Les 1: Psychiatrische verschijnselen

advertisement
Psychiatrische verschijnselen
Studiehandleiding
Docenten
Opleiding Maatschappelijke zorg
BBL
Niveau: 3
Rosanne Moerman
1
Inhoudsopgave
Inleiding: .................................................................................................................................................. 3
Tijdsbesteding: .................................................................................................................................... 3
Curriculum: .......................................................................................................................................... 3
Doelstellingen: ..................................................................................................................................... 3
Lesplanning.............................................................................................................................................. 4
Les 1: Psychiatrische verschijnselen ........................................................................................................ 6
PowerPoint: ..................................................................................................................................... 8
Les 2: Functionele psychopathologie .................................................................................................... 10
PowerPoint: ................................................................................................................................... 12
Les 3: Stemmingsstoornissen ................................................................................................................ 13
Verwerkingsvragen 13.4 Functionele psychopathologie .............................................................. 15
Verwerkingsvragen 14.2 Stemmingsstoornissen .......................................................................... 16
Antwoorden: 13.4 Functionele psychopathologie ........................................................................ 18
Antwoorden: 14.2 Stemmingsstoornissen .................................................................................... 19
Les 4: Psychotische stoornissen ............................................................................................................ 20
Casuïstiek:...................................................................................................................................... 22
PowerPoint: ................................................................................................................................... 23
Les 5: Persoonlijkheidsstoornissen........................................................................................................ 25
Casuïstiek:...................................................................................................................................... 26
Antwoorden casuïstiek: ................................................................................................................. 27
Powerpoint: ................................................................................................................................... 28
Les 6: Persoonlijkheidsstoornissen........................................................................................................ 29
Powerpoint: ................................................................................................................................... 31
Les 7: Somatoforme stoornissen ........................................................................................................... 32
Casuïstiek:...................................................................................................................................... 34
Powerpoint: ................................................................................................................................... 36
Les 8: Ethische vraagstukken ................................................................................................................. 38
Powerpoint: ................................................................................................................................... 41
Les 9: Borderline .................................................................................................................................... 42
Powerpoint: ................................................................................................................................... 44
Open boek vragen ter voorbereiding op de MZ toets................................................................... 45
Antwoorden: Open boek vragen ter voorbereiding op de MZ toets. ........................................... 47
2
Inleiding:
In dit blok maak je kennis met psychiatrische verschijnselen die je tegen kunt
komen in je huidige of toekomstige werk als begeleider in de zorg.
Er wordt aandacht besteed aan verscheidende psychische problematieke, stoornissen en of
aandoeningenzodat je zicht krijgt op het onderscheid en de samenhang ervan.
We besteden aandacht aan het werken vanuit een visie omdat dit medebepalend is
voor hoe je kijkt en handelt in je werk en in de organisatie waar je werkt.
Door veel te oefenen met casuïstiek leer je in te schatten hoe je iemand het beste kan begeleiden. Je
zet hierbij de functionele psychopathologie en leert deze te onderbouwen.
Tijdsbesteding:
De lessenserie bevat 8 weken lesmateriaal.
1x per week is er twee lesuren geroosterd. Dit staat vast gesteld in het curriculum.
Curriculum:
Periode 3. Hoofdstuk 13 en 14, Angerenstein SAW3, maatschappelijke zorg.
Doelstellingen:
De student:
 Kan de verschillende visies op psychiatrische aandoeningen en afwijkingen benoemen.
 Kan zijn eigen functioneren reflecteren en benoemen wat in balans is en wat uit balans is.
 Weet de stappen van de functionele psychopathologie te benoemen
 Kan de functionele psychopathologie inzetten bij een cliënt.
 Weet wat stemmingsstoornissen zijn.
 Herkent stemmingsstoornissen.
 Weet wat schizofrenie is en kan de symptomen benoemen.
 Herkent verschijnselen van een persoonlijkheidsstoornis.
 Weet hoe je kunt omgaan met een persoonlijkheidsstoornis.
 Weet wat somatoforme stoornissen zijn en kan dit uitleggen aan een ander.
Toetsing:
Zoals in het curriculum wordt beschreven en is vastgelegd is er geen eindtoets over psychiatrische
verschijnselen. Wel is er een eindtoets van maatschappelijke zorg waar deze thema's in terug komen.
Dit is een open boek toets waarin alle thema's terug komen van afgelopen jaren.
3
Lesplanning
Les
1
Onderwerp
Introductie psychiatrische verschijnselen
13.2 Visies op psychische aandoeningen en
afwijkend gedrag
 biologisch model
 psychologisch model
 het biopsychosociale model
13.3 in balans uit balans
2
Herhaling biologisch, psychologisch en
biopsychologisch model
13.4 Functionele psychopathologie.

13.4 Functionele psychopathologie
14.2 Stemmingsstoornis

3
Lesactiviteiten
 Kennismaking
 Wat weet je al van psychiatrische
verschijnselen.
 Uitleg over hoe de les dit blok er uit
gaat zien.
 Theorie.
 Opdracht: In balans uit balans.


4
14.2 Herhaling stemmingsstoornissen
14.3 Psychotische stoornis


Wat betekend functionele
psychopathologie?
Oefenen in groepjes met de
functionele psychopathologie.
Hoe pas je de functionele
psychopathologie nou toe en weet je
wel alles over de functionele
psychopathologie?
Wat zijn stemmingstoornissen? Hoe ga
je hier mee om?
Kijkje in het leven van iemand met
schizofrenie
Casuïstiek over een psychotische
stoornis
5
14.4 Persoonlijkheidsstoornissen

In groepjes ga je aan de slag om een
onderwerp uit te werken en te
presenteren. Van de docent krijg je te
horen welke stoornis je gaat uitwerken.
Hierin zoek je beeldmateriaal wat van
toegevoegde waarde is.
6
14.4 Persoonlijkheidsstoornissen

7
14.5 somatoforme stoornissen

8
14.6 Ethische vraagstukken


Expert worden in
persoonlijkheidsstoornissen. Je weet
wat voor toetsvragen je kunt
verwachten en bent expert in
antwoorden beoordelen van een
ander. Waarom is het antwoord goed?
kun je het onderbouwen?
Nieuwe theorie ondersteunt met
beeldmateriaal.
Aan de slag met casuïstiek
Casuïstiek. Ken je het schrijnende
verhaal nog van Brandon nog? Deze
jongen zat al meerdere jaren vast
gebonden aan een muur omdat hij te
gevaarlijk was.
Brainstormen over mogelijkheden,
functionele psychopathologie
toepassen op vergelijkbare casus.

4
9
Borderline
Afsluiten en evalueren


Wat is borderline? Hoe uit dit zich?
Documentaire kijken.
Oefentoets Maatschappelijke zorg.
Vragen uit het gehele boek.
5
Les 1: Psychiatrische verschijnselen
LESDOELEN
 De studenten hebben duidelijk wat er de komende les gaat gebeuren zodat er geen ruis
ontstaat.
 De studenten spreken hun verwachtingen uit over dit vak en deze worden bevestigd of
bijgesteld om scheve verwachtingen te voorkomen.
 De student kan de verschillende visies op psychiatrische aandoeningen en afwijkingen
benoemen.
 De student kan zijn eigen functioneren reflecteren en benoemen wat in balans is en wat uit
balans is.
START VAN DE LES:
(10 min)Begin – PPP




