Dwingend recht ter bescherming van één partij of beide partijen

advertisement
Faculteit Rechtsgeleerdheid
Universiteit Gent
Academiejaar 2012-13
Dwingend recht
ter bescherming van één partij of beide partijen
Masterproef van de opleiding
‘Master in de rechten’
Ingediend door
Céline Vanquickenborne
(studentennr. 00705358)
Promotor: Prof. Dr. I. Claeys
Commissaris: Dhr. F. Coryn
VOORWOORD
Mijn voorkeur inzake het schrijven van een masterproef ging al vrij snel uit naar het algemeen
verbintenissenrecht. Naar mijn inzien biedt dit deelgebied van het recht immers vele mogelijkheden,
niet alleen tot het schrijven van een masterproef, maar ook -met het oog op de toekomst- tot de
praktische toepassing ervan in een latere werkomgeving. In eerste instantie was het Professor Claeys
die, met zijn algemeen opleidingsonderdeel Verbintenissenrecht in de tweede bachelor rechten,
ervoor zorgde dat ik mateloos geboeid raakte door de verscheidene principes die het
contractenrecht beheersen. Mijn interesse hierin is door het schrijven van deze masterproef alleen
nog maar toegenomen. Ik heb mij dan ook met het nodige enthousiasme voor mijn masterproef
ingezet.
Dit voorwoord biedt mij tevens de gelegenheid om eenieder te bedanken die mij tijdens mijn
rechtenstudie en gedurende het schrijven van deze masterproef heeft bijgestaan. Vooreerst wil ik
hierbij mijn promotor, Prof. Dr. Ignace Claeys, bedanken voor de nuttige richtlijnen en de duidelijke
begeleiding. Ook gaat een grote dank uit naar de Heer Coryn die mij nog enkele nuttige tips heeft
bijgebracht. Bovendien wil ik graag mijn vriend bedanken bij wie ik altijd terecht kon voor de nodige
steun, vragen en opmerkingen. Tot slot wil ik, last but certainly not least, mijn ouders bedanken voor
de steun en toeverlaat door de jaren heen. Zonder hen zou ik nooit staan waar ik nu sta.
Céline Vanquickenborne
Gent, mei 2013
INHOUDSOPGAVE
INLEIDING
..................................................................................................... 1
HOOFDSTUK 1: HET BEGINSEL VAN DE CONTRACTVRIJHEID ALS UITGANGSPUNT...................... 5
1.
Begripsomschrijving en ratio van de contractvrijheid................................................................. 5
2.
Beperkingen op de contractvrijheid ............................................................................................ 8
HOOFDSTUK 2: DWINGEND RECHT ........................................................................... 13
1.
Begripsomschrijving: wat is dwingend recht? ........................................................................... 13
1.1. Ontstaan van dwingend recht ................................................................................................ 13
1.2. Draagwijdte van dwingend recht ........................................................................................... 14
2.
Soorten dwingend recht ............................................................................................................ 16
2.1. Eenzijdig en meerzijdig dwingend recht................................................................................. 16
2.2. Positief en negatief dwingend recht ...................................................................................... 18
3.
Herkennen van een bepaling van dwingend recht.................................................................... 20
4.
Rechtsvergelijkende noot: Nederland ....................................................................................... 23
4.1. Begripsomschrijving dwingend recht ..................................................................................... 23
4.2. Soorten dwingend recht ......................................................................................................... 24
4.3. Bijzonder: gradaties van dwingend recht ............................................................................... 26
HOOFDSTUK 3: AFBAKENING VAN DWINGEND RECHT .................................................... 29
1.
Onderscheid met aanvullend recht ........................................................................................... 29
2.
Onderscheid met openbare orde en goede zeden ................................................................... 31
2.1. Begripsomschrijving en draagwijdte ...................................................................................... 31
i. Openbare orde ....................................................................................................................... 31
ii. Goede zeden .......................................................................................................................... 34
iii. Onderlinge samenhang tussen openbare orde en goede zeden.......................................... 35
2.2. Samenhang en onderscheid van dwingend recht en de openbare orde ............................... 36
3.
Gevolgen van strijdigheid met het dwingend recht .................................................................. 41
3.1. Algemeen kader...................................................................................................................... 41
3.2. Onderscheid tussen absolute en relatieve nietigheid ............................................................ 42
3.3. Vervaging van het onderscheid tussen absolute en relatieve nietigheid .............................. 45
3.4. Rechtsvergelijkende noot: Nederland .................................................................................... 46
HOOFDSTUK 4: DWINGEND RECHT TER BESCHERMING VAN ÉÉN PARTIJ .............................. 49
1.
Algemeen kader ........................................................................................................................ 49
1.1. Ontstaan van de beschermingsgedachte van de zwakke contractpartij................................ 49
1.2. Hoedanigheid van de zwakke contractpartij .......................................................................... 52
i. In abstracto beoordeling ........................................................................................................ 52
ii. Verschillende categorieën van zwakke contractpartijen ...................................................... 53
1.3. Dwingend recht als concrete techniek van de bescherming van de zwakke contractpartij .. 55
2.
Toepassing: Eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de arbeider................................. 57
2.1. Algemeen kader...................................................................................................................... 57
2.2. De Wet Arbeidsovereenkomsten van 1978 ........................................................................... 58
2.3. Rechtsvergelijkende noot: Nederland .................................................................................... 62
3.
Toepassing: Eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de huurder ................................. 63
4.
Toepassing: Eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de consument ............................ 65
4.1. Algemeen kader...................................................................................................................... 65
4.2. De Wet Marktpraktijken van 2010 ......................................................................................... 66
i. De onrechtmatige bedingenleer............................................................................................. 67
ii. Dwingende informatieplichten .............................................................................................. 77
4.3. De wet Consumentenkoop ..................................................................................................... 80
4.4. De Wet Breyne van 1971 ........................................................................................................ 82
4.5. De reiscontractenwet ............................................................................................................. 85
5.
Toepassing: Eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de concessiehouder ................... 86
5.1. Algemeen kader...................................................................................................................... 86
5.2. De Alleenverkoopwet van 1961 ............................................................................................. 87
5.3. De Alleenverkoopwet van 1961 in internationale context .................................................... 94
6.
Nadelen van en kritiek op de bescherming van de zwakkere partij ......................................... 99
HOOFDSTUK 5: DWINGEND RECHT TER BESCHERMING VAN BEIDE PARTIJEN ...................... 103
1.
Algemeen kader ...................................................................................................................... 103
2.
Toepassing: de Handelshuurwet ............................................................................................. 103
2.1. Algemeen kader.................................................................................................................... 103
2.2. Artikel 3 HHW betreffende de duur van de handelshuur .................................................... 105
2.3. Artikel 6 HHW betreffende de herziening van de handelshuurprijs .................................... 109
2.4. Artikel 7-9 HHW betreffende verbouwingen uitgevoerd door de handelshuurder............. 116
2.5. Artikel 14, 1e lid HHW betreffende het recht op de hernieuwing van de handelshuur ...... 118
3.
Toepassing: de Woninghuurwet ............................................................................................. 122
4.
Toepassing: de Pachtwet ......................................................................................................... 123
CONCLUSIE
................................................................................................. 125
BIBLIOGRAFIE
...................................................................................................... I
INLEIDING
1. Het onderwerp ‘dwingend recht ter bescherming van één partij of beide partijen’ maakt een
belangrijk deel uit van het algemeen verbintenissenrecht. Door de wetgever worden er immers tal
van dwingende beschermingsregelen uitgevaardigd zonder dat echt duidelijk is tot wie deze
dwingende bescherming nu juist wordt gericht en waarom. Dwingende rechtsregelen komen
bovendien niet alleen voor in het contractenrecht sensu stricto, maar ook in het huurrecht (in het
bijzonder
het
woninghuur-
consumentenbescherming,
en
handelshuurrecht),
concessierecht,
pachtrecht,
bouwrecht,
kooprecht,
appartements
arbeidsrecht,
mede-eigendom,
verzekeringsrecht, het recht ter bescherming van de reiziger, patiëntenrecht et cetera. Het
onderwerp van deze masterproef strekt zich dus, zowel op nationaal als op internationaal vlak, uit tot
meerdere vakgebieden. Hierdoor wordt een bredere kijk op het recht dan ook noodzakelijk geacht.
2. De betrachting van deze masterproef bestaat er hoofdzakelijk in om het opzet tussen het
onderscheid van dwingende recht ter bescherming van één partij dan wel ter bescherming van beide
partijen te achterhalen. Er bestaan immers verscheidene soorten dwingende rechtsbepalingen met
elk hun eigen beschermingsgedachte. Zo heeft de wetgever in de eerste plaats talloze dwingende
rechtsregelen uitgevaardigd die ertoe strekken de rechten van de zwakkere partij binnen een
contractverhouding te beschermen tegen de superieure sterkere partij. Voorbeelden van dergelijke
zwakkere partijen zijn arbeiders, bedienden, huurders, consumenten, beleggers et cetera. Vervolgens
bestaan er ook bepaalde dwingende rechtsbepalingen die tot doel hebben om de sterkere partij te
beschermen binnnen de contractrelatie. Denk hier bijvoorbeeld aan de bescherming van de
verhuurder, van de werkgever et cetera. Tot slot heeft de wetgever ook bepaalde dwingende
bepalingen ingevoerd die de belangen van beide partijen beogen te beschermen, bijvoorbeeld de
bescherming van zowel de huurder als de verhuurder. De bedoeling van deze masterproef bestaat er
dan ook in om een duidelijk onderscheid te kunnen geven van deze verscheidene dwingende
rechtsbepalingen en van hun beschermingsoogmerk. Hierbij wordt dan telkens getracht om de
motieven te proberen achterhalen van de verschillende beschermingsgedachten van deze
dwingende regelen.
Naast deze opgenoemde dwingende rechtsbepalingen bestaan er ook nog tal van andere dwingende
rechtsregelen die de rechten van derden beogen te beschermen buiten de overeenkomst om.
Vervolgens werden er ook nog dwingende rechtsregelen uitgevaardigd die ertoe strekken om
1
personen tegen zichzelf te beschermen. Denk hier bijvoorbeeld aan de regeling inzake de
handelings(on)bekwaamheid en de regeling met betrekking tot de wilsgebreken. Tot slot heeft de
wetgever ook tal van dwingende rechtsbepalingen ingevoerd die het openbaar belang beogen te
beschermen. Al deze dwingende rechtsregelen worden evenwel buiten beschouwing gelaten in het
verder verloop van deze masterproef.
3. Ik heb er voor geopteerd om in dit onderzoek naar het opzet tussen het onderscheid van dwingend
recht ter bescherming van één partij dan wel van beide partijen voornamelijk aandacht te besteden
aan verschillende specifieke wetsartikelen met een dwingend beschermingsoogmerk. De bedoeling is
dan ook om hiervan een omvattend overzicht te geven en om deze vervolgens te bespreken en te
analyseren binnen het kader van de rechtspraak. In deze masterproef zal namelijk blijken dat de
beoordeling van dwingend recht ter bescherming van één partij dan wel van beide partijen in wezen
een casuïstische benadering vereist. Er zal dus geen algemeen kader worden aangeboden maar er zal
daarentegen wel verscheidene criteria worden aangeduid waarop het onderscheid zich kan berusten.
Elke casus verdient dus een individuele beoordeling, aangezien het gegeven of een dwingende
bepaling ter bescherming van één partij dan wel van beide partijen in hoofdzaak essentieel feitelijk
is. Hoewel de rechtspraak in verband met dwingend recht in België relatief beperkt is in omvang,
wordt er in praktijk toch uitvoerig gebruikt gemaakt van dwingende rechtsregelen.
4. Bij dit schrijven is er hoofdzakelijk gebruik gemaakt van een analyse van de parlementaire
voorbereidingen, steeds in samenspraak met de betrokken dwingende wetsbepalingen en van de
meest belangrijke rechtspraak, zowel van het Hof van Cassatie als van lagere rechtspraak. Ook is er
aan rechtsvergelijking gedaan. Zo wordt het Belgische recht inzake dwingend recht ter bescherming
van één partij dan wel van beide partijen vergeleken met het Nederlandse recht, zodoende om
duidelijk de gelijkenissen en verschillen tussen beide rechtsstelsels te kunnen aantonen. De
moeilijkheid van deze masterproef ligt echter in het feit dat er vooral een hoge waarde wordt
gehecht aan eigen inbreng en onderzoek van verscheidene dwingende bepalingen binnen talrijke
rechtsgebieden.
5. Omwille van het feit dat dwingend recht een correctief vormt op het fundamenteel beginsel van de
contractvrijheid heb ik ervoor geopteerd om eerst dit beginsel wat nader toe te lichten. Vervolgens
ga ik dan over tot een korte uiteenzetting van wat dwingend recht nu precies inhoudt en wat de
kenmerken en gevolgen zijn. Hierbij aansluitend bespreek ik dan hoe deze dwingende rechtsregelen
te onderscheiden zijn van regelen inzake aanvullend recht en regelen van de openbare orde en
2
goede zeden. Hier kan ik dan een eerste belangrijk onderscheid afbakenen, namelijk het verschil
tussen dwingend recht sensu lato en dwingend recht sensu stricto.
Vervolgens wordt er dieper ingegaan op de eigenlijke probleemstelling van deze masterproef, met
name wanneer een regeling inzake dwingend recht nu ter bescherming is van één partij dan wel van
beide partijen. Dit wordt telkens toegelicht aan de hand van verscheidene praktische voorbeelden in
de rechtspraak.
6. Finaal wordt er in de eindconclusie van deze masterproef getracht van een algemeen besluit te
vormen inzake het opzet van het onderscheid tussen dwingend recht ter bescherming van één partij
en dwingend recht ter bescherming van beide partijen. Hierbij ga ik na hoe dit onderscheid nu juist
wordt gemaakt, en of de wetgever wel slaagt in dit opzet. Dit besluit vormt dus evenwel geen
sluitend antwoord op de probleemstelling, maar het zorgt wel voor een mogelijk criterium dat het
onderscheid tussen dwingend recht ter bescherming van één partij dan wel van beide partijen kan
verantwoorden. Deze eindconclusie wordt dan ook overwegend gevormd aan de hand van eigen
inbreng en onderzoek.
3
4
HOOFDSTUK 1:
HET BEGINSEL VAN DE CONTRACTVRIJHEID ALS UITGANGSPUNT
7. Binnen het kader van de bespreking van dwingend recht is het niet onbelangrijk om eerst even stil te
staan bij het beginsel van de contractvrijheid. Dwingend recht vormt immers een correctief, een
beperking op deze contractuele vrijheid. Het principe van de contractvrijheid geldt tot op de dag van
vandaag nog steeds als uitgangspunt van het Belgische contractenrecht, welke is opgenomen in de
Code Civil van 1804. In beginsel heeft de wetgever dus steeds de vrijheid gelaten aan de
contractpartijen om zelf te kiezen met wie zij in zee gaan, onder welke vorm dit gebeurt en tegen
welke contractvoorwaarden. Maar hoe zwaar weegt de vrije wil nu nog door en wat zijn de
beperkingen die hieraan worden gesteld?
1. Begripsomschrijving en ratio van de contractvrijheid
8. Volgens DE PAGE behoort het principe van de contractvrijheid tot één van de hoofdbeginselen van
het Belgische contractenrecht. Zo stelt deze auteur vast dat het contractenrecht op vier
fundamentele beginselen steunt; met name de contractvrijheid, het consensualisme, de verbindende
kracht van de overeenkomst en de verplichting tot de uitvoering van overeenkomsten te goeder
trouw. 1 Deze beginselen kunnen naar zijn mening integraal worden afgeleid uit artikel 1134 van het
Burgerlijk Wetboek 2:
“Alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken degenen die deze hebben
aangegaan, tot wet. Zij kunnen niet herroepen worden dan met hun wederzijdse
toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw worden ten
uitvoer gebracht.”
9. Het beginsel van de contractvrijheid houdt in dat alle rechtssubjecten over een principiële
contractuele vrijheid beschikken. Deze contractvrijheid wordt an sich nog eens onderverdeeld in drie
beginselen. 3
1
H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. II, Brussel, Bruylant, 1964, 3 ed., 436, nr. 461.
e
2
Burgerlijk Wetboek 21 maart 1804, BS 3 september 1807 (hierna verkort “BW”).
3
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 19-22.
5
Vooreerst is eenieder in beginsel vrij om ongedwongen te bepalen om al dan niet een contract aan te
gaan. Hieruit volgt dat contractweigering in beginsel ook is toegestaan, wat inhoudt dat eenieder
steeds naar willekeur kan weigeren te contracteren zonder dat deze houding dient te worden
gerechtvaardigd. 4 Daaruit volgt bovendien ook dat een rechtbank geen veroordeling kan uitspreken
teneinde de contractpartijen te dwingen om met elkaar te contracteren. 5
Ten tweede mogen partijen ook steeds vrij beslissen met wie ze een contract aangaat. Dit betekent
dat eenieder volledig vrij is om bijvoorbeeld persoon A, en niet persoon B, als medecontractant aan
te duiden. Belangrijk in deze context is evenwel dat partijen hierbij niet gehouden zijn om hun
potentiële medecontractant(en) op voet van gelijkheid te behandelen. In het verlengde hiervan zou
het dan ook niet verplicht zijn om ten aanzien van gelijke of soortgelijke contracten dezelfde
voorwaarden te hanteren, zodanig dat er steeds de mogelijkheid is om een voorkeursbehandeling in
te voeren. 6
Tot slot kan eenieder principieel vrij bepalen hoe het contract rechtsgeldig tot stand komt en wat de
inhoud van de overeenkomst is.
Kort samengevat wordt volgens DAMBRE onder het principe van de contractvrijheid het volgende
verstaan:
“De aan ieder
individu toegekende bevoegdheid om
naar eigen goeddunken 7
rechtsverhoudingen in het leven te roepen en de inhoud daarvan te bepalen door middel van
het sluiten van overeenkomsten.” 8
10. De contractvrijheid leidt er dus toe dat eenieder steeds mag contracteren met wie men wil, wanneer
men wil en over wat of hoe men wil contracteren. Maar DAMBRE wijst ook terecht op het feit dat het
principe van de contractuele vrijheid verder ook kan betekenen dat partijen door hun loutere
4
Cass. 13 september 1991, Pas. 1992, I, 33 en RW 1991-92, 882, noot K. BROECIOC en de kritiek op dit arrest van
E. DIRIX en A. VAN OEVELEN, "Kroniek van het verbintenissenrecht (1985-1992)", RW 1992-93, 1209, nr. 5; A. VAN
OEVELEN en C. CAUFFMAN, “Contractsvrijheid, contractweigering en antidiscriminatie” in X., Bijzondere
overeenkomsten, Mechelen, Kluwer, 2008, 441.
5
Rb. Brugge 17 januari 1995, RW 1996-97, 1065.
6
M. TISON, "L'égalité de traitement dans Ia vie des affaires sousIeregard du droit beige", JT 2002, 705, nr. 38.
7
J. NIEUWENHUIS, Drie beginselen van contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1979, 6.
8
M. DAMBRE, De huurprijs, Brugge, Die Keure, 2009, 10.
6
wilsovereenstemming niet alleen verbintenissen kunnen scheppen, maar ook verbintenissen kunnen
wijzigen of doen uitdoven. 9
11. Het beginsel van de contractvrijheid mag echter niet verward worden met de theorie van de
wilsautonomie. Hoewel er relatief veel Belgische auteurs 10 zijn die de contractvrijheid en de
wilsautonomie praktisch als synoniemen hanteren, bestaat er toch onenigheid over de wisselwerking
tussen beide begrippen. Volgens de wilsautonomie beschikt eenieder over een vrije wil waaruit
wordt afgeleid dat ieder individu in beginsel ook vrij is om zijn eigen rechtspositie te bepalen, om vrij
te beslissen om al dan niet een overeenkomst te sluiten en om steeds vrij en naar goeddunken de
inhoud van de gesloten overeenkomst te bepalen. 11 Sommige auteurs 12 zijn van oordeel dat deze
wilsautonomie eerder een abstract begrip is waaruit de contractvrijheid als afzonderlijk sub beginsel
voortvloeit. Zij stellen dat het verband tussen het principe van de wilsautonomie en de
contractvrijheid evident lijkt doordat het principe van de wilsautonomie de vrijheid veronderstelt om
al dan niet contracten aan te gaan en om de persoon van de medecontractant te kiezen. 13 De
contractvrijheid kan volgens dit deel van de rechtsleer dus gezien worden als een toepassing van de
theorie van de wilsautonomie.
9
H. BOCKEN, F. DE LY, B. DE TEMMERMAN en R. KRUITHOF, "Overzicht van rechtspraak (1981-1992). Verbintenissen",
TPR 1994, 247, nr. 53; M. DAMBRE, De huurprijs, Brugge, Die Keure, 2009, 10; J. NIEUWENHUIS, “Contractvrijheid,
een weerbarstig beginsel” in T. HARTLIEF en C. STOLKER (eds.), Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 24.
10
C. CAUFFMAN, “Discriminatie bij bijzondere overeenkomsten”, RW 2006-07, 287; J. DABIN, "Autonomie de la
volonté et lois impératives, ordre public et bonnes moeurs, sanction de la dérogation aux lois, en droit interne",
e
Ann.dr. 1940, 194, nr. 4; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. II, Brussel, Bruylant, 1964, 3 ed.,
436-439, nrs. 461-462; J. DREXL, Die wirtschaftliche Selbstbestimmung des Verbrauchers, 1998, 293-294; K.
MARCHAND, “Toestemming. De overeenkomst: geldigheidsvoorwaarden”, in X., Bestendig Handboek
Verbintenissenrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, 18-19; A. VAN OEVELEN, “Kroniek van het verbintenissenrecht
(1993-2004)”, RW 2004-05, 1643, nr. 6.
11
12
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 19-22.
Zie bijvoorbeeld R. STEENNOT, “De impact van het privaat financieel recht op de wilsautonomie, de
contractvrijheid en het consensualisme”, Financial Law Institute: Working Paper Series 2010, 1; E. SWAENEPOEL,
Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 19-22; A. VAN OEVELEN, “Algemene
rechtsbeginselen in het verbintenissen- en contractenrecht” in M. VAN HOECKE (ed.), Algemene
rechtsbeginselen, Antwerpen, Kluwer, 1991, 104, nr. 8; P. VAN OMMESLAGHE, “L’autonomie de la volonté: du
Code civil à nos jours” in R. FELTKAMP en F. VANBOSSELE (eds.), Wilsautonomie, contractvrijheid en
ondernemingscontracten. Welke toekomst beschoren?, Antwerpen, Intersentia, 2011, 6, nr. 6.
13
J.F. ROMAIN, “La liberté de commerce et le refus de contracter”, TBBR 1994, (440) 445.
7
Een ander deel van de rechtsleer 14 is daarentegen overtuigd van de bewering dat de wilsautonomie
eerder een gevolgtrekking is van het beginsel van de contractvrijheid. Deze bewering is dus net het
tegenovergestelde van de eerste stelling van de rechtsleer. Volgens deze auteurs kan het beginsel
van de contractuele vrijheid an sich de contractuele gebondenheid niet rechtvaardigen hetgeen
duidelijk verschillend is aan de theorie van de wilsautonomie. De wilsautonomie bezit immers wel de
functie om de verbindende kracht van de wilsovereenstemming te verklaren doordat deze
gebondenheid mede tot stand komt door de gegeven toestemming van de contractpartijen. 15 Maar
om tot die toestemming te kunnen komen, is er uiteraard contractvrijheid nodig.
Ondanks de onenigheid in de rechtsleer is het dus toch wel duidelijk dat het beginsel van de
contractvrijheid en de theorie van de wilsautonomie zeer nauw met elkaar zijn verbonden.
2. Beperkingen op de contractvrijheid
12. Uit de voorafgaande bespreking van de contractvrijheid zou men verkeerdelijk tot de conclusie
kunnen komen dat deze contractuele vrijheid absoluut is. Reeds in de 19e eeuw werd namelijk
duidelijk dat deze vrijheid om te contracteren met wie men wil, wanneer men wil, hoe men wil en
waarover men wil, leidde tot een ongelijke behandeling van partijen, zowel op economisch, cultureel
als sociaal vlak. Daarom werden er reeds bij de opstelling van de Code Civil van 1804 verscheidene
beperkingen opgelegd aan de contractvrijheid.
13. Een eerste belangrijke begrenzing van de contractvrijheid volgt uit artikel 6 BW waarin het verbod
wordt neergeschreven om bij overeenkomst afbreuk te doen aan de wetten die de openbare orde of
de goede zeden betreffen.16 De wetgever beoogde met deze bepaling de hogere belangen van de
samenleving, alsook de morele waarden tussen partijen onderling, te behoeden voor misbruik en
onaanvaardbaar gedrag. Deze regelen van openbare orde hebben dus tot doel om de
maatschappelijke orde te beschermen. In samenhang met artikel 6 BW dienen ook de artikelen 1133
en 1131 BW in acht te worden genomen. Deze laatste bepalingen verduidelijken immers de controle
die de hoven en rechtbanken kunnen uitoefenen op het verbod zoals vermeld in artikel 6 BW. 17
14
Zie bijvoorbeeld J. NIEUWENHUIS, Drie beginselen van contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1979, 5-6; I.
VEROUGSTRAETE, “Wil en vertrouwen bij het totstandkomen van overeenkomsten”, TPR 1990, 1165 en 1168.
15
J. NIEUWENHUIS, Drie beginselen van contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1979, 6.
16
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 495.
17
P. WÉRY, “Le mobile illicite unilatéral, cause de nullité des actes juridiques”, RCJB 2003, 82.
8
Immers, volgens artikel 1133 BW heeft een overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak indien deze
strijdig is met de openbare orde of goede zeden. Bijgevolg kan deze overeenkomst dan namens
artikel 1131 BW geen gevolg hebben.
14. Vervolgens bestaan er ook recentere (Europese) beperkingen van de contractvrijheid, hoofdzakelijk
ingevolge de bescherming van de vrije mededinging binnen de Europese gemeenschappelijke markt.
Als voorbeeld van dergelijke beperking kan het discriminatieverbod worden vermeld dat zowel in het
EVRM, de Belgische Grondwet en de Belgische Antidiscriminatiewetgeving wordt erkend. 18
15. Ook het regime van de precontractuele aansprakelijkheid kan een beperking uitmaken van de
contractuele vrijheid. Zo kan de weigering om een overeenkomst te sluiten onder bepaalde
omstandigheden toch een inbreuk vormen. Meer bepaald een inbreuk op de algemene
zorgvuldigheidsnorm zoals neergeschreven in de artikelen 1382 en 1383 BW. Volgens deze
bepalingen kan deze onrechtmatige contractweigering namelijk aanleiding geven tot een
schadevergoeding.19 Een bespreking van deze beperking zou ons evenwel te ver doen uitwijden.
16. Belangrijk in de context van deze masterproef is de begrenzing van de contractvrijheid aan de hand
van dwingende regelgeving. 20 Een wet is immers dwingend wanneer haar toepasselijkheid niet kan
worden uitgesloten21, wat dus betekent dat contractpartijen gebonden zijn aan deze dwingende
wetsbepaling en dat ze dus niet langer over een absolute vrijheid beschikken om te contracteren.
Reeds in de 19e eeuw werd immers duidelijk dat de absolute vrijheid tot contracteren voor sterkere
contractpartijen er toe leidde dat er zo goed als niets meer overbleef van de individuele vrijheid van
de zwakkere, onwetende en ondeskundige contractpartij. Zo heeft de wetgever in de loop van de 20e
eeuw talloze dwingende wetsbepalingen uitgevaardigd die hoofdzakelijk de bescherming van deze
18
A. DE BOECK, “Contractweigering en het verbod van rechtsmisbruik; de contractvrijheid onder druk”, TBBR
2012, nr. 10, 492-493; N. VAN LEUVEN, Contracten en mensenrechten. Een mensenrechtelijke lezing van het
contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 94-123, nrs. 163-208.
19
A. DE BOECK, “Contractweigering en het verbod van rechtsmisbruik; de contractvrijheid onder druk”, TBBR
2012, nr. 10, 493; B. DE CONINCK, “Le droit commun de la rupture des negociations precontractuelles” in M.
FONTAINE (ed.), Le processus de formation du contrat, Brussel, Bruylant, 2002, 38, nr. 28; X. DIEUX, “Noot onder
Luik 20 oktober 1989”, TBH 1990, 531-532, nr. 4.
20
Infra randnummer 30 en volgende.
21
W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch privaatrecht. Algemeen deel, Brussel, Kluwer, 1987, 77, nr. 27.
9
zwakkere contractpartij tot doel hebben.22 De achterliggende reden voor de invoering van dergelijke
dwingende rechtsbepalingen is af te leiden uit het feit dat contractpartijen niet altijd gelijk zijn in
economisch, psychisch of sociaal opzicht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kleine consument versus
een machtige multinational als leverancier die in standaardbedingen haar wil oplegt omtrent de
voorwaarden waartegen zij bereid is om goederen of diensten af te staan. 23 De wetgever wou deze
ongelijkheid dan ook compenseren 24 door aan de hand van dwingende wetsbepalingen een grotere
gelijkheid tussen de contractpartijen te bewerkstelligen 25 en een groter evenwicht in de
contractvoorwaarden te bereiken. De wetgever trachtte deze gelijkheid hoofdzakelijk te
verwezenlijken door het uitvaardigen van dwingende rechtsregelen die er voor zorgen dat de
zwakker geachte contractpartij wordt behoed voor misbruik van de sociaaleconomisch sterkere partij
bij het aangaan van een contract. 26
Het resultaat van deze toename van dwingende rechtsregelen in het recht is dat het uitgangspunt
van de contractvrijheid erg onder druk is komen te staan. Enerzijds volgt men binnen het
contractenrecht het principe van de contractvrijheid en anderzijds wordt er aan deze contractuele
vrijheid, vaak drastisch, nieuwe grenzen opgelegd door regelen inzake dwingend recht ter
bescherming van de zwakkere contractpartij.
17. Hoewel deze beperkingen sterk uiteenlopen naar oorsprong, inhoud en vorm, worden ze dus toch
veelal op dezelfde wijze gerechtvaardigd. Immers, wanneer de contractuele vrijheid niet kan worden
gerealiseerd, of niet voor iedereen in dezelfde mate kan worden gerealiseerd, vormt deze vaststelling
een rechtvaardiging voor de beperking van de contractvrijheid. De beperking van de contractuele
22
S. STIJNS, Verbintenissenrecht. Themis. School voor postacademische juridische vorming, Brugge, die Keure,
2012, 21.
23
W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 48.
24
F. CHALVIGNAC, La rédaction d’un acte juridique: le bail commercial, Paris, L.G.D.J. 1999, 51, nr. 86; T. HARTLIEF,
De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming van de zwakkere partij in het
contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 12; N. HULS, "Sterke argumenten om zwakke contractpartijen te
beschermen" in T. HARTLIEF en C. STOLKER (eds.), Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 402.
25
R. KRUITHOF, “Leven en dood van het contract”, RW 1985-86, 2747, nr. 10; S. STIJNS en E. SWAENEPOEL, “De
evolutie van de basisbeginselen in het contractenrecht, geïllustreerd aan de hand van het contractueel
evenwicht” in I. SAMOY (ed.), Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia,
2010, nr. 21.
26
W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 85-91.
10
vrijheid van de ene partij wordt dan gerechtvaardigd door de bescherming van de contractuele
vrijheid van de andere partij. 27 De bescherming van de zwakkere partij speelt hierin dus een
belangrijke rol. Maar niet alleen deze beschermingsgedachte maar ook de overgang naar een meer
geleide economie en de groeiende betekenis van rechtspersonen en standaardvoorwaarden hebben
bijgedragen tot de beperkingen van de contractvrijheid. 28
18. Evenwel dient hierbij te worden opgemerkt dat deze beperkingen toch met grote omzichtigheid
moeten worden behandeld, vermits het principiële uitgangspunt van het Belgische contractenrecht
het beginsel van de contractvrijheid is en blijft.
27
T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming van de zwakkere
partij in het contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, nr. 15.
28
J.H. BEEKHUIS, Contract en contractsvrijheid, s.l., Groningen, 1953, 6 e.v.
11
12
HOOFDSTUK 2:
DWINGEND RECHT
19. Vooraleer ik dieper inga op de achterliggende beschermingsgedachte van dwingend recht dient het
begrip zelf eerst kort te worden toegelicht. In dit algemene hoofdstuk zal de nadruk dan ook
hoofdzakelijk worden gelegd op de definitie, kenmerken en gevolgen van dwingende rechtsregelen.
Ook wordt even stil gestaan bij de verschillende soorten en vormen van dwingend recht die zich
kunnen voordoen in het recht. Tot slot sluit ik dit hoofdstuk af met een afdeling inzake de herkenning
van dwingend recht. Deze herkenning is uiteraard van cruciaal belang voor deze masterproef. De
eerste stap die namelijk steeds dient te worden gemaakt in het onderzoek met betrekking tot
dwingende rechtsbepalingen is eerst het kwalificeren van de bepaling.
1. Begripsomschrijving: wat is dwingend recht?
1.1. Ontstaan van dwingend recht
20. In de wet wordt nergens expliciet een definitie gegeven van het begrip dwingend of imperatief recht.
Het is dan ook pas in 1956 dat het begrip dwingend recht in alle duidelijkheid wordt aanvaard door
het Hof van Cassatie in haar arrest van 6 december 1956.29 Uit dit arrest blijkt dat dwingende
rechtsregelen hoofdzakelijk de bescherming van private of particuliere belangen beogen. Zo werd in
casu het dwingend karakter van oud artikel 4, §1 van het KB 16 januari 1948 onder de loep genomen.
Deze dwingende bepaling legde namelijk een verbod op om een fiscale bijdrage ten laste te leggen
van de huurder van een onroerend goed. Het Hof besloot dan ook dat deze dwingende bepaling de
bescherming van de private belangen van de huurder voor ogen had.
21. Het dwingend recht wordt dus gekenmerkt door een beschermingsgedachte die oorspronkelijk is
ontstaan in hoofde van de wetgever. Aan het einde van de 19e eeuw 30 realiseerde de wetgever zich
immers dat overeenkomsten niet altijd tussen gelijkwaardige partijen worden gesloten. 31 Zich
bewust van deze bestaande machtsverhoudingen tussen bepaalde contractpartijen heeft de
29
Cass. 6 december 1956, Pas. 1957, I, 361, concl. procureur-generaal H. DE TERMICOURT, RCJB 1960, 156, noot G.
BAETEMAN.
30
Een periode gekenmerkt door het liberalisme en het principe van de contractvrijheid.
31
R. KRUITHOF, “Leven en dood van het contract”, RW 1985-86, 2740, nr.6.
13
wetgever in de loop van de 20e eeuw, vaak onder invloed van Europese normen 32, talloze moderne
en specifieke dwingende wetsbepalingen uitgevaardigd die de bescherming van de particuliere
belangen van bepaalde categorieën van zwakker geachte rechtsgenoten, zoals onder meer de
werknemer, de huurder, de pachter, de verzekeringsnemer, de consument en de concessiehouder
tot doel hebben. 33 De wetgever wou op deze manier de economische, sociale en culturele
ongelijkheden tussen de contractpartijen gelijk trekken. Er ontstond dus als het ware een soort van
ongelijkheidscompensatie 34 door middel van het uitvaardigen van dwingende wetsbepalingen ter
bescherming van de zwakker geachte contractpartij 35.
1.2. Draagwijdte van dwingend recht
22. De dag van vandaag bestaan er ontzettend veel wetteksten die tot doel hebben om de zwakkere
partij te beschermen binnen de contractrelatie. Enkele voorbeelden hiervan zijn dwingende regels
omtrent het ontslagrecht 36, omtrent de bescherming van huurders van een woonruimte 37, omtrent
de bescherming van de consument in het kader van een koopovereenkomst 38,... 39
32
Typisch ter bescherming van de consument.
33
X. DIEUX, “Le contract: instrument et objet de dirigisme” in X (ed.), Les obligations contractuelles, 1984, 271;
S. STIJNS, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, 38-39; S. STIJNS en E. SWAENEPOEL, “De evolutie van de
basisbeginselen in het contractenrecht, geïllustreerd aan de hand van het contractueel evenwicht” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 4; E. SWAENEPOEL,
Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 497.
34
F. CHALVIGNAC, La rédaction d’un acte juridique: le bail commercial, Paris, L.G.D.J. 1999, 51, nr. 86; T. HARTLIEF,
De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming van de zwakkere partij in het
contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 12; N. HULS, "Sterke argumenten om zwakke contractpartijen te
beschermen" in T. HARTLIEF en C. STOLKER (eds.), Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 402.
35
S. STIJNS en E. SWAENEPOEL, “De evolutie van de basisbeginselen in het contractenrecht, geïllustreerd aan de
hand van het contractueel evenwicht” in I. SAMOY, Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht,
Antwerpen, Intersentia, 2010, 1; P. WÉRY, Droit des obligations, Brussel, Larcier, 2010, 43, nr. 30; S. STIJNS,
Verbintenissenrecht. Themis. School voor postacademische juridische vorming, Brugge, die Keure, 2012, 21.
36
Regeling voorzien in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, BS 22 augustus 1978
(hierna verkort “WAO”).
37
Wet 20 februari 1991 betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de
huurder in het bijzonder, BS 22 februari 1991 (hierna verkort “WHW”).
38
Artikel 1649bis e.v. BW; Wet 1 september 2004 bepalingen met betrekking tot de verkopen aan
consumenten, BS 1 januari 2005.
14
Maar de beschermingsgedachte van de wetgever reikt tegenwoordig evenwel verder dan alleen
maar de bescherming van de particuliere belangen van de zwakke partij. Zo bestaan er, evenwel in
mindere mate, ook dwingende wetsbepalingen ter bescherming van de particuliere belangen van de
sterke partij, zoals bijvoorbeeld de werkgever, de handelaar of de verhuurder en dwingende
wetsbepalingen ter bescherming van de particuliere belangen van beide contractpartijen,
bijvoorbeeld de huurder en verhuurder.40
23. De kern van deze dwingende bescherming bestaat uit het feit dat de betrokken contractpartijen er,
noch in het belang van derden, noch in het belang van de rechtsorde of van individuele personen,
rechtsgeldig van kunnen afwijken bij overeenkomst.41 De wetgever bepaalde immers dat de regelen
die dwingend recht bevatten van zodanig belang zijn dat de contractpartijen steeds worden verplicht
om zich daaraan te houden, zelfs als de contracterende partijen het met elkaar eens zijn om van de
dwingende regeling af te wijken en om in een eigen regeling te voorzien. Dwingend recht prevaleert
dus steeds via zijn primaire werking 42 doordat het van toepassing is en blijft ongeacht een afwijkende
contractuele regeling van de contractpartijen. De toepasselijkheid van de betrokken dwingende
bepaling kan dus met andere woorden niet worden uitgesloten. Zo houdt dwingend recht, volgens
HIJMA, twee zaken in, enerzijds een regel en anderzijds een verbod op een beding dat in strijd is met
die regel. 43 Ieder afwijkend beding, dat strijdig wordt bevonden met een dwingende rechtsregel,
wordt immers gesanctioneerd met de relatieve nietigheid. 44
39
Al deze wettelijke bepalingen houden immers rekening met de ongelijkheid van de contractpartijen binnen
de arbeids-, huur- en koopovereenkomst.
40
Infra randnummer 24 e.v. inzake het onderscheid tussen eenzijdig en meerzijdig dwingend recht.
41
J. DABIN, “Autonomie de la volonté et lois impératives, ordre public et bonnes moeurs, sanction de la
dérogation aux lois en droit privé interne”, Annales de Droit et de Sciences Politiques 1939-40, T. VIII, 19391940, 190-247; W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen Deel, Antwerpen-Utrecht, 1973,
74.
42
43
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2009, 2.
J. HIJMA, C.C. VAN DAM, W.A.M. VAN SCHENDEL en W.L. VALK, Rechtshandeling en overeenkomst, Deventer,
Kluwer, 2007, Nr. 271.
44
Infra randnummer 63 e.v.
15
2. Soorten dwingend recht
2.1. Eenzijdig en meerzijdig dwingend recht
24. Binnen het Belgisch recht kunnen verscheidene varianten van dwingend recht worden
onderscheiden. Zoals reeds gezien bestaat de belangrijkste eigenschap van een dwingende
rechtsbepaling uit het feit dat de contractpartijen er in geen geval van kunnen afwijken. Evenwel
dient er hier een bepaalde nuance, in de vorm van een eerste variant op het dwingend recht, te
worden gemaakt. Zo kan een dwingende bepaling, afhankelijk van de omstandigheden, eenzijdig of
meerzijdig dwingend zijn. 45
25. In geval van eenzijdig dwingend recht verbiedt de dwingende bepaling slechts een afwijking ten
nadele van één van de partijen. Deze eenzijdige dwingende bepaling dient dus slechts het belang van
één contractpartij. Dit zal in het merendeel van de gevallen de contractpartij zijn die zich in een
zwakke positie bevindt. 46 Een voorbeeld van dergelijke eenzijdige dwingende bepaling kan worden
teruggevonden in artikel 6 WAO dat de bescherming van de werknemer beoogt door middel van
iedere afwijking ten nadele van de werknemer te verbieden:
“Alle met de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten strijdige bedingen zijn
nietig voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten of zijn
verplichtingen te verzwaren.”
26. In het tweede geval daarentegen, ook nog meerzijdig dwingend recht genoemd, wordt iedere
conventionele afwijking uitgesloten. Deze bepaling dient dus het belang van beide partijen. 47
Dergelijke meerzijdige dwingende bepaling wordt onder meer verwoord in artikel 6
45
P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 125, nr. 7.
46
A.R. HOUWELING en L.J.M. LANGEDIJK, “Dwingend recht in het arbeidsovereenkomstenrecht: van confectie naar
couture”, Arbeidsrechtelijke Annotaties 2011 (10) 1, 18; P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec
l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY, Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht,
Antwerpen, Intersentia, 2010, 125, nr. 7.
47
H.J. SNIJDERS, “Maten van dwingend recht”, in T. HARTLIEF en C.J.J.M. STOLKER, Contractvrijheid, Deventer,
Kluwer, 1999, 162; P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière
contractuelle” in I. SAMOY, Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia,
2010, 125, nr. 7.
16
Handelshuurwet 48 dat, inzake de herziening van de huurprijs, zowel de belangen van de huurder als
die van de verhuurder beschermt 49:
“Bij het verstrijken van elke driejarige periode hebben partijen het recht aan de vrederechter
herziening van de huurprijs te vragen, mits zij bewijzen dat de normale huurwaarde van het
gehuurde goed ten gevolge van nieuwe omstandigheden ten minste 15 % hoger of lager is
dan de huurprijs die in de huurovereenkomst is bepaald of bij de laatste herziening is
vastgesteld.De rechter doet uitspraak naar billijkheid, zonder te letten op het gunstig of
ongunstig rendement dat uitsluitend aan de huurder is toe te schrijven.”
27. Deze variant is van groot belang in het kader van deze masterproef. Door middel van het onderscheid
tussen eenzijdig en meerzijdig dwingend recht kan immers afgeleid worden dat de wetgever niet
alleen de bescherming van de particuliere of private belangen van de zwakker geachte partij voor
ogen had bij het uitvaardigen van sommige dwingende wetsbepalingen, maar ook de bescherming
van de particuliere belangen van beide partijen.
Een eerste manier waarop dit onderscheid kan worden bepaald, is dus door het bekijken van de
dwingende wet an sich. Zo kan uit de bewoording van artikel 6 WAO duidelijk worden verstaan dat
de wetgever enkel de bescherming van de particuliere belangen van de werknemer ten aanzien van
de werkgever voor ogen had, terwijl de bewoording van artikel 6 HHW duidelijk aangeeft dat de
wetgever zowel de particuliere belangen van de verhuurder als die van de huurder beoogde te
beschermen.
Bovendien is het ook perfect mogelijk dat eenzelfde wet verschillende combinaties van deze variant
omvat.50 Eenzelfde wet kan immers zowel meerzijdig dwingende bepalingen, in het belang van beide
partijen, als eenzijdig dwingende bepalingen in het voordeel van één partij, met name de zwakke
contractpartij, en eenzijdig dwingende bepalingen in het voordeel van de andere contractpartij, met
name de sterke contractpartij bevatten. De Handelshuurwet zorgt hier voor een mooie illustratie. Zo
is artikel 6 HHW een dwingende bepaling die het particuliere belang van beide partijen, meer
48
Wet 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten met het oog op de bescherming van het handelsfonds,
BS 30 mei 1951 (hierna verkort “HHW”).
49
Cass. 25 april 2003, Pas. 2003, 887 en TBBR 2005, 42, noot P. WÉRY.
50
P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 125, nr. 7, voetnoot 13.
17
bepaald van de huurder en verhuurder, dient. 51 Artikel 3 HHW, met betrekking tot de minimumduur
van de handelshuurovereenkomst, is dan weer een dwingende bepaling ter bescherming van de
particuliere belangen van de zwakke partij, met name de huurder. 52 Tot slot vormt artikel 14 HHW,
betreffende de voorwaarden inzake de verlenging van de handelshuurovereenkomst, een dwingende
bepaling ter bescherming van de particuliere belangen van de andere sterke partij, met name de
verhuurder. 53 De motieven van de wetgever achter deze beschermingsgedachte worden in de loop
van deze masterproef nog uitgebreid besproken. 54
2.2. Positief en negatief dwingend recht
28. Een volgende variant heeft betrekking op de inhoud van een dwingende rechtsbepaling. Zo kan er
volgens WÉRY een onderscheid worden gemaakt naargelang de inhoud van een dwingende bepaling
positief dan wel negatief is. 55
29. Bij een positieve of gebiedende inhoud legt de wetgever een bepaalde regel op die de
contractpartijen dienen te eerbiedigen in hun contract. Dit wordt ook nog de wettelijke of
reglementaire gebodsbepaling genoemd. Zo kan de wetgever bepaalde precontractuele
verplichtingen opleggen 56 of bepaalde verplichtingen voorschrijven die de contractpartijen gebieden
om een bepaalde verbintenisrechtelijke inhoud op te nemen in hun overeenkomst 57. Een positief
dwingend karakter kan dus op verschillende manieren tot uiting worden gebracht, bijvoorbeeld in
het opleggen van bepaalde informatieverplichtingen of van bepaalde (vorm)formaliteiten, zoals het
schriftelijk opstellen van een overeenkomst, of in het opleggen van bepaalde regelen die een
51
Cass. 25 april 2003, RGDC 2005, 42, noot P. WÉRY.
52
C. DELFORGE en Y. NINANE, “La durée dus bail commercial”, in X, Le bail commercial, Collection, droit du bail,
Brugge, La Charte, 2008, 58 e.v.
53
Cass. 19 juni 1992, Pas. 1992, I, 928.
54
Infra randnummer 162 e.v.
55
P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 125, nr. 8.
56
Bijvoorbeeld wet 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële
samenwerkingsovereenkomsten, BS 18 januari 2006.
57
Bijvoorbeeld de WAO waarbij de wetgever bepaalde rechten en verplichtingen oplegt met betrekking tot de
relatie van de werknemer en werkgever binnen het kader van een arbeidsovereenkomst.
18
particulier belang beogen te beschermen. 58 Bovendien dient steeds voor ogen te worden gehouden
dat het positief dwingend karakter zowel op enkele specifieke clausules van een overeenkomst kan
slaan als op een eenzijdige rechtshandeling, zoals bijvoorbeeld de opzegging die moet worden
gegeven om een particuliere huurovereenkomst te beëindigen.
30. Bij een negatieve of verbiedende inhoud legt de wetgever daarentegen een verbod op aan de
contractpartijen om bepaalde vormen van clausules of om bepaalde contractuele afspraken op te
nemen in hun contract. Het meest typische voorbeeld van dergelijke dwingende verbodsbepalingen
vindt men terug in artikel 74 van de Wet Marktpraktijken en Consumentenbescherming 59. Dit artikel
bevat namelijk een exhaustieve zwarte lijst met onrechtmatige bedingen 60 die worden verboden
binnen de contractverhouding van een onderneming 61 en een consument 62. Een willekeurig
voorbeeld hierbij is artikel 74, 24° WMPC:
“In de overeenkomsten gesloten tussen een onderneming en een consument zijn in elk geval
onrechtmatig de bedingen en voorwaarden of de combinaties van bedingen en voorwaarden
die ertoe strekken in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de
verbintenissen van de consument, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die duidelijk
niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden.”
