Untitled - Volkenkunde

advertisement
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofielen Museum Volkenkunde, Leiden
Inhoudsopgave
Inleiding
2
Korte geschiedenis van het museum
4
Insulair Zuidoost-Azië
7
Zuid- en Zuidoost-Azië
19
Zuidwest- en Centraal-Azië
27
Afrika
33
Midden- en Zuid-Amerika
42
Indiaans Noord-Amerika
54
Circumpolaire gebieden
61
China
68
Korea
75
Japan
78
Fotocollecties
82
1
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Vooraf
Museum Volkenkunde beheert al bijna 200 jaar collecties die eigendom zijn van de Staat der
Nederlanden. In al die tijd was verwerving van nieuwe collecties het enige beschikbare middel om de
kwaliteit van die collecties te vergroten. Afstoting van stukken van twijfelachtige of mindere kwaliteit
was niet aan de orde; de museale praktijk en ethiek in Nederland liet daarvoor geen ruimte: “eens
collectie, altijd collectie”, dat was het universele motto, zeker voor de openbare collecties van het Rijk
en andere overheden.
Sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw komt daarin verandering. Met de komst van het
Deltaplan Cultuurbehoud van Minister Hedy d’Ancona is de roep steeds luider geworden – vooral uit
de Tweede Kamer - om kritisch te bezien of inderdaad wel alles voor de eeuwigheid moet worden
bewaard. En dat was ingegeven door het besef dat bewaren veel geld kost en geld altijd schaars is.
Tegen die achtergrond maakte Museum Volkenkunde al in 1996 met het Ministerie van OC&W de
afspraak om 1000 voorwerpen te gaan afstoten. Dat is nog steeds niet gebeurd, en wel op goede
gronden. Nog geen enkel rijksmuseum heeft tot op heden collectieonderdelen afgestoten; niet omdat
men niet wil of het niet nodig vindt, maar vooral omdat er tussen de eigenaar van de collecties – het
Rijk – en de beheerders van de collectie – de rijksmusea – nog geen procedurele kaders waren
overeengekomen hoe dit kon worden aangepakt.
Daarin is nu verandering gekomen. Op 30 november 2006 presenteerde het Instituut Collectie
Nederland (ICN) de herziene “Leidraad Afstoting Museale Objecten” (LAMO), en prompt daarop liet
het Ministerie van OC&W ons weten op welke manier museumdirecteuren de Minister van OC&W om
machtiging kunnen verzoeken om voorwerpen uit de rijkscollectie af te stoten. De cruciale eis daarbij
is dat aan de in de LAMO beschreven zorgvuldigheidseisen wordt voldaan; de gedachte dat de
Minister zelf eerst de collectieprofielen voor de rijkscollecties zou moeten vaststellen is verlaten.
Daarmee kan Museum Volkenkunde nu eindelijk een volgende stap zetten: het door de directeur
formeel vaststellen van de collectieprofielen voor de diverse deelcollecties en het inrichten van een
afstotingsproject conform de LAMO.
Voor de Japan collectie is dat inmiddels al gebeurd. Het profiel voor de Japan collectie lag al sinds
2001 op ministeriële goedkeuring te wachten, en is al op 20 april 2007 vastgesteld; het
afstotingsproces is in volle gang. Voor de andere collecties – met uitzondering van Oceanië; dat volgt
later – zijn de collectieprofielen nu ook gereed, en zij worden hier gebundeld aangeboden.
De collectieprofielen zijn technisch en historisch van aard: zij geven op hoofdlijnen aan hoe de
collecties tot stand zijn gekomen, en hoe deze nationaal en internationaal kunnen worden vergeleken.
Ook is aangegeven welke onderdelen kunnen worden afgestoten. Dat zal in de komende jaren
gebeuren, nadat de afstotingen uit de Japancollectie zijn afgerond. De collectieprofielen zijn niet
strategisch van aard: plannen en opties voor verder verzamelen zijn daarin niet opgenomen. Dat
behouden we voor aan de verzamel- en onderzoeksplannen die een kortere looptijd en geldigheid
hebben dan deze collectieprofielen; zij zullen voor elke beleidsperiode opnieuw worden vastgesteld.
Steven Engelsman,
Directeur.
1 oktober 2008.
2
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Inleiding
Verzamelen is van alle tijden. In de Europese wereld heeft de verzamelwoede in de loop van de tijd
onder meer geleid tot het ontstaan van musea die meestal energiek zijn door gegaan met verzamelen.
In de volkenkundige musea werden vooral in de koloniale tijd, met als hoogtepunt het einde van de
negentiende eeuw, veel voorwerpen aan de collecties toegevoegd. Doordat vrijwel nooit werd
afgestoten breidden de verzamelingen zich telkens uit. Een kritische analyse van wat verzameld werd
en wat mogelijk niet de moeite van het bewaren waard was, ontbrak meestal.
Pas recent, mede door het ontstaan van een kritischer houding ten aanzien van het eigen verleden,
komen volkenkundige musea tot het samenstellen van collectieprofielen waarin de collecties
beschreven worden en kritisch tegen het licht gehouden. Dit kan niet meer zijn dan een tijdsgebonden
visie en is natuurlijk ook afhankelijk van de visie van de conservator die het profiel geschreven heeft.
Enige flexibiliteit in het hanteren van de collectieprofielen is dan ook op zijn plaats.
Toch meent Museum Volkenkunde met de hier gepresenteerde collectieprofielen een belangrijke stap
te hebben gezet naar gericht verzamel- en afstotingsbeleid, onderzoeksbeleid en naar het op een
productieve manier becommentariëren van het verleden; dit alles om richting te geven aan een
veelheid van toekomstplannen.
Het spreekt voor zich dat Volkenkunde zich hierbij houdt aan internationale afspraken (ICOM
gedragscode, Unesco-Conventie en UNIDROIT-Conventie) ook al zijn deze (nog) niet door de
Nederlandse regering geratificeerd.
Bij een aantal collectieprofielen is gebruik gemaakt van de landelijke categorie indeling A, B, C en D
die een indicatie geeft van de kwaliteit van de collecties of van collectieonderdelen. Vooral bij de
grotere collecties bleek het (nog) niet mogelijk deze categorie-indeling in de collectiebeschrijvingen
mee te nemen. Daar waar dat wel is gebeurd, werden de landelijk geldende definities van deze
categorieën gehanteerd.
A.
Bij objecten of deelcollecties die behoren tot categorie A gaat het om voorwerpen die binnen de
doelstelling van het museum en het geheel van het Nederlandse museale en verspreide cultuurbezit
onvervangbaar en onmisbaar zijn.
B.
1. Het object wordt dikwijls getoond in tijdelijke opstellingen: «presentatiewaarde». Hieronder vallen
ook voorwerpen die wellicht niet een grote kunst- of cultuurhistorische of wetenschappelijke waarde
hebben, maar wel een hoge «attractiewaarde».
2. De herkomst van het object is belangrijk/schept bepaalde verplichtingen: «genealogische waarde».
3. Het object vormt een onderdeel van een ensemble, dat in zijn geheel of voor een belangrijk deel
aan bepaalde criteria voldoet, waaraan het object sui generis niet zou voldoen: «ensemblewaarde».
4. Het object is drager van belangrijke gegevens die niet in bovengenoemde criteria vervat zijn:
«documentatiewaarde».
C.
Onder categorie C vallen voorwerpen die niet voldoen aan de criteria van categorie A of aan één of
meerdere van categorie B. Voorwerpen die in categorie C worden geplaatst beantwoorden wel altijd
aan de doelstelling van het museum.
D.
Deze categorie bevat objecten die het best als “rariteiten” of “requisieten” omschreven kunnen
worden. Het gaat hier om voorwerpen die nimmer als museaal object geïnventariseerd hadden mogen
worden, omdat ze weinig tot geen culturele waarde vertegenwoordigen. Dergelijke voorwerpen
kunnen soms een rol vervullen ter ondersteuning van de presentatie.
3
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Korte geschiedenis van het Rijksmuseum voor Volkenkunde
Het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden is een van de drie oudste, op wetenschappelijke
grondslag ingerichte, volkenkundige museum ter wereld. Zijn ontstaansgeschiedenis is nauw
verbonden met die van het Koninkrijk der Nederlanden en met de persoon van koning Willem I. Hij
had een levendige belangstelling voor de stichting van nationale instellingen ter bevordering van
wetenschap en kunst en de verspreiding van kennis over alle delen van het koninkrijk. Een van de
instellingen die hij bij Koninklijk Besluit van 9 juli 1816 stichtte, was het ‘Koninklijk Kabinet van
Zeldzaamheden’. Hierin werden onder meer zijn privéverzameling van schilderijen en zeldzaamheden,
de ‘Koninklijke Bibliotheek’ en het ‘Kabinet van Chinese Zeldzaamheden’ ondergebracht.
De Chinese verzameling was afkomstig uit de nalatenschap van Mr. Jean Theodore Royer (17371807). Deze Haagse jurist had bij zijn leven een imposante collectie voorwerpen uit China
bijeengebracht. Royer’s weduwe legateerde in 1814, kort voor haar overlijden en geheel in de geest
van haar Oranjegezinde echtgenoot, deze Chinese collectie aan de op 30 november 1813 in
Nederland teruggekeerde erfprins Willem van Oranje, 'onsen geliefde souverijn'.
Curiositeiten van allerlei aard zijn in de loop der jaren aan het Koninklijk Kabinet toegevoegd, maar
zijn etnografische verzamelingen bleven de belangrijkste, zeker toen respectievelijk in 1826 en 1832
de collecties van Jan Cock Blomhoff (1779-1853) en Johan G. F. van Overmeer Fisscher (1800-1848)
werden aangekocht en bij het Kabinet werden gevoegd. Beide collecties waren aanzienlijke
verzamelingen betreffende Japan.
Omstreeks dezelfde tijd – 1823 tot eind 1829 – was Dr. Philip Franz von Siebold (1796-1866) in Japan
als arts werkzaam op de Hollandse handelsvestiging Deshima (Nagasaki). Tijdens zijn verblijf op deze
handelspost wist hij belangrijke contacten te leggen met Japanse geleerden en kunstenaars. Die
contacten stelden hem in staat een omvangrijke Japanse verzameling bijeen te brengen en deze op
wetenschappelijk verantwoorde wijze te ordenen en te documenteren. Zijn belangstelling ging vooral
uit naar de geneeskunde, de natuurlijke historie en de taal-, land en volkenkunde van Japan.
Na een gedwongen vertrek uit Japan arriveerde Siebold in juli 1830 in Nederland en vestigde zich te
Leiden. Een klein jaar later ging zijn etnografische verzameling scheep vanuit Batavia naar Nederland.
Nog vóór de verscheping van de collectie keurde de Nederlandse regering al de overname goed van
Siebold’s Japanse verzameling. Het zou echter tot augustus 1837 duren alvorens die overdracht
definitief werd geregeld. In de tussenliggende jaren stond Siebold’s verzameling geordend opgesteld
in zijn woning aan het Rapenburg 19 en gebruikte hij haar voor het schrijven van zijn monumentale
werk “Nippon: Archiv zur Beschreibung von Japan und dessen Neben- und Schutzländern”. In die
jaren zullen daar incidenteel ook al bezoekers naar de tentoongestelde verzameling zijn komen kijken.
Echter, pas na de formele afronding van de overdracht in 1837 was sprake van een openstelling voor
een breed publiek en kreeg de presentatie van de collectie een museale status onder de namen
“Verzameling Von Siebold” en “Japansch Museum”.
In 1859 vertrok Siebold voor een tweede verblijf naar Japan (1859-1862) en kwam zijn collectie
formeel onder beheer van Conradus Leemans (1809-1893), de toenmalige directeur van het
Rijksmuseum van Oudheden. De verzameling kreeg bij die gelegenheid tevens een nieuwe
huisvesting – Breestraat 18 – waarbij op de gevel van het pand de aanduiding “Rijks Japansch
Museum Von Siebold” prijkte. Door toevoeging van enkele andere omvangrijke etnografische
collecties – de Indische collecties van Salomon Müller en van de ‘Koninklijke Delftse Academie’ – en
door het streven naar een breder, algemeen etnografisch museum, verdwenen in 1864 de expliciete
verwijzingen naar Japan en Siebold en kreeg het museum de naam die het tot 1931 zou behouden:
“Rijks Ethnografisch Museum”. Aansluitend volgden enkele jaren als “Rijksmuseum van Etnografie”
om vervolgens in 1935 de officiële naam te krijgen die het tot heden draagt: “Rijksmuseum voor
Volkenkunde”. Vanwege de verzelfstandiging in 1995 hoort daar inmiddels nog de aanduiding
“Stichting” aan vooraf te gaan en in overeenstemming met de tijdgeest hanteert het museum sinds
2007 daarnaast ook de naam “Museum Volkenkunde”.
Van de aanvang af streefden zowel Siebold als de eerste directeur van het Koninklijk Kabinet van
Zeldzaamheden, Reinier Pieter van de Kasteele (1767-1845), er naar en drongen erop aan dat beide
verzamelingen één wetenschappelijk etnografisch museum zou gaan vormen. Door allerlei
moeilijkheden van financiële aard, voornamelijk de kosten voor een behoorlijke huisvesting van de
collecties, kwam deze beoogde samenvoeging eerst in 1883 tot stand, nota bene bij de opheffing van
het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. Hierbij gingen de etnografische verzamelingen van het
Kabinet te Den Haag over naar het Rijks Ethnografisch Museum te Leiden.
4
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Gedurende de laatste decennia van de negentiende eeuw zijn de verzamelingen van het museum
sterk uitgebreid. Uiterst belangrijke collecties wist de toenmalige directeur, Lindor Serrurier (18461901), aan te trekken door persoonlijke contacten, als wel door een grote mate van waakzaamheid en
vasthoudendheid. In 1883 vond niet alleen de overname plaats van de collecties van het Koninklijk
Kabinet van Zeldzaamheden, maar ook de verwerving van een belangrijk gedeelte van de
Nederlandse inzending bij de in 1883 te Amsterdam gehouden Internationale Koloniale
Tentoonstelling. Hand in hand met de zogenoemde openlegging van de Indische buitengewesten ging
in die jaren het verzamelen van etnografica. Verschillende expedities, zowel burgerlijke als militaire, in
Indonesië leverden veel materiaal op (Aceh, Bali, Centraal-Borneo). Mede daardoor zijn tezelfdertijd
de verzamelingen van het museum op het gebied van Indonesië belangrijk uitgebreid. In dezelfde
periode begon men het verzamelbeleid ook te richten op die buiten-Europese gebieden die nog niet
zo goed in het museum waren vertegenwoordigd: het Zuidzee-gebied, Afrika, Amerika en regio’s als
Tibet en Siberië.