Studenten verwelkomen
Kennismaken
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen (a.d.h.v. de PowerPoint)
(15 min)Verwachtingen inventariseren
Doel:
 De studenten spreken hun verwachtingen uit over dit vak en deze worden bevestigd of
bijgesteld om scheve verwachtingen te voorkomen.
 Beginsituatie helder krijgen.
Werkwijze:
Op een papiertje schrijf je het volgende:
1. naam + werkplek
2. Wat zijn je verwachtingen?
3. Wat wil je leren/weten?
4. In hoeverre heb je te maken met psychiatrische verschijnselen?
Korte even nabespreken wat de verwachtingen zijn en hierin duidelijkheid geven.
Benodigdheden:
Papiertjes of een blad uit hun eigen schrift.
Opmerking:
Kijk of de verwachtingen overeenkomen met de les inhoud. Zo niet? Kijk of je aan de verwachtingen
kunt doen en of deze reeel zijn en anders bijstellen.
KERN VAN DE LES:
(30 min) theorie:
Doel:
Aan het einde van de les weet de student de hoofdstromingen in psychische aandoeningen te
benoemen.
Aan het einde van de les weet de student wat voor visies er zijn over psychiatrische aandoeningen.
6
Werkwijze:
Aan de hand van de bijgevoegde powerpoint de theorie vertellen. De Powerpoint is gebasseerd op
thema 13.1 t/m 13.3 uit het boek Angerenstein, SAW 3, Maatschappelijke zorg.
In de PowerPoint vind u vragen, onderwerpen en schema’s om de theorie kracht bij te zetten.
Benodigdheden:
Beamer/smartboard.
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
Opmerking:
Extra uitleg neurotransmitters in Jip en Janneke taal:
Een neurotransmitter:
een zenuwcel heeft als taak het ontvangen, verwerven en doorgeven van informatie.
De zenuwcel moet deze impuls doorgeven aan een andere zenuwcel. Zo’n impuls wort omgezet in
een chemische boodschap. De chemische boodschap noem je een ‘neurotransmitter’ .
Bijv. De impuls is: ‘ik heb honger’.
Normaal werkend brein: ik ga een boterham eten. Ik sta op en loop naar de keuken.
Iemand met een depressie: te weinig afgifte van neurotransmitters. Reactie: ‘ik verhonger wel, ik
toch niks lekkers in huis. Ik heb geen zin in brood en al helemaal niet om het te smeren’.
Iemand met een manie: te veel afgifte van neurotransmitters. Reactie: ‘Ooh ik ga uit eten! Of ik ga nu
naar de MacDonalds! Of zal ik Sushi bestellen? Of gewoon allemaal!
Ik heb hem op het bord er bij getekend ter ondersteuning.
Om je eigen kennis verder op te frissen is hier een link naar youtube filmpje met uitleg.
https://www.youtube.com/watch?v=p5zFgT4aofA
(20 min) Opdracht
Doel: Aan het einde van de les weet de student het verschil tussen draagkracht en draaglast en kun je
dit op jezelf betrekken.
Werkwijze:
In de laatste dia staat een opdracht beschreven. Namelijk:
• Wat is jouw draagkracht?
• Wat is jouw draaglast?
• Wat voor invloed heeft dit op jouw leven?
• Hoe hou je dit in balans?
Deze vragen eerst beantwoorden voor jezelf. Vervolgens in tweetallen bespreken.
Voor extra verdieping het onderwerp doortrekken naar werk/stage. Bijv. Zijn er clienten op jouw
afdeling die uit balans zijn? Hoe ondersteun je hen?
Benodigdheden:
Beamer/smartboard. (met geluid)
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
7
AFSLUITING VAN DE LES:
(15 min) evalueren en afronden:
Doel:
 De studenten evalueren de les in het kort.
 De studenten kunnen benoemen wat ze geleerd hebben.
Werkwijze:
 De les in het kort evalueren. Willekeurig studenten de les laten samenvatten. Zijn de
lesdoelen behaald?
 Studenten bedanken voor hun inzet.
 Les afsluiten
PowerPoint:
8
9
Les 2: Functionele psychopathologie
LESDOELEN
 De student weet de stappen van de functionele psychopathologie te benoemen
 De student kan de functionele psychopathologie inzetten bij een cliënt.
START VAN DE LES:
(10 min)Begin – PPP



Studenten verwelkomen, hoe zit iedereen er bij?
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen
o Starten met herhaling.
o Nieuwe theorie
o Opdracht
o Evalueren en lesdoelen doornemen.
(30 min) herhalen van lesstof
Doel:
 Aan het einde van de les weet de student de hoofdstromingen in psychische aandoeningen te
benoemen.
 Aan het einde van de les weet de student wat voor visies er zijn over psychiatrische
aandoeningen.
Werkwijze:
Korte quiz vraagjes over de theorie van vorige les. De vragen zijn gebaseerd op de theorie van vorige
week. Thema 13.1 t/m 13.3 SAW3, Angerenstein.
 Welke visies zijn er op psychiatrische aandoeningen?
 Welke drie hoofdstromingen zijn er in psychische aandoeningen?
 Wat valt er onder biologisch model?
 Wat valt er onder psychologisch model?
 Wat valt er onder biopsychosociaal model?
 Wat zijn neurotransmitters?
 Waar valt erfelijkheid onder?
Maak groepjes zodat je er een wedstrijdje van maken. Heb je direct even een actieve werkvorm
waardoor de energie op gang komt.
Benodigdheden:
SAW 3, Angerenstein, thema 13.1 t/m 13.3
Hierin staan ook de antwoorden beschreven.
Opmerking:
Spreek even goed af met de klas hoe ze hun antwoord mogen melden. Wie als eerste het antwoord
roept? Of juist alles op papier inleveren en nabespreken. Achteraf punten verdelen.
10
KERN VAN DE LES:
(40 min) Theorie:
Doel:
 De student weet de stappen van de functionele psychopathologie te benoemen
 De student kan de functionele psychopathologie inzetten bij een cliënt.
Werkwijze:
Aan de hand van de bijgevoegde powerpoint de theorie vertellen. De Powerpoint is gebasseerd op
thema 13.4 t/m 13.4.7 uit het boek Angerenstein, SAW 3, Maatschappelijke zorg.
In de powerpoint zitten meerder youtube filmpjes die de theorie ondersteunen.
Ter voorbereiding is het goed om even te kijken waar de filmpjes over gaan en wat je er uit wilt laten
zien.
Stoornis is zelfbeleving: https://www.youtube.com/watch?v=BagYyn30p0Y
 DIS is Patricia, een meisje met verschillende persoonlijkheden.
Stoornis in de waarneming: http://www.npo.nl/doe-even-normaal/21-08-2014/VPWON_1227545
 Filmpje over schizofrenie.
Stoornis in willen en verlangen: https://www.youtube.com/watch?v=3AlbPx474uM
 Filmpje over iemand die een dwangstoornis heeft.
Welke stappen zie je in dit filmpje van de functionele psychopathologie?
https://www.youtube.com/watch?v=3AlbPx474uM
 Cor wil zijn gezonde been amputeren.
Benodigdheden:
Beamer/smartboard. (met geluid)
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
Opmerking:
het laatste filmpje van Cor roept veel op bij studenten. Filmpje werkt perfect voor
klasssengesprekken.
AFSLUITING VAN DE LES:
(10 min) evalueren en afronden:
Doel:
 De studenten evalueren de les in het kort.
 De studenten kunnen benoemen wat ze geleerd hebben.
Werkwijze:
 De les in het kort evalueren. Willekeurig studenten de les laten samenvatten. Zijn de
lesdoelen behaald?
 Studenten bedanken voor hun inzet.
 Les afsluiten
11
PowerPoint:
12
Les 3: Stemmingsstoornissen
LESDOELEN
 De student weet de stappen van de functionele psychopathologie te benoemen
 De student weet wat stemmingsstoornissen zijn.
 De student herkent stemmingsstoornissen.
START VAN DE LES:
(10 min)Begin – PPP



