de opsporingsfase zijn zwijgrecht niet kan inroepen om de enkele reden dat onze wet niet nader aanduidt
hoe dat moet, zegt eigenlijk dat het zwijgrecht van de rechtspersoon in Nederland – in de fase waar het er echt op aankomt – niets voorstelt en aanvaardt dat de verdachte rechtspersoon een minder eerlijk proces krijgt dan een verdachte
natuurlijke persoon. Dat kan niet de juiste uitkomst zijn.
In het als tweede genoemde betoog wordt constructiever nagedacht over de vraag hoe een rechtspersoon zijn zwijgrecht
zou kunnen effectueren in de opsporingsfase. De beperking
tot het aanwijzen van één vertegenwoordiger spreekt daarbij
echter niet aan. Indien al aansluiting wordt gezocht bij de regeling van art. 528 e.v. Sv, behoort de rechtspersoon te worden vrijgelaten in zijn keuze van een of meer vertegenwoordigers.18 Daarbij zou hij zijn keuze mogen uitbreiden tot een
ieder die hij ook als gemachtigde van zijn vertegenwoordiger zou kunnen laten optreden: dat is dan nog steeds in lijn
met de wettelijke regeling voor de procesvertegenwoordiging.19 Ervan uitgaand dat een rechtspersoon in beginsel
elke werknemer zou kunnen machtigen, zou de rechtspersoon dus ook in de opsporingsfase in beginsel elke werknemer het zwijgrecht kunnen laten inroepen.
Overigens is op dit laatste punt in de literatuur wel als ‘belangrijk nadeel’ gesignaleerd dat de rechtspersoon het aldus
in zijn macht heeft te voorkómen dat bepaalde bestuurders
als getuige zouden optreden, door deze als procesvertegenwoordiger aan te wijzen.20 De hoedanigheden van getuige en
procesvertegenwoordiger zijn namelijk niet verenigbaar, althans niet tijdens de behandeling van de zaak ter zitting.21
Zoals hierna zal blijken, zie ik op dit punt geen enkel probleem, omdat het in mijn visie juist volstrekt logisch en redelijk is te achten dat de rechtspersoon zeggenschap heeft
over diegenen die binnen zijn sfeer werkzaam zijn en ten behoeve van hem (voor zijn rekening) verklaren of zwijgen.
Maar wat daarvan ook zij, het is naar mijn mening in het geheel niet noodzakelijk om de regeling van de procesvertegenwoordiging model te laten staan voor de wijze waarop
de rechtspersoon zijn zwijgrecht in de opsporingsfase kan
effectueren. Indien de gedachte dat het zwijgrecht van de
rechtspersoon ook in deze voorfase ‘practical and effective’
moet zijn richtinggevend wordt geacht, komt het erop aan
dat het zwijgrecht in onverwachte en dynamische verhoorsituaties daadwerkelijk kan worden ingeroepen ten behoeYH YDQ GLH UHFKWVSHUVRRQ 0LQ RI PHHU ¿MQPD]LJH GLVFXVVLHV
over vertegenwoordigingsbevoegdheid dragen dan niet bij
aan een verwezenlijking van dit wezenlijke verdedigingsrecht op het moment dat het erom spant.
Nr 5/6 december 2013
d-Doorenbos.indd 177
4. Leidt een effectiever zwijgrecht tot
bewijsproblemen?
In het voetspoor van het onverminderd actuele betoog van
Hartmann en De Meijer uit 199622, stel ik mij op het standpunt dat het zwijgrecht van de rechtspersoon moet kunnen worden ingeroepen door een ieder die binnen zijn sfeer
valt. Dat sluit uitstekend aan bij de wijze waarop de rechtspersoon in het strafrecht wordt bejegend. In een evenwichtig systeem van strafrechtspleging, behoort een redelijke balans te bestaan tussen de mogelijkheden een rechtspersoon
strafrechtelijk aan te spreken (door middel van verdenking,
bewijsgaring, vervolging en berechting) en de mogelijkheden voor die rechtspersoon zich daartegen te verweren. Wie
het redelijk vindt dat de gedragingen en de wetenschap van
werknemers in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon – als waren het zijn eigen gedragingen en wetenschap – zou evenzeer redelijk moeten vinden dat die werknemers desgewenst ten behoeve van hun rechtspersoon hun
mond (mogen) houden. Er kan dan in het onderzoek worden
gezwegen ten behoeve van de rechtspersoon, zoals er in het
verleden kan zijn gehandeld of nagelaten ten behoeve van
de rechtspersoon.