Een belangrijke aanwinst in deze periode is ook geweest de overdracht – in 1903 – van die
voorwerpen uit het Rijksmuseum van Oudheden, die vielen buiten gebied van de ‘klassiek oudheid’.
Hiermee vonden een imposante Hindoe-Javaanse verzameling en een aanzienlijke collectie
oudheden van Amerika hun weg naar het Rijks Ethnografisch Museum. Tegelijkertijd werd met de
explosieve groei van de collectie het huisvestingsprobleem van het museum steeds nijpender.
De oplossing hiervoor kwam in 1933, toen het in 1931 ontruimde gebouw van het Academisch
Ziekenhuis ter beschikking van het museum werd gesteld. Door de economische crisis van die dagen
waren echter slechts zeer weinig middelen beschikbaar voor de verbouwing en inrichting. In november
1937, honderd jaar nadat Siebold zijn verzameling voor het eerst voor publiek had opengesteld, kon
het museum eveneens de deuren van een enigermate waardige behuizing voor hen openen.
Nog geen twee jaar later, in 1939, moest alweer begonnen worden met het verstoren van het
moeizaam opgebouwde geheel. In verband met de dreiging van een oorlog moesten de beste stukken
in veiligheid worden gebracht in de Rijksschuilplaatsen in de duinen bij Heemskerk. Andere
belangwekkende objecten kregen alvast hun schuilplaats in de kelders van het museum.
Het museum bleef open tot september 1944. Toen was de situatie zodanig geworden dat het
onverantwoord was nog langer met de volledige ontruiming van de openbare verzamelingen te
wachten. Op 11 december 1944 vielen een aantal bommen op het museumterrein en één in het
gebouw, waardoor grote glasschade ontstond, doch gelukkig geen brand. Zo kwam het
museumgebouw, weliswaar gehavend doch zeker niet onherstelbaar, uit de strijd en bleven de
verzamelingen behouden.
In de tweede helft van de twintigste eeuw groeide in het museum een gericht verzamelbeleid, waarbij
in toenemende mate leden van de eigen wetenschappelijke museumstaf als museum-antropologen 'in
het veld' voorwerpen bijeen zijn gaan brengen. Daarbij zochten en zoeken zij intensief contact met de
leden van de samenleving te midden waarin zij tijdelijk leven en werken. Op grond van deze wijze van
diepte-observatie, meestal aangeduid als de 'participerende observatie', kunnen zij inzicht krijgen in en
zich vertrouwd maken met het systeem van normen, waarden en gedragsregels waarmee een
bepaalde cultuur zich van een andere onderscheidt. Deze benaderingswijze biedt tevens de
mogelijkheid de verschillende elementen in die bepaalde cultuur beter en in hun onderlinge
samenhang te doorgronden.
Naast het verzamelen van gegevens op het cognitieve vlak hielden en houden zij zich ook bezig met
het verzamelen van materiële getuigenissen van de betrokken gemeenschap. Een of meerdere
voorwerpen worden daarbij op systematische wijze geselecteerd, al naar gelang de specifieke functie
en betekenis die zij vervullen binnen de gehele context van de cultuur in kwestie. Op deze wijze
bijeengebrachte voorwerpen worden vervolgens waardevol, niet alleen als bewijsmateriaal ter
ondersteuning van de in het veld verkregen en verzamelde cognitieve onderzoeksgegevens, maar
zeker ook als onontbeerlijk materiaal ten dienste van de steeds belangrijker geworden publiekgerichte
taken van het museum. Hierbij zijn de museale presentatie, de cultuurinterpretatie, de educatieve
begeleiding en de moderne interactieve middelen op de voorgrond komen te staan. De integratie van
deze elementen vormt de basis van communicatie tussen het museum en zijn publiek.
Tegelijkertijd, en vandaag de dag in toenemende mate, wordt het mogelijk de contacten en de
samenwerking met dragers en hoeders van cultuur in de landen van oorsprong van de museale
collecties nieuw leven in te blazen en te intensiveren.
5
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
In 1956 werd in Breda het Volkenkundig Museum "Justinus van Nassau" opgericht en onder beheer
en hoede van het Leidse Rijksmuseum voor Volkenkunde geplaatst. Dit volkenkundige museum was
geënt op de etnografische collectie van de Koninklijke Militaire Academie te Breda. In 1993 werd
besloten tot opheffing van dit museum en werden de collectie, tezamen met de bibliotheek en het
archief overgebracht naar het museum te Leiden.
In het laatste decennium van de twintigste eeuw en in de eerste jaren van de huidige eeuw voltrokken
zich in het museum drie ingrijpende veranderingen. Een groot onderzoek van de Algemene
Rekenkamer naar de staat en het fysieke beheer van de collecties van de Nederlandse rijksmusea
toonde in 1988 aan dat de toestanden overal veel te wensen over lieten. Vooral de collectie van het
Rijksmuseum voor Volkenkunde bleek er slecht aan toe te zijn. De conclusies van het onderzoek
waren voor de rijksoverheid aanleiding te besluiten tot de uitvoering van het Deltaplan voor
Cultuurbehoud. Voor het museum betekende dit dat in de periode 1991-2001 de gehele collectie van
190.000 voorwerpen is schoongemaakt, waar nodig is geconserveerd of gerestaureerd, is
gefotografeerd en digitaal is geregistreerd. Aansluitend is vrijwel de gehele collectie overgebracht naar
en deugdelijk opgeborgen in een depotcomplex te ’s-Gravenzande, ruim 30 km van Leiden.
De tweede grote verandering is de “verzelfstandiging” geweest. Deze verzelfstandiging verplichtte de
rijksmusea om halverwege de jaren negentig op eigen benen te gaan staan. Onder dwang van de
Tweede Kamer had het ministerie van cultuur in 1991 ingestemd met de noodzaak de betrokken
musea, voorafgaand aan die omschakeling, te helpen bij het inlopen van achterstanden.
Verzelfstandiging vereiste dat de musea eerst bedrijfsmatig gezond en professioneel toegerust waren.
De hele operatie bracht directiewisselingen, reorganisatie, de introductie van nieuwe specialismen
(communicatie en collectiebeheer) en een veel sterkere oriëntatie op de bedrijfsvoering met zich mee.
Ook in het Rijksmuseum voor Volkenkunde.
De derde belangrijke verandering, eind vorige en begin deze eeuw, is de grootscheepse verbouwing
van het museumgebouw geweest. Het lag in de lijn van de twee andere belangrijke veranderingen dat
ook de presentatie van de collectie aan het publiek aan de eisen van de tijd moest gaan voldoen.
Sinds 1937 was het museum eigenlijk een verbouwd ziekenhuis gebleven. De tijd was nu rijp voor een
totale reconstructie van het gebouw. Kort voor de feitelijke verzelfstandiging op 1 januari 1995 kwam
de financiering hiervoor rond en was die verbouwing veiliggesteld. Zij was voltooid in april 2001, toen
het museum na enkele jaren van zeer beperkte openstelling, zijn ‘nieuwe deuren’ voor het grote
publiek kon openen.
6
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel Insulair Zuidoost-Azië
Pieter ter Keurs
Inleiding
De collectie insulair Zuidoost-Azië is de grootste deelverzameling van Museum Volkenkunde. Het gaat
1
bij benadering om ongeveer 60.000 voorwerpen , waarvan het grootste deel afkomstig is uit
Indonesië. Een tweede component is de Filippijnen collectie, die ongeveer 1400 voorwerpen bevat.
Het derde land in de regio is Maleisië, waarvan de collectie in Leiden echter slechts 151 objecten
bevat.
In de collectie insulair Zuidoost-Azië bevinden zich voorwerpen uit een groot aantal cultuurgebieden.
Alleen Indonesië omvat al ongeveer driehonderd cultuurgebieden en vanuit vrijwel alle gebieden zijn
2
voorwerpen aanwezig.
In de nu volgende tekst zal de collectie eerst kort en algemeen vanuit een breed historisch perspectief
worden beschreven. Daarna wordt gedetailleerder ingegaan op de diverse deelcollecties,
gerangschikt naar hun culturele herkomst. Uitzonderingen op deze indeling naar cultuur zijn de
categorieën ‘préhistorie en hindoeboedhistische collecties’, ‘mengvormen’, ‘textielen’ en ‘schilder- en
tekenkunst’. Alleen de eerste twee categorieën worden hier apart behandeld. Vervolgens wordt
stilgestaan bij het belang van de collectie in nationaal en internationaal perspectief. Het collectieplan
zal worden afgesloten met enkele overwegingen die tot heldere keuzes kunnen leiden.
Kort historisch overzicht van de collectie
Vanaf het ontstaan van het museum hebben Indonesische voorwerpen deel uitgemaakt van de
collectie. De Von Siebold collectie (serie 1) bevat al voorwerpen uit de Kleine Soenda eilanden,
verzameld tijdens de reis van de Natuurkundige Commissie in het begin van de negentiende eeuw.
Andere voorwerpen van dezelfde bron worden later, in 1861, aan de verzameling toegevoegd door het
verwerven van de collectie van Dr. Salomon Müller. Deze samengevoegde collectie is vermoedelijk de
oudste ter wereld uit het gebied van de Kleine Soenda eilanden. Müller’s collectie (circa 800 objecten)
bevat overigens ook voorwerpen uit Sumatra en het huidige Kalimantan.
Inmiddels is ook elders in Nederland een begin gemaakt met het samenbrengen van andere
verzamelingen waar zeer vroeg Indonesisch materiaal in zit. Zo wordt in 1816 in ’s-Gravanhage het
Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden opgericht. Daar worden in de loop der tijd steeds meer
Indonesische voorwerpen in opgenomen. In 1883 echter, zal de etnografische collectie van dit Kabinet
worden toegevoegd aan de verzameling van het Rijks Ethnografisch Museum. In de tussenliggende
jaren vindt ook het verzamelen van de nu wereldberoemde oudheden van Singasari plaats, die al voor
de oprichting van het ethnographisch museum hun weg vinden naar het Leidse Rijksmuseum van
Oudheden (RMO). In 1903 zal deze collectie, samen met alle overige niet-Europese oudheden die bij
het RMO zijn ondergebracht, overgaan naar het Rijks Ethnografisch Museum.
3
Uit de eerste decennia van de negentiende eeuw stammen verder de belangrijke collectie Payen
(olieverf schilderijen, schetsen, dagboeken) en de zogeheten collectie Bik (voornamelijk schetsen).
4
Na 1859, na het aantreden van Dr. Conradus Leemans als waarnemend directeur van het REM ,
worden vooral overheidsambtenaren in tal van functies gestimuleerd om collecties voor het museum
bijeen te brengen. Vanaf dan groeit het aantal verschillende namen van verzamelaars gestaag. Onder
hen bevinden zich opvallend veel artsen die zich naast hun medische werkzaamheden in de kolonie,
ook bezig houden met het verzamelen van etnografica. Deze artsen zijn vaak betrokken bij de
toentertijd nog enige vorm van antropologie: de fysische antroplogie. In dat verband voeren zij onder
andere veel schedelmetingen uit en, eenmaal ter plaatse in een buitengewest, verzamelen zij in een
moeite door ook de nodige etnografica. Zo sturen bijvoorbeeld de artsen G.F. Wienecke en J.
Semmelink regelmatig aanzienlijke verzamelingen uit verschillende delen van de Indische archipel
naar Leiden.
1
Volgens een telling in TMS zijn het er 56.887; incl. a en b nummers.
2
Voor een uitputtend overzicht van de culturele herkomst van de collecties verwijzen we naar de catalogus van Dr. H.H.
Juynboll (1909-1932).
3
De van oorsprong Belgische schilder Antoine A.J. Payen (1792-1853) verblijft van 1817 tot aan 1826 in opdracht van de
Nederlandse overheid in Nederlands-Indië. Samen met zijn tijdgenoot en schilder-tekenaar A.J. Bik reist hij onder andere in
1824 in de staf van de toenmalige Gouverneur-Generaal G.A.G. Ph. baron van der Capellen mee door Indie.
4
Dr. Conradus Leemans (1809-1893) is sedert 1835 directeur van het Rijksmuseum van Oudheden. Bij aanvang van de tweede
reis van Von Siebold naar Japan, in 1859, wordt hij tevens waarnemend directeur van het Rijks Japansch Museum Von Siebold,
dat kort daarop wordt omgedoopt tot Rijks Ethnographisch Museum. Leemans zal zijn functie van waarnemend directeur van
het REM uitoefenen tot 1880.
7
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Naast medici bereizen echter ook vele andere ‘Indische ambtenaren’ grote of kleine afgelegen delen
van Nederlands-Indië en dragen van daaruit bij aan de vorming van de Indische en Nederlandse
volkenkundige verzamelingen in respectievelijk Batavia, Leiden en – tot 1864 – Delft. Te Delft bevindt
zich tot dat jaar namelijk de Koninklijk Academie waar de opleiding tot ‘Indisch Ambtenaar’ plaatsvindt.
In dat kader bezit de Academie zelf ook een respectabele collectie ethnografica. Bij de opheffing van
deze opleiding in 1864 wordt haar verzameling in haar geheel overgebracht naar Leiden en aan de
collectie van het REM toegevoegd (serie 37, meer dan 1000 objecten). Daarmee verwerft het REM
onder meer een topcollectie oude wayang poppen.
Gedurende de laatste decennia van de negentiende eeuw breidt de Indonesië verzameling zich
explosief uit. Het begint met de Nederlandse inzending voor de Wereldtentoonstelling in Parijs in 1878
die daarna in Leiden belandt (serie 300, circa 1700 voorwerpen). In 1881 volgt de toevoeging van de
collectie die is verzameld tijdens de Midden-Sumatra expeditie van 1877-1879 (serie 268, 571
objecten). In 1883 vindt in Amsterdam de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling
plaats en ook daarvan komen de Indische voorwerpen naar Leiden (serie 370, circa 4000 objecten).