Studenten verwelkomen, hoe zit iedereen er bij?
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen
o Starten met herhaling doormiddel van verwerkingsvragen.
o Nabespreken van gemaakte opdracht.
o Nieuwe theorie doornemen aan de hand van verwerkingsvragen.
o Evalueren en lesdoelen doornemen.
KERN VAN DE LES:
(40 min) Opdracht:
(30 min) nabespreken):
Doel:
 De student weet de stappen van de functionele psychopathologie en kan hier vragen over
beantwoorden.
 De student weet wat stemmingsstoornissen zijn en kan dit zelf opzoeken in de literatuur.
Werkwijze:
Aan het einde van deze periode krijgen de studenten een openboek toets over maatschappelijkzorg.
Aangezien de studenten nog nooit een openboek toets hebben gemaakt is behoeft om hier mee te
oefenen. Deze verwerkingsvragen kan je uitdelen zodat de antwoorden zelfstandig worden
opgezocht in de literatuur. Op deze manier leren de studenten omgaan met bekende en onbekende
literatuur omgaan en zelfredzaam te worden. Waar zoek je informatie op als je niet weet wat het
betekend. Op de volgende pagina staan de verwerkingsvragen. De antwoorden vind u de pagina er
achter. Nadat de vragen zijn gemaakt is het erg leerzaam om de vragen door te nemen. Antwoorden
kunnen verschillend geformuleerd worden. Help hen hun antwoord zo volledig mogelijk te
formulieren zodat ze geen punt verliezen op het tentamen door onvolledigheid.
Benodigdheden:
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
Verwerkingsvragen.
13
AFSLUITING VAN DE LES:
(10 min) evalueren en afronden:
Doel:
 Terugkoppeling vragen aan de studenten hoe ze het vonden om te oefenen met een
openboek proeftoets.
 Wat valt de student op aan de vraagstellingen?
 De studenten weten wat er voor volgende week op de planning staat.
Werkwijze:
 De les in het kort evalueren. Willekeurig studenten de les laten samenvatten. Zijn de
lesdoelen behaald?
 Planning voor volgende week vertellen.
14
Verwerkingsvragen 13.4 Functionele psychopathologie
Lees de tekst in 13.4 en beantwoord de volgende vragen met behulp van het boek.
1. Leg uit wat functionele psychopathologie inhoudt en gebruik daarbij de begrippen:
psychische aandoening, symptoom en syndroom.
2. Stoornissen in expressie en psychomotoriek kunnen tot uiting komen op twee heel
verschillende manieren. Welke zijn dat?
3. Wat wordt bedoeld met psychomotoriek?
4. Wanneer spreken we van een bewustzijnsstoornis?
5. Wat wordt bedoeld met zelfvervreemding? Waar leidt het toe?
6. Welke soorten hallucinaties zijn er?
7. Wat gebeurt er bij een denkstoornis?
15
8. Leg uit dat mensen met een laag IQ last kunnen krijgen van depressies of psychoses.
9. Waar komt het woord affect vandaan en wat betekent het?
10. Wat is het verschil tussen een stemmingsstoornis en een stoornis in de stemming.
11. Wat kunnen tranquillizers met je stemming doen?
Verwerkingsvragen 14.2 Stemmingsstoornissen
1. Wat is het verschil tussen een eenpolige en een tweepolige stemmingsstoornis?
2. Wat is een bekende eenpolige stemmingsstoornis?
3. Welke klachten horen hierbij?
4. Wat houd een tweepolige stemmingsstoornis in?
16
5. Wat is de oorzaak van een endogene depressie en wat van een exogene depressie?
17
Antwoorden: 13.4 Functionele psychopathologie
Lees de tekst in 13.4 en beantwoord de volgende vragen met behulp van het boek.
1. Leg uit wat functionele psychopathologie inhoudt en gebruik daarbij de begrippen:
psychische aandoening, symptoom en syndroom.
Het is een hulpmiddel bij het herkennen en benoemen van psychiatrische symptomen. De combinaties
van symptomen worden ook wel syndromen genoemd.
2. Stoornissen in expressie en psychomotoriek kunnen tot uiting komen op twee heel
verschillende manieren. Welke zijn dat?
Overactiviteit/ hyperactiviteit
Onderactiviteit/ disactiviteit
3. Wat wordt bedoeld met psychomotoriek?
Bewegingen die een uitdrukking zijn van het psychische gesteldheid.
4. Wanneer spreken we van een bewustzijnsstoornis?
Iemand is geheel of gedeeltelijk het besef van zichzelf of zijn omgeving kwijt. Dit kan ook door
alcohol, drug of medicijnen.
5. Wat wordt bedoeld met zelfvervreemding? Waar leidt het toe?
Een gestoorde zelfbeleving kan leiden tot psychoses of depressies. Het lukt iemand niet om zijn eigen
mening uit te spreken.
6.





Welke soorten hallucinaties zijn er?
Gezichtshallucinaties
Gehoorhallucinaties
Reukhallucinaties
Smaakhallucinaties
Gevoelshallucinaties.
7. Wat gebeurt er bij een denkstoornis?
Het denken kan te snel of te langzaam gaan. Er wordt onsamenhangend gedacht waardoor iemand
van de hak op de tak gaat. Dit zie je veel bij mensen met een psychose.
8. Leg uit dat mensen met een laag IQ last kunnen krijgen van depressies of psychoses.
Mensen met een laag IQ vinden het vaak lastig om zelfstandig te leven. Het lukt niet om alle rollen te
vervullen. Dit kan leiden tot mislukkingen, frustraties en teleurstellingen. De psychische balans word
onder druk gezet. Hierdoor zijn ze extra kwetsbaar.
9. Waar komt het woord affect vandaan en wat betekent het?
Het Latijnse woord voor stemming is 'affect'
10. Wat is het verschil tussen een stemmingsstoornis en een stoornis in de stemming.
Een stoornis in de stemming is iets anders dan een stemmingsstoornis. Stemmingsstoornissen, zoals
depressie of manie zijn ziektebeelden en geen afzonderlijke symptomen.
11. Wat kunnen tranquillizers met je stemming doen?
De stemming afvlakken. Dit is een rustgevende medicatie.
18
Antwoorden: 14.2 Stemmingsstoornissen
1. Wat is het verschil tussen een eenpolige en een tweepolige stemmingsstoornis?
Eenpolig houdt in dat er alleen sprake is van een sombere periode. Een tweepolige stoornis wisselt
zich af met ziekelijk opgewekt en somberheid. Depressief en manisch.
2. Wat is een bekende eenpolige stemmingsstoornis?
Een depressie.
3. Welke klachten horen hierbij?
Somberheid, trage bewegingen, vlakke uitdrukkingen, verstoord zelfbeeld, verstoord bewustzijn,
verlaagde concentratie, energie- en belangstellingsverlies, activiteitenniveau is verlaagd, verandering
eetlust, gewicht, afname behoefte aan seksualiteit en verstoord slaappatroon.
4. Wat houd een tweepolige stemmingsstoornis in?
Somberheid wordt afgewisseld met (euforie)ziekelijke opgewektheid. Deze euforie houdt in: erg
opgewekt zonder aanleiding, overactief, vertoont onverantwoord gedrag. Na de manische fase volgt
de depressieve fase. De persoon kijkt met spijt terug naar zijn manische fase.
5. Wat is de oorzaak van een endogene depressie en wat van een exogene depressie?
Endogene depressie komt van binnenuit; vanuit het eigen lichaam. Dit kan inhouden dat de oorzaak
ligt bij een hormoon verandering.
Exogene depressie komt van buiten het lichaam. De oorzaak is duidelijk aanwijsbaar. Plotseling
verlies van partner, kind, broer.
19
Les 4: Psychotische stoornissen
LESDOELEN
 De student weet wat schizofrenie is en kan de symptomen benoemen.
 De student weet hoe je psychotische stoornissen kunt herkennen.
START VAN DE LES:
(15 min)Begin – PPP