Kort samengevat verbiedt deze paragraaf het inlassen van bovenmatige schadebedingen in de
overeenkomst gesloten tussen een onderneming en een consument.
58
G.L. BALLON, K. GEENS, J. STUYCK en E. TERRYN, Inleiding tot het economisch recht, 2009, Mechelen, Kluwer, 10; H.
JACQUEMIN, “La nullité comme sanction de l’inobservation du formalisme contractuel” in X, La nullité des
contracts, Brussel, Larcier, 2006, 87 e.v.; H. JACQUEMIN, Le formalisme contractuel. Mécanisme de protection de
la partie faible, Brussel, Larcier, 2010; H. JACQUEMIN, “Le formalisme de protection de la partie faible au rapport
contractuel” in X, Annales Droit Louvain, 2010, 3; P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec
l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY, Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht,
Antwerpen, Intersentia, 2010, 125, nr. 8.
59
Wet 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, BS 12 april 2010 (hierna verkort
“WMPC”).
60
Definitie onrechtmatige bedingen volgens artikel 2, 28° WMPC.
61
Definitie onderneming volgens artikel 2, 1° WMPC.
62
Definitie consument volgens artikel 2, 3° WMPC.
19
31. Ook hier kan eenzelfde wettekst zowel positief als negatief dwingende bepalingen combineren. Ter
illustratie kan hier verwezen worden naar het KB van 12 januari 2007 63. Dit KB bevat immers zowel
positief dwingende bepalingen, zoals bijvoorbeeld artikel 2 KB dat bepaalde bedingen gaat
vooropstellen die moeten worden opgenomen in de bemiddelingsovereenkomst, als negatief
dwingende bepalingen, zoals artikel 3 KB dat een verbod oplegt om bepaalde voorwaarden en
bedingen op te nemen in de bemiddelingsovereenkomst. 64
3. Herkennen van een bepaling van dwingend recht
32. Het is van belang om steeds voor ogen te houden dat de dwingende aard van een bepaling niet
noodzakelijk betrekking heeft op de wet in zijn geheel. Zo kan eenzelfde wet bepalingen bevatten die
enerzijds van dwingende aard zijn en anderzijds van aanvullende aard 65. Denk hierbij bijvoorbeeld
aan de wet inzake de handels- en woninghuur. Bovendien kan eenzelfde wet ook bepalingen
bevatten die enerzijds een dwingend karakter hebben en die anderzijds de openbare orde 66 raken.
Hier vormt de zwarte lijst inzake onrechtmatige bedingen van de WMPC 67 een goede illustratie. 68
33. Binnen het kader van dwingend recht is het dus steeds belangrijk om te weten hoe bepalingen van
dwingend recht kunnen worden herkend en hoe deze te onderscheiden zijn van bepalingen inzake
aanvullend recht en van de openbare orde en goede zeden. Daarom bestaan er ook enkele richtlijnen
die van nut kunnen zijn inzake het maken van dit onderscheid.
34. Vooreerst kan het dwingende of imperatieve karakter van een bepaling herkend worden aan de
formulering van de wettekst zelf, bijvoorbeeld aan de bewoording “kan niet”, “mag niet”,… Sommige
63
Koninklijk besluit 12 januari 2007 betreffende het gebruik van bepaalde bedingen in de
bemiddelingsovereenkomsten van vastgoedmakelaars, BS 19 januari 2007.
64
P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 125, nr. 8.
65
Zie definitie infra randnummer 46 e.v.
66
Zie definitie infra randnummer 50 e.v.
67
Artikel 74 WMPC.
68
P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 124, nr. 5.
20
dwingende bepalingen bepalen zelfs explicitiet dat ze van dwingende aard zijn. Een voorbeeld
hiervan is artikel 3 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst 69:
“De bepalingen van deze wet zijn van dwingend recht, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt
dat de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bedingen”.
35. Maar het dwingende karakter is niet altijd even eenvoudig uit de tekst van de wet op te maken. Zo
bestaan er ook nog andere formuleringen waaruit slechts impliciet kan worden afgeleid dat de
bepaling een dwingend karakter heeft. Ter illustratie kan hier verwezen worden naar een formulering
die door haar absoluutheid of krachtdadigheid elke afwijking uitsluit 70:
“Dwingende bepalingen waarvan, vaak op straffe van nietigheid of van het voor niet
geschreven houden van andersluidende contractuele bepalingen, niet kan worden afgeweken
door de vrije wilsvorming van partijen”.
Gelijkaardige
formuleringen kan men onder meer terugvinden in artikel 3 van de
Reiscontractenwet 71,
artikel
3
van
de
wet
Hypothecair
Krediet 72
en artikel 4
Wet
Consumentenkrediet 73.
36. Maar zowel de expliciete als de impliciete formulering van dergelijke dwingende bepalingen zijn op
zichzelf niet altijd doorslaggevend. Deze formuleringen bieden wel een duidelijk onderscheid tussen
de regelen van dwingend recht en de regelen van aanvullend recht, maar dergelijke bepalingen
kunnen evenwel nog steeds zowel over een dwingend karakter beschikken als de openbare orde
raken. Om dit onderscheid beter te kunnen maken, dient men vooreerst na te gaan of de
nietigheidssanctie uitdrukkelijk wordt vermeld in de wettekst zelf. Een rechtshandeling die strijdig is
met een bepaling van dwingend recht zal immers gesanctioneerd worden met een relatieve
nietigheid, terwijl een strijdigheid met een bepaling van openbare orde steeds zal beteugeld worden
met een absolute nietigheid. 74
69
Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, BS 20 augustus 1992.
70
Cass. 31 januari 1964, RW 1964-65, 633; W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen
Deel, Brussel, Kluwer, 1987, 74.
71
Wet 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganistaie en reisbemiddeling, BS 1 april 1994
(hierna verkort “Reiscontractenwet”).
72
Wet 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, BS 19 augustus 1992.
73
Wet 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, BS 6 augustus 1991.
74
Infra randnummer 63 e.v.
21
Als er echter geen melding wordt gemaakt van de sanctie in de wettekst dan biedt de auteur VAN
GERVEN een extra richtlijn aan. Zo bepaalt deze auteur dat als de wettekst zelf, geïnterpreteerd op de
gebruikelijke manier, geen uitkomst biedt dat artikel 6 BW een extra criterium kan aangeven 75:
“Aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen, kan door bijzondere
overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan”.
Aan de hand van dit artikel kan dus worden vastgesteld dat alle wetten die de openbare orde en de
goede zeden raken tevens over een dwingend karakter beschikken. 76 Maar het omgekeerde is echter
niet het geval. Niet alle dwingende wetten raken immers de openbare orde en de goede zeden. 77
37. Niet alleen artikel 6 BW maar ook de voorbereidende werken en de systematiek van de dwingende
wetsbepaling zelf bieden een richtlijn aan om het onderscheid te kunnen maken tussen bepalingen
die enkel een dwingend karakter hebben en dwingende bepalingen die tevens de openbare orde en
de goede zeden betreffen. Als een wet door de rechter moet worden toegepast dan zal deze rechter
immers in het licht van de voorbereidende werken en de systematiek van deze wet onderzoeken of
de wettekst enkel tot doel heeft om het algemeen belang te beschermen dan wel de bescherming
van de particuliere belangen tot voornaamste doel heeft. 78 De rechter gaat dus met andere woorden
de bedoeling van de wetgever 79 en de strekking van de bepaling na.
75
W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen deel, Brussel, Kluwer, 1987, 74.
76
G. BAETEMAN, “Les effets des dispositions légales impératives protégeant des intérêst privés, RCJB 1960, 163;
J. DABIN, “Autonomie de la volonté et lois impératives, ordre public et bonnes moeurs, sanction de la
dérogation aux lois en droit privé interne”, Annales de Droit et de Sciences Politiques 1939-40, T. VIII, 19391940, 207; W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen deel, Brussel, Kluwer, 1987, 74.
77
Voor een beter overzicht van het onderscheid tussen dwingend recht en openbare orde en goede zeden infra
randnummer 57 e.v.; G. BAETEMAN, “Les effets des dispositions légales impératives protégeant des intérêst
privés, RCJB 1960, 164; J. DABIN, “Autonomie de la volonté et lois impératives, ordre public et bonnes moeurs,
sanction de la dérogation aux lois en droit privé interne”, Annales de Droit et de Sciences Politiques 1939-40, T.
VIII, 1939-1940, 211; W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen deel, Brussel, Kluwer,
1987, 74.
78
Voor een beter overzicht van het onderscheid tussen dwingend recht en openbare orde en goede zeden infra
randnummer 57 e.v.; P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière
contractuelle” in I. SAMOY, Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia,
2010, 125, nr. 6.
79
Ook nog de ratio legis genoemd.
22
4. Rechtsvergelijkende noot: Nederland
4.1. Begripsomschrijving dwingend recht
38. Ook in het Nederlandse recht wordt er gesproken van dwingend recht. In deze rechtsorde vertoont
het begrip gedeeltelijk hetzelfde en gedeeltelijk afwijkende betekenisnuances. Zo wordt er in artikel
1 van de inleidende titel van het Ontwerp Nieuw Burgerlijk Wetboek een definitie gegeven van
dwingend recht dat zegt de toepasselijkheid van een dwingende bepaling niet kan worden
uitgesloten, of slechts door een rechthandeling die aan bijzondere wettelijke vereisten voldoet. 80 In
het Belgische recht bestaat er daarentegen geen uitdrukkelijke uitzondering op het imperatieve of
verplichtende karakter. De regel blijft dus in België dat partijen niet van de dwingende rechtsbepaling
kunnen afwijken, zelfs niet aan de hand van een bijzondere rechtshandeling.
39. Een voorbeeld van een uitzondering op het verbod van het sluiten van een afwijkend beding kan
gevonden worden in het Nederlandse huurrecht. Zo biedt artikel 7:291, lid 2 NBW de mogelijkheid
aan elk van de contractpartijen om afwijkende bedingen ten nadele van de huurder voor te leggen
aan de rechter. De rechter beschikt dan over de mogelijkheid om deze afwijkende bedingen al dan
niet goed te keuren. Maar deze goedkeuring kan echter enkel op voorwaarde dat de rechten van de
huurder 81 niet wezenlijk worden aangetast door het afwijkend beding of op voorwaarde dat de
maatschappelijke positie van de huurder, in vergelijking met die van de verhuurder, zodanig is dat hij
in redelijkheid geen bijzondere bescherming van de wet 82 nodig heeft. De rechter zal zich dus zowel
in het betrokken afwijkend beding als in de onderlinge maatschappelijke positie van de
contractpartijen moeten verdiepen. 83
Slechts als de rechter van oordeel is dat dergelijk afwijkend beding voldoet aan deze voorwaarden zal
hij zijn goedkeuring geven. Deze goedkeuring zal bovendien telkens gemotiveerd worden in het
kader van de concrete omstandigheden. Vanaf de goedkeuring kan het afwijkend beding dan ook
niet langer worden vernietigd.
80
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 2.
81
Zoals bepaald in de dwingende artikelen 7:290 e.v. NBW.
82
Zoals bepaald in artikel 7:290, lid 3 NBW.
83
G.M. KERPESTEIN, Huurrecht bedrijfsruimte, Den Haag, Sdu Uitgevers, 2007, 452 en 454.
23
Uit deze regeling kan afgeleid worden dat het vooral de verhuurder is die belang heeft bij de
goedkeuring van het afwijkend beding ten nadele van de huurder. 84 Want zonder de goedkeuring van
de rechter kan de huurder zich naar goeddunken op het beding beroepen, of het laten vernietigen,
zonder enige inspraak van de verhuurder.
Tot slot is het hier nog van belang om te benadrukken dat de rechter altijd zelf zal beoordelen of het
beding het toetsingscriterium kan doorstaan, zelfs als de huurder en verhuurder het eens zijn
geworden over de inhoud van het afwijkend beding.
4.2. Soorten dwingend recht
40. Ook in Nederland bestaan er varianten van dwingende rechtsbepalingen die vergelijkbaar zijn met
die van het belgische recht. Zo wordt er bijvoorbeeld ook een onderscheid gemaakt tussen
eenzijdig 85 en meerzijdig dwingend recht. 86 De betekenis van dergelijke begrippen is volledig analoog
aan de Belgische definities die aan deze begrippen worden gegeven. De Nederlandse auteur SNIJDERS
schetst evenwel nog een aantal bijkomende varianten die niet worden besproken in het Belgische
recht. 87 Zo maakt de auteur ook een onderscheid tussen tijdelijk dwingend recht 88, waarvan een
afwijking slechts na een bepaald tijdstip, meer bepaald na het ontstaan van de verbintenis, kan
worden toegestaan, en definitief dwingend recht, waarvan iedere afwijking steeds wordt
uitgesloten. 89
41. Een ander onderscheid dat wordt gemaakt door deze auteur is het onderscheid tussen bepalingen
waarvan geen goedenrechtelijke afwijking, maar wel enkel een verbintenisrechtelijke afwijking
84
M.F.A. EVERS, Huurrecht bedrijfsruimte, Deventer, Kluwer, 2003, nr. 4.2; G.M. KERPESTEIN, Huurrecht
bedrijfsruimte, Den Haag, Sdu Uitgevers, 2007, 451.
85
Bijvoorbeeld artikel 7:209 NBW ter bescherming van de huurder.
86
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 7-8.
87
H.J. SNIJDERS, “Maten van dwingend recht”, in T. HARTLIEF en C.J.J.M. STOLKER, Contractvrijheid, Deventer,
Kluwer, 1999, 159-163.
88
Bijvoorbeeld artikel 8:520 en artikel 7:628, lid 5 en 7 NBW.
89
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 8; H.J. SNIJDERS, “Maten van dwingend
recht”, in T. HARTLIEF en C.J.J.M. STOLKER, Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 163.
24
mogelijk is. 90 In Nederland wordt immers algemeen aanvaard dat goederenrecht in principe
dwingend van aard is, tenzij anders is bepaald of tenzij uit de materie anders voortvloeit. 91 Een
afwijking van deze dwingende bepalingen is dus in principe niet mogelijk. Het verbintenissenrecht is
daarentegen in beginsel van aanvullende aard, tenzij anders uit de wet voortvloeit. Dit betekent dat
een afwijking van deze regelen steeds mogelijk wordt geacht. 92
42. Een laatste bijkomend onderscheid kan gevonden worden in wat de auteur SNIJDERS het onderscheid
tussen super dwingend recht en normaal dwingend recht noemt. 93 Onder super dwingend recht
verstaat hij het dwingend recht dat tevens van openbare orde is, terwijl normaal dwingend recht dan
weer dwingend recht is waarbij de openbare orde niet van toepassing is. Artikel 3:40 NBW vormt in
dit kader een zeer belangrijke grond. Zo bevat lid 1 van dit artikel een bepaling van super dwingend
recht:
“Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de
openbare orde, is nietig.”
Terwijl lid 2 van artikel 3:40 NBW dan weer een bepaling van normaal dwingend recht uitlegt:
“Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch,
indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige
rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking
van de bepaling anders voortvloeit.”
90
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 9; H.J. SNIJDERS, “Maten van dwingend
recht”, in T. HARTLIEF en C.J.J.M. STOLKER, Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 163.
91
A. HARTKAMP, Compendium van het vermogensrecht voor de rechtspraktijk, Deventer, Kluwer, 2005, nr 31;
E.H. HONDIUS, “Dwingend recht” in E.H. HONDIUS en C.C. VAN DAM, Het nieuw BW in 400 trefwoorden: gids bij het
e
hanteren van de boeken 3 tot en met 7 Nieuw Burgerlijk Wetboek, 2 druk, Deventer, Kluwer, 1990, 94; M.A.
LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 9; H.J. SNIJDERS, “Maten van dwingend recht”, in
T. HARTLIEF en C.J.J.M. STOLKER, Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 163, noot 28.
92
Voor de definitie en kenmerken van aanvullend recht infra randnummer 46 e.v.
93
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 9; H.J. SNIJDERS, “Maten van dwingend
recht”, in T. HARTLIEF en C.J.J.M. STOLKER, Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 159-160.
25
Artikel 3:40 NBW wordt evenwel verder uitgebreid besproken in de nietigheidsregeling van het
dwingend recht. 94 Ook in het Belgisch recht is dergelijk onderscheid tussen dwingend recht en
dwingend recht dat tevens de openbare orde raakt van belang. 95
4.3. Bijzonder: gradaties van dwingend recht
43. Bijzonder aan het Nederlands recht zijn de gradaties die worden gemaakt binnen het dwingend
recht. 96 Zo werd er voor het eerst een systematiek van verschillende gradaties van dwingend recht
geïntroduceerd met de Nederlandse wet op de Arbeidsovereenkomsten van 1907. 97 Daarin werd er
een onderscheid gemaakt tussen dwingend recht, semidwingend recht, driekwart dwingend recht,
vijf-achtste dwingend recht en aanvullend recht. Hierdoor beoogde de wetgever een evenwicht te
bekomen tussen de arbeidsregelen die een dwingend karakter hebben en de arbeidsregelen die door
sociale partners of door middel van onderhandeling tussen de individuele werkgever en werknemer
tot stand worden gebracht.98
44. Nu is dit getrapte stelsel, variërend van dwingend recht naar aanvullend recht, reeds uitgegroeid tot
het gehele Nederlandse vermogensrecht in de ruime zin. Belangrijk in deze context is dat al deze
gradaties van dwingend recht, overeenkomstig artikel 3:40, 2e en 3e lid NBW principieel nietig 99
zijn. 100
94
Infra randnummer 73 e.v.
95
Infra randnummer 57 e.v.
96
H.J. SNIJDERS, “Maten van dwingend recht”, in T. HARTLIEF en C.J.J.M. STOLKER, Contractvrijheid, Deventer,
Kluwer, 1999, 153.
97
C. ASSER, mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, Deel 7-V.
Bijzondere overeenkomsten, Arbeidsovereenkomst, collectieve arbeisovereenkomst en
ondernemingsovereenkomst, Deventer, Kluwer, 2008, 11-12; M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht,
Deventer, Kluwer, 2000, 6 en 16-17.
98
Kamerstukken II 1996-97, 25426, nr.1; M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 16.
99
A.S. HARTKAMP, mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, met
medewerking van prof. Mr. Drs. C.H. Sieburgh, Deel 4-II. Verbintenissenrecht, Algemene leer der
e
overeenkomsten, 12 druk, Deventer, Kluwer, 2005, nr. 246; A.S. HARTKAMP, Compendium van het
vermogensrecht voor de rechtspraktijk, Deventer, Kluwer, 2005, nr. 31; E.H. HONDIUS, “Dwingend recht” in E.H.
HONDIUS en C.C. VAN DAM, Het nieuw BW in 400 trefwoorden: gids bij het hanteren van de boeken 3 tot en met 7
26
Vooreerst zijn er de bepalingen van dwingend recht waarvan iedere contractuele afwijking principieel
wordt uitgesloten. Een voorbeeld hiervan is artikel 7:445, lid 1 NBW waarin uitdrukkelijk wordt
bepaald dat er van de opgesomde artikelen niet kan worden afgeweken.
Ten tweede zijn er de bepalingen van semidwingend recht waarbij de partijen slechts in bepaalde
vormen mogen afwijken van de regeling. Willekeurig kan hier verwezen worden naar artikel 7:864,
lid 2 NBW waarin wordt bepaald dat partijen slechts van een dwingende bepaling, met betrekking tot
het aangaan van een borgtocht, kunnen afwijken indien dit geschiedt bij een door de opdrachtgever
ondertekend geschrift waarin de aard van de afwijking wordt omschreven en indien het een
opdracht betreft aan een bank of andere instelling die haar bedrijf van het verstrekken van
borgtochten maakt.
Ten derde zijn er de bepalingen van driekwart dwingend recht waarvan slechts kan worden
afgeweken bij een hogere regeling, bijvoorbeeld bij collectieve arbeidsovereenkomst in het kader
van het Nederlandse arbeidsrecht. Zo bepaalt artikel 7:628, lid 7 NBW dat er van dit artikel slechts,
ten nadele van de werknemer, kan worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
Een nieuwe ontwikkeling is die van de invoering van vijf-achtste dwingend recht. Bij deze bepalingen
kan, binnen het kader van het Nederlands arbeidsrecht, steeds worden afgeweken bij
ondernemingsovereenkomst.
Tot slot zijn er de bepalingen van aanvullend recht waarvan de contractpartijen steeds mogen
afwijken. Ter illustratie kan hier verwezen naar worden naar artikel 6:250 NBW waarin uitdrukkelijk
wordt bepaald dat er bij overeenkomst kan worden afgeweken van bepaalde artikelen.
e
Nieuw Burgerlijk Wetboek, 2 druk, Deventer, Kluwer, 1990, 93-94; M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht,
Deventer, Kluwer, 2000, 7.
100
Zie hierover meer in de bespreking van de nietigheidsregeling van dwingend recht, randnummer 63 e.v.
27
28
HOOFDSTUK 3:
AFBAKENING VAN DWINGEND RECHT
45. In dit laatste algemene hoofdstuk wordt een afbakening gemaakt tussen enerzijds dwingend recht en
de rechtsregelen van aanvullend recht en anderzijds tussen dwingend recht en de regelen van
openbare orde en goede zeden. Vooral deze laatste afbakening vormt een belangrijk aspect voor
deze masterproef. Zo speelt het onderscheid tussen dwingend recht en de openbare orde vooreerst
een belangrijke rol inzake de beschermingsgedachte. Dwingend recht beschermt immers de
particuliere belangen van partijen, terwijl de regelen van openbare orde dan weer het algemeen
belang beogen te beschermen. Er zal hier dan ook een onderscheid gemaakt worden tussen
dwingend recht sensu stricto dat louter de particuliere belangen van de partijen beoogt te
beschermen en dwingend recht sensu lato, dat tevens de openbare orde raakt en het algemeen
belang beoogt te beschermen. Vervolgens brengt het onderscheid tussen dwingend recht en de
openbare orde belangrijke gevolgen met zich mee op vlak van de nietigheid.
1. Onderscheid met aanvullend recht
46. Tegenover het dwingend recht staat het aanvullend of suppletief recht 101. Het meest kenmerkende
onderscheid tussen dwingend en aanvullend recht is dat de contractpartijen bij aanvullend recht
steeds over de mogelijkheid beschikken om bij overeenkomst van de wet af te wijken, terwijl dit bij
dwingend recht niet het geval is. 102 In dwingend recht ligt dus als het ware een dubbel bevel vervat,
met name een bevel aan de particulieren om de dwingende bepaling niet terzijde te schuiven en een
bevel aan de staatsorganen, die belast zijn met de handhaving van de wet 103, om de dwingende
bepaling te eerbiedigen. 104 Inzake het aanvullend recht is het eerstgenoemde bevel, ten aanzien van
de particulieren, evenwel niet van toepassing omdat de particulieren wel mogen afwijken van de
101
Ook nog dispositief of regelend recht genoemd.
102
F. VERMANDER, “De interpretatie en aanvulling van een overeenkomst naar Belgisch recht” in J.M. SMITS en S.
STIJNS, Inhoud en werking van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen-Groningen,
Intersentia, 2005, 35.
103
Men denkt hier in de eerste plaats aan de rechter.
104
W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen Deel, Brussel, Kluwer, 1987, 77.
29
aanvullende bepaling. En inzake het tweede bevel dient de rechter enkel het aanvullend recht te
volgen wanneer de partijen niet hebben voorzien in een afwijkende regeling. 105
Het aanvullend recht vindt derhalve slechts toepassing indien de partijen zelf niet in een eigen
regeling hebben voorzien. Indien de partijen daarentegen bij overeenkomst wel een afwijkende
regeling hebben getroffen dan heeft deze contractuele regeling voorrang. Suppletieve regelen zijn
dus, in tegenstelling tot dwingende rechtsregelen106, van subsidiaire aard en kunnen bijgevolg enkel
gevolgen verlenen indien partijen geen gebruik hebben gemaakt van hun contractvrijheid. Volgens
de auteur VAN GERVEN kan het onderscheid tussen dwingend en aanvullend recht daarom het beste
gezien worden tegen de achtergrond van het beginsel van de wilsautonomie. 107
47. Enerzijds laat de Belgische rechtsorde de particulieren op bepaalde gebieden toe om hun onderlinge
verhoudingen volledig zelf te regelen. Dit gebeurt evenwel steeds met het nodige voorbehoud. 108
Een typisch voorbeeld inzake dergelijke aanvullende regeling kan teruggevonden worden in artikel
537, 1e lid BW dat stelt dat bijzondere personen vrij beschikken over de hun toebehorende goederen,
behoudens de door de wetten gestelde beperkingen. De bron van recht is hier dus niet de wet, maar
wel de wil van de partijen. 109
Anderzijds laat de wet in bepaalde gevallen toe dat particulieren de bestaande wettelijke regeling
geheel of gedeeltelijk terzijde kunnen schuiven. Deze aanvullende wettelijke regeling zal dus slechts
uitwerking vinden indien de particulieren zelf niet in een afwijkende regeling hebben voorzien.
Dergelijke regelen van aanvullend recht herkent men vaak aan de formulering “deze regeling geldt
enkel indien de partijen niet anders zijn overeengekomen”. Een illustratie van dergelijke aanvullende
regeling kan worden teruggevonden in artikel 1736 BW met betrekking tot de duur van de
huurovereenkomst in het kader van het gemene huurrecht. De contractpartijen hebben dus steeds
de mogelijkheid om conventioneel af te wijken van de regeling zoals uitgewerkt in artikel 1736 BW.
105
P. SCHOLTEN, “Algemeen Deel” in C. ASSER, Handleiding tot de beoefening van het Nederlans Burgerlijk Recht.
Algemeen Deel, Deventer, Kluwer, 1934, 28.
106
Die van primaire aard zijn, supra randummer 23.
107
W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen Deel, Brussel, Kluwer, 1987, 73.
108
W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen deel, Brussel, Kluwer, 1987, 74.
109
Evenwel met relatieve werking volgens artikel 1165 BW.
30
48. Kort samengevat bevat aanvullend recht dus twee aspecten. Enerzijds vullen ze de overeenkomst
aan, anderzijds stimuleren ze de partijen door hen de vrijheid te geven om zelf hun eigen regelingen
en afspraken te maken. Het aanvullend contractenrecht heeft dus steeds tot doel om de
contractpartijen te helpen hun belangen optimaal te verwezenlijken. Daarom zal er, in hoofde van de
wetgever, zo veel mogelijk getracht worden om in de aanvullende rechtsregelen voldoende
voorwaarden te bepalen die in het belang van beide partijen zullen zijn. 110
49. De Nederlandse auteur LOTH 111 schetst terecht nog een treffend bijkomend verschil tussen het
dwingend recht en het aanvullend recht. Zo stelt hij dat de rechtsvorming van dwingend recht
uitsluitend wordt voorbehouden aan de autoriteit van de wetgever en de rechter, terwijl het
aanvullend recht volledig ten dienste staat van de contractvrijheid van de partijen.
2. Onderscheid met openbare orde en goede zeden
2.1. Begripsomschrijving en draagwijdte
i. Openbare orde
50. Net zoals bij dwingend recht het geval was, wordt ook het begrip openbare orde niet gedefinieerd in
het Burgerlijk Wetboek. 112 Maar geïnspireerd op de traditionele definitie die de auteur DE PAGE geeft
aan het begrip openbare orde heeft het Hof van Cassatie wel een vaststaande rechtspraak
ontwikkeld 113. Volgens DE PAGE houdt openbare orde het volgende in:
110
R.H.J. VAN BIJNEN, “Aanvullend contractenrecht: naar rechtsregels die de belangen van partijen optimaal
verwezenlijken”, Nederlands Juristenblad 2004, nr. 40, 2080-2088.
111
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2009, 1.
112
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 498.
113
Cass. 9 december 1948, Arr. Cass. 1948, 615, Pas. 1948, I, 699, RCJB 1954, 251, noot P. DE HARVEN en RW
1976-68, 2000; Cass. 5 mei 1949, Pas. 1949, I, 335; Cass. 22 december 1949, Pas. 1950, I, 266; Cass. 14 januari
1954, Pas. 1954, I, 502, RCJB 1954, 252; Cass. 15 maart 1968, Pas. 1968, I, 884; Arr. Cass. 1968, 936, RW 196768, 2000; Cass. 10 november 1978, Pas. 1979, I, 309, RW 1979-80, 1479, noot A. VAN OEVELEN; Cass. 28
september 1979, Pas. 1980, I, 131; Cass. 10 maart 1994, Arr. Cass. 1994, 236, noot T. DENYS en D. MEULEMANS,
RW 1994-95, 431 en Pas. 1994, I, 237, TBH 1995, 15, noot F. GLANSDORFF, TRV 1995, 176, noot H. LAGA.
31
“De wet die de essentiële belangen van de Staat of de gemeenschap raakt of die, in het
privaatrecht, de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van
de maatschappij rust.” 114
Het Hof van Cassatie heeft dan, gelijkaardig aan deze traditionele definitie, bepaald dat regels van de
openbare orde rechtsregelen zijn die de juridische grondslagen van de ethische, politieke,
economische, sociale en maatschappelijke orde vastlegt binnen het kader van het privaatrecht. 115
Vooral het begrip “orde” wijst op bepaalde economische of sociale waarden waarvan niet kan
worden afgeweken. Het openbaar karakter van de regelen toont dan weer aan dat de belangen van
de politieke overheid en de maatschappelijke belangen van een samenleving in het geding zijn. 116
51. Uit de vage bewoording van deze traditionele definitie blijkt dat het niet altijd even duidelijk is wat er
nu juist onder het begrip openbare orde wordt verstaan. 117 De openbare orde is immers een open
norm die gekenmerkt wordt door zijn flexibiliteit en evolutief karakter 118. Zo kan de openbare orde
zich steeds flexibel opstellen en zich aanpassen aan elke maatschappelijke nood en evolutie. 119
Bovendien kan gezegd worden dat de openbare orde een goede weerspiegeling is van de
evoluerende maatschappelijke waarden en de opvattingen over de relatie tussen algemeen en
114
H. DE PAGE, “Introduction théorie générale des droits et des lois. Les personnes – la famille”, in H. DE PAGE,
Traité élémentaire de droit civil Belge. Principes – doctrine – jurisprudence, t. I, Brussel, Bruylant, 1948, 111, nr.
e
91; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil Belge, t. I, Brussel, Bruylant, 1962, 3 ed., 111, nr. 91.
115
Zie voetnoot 113 voor overzicht van de rechtspraak.
116
C. ASSER en A. HARTKAMP, Verbintenissenrecht, deel 4-II, Algemene leer der overeenkomsten, in X, Mr. C.
e
Asser’s Handleiding tot de Beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, Deventer, Kluwer, 2005, 12 druk,
270-271, nr. 272; J. DABIN, "Autonomie de la volonté et lois impératives, ordre public et bonnes moeurs,
sanction de la dérogation aux lois, en droit interne", Annales de Droit et de Sciences Politiques 1939-40, T. VIII,
1939-1940, 215-216, nr. 18; M. DAMBRE, Contractvrijheid en rechtsdwang bij de bepaling van de kostprijs van de
huur van onroerende goederen. Een analyse van de financiële verbintenissen van de huurder met voorstellen tot
legislatieve verbetering en rechtsvergelijkende aantekeningen, Proefschrift tot het verkrijgen van de graad van
doctor in de Rechten UGent, 2007-08, 22.
117
C. RENARD, E. VIEUJEAN en Y. HANNEQUART, Novelles, Droit civil, t. IV, Théorie générale des obligations, nr. 1228.
118
S. STIJNS, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, 39, nr. 50.
119
Bij wijze van voorbeeld van het evolutieve karakter van de openbare orde: Cass. 26 juni 1967, RW 1967-68,
786; E.M. HOOGERVORST, “Openbare orde en goede zeden in artikel 3:40 BW” in T. HARTLIEF en C.J.J. STOLKER,
Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 139.
32
particulier belang. 120 Ook in Frankrijk wordt dit evolutief karakter erkend. 121 Het voordeel hierbij is
dat de openbare orde steeds een oplossing kan bieden voor compleet onbekende situaties. Op deze
manier wordt het dan ook mogelijk om onmiddellijk te reageren op de nieuwe ontwikkelingen in de
samenleving. Een moderne visie toont dan ook aan dat het begrip openbare orde over een
wisselende inhoud beschikt naargelang het te beschermen belang of het te bereiken doel. 122 De
inhoud van het begrip kan bovendien ook verschillen afhankelijk van plaats en tijd. 123
52. De openbare orde beoogt hoofdzakelijk een hoger algemeen belang te beschermen. Dit betekent dat
het principe van de openbare orde steeds kan worden ingeroepen wanneer het algemeen of het
maatschappelijk belang in het gedrang wordt gebracht. 124 Het is dan aan de rechter ten gronde om in
een concreet geval na te gaan of een bepaling al dan niet voldoet aan de kenmerken die zowel in de
traditionele definitie als in de moderne opvattingen van de notie openbare orde worden
omschreven. 125 Op de beslissing van de rechter wordt dan controle uitgeoefend door het Hof van
Cassatie. 126 Een voorbeeld hiervan kan worden teruggevonden in het arrest van het Hof van Cassatie
van 29 november 2007. 127 In dit arrest wordt immers bepaald dat de bepalingen inzake de
bescherming van de beroepstitel en de uitoefening van het beroep van een vastgoedmakelaar ertoe
strekken de toegang tot de markt te regelen met het oog op de kwaliteit van de dienstverlening ter
bescherming van het publiek. Aan de hand van deze kenmerken heeft de rechter dan geoordeeld dat
deze bepalingen de economische grondslagen van de maatschappij betreffen en op deze manier dan
ook de openbare orde raken.
120
J. DE CONINCK, “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde herbekeken”,
TBBR 2004, 304-307, nrs. 11-19; J. GHESTIN, “Réflexions sur la liberté contractuelle et l’ordre public”, in X (ed.),
Liber amicorum Lucien Simont, 2002, 409-412, nrs. 7-9S; S. STIJNS en E. SWAENEPOEL, “De evolutie van de
basisbeginselen in het contractenrecht, geïllustreerd aan de hand van het contractueel evenwicht” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 5.
121
J. GHESTIN, “Réflexions sur la liberté contractuelle et l’ordre public”, in X (ed.), Liber amicorum Lucien Simont,
2002, 415-416; O. IONESCU, La notion de droit subjectif dans le droit privé, 1978, 219.
122
E. WYMEERSCH, “Intertemporaal recht in verband met de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet”,
RW 1992-93, 1009, nr. 19.
123
W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen deel, Brussel, Kluwer, 1987, 80.
124
M. DAMBRE, De huurprijs, Brugge, Die Keure, 2009, 26.
125
J. DE CONINCK, “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde herbekeken”,
TBBR 2004, 301-302.
126
X. DIEUX, “Le contract: instrument et objet de dirigisme” in X (ed.), Les obligations contractuelles, 1984, 259.
127
Cass. 29 november 2007, TBO 2008, 213-214.
33
53. Er wordt aangenomen dat deze fundamentele beginselen die de openbare orde aanbelangen niet
enkel zijn neergelegd in de wet, maar ook in de gewoontes en gebruiken, algemene rechtsbeginselen
en meer algemeen nog, in alle positiefrechtelijke niet-geschreven rechtsregelen. 128 En hoewel deze
regelen van openbare orde niet zo talrijk zijn in het contractenrecht, zijn ze toch van fundamenteel
belang voor de privaatrechtelijke maatschappelijke ordening. Zij beogen namelijk het algemeen
belang te beschermen.
ii. Goede zeden
54. De notie goede zeden valt nog moeilijker te omschrijven dan de openbare orde. Traditioneel wordt
aangenomen dat het begrip goede zeden het volgende omvat:
“L’ensemble des principes de loyauté, de correction, de dignité et d’honnêteté qui sont
acceptés communément par les citoyens, quelles que soient leurs opinions religieuses et
philosophiques.” 129
De goede zeden zijn dus als het ware een geheel van gedragsvoorschriften en morele regels met
betrekking tot de behoordelijke omgangsvormen tussen eerlijke mensen. 130 Het betreft echter niet
alleen deze minimumstandaarden
128
131
maar ook een aantal fundamentele beginselen van
J. DE CONINCK, “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde herbekeken”,
TBBR 2004, 260; X. DIEUX, “Le contract: instrument et objet de dirigisme” in X (ed.), Les obligations
contractuelles, 1984, 259; E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia,
2011, nr. 498.
129
Cass. 6 december 1956, RCJB 1960, 158; Cass. 17 maart 1986, RCJB 1988, 498; G. BAETEMAN, “Les effets des
dispositions légales impératives protégeant des intérêts privés”, RCJB 1960, 166-167, nr. 7; H. DE PAGE, Traité
élémentaire de droit civil belge, t. I, Brussel, Bruylant, 1948, 109; X. DIEUX, “Le contract: instrument et objet de
dirigisme” in X (ed.), Les obligations contractuelles, 1984, 268; A. MEEÙS, “La notion de loi impérative et son
incidence sur la procédure en cassation et sur l’office du juge”, RCJB 1988, 510-511, nr. 15; E. SWAENEPOEL,
Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 499.
130
J. DABIN, “Autonomie de la volonté et lois impératives, ordre public et bonnes moeurs, sanction de la
dérogation aux lois en droit privé interne”, Annales de Droit et de Sciences Politiques, T. VIII, 1939-1940, 231,
nr. 28; M. DAMBRE, o.c., 2007-08, 23.
131
J. DE CONINCK, “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde herbekeken”,
TBBR 2004, 307.
34
betrouwbaarheid, fatsoen en menselijk waardigheid 132. Hoewel de goede zeden vooral voortvloeien
uit de gewoonten, de gebruiken en de tradities bestaat er toch een grote eensgezindheid in de
samenleving en worden de goede zeden algemeen aanvaard. 133 Dergelijke definitie van de goede
zeden wordt ook in Frankrijk gevolgd. 134
55. De dag van vandaag spelen de goede zeden evenwel een minder belangrijke rol in het
contractenrecht. In de oude rechtspraak kunnen daarentegen wel meerdere zaken worden
teruggevonden waarin toch een beroep werd gedaan op de goede zeden, vooral om bepaalde
huurovereenkomsten nietig te verklaren. Vroeger zouden particulieren bijvoorbeeld op basis van de
goede zeden geweigerd hebben om een huis te verhuren aan een louter samenwonend koppel of
zou de rechter de goede zeden hebben ingeroepen om huurovereenkomsten met betrekking tot
ontuchthuizen 135 nietig te verklaren. 136 Nu is dit echter ondenkbaar. De hedendaagse rechtspraak 137
volgt dan ook de tendens om nietigverklaringen op grond van schending van de goede zeden te
weigeren. Dit alles is louter een illustratie van het feit dat de goede zeden fungeert als een open
norm die zich steeds aanpast aan de evoluties in de geest van de maatschappij.
iii. Onderlinge samenhang tussen openbare orde en goede zeden
56. Het onderscheid tussen de openbare orde en de goede zeden is dus vrij moeilijk te bepalen. Zo
bepaalt de rechtsleer dat de definitie van de openbare orde tevens het begrip goede zeden omvat en
132
R. DEKKERS, Handboek Burgerlijk Recht, II, Brussel, Bruylant, 2 ed., 1971, 46, nr. 74.
e
133
H. DE PAGE, “Introduction théorie générale des droits et des lois. Les personnes – la famille”, in H. DE PAGE,
Traité élémentaire de droit civil Belge. Principes-doctrine-jurisprudence, Brussel, Bruylant, 1967, 122, nr.92.
134
G. RIPERT, La règle morale dans les obligations civiles, 1927, 169 e.v.; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des
obligations, Brussel, Presses universitaires de Bruxelles, 1996, 116.
135
Cass. fr. 15 februari 1967, Bull. civ., I, 67; Brussel 11 februari 1957, Pas. 1958, II, 204; Rb. Brussel 27
december 1905, Pas. 1906, III, 33.
136
M. DAMBRE, o.c., 2007-08, 24.
137
Bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het uitbaten van een bordeel in een gehuurd goed: Vred. Brussel 16
december 1998, Act. jur. baux 2000, 4, noot B. LOUVEAUX. Of de mogelijkheid om ongehuwd samen te wonen in
een gehuurd goed: Rb. Antwerpen 12 mei 1987, T. Not. 1987, 398.
35
ook in de rechtspraak worden beide begrippen vaak in één adem vernoemd. 138 De notie goede zeden
is, net zoals de openbare orde, een open norm die steeds met het gezond verstand dient te worden
ingevuld en die bovendien ook voortdurend onderhevig is aan de evoluerende maatschappelijke
opvattingen. 139 Het grootste verschilpunt tussen beide begrippen is daarentegen dat de openbare
orde hoofdzakelijk tot doel heeft om een hoger algemeen belang, met name dat van de Staat of de
gemeenschap, te beschermen terwijl de goede zeden veeleer een bepaald moreel aanvaardbaar
gedrag willen beschermen dat zich beperkt tot de relaties tussen particulieren onderling. 140 In het
algemeen wordt er evenwel aangenomen dat de goede zeden kunnen beschouwd worden als het
morele onderdeel van de openbare orde. 141 Een verdere uitlegging van het onderscheid tussen de
openbare orde en goede zeden laat ik hier achterwege.
2.2. Samenhang en onderscheid van dwingend recht en de openbare orde
57. In het kader van deze masterproef is het verschil tussen de regelen van dwingend recht en de
regelen van openbare orde van groot belang. Dit omwille van de verschillende belangen die de
wetgever beoogde te beschermen door het uitvaardigen van beide soorten rechtsregelen. 142 Zo
hebben de regelen van openbare orde tot doel om het hoger algemeen belang te beschermen,
138
S. STIJNS en E. SWAENEPOEL, “De evolutie van de basisbeginselen in het contractenrecht, geïllustreerd aan de
hand van het contractueel evenwicht” in I. SAMOY, Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht,
Antwerpen, Intersentia, 2010, 4.
139
J. DE BRUYNE, Openbare schennis van de goede zeden, Brussel, Bruylant, 1964, 141, nr. 324; H. DE PAGE, Traité
élémentaire de droit civil belge, t. I, Brussel, Bruylant, 1962, 3e ed., 121, nr. 92; A.S. HARTKAMP, mr. C. Asser’s
Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, met medewerking van prof. Mr. Drs. C.H.
e
Sieburgh, Deel 4-II. Verbintenissenrecht, Algemene leer der overeenkomsten, 12 druk, Deventer, Kluwer, 2005,
256-257, nr. 256.
140
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 499.
141
J. DE CONINCK, “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde herbekeken”,
TBBR 2004, 307; J.F. ROMAIN, “L’ordre public (notion générale) et les droits de l’homme” in X. (ed.), L’ordre
public: concept et applications, 1995, 18-19; S. STIJNS, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, 38; W. VAN
GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 108.
142
M. GRÉGOIRE, “L’ordre public dans la jurisprudence de la Cour de Cassation” in X., L’ordre public. Concept et
applications, Brussel, Bruylant, 1995, 69-72, nr. 6.
36
terwijl dwingend recht hoofdzakelijk tot doel heeft om de private belangen van partijen te
beschermen, wat een veel enger begrip is. 143
De grens tussen beide begrippen is evenwel niet altijd even duidelijk. De wetgever beschikt immers
ook over motieven om bepalingen van dwingend recht uit te vaardigen die tevens het algemeen,
maatschappelijk en sociaal belang, met andere woorden de openbare orde, raken. Denk hier
bijvoorbeeld aan het motief van de wetgever om bepaalde onrechtvaardige toestanden tegen te
gaan. Hieruit volgt dan ook dat de wetgever bepaalde dwingende bepalingen heeft uitgevaardigd die
tevens de waarborg van de gelijkheid tussen contractpartijen of de garantie tot economische
stabiliteit tot doel hebben. 144 Het is dus zeker niet ongebruikelijk dat eenzelfde wet bepalingen van
elke soort bevat. 145 Maar doordat de wetgever steeds vaker dwingend recht aanwendt niet alleen ter
bescherming van de zwakke partij maar ook ter bescherming van het algemeen belang, bestaat er
dus een zeer nauwe band tussen bepalingen van dwingend recht en bepalingen van openbare orde
waardoor er nog moeilijk een duidelijk onderscheid tussen beide bepalingen kan worden gemaakt.
Zo heeft de wetgever bijvoorbeeld de bepalingen inzake de huurovereenkomst en de
arbeidsovereenkomst overwegend van dwingend recht gemaakt net doordat de bescherming van de
zwakke partij, in casu de huurder en de arbeider, als een algemeen belang werd beschouwd. 146
Bovendien is het vooral de rechter die de rechtregelen ofwel onder de categorie van de openbare
orde dan wel onder de categorie van dwingend recht brengt, wat het onderscheid tussen beide
begrippen nog onduidelijker kan maken.
143
P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 121-142; W. VAN
GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen deel, Brussel, Kluwer, 1987, 76.
144
Cass. 17 maart 1986, RCJB 1988, 511, noot A. MEEÙS, “La notion de loi impérative et son incidence sur la
procédure en cassation et sur l‟office du juge”.
145
S. STIJNS, “La dissolution du contrat par un acte unilatéral en cas de faute dans l’exécution ou de vice de
formation”, in X. (ed.), La volonté unilatérale dans le contrat, Brussel, Editions du jeune Barreau, 2008, 404, nr.
62; S. STIJNS en E. SWAENEPOEL, “De evolutie van de basisbeginselen in het contractenrecht, geïllustreerd aan de
hand van het contractueel evenwicht” in I. SAMOY, Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht,
Antwerpen, Intersentia, 2010, 5.
146
E.J. DOMMERING, Algemene belangen in het burgerlijk recht. Volume 7 van Monografieën Nieuw Burgerlijk
Wetboek. A-serie, Deventer, Kluwer, 1982, nr. 4; M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer,
2009, 13.
37
58. De eerste arresten die het Hof van Cassatie heeft geveld vormen een goede illustratie van de
moeilijkheidsgraad tot het bepalen van het onderscheid tussen beide begrippen. In haar arrest van 9
december 1948 definieerde het Hof niet alleen voor de eerste keer het begrip openbare orde maar
maakte ze tegelijk ook een onderscheid tussen de gewone openbare orde en de andere openbare
orde. 147 Zo schrijft HARVEN in een toegevoegde noot bij dit arrest dat er een onderscheid dient te
worden gemaakt tussen de eigenlijke openbare orde, die deel uitmaakt van de essentiële structurele
regelen van de maatschappij, en de oneigenlijke openbare orde, die uitsluitend de private belangen
beschermt.148 Uit een ander arrest van 6 december 1956 kan dan weer worden afgeleid dat het Hof
enerzijds dwingende bepalingen ter bescherming van particuliere belangen en anderzijds dwingende
bepalingen die een ander doel nastreven onderscheidt. 149 De noot die bij dit arrest werd toegevoegd
maakt zo een onderscheid tussen dwingend recht die de openbare orde raakt en dwingend recht die
louter de bescherming van particuliere belangen beoogt zonder aan de openbare orde te raken. 150
59. Ook in de rechtsleer bestaat er onenigheid over het onderscheid tussen dwingende rechtsregelen en
de rechtsregelen van openbare orde. Zo beweren sommige auteurs 151 dat beide begrippen elkaar
dekken en volgens anderen 152 moet het begrip dwingend recht dan weer terzijde worden geschoven
omwille van zijn vaagheid. Deze onenigheid is het gevolg van de verschillende interpretaties die
worden gegeven aan het algemene artikel 6 BW. Zo schreef DABIN dat uit artikel 6 BW voortvloeit dat
elke bepaling van openbare orde ook dwingend is, maar dat niet elke dwingende bepaling van
openbare orde is.153 Zoals reeds werd gezien bevat artikel 6 BW echter louter het principe dat er
geen afbreuk kan worden gedaan aan de wetten die de openbare orde betreffen. Contractpartijen
mogen dus met andere woorden geen clausules in hun overeenkomsten inlassen die verboden
worden door een wetsbepaling van dwingend recht of van dwingend recht dat tevens de openbare
147
Cass. 9 december 1948, Arr. Cass. 1948, 615, Pas. 1948, I, 699, RCJB 1954, 251 en RW 1976-68, 2000.