Datzelfde jaar worden daar bovendien nog de vele duizenden voorwerpen uit het net opgeheven
Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden (serie 360) aan toegevoegd. Ruim tien jaar later, in 1894, krijgt
het Rijks Ethnografisch museum opnieuw na afloop van een grote koloniale tentoonstelling, ditmaal te
Batavia, een aanzienlijk deel van de Nederlandse inzending (series 1008-1011, ruim 470 objecten).
Eveneens in 1894 schenkt H.M. Koningin-regentes Emma een uitgebreide collectie poppen en
miniatuur attributen (serie 1108, ruim 480 voorwerpen) die, net als bij de koloniale exposities het geval
is, kan worden beschouwd als een fraai voorbeeld van ‘koloniaal verzamelen’. Doel van deze
toentertijd in Europese landen met koloniën zeer populaire vorm van verzamelen, is het bijeenbrengen
en exposeren van objecten om daarmee de (westerse) bezoekers een representatief beeld te geven
van de historie, het hedendaagse leven of van nieuwe ontwikkelingen in bepaalde landstreken van de
verre koloniën. Koningin Emma’s poppencollectie geeft om die reden een goed beeld van kleding in
hele archipel kort voor de eeuwwisseling.
Naast de collectie-aanwas via tal van civiele kanalen vormt ook de militaire aanwezigheid in het
toenmalige Nederlands-Indië een belangrijke voedingsbron voor de groei van de Indische
verzameling. Vooral de militaire pacificatie van een aantal uithoeken van de archipel op het einde van
de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw zorgt, naast het definitief vestigen van het
Nederlandse gezag ter plaatse, voor een toestroom van vele voorwerpen. Daaronder vooral ook veel
kostbaarheden, die al dan niet oneigenlijk worden verkregen. De verzamelingen die het gevolg zijn
van de militaire veroveringen van Aceh op Sumatra en van de eilanden Bali en Lombok, zijn hiervan
de meest spectaculaire voorbeelden. Overigens bezit het museum al van vóór de verovering van Bali
in 1906-1908 een belangrijke collectie voorwerpen van dit eiland.
In de slipstream van
Niet op militaire leest geschoeid, maar als onderneming niet minder heldhaftig, zijn in de laatste jaren
van de negentiende eeuw de drie expedities van A.W. Nieuwenhuis naar de binnenlanden van
Borneo. In voorafgaande jaren gaan al wel bestuursambtenaren af en toe de binnenlanden in en
trachten dan zo vér mogelijk rivieren op te varen. Van deze korte en beperkte expedities keren zij vaak
terug met kleine verzamelingen. Daarvan bevinden zich een aantal zeer belangrijke voorwerpen, zoals
enkele prachtige maskers, in de museumcollectie. Tijdens de tweede expeditie slaagt Nieuwenhuis
erin, als eerste Europeaan, Borneo van west naar oost te doorkruisen.
Het merendeel van de voorwerpen die hij tijdens zijn drie expedities bijeenbrengt, vindt uiteindelijk zijn
weg naar Leiden (series 1219 en 1308) en maken de Dayak collectie van het Museum Volkenkunde
tot de belangrijkste ter wereld.
In de eerste twee decennia van de twintigste eeuw komt ook de zogenoemde Ethische politiek in
Nederlands-Indië tot bloei. De gedachte die hieraan ten grondslag ligt, is dat de kolonie er niet louter
en alleen is voor de exploitatie van haar grondstoffen en haar bevolking. Zowel het Nederlandse
koloniale bestuur als de in Indië ondernemende, explorerende of missionerende Nederlanders dienen
de koloniale bevolking zodanig te gaan vormen dat zij uiteindelijk – op hele lange termijn – kan komen
tot politieke en economische zelfstandigheid. Om daarmee te kunnen beginnen en succesvol te
kunnen zijn, is kennis van de reeds bestaande inlandse (kunst)nijverheid een belangrijke voorwaarde.
De belangstelling die zodoende ontstaat voor bestaande locale kunstnijverheidstradities leidt
vervolgens weer tot het bijeenbrengen van soms aanzienlijke verzamelingen, zoals bijvoorbeeld de
grote serie vlechtwerken die gouverneur J.E. Jasper verzamelt en in 1908 aan het museum schenkt
(serie 1647, 1350 voorwerpen).
8
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Toch moeten we ons voor die jaren niet alleen concentreren op de grote aanwinsten. Doorlopend
komen kleinere collecties binnen waarvan een aantal van zeer grote waarde blijken. Vooral individuele
bestuursambtenaren, zendelingen, missionarissen of kunstenaars leveren vanuit hun persoonlijke
belangstelling en als bijproducten van hun uiteenlopende beroepen veel kleine juweeltjes van
collecties. Daar komt bij dat ze door de vaak met zorg verzamelde en bijgevoegde documentatie veel
waardevoller zijn dan hun soms beperkte omvang doet vermoeden. Enkele voorbeelden hiervan zijn
de collecties van O.L. Helfrich (serie 820, met voorwerpen uit Bengkulu, Enggano en Zuid-Sumatra),
van Dr. J. Groneman (series 847 en 913, met goed gedocumenteerde objecten uit de Javaanse
materiële cultuur), of de collectie van M.C. Schadee (serie 1476, Zuidoost-Molukken). Hoewel het bij
deze laatste verzameling slechts gaat om 120 voorwerpen, blijkt een aantal daarvan van grote
volkenkundige waarde. Noemenswaardig is hier tenslotte ook de collectie van de belangrijkste
onderzoeker van Nias – E.E.W.G. Schröder – die in 1906 talrijke objecten uit dat gebied aan het
museum schenkt, waar onder enkele topstukken (serie 1552, ruim 500 voorwerpen).
Na 1910 groeit de collectie minder snel, hoewel nog regelmatig nieuwe zendingen binnenkomen uit
veel verschillende delen van de archipel (Timor, Nias, Minangkabau, Batak en Molukken). Belangrijk is
tevens de aanwinst van een collectie Javaanse statiewapens, waaronder met goud belegde
ceremoniële speren. De enorme groei van de laatste decennia van de negentiende eeuw behoort in
elk geval definitief tot het verleden.
Naast een krimp in de groei van de collectie treedt in de eerste decennia van de twintigste eeuw, tot
aan de Tweede Wereldoorlog, nog een ander belangrijk feneomeen op met betrekking tot de Indische
verzamelingen in Leiden: men gaat zich concentreren op het documenteren en bestuderen van de
collecties in plaats van op het bijna ongebreideld verwerven van nieuwe aanwinsten. Daarbij ontstaat
als een van de belangrijke theoretische resultaten van dat wetenschappelijk onderzoek in die jaren het
zogenoemde “Leidse structuralisme”. Deze stroming in de moderne antropologie is vooral ontwikkeld
door twee conservatoren van het Museum Volkenkunde: Dr. J.P.B. de Josselin de Jong en Dr. W.H.
Rassers.
Uit dezelfde concentratie op onderzoek en documentatie van de collectie ontstaat ook een uiterst
belangrijk, en tot op de dag van vandaag zeer praktisch resultaat: de door de toenmalige conservator
en latere directeur van het museum, Dr. H.H. Juynboll, gepubliceerde “Catalogus van ’s-Rijks
Ethnographisch Museum”. In een reeks van 23 delen, die tussen 1909 en 1932 verschijnen, beschrijft
5
hij daarin de gehele toen aanwezige Indische collectie, inclusief de Filipijnen en met een catalogus
van de bibliotheek.
Op het gebied van uitbreiding van de verzameling in de jaren kort voor het uitbreken van de Tweede
Wereldoorlog verkrijgt het museum in 1939 nog een belangrijke aanwinst in de vorm van de collectie
van B.A.G. Vroklage (serie 2380). Als 'Missionsethnolog' in dienst van de Rooms-Katholieke kerk
werkt hij op verschillende plaatsen in Nusa Tenggara (Kleine Sunda-eilanden). In zijn
wetenschappelijke gedrevenheid – hij is een fervent aanhanger van de Kultuurkreis-richting, een
Weense cultuurhistorische school – en om deze ideeën te staven, legt hij grote volkenkundige
collecties aan. Vooral op Timor en Flores verzamelt Vroklage voorwerpen, daarbij speciaal lettend op
hun vorm en versiering.
Na de Tweede Wereldoorlog vindt verzamelen in Indonesië voor het Museum Volkenkunde alleen nog
sporadisch en op kleine schaal plaats. Veldwerk is zeker de eerste decennia nog onmogelijk,
vanwege de jaren aanhoudende moeizame relatie met het inmiddels onafhankelijk geworden
Indonesië. Maar ook later, in de jaren zeventig en tachtig, als Nederlandse antropologen in Indonesië
6
weer veldwerk mogen doen, blijft de aanwas van de collectie via deze weg beperkt. Slechts in een
enkel geval wordt succesvol gebruik gemaakt van de potentieel zeer vruchtbare relatie tussen
onderzoek en verzamelen (onder andere series 5258 en 5382, collecties F. Brinkgreve en L. Visser).
Een verwerving die in 1959 – maar in bijna laat-negentiende eeuwse stijl – het museum als het ware
‘overkomt’, is de overdracht van de verzameling van het Ethnografisch Museum van de Koninklijke
Militaire Academie te Breda. Dit betekent voor collectie van de afdeling Insulair Zuidoost-Azië een
uitbreiding met maar liefst circa 7000 voorwerpen, voornamelijk uit het vooroorlogse Indonesië.
5
De eerlijkheid gebiedt hier te melden dat ook enkele andere medewerkers van het museum, zoals H.W. Fischer of J. C.E.
Schmeltz, aan een of meer delen hun medewerking hebben verleend.
6
Ik laat hier het westelijk deel van Nieuw-Guinea buiten beschouwing, omdat dit aan de orde komt bij het collectieprofiel van de
afdeling Oceanië. Tussen de Tweede Wereldoorlog en 1962 concentreerden Nederlandse onderzoekers zich vooral op het
westelijke deel van Nieuw-Guinea (nu Papua genoemd). Ook recent heeft Museum Volkenkunde (met name conservator D.A.M.
Smidt) veel verzameld in Papua.
9
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Tot slot van deze beknopte beschrijving van de geschiedenis van de collectie van de afdeling moet
ook de teruggave in 1977-‘78 aan Indonesië van een klein aantal bijzondere voorwerpen, waaronder
het wereldberoemde beeld van de Prajnaparamita en delen van de Lombok schat, worden vermeld.
Met deze terruggave is mede een stap gezet in de richting van het hedendaagse gebruik van de
collectie van Museum Volkenkunde, waarbij onderzoekssprojecten van Nederlandse en Indonesische
experts, leiden tot een intensieve samenwerking bij de wetenschappelijke ontsluiting, bij het fysieke
behoud en beheer en bij de presentatie van delen van de collectie, die het Museum Volkenkunde en
zijn belangrijkste Indonesische counterpart, het Museum Nasional te Jakarta, gemeen hebben.
Collectiebeschrijving
Een gedetailleerde beschrijving van de collectie Insulair Zuidoost-Azië in een kort bestek als hier is
vrijwel onmogelijk. De al eerder genoemde catalogus van Juynboll is daarvoor nog steeds het beste
referentiepunt, omdat het grootste en belangrijkste deel van de verzameling vóór de Tweede
Wereldoorlog is verzameld.
Om voor dit collectieprofiel van de afdeling Insulair Zuidoost-Azie toch een passend beeld te schetsen
van de samenstelling van de collectie, is gekozen voor een beschrijving op basis van een combinatie
van vrij algemeen gebruikelijke geografische en culturele indelingen. Bij deze collectiebeschrijving zal
een overlap met de hierboven gegeven historische schets soms onvermijdelijk zijn.
Indonesië
‘Reizend’ van west naar oost door de Indische Archipel, van Sumatra tot aan Papua, komen we tot de
volgende beschrijvingen van de verschillende deelcollecties:
- Sumatra
Als in 1871 de Nederlanders en de Engelsen overeenstemming bereiken over de koloniale
invloedsferen (gebieden noordelijk van de Straat van Malaka worden Engels en de zuidelijke gebieden
worden Nederlands) trekken de Engelsen zich terug uit Bengkulu en krijgen de Nederlanders de
handen vrij om Noord-Sumatra onder koloniaal bestuur te brengen. Dit leidt tot een langdurige oorlog
in met name Aceh. Het is dan ook niet toevallig dat de collectie afkomstig uit dit gebied veel wapens
bevat. Toch is hiermee niet alles gezegd. Militairen tonen vaak een uitgesproken volkenkundige
belangstelling, hoewel niet altijd duidelijk is hoe en waarom wat precies wordt verzameld. Dit geldt
bijvoorbeeld voor de verzamelcontext van de belangrijke collectie G.C.E. van Daalen (series 1429 en
1468), die voornamelijk uit de Gayo en Alas landen komt. Vermoedelijk is meestal sprake van lokale
mensen, die naar de kampementen toe komen om stukken te verkopen. De collectie Th. J. Veltman
(serie 1599) bevat schitterend materiaal, niet gepubliceerd, etnografisch zeer interessant en ook
esthetisch van groot belang.
Legerkapitein en bestuursambtenaar Veltman verzamelde zijn grote en goed gedocumenteerde
collectie gedurende de lange tijd (20 jaar) dat hij in Aceh werkzaam was, en het vertrouwen had
gewonnen van de bevolking. Vooral belangrijk zijn prachtige gouden sieraden en veel verschillende
soorten weefsels en kledingstukken, waarvan het gebruik wordt geïllustreerd door een collectie
bijzondere veldfoto’s die ook tot de verzameling behoren. De collectie is tevens een goed voorbeeld
van de invloed van de islam en de Arabische cultuur in Aceh. Uniek zijn 13 tekeningen, afbeeldingen
van mythische figuren, festivals en rituelen, waarschijnlijk in opdracht van Veltman gemaakt door een
Acehse kunstenaar.
Onder de verzamelnaam Batak worden meestal een zestal groepen beschreven. De meest dominante
groep is de Toba. Vervolgens onderscheidt men de Karo, de Pakpak, de Simalungun, de Mandailing
en de Angkola. Deze laatste groep is veelal vermengd met de Mandailing en moeilijk als aparte cultuur
te herkennen. Museum Volkenkunde collectie bezit voorwerpen van alle Batak groepen. De collectie is
esthetisch wellicht niet de mooiste van Nederland (het Tropenmuseum bezit een zeer goede Batak
collectie), maar is wel zeer vroeg verzameld.