Studenten verwelkomen, hoe zit iedereen er bij?
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen
o Starten met herhaling.
o Nieuwe theorie
o Casus
o Evalueren en lesdoelen doornemen.
KERN VAN DE LES:
(25 min) theorie:
Doel:
 Weet wat schizofrenie is en kan de symptomen benoemen.
 Weet hoe je psychotische stoornissen kunt herkennen.
Werkwijze:
Aan de hand van de bijgevoegde powerpoint de theorie vertellen. De Powerpoint is gebasseerd op
thema 14.3 uit het boek Angerenstein, SAW 3, Maatschappelijke zorg.
In de powerpoint zitten twee youtube filmpjes die de theorie ondersteunen.
Ter voorbereiding is het goed om even te kijken waar de filmpjes over gaan.
https://www.youtube.com/watch?v=8XlhsEXjzXw
Film fragment over schizofrenie (acteur)
https://www.youtube.com/watch?v=6RVWZqls21I
Film fragment: patiënten informatie
Benodigdheden:
Beamer/smartboard. (met geluid)
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
(20 min) Casuistiek:
Doel:
 Je kunt een psychotische stoornis herkennen.
 Je weet hoe je een client met psychotische verschijnselen kunt begeleiden.
Werkwijze:
De casus gaat over Saar. Dit is een fictieve naam. Het is verder een waargebeurd verhaal uit mijn
praktijk. De casus kun je uitdelen of klassikaal voorlezen. De vragen die er bij horen staan in de
20
powerpoint en onder de casus zelf. Zo is er de keus om klassikaal een gesprek te starten of om
groepjes te maken en daarin gesprekken te starten. Om het af te sluiten bespreek je de opdracht na.
Benodigdheden:
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
Casus Saar
21
Casuïstiek:
Saar: (64 jaar)
Saar is opgenomen met een IBS. Dit in verband met zelfverwaarlozing en verbale agressie bij een
psychotische toestandsbeeld. Saar heeft altijd een zwervend bestaan gehad en is bekend bij een
instelling in Den Haag.
Saar is er van overtuigd dat ze gehypnotiseerd wordt, een spuit gaat krijgen en dood gemaakt wordt.
Als haar iets overkomt, weet heel Den Haag er van. Ze heeft niets misdaan en is gewoon haar eigen
gang gegaan. Maar een vrouw in de winkel vertelde iets tegen haar. Verder waren er opeens
allemaal rare dingen met de sleutelbos en met het internet. Aldus Saar.
Saar haar man is laatst overleden en sinds kort woont ze in Nijmegen. Naar eigen zeggen woont ze
daar alleen voor de vierdaagse en wil ze weer terug naar Den Haag.
Saar ziet er verwilderd uit is slecht verzorgd. Saar is mager, vettig haar en mist een aantal tanden.
Saar is erg angstig in contact en bibbert.
Saar loopt door de gang en schreeuwt om zich heen dat het spel uit is. ‘ik heb iedereen door en jullie
kunnen ophouden mij in de maling te nemen’. ‘Jullie zien mij als een idioot! Maar degene die hier gek
is dat zijn jullie!’
 Waarom kan een duidelijke dag structuur iemand met schizofrenie helpen?
Hierdoor krijgt de cliënt overzicht over de situatie en wordt de chaos beperkt. Je kunt structuur bieden
door samen met de cliënt zijn activiteiten in een schema te plaatsen. Afhankelijk van de mate van
structuurloosheid kan de cliënt zelfstandig of met hulp van een ander zijn schema volgen. Een schema
biedt houvast voor de cliënt en zijn omgeving. Je kunt afspreken met de cliënt dat hij zich aan zijn
schema houdt. Als het de cliënt niet lukt, kun je hem wijzen op het schema dat je samen met hem
opgesteld hebt.
 Hoe kun je veiligheid bieden?
Veiligheid kun je bieden door de cliënt het gevoel te geven dat hij altijd op je kan rekenen. Daarvoor is
het nodig om een functionele relatie met de cliënt op te bouwen of goed te onderhouden. Functioneel
betekent dat de relatie vooral bedoeld is voor het belang van de cliënt en dat de relatie gezien moet
worden als hulpverlener- cliënt relatie. Een luisterend oor, samen tijd doorbrengen en samen dingen
doen zijn bevorderend voor de relatie met de cliënt.
Het is van belang om hallucinaties of wanen niet tegen te spreken, maar door middel van afleiding te
zorgen voor meer realiteit. Het tegenspreken van de gedachten zal ertoe leiden dat de cliënt je ervan
probeert te overtuigen dat zijn hallucinaties en gedachten kloppen. Hij bijt zich dan juist meer vast in
zijn hallucinaties en gedachten, terwijl je juist wil dat ij er afstand van neemt. Wanen en hallucinaties
kunnen leiden tot gevaarlijke situaties. Hulpverleners moeten altijd proberen om het gevaar zo veel
mogelijk te beperken.
 Hoe kun je realiteitsbesef bevorderen?
Realiteitsbesef kun je bevorderen door de client zoveel mogelijk te betrekken bij de realiteit. Om de
client te kunnen betrekken bij de realiteit is het nodig dat je contact met hem hebt. Contact maken
gaat het beste door samen met de client dingen te doen. Zo kun je bijvoorbeeld samen met de client
een kamer opruimen of een kopje koffie drinken. Onder tussen raak je met hem in gesprek en
confronteer je de client op een ongedwongen natuurlijke wijze van de realiteit. Door de client te
confronteren met actualiteiten als datum, tijd, jaargetijden en nieuws zal hij meer bij de realiteit
betrokken zijn.
Hoofdstuk 14.3.2 omgaan met clienten met een psychotische stoornis. Angerenstein SAW 3
22
AFSLUITING VAN DE LES:
(15 min) evalueren en afronden:
Doel:
 De studenten evalueren de les in het kort
 De studenten weten wat er voor volgende week op de planning staat.
Werkwijze:
 De les in het kort evalueren. Willekeurig studenten de les laten samenvatten. Zijn de
lesdoelen behaald?
 Planning voor volgende week vertellen.
PowerPoint:
23
24
Les 5: Persoonlijkheidsstoornissen
LESDOELEN
 De student weet hoe je kunt omgaan met een persoonlijkheidsstoornis.
 De student weet een persoonlijkheidsstoornis te herkennen en benoemen.
START VAN DE LES:
(10 min)Begin – PPP