148
P. DE HARVEN, “Contribution à l’etude de la notion d’ordre public”, RCJB 1954, 259 e.v.
149
Cass. 6 december 1956, Pas. 1957, I, 361, concl. procureur-generaal H. DE TERMICOURT, RCJB 1960, 156.
150
G. BAETEMAN, “Les effets des dispositions légales impératives protégeant des intérêst privés”, RCJB 1960,
160.
151
J. CARBONNIER, Droit civil, I, Parijs, Presses universitaires de France, 2002, 87-88; P. SCHOLTEN, “Algemeen
Deel” in C. ASSER, Handleiding tot de beoefening van het Nederlans Burgerlijk Recht. Algemeen Deel, Deventer,
Kluwer, 1931, 32.
152
153
e
H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. I, Brussel, Bruylant, 1962, 3 ed., 111, nr. 91 en 91bis, B.
J. DABIN, “Autonomie de la volonté et lois impératives, ordre public et bonnes moeurs, sanction de la
dérogation aux lois en droit privé interne”, in X, Annales de Droit et de Sciences Politiques, T. VIII, 1939-1940,
190-247.
38
orde omvat. 154 De bedoeling van dit artikel is dus slechts om een criterium aan te geven tot het
onderkennen van één bepaalde categorie van regelen van dwingend recht en dus niet om een
inhoud te geven aan het begrip openbare orde. 155 Voor regelen inzake de openbare orde dient dus
gekeken te worden naar andere artikelen, zoals bijvoorbeeld artikelen 1131 en 1132 BW. Deze
artikelen bevestigen immers dat er geen gevolg kan worden gegeven aan overeenkomsten die
wegens strijdigheid met de openbare orde of goede zeden over een ongeoorloofde oorzaak
beschikken.
60. Ondanks deze onduidelijkheden is het de dag van vandaag, zowel in de rechtsleer als in de
rechtspraak, toch goed ingeburgerd dat dwingend recht en openbare orde twee verschillende
begrippen zijn. 156 Zo schrijft de auteur VAN GERVEN dat dwingend recht en openbare orde geen elkaar
dekkende begrippen zijn maar dat de openbare orde in het dwingend recht vervat ligt, zonder dat
het dwingend recht hierdoor wordt uitgeput.157 Eenvoudiger gezegd is iedere bepaling van openbare
orde tevens dwingend van aard, maar raakt niet iedere dwingende bepaling de openbare orde. Ook
door het Hof van Cassatie werd de visie dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen
dwingend recht en de openbare orde duidelijk bevestigd. Zo gaf het Hof van Cassatie in haar arrest
van 9 december 1948 aan dat het oude artikel 1775 BW, inzake de opzegging van
pachtovereenkomsten, enkel de private belangen van de pachter beoogde te beschermen en dus van
dwingende aard was. 158 Het Hof kwam tot deze conclusie doordat de bedoelde bepaling niet voldeed
aan de kenmerken van de definitie van openbare orde. Bovendien bepaalde het Hof dat deze
dwingende bepaling dan ook dient te worden gesanctioneerd door een relatieve nietigheid. 159 Deze
154
Cass. 11 maart 1966, RW 1966-67, 252; Cass. 15 maart 1968, Arr. Cass. 1968, 936; Cass. 25 juni 1971, Arr.
Cass. 1971, 1081; Cass. 23 december 1977, Arr. Cass. 1978, 509; Cass. 3 december 1982, Arr. Cass. 1982-83,
469 en Pas. 1983, I, 423; Cass. 7 juni 1984, Arr. Cass. 1983-84, 1323.
155
W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen Deel, Brussel, Kluwer, 1987, 75.
156
J. DE CONINCK, “De toetsing van een overeenkomst aan de openbare orde naar Belgisch recht” in J. SMITS en S.
STIJNS, Inhoud en werking van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia,
2005, 187-229; H. DE PAGE, Traité élélmentaire de droit civil belge, T. I, Brussel, Bruylant, 1962, 109; P. VAN
OMMESLAGHE, Droit des obligations, T. I, Brussel, Bruylant, 2010, 337; P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses
rapports avec l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY, Evolutie van de basisbeginselen van het
contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 122, nr. 3.
157
W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen Deel, Brussel, Kluwer, 1987, 75.
158
Cass. 9 december 1948, Arr. Cass. 1948, 615, Pas. 1948, I, 699, RCJB 1954, 251, noot P. DE HARVEN en RW
1976-68, 2000.
159
P. DE HARVEN, “Contribution à l’etude de la notion d’ordre public”, RCJB 1954, 264.
39
grote doorbraak met betrekking tot het onderscheid tussen dwingend recht en openbare orde wordt
ook door recentere rechtspraak gevolgd. Zo heeft het Hof in haar latere arresten 160, alsook de lagere
rechters in hun uitspraken het onderscheid expliciet bevestigd. 161
61. Kort samengevat ligt het onderscheid tussen dwingend recht en openbare orde vooral in het belang
dat ze beogen te beschermen. Zoals reeds gezien is het doel van dwingend recht het beschermen van
particuliere belangen, meer bepaald het beschermen van de rechten van de economisch zwakkere
partij in het contractgebeuren. Deze bescherming kan dan worden onderscheiden van de
bescherming van het algemeen belang dat de regelen van de openbare orde tot doel hebben.
Immers, het algemeen belang heeft niet altijd betrekking op de te beschermen particuliere belangen.
Beide begrippen vertonen evenwel ook bepaalde gelijkenissen. Zo kan er zowel van de regels van de
openbare orde als van de regels van dwingend recht geen afbreuk worden gedaan. Bovendien
beperken beide soorten regelen de geldigheid van de overeenkomst van buitenuit, zij het via de
algemene geldigheidsvereisten van voorwerp 162 en oorzaak 163.
62. De vraag rijst nu natuurlijk welke praktische gevolgen er aan dit onderscheid verbonden zijn? Meer
bepaald welke de gevolgen zijn van een inbreuk op een regel van de eigenlijke openbare orde en wat
de verschillen zijn met de gevolgen die verbonden worden aan een inbreuk op een regel van
dwingend recht die niet van openbare orde is. Volgens het arrest van het Hof van Cassatie van 9
december 1948 leiden inbreuken op regelen van dwingend recht die niet tot de openbare orde
behoren164 tot de relatieve nietigheid, terwijl inbreuken op regelen van de openbare orde tot de
absolute nietigheid leiden. Deze nietigheidsregeling wordt in de hierna volgende randnummers
verder behandeld.
160
Cass. 15 maart 1968, RW 1967-68, 1995, JT 1968, 289; Cass. 5 mei 1949, Arr. Verbr. 1949, 298, Pas. 1949, I,
335.
161
Brussel 24 mei 1960, Rev. prat. Soc. 1961, 167; Rb. Kortrijk 29 april 1954, RW 1954-55, 1813.
162
Artikel 1126 BW; H. BOCKEN, F. DE LY, B. DE TEMMERMAN en R. KRUITHOF, "Overzicht van rechtspraak (1981-
1992). Verbintenissen", TPR 1994, 373, nr. 140; W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen
Deel, Antwerpen, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, 1969, 1973, 332, nr. 108; A. VAN OEVELEN, “Kroniek
van het verbintenissenrecht (1993-2004)”, RW 2004-05, nr. 42, 1648.
163
Artikel 1131 BW.
164
Cass. 15 maart 1968, Pas. 1968, I, 884, Arr. Cass. 1968, 936, RW 1967-68, 2000.
40
3. Gevolgen van strijdigheid met het dwingend recht
3.1. Algemeen kader
63. In de voorgaande randnummers werd reeds het belang aangetoond van het onderscheid tussen
dwingend recht en de openbare orde. Dit onderscheid situeert zich hoofdzakelijk op vlak van de
belangen die deze regelen beogen te beschermen. Zo heeft dwingend recht hoofdzakelijk tot doel
om de private belangen van partijen te beschermen, terwijl de regelen van openbare orde het
algemeen belang beogen te beschermen. In deze afdeling zullen de praktische gevolgen van dit
onderscheid worden behandeld. Dit gebeurt aan de hand van de nietigheidsregeling die telkens tot
doel heeft om de strijdige bedingen ten aanzien van bepalingen van dwingend recht of ten aanzien
van bepalingen van openbare orde te sanctioneren. Aanvullend recht wordt hier logischerwijs buiten
toepassing gelaten aangezien partijen steeds over de vrijheid beschikken om naar eigen goeddunken
van de aanvullende rechtsregelen af te wijken.
64. Voorafgaand kan reeds worden opgemerkt dat de nietigheid één van de meest drastische
privaatrechtelijke sanctie is 165, aangezien zij er toe strekt de rechtshandeling en alle gevolgen van
deze rechtshandeling uit te wissen. Bovendien gebeurt dit, voor zover mogelijk, met terugwerkende
kracht tot bij het verrichten van de rechtshandeling. 166 Indien de overeenkomst bijvoorbeeld reeds is
uitgevoerd, dient dit dus in beginsel ongedaan te worden gemaakt. Partijen worden hierbij dan
zoveel mogelijk teruggeplaatst in de oorspronkelijke situatie, met name de situatie waarin ze nog
geen overeenkomst hadden gesloten. In principe treedt de nietigheid niet van rechtswege in, dit wil
dus zeggen dat de rechter in beginsel steeds de nietigheid dient uit te spreken. 167 Tot slot kan hierbij
nog worden vermeld dat de nietigheid van een rechtshandeling steeds bij wet dient te worden
voorzien. Dit staat bekend onder het adagium “pas de nullité sans texte”.
165
Zie W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 89: De nietigheid moet
onderscheiden worden van de andere privaatrechtelijke sancties zoals verval, ontbinding, verbreking,
schorsing, herroeping en gehoudenheid tot schadevergoeding of schadeplichtigheid.
166
W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 88.
167
S. STIJNS, “De beëindiging van verbintenissen: recente evoluties inzake betaling, nietigheid, ontbindende
voorwaarde en verval”, in S. STIJNS, I. SAMOY en A. DE BOECK (eds.), Verbintenissenrecht. Themis, Brugge, die
Keure, 2009-10, 36-39, nrs. 21-23; S. STIJNS, “La dissolution du contrat par un acte unilatéral en cas de faute
dans l’exécution ou de vice de formation”, in X. (ed.), La volonté unilatérale dans le contrat, Brussel, Editions du
jeune Barreau, 2008, 406, nr. 64.
41
3.2. Onderscheid tussen absolute en relatieve nietigheid
65. Binnen de nietigheidsregeling maakt men een onderscheid tussen de relatieve en de absolute
nietigheid. Zoals reeds gezien heeft het Hof van Cassatie 168 in haar arrest van 9 december 1948
duidelijk bepaald dat inbreuken op regelen van dwingend recht worden gesanctioneerd met een
relatieve nietigheid, terwijl inbreuken op regelen van de openbare orde worden gesanctioneerd met
de absolute nietigheid 169. Het onderscheid tussen de relatieve en de absolute nietigheid heeft
evenwel niets te maken met de aard van de sanctie, maar wel met de aard van de overtreden
rechtsregel, meer bepaald met het belang dat door die rechtsregelen wordt beschermd. 170 Zoals
gezegd, beoogt dwingend recht hoofdzakelijk de bescherming van particuliere belangen van partijen
terwijl de openbare orde het algemeen belang beschermt.
66. De gevolgen van het onderscheid tussen de absolute en de relatieve nietigheid situeren zich in
hoofdzaak op procedureel vlak.171 Een eerste belangrijk gevolg is dat de absolute nietigheid steeds
door alle belanghebbenden, dus zowel door de contractpartijen als door derden, maar ook
168
Cass. 9 december 1948, Arr. Cass. 1948, 615, Pas. 1948, I, 699, RCJB 1954, 251, noot P. DE HARVEN en RW
1976-68, 2000.
169
Volgens de artikelen 1126 en 1131 BW wordt iedere overeenkomst met een ongeoorloofd voorwerp of een
ongeoorloofde oorzaak wegens strijdigheid met de openbare orde of de goede zeden gesanctioneerd met een
absolute nietigheid.
170
M. DUPONT, “Nullité absolue et nullité relative”, in P. WÉRY (ed.), La nullité des contrats, Commission
Université-Palais (CUP), 2006, 56 en 59; S. STIJNS, “Nietigheid van het contract als sanctie bij zijn
totstandkoming”, in J. SMITS en S. STIJNS (eds.), Totstandkoming van de overeenkomst naar Belgisch en
Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2002, 229-231; S. STIJNS, “De beëindiging van verbintenissen: recente
evoluties inzake betaling, nietigheid, ontbindende voorwaarde en verval”, in S. STIJNS, I. SAMOY en A. DE BOECK
(eds.), Verbintenissenrecht. Themis, Brugge, die Keure, 2009-10, 43, nr. 30; P. WÉRY, “Vue d’ensemble sur les
causes d’extinction des contrats” in X, La fin du contrat, CUP, 2001, 18-20.
171
L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, intersentia, 2000, 682-699, nrs. 542-556; J. DE
CONINCK, “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde herbekeken”, TBBR 2004,
319-321, nrs. 66 e.v.; A. PUTTEMANS, “L’ordre public et la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce,
sur l’information et la protection du consommateur”, in X. (ed.), L’ordre public: concept et applications, Brussel,
Bruylant, 1995, 152 e.v.; C. RENARD en E. VIEUJEAN, “Nullité, inexistence et annulabilité en droit civil belge”, Ann.
Fac. Dr. Liège 1962, 268-282 en 289-293.
42
ambtshalve door de rechter 172 en door het Openbaar Ministerie, kan worden opgeworpen.173 Terwijl
de relatieve nietigheid slechts kan worden opgeworpen door de partij(en) wiens belangen worden
beschermd door de getroffen dwingende bepaling 174. Deze beschermde partij kan evenwel niet
verplicht worden om de relatieve nietigheid van een geschonden dwingende bepaling in te
roepen.175
67. Een tweede belangrijk gevolg is dat enkel de relatieve nietigheid, en dus in geen geval de absolute
nietigheid, kan bevestigd worden. 176 Deze bevestiging houdt in dat de beschermde partij steeds de
mogelijkheid heeft om een relatief nietig beding te zuiveren van haar gebrek. Dit kan zowel
uitdrukkelijk gedaan worden, door middel van een akte tot bekrachtiging of bevestiging 177, als
stilzwijgend gedaan worden, door vrijwillige uitvoering 178 van de nietige overeenkomst.179
Dergelijke bevestiging wordt ook nog dekking van de nietigheid of afstand van de bescherming
genoemd. Deze bevestiging is dus een eenzijdige onherroepelijke rechtshandeling 180, die dus geen
aanvaarding behoeft, waarbij de beschermde partij tot uiting brengt dat hij afziet van zijn mogelijke
vordering tot nietigverklaring. 181 Om geldig te zijn, moet een bevestiging evenwel beantwoorden aan
de vereisten voor de geldige totstandkoming van rechtshandelingen in het algemeen.
Bovendien kan de bevestiging enkel geldig gedaan worden door de beschermde partij indien voldaan
is aan de volgende voorwaarden. Vooreerst kan er slechts afstand worden gedaan van de dwingende
bescherming wanneer het beschermde rechtssubject zich effectief in de beschermde positie bevindt,
172
Cass. 25 september 1965, Pas. 1966, I, 117, RW 1966-67, 161; Cass. 26 november 1965, Pas. 1966, I, 405,
RW 1966-67, 644.
173
Luik 28 januari 1974, J.L. 1973-74, 257; X. DIEUX, “Le contract: instrument et objet de dirigisme” in X (ed.), Les
obligations contractuelles, 1984, 262.
174
En hun wettelijke of gerechtelijke vertegenwoordigers.
175
Cass. 15 november 2002, RW 2005-06, 141.
176
Rb. Brussel (16e k.) 28 februari 2008, Res Jur.Imm. 2008, afl. 3, 220.
177
Hierbij dient voldaan te zijn aan de voorwaarden opgelegd in artikel 1338 BW.
178
Zie bijvoorbeeld Rb. Luik 2 november 1998, T.Vred. 2000, 62, noot S. DOPPAGNE; Vred. Westerlo 26 mei 2000,
RW 2002-03, 552.
179
Cass. 6 december 1956, Pas. 1957, I, 361 en RCJB 1960, noot G. BAETEMAN.
180
Cass. 24 december 2009, RW 2011-12, 606.
181
M. DUPONT, “Nullité absolue et nullité relative”, in P. WÉRY (ed.), La nullité des contrats, Commission
Université-Palais (CUP), 2006, 74; S. STIJNS, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, 40, nr. 50; P. WÉRY,
“Vue d’ensemble sur les causes d’extinction des contrats” in X, La fin du contrat, CUP, 2001, 18-20.
43
dit is nadat het geschil reeds is ontstaan. 182 Ten tweede kan deze bevestiging slechts gebeuren indien
vaststaat dat het daadwerkelijk de intentie is van de beschermde partij om afstand te doen van zijn
recht tot het vorderen van de nietigheid. Elke twijfel met betrekking tot het al dan niet bestaan van
een afstand van recht moet in het voordeel van het behoud van dat recht komen. 183 Concreet houdt
deze laatste voorwaarde dus in dat de beschermde partij de nietigheid enkel kan dekken indien hij
dit doet met kennis van zaken. Deze kennis dient zowel uit de reden of oorzaak van de nietigheid als
uit de nietigheid zelf te bestaan. 184 Het aantonen van deze voorwaarde is uiteraard zeer moeilijk. 185
Indien de bevestiging voldoet aan al deze voorwaarden dan heeft dat tot gevolg dat de beschermde
partij zich niet langer kan beroepen op de relatieve nietigheid.
68. Een ander gevolg van het onderscheid tussen de absolute en de relatieve nietigheid kan gevonden
worden inzake de regeling van de verjaring. Vroeger werd er immers met betrekking tot de
verjaringstermijn een onderscheid gemaakt tussen vorderingen van de absolute en van de
relatieve 186 nietigheid. Maar sinds de invoering van de wet van 10 juni 1998 wordt dit onderscheid
niet langer gemaakt. In beide gevallen bedraagt de verjaringstermijn nu tien jaar.
69. Een laatste gevolg is dat de absolute nietigheid in elke stand van het geding kan worden opgeroepen,
gezien zij de openbare orde aanbelangt. De relatieve nietigheid kan daarentegen enkel rechtsgeldig
worden aangevoerd indien zij in limine litis, dit wil zeggen voor elk verweer ten gronde, wordt
aangevoerd. Een procedurele gelijkenis tussen beide regelen is evenwel dat de nietigheid wegens
een schending van een bepaling van dwingend recht, net zoals de schending van een bepaling van
openbare orde, voor de eerste maal voor het Hof van Cassatie kan worden opgeworpen.187
182
Cass. 6 mei 1994, RW 1996-97, 549; S. MOSSELMANS, “Het dwingende karakter van artikel 14 eerste lid van de
Handelshuurwet”, TBO 2003, 161.
183
Vred. Wolvertem 22 maart 2001, RW 2001-02, 1401.
184
Bergen 13 maart 2008, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2008, 411.
185
Bijvoorbeeld Rb. Termonde, 28 februari 2002, Jaarboek Kredietrecht 2002, 55.
186
Artikel 1304 en 2223 BW.
187
Cass. 22 mei 1986, Arr.Cass. 1985-86, 1282.
44
3.3. Vervaging van het onderscheid tussen absolute en relatieve nietigheid
70. De laatste jaren is het echter steeds duidelijker geworden dat het onderscheid tussen de absolute en
de relatieve nietigheid lijkt te vervagen. Zo staan bepaalde kenmerken met betrekking tot de
relatieve nietigheid, wegens strijdigheid van dwingende bepalingen, op de helling.
71. Vooreerst wil ik de discussie aankaarten waarbij, onder invloed van het Europese consumentenrecht,
de vraag wordt gesteld of de rechter al dan niet over de bevoegdheid beschikt om de relatieve
nietigheid, inzake onrechtmatige bedingen, ambtshalve op te werpen.188 De rechtspraak van het Hof
van Justitie heeft hier bevestigend op geantwoord en benadrukt dat deze ambtshalve bevoegdheid
van de rechter noodzakelijk wordt geacht om de bescherming van de particuliere belangen van de
consument te kunnen waarborgen. Maar de bevoegdheid van de rechter inzake het ambtshalve
opwerpen van de relatieve nietigheid druist evenwel volledig in tegen de traditionele opvatting van
de relatieve nietigheid. Volgens de traditionele opvatting heeft de relatieve nietigheid immers als
kenmerk dat het enkel de beschermde partij is die de nietigheid kan opwerpen, en dus niet de
rechter. De ambtshalve bevoegdheid van de rechter is bijgevolg enkel en alleen een kenmerk van de
absolute nietigheid. De vaststelling die hier dus dient te worden gemaakt, is dat het onderscheid
tussen de absolute en de relatieve nietigheid hierdoor sterk vervaagt. Voor een uitgebreide
bespreking van deze problematiek verwijs ik naar randnummer 114 e.v.
Hiermee aansluitend merk ik op dat er zich ook een soortgelijke evolutie voordoet op zuiver
internrechtelijk vlak. Volgens de traditionele opvatting dienen de rechters de overeenkomsten niet
ambtshalve te controleren op hun strijdigheid met bepalingen van dwingend recht, aangezien het
enkel de beschermde partij is die de relatieve nietigheid zou kunnen opwerpen. Daarentegen heeft
het Hof van Cassatie in verschillende arresten 189 geoordeeld dat de rechter ertoe gehouden is om het
geschil ambtshalve te beoordelen overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels,
188
S. STIJNS, “De beëindiging van verbintenissen: recente evoluties inzake betaling, nietigheid, ontbindende
voorwaarde en verval”, in S. STIJNS, I. SAMOY en A. DE BOECK (eds.), Verbintenissenrecht. Themis, Brugge, die
Keure, 2009-10, 43-44 en 44-48, nr. 30 en nrs. 32-37; S. STIJNS, “La dissolution du contrat par un acte unilatéral
en cas de faute dans l’exécution ou de vice de formation”, in X. (ed.), La volonté unilatérale dans le contrat,
Brussel, Editions du jeune Barreau, 2008, 415, nr. 72.
189
Cass. 20 januari 1983, Pas. 1983, I, 592, Arr. Cass. 1982-83, 672; Cass. 14 september 1987, Pas. 1988, I, 47,
Arr. Cass. 1987-88, 51; Cass. 14 april 2005, Arr. Cass. 2005, 868, Pas. 2005, I, 862, JLMB 2005, 860; Cass. 7
december 2006, Arr. Cass. 2006, I, 2501; Cass. 20 april 2009, Arr. Cass. 2009, 1049.
45
ongeacht of deze rechtsregels van openbare of van dwingend recht zijn. 190 Concreet houdt dit dus in
dat de rechter, zonder de oorzaak noch het voorwerp van de vordering te wijzigen en met
eerbiediging van de rechten van verdediging, ambtshalve dient te verklaren welke wettelijke
bepalingen op het hem voorgelegde geschil toepasselijk zijn.
72. Een laatste vervaging van het onderscheid tussen de absolute en de relatieve nietigheid die ik wil
bespreken betreft de problematiek rond de sanctie van het voor niet geschreven houden van een
strijdig beding. 191 Zo heeft het Hof van Cassatie in een arrest bepaald dat de partij die beschermd
wordt door het dwingende artikel 6 HHW, niet moet wachten tot de rechter de nietigverklaring heeft
uitgesproken van een hiermee afwijkend contractueel beding, maar toepassing kan eisen van haar
recht dat zij rechtstreeks uit de wet mag putten. Deze beslissing is echter opnieuw volledig
tegenstrijdig met de traditionele visie inzake de relatieve nietigheid. Dit omwille van het feit dat het
volgens de traditionele visie nog steeds de regel is dat de nietigheidssanctie een gerechtelijke sanctie
uitmaakt die steeds door de rechter dient te worden uitgesproken. Voor een uitgebreide bespreking
van deze problematiek verwijs ik naar randnummer 175 e.v.
3.4. Rechtsvergelijkende noot: Nederland
73. Inzake de nietigheidssanctie vormt artikel 3:40 NBW hét kernbeding in het Nederlandse recht. Zo
bepaalt artikel 3:40, 1e lid NBW dat de rechtshandelingen, waarvan de inhoud of strekking in strijd is
met een dwingende wetsbepaling, slechts nietig zijn indien zij in strijd is met de openbare orde of
goede zeden. Deze nietigheid treedt van rechtswege in. De wetgever ontzegt dus alle rechtsgevolgen
aan de overeenkomst. Zij wordt dan ook geacht nooit te hebben bestaan. 192
74. Enkel indien het verrichten van de rechtshandeling193 in strijd is met een bepaling van dwingend
recht zijn er op grond van art. 3:40, lid 2 NBW drie mogelijkheden inzake de sanctionering. Met name
190
A. VAN OEVELEN, “Enkele actuele knelpunten in het verbintenissenrecht. Rechtsverwerking en nietigheid”, RW
2011-12, volume 75, nr. 1, 56-57.
191
P. WÉRY, “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière contractuelle” in I. SAMOY,
Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 121 en 133-140.
192
A.S. HARTKAMP, mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, met
medewerking van prof. Mr. Drs. C.H. Sieburgh, Deel 4-II. Verbintenissenrecht, Algemene leer der
e
overeenkomsten, 12 druk, Deventer, Kluwer, 2005, nr. 246.
193
Toelichting Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, 191-192.
46
de nietigheid, de vernietigbaarheid indien zij uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen,
en tot slot een buitenbeentje dat stelt dat de sanctie niet de vernietigbaarheid is, hoewel zij strekt
tot bescherming van één partij, omwille van het feit dat de wettelijke bepaling anders bepaalt.
Er worden dus twee soorten sancties aangehaald in deze bepaling. Enerzijds de vernietigbaarheid en
anderszijds de nietigheid van de rechtshandeling. De sanctie van de vernietigbaarheid houdt in dat
de beschermde partij steeds beroep moet doen op de dwingende bepaling. Dit in tegenstelling tot de
nietigheid die steeds van rechtswege intreedt. De kwalificatie als nietig of vernietigbaar bepaalt dus
wie de sanctionering van de rechtshandeling kan inroepen.
75. Vooreerst bepaalt artikel 3:40, 2e lid NBW dat een rechtshandeling die in strijd is met een dwingende
wetsbepaling in principe nietig is. Een klassiek voorbeeld is het sluiten van een overeenkomst in strijd
met een dwingende prijzenregelementering.
Opdat deze nietigheid van rechtswege kan worden toegepast moet voldaan zijn aan de volgende
voorwaarden: het verrichten van de rechtshandeling moet gedaan zijn in strijd met een wet in
formele zin, er is geen sanctie op de overtreding van de wetsbepaling opgenomen in de wet en tot
slot dient het een wetsbepaling te betreffen die de strekking heeft de geldigheid van daarmee
strijdige rechtshandelingen aan te tasten. 194 Deze nietigheid heeft dezelfde gevolgen en aard als de
nietigheid wegens strijdigheid met de openbare orde of de goede zeden zoals verwoord in artikel
3:40, 1e lid NBW. 195
76. Vervolgens bepaalt artikel 3:40, 2e lid NBW dat een rechtshandeling die in strijd is met een
dwingendrechtelijke bepaling in bepaalde gevallen vernietigbaar kan zijn. Deze uitzondering moet
evenwel restrictief worden geïnterpreteerd. De strijdigheid met een dwingende wetsbepaling leidt
immers enkel tot de vernietigbaarheid van de rechtshandeling indien de bepaling strekt tot de
bescherming van één partij. De vernietigbaarheid moet dan door de beschermde partij worden
ingeroepen. De medecontractant, of een derde, kan derhalve niet van deze bescherming genieten.
194
P.C.M. KEMP, “De gevolgen van een overeenkomst met een door de wet verboden inhoud of strekking”,
Overeenkomst in de rechtspraktijk 2012, 24.
195
P.C.M. KEMP, “De gevolgen van een overeenkomst met een door de wet verboden inhoud of strekking”,
Overeenkomst in de rechtspraktijk 2012, 26-27.
47
Van deze bescherming kan bovendien afstand worden gedaan vanaf het moment dat de reden voor
de door de wetgever geboden dwingende bescherming niet meer bestaande is. 196
196
Toelichting Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, 190.
48
HOOFDSTUK 4:
DWINGEND RECHT TER BESCHERMING VAN ÉÉN PARTIJ
77. In de hierna volgende hoofdstukken zal de nadruk worden gelegd op dwingend recht sensu stricto ter
bescherming van de particuliere belangen van de partijen. Hierbij kan telkens een onderscheid
worden gemaakt tussen dwingend recht ter bescherming van één partij, het zogenaamde eenzijdig
dwingend recht, en dwingend recht ter bescherming van beide partijen, ook nog meerzijdig
dwingend recht genoemd.
In dit hoofdstuk zal het eerste onderscheid, namelijk dwingend recht ter bescherming van één partij
grondig worden onderzocht. Deze bescherming kan op zijn beurt dan weer worden onderverdeeld in
de bescherming van de zwakkere partij en de bescherming van de sterkere partij. In principe had dit
hoofdstuk eigenlijk beter de titel dwingend recht ter bescherming van de zwakke partij gekregen,
aangezien uit het hierna volgende onderzoek duidelijk zal blijken dat de wetgever vooral de
bescherming van de zwakke partij voor ogen had. Doch zou dit niet volledig correct geweest zijn. Er
bestaan immers ook dwingende bepalingen, zij het dan wel in veel mindere mate, die de
bescherming van de sterkere partij vooropstellen. Ik heb er dan ook voor geopteerd om binnen dit
hoofdstuk geen verdere indeling te maken tussen de bescherming van de zwakkere partij en de
bescherming van de sterkere partij. Dit onderscheid zal zichzelf immers uitwijzen in de concrete
toepassingsgevallen die ik zal aanhalen.
1. Algemeen kader
1.1. Ontstaan van de beschermingsgedachte van de zwakke contractpartij
78. Zoals reeds werd aangekaart in het eerste hoofdstuk speelde het beginsel van de contractvrijheid en
de daaruit volgende gelijkheid van de burgers een zeer belangrijke rol in de 18e en 19e eeuw. Maar de
strikte formele gelijkheid die dit beginsel vooropstelde, ten aanzien van de contractpartijen, leidde
echter vaak tot misbruik binnen de contractrelatie. Sinds het einde van de 19e eeuw heeft het
beginsel van de contractvrijheid dan ook enkele klappen te verduren gekregen. De voornaamste
oorzaken hiervan zijn te vinden in de evolutie van de sociale, economische en politieke structuren en
49
in de veranderende opvattingen van de maatschappij tijdens de laatste eeuw. 197 Men begon zich
toen te realiseren dat niet alle burgers vrij en gelijk waren en dat er onderling zelfs grote
economische 198, sociale en culturele ongelijkheden bestonden. 199 En zoals KRUITHOF het zo mooi
verwoordt bestaat er geen grotere ongelijkheid dan in het gelijk behandelen van ongelijke mensen
en situaties. 200 Zo werd duidelijk dat de machtigen, de rijken, de sterken en de meer ontwikkelden
steeds vaker hun contractuele voorwaarden 201 begonnen op te dringen aan de machtelozen, de
armen, de zwakken en de minder ontwikkelden. Een voorbeeld kan dit beter illustreren: in de 19e
eeuw was het zo goed als evident dat zowel mannen, vrouwen als kinderen vaak meer dan 12 uur
per dag werkten in uiterst slechte arbeidsomstandigheden. De werknemers deden dit echter niet uit
vrije wil, maar eerder uit noodzaak. De werkgevers maakten dan ook graag misbruik van hun
machtspositie door deze arbeiders te weinig te betalen, door ze te lang te laten werken et cetera. 202
De ongebreidelde vrijheid voor de sterkere marktdeelnemers leidde er dus toe dat er van de
individuele vrijheid van de zwakkere en/of onwetende partij nog maar weinig overbleef. 203
79. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de wetgever steeds vaker ging optreden om deze
contractvrijheid te beperken. Grosso modo kunnen deze beperkingen van de contractvrijheid in twee
groepen worden ingedeeld. Vooreerst zijn er de maatregelen die de vrijheid van de partijen om al
dan niet te contracteren beperken. Denk hier bijvoorbeeld aan de wettelijke verplichting tot het
sluiten van bepaalde contracten zoals gas-, water- en elektriciteitsovereenkomsten, of aan het
sluiten van bepaalde wettelijk verplichte verzekeringen, zoals een auto- en brandverzekering. Ook
kan hier gedacht worden aan het verbod tot het sluiten van bepaalde contracten. Zo is de verkoop
van medicijnen bijvoorbeeld enkel voorbehouden aan de apothekers.
Vervolgens zijn er ook nog de rechtsregelen die de vrijheid van de partijen om de contractinhoud te
bepalen sterk aan banden leggen. Zo heeft de wetgever talloze dwingende wetsbepalingen
uitgevaardigd die er toe strekken om de private belangen van de economisch of sociaal zwakkere
197
A. VAN OEVELEN, “Algemene rechtsbeginselen in het verbintenissen- en contractenrecht” in M. VAN HOECKE
(ed.), Algemene rechtsbeginselen, Antwerpen, Kluwer, 1991, 95-101.
198
Hiermee bedoel ik zowel een ongelijkheid inzake de economische macht als inzake de technische kennis.
199
J. GHESTIN, Traité de droit civil. La formation du contrat, Paris, L.G.D.J., 1993, 45-59, nrs. 64-78.
200
R. KRUITHOF, “Leven en dood van het contract”, RW 1985-86, 2742-2743, nr. 7.
201
Bijvoorbeeld door het gebruik van toetredingscontracten en eenzijdig opgestelde standaardbedingen.
202
R. KRUITHOF, “Leven en dood van het contract”, RW 1985-86, 2742-2743, nr. 7.
203
M. DAMBRE, o.c., 2007-08, 24.
50
groepen in onze maatschappij, zoals de werknemers, de huurders en de pachters, de consumenten
et cetera te beschermen tegen misbruik van de sociaaleconomisch sterkere partij binnen hun
contractrelatie. 204 Dit gebeurt grotendeels aan de hand van een ongelijkheidscompensatie 205, waarbij
de wetgever vooral tot doel heeft om de zwakkere partij op min of meer gelijke voet te plaatsen met
hun contractuele en maatschappelijke tegenspelers. Door dit overheidsoptreden poogt de wetgever
dus hoofdzakelijk een zekere daadwerkelijke en feitelijke gelijkheid tussen de contractpartijen tot
stand te brengen en poogt hij het contractuele evenwicht 206 te herstellen.
Dwingend recht ter bescherming van de zwakkere contractpartij betreft dus een bescherming tegen
de “andere sterkere contractpartij” die beter uitgerust is, die een voorsprong heeft 207 en die misbruik
zou kunnen maken van deze bijzondere positie.208 Onder de zwakkere contractpartij wordt hierdoor
dus niet alleen de economisch, maatschappelijk of psychisch zwakkere partij, maar ook voor de
ondeskundige tegenover de deskundige partij begrepen. 209 Teneinde om deze mogelijke misbruiken
van de sterkere contractpartij uit de wereld te helpen heeft de wetgever bepaalde relaties en
contracten dwingend gereglementeerd. Binnen dit kader kan onder andere niet-limitatief verwezen
worden naar de Arbeidsovereenkomstenwet, de Handelshuurwet, de Woninghuurwet, de
Alleenverkoopwet 210 en de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst.
80. Er kan dus gesteld worden dat sinds het begin van de 20e eeuw een nieuwe pijler in het
contractenrecht is tot stand gekomen, met name de bescherming van de zwakke contractpartij. 211
Deze groeiende bekommernis om de zwakke contractpartij vindt men niet alleen terug in België maar
204
R. VANDEPUTTE, De overeenkomst, Brussel, Larcier, 1977, 25; W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER,
Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 85-91.
205
206
F. CHALVIGNAC, La rédaction d’un acte juridique: le bail commercial, Paris, L.G.D.J., 1999, 51, nr. 86.
Voor een bespreking van het contractuele evenwicht zie E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel
evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011.
207
208
Bijvoorbeeld op het gebied van informatie en deskundigheid.
T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming van de
zwakkere partij in het contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 12.
209
E.H. HONDIUS, “De zwakke partij in het contractenrecht; over de verandering van paradigmata van het
privaatrecht”, in T. HARTLIEF en C.J.J.M. STOLKER, Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 387 e.v.
210
Wet 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies
van alleenverkoop, BS 5 oktober 1961 (hierna verkort “Alleenverkoopwet”).
211
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 19-20.
51
ook in Frankrijk 212, Nederland213 en Duitsland 214. De wetgever gaat hierbij telkens uit van het principe
dat de maatschappij zonder (dwingende) regels een ware chaos wordt waarbij het recht van de
sterkste heerst. De Nederlandse auteur HARTLIEF 215 merkt hierbij wel terecht op dat de bescherming
van de zwakke contractpartij niet alleen een leidraad vormt voor de wetgever, maar dat deze
bescherming ook een beleidslijn kan vormen in de rechtspraak. Maar er dient wel steeds voor ogen
te worden gehouden dat de wetgeving hier een belangrijkere rol speelt dan de rechtspraak. Zowel de
nationale als de Europese regelgevers houden zich bezig met de bescherming van de zwakke
contractpartij. 216
1.2. Hoedanigheid van de zwakke contractpartij
i. In abstracto beoordeling
81. Een bijzonderheid aan de beschermingsgedachte van de zwakke contractpartij bestaat er in dat er
telkens een bepaalde categorie van personen wordt beschermd, zonder dat de beschermde persoon
in kwestie zal moeten bewijzen dat hij zich wel degelijk in een zwakkere positie bevindt ten aanzien
van zijn medecontractant(en). 217 Er wordt dus met andere woorden eenvoudigweg aangenomen dat
bepaalde groepen van personen beschermingsbehoeftig zijn. Er zal dus geen in concreto beoordeling
plaatsvinden waarbij wordt nagegaan of een bepaalde zwakker geachte persoon wel degelijk
bijzondere bescherming nodig heeft gezien de omstandigheden. Een merkbare evolutie hierin is om
212
Bijvoorbeeld J. GHESTIN en M. FONTAINE, La protection de la partie faible dans les rapports contractuels, 1996,
676 p.
213
Onder meer T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming
van de zwakkere partij in het contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 92 p.; E.H. HONDIUS, “De zwakke partij in
het contractenrecht; over de verandering van paradigmata van het privaatrecht” in T. HARTLIEF en C. STOLKER
(eds.), Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 387-393.
214
C. MELLER-HANNICH, Verbraucherschutz im Schuldvertragsrecht, 2005, 8 e.v.
215
T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming van de
zwakkere partij in het contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 30.
216
Vooral het consumentenrecht is gebaseerd op verschillende Europese richtlijnen.
217
F. DE LY, “Het gelijkheidsbeginsel in het contractenrecht”, RW 1991-92, 1150-1151.
52
niet zozeer een bepaalde overeenkomst te reglementeren, maar veeleer bepaalde personen te
beschermen, ongeacht het soort contract dat ze sluiten 218. 219
ii. Verschillende categorieën van zwakke contractpartijen
82. In bovenstaand randnummer werd reeds duidelijk gemaakt dat er bepaalde categorieën van zwakke
contractpartijen bestaan die geacht worden van beschermingsbehoeftig te zijn. Hierna wordt een
historisch overzicht gegeven van de tussenkomst van de Belgische wetgever inzake de bescherming
van bepaalde categorieën beschermingsgerechtigden. 220 Er kan hier evenwel worden opgemerkt dat
dit overzicht grote gelijkenissen vertoont met de tussenkomst van zowel de Franse 221 als de
Nederlandse 222 wetgever.
83. Aanvankelijk kwam de wetgever in 1900 tussen om de werknemers te beschermen tegen de macht
van de werkgevers teneinde de economische en sociale ongelijkheden tussen deze partijen weg te
werken. 223 De aanleiding hiervoor was de industrialisatie van de maatschappij en de sociale strijd van
de arbeiders tegen de barre werkomstandigheden. 224
Vervolgens is de wetgever, naar aanleiding van de crisissituaties na en tussen de wereldoorlogen,
verschillende keren tussengekomen door een reeks dwingende regelingen uit te vaardigen ter
bescherming van de rechten van de woninghuurders, de pachters en de handelshuurders. Met de
218
P. VAN OMMESLAGHE, “Les grandes tendances de l’évolution du droit des obligations conventionelles lors des
trente-cinq dernière années”, TPR 2001, 265-266.
219
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 29, nr. 43.
220
M. DAMBRE, o.c., 2007-08, 25; F. DE LY, “Het gelijkheidsbeginsel in het contractenrecht”, RW 1991-92, 1150;
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 28-29, nr. 42.
221
Voor een overzicht zie J. GHESTIN, “Le principe de l’égalité des parties contractantes et son évolution en droit
privé” in C. PERELMAN en I. INGBER (eds.), L’égalité, 1983, 38 e.v.
222
Voor een overzicht zie C. ASSER en A. HARTKAMP, Verbintenissenrecht, deel 4-II, Algemene leer der
overeenkomsten, in X, Mr. C. Asser’s Handleiding tot de Beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht,
e
Deventer, Kluwer, 2005, 12 druk, 42.
223
Wet van 10 maart 1900 betreffende de arbeidsovereenkomst, BS 14 maart 1900.
224
G. BAETEMAN, “Les effets des dispositions légales impératives protégeant des intérêts privés”, R.C.J.B. 1960,
160-162.
53
bankencrisis van de jaren 30 heeft de wetgever deze bescherming dan uitgebreid tot de spaarders
en leners 225. 226
Eén van de belangrijkste tussenkomsten van de wetgever in de jaren 60 was deze inzake het
consumentenrecht. Deze dwingende rechtsregelen waren overwegend het resultaat van de
omzetting van verscheidene Europese richtlijnen in het Belgisch recht. Hierbij kan verwezen worden
naar de dwingende rechtsregelen die onder meer de concessiehouders, de consumenten ten aanzien
van overeenkomsten van koop en lening op afbetaling, de kopers van woningen op plan en de
reizigers beschermen. Deze evolutie werd evenwel niet overal even goed onthaald. Vandaar dat de
vrij onderhandelde overeenkomst nog steeds de kern vormt van de economische activiteiten en dat
er wordt gewaarschuwd om slechts dwingende rechtsregels in het contractenrecht uit te vaardigen
indien dit absoluut noodzakelijk is. 227
In de jaren ’90 volgde dan de invoering van de dwingende WHPC228 (nu WMPC) die een meer
omvattende bescherming van de consument inhield. Vervolgens werden ook de kredietnemer, de
verzekeringsnemer
en
de
reiziger
beschermd
door
later
uitgevaardigde
bijzondere
consumentenwetgeving. 229 Tot slot kan ook nog verwezen worden naar recentere wetgeving die
inzake de commerciële samenwerkingsovereenkomsten en inzake de handelstransacties de zwakke
contractpartij gaat beschermen. 230
84. De vraag stelt zich evenwel of er, naast bovengenoemde klassieke categorieën van
beschermingsgerechtigden, nog andere partijen zijn die een dwingende bescherming verdienen? Dat
deze vraag aan de orde is, heeft alles te maken met de omvattende bescherming van de consument
in de Belgische rechtsorde. Zoals verder zal besproken worden, blijkt dat het begrip “de consument”
225
Onder meer KB nr. 148 van 18 maart 1935 betreffende de woeker, BS 20 maart 1935.
226
X. DIEUX, “Le contrat: instrument et objet de dirigisme” in X., Les obligations contractuelles, 1984, 271; S.
STIJNS, Verbintenissenrecht, 2005, 38-39; E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen,
Intersentia, 2011, 28-29, nr. 42.
227
M. DAMBRE, o.c., 2007-08, 25; L. SIMONT, "Observations sur l‟évolution du droit des contrats”, JT 1982, 291.
228
Dit gebeurde onder invloed van Europese initiatieven die hebben geleid tot de invoering van de wet 14 juli
1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, BS 29 augustus
1991.
229
Onder het begrip ‘de consument’ worden ook de reizigers, patiënten, consumentkopers et cetera begrepen.
230
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 29, nr. 42.
54
immers zeer ruim kan worden ingevuld. 231 Onder de noemer “andere zwakkere partijen” kan onder
meer de kleine ondernemers, kleine beleggers, asielzoekers, allochtonen, echtgenoten, studenten,
gehandicapten et cetera worden verstaan 232. Algemeen wordt aangenomen dat deze zwakkere
partijen ook van een bepaalde bescherming kunnen genieten, zij het dan wel via een in concreto
beoordeling van de rechter. De rechter zal dus met andere woorden geval per geval zelf uitmaken of
dergelijke partijen zwak zijn en zodoende een bijzondere bescherming behoeven. In het verdere
verloop van deze masterproef laat ik deze discussie inzake de eventuele uitbreiding tot andere
zwakkere partijen echter achterwege.
1.3. Dwingend recht als concrete techniek van de bescherming van de zwakke
contractpartij
85. Hoewel de regels uit het Burgerlijk Wetboek overwegend van suppletieve aard waren, heeft de
wetgever in de loop van de 20e eeuw talloze dwingende rechtsregels uitgevaardigd. 233 Deze
dwingende wetsbepalingen vertonen een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Vooreerst kan
worden aangehaald dat deze dwingende rechtsregels een gemeenschappelijk doel voor ogen
hebben, met name de bescherming van de economisch of sociaal zwakkere contractpartij. Deze
dwingende bescherming dient er dan ook toe om de strikt formele contractvrijheid en de daaruit
voortvloeiende gelijkheid tussen contractpartijen, waarmee de Code Civil was doordrongen, om te
zetten naar een daadwerkelijke materiële contractuele gelijkheid en contractueel evenwicht tussen
de contractpartijen. 234 De wetgever probeert dus om aan de hand van dwingende wetsbepalingen de
contractuele positie van de partijen in evenwicht te houden 235 en het misbruik te beperken dat kan
231
E.H. HONDIUS, “Aspecten van modern contractenrecht”, in W. DELVA, Overeenkomstenrecht, Antwerpen,
Kluwer, 1999-2000, 546, nr. 671.
232
T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming van de
zwakkere partij in het contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 40.
233
S. STIJNS, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, 38-39; E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel
evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 28, nr. 41.
234
R. KRUITHOF, “Leven en dood van het contract”, RW 1985-86, 2747; E. SWAENEPOEL, Toetsing van het
contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 28, nr. 41; R. VANDEPUTTE, De lotsbestemming van het
contract, 1979, 8; A. VAN OEVELEN, “Algemene rechtsbeginselen in het verbintenissen- en contractenrecht” in M.
VAN HOECKE (ed.), Algemene rechtsbeginselen, Antwerpen, Kluwer, 1991, 110.
235
E. DIRIX en A. VAN OEVELEN, "Kroniek van het verbintenissenrecht (1985-1992)", RW 1992-93, 1209, nr. 5.
55
ontstaan uit de feitelijke ongelijkheid tussen de contractpartijen. 236 Dwingend recht werd dus
ingevoerd hoofdzakelijk met als doel om de zwakkere partij een minimumniveau aan bescherming te
kunnen bieden. Concreet wordt deze doelstelling verwezenlijkt door onder onder meer de
totstandkoming en de inhoud van de overeenkomsten op dwingende wijze te reglementeren. 237
Hierbij kan voor de duidelijkheid nog eens worden verwezen naar de bovenstaande randnummers
waarin werd besproken dat er telkens bepaalde categorieën van personen worden verondersteld van
economisch of sociaal zwakker te zijn. Het zijn dan ook deze categorieën die de wetgever beoogde te
beschermen door middel van dwingende wetgeving.