De Duitse Baron Carl B.H. von Rosenberg (1817-1888), in wetenschappelijke dienst van het Indische
gouvernement, en de arts G.F. Wienecke hebben Batak voorwerpen verzameld in een periode waarin
het gebied nog nauwelijks toegankelijk was. Er zijn veel Toba en Karo voorwerpen en de nadruk ligt
op attributen van priesters. Een oude en goede verzameling toverstaven (tunggal panaluan) en een
grote en belangrijke collectie priesterboeken (pustaha). Daarnaast bevat de collectie goede, oude
textielen (ulos) en enkele zeer unieke kledingstukken (bijv. nrs. 300-1734, 1915-12). Enkele
belangrijke verzamelaars zijn: A.L. van Hasselt (als assistent-resident in het Batak gebied [serie 890]
en ook als lid van de Midden-Sumatra expeditie [serie 268]), J.Th. Cremer (serie 340), mr. J.W. van
10
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Lansberge (serie 401), B. Hagen (series 464, 554), A. Maass (serie 1642), Ch.L.J. Palmer van den
Broek (serie 1767), en W.G. Broek (3155).
Ook grote koloniale tentoonstellingen (series 300, 370) en het Kabinet van Zeldzaamheden (serie
360) hebben belangrijke Batak voorwerpen bijgedragen aan de Museum Volkenkunde-collectie.
Van de drie voornaamste eilandgroepen westelijk van Sumatra – Nias, Mentawai en Enggano – zijn
vooral de zeer sterke Nias en de Enggano verzamelingen van belang. Minder representatief is de
Mentawai collectie. Deze bevat slechts een relatief klein aantal voorwerpen (circa 180) en is ook
esthetisch van geringe importantie. Haar belang is vooral gelegen in de ouderdom van de collectie. De
eveneens kleine (240 objecten), maar zeer sterke Enggano collectie is één van de twee oudste ter
wereld (de andere ligt in Jakarta). De Nias collectie, inclusief enkele voorwerpen van de Batu eilanden
(in Nias stijl), is belangrijk vanwege de ouderdom en de kwaliteit van de voorwerpen. Ch.L.J. Palmer
van den Broek (1002) en E.E.W.G. Schröder (diverse kleinere collecties) zijn hiervoor belangrijke
verzamelaars. Andere collecties, ook van andere eilanden, kwamen van Von Rosenberg (onder meer
serie 79), O.L. Helfrich (serie 820), J.A. Aeckerlin (serie 408), W.F. Sikman (630) en van Jhr. Mr.
A.P.C. van Karnebeek (series 985, 1126).
In 1994 is op bescheiden schaal opnieuw verzameld op Enggano, in het kader van het promotie
onderzoek van P.J. ter Keurs (serie 5788).
Uit de provincie Riau en de oostelijke eilanden zijn verschillende collecties aanwezig in het Museum
Volkenkunde. De voorwerpen komen uit diverse bronnen. Er zijn bijvoorbeeld bijzondere weefsels in
de series 300 en 370, die afkomstig zijn van de grote koloniale tentoonstellingen.
Museum Volkenkunde bezit verder een oude collectie uit wat vroeger de Padangse Bovenlanden werd
genoemd. Deze regio valt grotendeels samen met het woongebied van de Minangkabau; bekend
vanwege de spectaculaire huizenbouw en het matrilineaire verwantschapssysteem. Voorts is veel
materiaal aanwezig van de Midden-Sumatra expeditie (1877-1879) (serie 268). Relatief veel vroege
verzamelaars zijn door dit gebied getrokken (S. Müller, G.F. Wienecke, J.J. Korndörffer) en ook hier
hebben de grote koloniale tentoonstellingen voor een aanzienlijke uitbreiding van de collectie gezorgd
(series 300, 370).
Uit de omgeving van Bengkulu en uit Pasemah is een belangrijke oude verzameling aanwezig. Vooral
het materiaal dat werd verzameld door bestuursambtenaar O.L. Helfrich is van groot belang, mede
vanwege de uitstekende documentatie (serie 886). Deze collecties zijn nog weinig bestudeerd. Veel
namen van mensen die ook in andere gebieden op Sumatra verzameld hebben, komen hier weer
terug.
De eerder genoemde Midden-Sumatra expeditie (1877-1879) heeft ook delen van Jambi aan gedaan.
De collectie uit dat gebied wordt echter gedomineerd door wapens (uit de in 1959 overgenomen
collectie van de Koninklijke Militaire Academie te Breda); ongetwijfeld een reflectie van het koloniale
verleden. Een kleine, maar goede, collectie textielen uit Jambi is die van P. Enserinck (serie 2195,
aangekocht in 1930).
Van Palembang en omgeving zijn vooral vroege collecties lakwerk, textielen en aardewerk aanwezig.
Het lakwerk is typerend voor deze regio en vanwege de ouderdom van de Volkenkunde collectie is
historisch onderzoek naar dit type materiële cultuur goed mogelijk. Bijzondere textielen uit Palembang
bevinden zich in de collectie van de Parijse Wereldtentoonstelling van 1878 (serie 300).
Van Lampung, Zuid-Sumatra, is een grote negentiende eeuwse collectie aanwezig, die echter nog
weinig bestudeerd zijn. Bekende verzamelaars zijn S. Müller (16), G.F. Wienecke (div. series), Von
Rosenberg (serie 130), J.A. Aeckerlin (866, 975), O.L. Helfrich (939) en Th.J. Veltman (1599).
Verreweg de meeste voorwerpen kwamen echter binnen via de grote koloniale tentoonstellingen
(series 300 en 370).
- Java
Het Museum Volkenkunde bezit een topcollectie hindoeboeddhistische voorwerpen (vooral stenen en
bronzen beelden, priesterattributen, sieraden) uit Indonesië, voornamelijk van Java. Deze collectie
staat internationaal bijna op het hoogste niveau. Alleen het Nationaal Museum van Indonesië in
7
Jakarta heeft een grotere en betere collectie op dit gebied .
Etnografisch biedt de Java verzameling een zeer grote verscheidenheid aan materiaal. Het is een
topcollectie van verschillende vormen van wayang (serie 264), krissen (J. Groneman, serie 913) en
sierwapens (GG mr. baron L.A.J.W. Sloet van der Beele van Nispen, series 982, 1089). Deze
collecties zijn niet alleen esthetisch en historisch van groot belang, maar zij zijn ook goed
gedocumenteerd en bekend geraakt door publicaties hierover. De mooie collecties krissen en
sierwapens zijn niet buitgemaakt tijdens koloniale oorlogen, maar waren geschenken van inheemse
7
Voor meer informatie, zie hieronder de paragraaf over “Prehistorie en hindoeboeddhistisch Indonesië”.
11
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
vorsten en mensen van adel aan het Nederlandse bestuur. Dr. J. Groneman had als lijfarts van de
Sultan van Yogyakarta eveneens een goede toegang tot de hofcultuur van Midden-Java.
Ook de variatie in de uitvoerende kunsten van Java is goed vertegenwoordigd. Voorbeelden van
wayang kulit zijn te vinden in de series 37 en 264, wayang golek in serie 1297, danskostuums in serie
1124 en maskers onder andere in de series 37, 264 en 300.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw kreeg de koloniale overheid, als gevolg van de Ethische
Politiek, steeds meer interesse in de lokale kunstnijverheid (J.E. Jasper, serie 1647, J. Groneman,
serie 847). Men probeerde de economische positie van de lokale bevolking te verbeteren door de
huisnijverheid te ontwikkelen, en nieuwe afzetmarkten te creëren. Onderzoek en documentatie
vormden hiervoor de basis, en dit resulteerde ook in belangrijke verzamelingen en publicaties, onder
andere die van gouverneur J.E. Jasper.
Het grootste deel van de collectie Javaanse etnografica dateert echter van vóór 1900. Van groot
belang zijn in dit verband de serie 37 (van de in 1864 opgeheven Koninklijke Academie te Delft), serie
300 (van de wereldtentoonstelling te Parijs), serie 360 (de overdracht van de collectie van het
Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden) en serie 370 (van de Koloniale tentoonstelling te Amsterdam).
De grote collectie Javaanse textielen (voornamelijk batik) is esthetisch van zeer goede kwaliteit, heeft
een grote historisch diepgang en kent een grote variatie aan stijlen. Naast Midden-Java zijn ook de
batiks van de noordkust van Java goed vertegenwoordigd. Het museum bezit tevens enkele
peranakan textielen, die pas recent als zodanig zijn geïdentificeerd.
In de koloniale tijd bestond onder verzamelaars ook de nodige aandacht voor de islam (modellen van
moskeeën, kleding van de Haji). De moderne Islam is echter ondervertegenwoordigd.
In 1987 is een collectie Javaanse bruidskleding aangekocht, door bemiddeling van de Nederlandse
Ambassade in Jakarta (serie 5496).
- Madura
Het Museum Volkenkunde bezit ongeveer 900 voorwerpen uit Madura. Veel is afkomstig van de, al
eerdergenoemde, grote koloniale tentoonstellingen (vooral serie 370). Enkele honderden voorwerpen
zijn afkomstig uit de collectie van het museum in Breda (3600). G.F. Wienecke (serie 42) heeft enkele
voorwerpen geschonken, maar verder zijn geen belangrijke verzamelaars actief geweest op het
eiland. De Madura collectie bevat wel enkele voorwerpen waar een interessant verhaal aan is
verbonden. Zo is er een kris (2523-2) waar de Militaire Willemsorde in afgebeeld is (Ter Keurs i.p.). Dit
is een mooi voorbeeld van hybride vormen (in dit geval Nederlands en Madurees) in materiële cultuur
en dus een goede illustratie van cultuurcontacten en culturele dynamiek.
- Bali en Lombok
Van deze twee eilanden zijn oude en belangrijke verzamelingen aanwezig, ook van vóór de
verovering van Bali in 1906-1908. Collecties van vóór 1900 zijn onder meer die van de Koloniale
Handelstentoonstelling in Amsterdam in 1883 (serie 370) en de collectie van H. Frühstorffer (serie
1130, 150 voorwerpen) uit Lombok (1897). De vroege etnografische collectie van Bali zijn doorgaans
goed gedocumenteerd en veel is bekend over hun collectiegeschiedenis (archiefmateriaal,
correspondentie, dagboeken, publicaties). Het gaat hier onder meer om 160 voorwerpen afkomstig
van de kunstschilder W.O.J. Nieuwenkamp, 1906-1907 (serie 1586). Deze collectie bevat enkele
topstukken, waaronder prachtige textielen. Aangezien Nieuwenkamp tijdens zijn verzamelreis getuige
was van de militaire expeditie tegen Badung en Tabanan (1906) kon hij, voordat de paleizen werden
vernietigd, een aantal topstukken verzamelen, bijvoorbeeld de zeer grote, rijk met houtsnijwerk
versierde deuren uit het paleis van Denpasar, en een aantal schilderingen en beelden van hoge
kwaliteit uit Tabanan.
Grote verzamelingen hofcultuur/paleisschatten, bijeengebracht tijdens de militaire expedities tegen
Badung in 1906 (serie 1602) en Klungkung in 1908 (serie 1684) werden toebedeeld aan Leiden, nadat
het Museum van het Bataviaasch Genootschap (het huidige Nationaal Museum in Jakarta) de eerste
keus uit de kostbare voorwerpen had gemaakt. Paleisschatten uit Cakranegara/Lombok kwamen als
gevolg van de militaire expeditie in 1894 als series 2364 en 4905 in Museum Volkenkunde (overdracht
Rijksmuseum). Na teruggave van het grootste gedeelte van de Lombokschat aan Indonesië in 1977
zijn nog steeds een paar honderd voorwerpen in Leiden.
De bekende Nederlandse bijbelvertaler en taalkundige Herman N. van der Tuuk (1824-1894)
verzamelde een bijzondere reeks wayangpoppen (serie 2601) op Bali, die nu goed vergeleken kunnen
worden met de recente verzamelingen wayang van prof. Dr. C. Hooykaas (serie 3887, 4281) en mw.
Dr. H. Hinzler (serie 4762).
Naast kunst(nijverheid) zijn de voorwerpen die te maken hebben met rituelen binnen het hindoeïsme
goed vertegenwoordigd in de collecties uit Bali. De kunstschilder W.O.J. Nieuwenkamp besteedde hier
12
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
in 1906 al aandacht aan, terwijl later door toedoen van de fysisch antropoloog Dr. J.P. Kleiweg de
Zwaan (1875-1971) in 1939 een belangrijke verzameling rituele kunst in het museum kwam. In deze
collectie bevinden zich ook veel weefsels, vooral uit Lombok, maskers en aardewerk. Mevrouw Dr. F.
Brinkgreve verzamelde, tijdens onderzoek in 1983 vooral objecten die gebruikt worden in offerrituelen,
inclusief bijbehorende foto’s en documentatie (serie 5258). Vergelijkingen zijn mogelijk met collecties
van C. Hooykaas, die eerder in hetzelfde dorp werkte (serie 4255) en van W.O.J. Nieuwenkamp.
De collectie Balinese schilderingen (ondermeer van Ir. Th.J. Resink, serie 4491, ongeveer 150
doeken) omvat belangrijke Kamasan doeken, waarop oude hindoeverhalen worden afgebeeld. Op het
gebied van de schilderkunst bezit Museum Volkenkunde verder een belangwekkende verzameling
vroegmoderne schilderkunst en houtsnijwerken, afkomstig van de fotograaf Paul Spies en de schilders
Walter Spies (geen familie) en Rudolf Bonnet (serie 4225).
- Kalimantan
Van Indonesisch Borneo is een collectie van wereldniveau aanwezig; zowel verzameld door
Dr. A.W. Nieuwenhuis als van vóór die tijd. De reizen van Nieuwenhuis zijn het meest bekend. Zijn
collecties zijn verdeeld over het Bataviaasch Genootschap in het voormalige Batavia (nu het Nationaal
Museum in Jakarta) en het Museum Volkenkunde (series 1219, 1308). Mede vanwege de
gepubliceerde werken van Nieuwenhuis kunnen deze collecties met recht referentiecollecties worden
genoemd. Ze zijn van groot belang voor de cultuurgeschiedenis van Borneo.