Studenten verwelkomen, hoe zit iedereen er bij?
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen
o Theorie persoonlijkheidsstoornissen
o Oefenen mz toets
o Nabespreken
KERN VAN DE LES:
(30 min) theorie:
Doel:
 Herkent verschijnselen van een persoonlijkheidsstoornis.
 Weet hoe je kunt omgaan met een persoonlijkheidsstoornis.
Werkwijze:
Aan de hand van de bijgevoegde powerpoint de theorie vertellen. De Powerpoint is gebasseerd op
thema 14.4 uit het boek Angerenstein, SAW 3, Maatschappelijke zorg.
In de powerpoint zitten een youtube filmpjes die de theorie ondersteunen.
Ter voorbereiding is het goed om even te kijken waar de filmpjes over gaan.
https://www.youtube.com/watch?v=xC3crKxNxqg
Film fragment: PsyQ Persoonlijkheidsproblematiek - "ik ben gewoon moeilijk"
Benodigdheden:
Beamer/smartboard. (met geluid)
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
(30 min) oefencasus:
Doel:
 Kan vanuit de casus vragen beantwoorden met behulp van het boek.
 Weet hoe je kunt omgaan met een persoonlijkheidsstoornis.
Werkwijze:
De case komen uit het boek Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg. Aan de hand van vragen
worden de studenten gestimuleerd om de vraag uit de casus te halen. Door dit te oefenen leren de
studenten het boek te gebruiken bij toetsvragen. De antwoorden staan schuingedrukt achter de
oefen vragen.
Benodigdheden:
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg en formulier met casuistiek.
25
Casuïstiek:
Ashraf is opgegroeid in een grote stad en leefde veel op straat. Hij is een jongeman die er goed
uitziet en hij zit nooit om een praatje verlegen. Hij heeft al veel vriendinnen gehad, mar na enkele
weken raakte de relatie telkens uit. Ashraf stelt zich eisend op en kan erg boos reageren op
ogenschijnlijk kleine zaken. Toen zijn laatste vriendin laatst vijf minuten te laat kwam opdagen
omdat zij een tram gemist had, heeft hij haar geslagen. Dat was voor zijn vriendin de druppel die
de emmer deed overlopen.
Welke persoonlijkheidsstoornis past bij het gedrag dat Ashraf laat zien?
Wat zijn de overige kenmerken die bij deze persoonlijkheidsstoornis horen?
Frits is een 55-jarige man die bij een reorganisatie op zijn werk zijn baan verloren heeft. Frits had
altijd de neiging om mensen wat te wantrouwen. Na zijn ontslag is het wantrouwen verder
toegenomen. Frits vergrendelt zijn deuren en houdt de gordijnen van zijn huis dicht, zodat ze hem
niet in de gaten kunnen houden. Frits laat geen mensen meer toe in zijn huis omdat hij bang is dat
zij hem iets aandoen. Bij Frits is sprake van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis.
Welke persoonlijkheidsstoornis past bij het gedrag dat Frits laat zien?
Hoe zou jij omgaan met Frits?
Fons is werkeloos geraakt na een conflict met zijn baas. Fons werkte als administrateur te
langzaam in de ogen van zijn baas, terwijl Fons van mening was dat er juist nauwkeuriger gewerkt
moest worden en dat er meer controle op de boekhouding moest komen. Nu Fons thuis is, is hij
hele dagen bezig met het maken van berekeningen over zijn financiële situatie en hij houdt alle
uitgeven van zijn vrouw nauwgezet in de gaten. Zijn vrouw voelt zich erg ongemakkelijk onder
deze situatie en geeft aan dat dit voor haar geen leven is. Als het echtpaar de huisarts raadpleegt
voor deze problematiek adviseert de huisarts een behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg.
Welke persoonlijkheidsstoornis past bij het gedrag dat Fons laat zien?
Waarom is Fons na zijn ontslag nog bezig met de boekhouding?
26
Antwoorden casuïstiek:
Ashraf is opgegroeid in een grote stad en leefde veel op straat. Hij is een jongeman die er goed
uitziet en hij zit nooit om een praatje verlegen. Hij heeft al veel vriendinnen gehad, mar na enkele
weken raakte de relatie telkens uit. Ashraf stelt zich eisend op en kan erg boos reageren op
ogenschijnlijk kleine zaken. Toen zijn laatste vriendin laatst vijf minuten te laat kwam opdagen omdat
zij een tram gemist had, heeft hij haar geslagen. Dat was voor zijn vriendin de druppel die de emmer
deed overlopen.
Welke persoonlijkheidsstoornis past bij het gedrag dat Ashraf laat zien?
Antisociale persoonlijkheidsstoornis
Wat zijn de overige kenmerken die bij deze persoonlijkheidsstoornis horen?
 Impulsief gedrag;
 Ontbreken van het geweten;
 Nooit spijt hebben van zijn daden;
 Roekeloos gedrag;
 Overtreed de wet;
 Buit anderen uit;
 Kan zich niet verplaatsen in de belevingswereld van de ander.
Frits is een 55-jarige man die bij een reorganisatie op zijn werk zijn baan verloren heeft. Frits had
altijd de neiging om mensen wat te wantrouwen. Na zijn ontslag is het wantrouwen verder
toegenomen. Frits vergrendelt zijn deuren en houdt de gordijnen van zijn huis dicht, zodat ze hem
niet in de gaten kunnen houden. Frits laat geen mensen meer toe in zijn huis omdat hij bang is dat zij
hem iets aandoen. Bij Frits is sprake van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis.
Welke persoonlijkheidsstoornis past bij het gedrag dat Frits laat zien?
Paranoide persoonlijkheidsstoornis
Hoe zou jij omgaan met Frits?
 Zorg dat je niet persoonlijk reageert;
 Bied stabiliteit aan;
 Niet afwachten;
 Help verband leggen tussen gevoel en gedrag
 Stel grenzen
 Bewaak de realiteit
 Geef iemand verantwoordelijkheden die hij aankan.
Fons is werkeloos geraakt na een conflict met zijn baas. Fons werkte als administrateur te langzaam
in de ogen van zijn baas, terwijl Fons van mening was dat er juist nauwkeuriger gewerkt moest
worden en dat er meer controle op de boekhouding moest komen. Nu Fons thuis is, is hij hele dagen
bezig met het maken van berekeningen over zijn financiële situatie en hij houdt alle uitgeven van zijn
vrouw nauwgezet in de gaten. Zijn vrouw voelt zich erg ongemakkelijk onder deze situatie en geeft
aan dat dit voor haar geen leven is. Als het echtpaar de huisarts raadpleegt voor deze problematiek
adviseert de huisarts een behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg.
Welke persoonlijkheidsstoornis past bij het gedrag dat Fons laat zien?
Dwangmatige PS
27
Waarom is Fons na zijn ontslag nog bezig met de boekhouding?
Hij wil grip houden op de situatie. Dit kan hij doen vanuit de gedachte dat er iets erg gaat gebeuren
op het moment dat onvoldoende controleert.
Hoofdstuk 14.4 mensen met een persoonlijkheidsstoornis. Angerenstein SAW 3
AFSLUITING VAN DE LES:
(20 min) nabespreken:
Doel:
 De studenten kunnen kritisch kijken naar hun gegeven antwoorden.
 De studenten kunnen hun antwoorden onderbouwen.
Werkwijze:
 In de les worden de antwoorden nabespreken. Waar heb je je informatie gevonden, is het
antwoord volledig genoeg?
 Les afronden.
Powerpoint:
28
Les 6: Persoonlijkheidsstoornissen
LESDOELEN
 De student weet hoe je kunt omgaan met een persoonlijkheidsstoornis.
 De student weet een persoonlijkheidsstoornis te herkennen en benoemen.
START VAN DE LES:
(10 min)Begin – PPP



Studenten verwelkomen, hoe zit iedereen er bij?
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen
o Toetsvragen maken en met elkaar beantwoorden.
KERN VAN DE LES:
(70 min) Aan de slag:
10 min voor de toetsvragen,
10 min om de vragen in de powerpoint te zetten,
50 min voor de uitwerking en beoordeling.
Doel:
 Aan het einde van de les kun je de 8 verschillende persoonlijkheidsstoornissen benoemen en
een kenmerk hiervan beschrijven.
Werkwijze:
• Maak in twee/ drietallen twee toets vragen over het onderwerp wat op je briefje staat.
• Schrijf de toetsvraag in de PowerPoint voor aan in de klas.
• Als alle vragen in de powerpoint staan ga je de vragen beantwoorden samen met je groepje.
Hierin mag je je boek gebruiken en samen overleggen.
• Het groepje die de toetsvragen heeft gemaakt zijn de experts en mogen bepalen of het
antwoord goed of fout is.
Mogelijke toets vraag:
1. Wanneer spreek je van een ‘persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven’?
2. Waar staat NAO voor?
3. Wanneer het niet duidelijk is wat voor persoonlijkheidsstoornis het gaat, spreek je van….
4. Lees de kenmerken. Om welke persoonlijkheidsstoornis gaat het: theatraal gedrag, aandacht
zoeken, verleiden, wisselende, oppervlakkige gevoelens;
Benodigdheden:
Beamer/smartboard
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
AFSLUITING VAN DE LES:
(10 min) evalueren en afronden:
Doel:
 De studenten hebben inzicht in toetsvragen die gesteld kunnen worden.
29
 De studenten weten wat er voor volgende week op de planning staat.
Werkwijze:
 De les terugblikken. Wat vinden de studenten van openboek vragen?
Onderwerpen om uit te knippen en te verdelen in de klas.
Narcistische
persoonlijkheidsstoornis
Schizoïde
persoonlijkheidsstoornis
Antisociale
persoonlijkheidsstoornis
Afhankelijke
persoonlijkheidsstoornis
Theatrale
persoonlijkheidsstoornis
Dwangmatige
persoonlijkheidsstoornis
Paranoïde
persoonlijkheidsstoornis
Ontwijkende
persoonlijkheidsstoornis
30
Powerpoint:
31
Les 7: Somatoforme stoornissen
LESDOELEN
 De student weet wat somatoforme stoornissen zijn en kan dit uitleggen aan een ander.
START VAN DE LES:
(10 min)Begin – PPP