Het effectueren van het zwijgrecht zal de rechtspersoon in
de praktijk ook dan overigens nog lang niet meevallen. Veel
werknemers kunnen de psychische druk van een (onverwachte) verhoorsituatie nu eenmaal niet goed aan. Het spreken zal hen vaak gemakkelijker afgaan dan het zwijgen, zeker indien hen wordt voorgehouden dat zij zelf geen doelwit
zijn en dat het louter gaat om waarheidsvinding.23 Daarnaast
is niet elke werknemer even loyaal aan zijn werkgever. Een
rechtspersoon kan er bij zijn werknemers wel op aandringen
dat zij zich op het zwijgrecht beroepen en dat zij het verder aan hem zullen overlaten te reageren op de vragen die
17. Zie o.a. J.A.W. Lensing, Het verhoor van de verdachte in
strafzaken, diss. Nijmegen, Arnhem 1988, p. 143; N. Jörg,
Strafbare rechtspersonen in Amerika, Arnhem 1990, p.
142; Melai c.s., Het Wetboek van Strafvordering (losbl.),
Aant. 15 bij art. 29 Sv, Suppl. 147 (april 2005).
18. Dit volgt al uit de wetsgeschiedenis. Vgl. reeds de MvA bij
art. 15 WED (de voorloper van art. 51 Sr en art. 528 e.v.
Sv), Kamerstukken II 1948/49, 603, nr 5, p. 16. Zie ook
HR 26 januari 1988, NJ 1988, 815, waaruit blijkt dat de
rechtspersoon zich in het strafproces kan laten vertegenwoordigen door meerdere personen.
19. Zie art. 528 lid 1 en 2 Sv, waarin wordt gesteld dat de
vertegenwoordiger (bestuurder, vennoot) bij gemachtigde
kan verschijnen.
20. Zie A.L.J. van Strien, a.w., p. 188-189, alsmede E. Myjer,
a.w., p. 30, die zelfs sprak van misbruik van procesrecht.
21. Zie o.a. Kamerstukken II 1975/76, 13 655, nr. 3, p. 25
en Kamerstukken I 1975/76, 13 655, nr 140b, p. 1-2. Zie
voorts HR 25 juni 1991, NJ 1992, 7: ‘In het Nederlandse
stelsel van strafvordering past niet ter terechtzitting als
getuige te horen degene die in dezelfde zaak als vertegenwoordiger van de verdachte optreedt.’
22. Zie A.R. Hartmann en M.E. de Meijer, De personele werkingssfeer van het zwijgrecht en de cautieverplichting bij
de verdachte rechtspersoon, NJB 1996, p. 1768-1773 (met
Naschrift in NJB 1997, p. 343-344).
23. Zie daarover in algemene zin G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 7e druk, bewerkt door M.J. Borgers,
Deventer 2011, p. 265-266.
Tijdschrift voor SANCTIERECHT
& COMPLIANCE
177
08-12-13 11 34
Het zwijgrecht van de rechtspersoon
bij de onderzoekers leven, maar dat valt uiteindelijk niet af
te dwingen. Anders dan een natuurlijke persoon, heeft een
rechtspersoon betrekkelijk weinig grip op zijn spraakvermogen. In beginsel is elk individu binnen zijn organisatie in
staat het zwijgrecht van de rechtspersoon effectief om zeep
te helpen.
Dat een volmondige erkenning van het zwijgrecht voor de
rechtspersoon in de opsporingsfase tot grote bewijsmoeilijkheden zou leiden, zoals wel is gesteld24, lijkt mij een ongegronde vrees. Niet alleen omdat de rechtspersoon zijn werknemers het spreken uiteindelijk niet onmogelijk kan maken
en per saldo afhankelijk is van hun loyaliteit en standvastigheid, maar ook omdat de vervolgende autoriteit in de regel een compleet arsenaal aan alternatieve onderzoeksbevoegdheden kan inzetten die de waarheidsvinding kunnen
dienen. Dat varieert van de toezichthoudende bevoegdheden
uit de Awb, tot de onderzoeksbevoegdheden uit de WED, tot
de algemene opsporingsbevoegdheden uit het Wetboek van
Strafvordering, al of niet aangevuld met bevoegdheden uit
de bijzondere wetten. De meeste rechtspersonen zijn extern
gericht, hebben zichtbare vestigingen en uitgebreide administraties, archiefruimtes en digitale gegevensopslag. Vaak
opereren zij op grond van een vergunning en moeten zij periodiek en incidenteel informatie verstrekken aan hun toezichthouders. Een anoniem bestaan is voor een rechtspersoon niet weggelegd en ondernemingsactiviteiten uitvoeren
zonder dat dit zichtbaar is en sporen achterlaat, praktisch
ondenkbaar. De angst voor bewijsmoeilijkheden indien de
rechtspersoon zijn zwijgrecht in de opsporingsfase effectief
kan uitoefenen, is daarom niet reëel te achten. Enig ongemak is misschien niet uit te sluiten, maar dat wordt gecompenseerd door de alternatieve mogelijkheden tot bewijsgaring in combinatie met de ruime mogelijkheden voor
aansprakelijkstelling van de rechtspersoon (zie hierna).