De collecties die vóór Nieuwenhuis verzameld zijn, hebben in de literatuur veel minder aandacht
gekregen. Zo is de Natuurkundige Commissie collectie (serie 16, eerste helft negentiende eeuw) nooit
systematisch bestudeerd. Ook G.F. Wienecke, J. Semmelinck en J.J. Korndörffer zijn op Borneo
geweest. Buitengewoon boeiend materiaal, zoals oude maskers die worden gebruikt bij de
dodenrituelen van de Ngaju en prachtige jackjes van boombast en kralen, is ook te vinden in de
collecties W.E.M.S. Aernout (781), A. van Senden (789), S.W. Tromp (series 717, 893, 959 en 979) en
E.W.F. van Walchren (1365, 1573). De laatste trok overigens vlak ná Nieuwenhuis door de
binnenlanden van het immense eiland.
- Sulawesi
Van het omvangrijke eiland Sulawesi – het vroegere Celebes - is, alles bij elkaar genomen, een
belangwekkende en oude collectie aanwezig, waar in het verleden helaas weinig mee is gedaan. Die
collectie is in de loop der tijd in Leiden terecht gekomen door toedoen van een hele reeks van
enthousiaste en toegewijde verzamelaars die op Sulawesi woonachtig en werkzaam zijn geweest. In
dit verband kunnen worden genoemd de taalkundige, zendeling en bijbelvertaler B.F. Matthes (serie
522), de bestuursambtenaar G.W.W.C. baron van Hoëvell (serie 776), de zendelingen A.C. Kruyt en
N. Adriani – beiden bekend vanwege de standaardwerken die zij samen hebben geschreven over
gedecoreerde boombast – (series 1232, 1759), de beide Zwitserse neven en natuurvorsers Paul en
Fritz Sarasin (serie 1456), Prof. M.W.C. Weber, D.E.E. Wolterbeek Muller, en vele anderen.
In zijn “Catalogus van het ’s-Rijks Ethnographisch Museum” heeft H.H. Juyboll heeft maar liefst drie
delen aan de Sulawesi collectie gewijd. De collectie bevat veel beschilderde boombastdoeken uit
Centraal-Sulawesi. Opvallend zijn ook de rituele attributen van travestiete priesters van Zuid-Sulawesi.
Objecten van de militaire expedities tegen Bone en Gowa (Zuid-Sulawesi) zijn in de jaren dertig van
de twintigste eeuw geretourneerd. Het Museum Volkenkunde bezit tevens enkele stenen sarcofagen
uit Minahasa, waar onder een topstuk (1686-1).
Van de bekendste bevolkingsgroep van Sulawesi, de Sa’dan Toraja, heeft het museum ongeveer 600
voorwerpen, waaronder een mooie collectie voorbeelden (monsters) van huisdecoraties (serie 3892,
verzameld door dr. J.J.J. Goslings).
- Nusa tenggara (exclusief Lombok)
Voor dit deel van de Indische archipel bezit Museum Volkenkunde een topcollectie van oude
etnografica. Al in de tijd van de reizen van de Natuurkundige Commissie reizen (1828-1836; series 1
en 16) werd veel verzameld in Nusa tenggara (de Kleine Soenda eilanden) en daarmee bezit het
museum de oudste collecties uit het gebied. Maar ook later zijn regelmatig verzamelingen
binnengekomen, zoals van B.F. Matthes (serie 131), Dr. G.A.J. van der Sande (1671, 1710) en van
B.A.G. Vroklage (2380). In de vroegst verzamelde collecties bevinden zich opvallend veel textielen.
- Maluku
Het Museum Volkenkunde bezit een zeer belangrijke oude Molukken-verzameling, die in hoofdzaak
afkomstig is van de Noord-, Centraal- en de Zuidoost-Molukken. Deze verzameling is dermate divers
en zo omvangrijk dat het niet mogelijk is daarvan in een kort bestek een goed dekkend overzicht te
13
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
geven. De publicatie uit 1995 van Nico de Jonge en Toos van Dijk, Vergeten Eilanden. Kunst en
Cultuur van de Zuidoost-Molukken zou in dit verband al voor een inzicht in een deel van de collectie
uitkomst kunnen bieden. Verder willen wij volstaan met te verwijzen naar enkele belangrijke
verzamelaars wier deels al vertrouwde namen hier niet mogen ontbreken. Afgezien van een aantal
zeer oude voorwerpen (series 1 en 16) bezit het Museum Volkenkunde collecties van Carl Baron von
Rosenberg (series 66, 130), J.J. Korndörffer (193, 225, 241), de bestuursambtenaren J.G.F. Riedel
(serie 355) en G.W.W.C. baron van Hoëvell (serie 776), de Duiste geoloog prof. Dr. Karl Martin (serie
1030), de controleur M.C. Schadee (serie1476; belangrijk vanwege de goede kwaliteit van stukken uit
de Zuidoost-Molukken), D.E.E. Wolterbeek Muller (series 402, 1613) en de militair A.J. Gooszen (serie
1889). In 1914 werd tevens een belangrijke schenking van het Bataviaasch Genootschap
ingeschreven (serie 1904).
- Irian Jaya
Over de omvangrijke collecties uit Iryan Jaya – ook aangeduidt als Papua en het meest oostelijke deel
van Indonesië – die in meer dan een eeuw tijd door Museum Volkenkunde zijn verworven, kan hier in
algemene zin worden opgemerkt dat het in de loop der tijd vrijwel allemaal topcollecties zijn geworden.
Binnen het Museum Volkenkunde valt dit deel van Indonesië echter structureel onder het beheer van
de conservator van de afdeling Oceanië, en om die reden blijven de verzamelingen uit Iryan Jaya hier
buiten beschouwing. In het nog te verschijnen collectieprofiel van die afdeling zal wel nader worden in
gegaan op de collecties uit deze regio.
Al eerder is aangegeven dat naast de reeks van beschrijvingen van diverse deelcollecties met een
rangschikking op geografische en/of culturele herkomst, ook een tweetal beschrijvingen zullen worden
gegeven van niet-geografische categorieën: ‘préhistorie en hindoeboedhistische collecties’ en
‘mengvormen’.
- Préhistorie en hindoeboeddhistisch Indonesië
Het Museum Volkenkunde bezit een grote verzameling préhistorische voorwerpen (voornamelijk
stenen klingen, maar ook enkele goede bronzen voorwerpen, onder meer bijlklingen en een
gedecoreerd bovenvlak van een Dongson trom), die nog onvoldoende bestudeerd is. Na Van
Heekeren’s werk, is (afgezien van een poging door een stagiaire) nauwelijks naar deze collectie
omgekeken. De voorwerpen zijn uit verschillende bronnen afkomstig en de bijbehorende informatie is
divers van kwaliteit.
De hindoeboeddhistische verzameling is de op één na belangrijkste van de wereld. De belangrijkste
bevindt zich in het Nationaal Museum in Jakarta. De collectie bevat diverse soorten voorwerpen:
stenen beelden, bronzen beelden, priesterattributen, gouden sieraden, inscripties (in steen en brons),
etc. Een groot deel is verzameld in de eerste decennia van de negentiende eeuw, toen de
Nederlandse interesse voor Indonesische oudheden enorm toenam (Lunsingh Scheurleer 2007). De
oudheden werden eerst naar het Rijksmuseum van Oudheden gebracht en pas in 1903 aan het
Museum Volkenkunde overgedragen. Het merendeel van de voorwerpen bevindt zich in serie 1403.
Absolute topstukken zijn de Singasari beelden (zie Endang Sri Hardiati en Pieter ter Keurs 2005).
Behalve deze beelden is vooral ook de collectie bronzen van groot belang. Diverse stijlen bronzen
hindoe goden en Boeddha’s en Bodhisatva’s, variërend van de achtste tot de zestiende eeuw, zijn
vertegenwoordigd.
- Mengvormen
Tenslotte een niet-geografische categorie die het beste te omschrijven is met termen als ‘flexibiliteit’
en ‘mengvormen’. Recent is in de wetenschappelijk en museologische literatuur (zie Ter Keurs 2007)
veel aandacht gekomen voor zogeheten hybride groepen; dat wil zeggen groepen die voortkomen uit
gemengde huwelijken. In de koloniale tijd gingen de autoriteiten wat ongemakkelijk om met deze grote
groepen indo-europeanen, peranakan of mestiezen. Als museale categorieën komen ze in de oude
catalogi niet of nauwelijks voor. Een grondige herbestudering van collecties en indelingsprincipes zou
wel eens tot verrassende conclusies kunnen leiden. Zo is recent in de collectie van Museum
Volkenkunde een aantal peranakan textielen geïdentificeerd, die eerder gelabeld waren als Javaans
of Chinees.
In het algemeen dienen culturele flexibiliteit en cultuurcontacten veel meer aandacht te krijgen dan tot
nu toe het geval is. Dit heeft ook gevolgen voor het verzamelbeleid.
14
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Filippijnen
Aan de Filippijnen collectie is sinds het verschijnen van de Juynboll catalogus (1928) nauwelijks
aandacht besteed. Het gaat om ongeveer 1400 voorwerpen van doorgaans goede kwaliteit.
Buitenlandse specialisten roemen de collectie van Museum Volkenkunde vanwege de ouderdom en
de zeldzaamheid van de objecten. Vooral de collectie van Dr. A. Schadenberg (series 882, 936, 1047)
is bekend bij Filippijnen specialisten. Deze Duitse apotheker heeft veel verzameld in Noord-Luzon.
Ook zijn publicaties worden geroemd en vormen een belangrijk onderdeel van de documentatie bij de
collectie. Een andere, zij het minder belangrijke, verzamelaar is P.K.A. Meerkamp van Embden, de
toenmalige Nederlandse consul (series 1109, 1250, 1260). Kwalitatief zeer goed zijn de oude
collecties van de Franse diplomaat Bréjard (serie 566; 290 voorwerpen) en A. van der Valck (825, 204
voorwerpen).
Maleisië.
Volkenkunde bezit 151 voorwerpen uit Maleisië, inclusief het huidige Singapore. Het betreft 95
voorwerpen uit Oost-Maleisië, het insulaire deel van het land, en 56 voorwerpen van het vasteland.
Deze deelcollectie is hiermee de zwakste van de collecties van het cultuurgebied insulair ZuidoostAzië. Vooral in Engeland en in Maleisië zelf zijn grotere en betere collecties aanwezig.
De collectie uit Oost-Maleisië, voornamelijk Sarawak, is voor ons nog wel van belang vanwege de
Iban herkomst van de meeste objecten. De Iban leven zowel in het Maleisische als in het
Indonesische deel van Borneo.
De collectie in nationaal en internationaal perspectief
Nationaal
Veel Nederlandse musea, niet alleen volkenkundige, beheren Indonesië-collecties. De Leidse collectie
is echter de grootste en de oudste (en relatief goed gedocumenteerd). Andere Volkenkundige Musea
bezitten zonder meer interessante deelcollecties en ook volgens esthetische maatstaven is een aantal
belangwekkende stukken aan te wijzen. Zo bezit het Tropenmuseum belangrijke collecties uit de
Bataklanden en van de Toraja van Sulawesi. De Leidse collecties uit deze gebieden zijn weliswaar
vaak ouder, maar esthetisch minder interessant. Ook de kleinere musea, zoals die van Delft,
Groningen en Nijmegen bezitten interessante stukken.
Internationaal
De Nederlandse Indonesië-collecties zijn de belangrijkste ter wereld. De Leidse collectie speelt daarin
een prominente rol en internationaal is de Volkenkunde-collectie alleen vergelijkbaar met die van het
Nationaal Museum van Indonesië (de collectie van het voormalige Bataviaasch Genootschap van
Kunsten en Wetenschappen) in Jakarta. Helaas is van het Nationaal Museum geen catalogus
beschikbaar zodat een goede vergelijking nog steeds op zich laat wachten. De hindoeboeddhistische
verzameling van het Nationaal Museum is in ieder geval groter, en beter van kwaliteit, dan die van het
Museum Volkenkunde; ondanks de aanwezigheid van de beroemde Singasari beelden in Leiden. Ook
de keramiek collectie van het Nationaal Museum stijgt ver boven die van Leiden uit. Wat etnografica
betreft zal het Leidse museum beter voorzien zijn, maar ook dat is niet bij alle deelcollecties het geval.
Zo heeft het Nationaal Museum in Jakarta een betere collectie hofkunst dan Volkenkunde.
Het is overigens aanbevelenswaardig alle Nederlandse Indonesië-collecties in relatie tot elkaar en in
relatie tot de oude verzamelingen in Indonesië zelf te bestuderen. Ze maken alle deel uit van dezelfde
verzamelgeschiedenis.
De Filipijnen collectie is weliswaar bescheiden van omvang, maar zij mag vooral door haar ouderdom,
de relatieve zeldzaamheid van de voorwerpen en hun goede kwaliteit in de museale wereld van groot
belang worden geacht.
Voor de Leidse Maleisië verzameling geldt bijna het tegenovergestelde als voor de Filipijnen
verzameling: zij is zeer klein en staat zowel inhoudelijke als kwalitatief in geen verhouding tot Maleisië
collecties elders ter wereld
Collectiekwaliteit en deselectie
Gezien het internationale belang van de Indonesische collecties ligt het zwaartepunt van verzamelen
en onderzoek op dit gebied. Deze collecties staan ook centraal in Erfgoed projecten, vaak in het
verlengde van het buitenlands cultuurbeleid van Nederland dat sterk in ontwikkeling is. Sumatra en
omliggende eilanden en Oost-Indonesië (Maluku en Nusa tenggara) inclusief de overgang naar
Oceanië krijgen momenteel veel aandacht. Daarnaast krijgt de Filippijnen-collectie vanwege haar
ouderdom en zeldzaamheid de nodige aandacht wat betreft documentatie.
15
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
De hierboven aangegeven zwakte van de Maleisië verzameling rechtvaardigt het nauwelijks om daar
veel energie of middelen aan te besteden. Het vasteland van Maleisië is geen prioriteit voor het
Museum Volkenkunde en de mogelijkheden tot deselectie van deze deelcollectie worden onderzocht.