Als laatste gemeenschappelijk kenmerk kan worden vermeld dat de bescherming die de dwingende
wetsbepalingen biedt zich veelal beperkt tot de duur van de overeenkomst. Het is immers slechts
gedurende deze periode dat contractpartijen in een bijzondere verhouding 238 komen te staan ten
aanzien van elkaar. Bij de beëindiging van de overeenkomst verdwijnt dan ook veelal de behoefte
aan bescherming, aangezien de druk die de sterkere contractpartij aan de zwakkere partij kan
opleggen, dan wegvalt. 239
86. In de volgende randnummers bespreek ik enkele toepassingsgevallen van dwingend recht ter
bescherming van de particuliere belangen van één partij, ook nog het eenzijdig dwingend recht
genoemd. Zoals reeds besproken kan deze bescherming nog worden onderverdeeld in enerzijds de
bescherming van de zwakke contractpartij en anderzijds de bescherming van de sterke contractpartij.
236
237
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 28, nr. 41.
Bescherming van zwakke contractpartij zal evenwel veeleer geboden zijn wanneer de inhoud van de
overeenkomst onredelijk is.
238
Vaak een verhouding die tot feitelijke ongeleijkheid kan leiden.
239
F. DE LY, “Het gelijkheidsbeginsel in het contractenrecht”, RW 1991-92, 1151; E. SWAENEPOEL, Toetsing van het
contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 29, nr. 43.
56
2. Toepassing: Eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de arbeider
2.1. Algemeen kader
87. Onder invloed van de Code Civil werd de arbeidsverhouding destijds benaderd en geregeld als een
huurovereenkomst.240 In de verhouding tussen werkgever en werknemer werd de werknemer,
destijds specifieker de fabrieksarbeider, van oudsher als een zwakke contractspartij beschouwd die
bescherming behoefde van de wetgever. Deze ongelijkheid tussen de werkgever en de werknemer
en de daaruit voortvloeiende wantoestanden vloeiden voort uit de economisch zwakke positie
waarin de arbeider zich destijds bevond. 241
Omwille van de bovenvermelde redenen achtte de wetgever het dan ook noodzakelijk om in de
contractuele verhouding tussen beide partijen in te grijpen. Hij deed dit door het opleggen van
bepalingen van dwingend recht, en in mindere mate zelfs door het opleggen van bepalingen van
openbare orde. Deze dwingende bepalingen zorgen immers voor een compensering van de
ongelijkheid tussen de werkgever en de werknemer door de particuliere belangen van de
economisch zwakkere werknemer te beschermen, zonder dat de wetgever voorziet in eenzelfde
bescherming van de werkgever. 242
88. Deze bescherming speelt zowel bij de totstandkoming, de invulling en de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst een belangrijke rol. 243 De doelstelling van deze bescherming is hierbij steeds
uiteenlopend van aard, maar toch steeds gericht op de werknemer. Onder deze doelstellingen vallen
bijvoorbeeld de loonwaarborg, moederschapsbescherming, stabiele arbeidsverhoudingen, de sociale
zekerheid, de arbeidsongevallenverzekering, de opvanging en ontslagvergoeding bij de beëindiging
van deze rechtsverhouding et cetera.
240
A.F. BUNGENER, Het wijzigen van de arbeidsovereenkomst in vermogensrechtelijk perspectief, Amsterdam,
Kluwer, 2008, 107; W. EECKHOUTTE, Handboek Belgisch arbeidsrecht, Mechelen, Kluwer, 2006, 205.
241
A.F. BUNGENER, Het wijzigen van de arbeidsovereenkomst in vermogensrechtelijk perspectief, Amsterdam,
Kluwer, 2008, 109-110.
242
A.F. BUNGENER, Het wijzigen van de arbeidsovereenkomst in vermogensrechtelijk perspectief, 2008,
Amsterdam, Kluwer, 2008, 21.
243
A.R. HOUWELING en L.J.M. LANGEDIJK, “Dwingend recht in het arbeidsrecht: van confectie naar couture”,
Arbeidsrechtelijke annotaties 2011, 9.
57
89. Omwille van het feit dat deze verschillende beschermingsregelen erg verspreid liggen in de
wetgeving 244 heb ik er voor gekozen om mij vooral toe te leggen op de algemene eenzijdige
dwingende beschermingsregelen, ter bescherming van de zwakkere werknemer, die voortvloeien uit
de arbeidsovereenkomst gesloten tussen werkgever en werknemer, en om de achterliggende reden
voor deze eenzijdige bescherming trachten te achterhalen. Ik zal dus geen opsomming geven van de
talrijke dwingende bepalingen die men kan terugvinden in iedere afzonderlijke arbeidswet.
2.2. De Wet Arbeidsovereenkomsten van 1978
90.
Wanneer we de arbeidsovereenkomstenwet van dichterbij gaan analyseren is het meer dan duidelijk
dat deze voornamelijk bepalingen van dwingend recht omvat ter bescherming van de particuliere
belangen van de zwakkere contractpartij, namelijk de werknemer.245 Daaruit vloeit dan voort dat de
bescherming van deze dwingende bepalingen enkel inroepbaar is door de beschermde werknemer.
De rechter zal dan in principe ook geen moeilijkheden ondervinden om te gaan bepalen in wiens
voordeel een bepaling is opgesteld.
91.
De dwingende aard van deze wet, en de daaruit voortvloeiende beschermingsgedachte ten voordele
van de werknemer, wordt vooreerst uitdrukkelijk bekrachtigd door artikel 6 WAO dat bepaalt dat alle
strijdige bedingen nietig zijn, voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten
of
zijn
verplichtingen te
verzwaren.
Deze
bescherming
omvat
zowel
de
individuele
arbeidsovereenkomst, de collectieve arbeidsovereenkomst als de arbeidsreglementen. 246 Niettemin
is het van belang om te weten in wiens voordeel de dwingende bescherming uitwerking verleent. Zo
bepaalde het Hof van Cassatie dat de werknemer na de kennisgeving van de opzegging van de
arbeidsovereenkomst door de werkgever en na de beëindiging van de overeenkomst, een
overeenkomst kan worden afgesloten die afwijkt van de wettelijke bepalingen. 247
92.
Ook de achterliggende ratio legis van deze wet kan de dwingende aard ter bescherming van de
particuliere belangen van de werknemer verantwoorden. De reden waarom de wetgever via
eenzijdig
244
dwingendrechtelijke
bepalingen
de
contractsvrijheid
met
betrekking
tot
de
Zo omvat het individueel arbeidsrecht onder andere de Arbeidsovereenkomstenwet (1978), de Arbeidswet
(1971), de Loonbeschermingswet (1965) en de Welzijnswet (1996) et cetera.
245
J. STEYAERT, Arbeidsovereenkomst, Brussel, Story-Scientia, 1990, 76, nr. 91.
246
R. BLANPAIN, Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, Antwerpen, Kluwer, 1978, 126.
247
Cass. 11 februari, RW 1979-80, 2037.
58
arbeidsovereenkomst danig heeft beperkt, is omdat de arbeidsovereenkomst een specifiek karakter
heeft. 248 In tegenstelling tot bijvoorbeeld de koop-verkoopovereenkomst wisselen de partijen in deze
contractuele relatie nooit van (machts)positie. Daartegenover verkeren de verkoper en de koper,
afhankelijk van het ogenblik in de precontractuele en contractuele relatie, vaak afwisselend in een
sterke dan weer in een zwakke positie. 249
In de onderhandelingsfase kan de koper bijvoorbeeld de zwakkere partij zijn, omdat hij financieel
niet veel draagkracht heeft, hij niet over de nodige informatie, noch over de nodige opleiding of
deskundigheid beschikt om de prijs en kwaliteit van het goed in te schatten et cetera. Daarenboven
heeft de verkoper vaak meerdere potentiële kopers, terwijl de koper daarentegen niet steeds andere
opties heeft. Tenslotte kent de verkoper het verkochte goed beter en stelt hij vaak zelf het
voorkoopcontract op. Maar het kan evenwel ook voorkomen dat de koper zich in bepaalde gevallen
in een sterke positie bevindt. Denk hierbij aan de tegenovergestelde gevallen. Ook inzake de betaling
van de prijs kan de verkoper zich soms in een zwakkere, onzekere positie bevinden.
In de arbeidsovereenkomst bevindt de arbeider zich daarentegen bijna steeds in een zwakke en vaak
precaire rechtspositie ten opzichte van de werkgever. 250 In het arbeidsrecht bestaat deze
ongelijkheid uit het feit dat de werknemer erop is aangewezen om te gaan werken en geld te
verdienen om te voorzien voor zichzelf en zijn (eventuele) gezin. De toetreding tot het
arbeidscontract is derhalve vaak een noodzakelijkheid. Daartegenover staat de werkgever in een
sterke positie aangezien hij over een uitgebreide kennis en over het nodige kapitaal beschikt.
Laatstgenoemde kan het zich bovendien veroorloven om de diensten van een arbeider niet te
gebruiken, vermits hij toch in vele gevallen iemand anders heeft om de plaats te vervangen van de
werknemer die bijvoorbeeld ziek valt, zwangerschapsverlof neemt et cetera. Hoe ruimer de
arbeidsmarkt immers is, hoe smaller de individuele onderhandelingsmarge van de arbeider.
Daarenboven is er altijd het gevaar dat de werkgever misbruik maakt van zijn positie, vermits de
werknemer meestal vertoeft in een ondergeschikte positie.
248
J. BILLIET, Overeenkomstenrecht, Antwerpen, Gandaius-Kluwer, 2000, 543.
249
A.R. HOUWELING en L.J.M. LANGEDIJK, “Dwingend recht in het arbeidsrecht: van confectie naar couture”,
Arbeidsrechtelijke annotaties 2011, 10.
250
J. BILLIET, Overeenkomstenrecht, Antwerpen, Gandaius-Kluwer, 2000, 543; R. BLANPAIN, Wet betreffende de
arbeidsovereenkomsten, Antwerpen, Kluwer, 1978, 60; J. STEYAERT,
Arbeidsovereenkomst, Brussel, Story-
Scientia, 1990, 77.
59
93.
Ten slotte is het ook van belang om in te zien dat de basis van de arbeidsverhouding weliswaar een
overeenkomst is, maar niettemin vaak eenzijdig zal worden ingevuld door de werkgever. De
werknemer heeft als zwakke partij niet echt de mogelijkheid om de inhoud mede te gaan bepalen of
overeen te komen. De arbeidsovereenkomst is veeleer een toetredingscontract dan een
onderhandelde overeenkomst.
94.
Al deze bijzonderheden leiden dan ook tot de conclusie dat de dwingende bepalingen ter
bescherming van de werknemer zijn ingegeven door de bijzonderheid van enerzijds de rechtsposities
van de partijen en anderzijds de bijzonderheid van de arbeidsovereenkomst op zich.
95.
De bekommernis van de wetgever om de werknemer dwingend te beschermen treft men zowel aan
bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst, als tijdens het verloop251, als tijdens de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst. Hierna volgen enkele summiere voorbeelden waarin de rechtspraak heeft
beslist dat bepaalde arbeidsrechtelijke bepalingen dwingend zijn ten voordele van de werknemer.
96.
In een recente uitspraak bepaalde het Hof van Cassatie dat, hoewel de wettelijke
ontslagbescherming die werd voorzien in de wet van 19 maart 1991 252, van openbare orde is en de
belangen van de werknemer beschermt, zij niet tot gevolg heeft dat alle daaruit voortvloeiende
rechten ter bescherming van de werknemer van openbare orde zijn. Zo is artikel 17 van voornoemde
wet, die vastlegt dat de werkgever een vergoeding is verschuldigd wanneer hij de
arbeidsovereenkomst onregelmatig opzegt, een bepaling van dwingend recht ter bescherming van
de particuliere belangen van de werknemer. Hieruit volgt dat de werknemer, op het ogenblik dat hij
de ontslagvergoeding wegens onwettig ontslag definitief verwerft, rechtsgeldig afstand kan doen van
deze vergoeding. Anders gezegd verliest de bepaling haar openbare orde karakter en wordt zij
geconverteerd in een bepaling van dwingend recht vanaf het moment dat het vaststaat dat zijn
rechten op deze vergoeding definitief verworven zijn en deel uitmaken van zijn vermogen. Op dat
ogenblik beschikt de werknemer over een verworven recht en niet dus langer over een eventueel
recht. 253
251
252
Bijvoorbeeld loonregelingen bij ziekte of afwezigheid.
Wet 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de
ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede
voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, BS 29 maart 1991.
253
Arbh. Antwerpen 14 december 2009, RW 2009-10, 1058.
60
97.
In een arrest van 12 december 1988 heeft het Hof van Cassatie beslist dat artikel 10 van de wet met
betrekking tot de bescherming van het loon van de werknemer254 een dwingende bepaling ten
voordele van de werknemer inhoudt, en dus niet ten voordele van de werkgever. Dit artikel bepaalt
immers dat er van rechtswege rente verschuldigd is op het loon vanaf het tijdstip waarop het loon
opeisbaar wordt.
Het Brusselse Arbeidshof kwam tot dezelfde conclusie en oordeelde dat het recht van een
werknemer op zijn loon gewaarborgd wordt door de Loonbeschermingswet. Dat recht behoort dus
tot de dwingende bepalingen die de particuliere belangen van de werknemer beschermen. 255
Volgens het Arbeidshof vloeit hieruit voort dat de enkele omstandigheid dat een werknemer, in de
relatie tot zijn werkgever, een economisch zwakke partij is, niet tot gevolg heeft dat een verzaking
aan de loonachterstallen onmogelijk is. De verzaking aan loonachterstallen is mogelijk en
rechtsgeldig vanaf het ogenblik dat het recht ontstaat of met andere woorden vanaf het ogenblik dat
het recht opeisbaar wordt.
98.
Aan de hand van deze voorbeelden uit de rechtspraak is het bijgevolg duidelijk dat de dwingende
regels binnen het kader van het arbeidsrecht vooral ter bescherming van één partij zijn ingegeven,
namelijk de zwakker geachte werknemer.
99.
Tot slot wil ik kort opmerken dat er voor ogen moet worden gehouden dat de wetgever destijds de
bescherming beoogde van de fabrieksarbeider. De sociaal-economische omstandigheden zijn
evenwel sterk veranderd sinds de invoering van Arbeidsovereenkomstenwet. Niet alleen is er een
immense diversiteit aan werknemers, maar is er ook meer dan vroeger een belangrijk onderscheid
tussen intellectuele en lichamelijke arbeid. Het arbeidsovereenkomstenrecht maakt dit onderscheid
echter niet waardoor het anno 2013 veel moeilijker zal worden om via dwingend recht te voorzien in
een adequate en op maat voorziene ongelijkheidscompensatie. Daarenboven zal het heden ten dage
niet steeds nodig zijn om bepaalde aspecten van de arbeidsovereenkomst dwingend te regelen en te
voorzien in een specifieke bescherming voor elke categorie van werknemers. De werkgever is immers
vaak afhankelijk van de werkgever die voldoende opgeleid en gespecialiseerd is om de verwachte
254
Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, BS 30 april 1965 (hierna
verkort “Loonbeschermingswet”).
255
Arbh. Brussel (4e k.) nr. 2011/AB/430, 4 december 2012, JTT 2013, afl. 1155, 179.
61
arbeid te leveren. Tenslotte komen de werknemers ook meer en meer op voor hun rechten via
werknemersorganisaties. 256
De laatste tendens binnen het kader van het arbeidsrecht bestaat er dan ook in om meer aandacht te
gaan besteden aan nieuwe beleidslijnen zoals de marktwerking, flexibilisering en deregulering, en
dus niet zozeer meer op de bescherming van de zwakere werknemer aangezien deze de afgelopen
jaren veel sterker in positie is gekomen.
2.3. Rechtsvergelijkende noot: Nederland
100. Zoals reeds kort werd vermeld bestaan er binnen de Nederlandse wet op de Arbeisovereenkomsten
van 1907 verschillende gradaties van dwingend recht 257, en dus ook verschillende gradaties van
bescheming ten aanzien van de werknemer. 258
Vooreerst bestaan er bepalingen dwingend recht, in het kader van het Nederlandse arbeidsrecht, uit
de bepalingen waarvan de contractpartijen niet mogen afwijken. Een voorbeeld van dergelijke
dwingende bepaling is artikel 7:645 NBW in verband met de veiligheid en de bescherming van de
werknemer. Dit artikel bepaalt namelijk dat er niet van deze bepaling kan worden afgeweken ten
nadele van de werknemer. Hieruit volgt dat deze bepaling uitsluitend tot bescherming strekt van de
werknemer. Er geldt hier evenwel, analoog aan het Belgische artikel 6 WAO, een uitzondering. Zo
mag er, volgens het gunstigheidsbeginsel, wel worden afgeweken van de dwingende regeling indien
dit in het voordeel van de werknemer speelt.
Bij bepalingen van semidwingend recht kunnen de partijen vervolgens enkel afwijken bij schriftelijke
overeenkomst of bij individueel of collectief reglement. Deze categorie vindt haar rechtvaardiging in
het feit dat de werknemer bescherming behoeft, maar dat er niettemin behoefte kan zijn om, in
onderlinge overeenstemming, van deze dwingende regeling af te wijken. De eis van schriftelijkheid
256
H.J.W. ALT, Ongelijkheidscompensatie bij stelplicht en bewijslast in het civiele arbeidsrecht en
ambtenarenrecht, Deventer, Kluwer, 2009, 11.
257
258
Supra randnummer 43.
C. ASSER, mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, Deel 7-V.
Bijzondere overeenkomsten, Arbeidsovereenkomst, collectieve arbeisovereenkomst en
ondernemingsovereenkomst, Deventer, Kluwer, 2008, 11-12; M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht,
Deventer, Kluwer, 2000, 6 en 16-17.
62
biedt dan in elk geval de waarborg dat de werknemer weloverwogen aanvaardt dat zijn rechtspositie
aldus wordt ingericht. 259 Voorbeeld van dergelijke bepaling is artikel 7:628, lid 5 NBW waarin wordt
bepaald
dat
slechts
bij
schriftelijke
overeenkomst
kan
worden
afgeweken
van
de
arbeidsovereenkomst ten nadele van de werknemer.
Onder driekwart dwingend recht vallen dan weer de bepalingen waarvan zowel bij collectieve
arbeidsovereenkomst als bij regeling door een bevoegd publiekrechtelijk bestuursorgaan mag
worden afgeweken. 260 Voor driekwart dwingend recht is gekozen indien het gaat om een belangrijke
bescherming van werknemers, waarbij de mogelijkheid van afwijking wenselijk is, maar waarbij er
wel voldoende waarborg dient te bestaan dat de bescherming van de werknemers niet te
gemakkelijk opzij wordt gezet. 261 Voorbeeld van dergelijke bepalingen is artikel 7:628, lid 7 NBW dat
bepaalt dat er slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan kan worden afgeweken van de arbeidsovereenkomst ten nadele van de
werknemer.
Bij
bepalingen
van
vijf-achtste
dwingend
recht
kan
steeds
worden
afgeweken
bij
ondernemingsovereenkomst.
En tot slot bestaat aanvullend recht in het Nederlandse arbeidsrecht uit de bepalingen waarvan de
contractpartijen steeds mogen afwijken.
3. Toepassing: Eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de huurder
101. Het invoeren van dwingende regels door de wetgever vindt men vooral terug in de specifieke
huurstelsels. Denk hier maar aan de dwingende wetgeving betreffende woninghuur, handelshuur en
pacht. De doelstelling die de wetgever telkens voor ogen had bij het invoeren van dergelijk dwingend
statuut was de bescherming van de particuliere belangen van de huurder als zwakkere partij ten
aanzien van de verhuurder. Deze bescherming is er vooral gekomen omwille van de economische
wooncrisis die is ontstaan ten tijde van de Interbellum. Deze crisis had immers tot gevolg dat de
259
260
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 17.
C. ASSER, mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, Deel 7-V.
Bijzondere
overeenkomsten,
Arbeidsovereenkomst,
collectieve
arbeisovereenkomst
en
ondernemingsovereenkomst, Deventer, Kluwer, 2008, 11-12.
261
M.A. LOTH, Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2000, 17.
63
huurder zich zeer vaak in een zwakkere positie bevond ten aanzien van de verhuurder. Zo werden
bijvoorbeeld huurwoningen in zeer slechte staat op de huurmarkt aangeboden tegen
woekerhuurprijzen. De bescherming van de huurder als zwakke contractpartij varieert evenwel
naargelang de specifieke aard en het voorwerp van de huurovereenkomst.
102. Zo wordt de huurder binnen het kader van de woninghuur beschermd omdat hij zijn
hoofdverblijfplaats in het gehuurde goed heeft gevestigd. De Woninghuurwet beschermt dus als het
ware het belang van de primaire behoefte of basisbehoeften van de mens op onderdak. Terwijl de
Handelshuurwet en de Pachtwet dan weer de bescherming van de economische belangen van de
huurder beogen. In het kader van de Handelshuurwet is het immers van groot belang dat de
bescherming zich veeleer toespitst op het vrijwaren van de handelszaak als bron van inkomen van de
huurder en dus niet zozeer op de bescherming van de huisvesting. Bij een pachtovereenkomst is het
echter een beetje dubbel, enerzijds beoogt de Pachtwet de bescherming van de landbouwexploitatie
als bron van inkomen en anderzijds beschermt deze wet ook de huisvesting van de pachter. 262
Hoewel de dwingende bepalingen van deze wetten hoofdzakelijk de bescherming van de particuliere
belangen van de huurder of pachter als zwakkere contractpartij voor ogen hebben, heb ik toch
vastgesteld dat er meer schuilt achter deze beschermingsgedachte. Zo bevatten deze wetten ook
bepalingen van eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de particuliere belangen van de
verhuurder alsook bepalingen van meerzijdig dwingend recht ter bescherming van de particuliere
belangen van beide partijen.
Gezien het veelzijdige dwingende karakter van deze specifieke wetten, heb ik er voor geopteerd om
de Woninghuurwet, de Handelshuurwet en de Pachtwet te bespreken in het volgende hoofdstuk met
betrekking tot de meerzijdige dwingende rechtsbepalingen ter bescherming van de particuliere
belangen van beide contractpartijen.
262
M. DAMBRE, o.c., 2007-08, 63.
64
4. Toepassing: Eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de consument
4.1. Algemeen kader
103. Zoals reeds werd toegelicht kwam de wetgever aanvankelijk tussen om aan de hand van dwingende
wetsbepalingen enkele welbepaalde groepen van zwakkere contractpartijen te beschermen zoals de
werknemers, de landpachters en de handelshuurders et cetera. Maar in de jaren 90 heeft de
wetgever deze categorie uitgebreid door een meer omvattende bescherming in te voeren ten gunste
van de consument. 263
104. De bescherming van de consument verschilt evenwel op enkele belangrijke punten van de
bescherming van de klassieke zwakkere contractpartijen. Vooreerst is de reikwijdte van de
bescherming erg verschillend. Want iedereen, zowel werknemer als werkgever, huurder als
verhuurder, kan zichzelf in bepaalde situaties als consument beschouwen. 264 Vervolgens is de
consument een contractpartij die zich in meerdere contractsrelaties kan plaatsen. Zo is het optreden
van de consument niet beperkt tot een bepaald terrein of tot een bepaalde overeenkomst. De
consument kan immers onder meer een koop- en huurovereenkomst aangaan, hij kan verzekeringen
sluiten en hij heeft volgens de visie van het Hof van Justitie 265 de mogelijkheid om zich borg te stellen
indien hij een schuld waarborgt die voor privé-doeleinden is aangegaan. 266 Tot slot kan er worden
opgemerkt dat er de laatste tijd steeds meer auteurs 267 verkiezen om een moderne opvatting van het
begrip “de consument” te volgen. Hiermee wordt dan bedoeld dat de veronderstelde zwakte, zoals
die aanwezig is bij de klassieke zwakke contractpartijen, hier wordt verworpen ten aanzien van de
consument. Er zal dus, in tegenstelling tot de klassieke in abstracto beoordeling, een in concreto
beoordeling plaatsvinden waarbij er wordt vertrokken vanuit de identificatie van een situatie waarin
263
S. STIJNS, Verbintenissenrecht. Themis. School voor postacademische juridische vorming, Brugge, die Keure,
2012, 21.
264
T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, Deventer, Kluwer, 1999, 29-30.
265
HvJ C‐45/96, Bayerische
Hypotheken‐
und
Wechslebank
AG,
17
maart
1998, http://curia.eu.int. A
contrario met de Belgische WMPC zie Rb.
Brussel 12
november
2003,
JT
2004,
185.
266
267
T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, Deventer, Kluwer, 1999, 29-30.
Bij wijze van voorbeeld E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia,
2011, 19-20.
65
de vrije economische zelfbeschikking van de consument niet wordt gegarandeerd. 268 Nochtans zal de
consument zich juist wel vaak in een economisch zwakkere positie bevinden ten aanzien van zijn
(professionele) medecontractant. Het is dan ook vooral deze laatste situatie die ik nader zal
behandelen binnen de context van dwingende regelgeving.
105. Het doel dat de wetgever hoofdzakelijk voor ogen had bij de invoering van het consumentenrecht
was om de ongelijkheid van de contractpartijen te verhelpen. Er kan immers onevenwicht ontstaan
tussen de hoofdprestaties van het contract indien de machtige, professionele contractpartij misbruik
maakt van de zwakheid of eenzaamheid van de consument. De wetgever heeft dus tal van
dwingende
wetsbepalingen
uitgevaardigd
die
een
daadwerkelijke
gelijkheid
tussen
de
contractpartijen beogen te creëeren. 269
4.2. De Wet Marktpraktijken van 2010
106. De Wet Marktpraktijken is in 2010 ingevoerd teneinde de oude Wet Handelspraktijken uit 1991 270 in
overeenstemming te brengen met de ontwikkelingen op Europees niveau. 271 Zo werden een aantal
rechtsregelen aangepast aan de rechtspraak van het Hof van Justitie 272 betreffende de Richtlijn
Oneerlijke Handelspraktijken 273 en anderzijds werd geanticipeerd op een voorstel van de Richtlijn
268
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 83; E. TERRYN,
Bedenktijden in het consumentenrecht, 2008, 29.
269
L. CORNELIS, “Rechterlijke toetsing van onrechtmatige bedingen” in X., Liber amicorum P. De Vroede, 1994,
Diegem, Kluwer, 1994, 317-318; P. NIHOUL, “Les consommateurs depuis le Code civil: développement progressif
de diverses formes de protection” in A. WIJFFELS, Le Code civil entre ius commune et droit privé européen,
Brussel, Bruylant, 2005, 548; S. VAN ARKEL, “Massa-individualisering: de contractvrijheid van de consument in
een nieuw licht” in T. HARTLIEF en C. STOLKER (eds.), Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 402.
270
Wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, BS
29 augustus 1991 (hierna verkort “WHPC”).
271
272
R. STEENNOT, F. BOGAERT, D. BRULOOT en D. GOENS, Wet Marktpraktijken, Antwerpen, intersentia, 2010, nr. 1-5.
Met betrekking tot het gezamenlijk aanbod: HvJ C‐261/07 en C‐299/07, VTB‐VAB
t.
Total
Belgium
en
Galatea
BVBA
t.
Sanoma
Magazines
Belgium
NV, 23
april
2009, http://curia.europa.eu.
273
Richtlijn
2005/29/EG
van
het
Europees
Parlement
en
de Raad
van
11
mei
2005
betreffende
oneerlijke
handelspraktijken
van
ondernemingen
jegens
consumenten
op
de
interne
markt
en
tot
wijziging
van
Richtlijn
84/450/EEG
van
de
Raad,
Richtlijnen
97/7/EG,
98/27/EG
en
2002/65/EG
van
het
Europees
Parlement
en
de
Raad
en
van
Verordening
(EG)
nr.
2006/2004
van
het
Europees
66
betreffende Consumentenrechten274. De WMPC beantwoordt op deze manier dan ook beter aan de
gewijzigde marktomstandigheden en aan de hedendaagse noden en wensen van de consument. 275
Vandaar ook de titel van de wet “marktpraktijken en consumentenbescherming”.
107. De WMPC streeft volgens de parlementaire voorbereiding 276 twee doelstellingen na: enerzijds de
bescherming van de belangen van de consument 277 en anderzijds de bescherming van de eerlijke
concurrentie door de loyauteit tussen de marktdeelnemers te waarborgen en door de zwakkere
ondernemingen een voldoende bescherming te verlenen 278. Daarnaast bevat de WMPC ook een hele
reeks regelen die streven om beide doelstellingen tegelijk te verwezenlijken. 279 In de hiernavolgende
randnummers beperk ik mij tot de regelen die de wetgever heeft ingevoerd ter bescherming van de
particuliere belangen van de consument. Deze regelen beschikken immers telkens over een
dwingend karakter zodanig dat ze niet kunnen worden uitgesloten door een contracterende partij.
Indien deze regelen niet van dwingende aard zouden zijn dan zouden ze immers hun doel volledig
voorbijschieten. Deze dwingende wetgeving heeft dan ook tot gevolg dat de vrijheid om de inhoud
van de overeenkomst te bepalen, in bepaalde materies drastisch wordt beperkt. 280
i. De onrechtmatige bedingenleer
108. Een bijzondere illustratie van deze dwingende wetgeving ter bescherming van de consument 281
vormt de onrechtmatige bedingenleer. De wetgever stelde immers vast dat de onderneming 282, als
Parlement
en
de
Raad,
PB.L.
11
juni
2005,
afl.
149,
22
(hierna
verkort
“Richtlijn
Oneerlijke
Handelspraktijken”).
274
Voorstel
voor
een
richtlijn
van
het
Europees
Parlement
en
de
Raad
betreffende
consumentenrechten,
8
oktober
2009 (hierna verkort “Richtlijn Consumentenrechten”).
275
Parl.St. Kamer, 2009-10, Doc. 52, 2340/001, 3.
276
Parl.St. Kamer, 2009-10, Doc. 52, 2340/001, 8.
277
Bijvoorbeeld artikelen 2,28° en 73 tot en met 75 WMPC inzake de onrechtmatige bedingen.
278
Bijvoorbeeld artikel 32 WMPC inzake de sperperiode.
279
Bijvoorbeeld artikel 83 e.v. inzake de oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten.
280
S. STIJNS, Verbintenissenrecht. Themis. School voor postacademische juridische vorming, Brugge, die Keure,
2012, 21.
281
Definitie consument volgens artikel 2, 3° WMPC. Het Belgisch consumentenbegrip lijkt enger te zijn dan het
Europese zie HvJ C‐464/01, Gruber
t.
Bay
Wa
AG, 20
januari
2005, http://curia.europa.eu.
282
Definitie onderneming volgens artikel 2, 1° WMPC.
67
sterke professionele medecontractant, en de consument, als zwakke contractpartij, zich zeer vaak in
een ongelijke contractuele positie bevonden waardoor de consument bijzondere bescherming
behoeft. De onderneming maakt immers vaak misbruik van de machtpositie die hij heeft ten aanzien
van de consument. 283 Deze machtsmisbruik komt vaak in de fase van de onderhandeling tot uiting.
Denk hier bijvoorbeeld aan de algemene voorwaarden en de bedingen die de onderneming ten
gunste van zichzelf aan de consument opdringt.
109. Het belang van de machtspositie van de onderneming mag hier in geen geval worden onderschat. In
de voorbije decennia is het gebruik van standaardvoorwaarden 284 in handelstransacties immers in
grote mate toegenomen om de eenvoudige reden dat de onderneming vaak op verregaande wijze de
contractuele verhouding tussen zichzelf en de consument wil regelen. De consument, die in een
zwakkere onderhandelingspositie staat, heeft dan vaak het nadeel dat hij een overeenkomst afsluit
die wordt beheerst door de algemene voorwaarden van de onderneming, die zich in een dominante
onderhandelingspositie bevindt. Als consument bevindt men zich immers vaak in een “take it or
leave it” situatie. Er zal immers geen onderhandelingsruimte zijn voor de consument inzake het
wijzigen van bepaalde bedingen die de onderneming in zijn algemene voorwaarden
gestandaardiseerd heeft opgenomen. Verschillende omstandigheden kunnen dus van invloed zijn op
het onderhandelen van bepaalde bedingen in de algemene voorwaarden: de maatschappelijke en de
economische positie 285 van de contractpartijen, de wijze waarop het beding is tot stand gekomen 286,
de mate waarin de consument zich bewust is van de strekking van het beding 287 et cetera. 288 Het is
derhalve duidelijk dat het gebruik van algemene voorwaarden kan ontaarden in misbruik door de
sterke onderneming, bijvoorbeeld door bepaalde rechten van de consument te beperken aan de
hand van bedingen.
283
S. STIJNS, Verbintenissenrecht. Themis. School voor postacademische juridische vorming, Brugge, die Keure,
2012, 22.
284
Die naar hun aard tevens een stuk van de overeenkomst vormen en net als de overeenkomst onderworpen
zijn aan het algemeen rechtsbeginsel “pacta sunt servanda”.
285
En eventueel misbruik van de machtspositie door de economisch sterkere contractpartij, in casu de
onderneming.
286
Heeft de consument het beding uberhaupt opgemerkt of, beter gezegd, heeft de onderneming de
consument gewezen op de algemene voorwaarden?
287
De gebruiken in een bepaalde handelsbranche kunnen hierin een rol spelen.
288
B. WESSELS, R.H.C. JONGENEEL en M.L. HENDRIKSE, Algemene voorwaarden, s.l., Kluwer, 2006, 307.
68
De wetgever heeft dit misbruik dan ook willen verhelpen door de invoering van een regeling inzake
onrechtmatige bedingen in de oude dwingende WHPC. De wetgever hield hierbij niet alleen rekening
met de bescherming van de consument als zwakke contractpartij, maar ook met de nood van een
geordend en efficiënt handelsverkeer. De wetgever besefte dus dat het niet opging om via
dwingende wetsbepalingen het gebruik van algemene voorwaarden absoluut te verbieden of om ze
steeds nietig of vernietigbaar aan te merken. 289 De wetgever heeft er dan ook voor geopteerd om
inzake de consumentenovereenkomsten een inhoudscontrole te laten plaatsvinden die moet
toelaten dat de consument niet gebonden is door bepaalde onrechtmatige bedingen. 290
110. De huidige WMPC is dus het resultaat van de omzetting van de WHPC en de Richtlijn Oneerlijke
Bedingen 291. Deze richtlijn regelt immers ook op dwingende wijze de contractvrijheid inzake het
opnemen van bepaalde bedingen. Volgens het Hof van Justitie heeft de communautaire wetgever,
met het oog op de bescherming van de zwakke positie van de consument, deze Richtlijn
uitgevaardigd met als doel om een reëel evenwicht en gelijkheid te creëeren tussen de rechten en
verplichtingen van de contractpartijen.292 Eén van de voornaamste doelstellingen van de WMPC is
dus nog steeds om bepaalde opgenomen bedingen die als onredelijk en onevenwichtig beschouwd
worden te corrigeren en te sanctioneren. Op deze manier wordt het contractuele onevenwicht
inzake de rechten en plichten tussen de zwakke consument en de sterke onderneming gemilderd. 293
111. In de eerste plaats wordt deze doelstelling verwezenlijkt door artikel 74 WMPC. Dit artikel bevat een
exhaustieve zwarte lijst van onrechtmatige bedingen die onder alle omstandigheden verboden zijn.
Als de rechter vaststelt dat een beding beantwoordt aan de omschrijving van een onrechtmatig
beding uit deze lijst, dan moet hij dit beding volgens artikel 75 WMPC nietig verklaren, zonder na te
gaan of ze het evenwicht kennelijk verstoren. De rechter beschikt dus over geen enkele
289
290
A.R. BLOEMBERGEN, C.C. VAN DAM en J. HIJMA, Rechtshandeling en overeenkomst, Deventer, Kluwer, 2001, 270.
Het feit dat rechtmatige (standaard)bedingen wel nog geoorloofd zijn, is in overeenstemming met de
transactiekostentheorie.
291
Richtlijn
93/13/EEG
van
de Raad
van
5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen
in
consumentenovereenkomsten, PB.L. 21 april 1993, afl. 095, 0029-0034 (hierna verkort “Richtlijn Oneerlijke
Bedingen”).
292
HvJ C‑168/05, Elisa María Mostaza Claro t. Centro Móvil Milenium SL, 26 oktober 2006, punt 36, http://eur-
lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:62005CJ0168:NL:HTML.
293
De WMPC maakt tevens geen onderscheid tussen de onderhandelde en de standaardbedingen zie P. CAMBIE,
Onrechtmatige bedingen, Brussel, Larcier, 2009, 71.
69
beoordelingsvrijheid. Indien een beding daarentegen niet voorkomt in deze zwarte lijst dan moet het
toch nog steeds de algemene toetsingsnorm van artikel 73 WMPC doorstaan. 294 Via deze open norm
kan de rechter nagaan of de contractuele rechten en plichten van de partijen niet kennelijk in
onevenwicht zijn door het beding. 295
112. Ik wil hier even stil staan bij enkele bijzonderheden die voortvloeien uit artikel 75 WMPC. Vooreerst
wil ik wijzen op de bewoording van dit artikel. Uit de zinslede “de consument kan geen afstand doen
van de rechten die hem bij deze afdeling werden toegekend” 296 kan men immers afleiden dat de
regeling inzake de onrechtmatige bedingen 297 wel degelijk over een dwingend karakter beschikt ter
bescherming van de private belangen van de consument. Maar zoals reeds gezien bestaat er wel een
beperkte mogelijkheid voor de consument om a posteriori, na het ontstaan van het geschil en met
volle kennis van de zaak, afstand te doen van de bescherming en dus van het inroepen van het
onrechtmatige karakter van het beding.
113. Vervolgens bepaalt artikel 75, §1, 1e lid WMPC dat elk onrechtmatig beding verboden en nietig is.
Deze nietigheidssanctie is evenwel slechts een partiële relatieve nietigheid, daar het enkel het
onrechtmatig beding is dat wordt vernietigd en niet de overeenkomst zelf. Zo vermeldt het 2e lid van
dit artikel dat de overeenkomst zelf bindend blijft voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige
bedingen kan voortbestaan. 298 Deze partiële nietigheid wordt aanzien als de meest aangepaste
sanctie ter bescherming van de economisch zwakkere consument. 299 Deze sanctie leidt er immers toe
dat de consument zich niet belemmerd voelt om de vernietiging van een beding te vorderen uit vrees
dat de hele overeenkomst vernietigd zou worden. Ook de onderneming kan zich dan niet aan de rest
van de overeenkomst onttrekken. 300 Toch bestaat er nog veel controversie over deze
nietigheidssanctie en de gevolgen ervan.
294
In samenhang met artikel 2, 28° WMPC dat de definitie van “een onrechtmatig beding” bevat.
295
Kh. Namen 10 maart 2010, DCCR 2011, 146, noot R. STEENNOT; S. STIJNS, Verbintenissenrecht. Themis. School
voor postacademische juridische vorming, Brugge, die Keure, 2012, 22.
296
Artikel 75, §1, 3 lid WMPC.
297
Artikel 73-78 WMPC.
298
Analoog aan artikel 6, 1 lid Richtlijn Oneerlijke Bedingen.
299
e
e
S. STIJNS, “Nietigheid van het contract als sanctie bij zijn totstandkoming” in J. SMITS en S. STIJNS,
Totstandkoming van de overeenkomst naar Nederlands en Belgisch recht, 2002, 243.
300
R. STEENNOT, Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, 2007, 161; E. SWAENEPOEL, Toetsing
van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 979.
70
114. De grootste discussie die opwaait met betrekking tot deze partiële relatieve nietigheid betreft de
vraag of de rechter deze nietigheidssantie ambtshalve
mag opwerpen ten aanzien van
onrechtmatige bedingen in een consumentenovereenkomst. Immers, de ambtshalve opwerping van
de nietigheid is een kenmerk die zich in principe enkel voor doet bij strijdigheid van bepalingen die
de openbare orde raken, en dus niet bij strijdigheid van bepalingen van dwingend recht.
Deze discussie vindt zijn oorsprong in de jarenlange onenigheid in de rechtspraak en rechtsleer over
de vraag of de onrechtmatige bedingen van dwingend recht dan wel van openbare orde zijn. 301
Daaruit volgt dan ook dat het niet duidelijk was of deze onrechtmatige bedingen nu moesten worden
gesanctioneerd met een relatieve dan wel met een absolute nietigheid. Noch de parlementaire
voorbereiding noch de WMPC zelf geeft duidelijk aan met welke nietigheid de onrechtmatige
bedingen dienen te worden gesanctioneerd.302 In een belangrijk arrest van het Hof van Cassatie werd
evenwel duidelijk dat het Hof van oordeel is dat de onrechtmatige bedingenleer de openbare orde
niet raakt, doordat deze leer enkel de private belangen van de consument, als zwakkere
contractpartij, beoogt te beschermen. 303 Ook de lagere rechtspraak oordeelt in deze zin. 304 Maar er
groeide al zeer snel kritiek op deze relatieve nietigheid. Zo schreef DEMUYNCK dat de bescherming van
de zwakkere consument, als voornaamste doelstelling van de WMPC, enkel kan worden bereikt via
een sanctie die ambtshalve kan worden opgeworpen door de rechter. 305 Consumenten zijn immers
vaak leken die de regeling van de WMPC niet kennen en die dus niet weten wanneer ze al dan niet de
nietigheid van een bepaald beding kunnen inroepen.
Een aantal cruciale vragen vloeien voort uit deze laatste bemerking. Een eerste vraag die kan worden
gesteld, is of de rechter deze nietigheid dan ambtshalve kan of moet opwerpen? En geldt deze
ambtshalve opwerping dan voor alle mogelijke bedingen? Tot slot kan men zich hierbij afvragen of de
rechter, in geval dat de consument niet opdaagt, de zaak gewoon bij verstek dient te veroordelen of
dient de rechter de nietigheid van een beding dan ook ambtshalve op te werpen?
301
R. STEENNOT, “Overzicht van rechtspraak. Consumentenbescherming (1998-2002)”, TPR 2004, 1871.
302
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 981.
303
Cass. 26 mei 2005, Pas. 2005, I, 1115.
304
Brussel 9 juni 1995, A.R. 1893/93, onuitgege.; Voorz. Kh. Dendermonde 21 juni 1995, Jaarboek
Handelspraktijken 1995, 212.
305
DEMUYNCK, Onrechtmatige bedingen, 1999-2000, 711 en 731.
71
115. Het antwoord op deze vragen kan gevonden worden in de rechtspraak van het Hof van Justitie.
Teneinde verwarring te voorkomen wil ik hierbij voorafgaand opmerken dat deze arresten zich
kaderen binnen de Richtlijn Oneerlijke Bedingen. Dit wil zeggen dat de zaken steeds betrekking
hebben op overeenkomsten gesloten tussen de zwakke consument 306 en de sterke verkoper 307.
116. In de zaak Océano Grupo 308 heeft het Hof van Justitie beslist dat de rechter de onrechtmatigheid van
bedingen ambtshalve mag opwerpen. 309 In casu werd aan het Hof de prejudiciële vraag gesteld of de
nationale rechter, bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van een bij een gewone rechter
ingediende vordering, ambtshalve mag toetsen of een beding oneerlijk is? 310
In deze zaak ging het over een bevoegheidsbeding 311 waarbij de rechter van de plaats van vestiging
van de verkoper uitlsuitend bevoegd werd verklaard om alle toekomstige geschillen die voortvloeien
uit de overeenkomst tussen de consument en de verkoper te beslechten. Dergelijk
bevoegdheidsbeding viel echter zeer nadelig uit voor de consument aangezien de bevoegde
rechterlijke instantie ver van diens woonplaats verwijderd was. Het was immers lastiger voor de
consument, dan voor de verkoper, om voor deze rechter te verschijnen. Denk bijvoorbeeld aan de
hoge kosten voor vervoer die de consument zou moeten dragen. De consument zal zich dan ook vaak
ontzien om een rechtsvordering in te stellen of om verweer te voeren voor deze rechter. Dit beding
had dus vooral tot doel of gevolg dat het instellen van een vordering door de consument werd belet
of belemmerd. Dit in tegenstelling tot de positie van de verkoper, voor wie het bevoegdheidsbeding
net zeer voordelig uitviel. Voor de verkoper was het immers makkelijk om bij deze rechter te
verschijnen en hij moest bovendien ook minder kosten inzake het vervoer dragen.
Het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de
contractpartijen werd dus, ten nadele van de consument, aanzienlijk verstoord. Omwille van deze
306
Definitie volgens artikel 2, b) Richtlijn Oneerlijke Bedingen.
307
Definitie volgens artikel 2, c) Richtlijn Oneerlijke Bedingen.
308
HvJ C-240/98 tot C-244/98, Océano Grupo Editorial SA t. Roció Murciano Quintero en Salvat Editores SA t.
José M. Sánchez Alcón Prades en José Luis Copano Badillo en Mohammed Berroane en Emilio Viñas Feliú, Jur.
2000, I, 4941.
309
S. STIJNS, Verbintenissenrecht. Themis. School voor postacademische juridische vorming, Brugge, die Keure,
2012, 25.
310
HvJ C-240/98 tot C-244/98, Océano Grupo, Jur. 2000, I, 4963, ro. 19.
311
Ook nog forumkeuzebeding genoemd.
72
reden werd dan ook beslist dat het bevoegdheidsbeding als oneerlijk of onrechtmatig dient te
worden gezien 312 en dat deze onrechtmatigheid bovendien ambtshalve kan worden opgeworpen
door de rechter, ook al vordert de consument de nietigheid van het beding niet zelf. Concreet
betekent dit dat, ingeval de bevoegde rechter wordt aangewezen door het onrechtmatige beding, hij
zich ambtshalve dient onbevoegd te verklaren.
Het Hof van Justitie kwam tot deze beslissing door te stellen dat de bescherming, die door de
Richtlijn Oneerlijke Bedingen wordt verleend313, berust op de idee dat de consument zich, omwille
van twee redenen, in een zwakke positie bevindt ten aanzien van de verkoper: enerzijds kan de
consument omwille van zijn zwakke positie niet onderhandelen over de door de verkoper van
toepassing verklaarde algemene voorwaarden, anderzijds leest de consument de algemene
voorwaarden vaak niet en kampt hij dus met een achterstand aan informatie. Deze situatie van
ongelijkheid tussen consument en verkoper kan volgens het Hof dan ook enkel worden opgeheven
door een positief ingrijpen van de rechter buiten de partijen bij de overeenkomst om. Het Hof
benadrukt hier dus dat de bevoegdheid van de rechter, inzake het ambtshalve opwerpen van de
relatieve nietigheid van een onrechtmatig beding, noodzakelijk wordt geacht om een daadwerkelijke
bescherming van de consument te waarborgen.314 De consument is immers zeer vaak zelf niet op de
hoogte van zijn rechten of ondervindt moeilijkheden 315 om deze rechten uit te oefenen.
Na deze zaak bleven er echter nog vele vragen onbeantwoord: kan de ambtshalve bevoegdheid van
de rechter inzake het opwerpen van de relatieve nietigheid van een onrechtmatig beding
plaatsvinden in alle fasen van het geding? Of enkel in de fase met betrekking tot het onderzoek van
de ontvankelijkheid van een vordering? En geldt deze bevoegdheid enkel voor de
bevoegdheidsbedingen of voor alle bedingen?
117. In het Cofidis arrest 316 lijkt het Hof van Justitie een ruime draagwijdte van de overwegingen inzake
het arrest Océano Grupo te bevestigen. 317 Het Hof besliste immers dat de bevoegdheid van de
312
Artikel 3 Richtlijn Oneerlijke Bedingen.
313
Ter bereiking van het resultaat van artikel 6 Richtlijn Oneerlijke Bedingen en ter verwezenlijking van het doel
van artikel 7 Richtlijn Oneerlijke Bedingen.
314
HvJ C-240/98 tot C-244/98, Océano Grupo, Jur. 2000, I, 4963, ro. 26.
315
Bijvoorbeeld een zeer hoge kostprijs.
316
HvJ C-473/00, Cofidis SA t. Jean-Louis Fredout, Jur. 2002, I, 10875.