5. De werknemer als bron van bewijs
Indien een rechtspersoon wordt verdacht van een of meer
wetsovertredingen, zullen de opsporingsambtenaren in het
kader van hun onderzoek vrijwel altijd een of meer werknemers willen verhoren. Indien die werknemers ook zelf de
status van verdachte hebben, bijvoorbeeld omdat zij worden gezien als deelnemer of feitelijke leidinggever, kunnen
zij uiteraard hun eigen zwijgrecht in stelling brengen.25 Minder duidelijk wordt het indien zij als getuige worden aangemerkt. In de context van een strafrechtelijk onderzoek bestaat dan als regel nog steeds geen spreekplicht, omdat een
getuige niet gehouden is de vragen van een opsporingsambtenaar te beantwoorden. Bovendien zou hij onder omstandigheden nog een beroep zou kunnen doen op het ‘nemo
tenetur’-verschoningsrecht (art. 219 Sv). In de praktijk zijn
werknemers zich echter zelden bewust van hun rechtspositie. Indien een werknemer onaangekondigd wordt geconfronteerd met een of meer autoritair optredende opsporingsambtenaren, die hem zeker niet zullen wijzen op het feit dat
hij als getuige niet tot antwoorden verplicht is, zal de gemiddelde werknemer sterk de neiging hebben de gestelde vragen ‘gewoon’ te beantwoorden.26
Deze gang van zaken is in het verleden al vaker – terecht –
bekritiseerd.27 Het bewijs voor het daderschap en de schuld
(of opzet) van de rechtspersoon pleegt in belangrijke mate
te worden geleverd door aan te knopen bij het gedrag en de
wetenschap van zijn werknemers. Wanneer de werknemers
van de rechtspersoon in een positie worden gebracht waar178
d-Doorenbos.indd 178
in zij zich – niet bewust van hun zwijgrecht – genoopt voelen uit te spreken over hetgeen zij hebben gedaan, nagelaten en geweten, kunnen zij de rechtspersoon onbedoeld
ernstig schaden in zijn verdediging. Een doelmatige uitoefening van zijn verdedigingsrechten, waaronder het zo fundamentele zwijgrecht, zal illusoir zijn indien voorafgaand
aan de verklaring van (de formele vertegenwoordiger van)
de rechtspersoon zelf, diverse werknemers reeds zijn gebracht tot uitvoerige – al of niet betrouwbare – verklaringen. Het zwijgrecht van de rechtspersoon kan dan moeilijk
meer ‘practical and effective’ heten, maar zal eenvoudigweg
‘theoretical and illusory’ zijn. Gezien de opsporingspraktijk, is die laatste typering van het zwijgrecht van de rechtspersoon echter – helaas – op dit moment wel de meest toepasselijke.
Het is tijd dat dit verandert. Het is alleszins redelijk te achten dat opsporingsambtenaren die werknemers van een verdachte rechtspersoon willen horen als getuigen – en aldus bewijs willen vergaren tegen die rechtspersoon – deze
werknemers er vooraf op wijzen dat zij niet tot antwoorden verplicht zijn, omdat zij zich desgewenst op het zwijgrecht van de rechtspersoon kunnen beroepen. Verdedigbaar
is dat een redelijke wetsuitleg van art. 29 Sv met zich meebrengt dat de verdachte rechtspersoon wordt behoed tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling28,
welke ongewilde medewerking zou worden verleend door
zijn werknemers, voor wier gedragingen en verklaringen de
rechtspersoon verantwoordelijk is (zie hierna, onderdeel 6).
Overigens kan het betrekkelijk willekeurig zijn dat de werknemer de status van getuige krijgt, in plaats van die van verdachte. Zo werd de werknemer die feitelijk de brand had gesticht die leidde tot de uitslaande brand bij Chemiepack,
opmerkelijk genoeg zelf niet als verdachte aangemerkt,
maar door de strafrechtelijke autoriteiten juist als een soort
kroongetuige opgevoerd.29 Hier werd de werknemer dus evident als bewijsbron gebruikt. Een werkwijze waarop zeker
kritiek kan worden geleverd, maar die tegelijkertijd demonstreert hoe vertrouwd wij inmiddels zijn met de rechtspersoon als strafbare dader. Ofschoon de fysieke pleger hier vol
in beeld was, werd deze ongemoeid gelaten ten faveure van
de aanpak van de rechtspersoon en zijn leidinggevenden.