Studenten verwelkomen, hoe zit iedereen er bij?
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen
o Nieuwe theorie
o Casuïstiek
KERN VAN DE LES:
(40 min) theorie:
Doel:
Je weet aan het einde van de les wat de volgend onderwerpen inhouden:
• Somatoforme pijnstoornis
• Somatisatiestoornis
• Conversiestoornis
• Hypochondrie
• Lichaamsbeeldstoornis.
Werkwijze:
Aan de hand van de bijgevoegde powerpoint de theorie vertellen. De Powerpoint is gebasseerd op
thema 14.5 uit het boek Angerenstein, SAW 3, Maatschappelijke zorg.
In de powerpoint zitten meerdere youtube filmpjes die de theorie ondersteunen.
Ter voorbereiding is het goed om even te kijken waar de filmpjes over gaan.
Conversiestoornis: https://www.youtube.com/watch?v=LiqWe63KKRc
Aflevering: Je zal het maar hebben
Hypochondrie: https://www.youtube.com/watch?v=MjZOhcv3wIw
Animatiefilmpje
Lichaamsbeeldstoornis: https://www.youtube.com/watch?v=iAuc2xAM7-8
(Engelstalig) documentaire over personen die hier aan lijden.
Benodigdheden:
Beamer/smartboard. (met geluid)
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
(30 min) Casuistiek:
Doel:
• Kan vanuit de casus vragen beantwoorden met behulp van het boek.
• Vormt een mening over chronisch psychiatrische cliënten.
32
Werkwijze:
De case komen uit het boek Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg. Aan de hand van vragen
worden de studenten gestimuleerd om de vraag uit de casus te halen. Door dit te oefenen leren de
studenten het boek te gebruiken bij toetsvragen. De antwoorden staan schuingedrukt achter de
oefen vragen.
Benodigdheden:
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
33
Casuïstiek:
Faroes werd op haar 18e voor het eerst psychotisch. Ze zat toen in het examenjaar van het vwo.
Het examen mislukte door de psychose. Faroes was erg ontdaan en het lukt haar niet meer om
een diploma van het voortgezet onderwijs te halen. Faroes raakte in de jaren erna depressief. Op
haar 21e kreeg ze opnieuw een psychose en er volgde een opname van twee jaar. Tijdens de
opname heeft Faroes twee keer geprobeerd zelfmoord te plegen. Medicatie hielp, maar Faroes
bleef erg kwetsbaar. Har diagnose was: chronische psychose met depressieve stoornis. Faroes is
voorlopig nog aangewezen op de zorg van de psychiatrische instelling.
‘Met stoornissen en beperkingen wordt de cliënt afhankelijk van de zorg’. Leg dit uit.
Bij chronische psychiatrische cliënten zie je vaak combinaties van ziektebeelden. Noem twee
voorbeelden.
Cor is een intelligente, aardige man van 47 jaar. Cor woont al tien jaar in een GGZ- instelling. Hij
lijdt aan schizofrenie en is regelmatig depressief. Tien jaar geleden was Cor erg passief. Zijn dagen
bestonden uit uitslapen, zitten, sigaretjes roken en koffie drinken. Regelmatig was hij psychotisch
en hij gedroeg zich dan erg verward. Daarin is verbetering gekomen nadat Cor is overgeschakeld
op moderne medicatie. Cor was daarna minder vaak psychotisch en zijn functioneren verbeterde
sterk. Binnen de instelling waar Cor woont, is men gaan werken met een rehabilitatiemethodiek
met voor iedere individuele cliënt een eigen rehabilitatieplan. Ook voor Cor is een rehabilitatieplan
opgesteld. Cor heeft hobby’s van vroeger opgepakt. Hij speelt net zoals vroeger weer saxofoon en
wil zich weer aansluiten bij een muziekvereniging. Zijn psychische ziekte is nog aanwezig en de
verwachting is dat die ook niet helemaal zal verdwijnen. Cor zal altijd wel afhankelijk blijven van
zorg, maar de kwaliteit van leven van Cor is sterk verbeterd en kan mogelijk nog verder verbeterd
worden.
De verschillende visies en werkwijzen die voor rehabilitatie in omloop zijn, hebben allemaal iets
gemeenschappelijks. Welke zijn dit?
Hoe laten ze bij rehabilitatie weten dat de wensen van de cliënt centraal staan?
34
Faroes werd op haar 18e voor het eerst psychotisch. Ze zat toen in het examenjaar van het vwo. Het
examen mislukte door de psychose. Faroes was erg ontdaan en het lukt haar niet meer om een
diploma van het voortgezet onderwijs te halen. Faroes raakte in de jaren erna depressief. Op haar
21e kreeg ze opnieuw een psychose en er volgde een opname van twee jaar. Tijdens de opname
heeft Faroes twee keer geprobeerd zelfmoord te plegen. Medicatie hielp, maar Faroes bleef erg
kwetsbaar. Har diagnose was: chronische psychose met depressieve stoornis. Faroes is voorlopig nog
aangewezen op de zorg van de psychiatrische instelling.
‘Met stoornissen en beperkingen wordt de cliënt afhankelijk van de zorg’. Leg dit uit.
Cliënten met aanhoudende stoornissen en beperkingen, voortvloeiend uit een psychiatrische ziekte,
waardoor zij: zich niet in redelijke mate staande kunnen houden in de samenleving. Afhankelijk zijn
van hulp en als geheel of gedeeltelijk invalide gezien worden. De zelfzorg is vaak verstoord.
Lichamelijke verzorging, zorg voor huishouding en financiën laten te wensen over. Het opbouwen en
onderhouden van relaties verloopt vaak moeilijk, waardoor ook het vervullen van een rol in eigen
kring of maatschappij niet goed mogelijk is.
Bij chronische psychiatrische cliënten zie je vaak combinaties van ziektebeelden. Noem twee
voorbeelden.
Iemand heeft bijvoorbeeld schizofrenie in combinatie met een stemmingstoornis. De student mag ook
andere antwoorden invullen. Er zijn vele combinaties mogelijk. Bijv. autisme en dwangstoornis.
Cor is een intelligente, aardige man van 47 jaar. Cor woont al tien jaar in een GGZ- instelling. Hij lijdt
aan schizofrenie en is regelmatig depressief. Tien jaar geleden was Cor erg passief. Zijn dagen
bestonden uit uitslapen, zitten, sigaretjes roken en koffie drinken. Regelmatig was hij psychotisch en
hij gedroeg zich dan erg verward. Daarin is verbetering gekomen nadat Cor is overgeschakeld op
moderne medicatie. Cor was daarna minder vaak psychotisch en zijn functioneren verbeterde sterk.
Binnen de instelling waar Cor woont, is men gaan werken met een rehabilitatiemethodiek met voor
iedere individuele cliënt een eigen rehabilitatieplan. Ook voor Cor is een rehabilitatieplan opgesteld.
Cor heeft hobby’s van vroeger opgepakt. Hij speelt net zoals vroeger weer saxofoon en wil zich weer
aansluiten bij een muziekvereniging. Zijn psychische ziekte is nog aanwezig en de verwachting is dat
die ook niet helemaal zal verdwijnen. Cor zal altijd wel afhankelijk blijven van zorg, maar de kwaliteit
van leven van Cor is sterk verbeterd en kan mogelijk nog verder verbeterd worden.
De verschillende visies en werkwijzen die voor rehabilitatie in omloop zijn, hebben allemaal iets
gemeenschappelijks. Welke zijn dit?
Ze gaan uit van een psychosociale kwetsbaarheid van de cliënt, waardoor beperkingen in het
dagelijks functioneren zijn ontstaan. Ze richten zich op de verbetering van de kwaliteit van de
begeleiding voor chronisch psychiatrische cliënten. Ze hebben allemaal tot doel de maatschappelijke
integratie te bevorderen.
35
Hoe laten ze bij rehabilitatie weten dat de wensen van de cliënt centraal staan?
Rehabilitatie richt zich op het vergroten van de maatschappelijke mogelijkheden voor mensen op
allerlei terreinen. Denk aan wonen, werken, leren en vrijetijdsbesteding. Individuele
vaardigheidstekorten worden weggewerkt door vaardigheidstrainingen. De wensen en behoeften van
de cliënt staan centraal. Hij wordt bijvoorbeeld actief betrokken bij de opzet van zijn
begeleidingsplan. Er wordt met hem overlegd en onderhandeld over de doelstellingen van de
behandeling en over de haalbaarheid van de gestelde doelen.
Hoofdstuk 14.6 chronisch psychiatrische clienten Angerenstein SAW 3
AFSLUITING VAN DE LES:
(10 min) evalueren en nabespreken:
Doel:
 De studenten evalueren de les in het kort
 De studenten weten wat er voor volgende week op de planning staat.
Werkwijze:
 De les in het kort evalueren. Willekeurig studenten de les laten samenvatten. Zijn de
lesdoelen behaald?
 Planning voor volgende week vertellen.
Powerpoint:
36
37
Les 8: Ethische vraagstukken
LESDOELEN
 Kennis uit voorgaande lessen toepassen op casuïstiek.
 Keuzes leren onderbouwen aan de hand van theorie.
START VAN DE LES:
(10 min)Begin – PPP