73
rechter, inzake het ambtshalve opwerpen van de relatieve nietigheid van een onrechtmatig beding,
niet alleen betrekking heeft op een bevoegdheidsbeding maar op alle oneerlijke bedingen in het
algemeen. Het Hof benadrukte hierbij opnieuw, analoog aan het arrest Océano Grupo 318, dat
dergelijke bevoegdheid van de rechter noodzakelijk wordt geacht in alle fasen van het geding om een
daadwerkelijke bescherming van de consument te waarborgen. 319
118. Ook in de zaak Mostaza Claro 320 heeft het Hof van Justitie, analoog aan het arrest Océano Grupo,
beslist dat de rechter de nietigheid van onrechtmatige bedingen ambtshalve mag opwerpen.321 In
casu ging de consument, op basis van een arbitragebeding, naar de arbiter om een geschil te laten
beslechten, maar daar werd de consument echter in zijn ongelijk gesteld. Hierop ging de consument
naar de gewone rechter om daar de nietigheid van het arbitragebeding te vorderen. In deze
procedure rees dan de prejudiciële vraag of de gewone rechter het onrechtmatig arbitragebeding
nietig mag verklaren, ook al werd deze nietigheid niet opgeworpen tijdens de arbitrageprocedure?
Het Hof beantwoordde deze vraag positief en was hierbij van oordeel dat de aard en het gewicht van
het openbare belang, waarop de bescherming van de consument berust 322, rechtvaardigen dat de
nationale rechter ambtshalve dient te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is. Op deze
manier vormt de ambtshalve bevoegdheid van de rechter volgens het Hof dan ook een compensatie
voor het bestaande gebrek aan evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de consument en
de verkoper. 323
119. In het arrest Pannon324 ging het Hof van Justitie zelfs nog een stap verder door te beslissen dat het
ambtshalve opwerpen van de onrechtmatigheid van een beding door de rechter een plicht
inhoudt. 325 Het Hof oordeelde namelijk uitdrukkelijk dat de rechter een verplichting heeft om de
317
R. STEENNOT, “Overzicht van rechtspraak. Consumentenbescherming (1998-2002)”, TPR 2004, 1872; E.
SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 983.
318
HvJ C-240/98 tot C-244/98, Océano Grupo, Jur. 2000, I, 4963, ro. 26.
319
HvJ C-473/00, Cofidis SA t. Jean-Louis Fredout, Jur. 2002, I, 10875, ro. 33.
320
HvJ C‑168/05, Elisa María Mostaza Claro t. Centro Móvil Milenium SL, Jur. 2006, I, 10421.
321
Zie ook HvJ C‑237/02, Freiburger Kommunalbauten, Jur. 2004, I, 3403, ro. 25.
322
Binnen de context van de Richtlijn Oneerlijke Bedingen.
323
HvJ C-168/05, Elisa María Mostaza Claro t. Centro Móvil Milenium SL , Jur. 2006, I, 10421, ro. 38.
324
HvJ C-243/08, Pannon GSM Zrt. t. Erzsébet Sustikné Győrfi, Jur. 2009, I, 4713.
325
R. STEENNOT, Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, 2007, 161; E. SWAENEPOEL, Toetsing
van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 984.
74
onrechtmatigheid van een beding ambtshalve te onderzoeken van zodra hij over de daartoe
noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtelijk, beschikt, en dus ook wanneer hij toetst of hij ratione
loci bevoegd is om de zaak te beslechten. 326 In een recent arrest van het Hof van Beroep 327 wordt
deze visie van het Hof van Justitie trouwens bevestigd. In casu oordeelde het Hof van Beroep dat de
rechter verplicht is om ambtshalve na te gaan of een schadebeding onrechtmatig is op grond van
artikel 74, 17° WMPC. Toch bestaat er nog steeds onenigheid in de Belgische rechtspraak over deze
verplichte ambtshalve bevoegdheid van de rechter. 328
120. Concluderend kan ik stellen dat de consument in het kader van de Richtlijn Oneerlijke Bedingen niet
verplicht is de nietigheid van het onrechtmatig beding zelf in te roepen. Volgens het Hof van Justitie
beschikt de nationale rechter hier immers in elke stand van het geding over een ambtshalve
toetsingsbevoegdheid, die noodzakelijk wordt geacht om een daadwerkelijke bescherming van de
belangen van de consument te waarborgen. 329
Binnen het Belgisch recht betekent dit dus dat de Belgische rechter de nietigheid van een beding 330,
dat volgens artikel 74 of artikel 73 WMPC als onrechtmatig dient te worden beschouwd, ambtshalve
kan inroepen. 331 Maar dit betekent echter niet dat de onrechtmatige bedingen uit de WMPC moeten
worden aanzien als bepalingen van openbare orde. De kern van de onrechtmatige bedingen van de
WMPC bestaat er namelijk nog steeds in om de particuliere belangen van de zwakke consument te
beschermen tegen misbruik van de onderneming binnen de contractrelatie. Dit is dus een pure
kwestie van dwingend recht sensu stricto ter bescherming van de consument.
Hetgeen dat hierbij wel terecht kan worden opgemerkt is het feit dat de scheidingslijn tussen de
absolute en de relatieve nietigheid sterk aan het vervagen is. Dit omwille van het feit dat de relatieve
326
Zie ook HvJ C-472/10, Nemzeti Fogyasztóvédelmi Hatóság t. Invitel Távközlési Zrt, http://eur-
lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2012:174:0007:0007:NL:PDF; HvJ C-618/10, Banco Español
de Crédito SA t. Joaquín Calderón Camino, enkel beschikbaar op http://curia.europa.eu.
327
Gent 4 januari 2012, NJW 2012, noot R. STEENNOT; S. STIJNS, Verbintenissenrecht. Themis. School voor
postacademische juridische vorming, Brugge, die Keure, 2012, 25.
328
Zie Gent 20 oktober 2010, DCCR 2011, 198-216 en noot P. CAMBIE.
329
S. STIJNS, “Zijn onrechtmatige bedingen nietig?”, in X., Liber Amicorum Yvette Merchiers, Brugge, Die Keure,
2001, 932.
330
Uiteraard een beding in een consumentenovereenkomst gesloten tussen een consument en een
onderneming. Zie artikel 1, 1° en 3° WMPC voor de gehanteerde definities.
331
Bijvoorbeeld Luik 6 februari 2006, JLMB 2008, 92, noot C. DELFORGE.
75
nietigheid inzake de onrechtmatige bedingen van een consumentenovereenkomst ambtshalve kan
worden opgeworpen door de rechter, en dus niet alleen door de beschermde partij zoals klassiek het
gevolg is van de relatieve nietigheid. WÉRY spreekt hier zelfs over het verlaten van de dichotomie van
de absolute en de relatieve nietigheid en schrijft dat er een derde uitweg bestaat, met name de
relatieve nietigheid met de rechterlijke macht tot de ambtshalve opwerping. 332
121. Tot slot wil ik nog wijzen op het belang van artikel 75, §2 WMPC. Deze paragraaf raakt namelijk aan
de internationale context van de bescherming van de consument inzake onrechtmatige bedingen. Zo
wordt bepaald dat een beding dat de wet van een Staat die geen lid is van de Europese Unie, op de
consumentenovereenkomst toepasselijk verklaart, voor niet geschreven wordt gehouden wanneer,
bij gebreke van dergelijk rechtskeuzebeding, de wet van een lidstaat van de Europese Unie
toepasselijk zou zijn en die wet de consument in de genoemde aangelegenheden een hogere
bescherming zou bieden. Deze paragraaf beoogt dus als het ware een minimale bescherming van de
particuliere belangen van de consument binnen de Europese Unie te verwezenlijken. Een praktisch
voorbeeld kan dit verduidelijken.
Stel dat er een consumentenovereenkomst wordt gesloten tussen een Franse onderneming en een
Belgische consument. In deze overeenkomst wordt er door de Franse onderneming een
rechtskeuzebeding opgenomen waarin staat dat het Turks recht van toepassing is. Artikel 75, §2
WMPC bepaalt dan dat wanneer een rechtskeuzebeding leidt tot het toepassen van het recht van
een niet-lidstaat, in casu Turks recht, nietig is als het recht, dat zonder die rechtskeuze het recht van
een lidstaat had moeten zijn, een grotere bescherming bood aan de consument dan het gekozen
recht.
In de eerste plaats zal dus moeten worden nagegaan welk recht er zonder het rechtskeuzebeding van
toepassing zou zijn geweest op deze internationele consumentenovereenkomst. Om te weten welk
recht van toepassing is dient men te kijken naar de Rome I-verordening 333. Deze verordening bevat
namelijk een bijzondere verwijzingsregel 334 inzake de consumentenovereenkomsten dat bepaalt dat
332
P. WÉRY, “Les clauses abusives relatives à l’inexécution des obligations contractuelles dans les lois de
protection des consommateurs du 14 juillet 1991 et du 2 août 2002”, JT 2003, 808.
333
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht
dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PB. L. 177 van 4 juli 2008 (hierna verkort “Rome I”).
334
Artikel 6, lid 1 Rome I.
76
het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft van toepassing is op de
overeenkomst. 335 In casu zal het dus hoogstwaarschijnlijk het Belgische recht zijn dat van toepassing
zou zijn geweest op de internationele consumentenovereenkomst.
Vervolgens zal worden nagegaan of het Belgische recht meer of minder bescherming biedt aan de
consument dan het Turkse recht. Dit is echter zeer lastig voor de rechter om dit te doen, aangezien
deze het vreemde recht zal gaan moeten vergelijken met het normaal van toepassing zijnde recht.
Indien het Belgische recht meer bescherming biedt aan de consument dan het gekozen Turkse recht
dan zal dit, overeenkomstig artikel 75, §2 WMPC, tot gevolg hebben dat het rechtskeuzebeding
inzake het Turks recht voor niet geschreven zal worden gehouden.
De regeling van artikel 75, §2 WMPC belet dus dat de contractpartijen de Europese regeling inzake
de onrechtmatige bedingen gaan omzeilen door beroep te doen op het recht van een Staat buiten de
Europese Unie. De rechtskeuze mag er met andere woorden niet toe leiden dat de consument de
bescherming verliest van de dwingende bepalingen van het recht van het land van zijn gewone
verblijfplaats. De rechtskeuze kan dus eigenlijk enkel in het voordeel van de consument gebeuren.
ii. Dwingende informatieplichten
122. Er werd reeds besproken dat de WMPC hoofdzakelijk tot doel heeft om de private belangen van de
consument te beschermen. Deze beschermingsgedachte vloeit rechtstreeks voort uit het feit dat er
een grote ongelijkheid kan bestaan tussen enerzijds de belangen van de sterke onderneming en
anderzijds de belangen van de zwakkere consument. De WMPC beoogt dan ook op de eerste plaats
om de ongelijkheid tussen deze contractpartijen binnen de contractrelatie te compenseren, door
bepaalde dwingende rechtsregels ter bescherming van de particuliere belangen van de consument in
te voeren. Dergelijke dwingende bepalingen zorgen er immers voor dat er niet langer in het nadeel
van de consument kan worden afgeweken van de wettelijke regeling.
Er wordt dan ook algemeen aangenomen dat de correcte voorlichting van de consument een
wezenlijk deel uitmaakt van deze bescherming. 336 De onwetendheid of het gebrek aan informatie van
335
Voor de invulling van de toepassingsvoorwaarden voor deze bijzondere verwijzingsregel zie HvJ C-464/01,
Johann Gruber t. Bay Wa AG, 20 januari 2005, ECR I-439 en HvJ C-585/08 en C-144/09, Peter Pammer t.
Reederei en Karl Schlüter GmbH & Co KG en Hotel Alpenhof GesmbH t. oliver Heller, 7 december 2010.
336
Parl.St. Kamer, 2009-10, Doc. 52, 2340/001, 10.
77
één van de contractpartijen kan immers de oorzaak zijn van de ongelijkheid die tussen partijen
bestaat op het ogenblik van de contractsluiting. 337 Zo legt de WMPC binnen bepaalde afdelingen een
algemene informatieplicht op aan de sterke onderneming. Deze algemene informatieplicht houdt in
dat de deskundige onderneming, ten laatste op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst,
behoorlijke en nuttige informatie moet verstrekken aan de onwetende consument. Dankzij het
opleggen van dergelijke precontractuele informatieplichten kan de gelijkheid tussen de
conttractpartijen bij de contractsluiting hersteld worden. 338 Het dwingende karakter van de
informatiebepaling binnen de WMPC kan men tevens deels afleiden uit de bewoording van de wet.
Zo wordt bijvoorbeeld meermaals de uitdrukking “de onderneming moet” gehanteerd.
123. Een voorbeeld van dergelijke algemene informatieplicht kan teruggevonden worden in artikel 4
WMPC. Deze bepaling zorgt er voor dat de zwakkere consument voldoende geïnformeerd wordt
doordat de onderneming verplicht wordt om alle informatie, die voor een gemiddelde consument
nuttig is, spontaan te verstrekken.
124. Ook kan hier verwezen worden naar artikel 45 WMPC en verder. Deze dwingende bepalingen hebben
tot doel de consument te beschermen wanneer deze op afstand contracteert. Deze bescherming
wordt vooral verwezenlijkt via de verplichting voor de onderneming om informatie te verstrekken en
via de mogelijkheid van de consument om de overeenkomst te herroepen. Zo bevat artikel 45 WMPC
een informatieverplichting die tot doel heeft om de consument te beschermen bij het sluiten van het
contract. Hiermee aansluitend bevat artikel 46 WMPC dan weer een informatieverplichting die tot
doel heeft om de consument bepaalde nuttige informatie te verschaffen met betrekking tot de
uitvoeringsfase van het contract. Deze bepalingen zijn telkens het resultaat van de omzetting van
Richtlijn van verkoop op afstand 339 die uitging van maximale harmonisatie. Dit wil zeggen dat deze
richtlijn niet alleen de minimale maar ook de maximale bescherming in hoofde van de consument
337
A. DE BOECK, “De informatieverplichting van de professioneel ten aanzien van de consument” in Y. MERCHIERS,
Consumentenrecht, 1998, 47.
338
D. FRERIKS, “Onderzoeks- en mededelingsverplichting in het contractenrecht”, TPR 1992, 1191; E. SWAENEPOEL,
Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 33, nr. 48. Inzake Frans recht zie
bijvoorbeeld C. THIBIERGE-GUELFUCCI, “Libres propos sur la transformation du droit des contrats”, RTDC 1997,
379.
339
Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van
de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten, PB. L. 144 van 4 juni 1997, 19-27.
78
bevat. De nationale wetgever kan dus niet meer bescherming verlenen dan de bescherming die
wordt beoogd in de richtlijn.
125. Tot slot spelen ook de artikelen 58 WMPC en verder een belangrijke rol inzake de bescherming van
de consument. De wetgever was hier immers van oordeel dat de consument een bijzondere
bescherming behoeft inzake de overeenkomsten die worden gesloten buiten de lokalen van de
onderneming. 340 De wetgever ging er vanuit dat de consument zich in dergelijke situatie irrationeel
gedraagt omwille van het feit dat hij op een onverwachte manier wordt aangesproken. De
bescherming van de consument wordt enerzijds gerealiseerd door aan de consument een
herroepingsrecht te geven, en anderzijds door speciale vormvereisten op te leggen voor
overeenkomsten die worden gesloten buiten de lokalen van de onderneming. 341
Dergelijke vormvereisten vindt men terug in artikel 60 WMPC. Zo schrijft deze dwingende bepaling
een hele reeks vermeldingen voor die moeten worden opgenomen in de overeenkomst. Hierbij dient
wel een onderscheid te worden gemaakt tussen de verplichte vermelding van het herroepingsbeding
en de andere vermeldingen. Het is immers enkel de vermelding van het herroepingsbeding dat is
voorgeschreven op straffe van nietigheid van de overeenkomst. 342
Binnen de rechtspraak bestaat er evenwel onenigheid over de aard van deze nietigheid. Zo is
sommige rechtspraak 343 van mening dat deze nietigheid een absolute nietigheid inhoudt doordat ze
raakt aan de ordening van de maatschappij. Deze visie wordt mede ondersteund omwille van het feit
dat een schending van artikel 60 WMPC ook strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. Naar mijn mening
valt dit echter moeilijk te verdedigen aangezien de WMPC verscheidene bepalingen bevat die
strafrechtelijk gesanctioneerd worden en men kan toch moeilijk concluderen dat het
consumentenrecht hierdoor volledig van openbare orde is. Andere rechtspraak 344 is dan weer de
mening toegedaan dat deze nietigheid een relatieve nietigheid is doordat de vermelding van het
340
Parl.St. Kamer, 2009-10, Doc. 52, 2340/001, 25.
341
Zie artikel 60, 1 lid WMPC dat de verplichting inhoudt dat de overeenkomst in twee exemplaren dient te
e
worden opgemaakt. Dergelijke vormvereiste gelijkt op artikel 1325 BW, zij het dan dat deze regel niet gewoon
een bewijsregel inhoudt, maar wel een voorwaarde voor de geldige totstandkoming van de overeenkomst.
342
Artikel 60, laatste lid WMPC.
343
Bergen 11 juni 2001, Cah. dr. immo 2001, afl. 5, 23, noot L. BARNICH; Antwerpen 1 juni 2004, NjW 2005, 801.
344
Gent 21 februari 2007, DCCR 2007, afl. 76, 277, noot E. TERRYN.
79
herroepingsbeding enkel de bescherming van de private belangen van de consument tot doel heeft.
Ik sluit mij dan ook volledig aan bij deze laatste visie.
Het onderscheid van de aard van de nietigheid is van belang omwille van de mogelijkheid tot het al
dan niet bevestigen van de nietigheid. Zoals reeds gezien is het immers enkel de relatieve nietigheid
die kan worden bevestigd, en dus niet de absolute nietigheid. Zo kan de consument steeds afstand
doen van de relatieve nietigheid door het vrijwillig uitvoeren van de overeenkomst, op voorwaarde
dat hij kan aantonen dat hij dit doet met volle kennis van zaken. Dit laatste is echter wel niet altijd
even makkelijk aan te tonen.
Inzake de gevolgen van de nietigheid dient er hier een onderscheid te worden gemaakt tussen de
nietigheid van de overeenkomst met betrekking tot goederen en de nietigheid van de overeenkomst
met betrekking tot diensten. Bij goederen is de restitutie immers heel eenvoudig uit te voeren. Maar
bij de restitutie van diensten kunnen er echter moeilijkheden optreden.345 Men kan de consument
immers moeilijk dwingen om de reeds genoten diensten terug te geven. In het gemeen recht wordt
dit probleem opgelost door de invoering van een prijsvermindering. Maar bij overeenkomsten
gesloten buiten de lokalen van de onderneming wordt dit echter niet gedaan. Zo beslissen de
rechters steevast dat de consument hier geen enkele vergoeding verschuldigd is, doordat het de
onderneming is die zelf de nietigheid van het contract heeft veroorzaakt. Maar volgens het Hof van
Beroep 346 kan de rechter hieromtrent steeds anders beslissen, op grond van het facultatieve adagium
in pari causa turpitudinis cessat repetitio. Zo kan de rechter in sommige gevallen vaststellen dat het
bijzonder onrechtvaardig is dat de consument een prestatie heeft genoten en niets is verschuldigd.
Denk hier bijvoorbeeld aan de situatie dat de consument zich te kwader trouw heeft gedragen.
Er dient hier evenwel nog worden opgemerkt dat de nietigheidssanctie wellicht zal worden
afgeschaft door de omzetting van de Richtlijn Consumentenrechten. Deze richtlijn voorziet immers
niet in een nietigheidssanctie en is gericht op maximale harmonisatie.
4.3. De wet Consumentenkoop 347
345
Gent 7 december 2005, NjW 2006, 854.
346
Gent 8 november 2006, NjW 2007, 277.
347
Artikel 1649bis-1649octies BW.
80
126. De Wet Consumentenkoop is het resultaat van de implementatie van een Europese richtlijn 348
gebaseerd op het principe van de minimale harmonisatie. Dit betekent dat het minimumniveau aan
bescherming van de consument wordt vastgelegd in de Richtlijn. De lidstaten zijn dus steeds vrij om
in een bijkomende bescherming ten voordele van de consument te voorzien.
127. Uit artikel 1649octies, 1e lid BW kan worden afgeleid dat de Wet Consumentenkoop van dwingend
recht is. Deze paragraaf bepaalt namelijk dat alle contractuele bedingen of afspraken die werden
overeengekomen vooraleer het gebrek aan overeenstemming aan de verkoper door de consument
ter kennis is gebracht, en waardoor, rechtstreeks of onrechtstreeks, de rechten die de consument uit
deze afdeling put, worden beperkt of uitgesloten, nietig zijn.
Het doel van deze dwingende wet is dan ook om de consument te beschermen tegen goederen die
een gebrek vertonen. Vandaar de regeling inzake de wettelijke garantie. 349 De Wet
Consumentenkoop is dus met andere woorden van eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de
particuliere belangen van de consument. Hieruit volgt dan de Wet Consumentenkoop zich niet verzet
tegen een versterking van de positie van de consument, maar wel tegen een afwijkend beding ten
nadele van de consument met betrekking tot het gebrek.
Volgens de Memorie van Toelichting is de nietigheid, waarvan sprake in artikel 1649octies BW , een
relatieve nietigheid. 350 Deze relatieve nietigheid heeft tot gevolg dat enkel de beschermde
consument, en dus niet de verkoper, zich er op kan beroepen en de nietigheid kan bevestigen. 351
348
De Richtlijn 1999/44/EG van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de
garanties voor consumptiegoederen, PB. L. 7 juli 1999, afl. 171, 12.
349
Definitie volgens artikel 1649bis, §2, 5° BW.
350
Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp 31 maart 2004 houdende aanvulling van de bepalingen van
het
Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen, Parl.St. Kamer 2003-04, nr.
0982/001, p. 21.
351
W. VAN GERVEN, Algemeen Deel in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Story-Scientia, 1987, nr.
23 e.v., 66 e.v.
81
4.4. De Wet Breyne van 1971 352
128. De Wet Breyne is een bijzondere wet die werd ingevoerd door de wetgever met het oog op de
bescherming van de bouwheer. 353 Deze bouwheer is enerzijds de koper, binnen het kader van een
koopovereenkomst,
en
anderzijds
de
opdrachtgever,
binnen
het
kader
van
een
aannemingsovereenkomst. De wetgever beschouwt de koper en de opdrachtgever dus, ten aanzien
van de verkoper en de aannemer, als de zwakkere contractpartijen binnen de contractuele relatie.
Deze ongelijkheid tussen de contractpartijen vloeit voort uit de zwakke onderhandelingspositie, uit
het gebrek aan expertise en uit het feit dat de aankoop van een woning op plan of het bouwen van
een huis aanzienlijke risico’s met zich meebrengt. Voor vele consumenten is het bouwen van een
huis immers de grootse investering die zij ooit in hun leven zullen aangaan. De bescherming die door
de Wet Breyne wordt geboden is dus volledig eenzijdig dwingend van aard, met name ter
bescherming van de particuliere belangen van de zwakkere bouwheer. Desalniettemin wil ik toch
enkele bijzonderheden met betrekking tot de volgende artikelen aanhalen.
129. Vooreerst wil ik even stil staan bij artikel 13 Wet Breyne. Dit artikel bepaalt namelijk de sanctie die
wordt uitgevoerd indien de partijen strijdig handelen met de dwingende bepalingen van Wet Breyne:
“Elk beding dat strijdig is met de artikelen 3 tot 6 en 8 tot 11, alsmede met de koninklijke
besluiten genomen in uitvoering van artikel 8, alinea 2, wordt voor niet geschreven gehouden.
De niet-nakoming van de bepalingen van artikel 7, van artikel 12 of van de koninklijke
besluiten genomen in uitvoering van deze artikelen, heeft de nietigheid van de overeenkomst
ofwel de nietigheid van het met de wet strijdige beding tot gevolg.
De ene of de andere nietigheid kan naar keuze door de verkrijger of de opdrachtgever, in de
zin van artikel 1, en alleen door hen, worden aangevoerd vóór het verlijden van de
authentieke akte of, indien het een aannemingsovereenkomst betreft, vóór de voorlopige
oplevering bedoeld in artikel 9.
De authentieke akte moet vermelden dat alle voorschriften van de artikelen 7 en 12 van deze
wet nageleefd werden.”
352
Wet 9 juli 1971 tot regeling van de woningbouw en de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde
woningen, BS 11 september 1971 (hierna verkort “Wet Breyne”).
353
A. VERBEKE en A. VANHOVE, De wet Breyne sans gêne, Brussel, Larcier, 2003, 131 p.
82
Niettegenstaande de verschillende terminologie die wordt gebruikt in het eerste en tweede lid van
dit artikel wordt er toch algemeen aangenomen dat de sanctie een relatieve nietigheid betreft. Zij is
immers gericht op de bescherming van de particuliere belangen van de bouwheer. Dit wordt
trouwens door lid 3 van dit artikel uitdrukkelijk bevestigd. Het eenzijdig dwingend karakter van de
Wet Breyne wordt op deze manier dus uitdrukkelijk benadrukt door de wetgever.
130. Artikel 13, 1e lid Wet Breyne bepaalt dat de strijdige bedingen met de vernoemde artikelen voor niet
geschreven worden gehouden. Deze sanctie is evenwel te onderscheiden van de sanctie in het
tweede lid. Het voor niet geschreven houden houdt in dat de bouwheer de nietigheid van het
betreffende beding niet hoeft te vorderen voor de rechter. Er wordt simpelweg geen rekening
gehouden met het beding, waardoor de contractpartijen in de situatie worden geplaatst alsof er
geen strijdig beding in de overeenkomst was opgenomen. Anders gezegd: de partijen bevinden zich
door deze wettelijke bescherming niet langer in de ongelijkheidsituatie die door het strijdig beding
zou kunnen worden gecreëerd. De bescherming vloeit dus rechtstreeks voort uit de wet. Een
rechtshandeling van de bouwheer is niet vereist om het beding buiten werking te stellen. Hieruit
volgt bovendien dat deze sanctie aan geen tijdsbeperkingen onderworpen is.
131. Vooral het tweede lid van artikel 13 Wet Breyne is van cruciaal belang. Zo bepaalt dit lid dat de
bouwheer de nietigheid kan vorderen van ofwel het strijdige beding ofwel de volledige
overeenkomst indien er een strijdigheid voorligt met artikel 7 of artikel 12 Wet Breyne 354. De
mogelijkheid tot het vorderen van de nietigverklaring kan enkel door de bouwheer worden
gevorderd, en dus niet door een derde of een andere contractpartij. 355 Het is hierbij niet vereist dat
de bouwheer door de schending van deze artikelen enige schade heeft geleden. 356 Daartegenover
staat dan artikel 13, 3e lid Wet Breyne dat bepaalt dat deze sanctie ratione temporis slechts beperkt
inroepbaar is. 357 Zij kan namelijk enkel worden ingeroepen door de bouwheer tot aan de voorlopige
oplevering 358, indien het een aannemingsovereenkomst betreft, of tot aan het verlijden van de
notariële akte, indien het een koopovereenkomst betreft.
354
Artikel 7 bevat een lijst met verplichte vermeldingen en bijlagen die door de verkoper/aannemer tijdig
moeten worden vermeld aan de bouwheer. Artikel 12 bevat de waarborgregeling.
355
Cass. 2 mei 1983, Pas. 1983, 980.
356
Gent 14 mei 1982, RW 1984-85, 1851-1855; Rb. Brugge 28 februari 1991, T. Not, 1991, 181-186.
357
D. MEULEMANS, Een pand bouwen en verbouwen, Leuven, Acco, 2005, 83.
358
Artikel 9 Wet Breyne.
83
Wanneer het een aannemingsovereenkomst betreft dan kan de opdrachtgever op het ogenblik van
de voorlopige oplevering geen beroep meer doen op de bescherming die door artikel 13, 2e lid Wet
Breyne wordt verleend. De ratio legis kan als volgt worden verklaard: op het ogenblik dat er wordt
overgegaan tot de voorlopige oplevering is er geen noodzaak meer om de opdrachtgever nog te
beschermen. De ongelijkheid tussen de contractpartijen is immers opgehouden te bestaan aangezien
de woning of het appartement is opgeleverd. Daartegenover staat dan een ander particulier belang
dat door artikel 13, 3e lid Wet Breyne wordt beschermd, namelijk het belang van de aannemer. Op
het ogenblik van de voorlopige oplevering heeft de aannemer immers zijn werk voltooid.
Laatstgenoemde verdient dan ook bescherming vermits hij zich niet langer in de sterkere positie
bevindt. Het is namelijk van belang dat hij na de voorlopige oplevering niet langer verontrust kan
worden door de nietigheid van de reeds volledig uitgevoerde overeenkomst die mogelijks door de
opdrachtgever kan worden gevorderd. In die zin is het derde lid eveneens eenzijdig dwingend recht
maar dan wel ter bescherming van de particuliere belangen van de aannemer. De aannemer kan zich
dus op deze dwingende bescherming beroepen vanaf de voorlopige oplevering.
Hetzelfde kan worden gezegd over de koopovereenkomst. Op het ogenblik dat de notariële akte
wordt verleden zal de notaris de koper reeds voldoende geïnformeerd hebben. Er is dus voorzien in
een wettelijke bescherming van de koper door de notaris. De nietigheidssanctie in artikel 13, 2e lid
Wet Breyne verliest dus op het ogenblik van het verlijden van de notariële akte zijn nut aangezien de
koper niet langer bescherming behoeft. In die zin is het derde lid eenzijdig dwingend ten voordele
van de verkoper. De verkoper kan dan een beroep doen op de dwingende tijdsbeperking van de
nietigheidsvordering vanaf het ogenblik dat de akte zal worden verleden.
132. Concluderend kunnen we dus stellen dat zowel de verkoper als de aannemer een beroep kunnen
doen op het eenzijdig dwingende derde lid van artikel 13 Wet Breyne, door aan te geven dat de
overeenkomst niet langer kan worden vernietigd. 359 Deze bepaling dient enkel het particulier belang
van de verkoper en de aannemer vermits enkel hun belangen in het gevaar kunnen worden gebracht
indien de overeenkomst wordt nietig verklaard door de bouwheer.
133. Een andere bijzonderheid aan artikel 13, 2e en 3e lid Wet Breyne is dat de bouwheer geen afstand
kan doen van de bescherming die hem wordt geboden bij niet-naleving van de artikelen 7 en 12 Wet
Breyne. Deze stelling geldt zeker voor de verkoop van een woning of appartement in de zin van deze
wet. In de notariële akte moet immers worden bevestigd dat de artikelen 7 en 12 Wet Breyne zijn
359
Cass. 2 mei 1983, Pas. 1983, 980.
84
nageleefd. 360 Volgens bepaalde rechtspraak kan er evenmin afstand worden gedaan van deze
bescherming indien de voorliggende overeenkomst een aannemingsovereenkomst betreft. 361 Tot aan
de voorlopige oplevering is een afstand van deze wettelijke bescherming dus onmogelijk. Bepaalde
rechtsleer is daarentegen van oordeel dat er voor de voorlopige oplevering wel afstand kan worden
gedaan van deze vordering tot nietigheid op voorwaarde dat de contractpartijen op dat ogenblik op
voet van gelijkheid staan. 362
4.5. De reiscontractenwet
134. De Belgische Reiscontractenwet is een omzetting van de Europese Richtlijn Pakketreizen 363. Hierdoor
bestaat er een minimumbescherming van de reiziger binnen Europa. Deze wet is van dwingende aard
en heeft tot doel heeft om de private belangen van de reiziger te beschermen. 364 De dwingende aard
van deze wet kan tevens worden afgeleid uit artikel 3 Reiscontractenwet dat stelt dat elk beding dat
strijdig wordt bevonden met deze wet nietig is, voor zover het ertoe strekt de rechten van de reiziger
te beperken of zijn verplichtingen te verzwaren. 365 Onder “reiziger” verstaat de wet eenieder die het
voordeel geniet van een reisprestatie, zowel voor professionele als voor privé doeleinden. 366
135. De bescherming van de reiziger wordt door allerlei mechanismen verwezenlijkt. Zo bestaat er onder
meer een informatieverplichting 367 en een verplichting tot de opmaak van een bestelbon 368 in hoofde
van de reisbemiddelaar of reisorganisator. Laatstgenoemde verplichting houdt een vormvoorwaarde
in die op straffe van nietigheid wordt voorgeschreven. 369 De reiziger kan dus, bij afwezigheid van een
bestelbon of bij het ontbreken van bepaalde gegevens in de bestelbon, de relatieve nietigheid van de
360
S. MAES, “Wet Breyne. Knelpunten bij de toepassing”, NJW 2008, 72.
361
Antwerpen (2e k.) 14 juni 2000, T.Not. 2002, 25.
362
A. DE CALUWE en A. DELCORDE, “la loi du 9 juillet 1971 réglementant les contrats relatifs a certaines
constructions immobilières”, JT 1972, 186.
363
Richtlijn 90/314/EEG van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en
rondreispakketten, PB.L. 23 juni 1990, 158.
364
Gent 24 juni 2009, NjW 2010, 367.
365
Een afwijkend beding dat daarentegen meer bescherming toekent aan de reiziger is dus wel geldig.
366
Artikel 1, 5° Reiscontractenwet.
367
Artikel 7 Reiscontractenwet.
368
Artikel 9 Reiscontractenwet.
369
De opmaak van een bestelbon is dus niet louter een bewijsvereiste maar wel een geldigheidsvereiste inzake
de totstandkoming van de reisovereenkomst.
85
reisovereenkomst vorderen. 370 De rechter zal bij de beoordeling van de nietigheid steeds de
zwaarwichtigheid van de aantasting van de particuliere belangen van de reiziger moeten nagaan. 371
5. Toepassing: Eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de concessiehouder
5.1. Algemeen kader
136. De concessieovereenkomst is in hoofdzaak een raamovereenkomst 372 waarbinnen de commerciële
transacties tussen een concessiegever en een concessiehouder zich afspelen en die een zekere
duurzame samenwerking tussen deze partijen veronderstelt. 373 Binnen het kader van dergelijke
overeenkomst houdt deze samenwerking in dat de concessiehouder in feite twee rechten verkrijgt.
Vooreerst verkrijgt de concessiehouder het recht om bepaalde goederen aan te kopen bij de
concessiegever 374 en daarnaast verkrijgt hij ook het recht om naar eigen goeddunken deze
aangekochte goederen binnen een bepaald gebied verder te verkopen. Er wordt hier evenwel een
onderscheid gemaakt tussen de aankoopconcessie en de verkoopconcessie.
Bij een aankoopconcessie verbindt de concessiegever zich ertoe om de producten die hij verkoopt
enkel af te nemen bij de concessiehouder. 375 Een verkoopconcessie houdt dan weer in dat de
concessiegever 376 aan één of meerdere concessiehouders het recht verleent om in eigen naam en
voor eigen rekening, en dus op eigen risico 377, voor de duur van de overeenkomst en tegen een
vastgestelde prijs de producten die de concessiegever zelf vervaardigt of verdeelt te verkopen. 378
370
Vgl. Cass. 15 november 2002, AR C.00.0390.N.
371
Vgl. Cass. 26 mei 2006, TBBR 2007, 476.
372
Kh. Dendermonde 21 november 2005, RW 2007-2008, 158.
373
Kh. Brussel 15 oktober 1993, TBH 1994, 468: Dit onderscheidt de concessieovereenkomst van een
(dadelijke) koopovereenkomst.
374
De concessiehouder wordt dus eigenaar van deze goederen.
375
G. GHYSELS en J. ROODHOOFT, Praktisch handels- en economisch recht, Antwerpen, De Boeck, 2005, 114.
376
Ook nog de producent of de importeur van producten genaamd.
377
Kh. Brussel 6 september 1991, TBH 1994, 450; Kh. Luik 23 februari 1984, JL 1984, 233; M. EYSKENS en M. DE
GRAEVE, “Een beknopt overzicht van de soorten handelstussenpersonen”, Themis, 66, nr. 26.
378
Artikel 1, §2 Alleenverkoopwet; E. DIRIX, H. VANHEES en Y. MONTANGIE, Handels- en economisch recht in
hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia, 2005, 131, nr. 157; M. WILLEMART en S. WILLEMART, “Les concessions de
vente” in X., Traité pratique du droit commercial, tome 2, E., s.l., Story-Scientia, 1992, 749; M. WILLEMART en A.
86
Bij een verkoopconcessie is het dus duidelijk dat de concessiehouder een zwaar economisch en
financieel risico aangaat. Het is dan ook op grond van dit economisch risico dat de wetgever is
tussengekomen met de dwingende beschermende bepalingen 379 van de Alleenverkoopwet.
5.2. De Alleenverkoopwet van 1961
137. Volgens het Hof van Cassatie is de wet van 1961 inzake de eenzijdige beëindiging van een
alleenverkoopconcessie 380 van onbepaalde duur van dwingende aard. 381 Het dwingend karakter van
deze wet kan zowel uit de letterlijke bewoording van de wet zelf, als uit het doel dat de wetgever
voor ogen had bij het uitvaardigen van deze wet worden afgeleid.
138. Vooreerst kan er, ter staving van de dwingende aard van de wet, worden verwezen naar artikel 6, 1e
lid Alleenverkoopwet. Uit de bewoording van dit artikel blijkt immers duidelijk dat deze wet over een
dwingend karakter beschikt. Dit artikel bepaalt namelijk uitdrukkelijk dat de bepalingen van deze wet
van toepassing zijn “niettegenstaande hiermee strijdige overeenkomsten”. 382 Ook artikel 1, §1
Alleenverkoopwet inzake het toepassingsgebied van de Alleenverkoopwet bevat een gelijkaardige
bewoording, met name “niettegenstaande ieder strijdig beding”. Ook dit wijst duidelijk op het
dwingende karakter van de wet.
139. Vervolgens kan ook de bedoeling van de wetgever meer duidelijkheid scheppen inzake het dwingend
karakter van deze wet. Zo bestaat de bedoeling van de wetgever er voornamelijk in om de
concessiehouder 383, die zich in een nadelige en zwakkere positie bevindt ten aanzien van de
concessiegever, te beschermen. De Alleenverkoopwet bevat dus hoofdzakelijk bepalingen van
eenzijdig dwingend recht ter bescherming van de particuliere belangen van de concessiehouder. De
wetgever gaat er dus van uit dat de concessiegever doorgaans de sterkere partij is die zijn wil aan de
wederpartij kan opleggen. Vandaar de gedachte van de wetgever dat er, aan de hand van dwingende
DESTRYCKER, De concessieovereenkomst in België, s.l., Kluwer, 1996, nr. 1; M. EYSKENS en M. DE GRAEVE, “Een
beknopt overzicht van de soorten handelstussenpersonen”, Themis, 66, nr. 26.
379
Met oog op de bescherming van de kleine winkelier, van de middenstand (KMO). Deze stand speelt immers
een grote en belangrijke rol in België.
380
Supra randnummer 136 voor de definitie van een verkoopconcessie.
381
Cass. 9 juni 1977, RW 1977-78, 1590, Arr. Cass. 1977, 401.
382
In de lijn van het dwingend karakter van deze wet ligt ook de bepaling van artikel 6, lid 2 Alleenverkoopwet
die ook elke eerbiedigende werking uitsluit.
383
Ook de onderconcessiehouder valt onder deze bescherming zie artikel 5 Alleenverkoopwet.
87
rechtsregelen, beperkingen moeten worden opgelegd ten aanzien van de contractuele vrijheid met
betrekking tot de concessieovereenkomst.
140. Maar de bescherming van de concessiehouder wordt in deze wet echter beperkt tot de eenzijdige
beëindiging van de alleenverkoopconcessie van onbepaalde duur. De wetgever had dus voor ogen
dat er enkel bescherming nodig is in de situatie waarin één van de partijen de
concessieovereenkomst kan opzeggen zonder opgave van enige reden.
De achterliggende redenering voor deze bijzondere en beperkte beschermingsgedachte gaat als
volgt: de partijen hebben steeds de keuze om een concessieovereenkomst van bepaalde dan wel van
onbepaalde duur te sluiten. Deze keuze heeft echter niet alleen juridische maar ook praktische
implicaties.
Indien de partijen er voor opteren om een concessieovereenkomst van bepaalde duur te sluiten dan
valt dit zeer nadelig uit voor de concessiegever. Want stel nu dat de concessiegever niet tevreden is
over het resultaat dat de concessiehouder boekt dan kan hij daar tijdens de loopduur van het
contract weinig over zeggen. Hij zit dus als het ware vast aan de concessiehouder. De enige manier
dat hij in deze situatie kan afzien van de concessieovereenkomst is door de ontbinding van de
overeenkomst te vorderen in geval van contractuele wanprestatie.
In praktijk blijkt echter dat er in het merendeel van de gevallen wordt gekozen voor een
concessieovereenkomst van onbepaalde duur. Maar als de partijen er voor opteren om een
concessieovereenkomst van onbepaalde duur te sluiten dan valt dit op zijn beurt dan weer zeer
nadelig uit voor de concessiehouder. Bij concessieovereenkomsten van onbepaalde duur behouden
de partijen immers, in principe, de mogelijkheid om de overeenkomst ten allen tijde eenzijdig te
beëindigen. En voor de concessiehouder is het uiteraard niet interessant dat de concessiegever de
overeenkomst op elk moment eenzijdig kan beëindigen. De rechten die voortvloeien uit de
alleenverkoopconcessie zullen namelijk dikwijls, vooral na verloop van tijd, een zeer belangrijke
waarde gaan vertegenwoordigen in het handelspatrimonium van de concessiehouder. Bovendien zal
de activiteit van de concessiehouder veelal in aanzienlijke mate afgestemd zijn op de distributie van
het product dat het voorwerp uitmaakt van de concessieovereenkomst. 384
384
J. STUYCK, Handels- en economisch recht deel I - ondernemingsrecht volume B, Brussel, Story-Scientia, 1989,
508, nr. 535.
88
Dit nadelige effect voor de concessiehouder staat trouwens ook letterlijk in de wet zelf, met name in
artikel 1, §1, 3° Alleenverkoopwet. Dit artikel bepaalt namelijk dat de dwingende bepalingen van de
Alleenverkoopwet van toepassing zijn op de alleenverkoopconcessies waarbij de concessiegever de
concessiehouder belangrijke verplichtingen 385 oplegt, die op strikte en bijzondere wijze aan de
concessie gekoppeld zijn en waarvan de last zo zwaar is dat de concessiehouder groot nadeel zou
lijden in geval van beëindiging van de concessie. 386 Het is dan ook dit nadeel dat de wetgever heeft
willen ondervangen door het uitvaardigen van de dwingende Alleenverkoopwet ter bescherming van
de concessiehouder. 387
141. De concrete beschermingsmaatregel van deze wet wordt neergeschreven in artikel 2
Alleenverkoopwet. In dit artikel wordt er bepaald dat indien een alleenverkoopconcessie van
onbepaalde duur eenzijdig wordt verbroken door één van de partijen, dat de partij die de opzegging
verricht dan de keuze heeft tussen een redelijke opzeggingstermijn of een billijke
opzeggingsvergoeding. 388 Met andere woorden wordt er dus enerzijds een aanzienlijke termijn
opgelegd waarbinnen de concessieovereenkomst niet kan worden beëindigd en anderzijds wordt er
een vervangende opzeggingsvergoeding voorzien indien de partij die de concessieovereenkomst
opzegt zich niet kan of niet wil houden aan de opzeggingstermijn.
Dit artikel werkt dus in beide richtingen. Zo kan niet alleen de concessiehouder, maar ook de
concessiegever, als sterker geachte partij, voordeel halen uit deze bepaling. Zo heeft de Rechtbank
385
Voorbeelden van dergelijke belangrijke verplichtingen vindt men vooral terug in de rechtspraak. Zie Cass. 12
juni 1986, RW 1986-87, 1146; Kh. Brussel 24 oktober 1977, BRH 1978, 228: het moeten beschikken over
voldoende gekwalificeerd personeel; Kh. Luik 23 februari 1984, Jur. Liège 1984-85, 233: de verplichting om
bepaalde investeringen te verrichten, met name om de producten op te slaan; Kh. Tongeren 2 juni 1977, Limb.
Rechtsleven 1977, 194: de verplichting om voorraden te vormen.
386
J. STUYCK, Handels- en economisch recht deel I - ondernemingsrecht volume B, Brussel, Story-Scientia, 1989,
513, nr. 545.
387
Daarbij heeft de wetgever zich duidelijk geïnspireerd op de regels die gelden bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst zie G.L. BALLON, K. GEENS, J. STUYCK en E. TERRYN, Inleiding tot het economisch recht,
Mechelen, Kluwer, 2009, 322. Zie ook E. DIRIX, H. VANHEES en Y. MONTANGIE, Handels- en economisch recht in
hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia, 2005, 132, nr. 159.
388
E. DIRIX, H. VANHEES en Y. MONTANGIE, Handels- en economisch recht in hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia,
2005, 133, nr. 160.
89
van Koophandel 389 in een zaak beslist dat, in het geval dat de concessiehouder de
concessieovereenkomst van onbepaalde duur eenzijdig beëindigt, ook de concessiegever recht heeft
op deze redelijke opzeggingstermijn, omdat deze opzeggingstermijn hem toelaat een gelijkwaardige
concessiehouder te vinden. 390 De concessiegever is dus in het merendeel van de gevallen, doch niet
altijd, de sterkere partij binnen de contractsrelatie. Zo bevindt de concessiegever zich soms zelfs in
een zwakkere positie doordat hij afhankelijk is van een goede concessiehouder. Langs de andere kant
kan ook de concessiehouder zich, in het geval dat de concessiegever de concessieovereenkomst van
onbepaalde duur eenzijdig beëindigt, beroepen op deze bepaling voor een gelijkwaardige
bescherming. 391 Zo heeft het Hof van Cassatie 392 in een arrest bepaald dat de redelijke
opzeggingstermijn voldoende moet zijn om het de concessiehouder mogelijk te maken zijn
activiteiten te heroriënteren. De opzeggingstermijn is dus redelijk wanneer, op het ogenblik van de
opzegging, voorzienbaar is dat de concessiehouder na afloop van de overeenkomst een
gelijkwaardige bron van inkomsten kan hebben gevonden.
De bepaling met betrekking tot de redelijke opzeggingstermijn kan dus worden aanschouwd als een
meerzijdige dwingende bepaling ter bescherming van de particulere belangen van beide partijen, dus
zowel van de concessiehouder als van de concessiegever.Uit deze bepaling kan dus, naar mijn inzien,
worden afgeleid dat de idee van de wetgever er hoofdzakelijk in bestaat om het contractueel
evenwicht tussen de concessiegever en de concessiehouder terug te herstellen inzake de eenzijdige
beëindiging van een concessieovereenkomst van onbepaalde duur. Hoewel deze bepaling dus
hoofdzakelijk tot doel heeft om de particuliere belangen van de concessiehouder te beschermen, kan
dit artikel naar mijn mening ook over een meerzijdig dwingend karakter beschikken naargelang de
omstandigheden, meer bepaald wanneer de concessiehouderzich in een sterkere positie bevindt en
de concessie van zijn kant eenzijdig beëindigd ten nadele van de concessiegever.
142. In samenhang met artikel 2 Alleenverkoopwet dient ook artikel 3 Alleenverkoopwet in acht te
worden genomen. Deze bepaling houdt namelijk in dat, in het geval dat de alleenverkoopconcessie
389
Kh. Brussel 7 maart 1989, TBH 1990, 687, noot P. KILESTE; C. CAUFFMAN, De verbindende eenzijdige belofte,
Antwerpen, Intersentia, 2005, 771, voetnoot 5775.
390
C. CAUFFMAN, De verbindende eenzijdige belofte, Antwerpen, Intersentia, 2005, 771, voetnoot 5775; M.
WILLEMART, De concessie-overeenkomst in België, Antwerpen, Kluwer, 1996, 62-63, nr. 68.
391
A. BENOIT-MAURY en D. MATRAY, “Les concessions exclusives de vente. Préavis et indemnités de rupture”, Ann.
Fac. Dr. Liège 1980, 127-182.
392
Cass. 26 april 2010, RABG 2011, 279.