6. De werknemer als ‘verlengstuk’ van
de rechtspersoon
Vaste rechtspraak is inmiddels dat het daderschap van de
rechtspersoon kan worden gegrond op de vaststelling dat
sprake is geweest van een handelen of nalaten van iemand
die (hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde) werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon. Die enkele vaststelling kan reeds voldoende zijn voor
24. Zie in dat verband vooral R.A. Torringa, a.w., p. 135.
25. Zie S.M. Peek en J.H. Tonino, Het zwijgrecht bij ondervraging van de onderneming, V&O 2010, p. 149-152, op p.
151.
26. In dezelfde zin B.G.H. de Ruyter in NJB 2008, p. 622-630.
27. Zie H. de Doelder, ‘De onderneming en de strafvordering’,
Dossier 1992, p. 22-31, op p. 24, alsmede A.R. Hartmann
en M.E. de Meijer, a.w., p. 1772, die spreken van een
ongerijmde situatie.
28. Vgl. reeds HR 13 oktober 1981, NJ 1982, 17.
29. Zie Rb. Breda 21 december 2012, LJN BY7000.
Tijdschrift voor SANCTIERECHT
& COMPLIANCE
Nr 5/6 december 2013
08-12-13 11 34
Het zwijgrecht van de rechtspersoon
een bewezenverklaring.30 Daarnaast is van belang om vast
te stellen of de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden – hetgeen
bij gedragingen van werknemers vrijwel altijd het geval zal
zijn – en of zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon werd aanvaard
of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is
mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het
oog op de voorkoming van de gedraging.31
Aan deze criteria ligt onmiskenbaar de gedachte ten grondslag dat het in beginsel redelijk is om gedragingen van
werknemers toe te rekenen aan de rechtspersoon, alsook de
gedachte dat de rechtspersoon het in zijn macht heeft te bepalen hoe zijn werknemers zich gedragen en ook moet zorgen dat dit gedrag binnen de grenzen van de wet blijft. In
zijn bedrijfsuitoefening wordt de rechtspersoon aldus geacht
het gedrag van zijn werknemers te kunnen sturen in de door
hem gewenste richting.
Moet de rechtspersoon dan niet evenzeer in de gelegenheid worden gesteld het gedrag van zijn werknemers te kunnen sturen waar het gaat om de uitoefening van zijn verdedigingsrechten? Moet de rechtspersoon hier niet evenzeer de
verantwoordelijkheid over het gedrag van zijn werknemers
worden gegeven? Ik zou menen van wel. Wie de rechtspersoon ten volle aanspreekt op het gedrag van zijn werknemers, omdat ervan wordt uitgegaan dat hij daar zeggenschap
over heeft, moet de rechtspersoon ook het recht gunnen die
werknemers desgewenst hun mond te laten houden (ook een
gedraging).
7. Waarom mag de rechtspersoon
zwijgen?
De rechtspersoon kan goede redenen hebben om zijn werknemers in de opsporingsfase geen verklaring te willen laWHQ DÀHJJHQ =R NDQ KLM PHQHQ GDW GH ZHUNQHPHUV GLH GH
opsporingsambtenaren willen horen, niet de juiste personen zijn, bijvoorbeeld omdat zij onvoldoende kennis van zaken hebben. Ook kan hij menen dat het uit een oogpunt van
zorgvuldigheid ongewenst is om werknemers over complexe bedrijfsprocessen te laten verklaren zolang niet voldoende duidelijk is waar het onderzoek zich precies op richt.
Zoals eerder gesignaleerd, kan het voor een verdachte verstandig zijn om niet te verklaren zolang hij niet precies weet
waar de verdenking vandaan komt respectievelijk waar deze
op gebaseerd is. Dat voorkomt misverstanden, uiterlijke tegenstrijdigheden in verklaringen of oppervlakkige c.q. onzorgvuldige uitlatingen waarvan het gevaar bestaat dat die
later negatief worden uitgelegd. Dit alles maakt begrijpelijk waarom een rechtspersoon het in voorkomend geval niet
wenselijk zal achten dat zijn werknemers als het ware ‘voor
hun beurt’ en ‘door elkaar’ zouden spreken en zijn verdediging daarmee negatief zouden beïnvloeden. Waarom zouden
wij de rechtspersoon dan niet het recht willen toekennen zijn
werknemers te laten zwijgen?