Studenten verwelkomen, hoe zit iedereen er bij?
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen
o Ken je Brandon nog?
o Vergelijkbare casus
o Terugkoppeling
KERN VAN DE LES:
(50 min) theorie:
Doel:
 De student buigt zich over ethische vraagstukken en kan hier zijn mening over vormen.
 De student kan de geleerde theorie toepassen in de onderbouwing van de casus.
Werkwijze:
Casuïstiek. Ken je het schrijnende verhaal nog van Brandon nog? Deze jongen zat al meerdere jaren
vast gebonden aan een muur omdat hij te gevaarlijk was.
De Telegraaf meldde het volgende:
Brandon kwam begin 2011 in het nieuws. Hij woonde toen in een instelling van 's Heeren Loo in het Gelderse
Ermelo. De jongen hoorde stemmen en was vaak agressief. Daarom zat hij regelmatig vastgebonden aan de
muur. Volgens zijn begeleiders was dat de enige behandeling die mogelijk was. Enkele maanden na de ophef
verhuisde Brandon naar de instelling in Sliedrecht. (telegraaf.nl )
Deel 1: https://www.youtube.com/watch?v=se82tE1KOPs
Deel 2: https://www.youtube.com/watch?v=XNH-87YAdK8
Na dit filmpje deel je de casus uit over Carla. Laat studenten met elkaar in groepjes van ong. 4
personen in gesprek gaan over de schrijnende situatie en een mening vormen. Vanuit de theorie
mogen ze met een onderbouwing komen en adviezen. Eigenlijk zijn alle antwoorden goed zolang er
maar een onderbouwing in zit en je kunt verantwoorden waarom je die keuzes maakt.
Benodigdheden:
Beamer/smartboard. (met geluid)
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
Casus Carla.
38
Casus Carla,
Carla is een vrouw van 48 jaar. Zij heeft een ernstige verstandelijke beperking en veel ernstig
probleemgedrag, zoals smeren, agressie en zelfverwonding. Groepsleiding voelt zich onmachtig,
want wat zij ook proberen, niets lijkt te helpen. Om te voorkomen dat Carla zichzelf te ernstig
beschadigt, zien zij vaak geen andere oplossing dan haar op bed te fixeren. Zij voelen zich hier
bijzonder ongelukkig bij, want vastbinden is geen echte oplossing en bovendien lijkt Carla erg angstig
te worden als zij alleen, vastgebonden op bed ligt. Bij Carla blijkt een bipolaire stoornis mede oorzaak
te zijn van de complexe gedragsproblematiek.
Persoonsgegevens
Persoon
• Vrouw van 48 jaar,
• IQ ca. 20, ontwikkelingsleeftijd 1-2 jaar.
Gedrag
•
•
•
•
Overig
Zeer onrustig, roept en gilt veel;
Prikkelbaar, agressief naar groepsleiding;
Zelfverwonding;
Smeert met ontlasting.
Fixeren (op bed), afgelopen 10 jaar
Lage alertheid. Geuren (zoals koffie) stimuleren haar.
Biologisch
• Etiologie (oorzaken) verstandelijke beperking onbekend, geen genetische afwijkingen.
• Geen bijzondere ziektes, neurologisch geen bijzonderheden.
• Epilepsie
Psychologisch
• Laag niveau, laatste onderzoek op 16- jarige leeftijd: niveau < 2 jaar.
• 0-2 jaar: onrustig, angstig, prikkelbaar, slecht eten, slecht slapen.
• Gedragsproblemen (bijv. Zelfverwonding) mogelijk in schommelingen.
• Verdraagt slecht onrust
Sociaal
• Onrustige afdeling met alleen vrouwen (veel gillen)
• Veel zelf verwondend gedrag bij medebewoners
• Gemotiveerd personeel, stabiel team
• Ouders overleden
Interventies
•
25 jaar: EAT1 voor automutilatie (zeer beperkt resultaat)
1
EAT wordt ingezet bij mensen met een ernstig verstandelijke beperking. Zodra iemand zichzelf verwondt kan
de verpleging een stroomschokje toedienen. Dit is te vergelijken met schrikdraad. De cliënt ervaart dit als
onprettig waardoor het zichzelf slaan, krabben of bijten moet afnemen.
39
•
Eerdere medicatie (neuroleptica) zonder resultaat.
Observaties
•
•
•
Carla ligt veel op bed, slaapt veel.
Carla weet niet wat ze aan moet met nabijheid en contact.
Geen duidelijke relatie tussen tijdsstip, welke begeleider en plaats voor automutilatie.
Verdere observaties:
Opdracht:

Wat voor groep zou Carla passen? Een gesloten afdeling of een open afdeling? Ligt dit toe.

Wat zijn aandachtspunten in de begeleiding naar Carla toe?

Op wat voor punten moet er gerapporteerd/geobserveerd worden?

Hoe gaat de eerste week er uit zien voor Carla nu ze bij jullie is opgenomen?

Leg uit hoe het psychisch functioneren er uit ziet van Carla doormiddel van de functionele
psychopathologie.
(Lerenvancasussen.nl )
40
AFSLUITING VAN DE LES:
(30 min) terugkoppelen:
Doel:
 De studenten benoemen wat ze hebben waargenomen en koppelen dit aan de theorie.
 De studenten luisteren naar elkaar en kunnen elkaar aanvullen waar nodig.
Werkwijze:
 Om de vragen goed door te nemen laat je elke groepje een woordvoerder benoemen. De
woordvoerder verteld wat hun werkwijze is. Andere groepjes mogen hier na reageren.
 Maak er een klassengesprek van en laat de studenten leren van elkaars ervaring.
Powerpoint:
41
Les 9: Borderline
LESDOELEN
 Studenten weten wat borderline is en hoe dit zich uit.
 Studenten kunnen toetsvragen maken vanuit het gehele boek.
START VAN DE LES:
(15 min)Begin – PPP



Studenten verwelkomen, hoe zit iedereen er bij?
Daarna over naar het programma, Storingen? PPP (persoonlijke praktische punten)?
Programma doorlopen
o Winnie the pooh
o Borderline
o Mz toets
Als introductie van deze laatste les is het leuk om het filmpje van winnie the pooh te laten zien.
Hierin zie je dat elke karakter wel een trekje heeft van psychiatrische verschijnselen.
https://www.youtube.com/watch?v=pRPLdx0qsWg
KERN VAN DE LES:
(25 min) theorie:
Doel:
 Weet wat borderline is en kan de symptomen benoemen.
 Weet hoe je borderline persoonlijkheidsstoornissen kunt herkennen.
Werkwijze:
Aan de hand van de bijgevoegde powerpoint de theorie vertellen. De Powerpoint is dit maal niet
gebasseerd op thema 13 en 14 van het boek Angerenstein, SAW 3, Maatschappelijke zorg.
In de powerpoint zit informatie over borderline met daarbij een documentaire over een vrouw die
verteld over haar borderline persoonlijkheidsstoornis.
Documentaire: https://www.youtube.com/watch?v=SljtfQlbk80
Aangezien de theorie dit maal niet uit angerenstein komt heb ik de theorie hieronder toegevoegd.
Dit is de DSM IV classificatie:
Symptomen borderline
Wat zijn de criteria waaraan men moet voldoen om te bepalen of sprake is van de borderline
persoonlijkheidsstoornis?


Volgens de criteria (DSM-IV)[1] kan de diagnose gesteld worden wanneer sprake is van een
diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en emoties en van
duidelijke impulsiviteit.
Dit patroon moet begonnen zijn in de vroege volwassenheid en tot uiting komen in diverse
situaties. Mensen met borderline voldoen aan 5 of meer van de volgende 9 criteria:
42
