90
van onbepaalde duur eenzijdig wordt beëindigd door de concessiegever, de concessiehouder
aanspraak kan maken op een billijke bijkomende vergoeding. Deze vergoeding is bijkomend wat dus
wil zeggen dat ze zonder problemen kan worden gecumuleerd met de opzeggingsvergoeding
waarvan sprake in artikel 2 Alleenverkoopwet.393 Deze bijkomende vergoeding kan betrekking
hebben op een vergoeding voor het cliënteel394 dat de concessiehouder heeft gecreëerd, op de
exploitatiekosten die de concessiehouder heeft gemaakt en waar de concessiegever voordeel kan
uithalen 395 en op het rouwgeld, zijnde de vergoedingen die betaald moeten worden aan het
personeel
dat
op
straat
wordt
gezet
ten
gevolge
van
de
beëindiging
van
de
concessieovereenkomst. 396 Dit artikel is dus duidelijk een bepaling van eenzijdig dwingend recht dat
uitsluitend ter bescherming van de concessiehouder werd ingevoerd. Hieruit blijkt dat de wetgever in
hoofdzaak het nadeel van de concessiehouder, als zwakkere partij ten aanzien van de concessiegever
die de concessieovereenkomst onrechtmatig beëindigt, heeft willen beschermen.
143. Bijzonder aan de Alleenverkoopwet is dat de modaliteiten van de beëindiging van de
alleenverkoopconcessies, die binnen het toepassingsgebied van de Alleenverkoopwet vallen 397,
slechts kunnen worden vastgesteld op het ogenblik van de beëindiging zelf van de
alleenverkoopconcessie. Zo heeft het Hof van Cassatie reeds bepaald dat wanneer de concessiegever
en
de
concessiehouder
een
minimumopzeggingstermijn
bedingen 398,
dat
de
redelijke
opzeggingstermijn of de billijke opzeggingsvergoeding uiteindelijk bij de opzegging van de
concessieovereenkomst dient te worden bepaald, hetzij door de partijen, hetzij door de rechter. 399
Gelet op de dwingende bepaling van artikel 6 Alleenverkoopwet worden eerder vastgestelde
afspraken tussen de concessiegever en de concessiehouder, waarbij er een vaste of een maximum
opzeggingstermijn wordt vastgelegd, als niet geschreven beschouwd. 400 Doch is dit niet altijd het
geval. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft immers bepaald dat een beding in een
393
Cass. 31 oktober 1997, TBH 1998, 228.
394
Cass. 7 januari 2005, RW 2007-08, 837.
395
Kh. Charleroi 23 september 1999, DAOR 2000, 220.
396
Lees artikel 3, lid 1, 1° tot en met 3° Alleenverkoopwet.
397
Artikel 1 Alleenverkoopwet.
398
Voor het geval dat één van de partijen de concessieovereenkomst beëindigt.
399
Cass. 6 november 1987, TBH 1988, 182; Cass. 22 december 1988, JT 1989, 458; Cass. 6 oktober 1995, RW
1996-1997, 49; Cass. 27 oktober 2000, TBH 2001, 457. Zie in dezelfde lijn Luik 30 april 1999, TBH 2000, 192; K.
DAELE, “De contractuele bepaling van een minimum opzeggingstermijn in een overeenkomst inzake
alleenverkoop”, TBH 2001, 458-461.
400
Kh. Charleroi 4 februari 1997, TBH 1998, 260; Kh. Brussel 17 mei 1991, TBH 1994, 444.
91
concessieovereenkomst, die een opzeggingstermijn van één jaar inhoudt, niet strijdig is met artikel 6
Alleenverkoopwet, aangezien de partijen zich enkel tot een minimum hebben verbonden en dat ze
zo dus nog steeds de ruimte hebben gelaten om de werkelijke duur van de opzeggingstermijn bij de
beëindiging van de overeenkomst te bepalen. 401 Tot slot kan nog worden opgemerkt dat, indien de
partijen bij de beëindiging van de overeenkomst niet tot een akkoord komen, de rechter de
modaliteiten zal bepalen. 402
144. Finaal kan hier nog worden vermeld dat de wetgever door de invoeging van artikel 3bis
Alleenverkoopwet 403 een uitbreiding van de bescherming wou invoegen in hoofde van de
concessiehouder. Uit de parlementaire voorbereiding 404 blijkt immers dat deze dwingende wettelijke
bepaling beoogt te verhinderen dat de concessiehouder verstoken blijft van de bescherming die de
wet hem biedt door het sluiten van achtereenvolgende concessieovereenkomsten van bepaalde
duur. Artikel 3bis is dus van toepassing op elke concessieovereenkomst van bepaalde duur, ook al
werd zij op proef bedongen. 405 Dit artikel werd ingevoerd door de wetgever teneinde misbruik en
wetsontduiking te voorkomen waarbij door het sluiten van concessieovereenkomsten van bepaalde
duur die een aantal keren verlengd werden, ontsnapt kon worden aan de bescherming die de
Alleenverkoopwet ten aanzien van concessieovereenkomsten van onbepaalde duur biedt. 406
145. Concluderend kan dus worden vastgesteld dat de bepalingen van de Alleenverkoopwet hoofdzakelijk
van eenzijdig dwingend recht sensu stricto, en dus niet van openbare orde 407, zijn. Dit omwille van
het feit dat de bepalingen van deze wet enkel betrekking hebben op de bescherming van de
401
Antwerpen 13 februari 1996, TBH 1997, 373, noot P. MAEYAERT en J. VAN EECKHAUTE. A contrario Cass. 22
december 1988, JT 1989, 458: het is niet mogelijk een clausule in het contract te bevestigen wanneer deze
clausuele strijdig is met artikel 2 Alleenverkoopwet, bijvoorbeeld doordat de bedongen opzeggingstermijn van
3 jaar de voorwaarde van de redelijkheid overschrijdt.
402
M. EYSKENS en M. DE GRAEVE, “Een beknopt overzicht van de soorten handelstussenpersonen”, Themis, 68, nr.
30.
403
Ingevoegd bij wet van 13 april 1971, BS 21 april 1971.
404
Doc. Senaat, Buitengewone Zitting 1968, nr. 117, 1-2 en Zitting 1968-1969, nr. 265, 1-2 en 6-7.
405
Cass. 22 december 2005, RW 2007-08, 780; M. WILLEMART en A. DE STRYCKER, De concessieovereenkomst in
België, Antwerpen, Kluwer, 1996, 36, nr 42.
406
J. STUYCK, Handels- en economisch recht deel I -ondernemingsrecht volume B, 1989, Brussel, Story-Scientia,
508, nr. 535.
407
Cass. 9 juni 1977, Pas. 1977, I, 1033; Cass. 28 juni 1979, RCJB 1981, noot VANDER ELST, Pas. 1979, I, 1260,
conclusie Advocaat-Generaal G. KRINGS.
92
particuliere belangen van de
zwakkere
concessiehouder tegen de machtiger geachte
concessiegever. 408 Deze beschermingsgedachte van de wetgever raakt dus noch de essentiële
belangen van de Staat of de Gemeenschap, noch stelt de betrokken wet in het privaatrecht de
juridische grondslagen vast waarop de economische of morele orde van de maatschappij berusten. 409
146. De ratio van deze specifieke wettelijke regeling is dat de concessiehouder, die zich op het ogenblik
van het sluiten of van het uitvoeren van de overeenkomst in een zwakkere positie bevindt door het
aangaan van een investering met economisch en financieel risico, moet worden beschermd tegen
de eenzijdige beëindiging van de concessieovereenkomst van onbepaalde duur. 410 In de
voorbereidende werken wordt letterlijk neergeschreven dat de bescherming van de werknemer in
het arbeidsrecht als inspiratie dient voor deze bescherming van de concessiehouder. De wetgever
heeft hierbij dus hoofdzakelijk voor ogen gehad om het contractuele evenwicht tussen de moeilijk
verzoenbare en botsende belangen van de concessiehouder en concessiegever te willen herstellen.
147. Toekomstgericht kan evenwel worden opgemerkt dat de bescherming die de Alleenverkoopwet biedt
ten aanzien van de concessiehouder, is voorbijgestreefd. De concessiehouder wordt de dag van
vandaag immers steeds vaker niet langer meer aanzien als de zwakkere partij, omwille van het feit
dat de concessiehouder een zeer belangrijke speler in de afzetmarkt vormt waarvan de
concessiegever steeds vaker afhankelijk wordt gesteld.
148. Evenwel wil ik nog benadrukken dat ik er voor heb geopteerd om binnen het kader van deze
masterproef, inzake de distributieovereenkomsten, enkel de concessie te behandelen. Uiteraard ben
ik er mij van bewust dat ook de andere technieken van distributie, zoals onder meer franchising411 en
handelsagentuur 412, over gelijkaardige dwingende bepalingen beschikken waarvan de bescherming
van de zwakkere partij telkens parallel loopt met de bescherming van de werknemer in het
arbeidsrecht.
408
J. STUYCK, Handels- en economisch recht deel I - ondernemingsrecht volume B, Brussel, Story-Scientia, 1989,
507, nr. 535.
409
Cass. 14 januari 2010, RABG 2011, 303.
410
J. STUYCK, Handels- en economisch recht deel I - ondernemingsrecht volume B, Brussel, Story-Scientia, 1989,
509, nr. 537.
411
P. COLLE, “De franchiseovereenkomst in Kroniek handels- en distributieovereenkomsten”, RW 2007-08, 172.
412
P. COLLE, “De handelsagentuur in Kroniek handels- en distributieovereenkomsten”, RW 2007-08, 183.
93
Zo bestaat de bedoeling van de wet commerciële samenwerkingsovereenkomsten 413, met betrekking
tot franchising, er in om de franchisenemer als zwakkere partij te beschermen. De wetgever heeft
deze bescherming verwezenlijkt door aan de sterkere franchisegever bepaalde dwingende 414
precontractuele informatieverplichtingen 415 op te leggen, waardoor de zwakkere franchisenemer
voorafgaand aan het contracteren beter wordt geïnformeerd over de bestaande risico’s.
Met betrekking tot de handelsagentuur 416 kan worden opgemerkt dat er binnen het kader van de
Europese Unie toepassing wordt gemaakt van de dwingende bepalingen van de Richtlijn
Handelsagentuur. 417 Het Hof van Justitie heeft in het arrest Bellone reeds bevestigd dat deze Richtlijn
tot doel heeft om de zwakkere handelsagent te beschermen in zijn relatie met de principaal. 418 In het
bijzonder kan hier verwezen worden naar de artikelen 17 en 19 Richtlijn Handelsagentuur die de
handelsagent beogen te beschermen na de beëindiging van de overeenkomst. Het Hof van Justitie
heeft in het arrest Ingmar duidelijk bepaald dat deze artikelen van dwingende aard zijn. 419 Dit
dwingend karakter kan immers afgeleid worden uit de bewoording “er mag niet bij overeenkomst
worden afgeweken ten nadele van de handelsagent” die in meerdere bepalingen van de Richtlijn
Handelsagentuur voorkomt. 420
5.3. De Alleenverkoopwet van 1961 in internationale context
149. Binnen het kader van de concessieovereenkomst is het niet onbelangrijk om even stil te staan bij de
internationale
context.
Het
komt
in
praktijk
immers
zeer
vaak
voor
dat
er
een
concessieovereenkomst wordt gesloten tussen partijen die zich elk in een ander land bevinden,
bijvoorbeeld een Franse concessiegever die een alleenverkoopconcessie van onbepaalde duur sluit
413
Wet
van
19
december
2005
betreffende
de
precontractuele
informatie
bij
commerciële
samenwerkingsovereenkomsten, BS 18 januari 2006.
414
Het dwingende karakter kan worden afgeleid uit artikel 8 Wet 2005.
415
Artikel 3 en 4 Wet 2005.
416
Wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, BS 2 juni 1995.
417
Richtlijn (EEG) nr. 86/653 van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van
de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, PB. L. 382 van 31 december 1986 (hierna verkort “Richtlijn
Handelsagentuur”).
418
HvJ C-215/97, Bellone t. Yokohama SpA, Jurispr. I-2191, ro 13.
419
HvJ C-381/98, Ingmar GB Ltd t. Eaton Leonard Technologies Inc., Jurispr. I-9334, ro 21.
420
Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar artikel 10, lid 4 en artikel 19 Richtlijn Handelsagentuur.
94
met een Belgische concessiehouder. Theoretisch gezien kunnen er dan meedere rechtsstelsels van
toepassing zijn op deze contractsrelatie: aan de ene kant is er immers de Franse concessiegever die
gelinkt is aan het Frans rechtsstelsel en aan de andere kant staat dan weer de Belgische
concessiehouder die gelinkt is aan het Belgisch rechtsstelsel.
Het is echter alleen in het Belgische recht dat er een specifieke en dwingende wet inzake de
eenzijdige beëindiging van de alleenverkoopconcessie van onbepaalde duur, ter bescherming van de
concessiehouder, bestaat. 421 Het probleem in hoofde van de Franse concessiegever 422 is echter dat
de dwingende beschermingsmaatregelen van de Belgische Alleenverkoopwet vaak 423 leiden tot
aanzienlijke vergoedingen die hij aan de Belgische concessiehouder dient te betalen in geval dat hij
de concessieovereenkomst abrupt beëindigt, zonder dat dit te wijten is aan een grove fout van de
concessiehouder. De concessiegever zal daarom vaak trachten te ontsnappen aan deze strenge
Belgische regeling door het Belgische recht weg te bedingen. Hij kan dit doen door het inlassen van
een clausule in de concessieovereenkomst dat bijvoorbeeld in de toepassing van zijn eigen Franse
rechtssysteem voorziet. De Belgische concessiehouder heeft hier uiteraard nadeel bij aangezien er in
de Franse wet geen gelijkaardige bescherming bestaat zoals in de Belgische Alleenverkoopwet.
150. Om deze omzeiling van de dwingende bescherming van de concessiehouder te voorkomen voorziet
de Alleenverkoopwet in artikel 4, eerste lid in een regeling dat stelt dat de Belgische rechter bevoegd
is, inzake het beslechten van het geschil, van zodra de concessieovereenkomst geheel of gedeeltelijk
op het Belgisch grondgebied wordt uitgevoerd. 424 Daarmee aansluitend bepaalt het tweede lid van
artikel 4 Alleenverkoopwet dat telkens wanneer de Belgische rechter bevoegd is dat hij ook
uitsluitend het Belgische recht dient toe te passen:
“De benadeelde concessiehouder kan, bij de beëindiging van een verkoopconcessie met
uitwerking voor het gehele Belgische grondgebied of een deel ervan, in elk geval de
421
België is het enige land binnen de Europese Unie, en wellicht daarbuiten ook, dat een partiële wettelijke
regeling inzake de alleenverkoopconcessie kent. Zie R. BALDI, Le droit de la distribution commerciale dans
l’Europe communautaire, Brussel, 1988, 86; J. STUYCK, Handels- en economisch recht deel I - ondernemingsrecht
volume B, Brussel, Story-Scientia, 1989, 509, nr. 534.
422
Zowel de buitenlandse als de Belgische concessiegever.
423
Zeker bij belangrijke concessies die reeds enkele jaren lopen.
424
Brussel 22 mei 1995, Pas. 1995, II, 25.
95
concessiegever in België dagvaarden, hetzij voor de rechter van zijn eigen woonplaats, hetzij
voor de rechter van de woonplaats of de zetel van de concessiegever.” 425
“Ingeval het geschil voor een Belgische rechtbank wordt gebracht, zal deze uitsluitend de
Belgische wet toepassen.”
151. Het probleem hierbij is echter dat artikel 4 van de Alleenverkoopwet ietwat voorbijgestreefd is, in die
zin dat de regeling van de Brussel I-Verordening 426, inzake de bevoegdheid van de rechters met
betrekking tot grensoverschrijdende geschillen, primeert binnen het Europese grondgebied. 427 Zo
kunnen de partijen volgens artikel 23 Brussel I een forumbeding in hun concessieovereenkomst
inlassen dat bijvoorbeeld de rechtbank van het land van de Franse concessiegever bevoegd maakt,
waardoor de Belgische rechter zich onbevoegd zal moeten verklaren. Het is dan immers de Franse
rechter die uitspraak zal moeten doen over het geschil. Deze laatste rechter kan daarbij wel beroep
doen op de Belgische Alleenverkoopwet, maar hij is daartoe niet verplicht. De Belgische
concessiehouder zal dus in het merendeel van de gevallen niet kunnen genieten van de bijzondere
bescherming die de Belgische Alleenverkoopwet hem biedt.
Indien er echter geen forumkeuze werd gemaakt, bepaalt artikel 2, 1° Brussel I dat de rechter van de
woonplaats van de verweerder de bevoegde rechter is. Maar als de Belgische concessiehouder de
zaak vordert dan is de Franse rechter 428 nog steeds de bevoegde rechter, waardoor de
concessiehouder opnieuw op minder bescherming zal moeten rekenen. Daarom kan er ook worden
gekeken naar artikel 5, 1° Brussel I. Dit artikel bepaalt namelijk dat de rechter van het land van de
plaats van uitvoering van de concessieovereenkomst 429, zijnde de plaats waar de concessiegever
toelevert 430, bevoegd is. Op deze manier kan de Belgische rechter dus toch worden aangesproken, en
deze zal dan volgens artikel 4 Alleenverkoopwet uitsluitend het Belgische recht toepassen.
425
Zie Cass. 28 februari 2008, RW 2008-09, 751, noot D. MERTENS.
426
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid,
de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB. L. 12 van 16 januari
2001 (hierna verkort “Brussel I”).
427
G.L. BALLON, K. GEENS, J. STUYCK en E. TERRYN, Inleiding tot het economisch recht, 2009, Mechelen, Kluwer, 327.
428
Als rechter van de verweerder, namelijk van de Franse concessiegever.
429
Artikel 5, 1°, a) Brussel I.
430
Artikel 5, 1°, b) Brussel I.
96
Maar de toepassing van het Belgische recht houdt echter niet noodzakelijk in dat de imperatieve
bepalingen van de Alleenverkoopwet automatisch van toepassing zijn. Het Hof van Cassatie heeft
immers beslist dat de dwingende bepalingen van de Alleenverkoopwet alleen van toepassing zijn
wanneer de concessieovereenkomst uitdrukkelijk die wet toepasselijk stelt. Een algemene verwijzing
in de concessieovereenkomst naar het Belgische recht als het recht dat de overeenkomst beheerst,
volstaat daartoe dus niet. 431 De Alleenverkoopwet moet immers restrictief geïnterpreteerd worden
aangezien de wet over een uitzonderlijk karakter beschikt en ingrijpt op de contractvrijheid van de
partijen. 432 Het is dus perfect mogelijk dat de Belgische rechter enkel zal kijken naar het Belgisch
gemeenrechtelijk contractenrecht inzake de eenzijdige beëindiging van een overeenkomst, dat
opnieuw qua bescherming veel nadeliger zal uitvallen ten opzichte van de concessiehouder.
Er kan hier dus worden gezegd dat artikel 4 Alleenverkoopwet een unilaterale regel is die uitsluitend
toepassing vindt binnen het Belgisch grondgebied. Dit is volgens het Hof van Cassatie een logisch
gevolg van het zelfbeperkend of autolimitatieve karakter van de Alleenverkoopwet 433. De kern van
deze problematiek is dus dat er steeds zal moeten worden nagaan wat de impact is van de
imperativiteit van de beschermingsmaatregelen van de Belgische Alleenverkoopwet.
152. Een tweede manier waarop de concessiegever de dwingende bescherming van de Alleenverkoopwet
kan proberen te omzeilen, is door een clausule aan de concessieovereenkomst toe te voegen die
voorziet dat elk geschil, met betrekking tot de eenzijdige beëindiging van de concessieovereenkomst
van onbepaalde duur, zal worden onderworpen aan arbitrage en dat deze arbiter(s) bovendien
toepassing zal moeten maken van een vreemd recht, dat niet het Belgische recht is. 434 Een
arbitrageclausule wijkt op deze manier in zijn totaliteit af van artikel 4 Alleenverkoopwet. Dit artikel
behandelt namelijk enkel de bevoegdheid van de overheidsrechter, terwijl de arbitrageclausule net
iedere rechterlijke bevoegdheid uitsluit door enkel de arbiter(s) bevoegd te maken 435. Volgens het
431
Cass. 6 april 2006, TBH 2007, 162.
432
D. MERTENS, “De alleenverkoopwet: geen Belgisch recht", RW 2006-07, 450.
433
Cass. 26 april 2010, RABG 2011, 279; Zie ook Gent 24 juni 2009, AR/3054; P. VANDEPITTE en A. DE SCHOUTHEETE,
“De wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende
concessies van alleenverkoop is een autolimitatieve wet”, TBH 2007, 167.
434
E. DIRIX, H. VANHEES en Y. MONTANGIE, Handels- en economisch recht in hoofdlijnen, 2005, Antwerpen,
Intersentia, 133, nr. 161.
435
De zogenaamde exceptio arbitrandi.
97
Hof van Cassatie houdt het invoegen van een arbitrageclausule daarom vaak in dat het enkel tot doel
heeft om aan de Belgische Alleenverkoopwet te proberen ontsnappen. 436
De Belgische rechters worden daarom herhaaldelijk geconfronteerd met de vraag of dergelijke
arbitrageclausules wel toelaatbaar zijn in het licht van de Belgische Alleenverkoopwet. De uitspraken
zijn hierover echter zeer uiteenlopend. 437 De ene keer wordt geoordeeld dat dergelijke
arbitrageclausules in de concessieovereenkomst geen afbreuk kunnen doen aan de Belgische
Alleenverkoopwet en dat de benadeelde concessiehouder zijn vordering dus steeds voor de
Belgische rechter kan brengen. 438 De andere keer wordt er dan weer beslist dat een concessiehouder
in dit geval zijn vordering enkel kan brengen voor de arbiter(s). Ook het Belgische Hof van Cassatie
heeft hieromtrent meerdere arresten geveld. Jammer genoeg leiden deze arresten alleen maar tot
meer onduidelijkheid en controverse.
In België bestaat er immers onenigheid over het feit of de materie die de Alleenverkoopwet regelt al
dan niet de openbare orde raakt, want indien dit het geval zou zijn dan is ze niet voor arbitrage
vatbaar. De visie in de rechtspraak is hierover echter verdeeld en schommelt bovendien
voortdurend. Enerzijds heeft het Hof van Cassatie tot 2010 bepaald dat deze materie wel degelijk de
openbare orde raakt en dus niet arbitreerbaar is. En anderzijds bepalen andere lagere rechters dan
weer dat de materie die de Alleenverkoopwet regelt enkel de bescherming van de particuliere
belangen van de concessiehouder beoogt, waardoor arbitrage wel mogelijk is.
153. Als voorlopig sluitstuk van deze discussie kan worden verwezen naar een zaak van het Hof van
Cassatie. 439 De zaak betrof een geschil, met betrekking tot de eenzijdige beëindiging van een
concessieovereenkomst van onbepaalde duur, tussen een Amerikaanse concessiegever en een
Belgische concessiehouder. In de concessieovereenkomst was voorzien in een arbitragebeding dat
het Amerikaanse recht van toepassing maakt. Het Hof van Beroep te Gent oordeelde echter dat een
arbitragebeding, die niet in de toepassing van de Belgische wet maar wel in de toepassing van een
vreemde wet voorziet, niet in aanmerking kan worden genomen. 440 De Amerikaanse concessiegever
436
Cass. 14 januari 2010, RABG 2011, 303.
437
Voor een overzicht zie Cass. 15 oktober 2004, TBH 2005, 488 en 498, noten M. TRAEST en P. HOLLANDER.
438
Cass. 15 oktober 2004, C.02.0216.N; Cass. 16 november 2006, C.02.0445.F, conclusie van advocaat-generaal
A. HENKES.
439
Cass. 14 januari 2010, RABG 2011, 303 en RW 2010-11, 1087.
440
Gent 19 november 2007, RW 2009-10, 635.
98
wendde zich hierop tot het Hof van Cassatie. Bij arrest van 14 januari 2010 heeft het Hof van Cassatie
beslist dat wanneer het arbitragebeding aan een vreemde wet is onderworpen, de Belgische rechter
de arbitrage moet uitsluiten, en dat hij dus zelf bevoegd is om de zaak te beoordelen. Met andere
woorden kan de benadeelde concessiehouder zijn vordering toch voor de Belgische rechter brengen,
op voorwaarde dat de concessieovereenkomst betrekking heeft op het gehele Belgische grondgebied
of op een deel ervan en op voorwaarde dat de concessieovereenkomst voorziet in de toepassing van
een vreemde wet. 441
De dag van vandaag wordt er evenwel door de huidige rechtspraak een kleine opening gelaten tot
arbitrage. Zo kan een arbitragebeding dat bepaalt dat de arbiter(s) de Belgische wet dient toe te
passen toch worden toegelaten aangezien de concessiehouder op deze manier zijn bijzondere
bescherming kan blijven behouden. Enkel als het Belgische recht wordt uitgesloten, is er geen
mogelijkheid tot arbitrage, zelfs niet als het wel arbitreerbaar is volgens het andere vreemde recht.
Volgens mij gaat dit echter net iets te ver. Zo is arbitrage naar mijn mening wel steeds mogelijk, op
voorwaarde dat er in het gekozen buitenlandse recht dezelfde bescherming wordt gegeven aan de
concessiehouder. De Alleenverkoopwet raakt immers het openbaar en maatschappelijk belang niet.
154. Kort samengevat heeft de wetgever artikel 4 Alleenverkoopwet ingevoegd hoofdzakelijk met de
bedoeling om de concessiehouder ook op internationaal gebied de vertrouwde, bijzondere
bescherming van de Alleenverkoopwet te kunnen bieden. Hoewel er nog veel onduidelijkheden en
betwistingen
bestaan
omtrent
de
bevoegdheid
en
arbitrage
van
de
internationale
concessieovereeenkomst kan toch worden vastgesteld dat de wetgever de benadeelde
concessiehouder heeft willen beschermen tegen misbruik door hem de mogelijkheid te geven om de
concessiegever binnen een vertrouwde omgeving te dagvaarden, namelijk voor de Belgische rechter,
op voorwaarde dat de concessieovereenkomst wordt uitgevoerd op het Belgische grondgebied of op
een deel ervan.
6. Nadelen van en kritiek op de bescherming van de zwakkere partij
155. Een eerste nadeel dat kan worden aangehaald inzake de bescherming van de zwakkere partij is het
feit dat deze bescherming vaak tot hoge kosten leidt. Stel nu bijvoorbeeld dat er, ter compensatie
van de onwetendheid van de consument, zware informatieverplichtingen worden opgelegd aan een
441
G.L. BALLON, K. GEENS, J. STUYCK en E. TERRYN, Inleiding tot het economisch recht, 2009, Mechelen, Kluwer, 327.
99
onderneming. Deze onderneming zal dan bepaalde kosten moeten maken teneinde deze
informatieverplichtingen correct te kunnen naleven. Deze kosten zullen dan ook worden
doorberekend in de prijs van de tussen hen gesloten overeenkomst. De consument wordt op deze
manier gedwongen om deze hogere prijs te betalen, zelfs in het geval dat hij zelf reeds op de hoogte
was van deinformatie die de onderneming diende te verstrekken. Uiteindelijk komt het er dus op
neer dat de zwakkere partij steeds betaalt voor zijn eigen bescherming. Vaak heeft dit dan weer tot
nadelig gevolg dat lagere inkomensgroepen niet langer overeenkomsten kunnen sluiten doordat ze
niet over de vereiste financiële middelen beschikken. 442 En deze vaststelling op zich creëert opnieuw
een verdere ongelijkheid tussen de financiëel sterkere en zwakkere partijen.
156. Bovendien hebben partijen vaak het gevoel dat ze gekneld zitten aan de dwingende regels die binnen
hun contractrelatie worden opgelegd ter bescherming van de zwakkere partij. Dit heeft tot gevolg
dat er steeds meer partijen proberen te ontsnappen aan deze knellende situatie door het proberen
ontduiken van deze dwingende beschermingsregels. Partijen hebben zo bijvoorbeeld vaak de neiging
om, buiten de wet om, eigen contracten te gaan creëren die niet onderworpen worden aan
bepaalde dwingende rechtsregels. Er kan dus gezegd worden dat dwingend recht vaak een negatieve
invloed heeft op de keuzevrijheid van partijen. Deze vaststelling is echter zeer paradoxaal, aangezien
de wetgever juist dwingende rechtsregelen uitvaardigde met de bedoeling om de contractvrijheid
van de partijen beter te kunnen verwezenlijken door de ongelijkheden tussen de partijen weg te
werken.
157. Tot slot ontstond een aantal jaren geleden de discussie of de positie van de zwakker geachte
contractpartij, en de beschermingsgedachte die zich hier achter schuil hield, de dag van vandaag nog
steeds een uitgangspunt vormt in het recht. De vraag werd namelijk openlijk gesteld of er geen
keerpunt was bereikt met betrekking tot de hoedanigheid van de zwakke contractpartij. In tussentijd
waren er immers groepen ontstaan die zich richtten tot het organiseren van werknemers-, huurdersen consumentenorganisaties. Zo ontstond er twijfel of deze organisaties op zich al niet een
voldoende tegenmacht vormen en of er dus nog wel extra dwingende beschermingsregelen nodig
werden geacht. 443 Bovendien hebben vele maatschappelijke ontwikkelingen er toe geleid dat de
zwakkere partij steeds sterker werd, waardoor de contractverhoudingen dan ook minder ongelijk
werden. Denk hier bijvoorbeeld aan de opkomst van de mondige en flexibele werknemer. Deze
442
T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming van de
zwakkere partij in het contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 50.
443
M. DAMBRE, o.c., 2007-08, 25.
100
evolutie kan soms zelfs zo ver gaan dat er een volledige wijziging van de economische en sociale
machtsverhouding binnen de contractrelatie plaatsvindt. Zo bestaan er tegenwoordig ook zwakke
werkgevers ten aanzien van sterke werknermers en zwakke verhuurders ten aanzien van sterke
huurders. Waarom zouden deze dan geen bescherming behoeven?
158. Al deze nadelen leiden dan ook tot vele toekomstgerichte vragen. Zo wordt vooral het belang van het
gebruik van dwingende rechtsregelen ter bescherming van de zwakke contractpartij in vraag gesteld.
Zo stelt HARTLIEF zich de vraag of het niet voor de hand ligt dat zowel de wetgever alsook de rechter
en partijen er beter van uitgaan dat partijen zelf in staat zijn verantwoordelijk te handelen? De
onjuiste veronderstelling van de wetgever dat dit niet zo is leidt immers tot een opeenstapeling van
dwingende beschermingsregelen en heeft bovendien het bizarre gevolg dat er van echte
bescherming vaak niet veel terechtkomt. 444 De vraag kan dan ook gesteld worden of de algemene
leerstukken, zoals onder meer de gekwalificeerde benadeling, de wilsgebreken, misbruik van
omstandigheden et cetera, niet voldoende bescherming bieden?
Volgens HARTLIEF kan dus gesteld worden dat het erop lijkt dat de gedachte van de bescherming van
de zwakkere contractpartij in het contractenrecht tijdig een halt is toegeroepen. Daaruit vloeit dan
voort dat er niet snel zal gekozen worden voor een verdere uitbreiding van de dwingendrechtelijke
bescherming van de zwakkere partij. Maar niet iedereen is deze mening toegedaan. Zo stelt HONDIUS
bijvoorbeeld dat het beginsel van de bescherming van de zwakke partij zich tot op de dag van
vandaag blijft opdringen wegens een grote noodzaak aan beschermingsregelen voor dergelijke
partijen. 445
444
T. HARTLIEF, De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming van de
zwakkere partij in het contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 75, nr. 67 en nr. 70.
445
E.H. HONDIUS, “De zwakke partij in het contractenrecht; over de verandering van paradigmata van het
privaatrecht” in T. HARTLIEF en C. STOLKER (eds.), Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 387.
101
102
HOOFDSTUK 5:
DWINGEND RECHT TER BESCHERMING VAN BEIDE PARTIJEN
159. Naast het dwingend recht sensu stricto ter bescherming van de particuliere belangen van één
contractpartij kan nog een ander onderscheid worden gemaakt, met name het dwingend recht sensu
stricto ter bescherming van de particuliere belangen van beide contractpartijen. Voorafgaand kan al
worden opgemerkt dat deze soort dwingende rechtsregelen veel beperkter aanwezig zijn in onze
Belgische rechtsorde. Dwingend recht typeert zich binnen het Belgische contractenrecht namelijk
vooral als techniek ter bescherming van de particuliere belangen van één contractpartij, met name
de economisch of sociaal zwakkere contractpartij binnen de contractrelatie.
1. Algemeen kader
160. Inzake dwingend recht ter bescherming van beide partijen is het, in vergelijking met dwingend recht
ter bescherming van één partij, veel moeilijker om een algemeen kader te kunnen aanbieden
waarbinnen deze bescherming zich situeert. De bescherming van één partij kan men immers enigzins
historisch verklaren door de gedachtegang van de wetgever tot de noodzaak van het beschermen
van de belangen van zwakkere partijen binnen een contractrelatie. Met betrekking tot de
bescherming van de belangen van beide partijen is dit evenwel niet het geval. Naar mijn inzien zal er
hier dus telkens geval per geval moeten onderzocht worden wanneer een dwingende bepaling nu
juist de bescherming van beide partijen beoogt en waarom.
161. In de volgende randnummers zal ik dan ook enkele specifieke artikelen van de Handelshuurwet
behandelen die een belangrijke impact hebben gehad op de beschermingsgedachte van dwingende
rechtsregelen. Ik ga hierbij na welke belangen er precies worden beschermd en wat daar de
achterliggende reden voor is. Tot slot bekijk ik ook nog de Woninghuurwet en de Pachtwet. Dit
laatste is echter zeer beperkt aangezien ik tijdens mijn onderzoek vaststelde dat deze wetten grote
gelijkenissen vertonen met de Handelshuurwet qua bescherming.
2. Toepassing: de Handelshuurwet
2.1. Algemeen kader
103
162. In beginsel zijn alle bepalingen van de Handelshuurwet van dwingend recht. Dit blijkt duidelijk uit de
wil van de wetgever en het nagestreefde doel van deze wet. Dit betekent dus dat de contractpartijen
enkel mogen afwijken van de dwingende bepalingen van deze wet wanneer dit hen uitdrukkelijk of
impliciet wordt toegestaan. 446 Bovendien heeft het Hof van Beroep bepaald dat het dwingende
karakter van deze wet ook inhoudt dat het feit dat contractpartijen zijn overeengekomen dat deze
wet niet van toepassing is op hun handelshuurovereenkomst 447 niet bindend is. 448 Enkel daar waar
de wetgever het zelf aangeeft, gaat het om een bepaling van aanvullende aard 449. 450
163. Zoals reeds gezien is de Handelshuurwet een zeer interessante wet binnen het kader van deze
masterproef. Dit omwille van het feit dat ze niet alleen dwingende bepalingen sensu stricto bevat die
ertoe strekken om de particuliere belangen van één partij te beschermen, met name de
handelshuurder of de handelsverhuurder, maar ook dwingende bepalingen sensu stricto bevat die
tot doel hebben om de particuliere belangen van beide partijen, met name de handelshuurder én de
handelsverhuurder, binnen de contractsrelatie te beschermen. Deze wet bevat dus een rijke
combinate van eenzijdig en meerzijdig dwingend recht.
Dit komt doordat de wetgever bij het uitvaardigen van deze wet niet alleen de bescherming van de
particuliere belangen van de zwakkere contractpartij, met name de handelshuurder, voor ogen had
maar dat hij tegelijkertijd ook een evenwicht wou vinden tussen de tegenover elkaar staande
belangen van de handelshuurder en die van de handelsverhuurder door deze belangen onderling te
proberen
verzoenen. 451
In
de
parlementaire
voorbereiding
staat
immers
uitdrukkelijk
neergeschreven dat er een evenwicht dient te worden gevonden tussen de bescherming van de
handelszaak, in de ruime zin genomen, en de eerbiediging van de wettige belangen van de
eigenaars. 452
446
Cass. 23 april 1953, RW 1953-54, 477.
447
Indien deze handelshuurovereenkomst voldoet aan de toepassingsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 1
HHW.
448
Brussel 8 februari 2011, RABG 2012, 218, overw. 3.6.
449
Bijvoorbeeld artikel 9 HHW waar de wetgever de bewoording “behoudens andersluidende overeenkomst”
hanteert.
450
Cass. 23 april 1953, Arr. Cass. 1952-53, 573; S. MOSSELMANS, “Het dwingend karakter van artikel 14, eerste lid
van de Handelshuurwet”, TBO 2003, 159; A. PAUWELS, Handelshuur, in APR, Brussel, Larcier, 1971, 211, nr. 513.
451
GwH 14 november 2012, nr. 140/2012, overw. B.5.
452
Parl.St. Senaat 1948-49, nr. 384, 2 en 3.
104
164. Volgens de parlementaire voorbereiding houdt de Handelshuurwet een drievoudig doel in ter
bescherming van de handeldrijvende huurder. Ten eerste het verschaffen van waarborgen van duur
en initiatief aan de handelshuurder. Ten tweede het verzekeren van de hernieuwing van de
handelshuurovereenkomst aan de handelshuurder in het geval dat de eigenaar geen gegronde reden
heeft om anders over de plaatsen te beschikken. En tot slot het invoeren van verscheidene
vergoedingen aan de handelshuurder als waarborg hetzij tegen ontduiking van de wet, hetzij tegen
ongeoorloofde mededinging of toeëigening van cliëntele bij gelegenheid van het verstrijken van een
handelshuurovereenkomst, hetzij tegen verrijking zonder oorzaak. 453 Daartegenover staat dan de
bescherming van de eigenaar van de gehuurde handelszaak, beter gekend als de handelsverhuurder.
Deze eigenaar behoudt immers zijn fundamentele eigendomsrechten en kan dus zonder vergoeding
het gehuurde goed terugnemen.
2.2. Artikel 3 HHW betreffende de duur van de handelshuur
165. Artikel 3, 1e lid HHW bepaalt dat de duur van de handelshuur niet korter mag zijn dan negen jaren.
Aangezien deze duurtijd een bepaling van dwingend recht is 454, is het de contractpartijen verboden
om een handelshuurovereenkomst van onbepaalde duur te sluiten. Dergelijke overeenkomst laat
immers volledig open of de duur ervan langer of korter is dan negen jaar. Volgens VANHOVE 455 vormt
deze dwingende bepaling, inzake de duur van de handelshuur, de hoeksteen van de bescherming van
de particuliere belangen van de handelshuurder. Maar volgens het Hof van Cassatie strekt de regel
dat de handelshuur niet kan worden afgesloten voor een onbepaalde duur dan weer tot bescherming
van de particuliere belangen van beide partijen. 456 Ik sluit mij eerder aan bij de zienswijze van het Hof
van Cassatie die het doel benadrukt om de particuliere belangen van beide partijen te beschermen
aangezien zowel de handelshuurder als de handelsverhuurder er baat bij hebben om over een
bepaalde zekerheid te beschikken met betrekking tot de duur van hun handelshuurovereenkomst.
Daaruit volgt dan dat beide partijen de relatieve nietigheid van een afwijkend beding kunnen
vorderen of opwerpen. Het Hof van Cassatie heeft zelfs bepaald dat de duur van een
handelshuurovereenkomst van rechtswege negen jaar bedraagt, in geval dat de contractpartijen
453
Parl.St. Kamer 1947-48, nr. 20, 2-4 en 5.
454
Cass. 7 mei 1981, Arr. Cass. 1980-81, 1028.
455
K. VANHOVE, “Nieuwste rechtspraak handelshuur (2000-2005)”, Themis, 60.
456
Cass. 14 januari 2008, TBO 2008, 110, noot A. COPPENS.
105
geen duur, een onbepaalde duur of een kortere termijn dan negen jaar hebben bepaald in hun
handelshuurovereenkomst. 457
De enige uitzondering op het verbod tot het sluiten van een handelshuurovereenkomst van
onbepaalde duur is het geval zoals geregeld in artikel 14, 3e lid HHW. Met name de situatie waarbij
de handelsverhuurder de handelshuurder na het verstrijken van de bepaalde huurtermijn in het
gehuurde goed laat, waardoor er een stilzwijgende huurverlenging voor onbepaalde duur optreedt.
166. Aansluitend met de bepaalde duur van de handelshuurovereenkomst bepaalt artikel 3 HHW in de
volgende paragrafen op welke wijze de handelshuurovereenkomst toch vroegtijdig zou kunnen
worden beëindigd. Volgens artikel 3 HHW beschikt zowel de handelshuurder als de
handelsverhuurder over het recht om de handelshuur hetzij eenzijdig hetzij in samenspraak
vroegtijdig op te zeggen. Deze opzeggingsmogelijkheden houden telkens een bepaling van eenzijdig
dwingend recht in, voornamelijk ter bescherming van de particuliere belangen van de
handelshuurder.
167. Zo heeft de handelshuurder volgens artikel 3, 3e lid HHW het recht om de handelshuurovereenkomst
om de drie jaar vroegtijdig op te zeggen mits hij dit zes maanden op voorhand, bij
gerechtsdeurwaardersexploot of bij ter post aangetekende brief, doet. Dit is duidelijk een dwingende
bepaling ter bescherming van de particuliere belangen van de handelshuurder aangezien deze om de
drie jaar steeds de mogelijkheid heeft om de handelshuur naar eigen keuze eenzijdig te beëindigen.
Dit betekent dus dat de bedingen die voor de beschermde partij voordeliger zijn dan de wettelijke
regeling geldig zijn. 458 Bij wijze van voorbeeld is een afwijkend beding waarbij de handelshuurder de
mogelijkheid wordt toegekend om de handelshuurovereenkomst elk jaar of op elk ogenblik op te
zeggen, geldig. Ook een afwijkend beding waarbij de opzeggingstermijn van zes maanden wordt
ingekort of waarbij de formaliteiten met betrekking tot de opzegging worden opgeheven, is geldig. 459
457
458
Cass. 14 januari 2008, RABG 2008-10, 585.
M. DAMBRE, Contractvrijheid en rechtsdwang bij de bepaling van de kostprijs van de huur van onroerende
goederen. Een analyse van de financiële verbintenissen van de huurder met voorstellen tot legislatieve
verbetering en rechtsvergelijkende aantekeningen, Proefschrift tot het verkrijgen van de graad van doctor in de
Rechten UGent, 2007-08, 208.
459
M. LA HAYE en J. VANKERCKHOVE, Le louage de choses. II. Les baux commerciaux, in X., Les Novelles. Droit civil.
VI, Brussel, Larcier, 1984, 106-107, nr. 1595; B. LOUVEAUX, Le droit du bail commercial, Brussel, De Boeck
Université, 2002, 105, nr. 122.
106
De handelsverhuurder dient zich dan te houden aan dergelijke afwijkende bedingen en kan de
relatieve nietigheid van deze bedingen dus niet inroepen.
168. Tegenover artikel 3, 3e lid HHW, ter bescherming van de handelshuurder, staat artikel 3, 5e lid HHW.
Dit laatste artikel heeft namelijk tot doel om de particuliere belangen van de handelsverhuurder te
beschermen. Dit volgt uit de parlementaire voorbereiding waarin wordt bepaald dat deze wet steeds
de tegenover elkaar staande belangen dient te verzoenen. 460 Zo heeft de wetgever een dwingende
bepaling ingevoerd waarbij de handelsverhuurder, net zoals de handelshuurder, de mogelijkheid
krijgt om de handelshuurovereenkomst eenzijdig te beëindigen. Artikel 3, 5e lid HHW bepaalt dat de
handelsverhuurder,
analoog
aan
artikel
3,
3e
lid
HHW,
het
recht
heeft
om
de
handelshuurovereenkomst om de drie jaar vroegtijdig op te zeggen mits hij dit één jaar op voorhand,
bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij ter post aangetekende brief, doet. De handelsverhuurder is
evenwel, in vergelijking met de handelshuurder, aan enkele strengere bijkomende wettelijke
voorwaarden gehouden doordat deze opzegging enkel mogelijk is ingeval dat bijvoorbeeld hijzelf of
één van zijn afstammelingen handel gaat uitoefenen in het gehuurde goed.
169. Tot slot kunnen de handelsverhuurder en de handelshuurder, volgens artikel 3, 4e lid HHW, ook te
allen tijde tijdens de duur van de handelshuur gezamenlijk tot een akkoord komen om de
handelshuurovereenkomst te beëindigen. De enige wettelijke voorwaarde die hieraan vasthangt is
dat hun beëindigingsovereenkomst dient te worden vastgesteld bij een authentieke akte of bij een
verklaring voor de rechter dient te worden afgelegd. In principe is ieder ander bewijsmiddel
onontvankelijk. 461 Deze wettelijke voorwaarde is een bepaling van eenzijdig dwingend recht dat
volgens het Hof van Cassatie 462 dient ter bescherming van de particuliere belangen van de
handelshuurder. Zo hebben deze wettelijke formaliteiten hoofdzakelijk tot doel om de
handelshuurder te beschermen tegen het ondertekenen van een beëindigingsovereenkomst van de
handelshuur met valse datum. 463 De beëindigingsovereenkomst verleent immers via de tussenkomst
van de notaris, bij het opstellen van een authentieke akte, of van de vrederechter 464, bij het afleggen
460
Parl.St. Senaat 1948-49, nr. 384, 2 en 3.
461
Brussel, 1 juni 1959, Pas. 1960, II, 164; A. PAUWELS, Handelshuur, in APR, Brussel, Larcier, 1971, 58, nr. 88.
462
Cass. 21 september 1978, Arr. Cass. 1978-79, 90; Cass. 17 februari 1995, Arr. Cass. 1995, 189, RW 1994-95,
1396; Cass. 15 november 2002, Arr.Cass. 2002, 2485, Pas. 2002, 2192, Huur 2003, 68 en RW 2005-06, 141.
463
K. VANHOVE, “Nieuwste rechtspraak handelshuur (2000-2005)”, Themis, 60.
464
Artikel 591, 1° Ger.W.; S. MOSSELMANS, “De bevoegdheid van de vrederechter inzake handelshuur beperkt tot
de huurrelatie”, TBBR 2005.
107
van een verklaring, vaste datum. Bovendien zorgen deze formaliteiten er ook voor dat de
handelshuurder voldoende geïnformeerd wordt over zijn rechten door de verplichte tussenkomst
van de notaris of van de vrederechter. Indien deze wettelijke formaliteiten niet worden nageleefd en
de rechter beslist toch dat de handelshuurovereenkomst wordt beëindigd dan is dit vonnis
onwettig. 465
Uit deze beschermingsgedachte, ten aanzien van de handelshuurder, vloeit voort dat een verzuim
van deze wettelijke formaliteiten niet tegen de handelshuurder kan worden ingeroepen. Zo kan hij
bijvoorbeeld niet verplicht worden tot de verdere uitvoering van de handelshuur indien de
beëindigingsovereenkomst van de handelshuur niet werd vastgesteld bij authentieke akte of bij
verklaring voor de vrederechter.
170. Volgens het Hof van Cassatie 466 dient men hier dus steeds na te gaan welke contractpartij de
vervroegde beëindiging van de handelshuurovereenkomst inroept. Indien het de handelshuurder is
die deze beëindiging inroept, dan mag hij deze beëindiging bewijzen zonder dat de
beëindigingsovereenkomst is vastgesteld in een authentieke akte of een verklaring voor de
vrederechter. Zo kan de handelshuurder bijvoorbeeld bewijzen dat de handelshuurovereenkomst
wel degelijk met wederzijds akkoord werd beëindigd doordat hij het gehuurde goed heeft verlaten
en de handelsverhuurder het pand opnieuw in zijn bezit heeft omwille van het feit dat de
handelsverhuurder de sleutels van het pand terug in ontvangst heeft genomen. Dit wordt ook nog
het bewijs door uitvoering van de beëindigingsovereenkomst genoemd. Ook het bewijs dat de
handelsverhuurder het achtergelaten exploitatiemeubilair heeft gekocht kan een geldig bewijs zijn
voor de beëindiging van de handelshuur. 467
Maar indien de handelsverhuurder deze beëindiging inroept dan kan hij deze beëindiging enkel
bewijzen door een beëindigingsovereenkomst die werd vastgesteld in een authentieke akte of een
verklaring voor de vrederechter. De handelsverhuurder kan de beëindiging van de handelshuur dus
465
Cass. 27 mei 1983, Arr. Cass. 1982-83, 1183, RW 1984-85, 686, Pas. 1983, I, 1078. Vergelijk Cass. 14
september 1990, Arr. Cass. 1990-91, 48.