Natuurlijk kan het simpelweg ook zo zijn dat de rechtspersoon niet wenst dat zijn eigen werknemers bewijs tegen hem
leveren, omdat hij niet wil dat de ongemakkelijke waarheid
boven tafel komt. Is dat een minder goede reden om rechtens te mogen zwijgen? Indien de verdachte een natuurlijke
persoon is, bestaat traditioneel het volste begrip voor het ervaringsgegeven dat deze zichzelf niet wil belasten en wordt
in het algemeen ook aanvaard dat het zijn goed recht is te
Nr 5/6 december 2013
d-Doorenbos.indd 179
(willen) voorkómen dat de waarheid aan het licht komt, door
zijn zwijgrecht in te roepen. Een rechtspersoon kan hetzelfde willen. Hij kan echter niet zwijgen: dat zullen de natuurlijke personen voor hem moeten doen, die anders – door te
spreken – zijn daderschap in het licht zouden stellen. Waarom zouden we deze opstelling nu anders moeten waarderen?
Waarom zouden wij in relatie tot de rechtspersoon andere normen aanleggen? Waarom zou de verdachte rechtspersoon zijn werknemers en daarmee zijn verdedigingspositie
wel moeten blootstellen en uitleveren aan de strafrechtelijke autoriteiten?
Ik zie geen grond een verdachte rechtspersoon hier anders
te bejegenen dan een verdachte natuurlijke persoon. Wie
de rechtspersoon als volwaardig rechtssubject in het strafrecht erkent, zal die lijn moeten doortrekken naar de verdedigingsrechten. Gegeven de relatief ruime mogelijkheden voor het vestigen van strafrechtelijke aansprakelijkheid
voor rechtspersonen – vooral sinds het zogenoemde Drijfmest-arrest – behoort niet te worden beknibbeld op de verdedigingsrechten. In een evenwichtig stelsel van rechtshandhaving, moet niet alleen aandacht worden besteed aan
instrumentaliteit, maar ook aan rechtsbescherming.
Het is een feit dat de wetgever ook op het vlak van het strafprocesrecht weinig energie heeft gestoken in het denken
RYHU VSHFL¿HNH YRRU]LHQLQJHQ YRRU GH UHFKWVSHUVRRQ ]RDOV
dat ook op het vlak van het materiële strafrecht het geval is
geweest.32 Waar het gaat om de vaststelling van daderschap
en opzet van de rechtspersoon – de instrumentele invalshoek
– heeft de rechter zich door het gebrek aan wettelijke voorzieningen echter niet laten weerhouden een werkbaar denkschema op te stellen.33 Er is geen reden om aan te nemen dat
de rechter dat niet evenzeer zou kunnen bereiken waar het
gaat om de processuele rechtswaarborgen van de verdachte
rechtspersoon.34 Het is hoog tijd voor een voltooiing van het
emancipatieproces van de rechtspersoon op het terrein van
het straf- en strafprocesrecht.35
30. Zie het denkschema zoals aangereikt in het zogenoemde
Drijfmest-arrest: HR 21 oktober 2003, NJ 2006, 328, m.nt.
P.A.M. Mevis. Zie meer recent ook HR 22 juni 2010, NJ
2010, 476, m.nt. N. Keijzer; HR 22 februari 2011, NJ
2011, 124, m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 januari 2012, LJN
BU5349.
31. Zie de vorige voetnoot.
32. Zie daarover J. de Hullu, Materieel strafrecht, 5e druk,
Deventer 2012, p. 116-117.
33. Zie hiervóór, voetnoot 30.
34. Vgl. in dat verband recent nog HR 12 juli 2013, LJN
BZ3640, waar eerst wordt vastgesteld dat de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn
UHFKW RP QLHW PHH WH ZHUNHQ DDQ ]HO¿QFULPLQDWLH HIIHFWLHI
kan uitoefenen en vervolgens wordt overwogen: ‘Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt,
dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien.’
35. Vgl. de overweging (r.o. 41) van het EHRM in de zaak van
Société Colas Est (zie noot 9), waarin – na de karakterisering van het EVRM als ‘a living instrument which must be
interpreted in the light of present-day conditions’ – werd
overwogen: ‘(…) the Court considers that the time has
come to hold that in certain circumstances the rights guaranteed by Article 8 of the Convention may be construed
as including the right to respect for a company’s registered
RI¿FH EUDQFKHV RU RWKHU EXVLQHVV SUHPLVHV «¶
Tijdschrift voor SANCTIERECHT
& COMPLIANCE
179
08-12-13 11 34
Het zwijgrecht van de rechtspersoon
8. De positie van de werknemer nader
bezien
Als gezegd, meen ik dat werknemers zich – ten behoeve van
de verdachte rechtspersoon – moeten kunnen beroepen op
het zwijgrecht van hun werkgever, vanuit de gedachte dat
hun verklaringen inhoudelijk zouden (kunnen) worden toegerekend aan de rechtspersoon. Verder weegt mee dat het
zwijgrecht van de rechtspersoon ‘theoretical and illusory’
wordt indien we (blijven) accepteren dat opsporingsambtenaren eerst alle in aanmerking komende werknemers horen
als getuigen en daarna pas (formeel) de verdachte rechtspersoon.