Alleen de Sarawak (insulair Maleisië) verzameling is van belang om te dienen als
vergelijkingsmateriaal voor toekomstig onderzoek aan de Kalimantan collectie.
16
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Literatuur
Adriani, N. en A.C. Kruijt
1905 Geklopte Boomschors als Kleedingstof op Midden-Celebes. Leiden: E.J. Brill.
Endang Sri Hardiati en Pieter ter Keurs (red.)
2005 Indonesia: De Ontdekking van het Verleden. Amsterdam: KIT Publishers.
Chutiwongs, N.
2001 Ancient Indonesian Sculptures in the National Museum of Ethnology, Leiden. In: CNWS
Newsletter 21:80-89.
2004 Reflections in Bronze. In: Anupa Pande and Pandya Dhar (eds.), Cultural Interface of India
with Asia, Religion, Art and Architecture. New Delhi: National Museum Institute, Monograph
Series 1:23-53.
2007 Candi Singasari – A Recent Study. In: Interpreting Southeast Asia’s Past: Monument, Image
and Text. Proceedings of the International Conference of the European Association of
Southeast Asian Archaeologists, London 2004; Singapore; Singapore University Press:100121.
Fischer, H.W.
1912 Atjèh, Gajo- en Alaslanden: Catalogus van ‘s Rijks Ethnographisch Museum. Deel 6; Leiden:
E.J.Brill.
Jessup, H.I.
1990 Courts Arts of Indonesia. New York: The Asia Galleries/Harry N. Abrams, Inc.
Jonge, Nico de, en Toos van Dijk,
1995 Vergeten Eilanden: Kunst en Cultuur van de Zuidoost-Molukken. Amsterdam Periplus.
Josselin de Jong, J.P.B.
1935 De Maleische Archipel als ethnologisch studieveld. Oratie; Leiden: Ginsberg.
Juynboll. H.H.
11909-1932 Catalogus van ‘s Rijks Ethnographisch Museum. Deel 1-23. Leiden: E.J.Brill.
Fontein, J., met R. Soekmono en Edi Sedyawati
1990 The Sculpture of Indonesia. Washington/New York: National Gallery of Art/Harry N. Abrams,
Inc.
Keurs, P.J. ter
2002 Eakalea: A Ritual Feast on Enggano Island, Viewed from a Regional Perspective. Indonesia
and the Malay World 30/88:238-252.
2007 Cultural Hybridity in Museum Collections. In: Embroidered Multiples: 18th – 19th Century
Philippine Costumes from the National Museum of Ethnology, Leiden, The Netherlands:3243. Manila: Royal Netherlands Embassy and Ayala Foundation, Inc.
i.p.
Collecting in the Colony: Hybridity, Power and Prestige in the Netherlands East Indies. In:
Indonesia and the Malay World (in preparation)
Keurs, P.J. ter (ed.)
2007 Colonial Collection Revisited. Mededelingen van het Rijksmuseum voor Volkenkunde 36;
Leiden: CNWS Publications
Lunsingh Scheurleer, P.
2007 Collecting Javanese Antiquities: The Appropriation of a Newly Discovered Hindu-Buddhist
Civilization. In: P.J. ter Keurs (ed.), Colonial Collection Revisited. Mededelingen van het
Rijksmuseum voor Volkenkunde 36: 71 - 114; Leiden: CNWS Publications.
Nieuwenhuis, A.W
1904-1907 Quer Durch Borneo. Leiden: E.J. Brill (2 dln.).
17
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Rosenbrand, R.
1992 Maleisië en Singapore: een uitdraai van de betreffende collectie van het Rijksmuseum voor
Volkenkunde te Leiden. Ongepubliceerd rapport.
Schröder, E.E.W.G.
1917 Nias: Ethnographische, Geographische en Historische Aaanteekeningen en Studiën. Leiden:
E.J. Brill (2 dln.).
Serrurier, L.
1896 Wajang Poerwa: eene ethnologisch studie. Leiden: E.J. Brill.
Taylor, P.M. en L.V. Aragon
1991 Beyond Java Sea: Art of Indonesia’s Outer Islands. Washington: The National Museum of
Natural History, in association with Harry N. Abrams, Inc. New York.
18
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel ‘Zuid- en vasteland Zuidoost-Azië’
Nandana Chutiwongs
Inleiding
Geografische omschrijving
Met de aanduiding ‘Zuid- en vasteland Zuidoost Azië’ wordt in Museum Volkenkunde een afdeling
aangeduid die zich in geografische zin ruwweg uitstrekt van het stroomgebied van de Indus in het
westen tot de Straat van Malakka in het oosten. In het noordwesten, noorden en het noordoosten
scheiden bergen – Pamir, Karakorum en de Himalaya’s – het Indisch subcontinent van de rest van
Azië en in het zuiden en zuidoosten vormt de Indische Oceaan de natuurlijke begrenzing. In politieke
zin omvat deze afdeling met deze regio van west naar oost en van noord naar zuid de landen
8
9
Pakistan , Nepal, Bhutan, India, Sri Lanka, Bangladesh, Birma, Laos, Cambodja,Vietnam , Maleisië en
Thailand. Tibet, dat zowel politiek als fysiek buiten de aangegeven geografische begrenzing van de
afdeling valt, wordt in de alledaagse museale praktijk eveneens als een belangrijk, bijna onlosmakelijk
gebied binnen de afdeling beschouwd.
Cultuurgebieden
Het grote gebied omvat een royale diversiteit aan volkeren en daarmee ook de nodige uiteenlopende
culturen, waarbij de onderlinge scheidslijnen soms vrij scherp zijn (gebleven), maar waarbij ook vaak
in de loop van de geschiedenis belangrijke vermengingen hebben plaatsgevonden. Als belangrijkste
culturen dienen te worden genoemd:
- de Indo-arische cultuur, in het noordelijke deel van het Indische subcontinent en bij de Singhalezen
op het eiland Sri Lanka;
- de Dravidische cultuur, in het zuidelijke deel van het Indische subcontinent (van de Tamil en de
Kannada);
- de Tibeto-Birmaanse cultuur (van de Tibetanen, de Sherpa in Nepal, de Lepcha in Sikkim, de
Bhutanezen in Bhutan, de Pyu en de Birmezen in Birma);
- de Mon-Khmer cultuur (de Mon-cultuur in Birma en Thailand, de Khmer-cultuur van de Khmers in
Cambodja);
- de Thaise cultuur (verspreid onder de Shan in Birma, de Siamezen in Thailand en de Laotianen in
Laos).
Verder kunnen worden onderscheiden:
- de Newari cultuur in Nepal;
- de Cham cultuur in Zuid-Vietnam;
- Verschillende tribale culturen (waaronder de Santal, de Baiga, de Munda, de Naga, de Khasi en de
Gond in India; de bergstammen ten noorden van Birma, Thailand en Vietnam; en de Jarai in het
grensgebied tussen Cambodja en Vietnam).
Omvang van de verzameling
De verzameling van de afdeling Zuid- en vasteland Zuidoost-Azië omvat bijna 12.000 voorwerpen, die
zoveel mogelijk zijn onderverdeeld en geregistreerd naar land en cultuur van herkomst. Vanuit die
onderverdeling beschouwd, bestaat de collectie – in percentages uitgedrukt – uit de volgende
hoofdgroepen:
circa 33 procent voorwerpen is afkomstig uit de Indo-Arische cultuur;
circa 26 procent van de Thaise cultuur;
circa 25 procent van de Tibeto-Birmaanse cultuur;
circa 5 procent van de Dravidische cultuur;
circa 5 procent van de Newari cultuur;
circa 5 procent van de verschillende tribale culturen,
en tenslotte circa 1 procent van de Mon-Khmer cultuur.
8
Pakistan is vanwege het prominente islamitische karakter gekoppeld aan de afdeling Zuidwest- en Centraal-Azië.
9
Vietnam valt binnen het museum onder het beheer van de conservator van de afdeling China. De belangrijkste reden hiervoor
is gelegen in het feit dat de regio Vietnam politiek en cultureel eeuwenlang onder sterke Chinese (Confucianistische) invloed
heeft gestaan.
19
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Geschiedenis van de collectie
De vroege verzamelingen
De vroegst verworven voorwerpen behoren tot de Siebold-collectie (serie 1). Het betreft een klein
aantal zilveren munten van Thailand en zo’n zeventig religieuze voorwerpen van de Tibetaanse
cultuur, die via Tibetaanse gemeenschappen elders China en via overzeese handelscontacten
uiteindelijk hun weg hebben gevonden naar de geïsoleerde Nederlandse factorij op het eilandje
Decima, bij Nagasaki in Japan.
De vroegste substantiële verzamelingen van het Indiase subcontinent bestaan uit schenkingen van
muziekinstrumenten en huisraad van een prinselijke familie uit Bengalen in de jaren tachtig van de
negentiende eeuw (series 252, 397 en 651). In diezelfde periode stimuleren ook de grote Wereld- en
Koloniale Tentoonstellingen tussen 1883 en 1889 de toenmalige directeur van het ’s-Rijks
Ethnografisch Museum, Lindor Serrurier, tot het verrichten van omvangrijke aankopen. Zo worden in
totaal ongeveer 400 Zuid- en Zuidoost-Aziatische voorwerpen van de tentoonstellingen in Londen
(serie 421), Amsterdam (serie 584) en Parijs (series 750, 754 en 759) aan de museumcollectie
toegevoegd. Een interessant gegeven daarbij is het feit dat door die Wereld- en Koloniale
Tentoonstellingen veel aandacht werd gevestigd op de tribale culturen van India en dat dit onder
andere heeft geleid tot de verwerving van nu zeer zeldzame voorwerpen van de Naga-cultuur van
India (serie 652).
Andere substantiële bijdragen aan de collectie komen in dat decennium uit de opheffing van het
Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in 1883 (serie 360) verzameling (360), of zijn het directe of
indirecte gevolg van het staatsbezoek van de koning van Thailand in datzelfde jaar. De schenkingen
van de koning (serie 413), van de Nederlandse Consul te Bangkok, P.S. Hamel (series 432, 504 en
627), en de aankoop van een groot ensemble schaduwspelpoppen (serie 582 vormen gezamenlijk de
vroegste kernen van de deelcollectie Thailand.
Tezelfdertijd of tegen het einde van de negentiende eeuw worden op incidentele basis ook andere
regio’s en deelcollecties met substantiële (eerste) aanwinsten bedacht: uit Sri Lanka komt door een
schenking van de Duitse (serie 483) een collectie van 181 voorwerpen die voortkwamen uit het
dagelijks leven op dat eiland en de aankoop van religieuze voorwerpen uit het Tibetaanse
cultuurgebied bij de firmanten van E.J. Brill (serie 1119) vormt een belangrijke aanvulling op de
collectie uit die geïsoleerde bergstreek. De schenkingen van de heren A.B. en J.H. Cohen Stuart
(series 1683, 1694, 1725) en van de Noorse zendeling en taalkundige Paul Olaf Bodding (serie 1753)
– in totaal 234 objecten van de Santal-cultuur – zijn kort voor en na de eeuwwisseling belangrijke
aanwinsten op het gebied van de tribale culturen van Zuid- en vasteland Zuidoost-Azië.
Aan het begin van de twintigste eeuw verrijken de overdracht van archeologica van het Rijksmuseum
van Oudheden (serie 1403) en de schenkingen van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap (series
1877, 1904) de collectie met vele belangwekkende voorwerpen. Opvallend daarbij is dat vooral
ambtenaren uit het koloniale bestuur van Nederlands Oost-Indië en India en Indonesië actief waren
geweest met het verzamelen en overdragen van collecties. Een een ambtenaar die in dit verband
zeker even dient te worden genoemd, is Jean Philippe Vogel (1871-1958) (series 1682 en 1837).
Vogel werkte van 1901 tot 1914 voor de Archaeological Survey of India, om te beginnen als
inspecteur van archeologie van de 'Punjab Circle', daarna als hoofdinspecteur van de gehele
'Northern Circle', en tot slot, van 1910 tot 1912 als waarnemend directeur-generaal van de
Archaeological Survey of India. Hij keerde terug naar Nederland om daar van 1914-1939 de leerstoel
van Sanskrit en Indiase Archeologie aan de universiteit van Leiden te bekleden. Met zijn terugkeer
naar Nederland versterkte hij de belangstelling in Nederlandse wetenschappelijke kringen voor de
materiële cultuur van India en haar invloedssfeer. Dit leidt ten dele weer in een actief verzamelbeleid
vanuit het museum zelf, hetgeen vooral blijkt uit aankopen bij veilinghuizen in Nederland en elders in
Europa (series 1344, 1375, 1388, 1389, 1419, 1442, 1990 en 2069) of via het toentertijd vrij
gebruikelijke ruilverkeer met musea in India (serie 1492) en in Europa (serie 1863).
Uitbreidingen van de vroege verzamelingen
De oprichting door Prof. Vogel in 1925 van het “Instituut Kern”, voor de studie Indologie en talen en
culturen van Zuid- en Zuidoost-Azië te Leiden, maakte Nederland tot een belangrijk centrum voor de
oriëntalistiek, in het bijzonder de wetenschappelijke studie van het Indiase cultuurgebied. Dit heeft
opnieuw zijn weerslag op de verzamelactiviteit van het museum, zoals blijkt uit de nadruk op
verwerving van voorwerpen van religieuze kunst en kunstnijverheid van het oude India, zowel door
aankoop (series 2240, 2593, 3025, 4201) als door ruil met musea elders ter wereld (series 2085,
2191, 2241, 3038). Daarnaast vormen in de periode van het Interbellum en uitlopend tot enkele
20
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
decennia na de Tweede Wereldoorlog, diverse schenkingen en legaten van wetenschappers en
verzamelaars waardevolle toevoegingen (series1943, 1994, 2593, 3290, 3296, 3436, 4235). In deze
periode worden ook twee belangrijke series van Indiase miniaturen en afgietsels van sculpturen door
respectievelijk het Leidse Prentenkabinet en het Instituut Kern aan het museum in bruikleen gegeven
(B8 en B79).