466
Cass. 15 november 2002, Arr.Cass. 2002, 2485, Pas. 2002, 2192, Huur 2003, 68 en RW 2005-06, 141.
467
Cass. 21 september 1978, Arr. Cass. 1978-79, 90.
108
niet bewijzen aan de hand van andere bewijsmiddelen. 468 Dit in tegenstelling tot de handelshuurder
die wel over deze mogelijkheid beschikt. Deze gevolgen vloeien rechtstreeks voort uit de dwingende
bepaling van artikel 3, 4e lid HHW ter bescherming van de handelshuurder.
171. Vervolgens heeft het Hof van Cassatie ook bepaald dat men dient na te gaan welke contractpartij de
nietigheid van de beëindigingsovereenkomst inroept. 469 De bescherming van de handelshuurder
heeft immers tot gevolg dat het enkel de handelshuurder 470 is die bij niet-naleving van de wettelijke
formaliteiten de relatieve nietigheid van de beëindigingsovereenkomst kan opwerpen. De
handelshuurder kan deze nietigheid bijvoorbeeld opwerpen indien hij de wens heeft om de
handelshuur toch nog voort te zetten. Maar de beschermde handelshuurder is hier evenwel niet toe
verplicht. Zo heeft hij ook steeds de mogelijkheid om af te zien van de relatieve nietigheid. 471 Zo kan
de handelshuurder de nietigheid van de handelshuur dekken indien hij de beëindigingsovereenkomst
vrijwillig uitvoert door het gehuurde goed te verlaten. De handelshuurder zal zich in dit geval dus niet
langer kunnen beroepen op de relatieve nietigheid van de beëindigingsovereenkomst. A contrario is
de nietigheid dan weer niet gedekt indien de handelshuurder bijvoorbeeld de lokalen niet heeft
ontruimd en nog steeds in het bezit is van de sleutel van het pand. 472
2.3. Artikel 6 HHW betreffende de herziening van de handelshuurprijs
172. Artikel 6, 1e lid HHW bepaalt dat de partijen bij het verstrijken van elke driejarige periode het recht
hebben om aan de vrederechter de herziening 473 van de handelshuurprijs te vragen. Opdat een
herziening van de handelshuurprijs wordt ingewilligd, is het vereist dat er bewezen wordt 474 dat de
normale huurwaarde van het gehuurde goed, ten gevolge van nieuwe objectieve omstandigheden 475
468
M. DAMBRE en F. LOGGHE, “Huurrecht: actuele ontwikkelingen inzake algemeen huurrecht, woninghuur,
handelshuur en pacht” in X., Instituut Notarieel recht, Rechtskroniek voor het Notariaat, deel 2, Brugge, die
Keure, 2003, 209-210, nr. 164.
469
Cass. 15 november 2002, Arr.Cass. 2002, 2485, Pas. 2002, 2192, Huur 2003, 68 en RW 2005-06, 141.
470
En dus niet de handelsverhuurder.
471
Cass. 15 november 2002, Arr.Cass. 2002, 2485, Pas. 2002, 2192, Huur 2003, 68 en RW 2005-06, 141; K.
VANHOVE, “Actualia handelshuur”, CBR-Jaarboek 2006-07, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, 54, nr. 7.
472
Vred. Kortrijk 12 februari 2003, Huur 2003, 151.
473
Dit kan zowel een verhoging als een verlaging van de handelshuurprijs zijn.
474
Volgens artikel 870 Ger.W. rust de bewijslast hier op de eiser die de handelshuurprijsherziening vordert.
475
Cass. 22 mei 1998, Arr. Cass. 1998, 591; Cass. 3 mei 2002, Arr.Cass. 2002, 1187, Pas. 2002, 1061.
109
die partijen niet konden voorzien bij het sluiten van de handelshuurovereenkomst, ten minste 15%
hoger of lager is dan de handelshuurprijs die in de handelshuurovereenkomst is bepaald of die bij de
laatste herziening is vastgesteld. Hierbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de normale
huurwaarde bij aanvang van de handelshuur 476 en de normale huurwaarde op het ogenblik van de
vraag tot handelshuurprijsherziening. 477 Bovendien is ook nog vereist dat de omstandigheden tot
herziening van de handelshuurprijs een invloed blijven uitoefenen gedurende drie jaar. Tenslotte
bepaalt het laatste lid van artikel 6 HHW dat de vordering tot huurprijsherziening slechts kan worden
ingesteld binnen de laatste drie maanden van de lopende driejarige periode.
173. Vooreerst kan worden opgemerkt dat artikel 6, 1e lid HHW een tegengewicht vormt voor artikel 3, 1e
lid
HHW.
Aangezien
de
Handelshuurwet
een
minimumduur
van
9
jaren
voor
de
handelshuurovereenkomst voorschrijft, heeft de wetgever geoordeeld dat de contractpartijen dan
wel over de mogelijkheid moeten beschikken om driejaarlijks een herziening van de handelshuurprijs
te vragen aan de vrederechter. In de parlementaire voorbereiding werd immers onderstreept dat er
een evenwicht moest worden gevonden tussen de belangen van de handelshuurder en die van de
handelsverhuurder.478 En volgens de wetgever is de beste manier om dit te doen het verzoenen van
de tegenover elkaar staande belangen van de handelshuurder en de handelsverhuurder. De
wetgever voerde dus een beperking in, ten aanzien van het vrij bepalen van de handelshuurprijs, om
enerzijds de mogelijke nadelen die de handelsverhuurder ondervindt ten gevolge van de verplichte
lange huurtermijn van 9 jaren enigszins te compenseren of te neutraliseren en anderzijds tevens
rekening te houden met de economisch veranderde situatie van de handelshuurder. 479
174. Volgens het arrest van 25 april 2003 van het Hof van Cassatie 480 is artikel 6, 1e lid HHW een bepaling
van meerzijdig dwingend recht dat dient ter bescherming van de particuliere belangen van beide
476
De zogenaamde referentiehuurprijs.
477
Rb. Hasselt 16 maart 2009, TBO 2009, 194; P. JADOUL, “La révision du loyer et les aspects financiers du bail
commercial” in P. JADOUL en M. VLIES (eds.), 50 ans d’application de la loi sur les baux commerciaux – 50 jaar
toepassing van de Handelshuurwet, Brugge, die Keure, 2002, 70.
478
Parl.St. Kamer 1947-48, nr. 20, 14.
479
Voor meer uitleg waarom deze regeling er is gekomen: A. PAUWELS, Handelshuur, in APR, Brussel, Larcier,
1971, 66-67, nr. 108; M. LA HAYE en J. VANKERCKHOVE, Le louage de choses. II. Les baux commerciaux, in X., Les
Novelles. Droit civil. VI, Brussel, Larcier, 1984, 116, nr. 1616; B. LOUVEAUX, Le droit du bail commercial, Brussel,
De Boeck Université, 2002, 143, nr. 160.
480
Cass. 25 april 2003, RW 2005-06, 943, TBBR 2005, 42, noot P. WÉRY.
110
partijen,
dus
zowel
van
de
handelshuurder
als
van
de
handelsverhuurder.
Deze
beschermingsgedachte is logischerwijs ook af uit te leiden uit de bewoording van de wet zelf. Het
artikel spreekt immers over het recht dat de partijen hebben tot het vragen van een herziening van
de handelshuurprijs, wat impliceert dat beide partijen hierbij een belang hebben en zich kunnen
beroepen op deze bepaling. De wetgever had met deze dwingende bepaling vooral de bedoeling om
de handelszaak, waarrond de huurrelatie draait, te beschermen. 481 Uit deze ratio legis vloeit dan ook
voort dat het veeleer de particuliere belangen van beide partijen zal zijn die hierdoor zullen worden
beschermd.
Het Hof benadrukt dat deze dwingende bepaling zijn gelding blijf verlenen niettegenstaande een
daarmee strijdig contractueel beding. Er wordt dus geen enkele afwijking 482, noch een
versoepeling483 van deze dwingende wettelijke modaliteiten toegestaan, noch kunnen de
contractpartijen overeenkomen dat ze deze bepaling uitsluiten in hun handelshuurovereenkomst.
Hieruit volgt dan dat de contractpartijen niet geldig kunnen overeenkomen om de
handelshuurprijsherziening aan andere, minder strenge of juist strengere modaliteiten te
onderwerpen. Hetzelfde geldt voor het bepalen van de maatstaven om de handelshuurprijs te gaan
bepalen. Zo is een wijziging van de normale huurwaarde, bijvoorbeeld met 10 of 20 % , niet mogelijk
op grond van dit artikel. Artikel 6 HHW is dus een minimumstandaard waarop beide partijen zich
kunnen beroepen. 484
Het
is
daarentegen
wel
toegelaten
aan
de
contractpartijen
om
een
progressieve
handelshuurprijsregeling 485 overeen te komen, waarbij de basishuurprijs bijvoorbeeld elk jaar of om
de drie jaar wordt verhoogd. 486 Dergelijke vorm van handelshuurprijsbepaling doet immers geen
481
S. MOSSELMANS, “Het dwingende karakter van artikel 14 eerste lid van de Handelshuurwet”, TBO 2003, 168,
nr. 24.
482
Bijvoorbeeld een drempelvereiste.
483
B. LOUVEAUX, Le droit du bail commercial, Brussel, De Boeck Université, 2002, 105, nr. 162-163; A. PAUWELS,
Handelshuur, in APR, Brussel, Larcier, 1971, nr. 117. Vgl. M. LA HAYE en J. VANKERCKHOVE, Le louage de choses. II.
Les baux commerciaux, in X., Les Novelles. Droit civil. VI, Brussel, Larcier, 1984, 133, nr. 1641.
484
K. VANHOVE, “De herziening van de handelshuurprijs”, TBO 2009, 63.
485
K. VANHOVE, “Knelpunten Handelshuur. Perspectief van de advocaat”, in B. TILLEMAN, K. VANHOVE en A-L
VERBEKE, Knelpunten Handelshuur, Antwerpen, 2007, 103-105.
486
Rb. Brugge 20 januari 2006, NjW 2006, 177, noot K. VANHOVE.
111
afbreuk aan de mogelijkheid van de contractpartijen om, overeenkomstig artikel 6 HHW, een
herziening van de handelshuurprijs aan te vragen. 487
175. Bijzonder aan het arrest van 25 april 2003 is dat het Hof hier een zeer ophefmakende beslissing heeft
genomen met betrekking tot de nietigheidssanctie wegens strijdigheid met artikel 6 HHW. Met dit
arrest heeft het Hof namelijk beslist dat de partij die beschermd wordt door deze dwingende
wetsbepaling, niet moet wachten tot de rechter de nietigverklaring heeft uitgesproken van een
afwijkend contractueel beding, maar toepassing kan eisen van haar recht dat zij rechtstreeks uit de
wet mag putten. 488 Deze beslissing is echter volledig tegenstrijdig met de traditionele visie inzake de
relatieve nietigheid. Volgens de traditionele visie is de nietigheidssanctie immers een gerechtelijke
sanctie die steeds door de rechter dient te worden uitgesproken.
176. De
feiten waren
als
volgt. Op
23
oktober
1962
hadden
de
contractpartijen een
handelshuurovereenkomst gesloten waarin een beding was opgenomen die de herziening van de
handelshuurprijs bij het einde van elke driejarige periode uitdrukkelijk uitsloot, hetgeen duidelijk in
strijd is met artikel 6 HHW. Het beding luidde als volgt: “de partijen sluiten eender welke andere
methode van aanpassing van de huur uit, in het bijzonder de driejaarlijkse herziening krachtens
artikel 6 van de Handelshuurwet”.
In 1995 verzocht de handelsverhuurder echter om de handelshuurprijs te herzien. De
handelshuurder 489 verzette zich hiertegen door op te werpen dat de herziening van de
handelshuurpijs uitdrukkelijk was uitgesloten door een beding in de handelshuurovereenkomst. De
rechtbank van eerste aanleg te Brussel was hier terecht van oordeel dat men niet kon afwijken van
artikel 6 HHW en dat het contractuele beding dan ook strijdig was met desbetreffend artikel. Maar
toch werd de vordering van de handelsverhuurder tot herziening van de handelshuurprijs door de
rechtbank afgewezen. De rechtbank motiveerde deze afwijzing door te bepalen dat de
handelsverhuurder eerst een vordering tot nietigverklaring van het strijdig beding diende in te
stellen. En dat hij zich pas kon beroepen op artikel 6 HHW indien het strijdig beding nietig was
verklaard. Maar aangezien deze vordering tot nietigverklaring, overeenkomstig artikel 1304 BW,
487
K. VANHOVE, “Kroniek van het handelshuurrecht (2000-2005)”, RW 2005-06, 1564, nr. 15; K. VANHOVE,
“Actualia handelshuur”, CBR-Jaarboek 2006-2007, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, 62-63, nr. 18.
488
E. SWAENEPOEL, Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 989.
489
Verweerder.
112
reeds was verjaard, was het dus volgens de rechtbank niet mogelijk om een herziening van de
handelshuurprijs toe te laten. Hierop werd de zaak doorverwezen naar het Hof van Cassatie.
Het Hof van Cassatie volgde de redenering van de rechtbank van eerste aanleg evenwel niet en
besloot dat de tienjarige verjaringstermijn geen toepassing vond, gezien de bescherming van de
contractpartij rechtstreeks door de wet zelf wordt verleend490, en dus niet door een contractueel
beding. Hieruit volgt dan dat de contractpartij niet verplicht is om eerst de nietigheid van het strijdig
beding te vorderen, waardoor hij dan ook logischerwijs niet langer gehinderd wordt door de
tienjarige verjaringstermijn van artikel 1304 BW. Contractpartijen kunnen de minimumbescherming
van een dwingende bepaling dus niet buiten werking stellen door een afwijkende regeling te gaan
bedingen of door zich te gaan beroepen op de verjaringsregels.
177. Concreet besliste het Hof van Cassatie dat de handelsverhuurder het recht op herziening van de
handelshuurprijs rechtstreeks uit de wet zelf put 491 en dat hij dus niet verplicht is om eerst de
nietigverklaring te vorderen van het strijdige beding in de handelshuurovereenkomst om de
toepassing van dit recht te eisen. 492 De gevolgen van deze uitspraak zijn dus zeker niet te
onderschatten op vlak van de nietigheidssanctie. Het Hof beklemtoont namelijk in deze uitspraak dat
de nietigheidssanctie, die wordt voorzien voor bepalingen die strijdig worden geacht met artikel 6
HHW, geenszins afhankelijk is van een rechterlijke tussenkomst. Er vindt dus een soort sanctionering
van rechtswege plaats 493, wat doet impliceren dat het sanctiemechanisme hier een autonome
werking krijgt. 494
Bijgevolg druist het Hof van Cassatie met deze opvatting rechtstreeks in tegen het algemeen
aanvaarde principe dat een voorafgaandelijke tussenkomst van de rechter steeds vereist is om de
490
Cass. 14 januari 2008, TBO 2008, 110, noot A. COPPENS.
491
Meer algemeen wordt dit dan: “Elk van de contractpartijen put het recht tot het aanvragen van een
handelshuurprijsherziening rechtstreeks uit de wet zelf en niet uit enig contractueel afwijkend beding in de
handelshuurovereenkomst.”
492
Cass. 25 april 2003, RW 2005-06, 943, TBBR 2005, 42, noot P. WÉRY.
493
S. MOSSELMANS, “Het dwingende karakter van artikel 14 eerste lid van de Handelshuurwet”, TBO 2003, 161;
K. VANHOVE, “Kroniek van het handelshuurrecht (2000-2005)”, RW 2005-06, 1565, nr. 19; K. VANHOVE, “Actualia
handelshuur”, CBR-Jaarboek 2006-07, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, 65-66, nr. 22.
494
K. VANHOVE, “Actualia handelshuur”, CBR-Jaarboek 2006-07, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, 65-66, nr.
22.
113
relatieve nietigheid uit te spreken. 495 Zelfs als een overeenkomst is aangetast door een
nietigheidsgrond blijft zij geldig bestaan, zolang de nietigheid niet door een rechter is uitgesproken.
Bovendien kan ook de nakoming van de voortvloeiende verbintenissen van dergelijke overeenkomst
nog worden gevorderd, zolang de nietigheid niet door een rechter is uitgesproken. De
nietigheidssanctie die in de parlementaire voorbereiding 496 wordt voorzien voor artikel 6 HHW
impliceert dus in rechte dat de beschermde contractpartij(en) de relatieve nietigheid kunnen
vorderen van de contractuele bedingen die strijdig zijn met deze bepaling. Strijdige contractuele
bepalingen zijn dus in principe vernietigbaar, op vraag van de beschermde contractpartij. Maar het
Hof van Cassatie is in deze concrete zaak echter een andere mening toegedaan en bepaalt dat er
geen voorafgaandelijke rechterlijke tussenkomst is vereist opdat artikel 6 HHW zijn gelding blijft
verlenen. Volgens het Hof worden de bedingen, die strijdig worden geacht met artikel 6 HHW, als het
ware van rechtswege voor niet geschreven beschouwd. Men kan dus bezwaarlijk nog gaan spreken
over een relatieve nietigheid in de klassieke betekenis.
178. Bepaalde rechtsleer heeft reeds gewezen op het feit dat er in deze context eerder sprake is van een
voor niet geschreven houden van het strijdige contractuele beding. 497 Maar het probleem hierbij is
echter dat dergelijke sanctie alleen geldt als een wet uitdrukkelijk voorschrijft dat een andersluidend
beding voor niet geschreven moet worden gehouden. 498 En zoals reeds gezien had de wetgever juist
voor ogen om bepalingen die strijdig worden bevonden met artikel 6 HHW te sanctioneren met een
relatieve nietigheid. 499 Toch is er hier naar mijn mening enkel ruimte voor een sanctie in de zin van
het voor niet geschreven houden van een strijdig beding. Hierbij bemerk ik tevens dat deze sanctie
een veel zwaardere sanctie inhoudt dan de sanctie van de relatieve nietigheid, doordat het strijdige
beding van rechtswege wordt geacht van nooit te hebben bestaan. Het betreft hier dus een fictie van
de wetgever waarbij het strijdige beding wordt geneutraliseerd door de wet, zonder een
495
I. CLAEYS, “Ontbinding en nietigheid van overeenkomsten: rechterlijke tussenkomst altijd vereist?”, in X.,
Contractenrecht in beweging, Mechelen, 2004, 190 e.v.
496
497
Memorie van Toelichting, Parl.St. Kamer 1946-47, nr. 7, 4.
L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 678-679, nr. 540; L. SIMONT,
“Actualités du droit des baux commerciaux dans la jurisprudence récente de la cour de cassation”, in E.
BRUYLANT, Actualités de quelques contrats spéciaux, Brussel, 2005, 33; K. VANHOVE, “Actualia handelshuur”, CBRJaarboek 2006-07, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, 65-66, nr. 22; P. WÉRY, “Brèves réflexions à propos de
la sanction des clauses contractuelles illicites", TBBR 2005, 47.
498
I. CLAEYS, “Ontbinding en nietigheid van overeenkomsten: rechterlijke tussenkomst altijd vereist?”, in X.,
Contractenrecht in beweging, Mechelen, 2004, 194.
499
Memorie van Toelichting, Parl.St. Kamer 1946-47, nr. 7, 4.
114
voorafgaandelijke rechterlijke tussenkomst. 500 De beslissing van het Hof van Cassatie heeft volgens
mij dan ook dezelfde finaliteit als wetsbepalingen van dwingend recht waarbij de wetgever gebruik
maakt van de techniek van het voor niet geschreven houden van het strijdig beding. Daartegenover
staat dan de sanctie van de relatieve nietigheid die steeds een rechterlijke tussenkomst vereist.
179. De cruciale vraag is hier echter of de klassieke toepassingsvoorwaarden inzake de relatieve nietigheid
nog steeds hun toepassing vinden op dit sanctiemechanisme? Is er met andere woorden een
rechterlijke tussenkomst vereist indien contractuele bepalingen strijdig zijn met de Handelshuurwet
of geldt de sanctie automatisch? Kan enkel de beschermde contractpartij deze sanctie inroepen of
heeft elke belanghebbende deze mogelijkheid? Kan aan de beschermde partij geen bevestiging van
de nietigheid of een verjaring van de vordering tot nietigverklaring worden tegengeworpen?
De onduidelijkheid die heerst over de antwoorden op bovenstaande vragen zorgen er in de eerste
plaats voor dat dit arrest niet bijdraagt aan de rechtszekerheid. Daartegenover staat echter dat het
Hof van Cassatie heeft gepoogd om de bescherming van de Handelshuurwet maximaal te laten
gelden. In het voorliggende arrest is het immers duidelijk dat de sanctie van de Handelshuurwet licht
gemodificeerd wordt om niet buiten spel te worden gezet door de verjaringstermijn die geldt voor
dergelijke vorderingen tot nietigverklaring. 501 In casu was de verjaringstermijn voor het instellen van
de nietigheidssanctie immers reeds verstreken. Indien het Hof van Cassatie niet was uitgegaan van
een rechtstreekse bescherming op grond van de wet dan kon de nietigheid van het betrokken
strijdige beding niet weerhouden worden. 502
Volgens VANHOVE 503 komt het erop neer dat de rechter het strijdige beding niet voorafgaandelijk
dient te vernietigen, doch dat dit beding automatisch en van rechtswege voor niet geschreven dient
te worden gehouden, op voorwaarde dat de beschermde contractpartij haar rechten uitoefent. 504
500
P. WÉRY, “Brèves réflexions à propos de la sanction des clauses contractuelles illicites", TBBR 2005, 47.
501
Op grond van artikel 1304 BW.
502
I. CLAEYS, “Ontbinding en nietigheid van overeenkomsten: rechterlijke tussenkomst altijd vereist?”, in X.,
Contractenrecht in beweging, Mechelen, 2004, 190.
503
504
K. VANHOVE, “De herziening van de handelshuurprijs”, TBO 2009, 63-64.
S. STIJNS, “Nietigheid van het contract als sanctie bij totstandkoming” in J.M. SMITS en S. STIJNS,
Totstandkoming van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2002, 252253.
115
180. Hoewel er nog veel onduidelijkheid bestaat rond deze leer kan toch worden opgemerkt dat het Hof
dergelijke visie nog heeft bevestigd in een recenter arrest van 14 januari 2008. 505 Kort samengevat
had het Hof binnen de context van artikel 3, 1e lid HHW bepaald dat een handelshuurovereenkomst
van geen duur, onbepaalde duur of kortere duur van rechtswege negen jaar bedraagt. Hieruit vloeit
dus voort dat de beschermde contractpartij steeds automatisch aanspraak kan maken op de
wettelijke minimumduur van negen jaar, zonder dat deze contractpartij eerst nog de afwijkende
bedingen moet laten nietig verklaren. De kern van deze leer bestaat er dus in om de effectiviteit van
de wettelijk verleende bescherming niet uit te hollen. Ze past immers in de gedachte dat de sanctie
moet zijn aangepast aan de aard en het doel van de geschonden rechtsregels. 506 De discussie blijft
hier evenwel open: wat zijn de grenzen van deze leer? Is het voor niet geschreven houden van
strijdige bedingen voortaan de standaardsanctie? Wat zijn de modaliteiten van dergelijke sanctie?
Wanneer put een contractpartij rechten rechtstreeks uit de wet? 507
181. Binnen het kader van artikel 6 HHW is het tenslotte van belang om weer te geven wanneer een partij
eventueel afstand kan doen van de bescherming die door deze dwingende bepaling wordt verleend.
De contractpartijen kunnen immers geen afstand doen van het recht om de driejaarlijkse herziening
van de handelshuurprijs te vragen, aangezien deze bepaling van dwingend recht is ter bescherming
van de particuliere belangen van beide partijen. Zij kunnen bijgevolg pas van dit recht afstand doen
op het ogenblik dat de door deze bepaling verleende bescherming is ontstaan, dit is tijdens de laatste
drie maanden van de lopende driejarige huurperiode. 508
2.4.
Artikel
7-9
HHW
betreffende
verbouwingen
uitgevoerd
door
de
handelshuurder
182. Artikelen 7 tot en met 9 HHW bieden aan de handelshuurder het recht om aan het gehuurde goed
elke verbouwing 509 uit te voeren die dienstig is voor zijn handelsactiviteit. De handelshuurder dient
hier wel de handelsverhuurder vooraf in kennis te stellen, bij aangetekende brief of bij
505
506
Cass. 14 januari 2008, TBO 2008, 110, noot A. COPPENS.
S. STIJNS, “Nietigheid van het contract als sanctie bij totstandkoming” in J.M. SMITS en S. STIJNS,
Totstandkoming van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2002, 238240.
507
K. VANHOVE, “De herziening van de handelshuurprijs”, TBO 2009, 71.
508
Artikel 6, 3 lid HHW.
509
Kh. Gent 19 september 2003, TGR 2003, 244.
e
116
gerechtsdeurwaarderexploot, van de voorgenomen veranderingen, zodat de handelsverhuurder zich
in voorkomend geval om wettige redenen ertegen kan verzetten. 510
Gezien het dwingende karakter van deze artikelen kan de handelsverhuurder de uitvoering van
dergelijke werken evenwel niet geheel verbieden bij afwijkend beding. 511 Een totaal verbouwverbod
zou immers nadelige gevolgen kunnen hebben voor de handelshuurder en zijn handelsactiviteit. Dit
wil dus zeggen dat de handelshuurder, binnen bepaalde voorwaarden en steeds met het oog op het
belang voor de continuïteit van de handelszaak, bepaalde verbouwingswerken kan opdringen aan de
handelsverhuurder.512
183. Volgens het Hof van Cassatie 513 heeft de wetgever deze dwingende bepalingen ingevoerd ter
bescherming van de particuliere belangen van beide contractpartijen. Enerzijds beschermen deze
dwingende bepalingen de particuliere belangen van de handelshuurder doordat deze steeds de
mogelijkheid heeft om, zij het binnen bepaalde voorwaarden 514, bepaalde verbouwingswerken uit te
voeren ter aanpassing van het gehuurde pand aan zijn handelsactiviteit. En anderzijds dienen deze
dwingende bepalingen ook de bescherming van de particuliere belangen van de handelsverhuurder
doordat deze bij vertrek van de handelshuurder slechts beperkte vergoedingen 515 dient te betalen
voor de verbouwingswerken. Het Hof benadrukt hierbij uitdrukkelijk dat deze bepalingen voldoende
evenwichtig zijn doordat ze rekening houden met de belangen van beide contractpartijen. Zo hield
de wetgever niet alleen rekening met de mogelijkheid voor de handelshuurder om bepaalde
verbouwingswerken door te voeren in het voordeel van zijn handelsactiviteit, maar ook met het feit
dat deze macht van de handelshuurder om andermans zaak te verbouwen zou kunnen leiden tot een
niet geringe inbreuk op het eigendomsrecht van de handelsverhuurder.
510
Artikel 7, 1 lid HHW.
511
Dit in tegenstelling tot het gemeen huurrecht.
512
B. LOUVEAUX, Le droit du bail commercial, Brussel, De Boeck Université, 2002, 186, nr. 210.
513
Cass. 3 juni 2004, Arr.Cass. 2004, 982, Pas. 2004, 960, RW 2004-05, 1143, noot D. MERTENS.
514
e
Zo is de handelshuurder bijvoorbeeld onderworpen aan een strikte garantie- en toezichtsysteem ten
voordele van de handelsverhuurder.
515
e
Artikel 7, 1 lid HHW heeft een financiële bovengrens ingebouwd dat stelt dat de kosten drie jaar huur niet
te boven mogen gaan. Zie Cass. 27 juni 1996, Arr. Cass. 1996, 660, TBBR 1997, afl. 5, 418, noot K. CREYF, T.Huur
1997-98, 48, noot J. VANBELLE.
117
2.5. Artikel 14, 1e lid HHW betreffende het recht op de hernieuwing van de
handelshuur
184. Volgens artikel 13 HHW heeft de handelshuurder het recht om, bij voorkeur boven alle andere
personen, de hernieuwing van zijn handelshuurovereenkomst te verkrijgen om dezelfde handel voort
te zetten. De handelshuurder verkrijgt dit recht telkens bij het verstrijken van de initiële duur van de
handelshuurovereenkomst. Dit recht is evenwel beperkt tot drie huurhernieuwingen. Dit recht tot
hernieuwing van de handelshuur betreft een dwingende bepaling ten voordele van de
handelshuurder. 516
185. Belangrijk in deze context is artikel 14, 1e lid HHW dat bepaalt dat de handelshuurder deze
huurhernieuwing telkens voor het einde van de lopende huur, op eigen initiatief517, dient te
verzoeken aan de handelsverhuurder. De handelshuurder heeft dus met andere woorden geen recht
op een automatische hernieuwing van de handelshuurovereenkomst.
Artikel 14, 1e lid HHW legt hierbij enkele dwingende verplichtingen op aan de handelshuurder naar
tijdstip, vorm en inhoud van de aanvraag tot huurhernieuwing. 518 Deze dwingende formaliteiten zijn
in beginsel zeer strikt. Zo dient de aanvraag tot huurhernieuwing ten vroegste achttien maanden en
ten laatste vijftien maanden voor het eindigen van de lopende handelshuur te gebeuren. Vervolgens
dient de handelshuurder deze aanvraag tot huurhernieuwing verplicht ter kennis te brengen aan de
handelsverhuurder bij aangetekende brief of bij gerechtsdeurwaarderexploot. De rechtspraak 519
voegt daaraan toe dat de huuraanvraag dient ondertekend te worden. Met een niet-ondertekende
aanvraag tot huurhernieuwing kan geen rekening worden gehouden, zoniet kan eenieder die brief
verzenden, zelfs tegen de wil van de huurder. Een niet-ondertekende aanvraag is bijgevolg nietig. 520
Bovendien moet deze aanvraag tot huurhernieuwing telkens de voorwaarden vermelden waarom de
handelshuurder bereid is om de handelshuur te hernieuwen en tevens dient uitdrukkelijk vermeld te
zijn dat de handelsverhuurder geacht wordt met de huurhernieuwing in te stemmen als hij niet bij
aangetekende brief of bij gerechtsdeurwaardersexploot binnen de drie maanden kennis geeft van
516
Cass. 23 mei 1980, RW 1980-81, 2061.
517
Vgl. Cass. 28 januari 2005, AR C.030637.N.
518
F. CORYN, “Het formalisme van artikel 14 eerste lid Handelshuurwet”, RABG 2005, 606.
519
Cass. 25 maart 1993, Arr. Cass. 1993, 328, RW 1994-95, 1293; Rb. Leuven 26 februari 1992, Pas. 1992, III, 57;
Vred. Leuven 18 december 1990, T.Vred. 1993, 35; Vred. Sint-Niklaas 25 maart 2002, RW 2003-04, 673.
520
F. CORYN, “Het formalisme van artikel 14 eerste lid Handelshuurwet”, RABG 2005, 606.
118
ofwel zijn met redenen omklede weigering van de huurhernieuwing, ofwel van andere
huurvoorwaarden of van het aanbod van een derde 521.
186. Door de vele strikte formaliteiten die dwingend worden opgelegd door artikel 14, 1e lid HHW laat de
handelshuurder vaak na om een geldige aanvraag tot huurhernieuwing te doen binnen de vereiste
termijn. Het gevolg hiervan is dat de handelshuurder zich niet langer kan beroepen op zijn recht tot
huurhernieuwing. Vooral laatstgenoemde vermelding van artikel 14, 1e lid HHW, ook nog de
verzuimvermelding genoemd, wordt soms vergeten wat leidt tot de onregelmatigheid of de
nietigheid van de aanvraag tot huurhernieuwing. De rechtspraak aanvaardt evenwel dat deze
onregelmatigheid, in hoofde van de handelshuurder, kan worden hersteld, op voorwaarde dat hij
binnen de wettelijke termijn van achttien tot vijftien maanden, voor de beëindiging van de lopende
handelshuur, een nieuwe geldige aanvraag tot huurhernieuwing aan de handelsverhuurder richt. 522
De handelsverhuurder is hierbij niet verplicht om de handelshuurder te wijzen op de
onregelmatigheid van de aanvraag teneinde hem aldus nog de mogelijkheid te bieden een geldige
aanvraag tot huurhernieuwing te formuleren. 523 Het Hof van Cassatie 524 verduidelijkt tevens dat de
opgelegde termijn van drie maanden aan de handelsverhuurder, om de aanvraag tot
huurhernieuwing door de handelshuurder te beantwoorden, vanzelfsprekend pas aanvangt vanaf de
aldus vernieuwde aanvraag tot huurhernieuwing.
Het Hof van Cassatie 525 heeft hieromtrent wel een verrassend soepele uitspraak geveld. Zo bepaalde
het Hof dat de onregelmatigheid van de aanvraag tot huurhernieuwing, wegens het vergeten
vermelden van de verzuimvermelding, eenvoudigweg kon hersteld worden door het sturen van een
aanvullende brief, die verwijst naar de inhoud van de eerste brief en waarin de verzuimvermelding
voorkomt. Het Openbaar Ministerie had hieromtrent nochtans een strengere houding aangenomen
en stelde dat de onregelmatigheid van de aanvraag tot huurhernieuwing enkel kon hersteld worden
door een geheel nieuwe aanvraag binnen de termijn, en dus niet louter door het aanvullen van een
gebrekkige aanvraag.
521
Vgl. Cass. 5 november 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1281 en Cass. 16 mei 1969, Arr. Cass. 1969, 918.
522
Vred. Sint-Niklaas 25 maart 2002, RW 2003-04, 673.
523
Vred. Zomergem 22 april 2005, T.Not. 2006, 320; Vred. Westerlo 4 oktober 2010, RABG 2012, 259.
524
Cass. 26 mei 2005, www.cass.be.
525
Cass. 13 november 2003, Arr.Cass. 2003, 2087, concl. G. DUBRULLE, Pas. 2003, 1807, RW 2005-06, 1301 en
RABG 2005, 599, concl. O.M., noot F. CORYN.
119
In een recenter arrest nam het Hof van Cassatie 526 dan weer een strengere houding aan. Zo stelde
het Hof dat de aanvraag tot huurhernieuwing nietig is indien zij niet uitdrukkelijk vermeldt op welke
wijze dat de handelsverhuurder kennis moet geven van zijn antwoord. Indien de handelshuurder
bijvoorbeeld niet heeft vermeld dat het antwoord van de handelsverhuurder bij aangetekende brief
of bij gerechtsdeurwaardersexploot dient te gebeuren, kan dit tot onduidelijkheden leiden in hoofde
van de handelsverhuurder. De handelshuurder doet er dus goed aan om in zijn aanvraag tot
huurhernieuwing de integrale tekst van artikel 14, 1e lid HHW letterlijk over te nemen. 527
Volgens het Hof van Cassatie 528 is artikel 14, 1e lid HHW dan ook een dwingende bepaling ter
bescherming van de particuliere belangen van de handelsverhuurder. 529 Zo hebben de strikte
modaliteiten van deze dwingende bepaling tot doel om de wettige belangen van de eigenaars te
beschermen, en in het bijzonder te vermijden dat de hernieuwing van de handelshuurovereenkomst
onverwacht aan de handelsverhuurder zou worden opgelegd. De kennisgeving die aan de
handelshuurder wordt opgelegd in artikel 14, 1e lid HHW voor de handelsverhuurder doet namelijk
een termijn lopen om kennis te geven van ofwel zijn akkoord met de huurhernieuwing, ofwel zijn
met redenen omklede weigering van de huurhernieuwing, ofwel van andere huurvoorwaarden te
kennen te geven dan diegene die door de handelshuurder worden gesteld of van het aanbod van een
derde. 530 Ik merk hierbij op dat de rechtspraak heeft geoordeeld dat de vormvereisten van artikel 14,
2e lid HHW betreffende het antwoord van de handelsverhuurder op een aanvraag van de
huurhernieuwing dan weer strekken tot bescherming van de particuliere belangen van de
handelshuurder. Vanaf het ogenblik waarop de handelshuurder een regelmatige aanvraag tot
526
Cass. 2 maart 2006, C.050092.N. Vgl. M. LA HAYE en J. VANKERCKHOVE, Le louage de choses. II. Les baux
commerciaux, in X., Les Novelles. Droit civil. VI, Brussel, Larcier, 1984, 106-107, nr. 1595.
527
K. VANHOVE, “Nieuwste rechtspraak handelshuur (2000-2006)”, Themis, 111-112, nr. 48.
528
Cass. 28 januari 2005, Arr.Cass. 2005, 242, Pas. 2005, 236 en RW 2006-07, 1757.
529
Zie ook Cass. 15 maart 1968, Arr.Cass. 1968, 936, RW 1967-68, 2000; Cass. 6 november 1992, AR 9553, nr.
717; Cass. 21 maart 2003, Arr.Cass. 2003, 700, JT 2005, 136, Pas. 2003, 590, RW 2005-06, 820, TBO 2003, 156;
Cass. 13 november 2003, Arr.Cass. 2003, 2087, concl. G. DUBRULLE, Pas. 2003, 1807, RW 2005-06, 1301 en RABG
2005, 599, concl. O.M., noot F. CORYN; Vred. Westerlo 4 oktober 2010, RABG 2012, 259; S. MOSSELMANS, “Het
dwingende karakter van artikel 14 eerste lid van de Handelshuurwet”, TBO 2003, 161. Vgl. Cass. 5 november
1992, Arr. Cass. 1991-92, 1281 en Cass. 18 april 1975, Arr. Cass. 1975, 916.
530
Het is dan ook vanaf het ogenblik van deze kennisgeving dat de termijn van drie maanden ingaat (in het
belang van de verhuurder).
120
huurhernieuwing heeft ingediend, wordt hij dus de beschermde contractpartij. 531 Ik heb mij hier
echter beperkt tot de bespreking van artikel 14, 1e lid HHW.
187. Deze bescherming van de handelsverhuurder heeft twee belangrijke gevolgen. Ten eerste zal het
enkel de handelsverhuurder zijn die de bescherming van artikel 14, 1e lid HHW kan inroepen, door
het instellen van een vordering tot nietigverklaring van een strijdig beding in de
handelshuurovereenkomst. Daaruit vloeit dan een tweede gevolg, met name het feit dat het enkel
de handelsverhuurder is die afstand kan doen van de bescherming van deze dwingende bepaling. 532
Dit betekent dus dat de handelshuurder de door hem veroorzaakte nietigheid niet zelf kan ongedaan
maken. 533 Bovendien kan de handelsverhuurder enkel afstand doen van de bescherming van artikel
14, 1e lid HHW wanneer de termijn voor de aanvraag tot huurhernieuwing reeds is aangevangen. 534
Logischerwijs betekent dit dus dat een overeenkomst van huurhernieuwing, die de termijn voor de
aanvraag tot huurhernieuwing voorafgaat, de handelshuurder niet vrij stelt van de verplichting om
binnen de in artikel 14, 1e lid HHW bepaalde termijn de huurhernieuwing aan te vragen. 535 De
handelshuurder is dus steeds verplicht om zijn aanvraag tot huurhernieuwing overeenkomstig de
modaliteiten van artikel 14, 1e lid HHW te formuleren.
188. Tot slot kan binnen het kader van de huurhernieuwing nog kort worden opgemerkt dat tegenover
het recht van de handelshuurder op de huurhernieuwing 536, het recht van de handelsverhuurder
staat om de hernieuwing te weigeren 537. Het verzoek tot huurhernieuwing kan immers worden
geweigerd door de handelsverhuurder, al dan niet om welbepaalde redenen 538 en al dan niet op
531
Rb. Kooph Antwerpen (18e Kamer) 15 december 2011, TBO 2012, 207-209.
532
Een gedane afstand van de bescherming van artikel 14 HHW kan ook op een stilzwijgende manier gebeuren.
533
Cass. 11 november 2003, RABG 2005, 599.
534
Cass. 19 juni 1992, Arr. Cass. 1991-92, 997, RW 1994-95,1302; Cass. 28 januari 2005, AR C. 030637.N.
535
Cass. 21 maart 2003, Arr.Cass. 2003, 700, JT 2005, 136, Pas. 2003, 590, RW 2005-06, 820, TBO 2003, 156,
noot S. MOSSELMANS.
536
Artikel 13 en 14 HHW.
537
Artikel 16 HHW.
538
Artikel 16 HHW.
121
straffe van het betalen van vergoeding539. 540 Dit strookt met de bedoeling van de wetgever om de
tegenover elkaar staande belangen te verzoenen. 541
3. Toepassing: de Woninghuurwet
189. Artikel 12 WHW bepaalt uitdrukkelijk dat deze wet van dwingende aard is. De verschillende
bepalingen van deze streven hoofdzakelijk een eenzijdige dwingende bescherming na van de
huurder, en slechts in mindere mate van de verhuurder. In bepaalde gevallen worden evenwel beide
partijen beschermd.
190. Een voorbeeld van een meerzijdige dwingende bepaling kan gevonden worden in artikel 7 WHW met
betrekking tot de huurprijsherziening. Zo wordt aangenomen dat deze bepaling tot doel heeft om
zowel de particuliere belangen van de huurder als die van de verhuurder te beschermen.
191. Het Hof van Cassatie heeft hieromtrent wel twijfel gezaaid door in een arrest van 21 juni 2004 542 te
bepalen dat artikel 7 § 1, 1e lid WHW van dwingend recht is louter ter bescherming van de
particuliere belangen van de huurder. Nochtans werd er in het middel tot cassatie wel gesteld dat
deze bepaling van meerzijdig dwingend recht is doordat ze zowel ten voordele van de huurder als ten
voordele van de verhuurder geldt.
Weliswaar had de wetgever, blijkens de parlementaire voorbereiding 543, bij het invoegen van een
wettelijke termijn voor de minnelijke herziening van de huurprijs duidelijk de bescherming van de
huurder op het oog. Maar dit houdt daarom niet noodzakelijk in dat deze bepaling ook uitsluitend ter
bescherming van de huurder werd uitgevaardigd. Naar mijn gevoel beschikt de rechter hier over een
beoordelingsvrijheid waarin hij, geval per geval, kan nagaan welke partij er bescherming behoeft.
192. Tot slot kan ik hier nog kort bemerken dat er een bepaalde samenhang bestaat tussen artikel 7
WHW, inzake de huurprijsherziening, en artikel 3 WHW, dat de duur van de huurovereenkomst
vastlegt op een minimumduur van negen jaar. Hierdoor wordt er immers een evenwicht bereikt
tussen enerzijds de woonzekerheid voor de huurder en anderzijds het behoorlijk rendement van de
539
Artikelen 16, IV en 25 HHW.
540
K. VANHOVE, “Nieuwste rechtspraak handelshuur (2000-2005)”, Themis, 72.
541
Parl.St. Senaat 1948-49, nr. 384, 2 en 3.
542
Cass. 21 juni 2004, RW 2006-07, 997, RABG 2005, 565, noot M. DAMBRE.
543
Parl.St. Senaat 1990-91, nr. 1190/2, 121.
122
verhuurder. Vaak wordt er bepaald dat de regeling inzake de huurprijsherziening dient ter
compensatie van het nadeel dat de verhuurder kan ondervinden door de lange duur van de
huurovereenkomst.544 Dit is evenwel niet volledig correct aangezien ook de huurder belang kan
hebben bij de huurprijsherziening. Denk hier bijvoorbeeld aan de situatie waar de huurprijs door
bepaalde omstandigheden (te) hoog is geworden.
4. Toepassing: de Pachtwet 545
193. Artikel 17 Pachtwet bevat een dwingende regeling met betrekking tot de pachtprijsherziening. Deze
regeling beoogt in de eerste plaats de pachter te beschermen. Maar deze bepaling heeft ook tot
gevolg dat er niet in het nadeel van de verpachter kan worden afgeweken. Dit dubbelzijdig dwingend
karakter is een typisch kenmerk van de regelingen op het gebied van huur die een evenwicht tussen
de belangen van de verhuurder-eigenaar en die van de huurder willen bewerkstelligen.
544
545
Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1357/1, 5 en 20.
Wet 4 november 1969 betreffende de pacht in het bijzonder, BS 25 november 1969 (hierna verkort
“Pachtwet”).
123
124
CONCLUSIE
194. De eerste stap die steeds moet worden gesteld inzake het onderzoek naar de beschermingsgedachte
van dwingende rechtsregelen is de kwalificatie van dwingend recht. Zo is het van groot belang dat
men een dwingende bepaling kan herkennen en dat men deze kan onderscheiden van regelen van
aanvullend recht en openbare orde. Vaak kan men de dwingende aard afleiden uit de bewoording
van de wet zelf, bijvoorbeeld “op straffe van nietigheid” of “er kan niet worden afgeweken” of in
sommige gevallen zelfs “de bepalingen van deze wet zijn van dwingend recht”. Maar dit zal niet altijd
het geval zijn. Een onderzoek naar de ratio legis kan in dit geval wel een nuttige richtlijn zijn inzake
de kwalificatie van dwingend recht.
195. De volgende stap die dan moet worden gemaakt, betreft het onderzoeken van de vraag welke
belangen er nu precies worden beschermd door de dwingende rechtsbepaling. Hier kunnen twee
grote onderscheiden worden gemaakt. Een eerste belangrijk onderscheid is deze tussen dwingend
recht sensu lato en dwingend recht sensu stricto. In het eerste geval worden hoofdzakelijk de
algemene belangen beschermd. In het tweede geval worden daarentegen enkel de specifieke,
particuliere belangen van partijen beschermd. Het is dan ook binnen het kader van dwingend recht
sensu stricto dat het tweede onderscheid kan worden gemaakt naargelang de dwingende bepaling de
bescherming van de particuliere belangen van één partij dan wel van beide partijen beoogt te
beschermen.
196. Om het onderscheid te kunnen maken tussen dwingend recht ter bescherming van één partij en
dwingend recht ter bescherming van beide partijen dienen er een aantal bronnen voor handen te
worden genomen.
197. Een eerste nuttige bron is de parlementaire voorbereiding. Zo kan men per dwingend wetsartikel
nagaan wat de bedoeling was van de wetgever op het moment dat hij de dwingende wetsbepaling
uitvaardigde. Maar het probleem hierbij is vaak dat de parlementaire voorbereiding wel gaat bepalen
welke belangen de dwingende wetsbepaling beoogt te beschermen maar dat dit zeer vaak niet
(goed) gemotiveerd wordt. Dus de reden waarom een bepaalde dwingende wetsbepaling de
bescherming van de belangen van één partij dan wel van beide partijen beoogt, blijft hier vrij
onzeker.
125
198. Een tweede bron die kan worden aangehaald betreft de ratio legis van de wet. Uit de
toepassingsgevallen blijkt immers dat de ratio legis vaak verschillende redenen kan aangeven
waarom een bepaalde partij bescherming behoeft. Met deze kennis in het achterhoofd kan het dan
soms makkelijker zijn om te gaan bepalen wie zich op de dwingende bescherming kan gaan
beroepen.
199. Vervolgens kan ook de tekst van de wet verduidelijking brengen. Bijvoorbeeld de bepaling waarbij
men stelt dat er niet kan worden afgeweken ten nadele van een bepaalde partij is duidelijk (enkel)
ter bescherming van laatstgenoemde. Maar de wetgever is op dit punt echter vaak onvolledig en
gebruikt hiervoor steevast verschillende formuleringen wat de onzekerheid alleen maar nog meer in
de hand werkt.
200. Tot slot kan ook de rechtspraak en de rechtsleer enkele nuttige richtlijnen voortbrengen inzake het
maken van het onderscheid tussen dwingend recht ter bescherming van één partij dan wel van beide
partijen. Maar opnieuw speelt zich het probleem dat zowel de rechtspraak, als de rechtsleer zeer
vaak niet motiveert waarom zij van mening zijn dat een bepaalde dwingende wetsbepaling de
bescherming van één partij dan wel van beide partijen dient. Vooral in hoofde van de rechtspraak is
dit gebrek aan motivering zeer jammer, omdat we hierdoor niet altijd een goed inzicht krijgen in de
beweegreden die de rechter tot een bepaalde beslissing heeft gebracht.