Het gaat er dus niet om dat de werknemer – gehoord als getuige in de zaak tegen zijn werkgever – een zelfstandig
zwijgrecht heeft, maar wel dat hij zich desgewenst moet
kunnen beroepen op het zwijgrecht dat zijn werkgever toekomt. Wil dat zwijgrecht van die werkgever, de verdachte
rechtspersoon, praktisch iets kunnen voorstellen, dan moet
deze mogelijkheid bestaan. En omdat niet reëel is te veronderstellen dat de gemiddelde werknemer zich van die mogelijkheid bewust is, behoort hij daar voorafgaand aan zijn
verhoor op te worden geattendeerd. Daar kan toch weinig op
tegen zijn, nu de werknemer rechtens ook als getuige al mag
zwijgen. Het enige dat verandert is een verduidelijking van
zijn bijzondere positie en een betere voorlichting van werknemers die zich niet bewust zijn van hun rechten.
Men kan hier spreken van een afgeleid zwijgrecht.36 Degene die zelf geen zwijgrecht heeft, wordt rechtens in staat gesteld zich te beroepen op het zwijgrecht van een ander, vanwege de bijzondere verhouding tussen hen beiden.
De werknemer is niet zomaar een getuige, is geen willekeurige voorbijganger die toevalligerwijze iets heeft waargenomen dat zou kunnen wijzen op een wetsovertreding. De
werknemer maakt deel uit van het organisatorisch samenwerkingsverband dat in de maatschappij als een zelfstandige
eenheid optreedt: de onderneming, die vrijwel altijd wordt
gedreven in de vorm van een rechtspersoon.37 Omdat de
werknemer daarvan deel uitmaakt, komen zijn gedragingen
en verklaringen in beginsel voor rekening van die onderneming. Dat is een redelijk uitgangspunt. Maar omgekeerd is
dan evenzo redelijk dat die werknemer voor rekening van de
onderneming mag zwijgen, dat hij mag verkiezen in de externe verhouding ten opzichte van strafrechtelijke autoriteiten geen inzage te geven in het gedrag en de geestesgesteldheid van de onderneming.
'LW LV YHUJHOLMNEDDU PHW GH ¿JXXU YDQ KHW DIJHOHLGH YHUVFKRningsrecht, waarmee wordt gedoeld op de mogelijkheid dat
personen die werkzaam zijn ten behoeve van een verschoningsgerechtigde (zoals de secretaresse of de assistent) zich
kunnen beroepen op het verschoningsrecht dat niet aan henzelf, maar wel aan hun werkgever of opdrachtgever toekomt. De erkenning van dit afgeleide verschoningsrecht is
logisch en terecht: indien de professionele geheimhouder
zelf mag zwijgen, maar zijn personeelsleden ‘gewoon’ zouden moeten getuigen, blijft er van beroepsgeheim en verschoningsrecht weinig over. Datzelfde geldt dus voor het
zwijgrecht van de rechtspersoon: ook daar blijft weinig van
over indien de werknemers een beroep op het afgeleide
zwijgrecht zou worden ontzegd.
Hiervóór werd de problematiek rondom het zwijgrecht vooral bezien vanuit het perspectief van de verdachte rechtspersoon. Ook vanuit het perspectief van de werknemer zijn er
180
d-Doorenbos.indd 180
echter goede gronden voor de stelling dat hij in de strafzaak
tegen zijn werkgever een andere positie inneemt dan een gewone getuige. De werknemer wordt immers voor een moreel
dilemma geplaatst, doordat hem wordt verzocht of zelfs bevolen mee te werken aan bewijslevering tegen zijn werkgever. Daar moet niet te licht over worden gedacht. Het maatschappelijk belang van de arbeidsrelatie is groot. De positie
op het werk en de verhouding met de werkgever vormt voor
velen een zeer wezenlijk onderdeel van hun persoonlijk leven. Omdat het grootste deel van de werknemers hun werkzaamheden verrichten voor rechtspersonen – in de ruime,
strafrechtelijke zin van het woord – kunnen zij een ernstig
OR\DOLWHLWVFRQÀLFW HUYDUHQ ZDQQHHU ]LM ZRUGHQ JHGZRQJHQ WH
verklaren over vermeende verboden gedragingen en verwijtbare wetenschap van ‘hun’ rechtspersoon/werkgever.
Als het gaat om het gezinsverband en familierelaties heeft
de wetgever met zulke dilemma’s rekening gehouden. Een
vrij ruime categorie personen hoeft niet te antwoorden op
vragen die betrekking hebben op een verdacht familielid.