Krampachtig proberen te voorkomen om feitelijk of vermeend in de steek gelaten te worden.
Een patroon van instabiele en intense relaties met anderen, gekenmerkt door wisselingen
tussen overmatig idealiseren en kleineren (extreem zwart-witdenken, iemand is geweldig of
waardeloos).
Identiteitsstoornis: aanhoudend wisselend zelfbeeld of zelfgevoel.
Impulsiviteit met negatieve gevolgen voor zichzelf op minstens twee gebieden. Bijvoorbeeld:
geldverspilling, veel wisselende seksuele contacten, middelenmisbruik, roekeloos rijgedrag,
vreetbuien.
Terugkerende pogingen tot zelfdoding, gestes of dreigingen, of zelfverwonding.
Sterk wisselende stemmingen, als reactie op gebeurtenissen. Dit kan leiden tot periodes van
intense somberheid, prikkelbaarheid of angst, meestal enkele uren durend en slechts zelden
langer dan een paar dagen.
Een chronisch gevoel van leegte.
Inadequate, intense woede of moeite boosheid te beheersen. Dit uit zich in driftbuien,
aanhoudende woede of herhaaldelijke vechtpartijen.
Voorbijgaande, aan stress gebonden paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve
verschijnselen.
Daarnaast dient ook voldaan te zijn aan de algemene diagnostische criteria uit de DSM-IV
voor een persoonlijkheidsstoornis:[1]
Een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk afwijken van de
verwachtingen binnen de cultuur van de betrokkene.
Het duurzame patroon is star en uit zich op een breed terrein van persoonlijke sociale
situaties.
Het leidt in behoorlijke mate tot lijden of beperkingen in het sociaal en beroepsmatig
functioneren, of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
Het is stabiel en van lange duur en het begin kan worden teruggevoerd naar ten minste de
adolescentie of de vroege volwassenheid.
Het patroon is niet toe te schrijven aan een andere psychische stoornis of de gevolgen
daarvan.
Het duurzame patroon is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel
(zoals drugs of een geneesmiddel) of een lichamelijke aandoening (zoals een schedeltrauma).
Benodigdheden:
Beamer/smartboard. (met geluid)
43
Powerpoint:
(35 min) MZ toets:
Doel:
 Je kunt vragen vanuit het gehele boek opzoeken om tot je antwoord te komen.
Werkwijze:
Deel de toetsvragen uit. De vragen zijn gebasseerd op hoofdstuk 1 t/m 9 en 13,14. De vragen staan
net zoals op de mz toets op volgorde. De studenten leren vragen te maken waarvan ze het hoofdstuk
al lange tijd niet meer hebben behandeld.
Benodigdheden:
Boek: Angerenstein SAW 3, Maatschappelijke zorg.
Toetsvragen
44
Open boek vragen ter voorbereiding op de MZ toets.
Vraag 1: Wat is de indeling van een verstandelijke beperking op basis van het IQ?
Vraag 2: Noem twee oorzaken van het syndroom van Down.
Vraag 3: Hoe kan de latentie fase zich uiten bij iemand met een verstandelijke beperking?
Vraag 4: Marieke woont in een intramurale woonvoorziening. Wat betekent dit?
a. Wat is het voordeel van een intramurale woonvoorziening?
b. Wat is het nadeel van een intramurale woonvoorziening?
45
Vraag 5: Veel cliënten hebben baat bij zintuiglijke stimulering. Waar is deze methode op
gebaseerd?
Vraag 6: Gedragsmodificatie is een methode die men al lang toepast is de zorg voor
mensen met een verstandelijke beperking. Wat zijn de uitgangspunten van deze
leertheorie?
Vraag 7: Kenmerkend voor ouderen is dat ze mondiger en stabieler zijn als vroeger. Deze
ouderen weten wat ze willen. De geboden zorg is hierop aangepast. Het is vraag gestuurde
zorg geworden. Wat houdt dit in? Noem in één voorbeeld waar vraag gestuurde zorg
duidelijk wordt.
46
Antwoorden: Open boek vragen ter voorbereiding op de MZ toets.
Vraag 1: Wat is de indeling van een verstandelijke beperking op basis van het IQ?
1.3.3 indeling verstandelijke beperkingen op basis van IQ.





IQ lager dan 20: zeer ernstig verstandelijk gehandicapt.
IQ tussen 20 en 35: ernstig verstandelijk gehandicapt.
IQ tussen 35 en 55: matig verstandelijk gehandicapt.
IQ tussen 55 en 70: licht verstandelijk gehandicapt.
IQ tussen 70 en 90: zeer licht verstandelijk gehandicapt.
Vraag 2: Noem twee oorzaken van het syndroom van Down.
1.6.1 het syndroom van down
Oorzaken: chromosomenafwijking (trisomie 21) en kan erfelijk zijn.
Vraag 3: Hoe kan de latentie fase zich uiten bij iemand met een verstandelijke beperking?
3.3 seksuele ontwikkeling
In deze fase zijn de seksuele driften niet meer uiterlijk zo duidelijk zichtbaar. Ze zijn niet weg,
maar verdwijnen als het ware onder de oppervlak.
Vraag 4: Marieke woont in een intramurale woonvoorziening. Wat betekent dit?
2.2.1 Soorten woonvoorzieningen
Intramuraal betekend letterlijk ‘binnen de muren’
c. Wat is het voordeel van een intramurale woonvoorziening?
Er is 24 uur per dag zorg. Mensen verblijven hier continu en vinden alles wat ze nodig hebben
binnen de instelling. Ze hebben niet alleen woonplaatsen maar ook scholen en
ontspanningsmogelijkheden op het terrein. Bovendien is alle deskundigheid binnen de
instelling aanwezig.
d. Wat is het nadeel van een intramurale woonvoorziening?
Bewoners met een minder ernstige verstandelijke beperking gaan tegenwoordig naar
kleinere woonvormen. Het gevolg is dat de instellingen bevolkt worden door meer mensen
met een ernstige of zeer ernstige beperking of door mensen met gedragsproblemen.
Hierdoor wordt de taak van de begeleiders zwaarder, omdat de bewoners meer zorg nodig
hebben.
Vraag 5: Veel cliënten hebben baat bij zintuiglijke stimulering. Waar is deze methode op
gebaseerd?
47
5.3 zintuiglijke stimulering



Een normatieve visie: de mens met een verstandelijke beperking heeft een
ontwikkelingsachterstand.
Een medische visie: er is sprake van een tekort dat door oefening is op te heffen.
Een personale visie: contact met de begeleider en met de omgeving vergroot de
zelfredzaamheid van de cliënt.
Vraag 6: Gedragsmodificatie is een methode die men al lang toepast is de zorg voor mensen
met een verstandelijke beperking. Wat zijn de uitgangspunten van deze leertheorie?
5.9 gedragsmodificatie
de leertheorie gaat ervan uit dat alle gedrag dat we vertonen aangeleerd is. Als gedrag
aangeleerd is, betekent dit dat het weer afgeleerd kan worden. Stel dat iemand zichzelf
verwondt; dan heeft hij dit aangeleerd. De kunst is nu hoe je hem dit weer afleert, waardoor
hij ophoudt met het zelf verwondende gedrag.
Vraag 7: Kenmerkend voor ouderen is dat ze mondiger en stabieler zijn als vroeger. Deze
ouderen weten wat ze willen. De geboden zorg is hierop aangepast. Het is vraag gestuurde
zorg geworden. Wat houdt dit in? Noem in één voorbeeld waar vraag gestuurde zorg
duidelijk wordt.
7.5 vraaggestuurde zorg
Een gezamenlijke inspanning van client en hulpverlener met als resultaat dat de client de
hulp ontvangt die tegemoetkomt aan zijn wensen en verwachtingen.
Voorbeeld: het persoonsgebonden budget is een voorbeeld hiervan. Mensen die zorg nodige
hebben kunnen een PGB aanvragen. Met een PGB kan iemand zijn zorg inkopen. Bijvoorbeeld
hulp bij persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende
begeleiding en tijdelijk verblijf.
Vraag 8: Op het moment dat je qua leeftijd ouder wordt heb je te maken met geestelijke
veranderingen. In de cognitieve functies en in emotie en gedrag. Noem een voorbeeld
waarin je cognitieve veranderingen waar kan nemen.
Een mogelijk antwoord kan zijn:
Mijnheer Gruijters gaat naar de winkel om boodschappen te doen. Zijn vrouw vraagt hem om
op de terugweg een bosje bloemen mee te brengen voor de zieke buurvrouw. Bij terugkomst
heeft mijnheer Gruijters wel boodschappen bij zich maar geen bloemen. Vergeten.
Ook zijn andere zelf bedachte voorbeelden waarin cognitieve veranderingen goed.
48
AFSLUITING VAN DE LES:
(15 min) nabespreken:
Doel:
 De studenten hebben inzicht in toetsvragen die gesteld kunnen worden.
 De studenten hebben inzicht in de antwoorden die ze kunnen geven en krijgen hierdoor meer
vertrouwen in de toets.
Werkwijze:
 De les terugblikken. Wat vinden de studenten van openboek vragen?
 Lukte het om de antwoorden op te zoeken ook al kende je het hoofdstuk niet meer?
49
Download