201. Bij nader onderzoek van enkele dwingende wetsbepalingen, aan de hand van al deze bovenstaande
bronnen, kwam ik dan ook tot de conclusie dat er geen algemeen criterium voor handen is om dit
onderscheid te gaan bepalen. Men zal dus steeds genoodzaakt zijn om geval per geval te gaan
onderzoeken of een dwingende wetsbepaling nu ter bescherming van één partij dan wel van beide
partijen is. Evenwel heb ik vastgesteld dat er toch enkele criteria bestaan die steeds terugkeren. Zo
kom ik tot het besluit dat de wetgever zeer vaak een ongelijkheidscompensatie voor ogen had inzake
de bescherming van bepaalde partijen. Hiermee bedoel ik dat de hoofddoelstelling van de wetgever
bij het uitvaardigen van dwingend recht zeer vaak was om de gelijkheid en het contractuele
evenwicht tussen contractpartijen te herstellen. Hierbij heb ik dan ook vastgesteld dat dwingend
recht in het merendeel van de gevallen beoogt de belangen van de zwakke partij te beschermen.
Dwingend recht ter bescherming van de sterkere partij of ter bescherming van beide partijen komt
dan ook minder vaak voor.
126
BIBLIOGRAFIE
1. WETGEVING
BELGISCHE WETGEVING
a) Parlementaire stukken
•
Parl.St. Kamer 1946-47, nr. 7;
•
Parl.St. Kamer 1947-48, nr. 20;
•
Parl.St. Senaat 1948-49, nr. 384;
•
Doc. Senaat, Buitengewone Zitting 1968, nr 117;
•
Doc. Senaat, Buitengewone Zitting 1968-1969, nr 265;
•
Parl.St. Senaat 1990-91, nr. 1190/2;
•
Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1357/1;
•
Kamerstukken II 1996-1997, 25426;
•
Parl.St. Kamer 2003-04, nr. 0982/001;
•
Parl.St. Kamer, 2009-10, Doc. 52, 2340/001;
b) Wetten en koninklijke besluiten
•
Burgerlijk Wetboek 21 maart 1804, BS 3 september 1807.
•
KB nr. 148 van 18 maart 1935 betreffende de woeker, BS 20 maart 1935.
•
Wet 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten met het oog op de bescherming van
het handelsfonds, BS 10 mei 1951.
•
Wet 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd
verleende concessies van alleenverkoop, BS 5 oktober 1961.
•
Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, BS 30 april
1965
•
Wet 4 november 1969 betreffende de pacht in het bijzonder, BS 25 november 1969.
•
Wet 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende
het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, BS 25 november
1969.
i
•
Wet 9 juli 1971 tot regeling van de woningbouw en de verkoop van te bouwen of in aanbouw
zijnde woningen, BS 11 september 1971.
•
Wet 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, BS 22 augustus 1978.
•
Wet 20 februari 1991 betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de
hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder, BS 22 februari 1991.
•
Wet 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden
in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de
werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, BS 29 maart 1991.
•
Wet 20 februari 1991 betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de
hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder, BS 22 februari 1991.
•
Wet 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, BS 6 augustus 1991.
•
wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de
consument, BS 29 augustus 1991.
•
Wet 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, BS 20 augustus 1992.
•
Wet 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, BS 19 augustus 1992.
•
Wet 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling, BS
1 april 1994.
•
De gecoördineerde Grondwet 17 februari 1994, BS 17 februari 1994.
•
Wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, BS 2 juni 1995.
•
Wet 1 september 2004 bepalingen met betrekking tot de verkopen aan consumenten, BS 1
januari 2005
•
Koninklijk besluit 12 januari 2007 betreffende het gebruik van bepaalde bedingen in de
bemiddelingsovereenkomsten van vastgoedmakelaars, BS 19 januari 2007.
•
Wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële
samenwerkingsovereenkomsten, BS 18 januari 2006.
•
Wet 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, BS 12 april
2010.
•
Wet 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake
overeenkomsten betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van
lange duur, doorverkoop en uitwisseling, BS 16 september 2011.
NEDERLANDSE WETGEVING
•
Parl. Gesch. Boek 3, 191-192.
ii
•
Nederlands Burgerlijk Wetboek
EUROPESE WETGEVING
a) Verordeningen
•
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke
bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en
handelszaken, PB. L. 12 van 16 januari 2001.
•
Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004
tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan
luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot
intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91, PB. L. 046 van 17 februari 2004.
•
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008
inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PB. L. 177 van 4
juli 2008.
b) Richtlijnen
•
Richtlijn (EEG) nr. 86/653 van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de
wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, PB. L. 382 van 31
december 1986.
•
Richtlijn 90/314/EEG van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van
vakantiepakketten en rondreispakketten, PB.L. 23 juni 1990.
•
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in
consumentenovereenkomsten, PB.L. 21 april 1993.
•
Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de
bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten, PB. L. 144 van 4
juni 1997.
•
De Richtlijn 1999/44/EG van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van
en de garanties voor consumptiegoederen, PB. L. 7 juli 1999.
•
Richtlijn
2005/29/EG
van
het
Europees
Parlement
en
de Raad
van
11
mei
2005
betreffende
oneerlijkehandelspraktijken
van
ondernemingen
jegens
consumenten
op
iii
de
interne
markt
en
tot
wijziging
van
Richtlijn
84/450/EEG
van
de
Raad,
Richtlijnen
97/7/EG,
98/27/EG
en
2002/65/EG, PB.L.
11
juni
2005.
•
Richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009
betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van
overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur,
doorverkoop en uitwisseling, PB. L. 033 van 03 februari 2009.
c) Andere
•
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden,
ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, BS
19 augustus 1955, err. BS 29 juni 1961
2. RECHTSPRAAK
BELGIE
a) Grondwettelijk Hof
•
GwH 14 november 2012, nr. 140/2012.
b) Hof van Cassatie
•
Cass. 9 december 1948, Arr. Cass. 1948, 615, Pas. 1948, I, 699, RCJB 1954, 251, noot DE
HARVEN, P. en RW 1976-68, 2000;
•
Cass. 5 mei 1949, Pas. 1949, I, 335;
•
Cass. 22 december 1949, Pas. 1950, I, 266;
•
Cass. 23 april 1953, RW 1953-54, 477;
•
Cass. 14 januari 1954, Pas. 1954, I, 502, RCJB 1954, 252;
•
Cass. 6 december 1956, Pas. 1957, I, 361, concl. procureur-generaal DE TERMICOURT, H., RCJB
1960, 156, noot BAETEMAN, G;
•
Cass. 31 januari 1964, RW 1964-65, 633;
•
Cass. 25 juni 1965, RW 1965-66, 622;
•
Cass. 25 september 1965, Pas. 1966, I, 117, RW 1966-67, 161;
iv
•
Cass. 26 november 1965, Pas. 1966, I, 405, RW 1966-67, 644;
•
Cass. 11 maart 1966, RW 1966-67, 252;
•
Cass. fr. 15 februari 1967, Bull. civ., I, 67;
•
Cass. 26 juni 1967, RW 1967-68, 786;
•
Cass. 15 maart 1968, Pas. 1968, I, 884; Arr. Cass. 1968, 936, RW 1967-68, 2000;
•
Cass. 16 mei 1969, Arr. Cass. 1969, 918;
•
Cass. 25 juni 1971, Arr. Cass. 1971, 1081;
•
Cass. 18 april 1975, Arr. Cass. 1975, 916;
•
Cass. 9 juni 1977, RW 1977-78, 1590, Arr. Cass. 1977, 401;
•
Cass. 9 juni 1977, Pas. 1977, I, 1033;
•
Cass. 23 december 1977, Arr. Cass. 1978, 509;
•
Cass. 21 september 1978, Arr. Cass. 1978-79, 90;
•
Cass. 10 november 1978, Pas. 1979, I, 309, RW 1979-80, 1479, noot VAN OEVELEN, A.;
•
Cass. 19 april 1979, BRH 1980, 440, noot MAUSSION, F.;
•
Cass. 28 juni 1979, RCJB 1981, noot VANDER ELST, Pas. 1979, I, 1260, conclusie AdvocaatGeneraal KRINGS, G.;
•
Cass. 28 september 1979, Pas. 1980, I, 131;
•
Cass. 23 mei 1980, RW 1980-81, 2061;
•
Cass. 7 mei 1981, Arr. Cass. 1980-81, 1028;
•
Cass. 3 december 1982, Arr. Cass. 1982-83, 469 en Pas. 1983, I, 423;
•
Cass. 20 januari 1983, Pas. 1983, I, 592, Arr. Cass. 1982-83, 672;
•
Cass. 2 mei 1983, Pas. 1983, 980;
•
Cass. 27 mei 1983, Arr. Cass. 1982-83, 1183, RW 1984-85, 686, Pas. 1983, I, 1078;
•
Cass. 7 juni 1984, Arr. Cass. 1983-84, 1323;
•
Cass. 17 maart 1986, RCJB 1988, 511;
•
Cass. 22 mei 1986, Arr.Cass. 1985-86, 1282;
•
Cass. 12 juni 1986, RW 1986-87, 1146;
•
Cass. 14 september 1987, Pas. 1988, I, 47, Arr. Cass. 1987-88, 51;
•
Cass. 6 november 1987, TBH 1988, 182;
•
Cass. 22 december 1988, JT 1989, 458;
•
Cass. 14 september 1990, Arr. Cass. 1990-91, 48;
•
Cass. 13 september 1991, Pas. 1992, I, 33 en RW 1991-92, 882, noot BROECIOC, K;
•
Cass. 19 juni 1992, Arr. Cass. 1991-92, 997, RW 1994-95,1302;
•
Cass. 5 november 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1281;
v
•
Cass. 6 november 1992, AR 9553;
•
Cass. 25 maart 1993, Arr. Cass. 1993, 328, RW 1994-95, 1293;
•
Cass. 10 maart 1994, Arr. Cass. 1994, 236, noot DENYS, T. en MEULEMANS, D., RW 1994-95, 431
en Pas. 1994, I, 237, TBH 1995, 15, noot GLANSDORFF, F., TRV 1995, 176, noot LAGA, H.;
•
Cass. 6 mei 1994, RW 1996-97, 549;
•
Cass. 17 februari 1995, Arr. Cass. 1995, 189, RW 1994-95, 1396;
•
Cass. 6 oktober 1995, RW 1996-1997, 49;
•
Cass. 27 juni 1996, Arr. Cass. 1996, 660, TBBR 1997, afl. 5, 418, noot CREYF, K., T.Huur 199798, 48, noot VANBELLE, J.;
•
Cass. 31 oktober 1997, TBH 1998, 228;
•
Cass. 22 mei 1998, Arr. Cass. 1998, 591;
•
Cass. 27 oktober 2000, TBH 2001, 457;
•
Cass. 3 mei 2002, Arr.Cass. 2002, 1187, Pas. 2002, 1061;
•
Cass. 15 november 2002, Arr.Cass. 2002, 2485, Pas. 2002, 2192, Huur 2003, 68 en RW 200506, 141.
•
Cass. 15 november 2002, AR C.00.0390.N;
•
Cass. 21 maart 2003, Arr.Cass. 2003, 700, JT 2005, 136, Pas. 2003, 590, RW 2005-06, 820,
TBO 2003, 156, noot MOSSELMANS, S.;
•
Cass. 25 april 2003, RW 2005-06, 943, TBBR 2005, 42, noot WÉRY, P.;
•
Cass. 11 november 2003, RABG 2005, 599;
•
Cass. 13 november 2003, Arr.Cass. 2003, 2087, concl. DUBRULLE, G., Pas. 2003, 1807, RW
2005-06, 1301 en RABG 2005, 599, concl. O.M., noot CORYN, F.;
•
Cass. 3 juni 2004, Arr.Cass. 2004, 982, Pas. 2004, 960, RW 2004-05, 1143, noot MERTENS, D;
•
Cass. 21 juni 2004, RW 2006-07, 997, RABG 2005, 565, noot DAMBRE, M.
•
Cass. 15 oktober 2004, C.02.0216.N;
•
Cass. 15 oktober 2004, TBH 2005, 488 en 498, noten TRAEST, M. en HOLLANDER, P;
•
Cass. 7 januari 2005, RW 2007-08, 837;
•
Cass. 28 januari 2005, Arr.Cass. 2005, 242, Pas. 2005, 236 en RW 2006-07, 1757;
•
Cass. 14 april 2005, Arr. Cass. 2005, 868, Pas. 2005, I, 862, JLMB 2005, 860;
•
Cass. 26 mei 2005, Pas. 2005, I, 1115;
•
Cass. 22 december 2005, RW 2007-08, 780;
•
Cass. 2 maart 2006, C.050092.N;
•
Cass. 6 april 2006, TBH 2007, 162;
•
Cass. 26 mei 2006, TBBR 2007, 476;
vi
•
Cass. 16 november 2006, C.02.0445.F;
•
Cass. 7 december 2006, Arr. Cass. 2006, I, 2501;
•
Cass. 29 november 2007, TBO 2008, 213-214;
•
Cass. 14 januari 2008, TBO 2008, 110, noot COPPENS, A..
•
Cass. 14 januari 2008, RABG 2008-10, 585;
•
Cass. 28 februari 2008, RW 2008-09, 751, noot MERTENS, D.;
•
Cass. 20 april 2009, Arr. Cass. 2009, 1049;
•
Cass. 24 december 2009, RW 2011-12, 606;
•
Cass. 14 januari 2010, RABG 2011, 303;
•
Cass. 26 april 2010, RABG 2011, 279.
c) Hoven en rechtbanken
•
Rb. Brussel 27 december 1905, Pas. 1906, III, 33;
•
Rb. Kortrijk 29 april 1954, RW 1954-55, 1813;
•
Brussel 11 februari 1957, Pas. 1958, II, 204;
•
Brussel, 1 juni 1959, Pas. 1960, II, 164;
•
Brussel 24 mei 1960, Rev. prat. Soc. 1961, 167;
•
Kh. Brussel 4 maart 1965, JCB 1966, 32;
•
Kh. Brussel 26 november 1966, BRH 1967, 229;
•
Luik 28 januari 1974, J.L. 1973-74, 257;
•
Kh. Brussel 8 maart 1977, TBH 1977, 409;
•
Kh. Tongeren 2 juni 1977, Limb. Rechtsleven 1977, 194;
•
Kh. Brussel 24 oktober 1977, BRH 1978, 228;
•
Gent 14 mei 1982, RW 1984-85, 1851-1855;
•
Kh. Luik 23 februari 1984, Jur. Liège 1984-85, 233;
•
Brussel 24 september 1984, RW 1987-88, 1436;
•
Gent 11 februari 1985, Distributierecht 1987-1994, 1994, 52, noot Van Bunnen, D;
•
Kh. Brussel 22 november 1985, BRH 1987, 120;
•
Kh. Neufchâteau 10 december 1985, TBH 1987, 123;
•
Kh. Brussel 17 februari 1987, Distributierecht 1987-1994, 1994, 178, noot Willemart, M.;
•
Rb. Antwerpen 12 mei 1987, T. Not. 1987, 398;
•
Kh. Brussel 7 maart 1989, TBH 1990, 687, noot Kileste, P.;
•
Kh. Brussel 10 augustus 1989, TBH 1990, 708;
vii
•
Kh. Bergen 28 september 1989, Distributierecht 1987-1994, 1994, 56, noot Van Bunnen, D.
•
Brussel 15 juni 1990, Distributierecht 1987-1992, 1994, 165, noot Willemart, M.
•
Vred. Leuven 18 december 1990, T.Vred. 1993, 35;
•
Rb. Brugge 28 februari 1991, T. Not, 1991, 181-186;
•
Kh. Brussel 17 mei 1991, TBH 1994, 444;
•
Kh. Brussel 6 september 1991, TBH 1994, 450;
•
Luik 4 februari 1992, JLMB 1993, 1082, noot Kileste, P;
•
Rb. Leuven 26 februari 1992, Pas. 1992, III, 57;
•
Kh. Brussel 15 oktober 1993, TBH 1994, 468;
•
Rb. Brugge 17 januari 1995, RW 1996-97, 1065;
•
Brussel 22 mei 1995, Pas. 1995, II, 25;
•
Brussel 9 juni 1995, A.R. 1893/93, onuitgegeven;
•
Voorz. Kh. Dendermonde 21 juni 1995, Jaarboek Handelspraktijken 1995, 212;
•
Antwerpen 13 februari 1996, TBH 1997, 373, noot Maeyaert, P. en Van Eeckhaute, J;
•
Kh. Hasselt 28 januari 1997, RW 1999-00, 262;
•
Kh. Charleroi 4 februari 1997, TBH 1998, 260;
•
Rb. Luik 2 november 1998, T.Vred. 2000, 62, noot Doppagne, S;
•
Vred. Brussel 16 december 1998, Act. jur. baux 2000, 4, noot Louveaux, B;
•
Luik 30 april 1999, TBH 2000, 192;
•
Brussel 23 september 1999, DAOR 2000, afl. 53, 55;
•
Kh. Charleroi 23 september 1999, DAOR 2000, 220;
•
Vred. Westerlo 26 mei 2000, RW 2002-03, 552;
•
Antwerpen (2e k.) 14 juni 2000, T.Not. 2002, 25;
•
Vred. Wolvertem 22 maart 2001, RW 2001-02, 1401.
•
Bergen 11 juni 2001, Cah. dr. immo 2001, afl. 5, 23, noot Barnich, L.;
•
Rb. Termonde 28 februari 2002, Jaarboek Kredietrecht 2002, 55;
•
Vred. Sint-Niklaas 25 maart 2002, RW 2003-04, 673;
•
Vred. Kortrijk 12 februari 2003, Huur 2003, 151;
•
Kh. Gent 19 september 2003, TGR 2003, 244;
•
Rb.
Brussel 12
november
2003,
JT
2004,
185;
•
Antwerpen 1 juni 2004, NjW 2005, 801;
•
Vred. Zomergem 22 april 2005, T.Not. 2006, 320;
•
Kh. Dendermonde 21 november 2005, RW 2007-2008, 158;
•
Gent 7 december 2005, NjW 2006, 854;
viii
•
Rb. Brugge 20 januari 2006, NjW 2006, 177, noot Vanhove, K.;
•
Luik 6 februari 2006, JLMB 2008, 92, noot Delforge, C;
•
Gent 8 november 2006, NjW 2007, 277;
•
Gent 21 februari 2007, DCCR 2007, afl. 76, 277, noot Terryn, E.;
•
Gent 19 november 2007, RW 2009-10, 635;
•
Rb. Brussel (16e k.) 28 februari 2008, Res Jur.Imm. 2008, afl. 3, 220;
•
Bergen 13 maart 2008, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2008, 411;
•
Rb. Hasselt 16 maart 2009, TBO 2009, 194;
•
Gent 24 juni 2009, NjW 2010, 367;
•
Arbh. Antwerpen 14 december 2009, RW 2009-10, 1058;
•
Kh. Namen 10 maart 2010, DCCR 2011, 146, noot Steennot, R.;
•
Vred. Westerlo 4 oktober 2010, RABG 2012, 259;
•
Gent 20 oktober 2010, DCCR 2011, 198-216 en noot Cambie, P.
•
Brussel 8 februari 2011, RABG 2012, 218;
•
Kh. Antwerpen (18e Kamer) 15 december 2011, TBO 2012, 207-209:
•
Gent 4 januari 2012, NJW 2012, noot Steennot, R.;
•
Arbh. Brussel (4e k.) 4 december 2012, JTT 2013, afl. 1155, 179.
NEDERLAND
•
Rb. Almelo 14 september 2005, LJN AU3061;
•
Rb. Amsterdam 18 september 2009, LJN BK5961;
•
Hoge Raad 9 december 2011, LJN BR2045
HOF VAN JUSTITIE
•
HvJ C‐45/96, Bayerische
Hypotheken‐
und
Wechslebank
AG, 17
maart
1998, Jurispr. 1998,
I-01199;
•
HvJ C-215/97, Bellone t. Yokohama SpA,, 30 april 1998, Jurispr. I-2191;
•
HvJ C-381/98, Ingmar GB Ltd t. Eaton Leonard Technologies Inc., 9 november 2000, Jurispr. I9334;
•
HvJ C-240/98 tot C-244/98, Océano Grupo, 27 juni 2000, Jurispr. 2000, I-4963;
ix
•
HvJ C-473/00, Cofidis SA t. Jean-Louis Fredout, Jurispr., 21 november 2002, Jurispr. 2002, I10875;
•
HvJ C‑237/02, Freiburger Kommunalbauten, 1 april 2004, Jurispr. 2004, I-03403;
•
HvJ C-464/01, Johann Gruber t. Bay Wa AG, 20 januari 2005, jurispr. 2005, I-00439.
•
HvJ C-168/05, Elisa María Mostaza Claro t. Centro Móvil Milenium SL, 11 oktober 2007,
Jurispr. 2006, I-10421;
•
HvJ C‐261/07 en C‐299/07, VTB‐VAB
t.
Total
Belgium
en Galatea
BVBA
t.
Sanoma
Magazines
Belgium NV, 23
april
2009; beschikbaar op www. curia.europe.eu;
•
HvJ C-243/08, Pannon GSM Zrt. t. Erzsébet Sustikné Győrfi, 15 juli 2010, Jurispr. 2009, I-4713;
•
HvJ C-585/08 en C-144/09, Peter Pammer t. Reederei en Karl Schlüter GmbH & Co KG en
Hotel Alpenhof GesmbH t. oliver Heller, 7 december 2010, Jurispr. 2010, I-12527;
•
HvJ C‑83/10, Rodríguez t. Air France SA, 13 oktober 2011, beschikbaar op www.
curia.europe.eu;
•
HvJ C-472/10, Nemzeti Fogyasztóvédelmi Hatóság t. Invitel Távközlési Zrt, 26 april 2012,
beschikbaar op www. curia.europe.eu;
•
HvJ C-22/11, Finnair Oyj t. Timy Lassooy, 4 oktober 2012, beschikbaar op www.
curia.europe.eu.
3. RECHTSLEER
•
ALT, H.J.W., Ongelijkheidscompensatie bij stelplicht en bewijslast in het civiele arbeidsrecht en
ambtenarenrecht, Deventer, Kluwer, 2009, 477 p.
•
ASSER, C., mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht.
Algemeen Deel, Zwolle: Tjeenk Willink, Kluwer, 1934, 264 p.
•
ASSSER, C., Mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht.
Algemeen Deel, Zwolle, W.E.J. Tjeenk Willink, 1974, 531 p.
•
ASSER, C., mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht,
Deel
7-V.
Bijzondere
overeenkomsten,
Arbeidsovereenkomst,
collectieve
arbeidsovereenkomst en ondernemingsovereenkomst, Deventer, Kluwer, 2008, 410 p.
•
ASSER, C., mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht,
Verbintenissenrecht, Algemene leer der overeenkomsten, Deventer, Kluwer, 2005, 621 p.
•
BALDI, R., Le droit de la distribution commerciale dans l’Europe communautaire, Brussel, 1988,
292 p.
x
•
BALLON, G.L., GEENS, K., STUYCK, J. en TERRYN, E., Inleiding tot het economisch recht, 2009,
Mechelen, Kluwer, 602 p.
•
BEALE, H. en LANDO, O. (eds.), Principles of European contract law, Parts I & II, Den Haag,
Kluwer Law International, 2000, 561 p.
•
BEEKHUIS, J.H., Contract en contractsvrijheid, Groningen, 1953, 19 p.
•
BILLIET, J., Overeenkomstenrecht, Antwerpen, Gandaius-Kluwer, 2000, 557 p.
•
BOON, P.J., REIJNTJES, J.M. en RINKES, J.G.J. (red.), Van Apeldoorn's inleiding tot de studie van
het Nederlandse recht, 21e druk, Deventer, Kluwer, 2003, 427 p.
•
BLANPAIN, R., Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, Antwerpen, Kluwer, 1978, 426 p.
•
BRAHN, O.K. en REEHUIS, W.H.M., Zwaartepunten van het vermogensrecht, Kluwer, 2010, 474
p.
•
BRUYLANT, R., Actualités de quelques contrats spéciaux, Brussel, 2005, 120 p.
•
BUNGENER, A.F., Het wijzigen van de arbeidsovereenkomst in vermogensrechtelijk perspectief,
Amsterdam, Kluwer, 2008, 417 p.
•
CAMBIE, P., Onrechtmatige bedingen, Brussel, Larcier, 2009, 478 p.
•
CARBONNIER, J., Droit civil, I, Parijs, Presses universitaires de France, 2002, 391 p.
•
CAUFFMAN, C., De verbindende eenzijdige belofte, Antwerpen, Intersentia, 2005, 952 p.
•
CHALVIGNAC, F, La rédaction d’un acte juridique: le bail commercial, Paris, L.G.D.J. 1999, 364 p.
•
CLAEYS, I., “Ontbinding en nietigheid van overeenkomsten: rechterlijke tussenkomst altijd
vereist?” in X., Contractenrecht in beweging, Mechelen, 2004, 181-195.
•
COLIN, A., CAPITANT, H. en JULLIOT DE LA MORANDIÈRE, L., Traité de droit civil, I, Paris, 1957, 1072
p.
•
CORNELIS, L., “Rechterlijke toetsing van onrechtmatige bedingen” in X., Liber amicorum P. De
Vroede, 1994, Diegem, Kluwer, 1994, 311-332.
•
CORNELIS, L., Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersientia, 2000, 997 p.
•
DAMBRE, M., Contractvrijheid en rechtsdwang bij de bepaling van de kostprijs van de huur van
onroerende goederen. Een analyse van de financiële verbintenissen van de huurder met
voorstellen tot legislatieve verbetering en rechtsvergelijkende aantekeningen, Proefschrift tot
het verkrijgen van de graad van doctor in de Rechten UGent, 2007-08, 534 p.
•
DAMBRE, M. en LOGGHE, F., “Huurrecht: actuele ontwikkelingen inzake algemeen huurrecht,
woninghuur, handelshuur en pacht” in X., Instituut Notarieel recht, Rechtskroniek voor het
Notariaat, deel 2, Brugge, die Keure, 2003, 141-221.
•
DAMBRE, M., De huurprijs, Brugge, Die Keure, 2009, 598 p.
xi
•
DE BOECK, A., “Doorwerking van het gelijkheidsbeginsel in het contractenrecht. De
contractvrijheid in het nauw gedreven?” in X., Vrijheid en Gelijkheid. De horizontale werking
van het gelijkheidsbeginsel en de nieuwe antidiscriminatiewet, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu,
2003, 414-444.
•
DE BRUYNE, J., Openbare schennis van de goede zeden, Brussel, Bruylant, 1964, 147 p.
•
DE CONINCK, B., “Le droit commun de la rupture des negociations precontractuelles” in
FONTAINE, M. (ed.), Le processus de formation du contrat, Brussel, Bruylant, 2002, 920 p.
•
DE CORTE, R. en DE GROOTE, B., Handboek civiel recht, Brussel, Larcier, 2008, 750 p.
•
DEKKERS, R., Handboek Burgerlijk Recht, II, Brussel, Bruylandt, 2e ed., 1971, 1119 p.
•
DE PAGE, H., Traité élémentaire de droit civil Belge. Principes – doctrine – jurisprudence, t. I,
Brussel, Bruylant, 1947, 607 p.
•
DE PAGE, H., Traité élémentaire de droit civil belge, t. I, Brussel, Bruylant, 1962, 3e ed., 1367 p.
•
DE PAGE, H., Traité élémentaire de droit civil belge, t. II, Brussel, Bruylant, 1964, 3e ed., 1196 p.
•
DE PAGE, H., Traité élémentaire de droit civil Belge. Principes-doctrine-jurisprudence, Brussel,
Bruylant, 1967, 1185 p.
•
DELFORGE, C. en NINANE, Y., “La durée dus bail commercial”, in X, Le bail commercial,
Collection, droit du bail, Brugge, La Charte, 2008, 51-122.
•
DIEUX, X., “Le contrat: instrument et objet de dirigisme” in X., Les obligations contractuelles,
1984, 374 p.
•
DIRIX, E., VANHEES, H. en MONTANGIE, Y., Handels- en economisch recht in hoofdlijnen,
Antwerpen, Intersentia, 2005, 477 p.
•
DOMMERING, E.J., Algemene belangen in het burgerlijk recht. Volume 7 van Monografieën
Nieuw Burgerlijk Wetboek. A-serie, Deventer, Kluwer, 1982, 88 p.
•
DREXL, J., Die wirtschaftliche Selbstbestimmung des Verbrauchers, Tubingen, 1998, 677 p.
•
DUJARDIN, J., GOEDERTIER, G., VANDE LANOTTE, J. en VANDEN HEEDE, P., Basisbegrippen
publiekrecht, Brugge, Die Keure, 2004, 386 p.
•
DUPONT, M., “Nullité absolue et nullité relative”, in WÉRY, P. (ed.), La nullité des contrats,
Commission Université-Palais (CUP), 2006, 33-82.
•
EECKHOUTTE, W., Handboek Belgisch arbeidsrecht, Mechelen, Kluwer, 2006, 591 p.
•
EVERS, M.F.A., Huurrecht bedrijfsruimte, Deventer, Kluwer, 2003, 272 p.
•
EYSKENS,
M.
en
DE
GRAEVE,
M.,
“Een
beknopt
overzicht
van
de
soorten
handelstussenpersonen” in X (eds.), Handels en verzekeringsrecht. Themis, Die Keure,
Brugge, 2002, 55-76.
xii
•
FEENSTRA, R. en AHSMANN, M., Contract. Aspecten van de begrippen contract en
contractsvrijheid in historisch perspectief, Deventer, Kluwer, 2e herziene druk, 1988, 94 p.
•
GHESTIN, J., Traité de droit civil. La formation du contrat, Paris, L.G.D.J., 1993, 3e ed., 976 p.
•
GHESTIN, J., “Réflexions sur la liberté contractuelle et l’ordre public”, in X (ed.), Liber
amicorum Lucien Simont, 2002, 405-416.
•
GHESTIN, J. en FONTAINE, M., La protection de la partie faible dans les rapports contractuels,
1996, 676 p.
•
GHYSELS, G. en ROODHOOFT, J., Praktisch handels- en economisch recht, Antwerpen, De Boeck,
2005, 221 p.
•
GRÉGOIRE, M., “L’ordre public dans la jurisprudence de la Cour de Cassation” in X., L’ordre
public. Concept et applications, Brussel, Bruylant, 1995, 63-80.
•
HARTKAMP, A., Compendium van het vermogensrecht voor de rechtspraktijk, Deventer, Kluwer,
2005, 493 p.
•
HARTLIEF, T., De vrijheid beschermd, enkele opmerkingen over contractvrijheid en bescherming
van de zwakkere partij in het contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1999, 90 p.
•
HARTLIEF, T. en STOLKER, C.J.J.M., Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 566 p.
•
HIJMA, J., VAN DAM, C.C., VAN SCHENDEL, W.A.M. en VALK, W.L., Rechtshandeling en
overeenkomst, Deventer, Kluwer, 2007, 375 p.
•
HONDIUS, E.H., “Dwingend recht” in HONDIUS, E.H. en VAN DAM, C.C., Het nieuw BW in 400
trefwoorden: gids bij het hanteren van de boeken 3 tot en met 7 Nieuw Burgerlijk Wetboek,
2e druk, Deventer, Kluwer, 1990, 430 p.
•
IONESCU, O., La notion de droit subjectif dans le droit privé, Brussel, Bruylandt, 1978, 256 p.
•
JACQUEMIN, H., Le formalisme contractuel. Mécanisme de protection de la partie faible,
Brussel, Larcier, 2010, 583 p.
•
JACQUEMIN, H., “La nullité comme sanction de l’inobservation du formalisme contractuel” in X,
La nullité des contracts, Brussel, Larcier, 2006, 83-162.
•
JADOUL, P. en VLIES, M., 50 ans d’application de la loi sur les baux commerciaux – 50 jaar
toepassing van de Handelshuurwet, Brugge, die Keure, 2002, 268 p.
•
KERPESTEIN, G.M., Huurrecht bedrijfsruimte, Den Haag, Sdu Uitgevers, 2007, 836 p.
•
KRUITHOF, R., VAN DAMME, J.A. en VAN OEVELEN, A., Verbintenissenrecht, Volume I, Antwerpen,
Universitas, 2001, 710 p.
•
LA HAYE, M. en VANKERCKHOVE, J., Le louage de choses. II. Les baux commerciaux, in X., Les
Novelles. Droit civil. VI, Brussel, Larcier, 1984, 838 p.
xiii
•
LOCRE, M., Législation civile, commerciale et criminelle ou commentaire et complément des
codes français, T. I, Brussel, Tarlier, 1836, 335 p.
•
LOTH, M.A., Dwingend en aanvullend recht, Deventer, Kluwer, 2009, 80 p.
•
LOUVEAUX, B., Le droit du bail commercial, Brussel, De Boeck Université, 2002, 758 p.
•
MARCHAND, K., “Toestemming. De overeenkomst: geldigheidsvoorwaarden”, in X., Bestendig
Handboek Verbintenissenrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, 63 p.
•
MEIJERS, E.M., Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek, Toelichting Boek 7, 1972, 451 p.
•
MERCHIERS, Y., Consumentenrecht, Brugge, Die Keuren, 1998, 364 p.
•
MEULEMANS, D., Een pand bouwen en verbouwen, Leuven, Acco, 2005, 788 p.
•
NIEUWENHUIS, J., Drie beginselen van contractenrecht, Deventer, Kluwer, 1979, 164 p.
•
PAUWELS, A., Handelshuur, Brussel, Larcier, 1971, 263 p.
•
PERELMAN, C. en INGBER, I., L’égalité, Brussel, Bruylandt, 1982, 628 p.
•
PITLO, A., Het systeem van het Nederlandse privaatrecht, 11e druk, Arnhem, Gouda Quint,
1995, 479 p.
•
PUTTEMANS, A., “L’ordre public et la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce, sur
l’information et la protection du consommateur”, in X. (ed.), L’ordre public: concept et
applications, Brussel, Bruylant, 1995, 137-190.
•
RENARD, C., VIEUJEAN, E. en HANNEQUART, Y., Novelles, Droit civil, t. IV, Théorie générale des
obligations, Brussel, Larcier, 1957, 806 p.
•
RIMANQUE, K., De toepasselijkheid van grondrechten in private verhoudingen, Antwerpen,
Kluwer, 1982, 461 p.
•
RIPERT, G. en ROBLOT, R., Traité de droit commercial, t. 1, Paris, L.G.D.J., 1998, 17e éd., 1598 p.
•
RIPERT, G., La règle morale dans les obligations civiles, Parijs, Librairie générale de droit et de
jurisprudence, 1927, 435 p.
•
ROMAIN, J.F., “L’ordre public (notion générale) et les droits de l’homme” in X. (ed.), L’ordre
public: concept et applications, Bruylandt, Brussel, 1995, 5-61.
•
SAMOY, I. (ed.), Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Antwerpen,
Intersientia, 2010, 269 p.
•
SMITS, J. en STIJNS, S. (eds.), Totstandkoming van de overeenkomst naar Belgisch en
Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2002, 291 p.
•
SNIJDERS, H.J., “Maten van dwingend recht”, in HARTLIEF, T. en STOLKER, C.J.J.M.,
Contractvrijheid, Deventer, Kluwer, 1999, 566 p.
•
STEENNOT, R., Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, Antwerpen,
Intersientia, 2007, 628 p.
xiv
•
STEENNOT, R., BOGAERT, F., BRULOOT, D. en GOENS, D., Wet Marktpraktijken, Antwerpen,
Intersientia, 2010, 226 p.
•
STEYAERT, J., Arbeidsovereenkomst, Brussel, Story-Scientia, Brussel, Story-Scientia, 1990, 822
p.
•
STIJNS, S., “La dissolution du contrat par un acte unilatéral en cas de faute dans l’exécution ou
de vice de formation”, in X. (ed.), La volonté unilatérale dans le contrat, Brussel, Editions du
jeune Barreau, 2008, 325-426.
•
STIJNS, S., Leerboek Verbintenissenrecht. Boek 1, Brugge, Die Keure, 2005, 323 p.
•
STIJNS, S., Verbintenissenrecht. Themis. School voor postacademische juridische vorming,
Brugge, die Keure, 2012, 164 p.
•
STIJNS, S., SAMOY, I. en DE BOECK, A., Verbintenissenrecht. Themis, Brugge, die Keure, 2009-10,
130 p.
•
STIJNS, S., “Zijn onrechtmatige bedingen nietig?”, in X., Liber Amicorum Yvette Merchiers,
Brugge, Die Keure, 2001, 921-946.
•
STUYCK, J., Handels- en economisch recht deel I - ondernemingsrecht volume B, Brussel, StoryScientia, 1989, 822 p.
•
SWAENEPOEL, E., Toetsing van het contractueel evenwicht, Antwerpen, Intersientia, 2011, 821
p.
•
TILLEMAN, B., Inleiding tot de rechtswetenschap, Leuven, Acco, 2005, 227 p.
•
TILLEMAN, B., VANHOVE, K. en VERBEKE, A., Knelpunten Handelshuur, Antwerpen, 2007, 136 p.
•
VANDEPUTTE, R., De overeenkomst, Brussel, Larcier, 1977, 426 p.
•
VAN GERVEN, W. en COVEMAEKER, S., Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 719 p.
•
VAN GERVEN, W., Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen Deel, Antwerpen-Utrecht,
1973, 519 p.
•
VAN GERVEN, W., Beginselen van Belgisch privaatrecht. Algemeen deel, Brussel, Kluwer, 1987,
519 p.
•
VAN HOECKE, M., Algemene rechtsbeginselen, Antwerpen, Kluwer, 1991, 403 p.
•
VANHOVE, K., “Actualia handelshuur” in X, CBR-Jaarboek 2006-07, Antwerpen-Oxford,
Intersientia, 2007, 49-111.
•
VANHOVE, K., “Nieuwste rechtspraak handelshuur (2000-2005)” in X, Bijzondere
overeenkomsten. Themis, Brugge, Die Keure, 2005, 59-83.
•
VAN LEUVEN, N., Contracten en mensenrechten. Een mensenrechtelijke lezing van het
contractenrecht, Antwerpen, Intersientia, 2009, 581 p.
xv
•
VAN OEVELEN, A. en CAUFFMAN, C., “Contractsvrijheid, contractweigering en antidiscriminatie”
in X., Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer, 2008, 678 p.
•
VAN OMMESLAGHE, P., “L’autonomie de la volonté: du Code civil à nos jours” in FELTKAMP, R. en
VANBOSSELE, F. (eds.), Wilsautonomie, contractvrijheid en ondernemingscontracten. Welke
toekomst beschoren?, Antwerpen, Intersentia, 2011, 457 p.
•
VAN OMMESLAGHE, P., Droit des obligations. Syllabus, Brussel, Presses universitaires de
Bruxelles, 1996, X.
•
VAN OMMESLAGHE, P., Droit des obligations, T. I, Brussel, Bruylant, 2010, 2665 p.
•
VAN ORSHOVEN, A., “Algemene rechtsbeginselen in alle rechtstakken. Over de grondwettelijke
waarde van de publiek- en privaatrechtelijke beignselen”, in VRG ALUMNI, Recht in
beweging, 9de VRG-Alumnidag, Antwerpen, Maklu, 2002, 31-57.
•
VAN
ZEBEN, C.J. en DU PON, J.W., Parlementaire geschiedenis van het Nieuw Burgerlijk
Wetboek, Boek 6, 1981, 864 p.
•
VERBEKE, A. en VANHOVE, A., De wet Breyne sans gêne, Brussel, Larcier, 2003, 131 p.
•
WEIL, A., Droit civil: les obligations, Paris, Dalloz, 1971, 1058 p.
•
WÉRY, P., Droit des obligations, Brussel, Larcier, 2010, 927 p.
•
WÉRY, P., “L’essor du droit impératif et ses rapports avec l’ordre public en matière
contractuelle” in SAMOY, I., Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht,
Antwerpen, Intersentia, 2010, 121-142.
•
WÉRY, P., “Vue d’ensemble sur les causes d’extinction des contrats” in X, La fin du contrat,
CUP, 2001, 5-42.
•
WESSELS, B., JONGENEEL, R.H.C. en HENDRIKSE, M.L., Algemene voorwaarden, Deventer, Kluwer,
2006, 717 p.
•
WIJFFELS, A., Le Code civil entre ius commune et droit privé européen, Brussel, Bruylant, 2005,
666 p.
•
WILLEMART, M. en DESTRYCKER, A., De concessieovereenkomst in België, Antwerpen, Kluwer,
1996, 220 p.
•
WILLEMART, M. en WILLEMART, S., “Les concessions de vente” in X., Traité pratique du droit
commercial, tome 2, E., Story-Scientia, 1992, 594 p.
xvi
Tijdschriften
•
BAETEMAN, G., “Les effets des dispositions légales impératives protégeant des intérêst privés,
RCJB 1960, 155-170.
•
BENOIT-MAURY, A. en MATRAY, D., “Les concessions exclusives de vente. Préavis et indemnités
de rupture”, Ann. Fac. Dr. Liège 1980, 127-182.
•
BOCKEN, H., DE LY, F., DE TEMMERMAN, B. en KRUITHOF, R., "Overzicht van rechtspraak (19811992). Verbintenissen", TPR 1994, 171-721.
•
CAUFFMAN, C., “Discriminatie bij bijzondere overeenkomsten”, RW 2006-07, 287-309.
•
COLLE, P., “De franchiseovereenkomst. Kroniek handels- en distributieovereenkomsten”, RW
2007-08, 170-190.
•
CORYN, F., “Het formalisme van artikel 14 eerste lid Handelshuurwet”, RABG 2005, 606-608.
•
DABIN, J., “Autonomie de la volonté et lois impératives, ordre public et bonnes moeurs,
sanction de la dérogation aux lois en droit privé interne”, Annales de Droit et de Sciences
Politiques 1939-40, T. VIII, 190-247.
•
DAELE, K., “De contractuele bepaling van een minimum opzeggingstermijn in een
overeenkomst inzake alleenverkoop”, TBH 2001, 458-461.
•
DE BOECK, A., “Contractweigering en het verbod van rechtsmisbruik; de contractvrijheid onder
druk”, TBBR 2012, 491-495.
•
DE CALUWE, A. en DELCORDE, A., “la loi du 9 juillet 1971 réglementant les contrats relatifs a
certaines constructions immobilières”, JT 1972, 181-186.
•
DE CONINCK, J., “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde
herbekeken”, TBBR 2004, 301-323.
•
DE HARVEN, P., “Contribution à l’etude de la notion d’ordre public”, RCJB 1954, 259-266.
•
DE LY, F., “Het gelijkheidsbeginsel in het contractenrecht”, RW 1991-92, 1141-1160.
•
DIRIX, E. en VAN OEVELEN, A., "Kroniek van het verbintenissenrecht (1985-1992)", RW 1992-93,
1209-1237.
•
DIEUX, X., “Noot onder Luik 20 oktober 1989”, TBH 1990, 528-533.
•
FRERIKS, D., “Onderzoeks- en mededelingsverplichting in het contractenrecht”, TPR 1992,
1187-1253.
•
HOUWELING, A.R. en LANGEDIJK, L.J.M., “Dwingend recht in het arbeidsovereenkomstenrecht:
van confectie naar couture”, Arbeidsrechtelijke Annotaties 2011, 9-32.
•
JACQUEMIN, H., “Le formalisme de protection de la partie faible au rapport contractuel”,
Annales Droit Louvain 2010, 3-42.
xvii
•
KEMP, P.C.M., “De gevolgen van een overeenkomst met een door de wet verboden inhoud of
strekking”, Overeenkomst in de rechtspraktijk 2012, 24-29.
•
KILESTE, P. en HOLLANDER, P., “Examen de jurisprudence. La loi du 27.07.1961 relative à la
résiliation unilatérale des concessions de vente exclusives à durée indéterminée (19871992)”, TBH 1993, 187-243.
•
KRUITHOF, R., “Leven en dood van het contract”, RW 1985-86, 2732-2768.
•
KRUITHOF, R., MOONS, H. en PAULUS, C., "Overzicht van rechtspraak (1965-1973)", TPR 1975,
439-542.
•
KRUITHOF, R., "Overzicht van rechtspraak (1974-1980). Verbintenissen", TPR 1983, 508, 715784.
•
MAES, S., “Wet Breyne. Knelpunten bij de toepassing”, NJW 2008, 50-73.
•
MEEÙS, A., “La notion de loi impérative et son incidence sur la procédure en cassation et sur
l’office du juge”, RCJB 1988, 498-527.
•
MERTENS, D., “De alleenverkoopwet: geen Belgisch recht", RW 2006-07, 447-550.
•
MOSSELMANS, S., “De bevoegdheid van de vrederechter inzake handelshuur beperkt tot de
huurrelatie”, TBBR 2005, 630-633.
•
MOSSELMANS, S., “Het dwingend karakter van artikel 14, eerste lid van de Handelshuurwet”,
TBO 2003, 159-169.
•
RENARD, C. en VIEUJEAN, E., “Nullité, inexistence et annulabilité en droit civil belge”, Ann. Fac.
Dr. Liège 1962, 243-294.
•
ROMAIN, J.F., “La liberté de commerce et le refus de contracter”, TBBR 1994, 440-462.
•
SIMONT, R.L., "Observations sur l'évolution du droit des contrats", JT 1982, 285-291.
•
SNIJDERS, W., “Titel 3.2 BW en de nulliteiten in het arbeidsrecht”, Sociaal recht 2002, 137-147.
•
STEENNOT, R., “De impact van het privaat financieel recht op de wilsautonomie, de
contractvrijheid en het consensualisme”, Financial Law Institute: Working Paper Series 2010,
41 p.
•
STEENNOT, R., “Overzicht van rechtspraak. Consumentenbescherming (1998-2002)”, TPR 2004,
1721-2056.
•
TISON, M., "L'égalité de traitement dans Ia vie des affaires sousIeregard du droit beige", JT
2002, 697-710.
•
UNGER, R., “The critical legal studies movement”, Harvard Law Review 1982-83, 616-633.
•
VAN BIJNEN, R.H.J., “Aanvullend contractenrecht: naar rechtsregels die de belangen van
partijen optimaal verwezenlijken”, Nederlands Juristenblad 2004, nr. 40, 2080-2088.
xviii
•
VANDEPITTE, P. en DE SCHOUTHEETE, A., “De wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige
beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop is een
autolimitatieve wet”, TBH 2007, 164-168.
•
VANHOVE, K., “De herziening van de handelshuurprijs”, TBO 2009, 62-71.
•
VANHOVE, K., “Kroniek van het handelshuurrecht (2000-2005)”, RW 2005-06, 1561-1582.
•
VAN OEVELEN, A., “Enkele actuele knelpunten in het verbintenissenrecht. Rechtsverwerking en
nietigheid”, RW 2011-12, volume 75, 55-61.
•
VAN OEVELEN, A., “Kroniek van het verbintenissenrecht (1993-2004)”, RW 2004-05, 16411669.
•
VAN OMMESLAGHE, P., “Les grandes tendances de l’évolution du droit des obligations
conventionelles lors des trente-cinq dernière années”, TPR 2001, 357-372.
•
VEROUGSTRAETE, I., “Wil en vertrouwen bij het totstandkomen van overeenkomsten”, TPR
1990, 1162-1202.
•
WÉRY, P., “Brèves réflexions à propos de la sanction des clauses contractuelles illicites", TBBR
2005, 47-48.
•
WÉRY, P., “Les clauses abusives relatives à l’inexécution des obligations contractuelles dans
les lois de protection des consommateurs du 14 juillet 1991 et du 2 août 2002”, JT 2003, 797809.
•
WÉRY, P., “Le mobile illicite unilatéral, cause de nullité des actes juridiques”, RCJB 2003, 78115.
•
WYMEERSCH, E., “Intertemporaal recht in verband met de wet van 12 juni 1991 op het
consumentenkrediet”, RW 1992-93, 1001-1019.
xix
Download