De gespreide aankoop van de verzamelingen van boeddhistisch/lamaïstische kunst van het
10
Tibetaanse cultuurgebied van de erven van de Nederlandse theosoof Johan van Manen (series
2354, 2739, 2740) en van Mevr. M. Groskamp-Voûte (serie 2798) zorgt ervoor dat dit complex tot een
van de beste in de westerse wereld gaat behoren. In elk geval geeft het handboek van P.H. Pott uit
1951 over deze collectie deze verzameling internationale bekendheid. Latere aanvullingen, waaronder
de schenking van de Belgische pater R. Verbois C.I.C. M. (Scheut) van Lamaïstische prenten uit
Mongolië en China (serie 3043) en de aankoop van boeddhistische beelden en rituele voorwerpen uit
Sikkim door bemiddeling van Tibetaanse monnik en medicus Rechung Rinpoche Jampal Kunzang
(series 4107, 4148, 4530) versterken opnieuw het geheel. Daarenboven moet worden vastgesteld dat
onder de bezielende leiding van Prof. Dr. Pieter H. Pott – van huis uit Indoloog, van 1947 tot 1955
conservator van de afdeling en van 1955 t/m 1982 directeur van het Rijksmuseum voor Volkenkunde –
het boeddhistisch en hindoeïstisch karakter de collectie van de afdeling Zuid- en vasteland Zuidoost
Azië nog extra aandacht en nadruk krijgt en met actief verzamelbeleid wordt versterkt.
Recente ontwikkelingen
Pieter Pott’s fascinatie voor zijn eigen vakgebied maakt hem echter niet blind voor andere regio’s
binnen de afdeling Zuid- en vasteland Zuidoost-Azië. Evenmin is hij blind voor nieuw verzamelbeleid.
Dat nieuwe beleid, gericht op veldwerk van de eigen conservatoren en het zelf verzamelen in het veld,
komt rond het eind van de jaren ‘60 op gang. Voor de afdeling betekent dit dat in de jaren 1971-’72
wordt deelgenomen aan een grote expeditie naar Thailand. Deze expeditie vindt plaats in
samenwerking met de andere volkenkundige musea in Nederland. Voor het Rijksmuseum voor
Volkenkunde levert zij een aanwinst van circa 900 voorwerpen op, voornamelijk betrekking hebbende
op dagelijks leven van de Thaise bevolking (serie 4626).
Na het succes van deze expeditie volgen nog een aantal andere verzamelreizen naar andere
aandachtgebieden van de afdeling. De reizen worden gemaakt door de conservator zelf of door
andere onderzoekers in opdracht van het museum. De grootste aandacht richt zich daarbij op tribale
gebieden in Centraal-India (series 4272, 4332, 4590, 4591, 4699, 4826, 4845, 4873, 5484), op NoordIndia en Nepal (series 4749, 4769, 4849, 4921, 5482), op Zuid-India (serie 5083), op Sri Lanka (series
5224, 5226, 5232, 5236, 5244 5789) en op Laos (serie 5914). De aanwinsten uit deze
verzamelactiviteiten worden het publiek getoond in o.a. drie tentoonstellingen die in 1983, 1987 en
1992 in Museum Volkenkunde worden georganiseerd. Een voorbeeld van een belangwekkende
verwerving tijdens een van deze reizen is de complete set rituele voorwerpen voor het oeroude
Indiase Vuuroffer (5043), dat voor het laatst in 1985 te Kerala werd gehouden. Deze aanwinst is op
zijn minst bijzonder te noemen, omdat, voor zover bekend, in geen ander museum een set van
gelijkaardige omvang en kwaliteit is te vinden.
Deze laatste kwalificaties zijn ook van toepassing op een verzameling die in 2007 wordt
bijeengebracht tijdens een veldreis naar de Indiase deelstaat Rajasthan. In de steden Jaipur en
Bikaner is in het spoor van het oude Mogolrijk en de Rajputculturen een complex aan sieraden en
gerelateerde voorwerpen verzameld. De verzameling geeft onder andere inzicht in de plaats die de
traditionele kundanstijl inneemt in hedendaags India (met betrekking tot identiteit) en in de mondiale
mode-industrie.
Ondertussen wordt in tussenliggende jaren op bescheiden wijze, doch niet zonder gerichte studie,
aandacht en zorgvuldigheid, door de conservator gewerkt aan gedoseerde uitbreiding en versterking
van zoveel mogelijk deelcollecties. Sri Lanka, Tibet, Laos en Thailand mogen zich daarbij vooral in
aandacht verheugen.
Collectiebeschrijving
Indelingsprincipe
Bij de beschrijving van de omvang van de collectie is reeds een onderverdeling gemaakt in een
zevental hoofdgroepen, gekoppeld aan belangrijke cultuurgebieden die binnen de regio van de
afdeling kunnen worden onderscheiden. Deze zeven hoofdgroepen vormen de basis voor de
onderverdeling in de onderstaande paragrafen, waarin telkens de museumcollectie uit de betreffende
groep zal worden getypeerd. Deze verdeling sluit aan bij de ook voor andere afdelingen gekozen
10
Mari Albert Johan van Manen (1877-1943).
21
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
structuur voor de collectiebeschrijving. Desalniettemin is het van belang te beseffen dat voor de
afdeling Zuid- en vasteland Zuidoost-Azië ook andere ordeningsprincipes recht kunnen doen aan een
goede collectiebeschrijving.
Zo is welbeschouwd bijvoorbeeld 70 procent van de voorwerpen van de afdeling vervaardigd voor en
gebruikt in een bepaalde religieuze context. Te denken valt daarbij aan uiteenlopende soorten
voorwerpen, zoals cultusbeelden, versieringen en onderdelen van sacrale bouwwerken, rituele
gereedschappen van de boeddhisten, de hindoes, of de Jains en andere geloofssystemen, inclusief
die van de inheemse en tribale culturen. Maar ook schilderingen, tekeningen, prenten en
handschriften met religieuze inhoud inclusief pelgrimsroutekaarten, maskers, kostuums en
muziekinstrumenten die zijn gemaakt voor rituele uitvoeringen, behoren tot dit ‘religieuze complex’.
Het is ook binnen deze groep van de met religies gelieerde voorwerpen, dat een relatief groot aantal
voorwerpen is te vinden die het predicaat “A-categorie” verdienen. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken
aan de vele boeddhistische-of lamaïstische sculpturen, de rolschilderingen (thangka’s), of rituele
gereedschappen uit het Tibetaanse cultuurgebied.
Daartegenover staan dan de circa 30 procent aan objecten uit de collectie, die veeleer in een profane
context zijn vervaardigd en zijn gebruikt. Dit deel van de verzameling bestaat merendeels uit een
breed scala aan landbouw- en keukengereedschappen, huishoudelijke voorwerpen, huisraad,
gewicht, geld, schoeisels, speelgoed, schoolgerei, of toeristen-souvenirs van allerlei soorten en
materialen. Op enkele individuele stukken of kleine groepen voorwerpen na – bijvoorbeeld de
zeldzame figuratieve versieringen van miniatuurbouwwerken, een set van 105 traditionele
muziekinstrumenten uit negentiende eeuws Bengalen, een bijzondere verzameling van 135
schaduwspelpoppen uit Zuid-Thailand en enige vaatwerk van export-kwaliteit uit veertiende eeuws
Thailand – zijn deze wereldse voorwerpen in overgrote meerderheid te bestempelen als “B-categorie”.
- de Indo-Arische cultuur
De voorwerpen die in de collectie van Museum Volkenkunde tot deze groep behoren, zijn afkomstig uit
drie verschillende gebiedsdelen: India, Bangladesh en Sri Lanka. Het grootste gedeelte daarvan komt
uit India, waarbij de vele boeddhistische en hindoeïstische cultusbeelden en andere voorwerpen voor
erediensten en offerandes een prominente plaats innemen. Van groot belang zijn verder de oude en
nieuwe schilderingen op papier, die als onderwerp hebben de hindoe mythologie en daarmee
samenhangende religieuze verhalen. Ook de muziekinstrumenten of de schimmenspelfiguren,
waarvan het moment van gebruik verband kon en kan houden met religieuze handelingen en
gebruiken, zijn vanwege hun kwaliteit en relatieve ouderdom zeker belangrijk. Dit geldt ook voor de
objecten die als huisraad of voorwerpen voor gebruik in het dagelijks leven kunnen worden
aangemerkt en die ten dele verworven zijn via koloniale tentoonstellingen aan het einde van de
negentiende eeuw.
Veel minder omvangrijk, maar zeker niet onbelangrijk vanuit het perspectief van de met religie
samenhangende voorwerpen, is de collectie die afkomstig is uit Bangladesh. Hierbij verdient vooral
een kleine groep van boeddhistische, hindoeïstische en animistische cultusbeelden te worden
genoemd.
Eveneens relatief bescheiden in aantal – een kleine duizend voorwerpen – maar desalniettemin door
duidelijke coherenties en/of door individuele kwaliteiten van belang te achten, zijn de voorwerpen voor
religieuze erediensten, de landbouwgereedschappen en de voorwerpen die hun gebruik vonden en
vinden in het dagelijks leven op Sri Lanka.
- de Thaise cultuur
Vrijwel alle voorwerpen die in de museumcollectie uit Thailand afkomstig zijn, maken ook specifiek
deel uit van de zogenoemde Thaise cultuur. Binnen deze groep wordt circa tweederde van de
verzameling gevormd door cultusbeelden en voorwerpen voor boeddhistische erediensten en
offerandes, alsmede door gereedschappen en kledingstukken voor monniken en een aantal
boeddhistische handschriften op palmblad. Daarnaast bestaat een substantieel en belangwekkend
deel van deze collectie uit oude ceramieken, gemaakt voor zowel de export als voor lokaal dagelijks
gebruik, waarvan al eerder de aanduiding A-categorie is gegeven. Deze zelfde kwalificatie geldt voor
de grote set ceramische munten, gemaakt in Sino-Thaise stijl en bestemd voor gokspelen, en voor
een zeldzame set schimmenspelfiguren. Voor het oog minder spectaculair, maar door coherenties in
de verzamelgeschiedenis toch van grote museale waarde, zijn de landbouwgereedschappen en
andere voorwerpen voor dagelijks gebruik.
Van de voorwerpen die behoren tot de Thaise cultuur maakt ook een klein aantal uit Laos afkomstige
objecten– waaronder Boeddhabeelden en voorwerpen voor offerandes – deel uit.
22
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
- de Tibeto-Birmaanse cultuur
Qua geografische herkomst hebben de voorwerpen uit deze groep grotendeels hun oorsprong in de
regio’s Tibet en Sikkim (nu een deelstaat van India), in Bhutan en voor een klein deel van de
museumcollectie ook in Birma. Opvallend hierbij is dat de overgrote meerderheid van deze
deelcollectie bestaat uit boeddhistische beelden en rituele gereedschappen of voorwerpen voor
offerandes en meditatie. Daarbij valt ook het relatief grote aantal individuele objecten op dat zonder
twijfel het predicaat “A-categorie” verdient.
In de meeste gevallen ‘gewoner’ zijn dan de voorwerpen die deel uit maakten van de subcultuur van
de Sherpa’s (eertijds wonend in Tibet en nog wonend in Nepal): voornamelijk gereedschappen en
voorwerpen voor dagelijks leven.
Uit Birma – soms ook aangeduid als Myanmar – komt een beperkt aantal Boeddhabeelden,
voorouderbeelden en offergereedschappen, plus wat voorwerpen voor het dagelijks leven. Hiervan
kan worden vastgesteld dat hun grootste waarde is gelegen in hun herkomst.
- de Dravidische cultuur
De collectie uit de Dravidische cultuur is kort en bondig te beschrijven als een relatief kleine en
enigszins gefragmenteerde verzameling van hindoeïstische cultusbeelden en gebruiksvoorwerpen
bestemd voor erediensten en offerandes. Daarnaast zijn bevat de collectie gewone alledaagse
gebruiksvoorwerpen. Vrijwel alle objecten zijn afkomstig uit Zuid-India, in het bijzonder uit de
deelstaten Tamil Nadu in het Zuidoosten en Kerala in het Zuidwesten.
- de Newari cultuur
De Newari cultuur uit Nepal wordt in de museumcollectie grotendeels vertegenwoordigd door
hindoeïstische en boeddhistische beelden, door rituele voorwerpen te gebruiken tijdens offerandes en
door talrijke voorbeelden van gereedschappen die in het dagelijks leven en werken van de Newari een
functie hebben (gehad).
- de verschillende tribale culturen
De diversiteit van de kwaliteit van de kleine deelcollecties, die tezamen deze groep van tribale culturen
vormen, hun betrekkelijke ouderdom of de geringe onderlinge samenhang van (kleine) groepen
voorwerpen, maken dat aan deze deelcollectie als geheel een beperkte museale waarde moet worden
gehecht. Dit betekent niet dat alles onder de noemer “C-categorie” moet vallen. Zo is al eerder
gewezen op het belang de kleine doch zeldzame collectie Naga objecten (serie 625), of de Santalverzameling (234 objecten; serie 1753) bijeengebracht door de Noorse zendeling en taalkundige
Bodding. Naast objecten van de Nagas en Santals zijn daarnaast uit India ook voorwerpen van de
Munda, de Khasi, Baigas en de Gonds aanwezig. Het merendeel ervan was in algemene zin bestemd
voor het eigen tribale gebruik tijdens erediensten of in het profane leven van alle dag.
Binnen deze deelcollectie zijn verder opgenomen een bescheiden aantal voorouder- en cultusbeelden
van de Jarai Cultuur – uit het grensgebied van Cambodja en Vietnam – en verzamelingen van kleding
en lichaamsversieringen van bergstammen, onder andere van de Akhas en de Miao uit grensgebied
van Noord-Thailand en Birma.
- de Mon-Khmer cultuur
De kleinste component van de afdeling Zuid- en vasteland Zuidoost-Azië wordt gevormd door enkele
clustertjes van boeddhistische en hindoeïstische beelden en van een beperkt aantal gewone
gebruiksvoorwerpen uit Cambodja. Tevens zijn er enkele oude Boeddhistische cultusbeelden en
fragmenten van stucversiering van monumenten van de Dvaravati- Mon cultuur in Thailand. Hun
kwaliteit beweegt zich tussen alle categorieën.