Ouders en kinderen, broers en zussen, grootouders en kleinkinderen, ooms en tantes, echtgenoten en partners, ja zelfs
de ex-echtgenoten en ex-partners: zij kunnen zich allemaal
verschonen van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen, ook indien zij tegenover de
rechter staan.38 Het morele dilemma waarvoor een familieOLG RI H[HFKWJHQRRW ZRUGW JHVWHOG LV HFKWHU QLHW SHU GH¿QLtie zwaarder of groter dan het morele dilemma van de werknemer die wordt geroepen te verklaren over zijn werkgever.
De impact die de verklaring kan hebben op de onderlinge
relatie en het dagelijks functioneren in het samenwerkingsverband kan van gelijke orde zijn, terwijl de loyaliteit tussen werknemer en werkgever in voorkomend geval niet zal
onderdoen voor de veronderstelde loyaliteit tussen familieleden.
Natuurlijk zou de wetgever op dit punt kunnen voorzien in
een verschoningsrecht voor de werknemer van een verdachte rechtspersoon. In theorie kan de wetgever immers alles
beter regelen. Maar praktisch gesproken zie ik toch eerder
een rol weggelegd voor de rechter, die ook zonder wetswijziging de rechtsbescherming van de rechtspersoon vooruit
kan helpen39, door waar mogelijk te erkennen dat de werknemer in voorkomend geval het zwijgrecht van de rechtspersoon kan inroepen.
9. Bestuurlijk handhavingsonderzoek
In het kader van strafrechtelijke onderzoeken kunnen werknemers rechtens niet gedwongen worden te verklaren, althans niet zolang zij door opsporingsambtenaren worden ondervraagd. Dat zij desondanks zelden blijven zwijgen, is een
gegeven dat kan worden verklaard uit onbekendheid met
hun rechtspositie, uit de gedachte ‘ik moet meewerken / ik
heb toch niets te verbergen’ en in voorkomend geval uit een
gebrek aan loyaliteit jegens de werkgever (zie hiervóór, on-
36. Zo ook reeds A.R. Hartmann en M.E. de Meijer, a.w., p.
1770.
37. Het strafrechtelijk begrip rechtspersoon omvat meer ondernemingsvormen dan het civielrechtelijke begrip; zie art. 51
lid 3 Sr.
38. Zie art. 217 Sv.
39. Vgl. het eerder (in voetnoot 34) aangehaalde arrest van HR
12 juli 2013, LJN BZ3640.
Tijdschrift voor SANCTIERECHT
& COMPLIANCE
Nr 5/6 december 2013
08-12-13 11 34
Het zwijgrecht van de rechtspersoon
derdeel 4). De verdachte rechtspersoon zal zelden kunnen
wijzen op afgedwongen verklaringen en zal de schade aan
zijn verdedigingspositie veelal gelaten aanvaarden, mogelijk
ook vanuit de gedachte dat de huidige stand van het recht
vooralsnog weinig perspectief biedt op compensatie. Feit is
in elk geval dat rechtspersonen in strafzaken nog niet vaak
een beroep doen op schending van hun zwijgrecht door de
wijze waarop in de opsporingsfase met hun werknemers is
omgegaan.
De situatie is anders op het terrein van het bestuurlijk handhavingsonderzoek, waar toezichthouders veelal de boodschap uitdragen dat actief moet worden meegewerkt aan
hun verhoren, op straffe van zeer hoge bestuurlijke boetes.
Op dit terrein is reeds de nodige juridische strijd gevoerd,
vooral in de context van de onderzoeken van de NMa, thans
ACM geheten. De bestuursrechter heeft het zwijgrecht van
de onderneming zoals neergelegd in de Mededingingswet
betrekkelijk ruim uitgelegd, vermoedelijk vooral omdat de
wettekst daar ook aanleiding toe geeft. In art. 53 Mw wordt
namelijk gezegd dat er ‘aan de zijde van’ een verdachte onderneming geen verplichting bestaat ter zake van de vermeende overtreding een verklaring af te leggen. Daaruit is
afgeleid dat, indien de onderneming wordt gehoord, in beginsel aan een ieder die tot die onderneming behoort en via
wie de onderneming wordt gehoord het zwijgrecht toekomt.
Dat zwijgrecht kon daarmee dus niet alleen worden ingeroepen door de civielrechtelijke vertegenwoordiger(s) van de
onderneming, maar – tot op zekere hoogte – ook door gewone werknemers40 en ex-werknemers.41
De vraag is echter of de bestuursrechter tot eenzelfde oordeel komt indien de aangehaalde woorden in de wet niet
voorkomen. Die vraag is relevant, omdat in handhavingsonderzoeken buiten het terrein van de Mededingingswet een
beroep zal moeten worden gedaan op het algemene zwijgrecht zoals verwoord in art. 5:10a Awb. En daarin komen
de aangehaalde woorden niet voor. Volgens de Awb-bepaling wordt het zwijgrecht toegekend aan degene die wordt
verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Indien degene die moet worden verhoord
en die het sanctie-risico loopt een onderneming is, laat deze
algemene bepaling in het midden wat de positie is van de
werknemer die zelf niet wordt verdacht en dus zelf geen
sanctie-risico loopt. Kan het zwijgrecht van de onderneming
zich nu ook zonder nadere bepaling uitstrekken tot de werknemers aan haar zijde? Of zou daarvoor toch een nadere
voorziening nodig zijn?
De regering meent kennelijk dat dit laatste het geval is. In
de memorie van toelichting bij een recent wetsvoorstel tot
aanpassing van de Mededingingswet laat zij ruimhartig weten de ‘aanvulling’ op het zwijgrecht die volgens haar besloten lag in de woorden ‘aan de zijde van’ (zoals uitgelegd
in de rechtspraak) te willen handhaven.42 Daartoe wil zij in
een nieuw art. 12i Mw bepalen dat indien een onderneming
wordt verhoord met het oog op het aan haar opleggen van
een bestraffende sanctie, ook degene die voor haar werkzaam is – i.e. elke werknemer – niet verplicht is een verklaring af te leggen omtrent de vermeende overtreding. Zo zou
de inmiddels gevormde jurisprudentie rondom art. 53 Mw
en de woorden ‘aan de zijde van’ haar waarde behouden.43
Voor ondernemingen die worden geconfronteerd met ACMonderzoeken zijn dit geruststellende mededelingen, maar
ondernemingen die het moeten hebben van art. 5:10a Awb
zullen hierin een gevaarlijke a contrario-redenering beluisNr 5/6 december 2013
d-Doorenbos.indd 181
teren. Waar de wetgever niet voorziet in aanvullende tekst,
zouden werknemers kennelijk wèl gedwongen kunnen worden te verklaren tegen hun werkgever.
Zoals uit het voorgaande volgt, zou dat naar mijn oordeel
een onjuiste uitleg zijn. Wil het zwijgrecht van de rechtspersoon ‘practical and effective’ zijn, dan behoort de rechter de
werknemer de mogelijkheid te laten dat zwijgrecht ten behoeve van zijn werkgever in te roepen. Een dergelijke uitleg doet recht aan ‘the right to remain silent and not to contribute to incriminating himself’ zoals gewaarborgd door art.
6 EVRM. De tekst van art. 5:10a Awb verzet zich daar ook
niet tegen. Het ontbreken van een toevoeging zoals voorzien
in de Mededingingswet, hoeft geen bezwaar te zijn.44
10. Slotsom
De rechtspersoon wordt in het strafrecht gezien als een volwaardig rechtssubject. Daarbij hoort een volwaardige procespositie en een onverkorte erkenning van verdedigingsrechten, ook in de fase van het voorbereidend onderzoek.
Waar het gaat om de uitoefening van het zwijgrecht, valt
hier nog heel wat te winnen. Wil het zwijgrecht van een verdachte rechtspersoon werkelijk ‘practical and effective’ zijn,
dan behoren de werknemers van de rechtspersoon in de gelegenheid te worden gesteld zich op dat zwijgrecht te beroepen. Die werknemers behoren dan niet te worden bejegend
alsof zij gewone getuigen zijn die ‘los’ staan van hun rechtspersoon. Zij behoren te worden bejegend als onderdeel van
die rechtspersoon, als het verlengstuk daarvan, zoals die
rechtspersoon ook wordt afgerekend op hun gedragingen en
wetenschap.
40. Zie m.n. Rb. Rotterdam 7 augustus 2003 (inzake Texaco
Nederland BV), AB 2004, 92, m.nt. O.J.D.M.L. Jansen,
alsmede Rb. Rotterdam 11 juli 2006 (inzake Heijmans
Beton- en Waterbouw BV), AB 2007, 35, m.nt. O.J.D.M.L.
Jansen.
41. Zie CBb 21 december 2012, AB 2013, 49, m.nt. R. Stijnen.
42. Zie Kamerstukken II 2012/2013, 33 622, nr 3, p. 10 en 52.
43. Met uitzondering evenwel van de hiervóór aangehaalde
CBb-jurisprudentie inzake het zwijgrecht van de exwerknemer, die de regering met haar wetsvoorstel stilletjes
probeert te ‘overrulen’. Hopelijk zal het parlement dat
echter tegenhouden. Zie daarover nader D.R. Doorenbos in
NJB 2013, p. 1574-1575.
44. In dezelfde zin: O.J.D.M.L. Jansen in zijn annotatie bij de
Texaco-zaak (AB 2004, 92).
Tijdschrift voor SANCTIERECHT
& COMPLIANCE
181
08-12-13 11 34
Download