Vergelijking met andere collecties
Op nationaal niveau
In algemene zin kan hier worden gesteld dat de collectie van de afdeling Zuid- en vasteland ZuidoostAzië in menig opzicht – onder andere haar omvang en haar verscheidenheid – goed is te vergelijken
met die van het Tropenmuseum te Amsterdam. Maar er zijn ook duidelijke verschillen in sterkte en
zwakte. Deze houden vooral verband met de concentratie op bepaalde regio’s – India, Sri Lanka,
Thailand en het Tibetaanse cultuurgebied – of met het tijdstip van acquisitie – vroeg negentiende
eeuw tot en met het begin van de twintigste eeuw – waarbij het Museum Volkenkunde met zijn
collectie zonder al te veel schroom van groter belang mag worden beschouwd.
Vanuit de vergelijking met het Rijksmuseum te Amsterdam is de collectie van Museum Volkenkunde
zonder twijfel veel breder en omvangrijker. Desalniettemin bezit het Rijksmuseum bijvoorbeeld een
23
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
uitstekende en onovertroffen verzameling Indiase miniaturen en prenten uit de zestiende tot
negentiende eeuw. Een zelfde collectie van Museum Volkenkunde is ten dele als de mindere te
beschouwen, maar biedt weer meer mogelijkheden voor studie naar de stilistische ontwikkeling van de
Indiase schilder- en tekenkunst, en strekt zich bovendien uit van de zeventiende eeuw tot heden.
Het Wereldmuseum in Rotterdam bezit een zeer goede verzameling religieuze voorwerpen van het
Tibetaanse cultuurgebied. Desondanks biedt ook hierbij de collectie van Museum Volkenkunde zowel
qua omvang als qua samenstelling – vooral door de omvangrijke en goed gedocumenteerde locale
acquisities van Van Manen, Rechung en pater Verbois – een breder scala aan mogelijkheden voor
representatie en studie van het Tibetaanse cultuurgebied. Ook de verzameling voorwerpen uit het
dagelijks leven van Thailand van Volkenkunde is ten opzichte van de Rotterdamse collectie duidelijk
belangwekkender, zeker waar het de vroege aanwinsten uit de negentiende eeuw betreft.
Vanuit een specifieke hoek bekeken – die van de Zuid- en Zuidoost-Aziatische ceramiek – bezit met
name het museum Het Princessehof te Leeuwarden een zeer goede en nationaal beschouwd
nauwelijks te overtreffen collectie export-keramiek uit Thailand. In vergelijking daarmee is de collectie
van Museum Volkenkunde qua omvang duidelijk bescheidener, maar is zij is met betrekking tot
bepaalde ceramiekstijlen ook evident gevarieerder en beslaat zij een bredere tijdspanne.
Tenslotte: landelijk bezien, en in zijn algemeenheid gesteld, is de collectie rituele voorwerpen van
boeddhisten en hindoes van de Afdeling Zuid- en Zuidoost Azië van Volkenkunde de meest
gevarieerde en de meest omvangrijke in Nederland. Eveneens landelijk beschouwd geldt mag
ditzelfde worden beweert ten aanzien van de collectie religieuze kunst van het Tibetaanse
cultuurgebied.
In internationaal perspectief
Wanneer het woord “internationaal” als synoniem voor “mondiaal” moet worden gelezen, dan zijn er tal
van musea in de wereld die met de aard en opbouw van hun Zuid- en/of Zuidoost-Aziatische collecties
het Museum Volkenkunde verre overstijgen. Hierbij kunnen bijvoorbeeld de namen worden genoemd
van Amerikaanse musea zoals het Nelson-Atkins Museum in Kansas City, het Art Institute of Chicago,
het Metropolitan Museum of Art te New York en de Freer/Sackler Gallery of Art te Washington, D.C. In
de regio zelve genieten musea zoals in India het National Museum in Delhi, het Raja Dinkar Kelkar
Museum of Everyday Life in Pune, of het Central Museum in Jaipur op verschillende terreinen van de
locale culturen een goede reputatie. Elders in Zuid- en Zuidoost-Azië geldt dit bijvoorbeeld ook voor
het National Museum in Colombo, Sri Lanka of het Bangkok National Museum in Thailand.
Indien het internationale perspectief wordt ingeperkt tot West-Europa en een aantal van de buurstaten
waar zich bekende collecties bevinden uit het Indische subcontinent en Zuidoost Azië, dan zouden de
volgende statements over de collectie van Museum Volkenkunde worden gemaakt:
- De collectie van rituele voorwerpen van boeddhisten en hindoes van Volkenkunde is één van de
beste in Europa;
- Volkenkunde heeft na de museumcollectie van de stad Essen in Duitsland en die van het Musée
Guimet te Parijs, de beste en meest gevarieerde collectie religieuze kunst van het Tibetaanse
cultuurgebied in Europa. De collectie van de stad Basel in Zwitserland is weliswaar groter dan die van
Volkenkunde, maar is tevens van beduidend mindere kwaliteit;
- Volkenkunde heeft vanwege de aanwezige rijkdom aan voorbeelden van vrijwel alle scholen en
stijlen, één van de meest interessante collecties Indiase religieuze schilderkunst en prenten in Europa;
- Volkenkunde heeft samen met het Världskulturmuseet te Göteborg, Zweden, één van de twee
belangrijkste collecties van de tribale Santal-cultuur in Europa.
Collectiekwaliteit
Uit bovenstaande moge duidelijk zijn geworden dat de collectie aanvankelijk op een tamelijk
onsamenhangende wijze, incidenteel en zonder duidelijk plan of uitgangspunt is bijeengebracht. Later
is daarin verandering gekomen en is gerichter en gestructureerder verzameld en gedocumenteerd.
Ondanks de gebreken die aan de verzamelgeschiedenis in het verleden zijn toe te dichten, kunnen nu
een aantal sterke onderdelen worden onderscheiden:
1.
De verzameling religieuze voorwerpen uit Tibet en het Tibetaanse cultuurgebied is
zondermeer goed, met als sterkste punt dat het hoofdzakelijk een oude en waardevolle collectie
betreft, die bijeengebracht is door een experts (series 2354, 2739, 2740). De Chinese overheersing
van Tibet heeft tot een exodus van de bevolking en van veel topstukken van het culturele erfgoed
geleid. Talloze voorwerpen uit Tibet bevinden zich thans in vele musea en particuliere verzamelingen
in de VS en Europa, maar de hoge kwaliteit en de uitzonderlijkheid van de collectie van Volkenkunde
blijven onbetwistbaar.
24
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
2.
Door de goede relaties die Volkenkunde heeft opgebouwd met Bhutan, waar het Tibetaanse
cultuurgoed nog in ere wordt gehouden en waar de traditionele kunstuitingen van deze cultuur nog
steeds op hoog niveau worden beoefend, is het mogelijk deze collectie te versterken dooronderzoek.
Door publicaties en tentoonstellingen kan een bijdrage worden geleverd aan het behoud van de
Tibetaanse cultuur en kunsttradities die dreigen te verdwijnen of te veranderen door de overheersing
door een andere cultuur of door verandering van omgeving en levensstijl.
3.
Indiase miniaturen, tekeningen en prenten in Volkenkunde vormen een interessante collectie
die verschillende stappen in de continuïteit en ontwikkeling van de Indiase schilderkunst vanaf de
zeventiende eeuw representeert (series 360, 722, 2069, 2586, 2870, 2871, 3025, 3665). Invloeden
van de islam en van de kunststijlen van het Midden-Oosten en zelfs van Europa zijn duidelijk
herkenbaar. Portretten, fraaie genre-taferelen en natuurgetrouwe afbeeldingen van dieren en vogels
werden naast traditionele en religieuze voorstellingen geproduceerd. De inheemse traditie blijft tot
heden voortbestaan in volkstekeningen, moderne schilderingen en prenten. De nieuwe
reproductietechnieken en massaproductie hebben nauwelijks invloed op de inhoudelijke betekenis van
religieuze thema’s en de houding van de gebruikers tegenover deze voorstellingen. De thema’s van
moderne Indiase prenten en posters zijn gestoeld op oude tradities en het dagelijkse leven. De
voorstellingen zijn net zo gevarieerd, kleurrijk en boeiend als hedendaagse Indiase films, die de trends
en leefwijzen van de huidige Indiase maatschappij weerspiegelen.
4.
Thailand heeft een lange geschiedenis van keramiekkunst, en staat altijd open voor nieuwe
ideeën, stijlen, en technieken, zoals die van het klassieke China en Vietnam. Museum Volkenkunde
beheert een redelijke verzameling variërend van zeldzame stukken uit de prehistorie en de veerteinde
eeuw, op traditionele wijze op het platteland geproduceerde ceramiek, en eigentijdse producten die de
traditie van de hofkunst voortzetten of geïnspireerd zijn door hedendaagse kunststijlen en vormen.
Tegenwoordig is de keramiekkunst onderdeel van de kunstacademische opleiding in Thailand die zeer
goede resultaten geeft.
Afstoting
Hoewel het afstoten van collectie door velen in de museumwereld – ook in Museum Volkenkunde –
wordt beschouwd als vloeken in de kerk, gebiedt de realiteit van de huidige tijd na te denken over dit
aspect van ‘collectievorming’ en collectiebeheer. Voor de afdeling Zuid- en Zuidoost-Azië zouden
bijvoorbeeld een klein honderdtal voorwerpen (ondergebracht in de serie 04) die na grondig
inhoudelijk en administratief onderzoek om onverklaarbare reden deel uit maken van de huidige
verzameling, in aanmerking kunnen komen voor definitieve verwijdering uit de collectie. Het betreft in
hoofdzaak allerhande reissouvenirs die op ieder internationaal vliegveld te koop zijn, of eenvoudige
gereedschappen voor algemeen gebruik, die overal zijn te vinden in het gehele cultuurgebied van
Zuid- en Zuidoost- Azië en zelfs elders in Azië. Ook een beperkt aantal voorwerpen dat kennelijk is
verworven voor eenmalige educatieve doeleinden in aansluiting op een tentoonstelling, kan mogelijk
worden afgestoten.
25
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Literatuur
Chutiwongs, N.
2001 The Sentiments of Love/De Gemoedstemmingen van de Liefde: Indian Miniatures from the
Vogel Collection, National Museum of Ethnology, Leiden. Leiden: E- publicatie RMV.
Dongen, P. van en N. Chutiwongs
2002 Porselein om mee te spelen/Playthings in Porcelain. Leiden: E-publicatie RMV.
Ghiraw, A.
2003 Hindoe-prenten in het Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden. Doctoraal-scriptie en
stageverslag, Opleiding Talen en Culturen van Zuid- en Centraal-Azie, Universiteit van Leiden.
Kooij, K.R. van
1991 Dichter bij de Boeddha. In: Op Weg: Religieuze Belevering in Tibet, Korea en Japan. Leiden:
Rijksmuseum voor Volkenkunde:4-9.
Lammer, B.
1995 Maskers uit Sri Lanka. Doctoraal-scriptie en stageverslag, Opleiding Antropologie, Universiteit
van Leiden.
Lans, C. van der
1986 De Poppen van het Zuidindiase Schaduwspel. Stageverslag; Leiden: Rijksmuseum voor
Volkenkunde.
Leeuw, J.E. de
1942 Enige Miniaturen in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden. Cultureel Indië 4:12-16.
Motshagen, E.M.
2001 Een Selectie van Zuid- en Centraal-Aziatische Lampen uit het Rijksmuseum voor Volkenkunde,
Leiden. Doctoraal-scriptie en stage verslag, Opleiding Talen en Culturen van Zuid- en CentraalAzie, Universiteit van Leiden.
Pott, P.H
1951 Introduction to the Tibetan Collection of the National Museum of Ethnology, Leiden. Leiden:
Rijksmuseum voor Volkenkunfde.
Raven, E.M and K.R. van Kooij
1987 Pala Sculptures from the National Museum of Ethnology, Leiden, The Netherlands. In:
Proceedings of the VIIth World Sanskrit Conference, 23-29 August 1987; Kern Institute, Leiden.
Scheurleer, P. Lunsingh
1974 Twee Indiase Miniaturen met een Europees Verleden. Verre Naasten Naderbij 8/1:14-22.
1980 Beeldspraak in de Miniatuur-schilderskunst van India. Kunstbeeld December:17-19.
1983 Indiase Miniaturen in het RMV. Doctoraal-scriptie, Rijksuniversiteit van Leiden.
Sluijs, N. van
1986 Zes Miniaturen uit het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden. Doctoraal-scriptie en
stageverslag, Indische en Iraanse Talen en Culturen, Universiteit van Amsterdam.
Vogel, J. Ph.
1942 Een reliëf van de Mathura-school verworven door het Rijksmuseum van Volkenkunde te
Leiden. Cultureel Indie 4:237-240.
1947 Portrait Paintings in Kangra and Chamba. Artibus Asiae 10/2:200-215.
26
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel Zuidwest- en Centraal-Azië
11
Willem Vogelsang
Geografisch en cultureel karakter van het betrokken gebied
De collectie van de afdeling Zuidwest- en Centraal-Azië is afkomstig uit een enorm groot en
gevarieerd gebied. Het strekt zich uit van de Balkan in Europa tot Pakistan in het Indische
subcontinent, en van de Sinaï in het moderne Egypte tot Mongolië in Centraal-Azië. De belangrijkste
gemeenschappelijke noemer voor dit gebied is de islam. De bijna 6300 voorwerpen van de collectie
kunnen daarom bijna allemaal worden gerekend tot wat in brede termen de islamitische kunst en
12
materiële cultuur wordt genoemd. De islam is echter niet de enige gemeenschappelijke noemer van
de collectie. Ook het dagelijks leven vormt een belangrijke rode draad die door de gehele collectie
heen loopt, namelijk het gewone leven van de bewoners van dit uitgestrekte gebied in de negentiende
en twintigste eeuw.
Hoewel de islam in vrijwel het gehele gebied van Zuidwest- en Centraal-Azië de dominante religie is,
kan op geografische en cultureel-historische gronden toch een tweedeling worden gemaakt in een
Arabische en een Turks-Iraanse wereld. Tot de Arabische gebieden, waar het Arabisch de dominante
taal is, behoren het Arabisch schiereiland (Saoedi-Arabië, Jemen, Oman, de Verenigde Arabische
Emiraten, Bahrain, Qatar en Koeweit), Irak, Jordanië, Libanon, Israël/Palestina en Syrië. Tot de TurksIraanse wereld behoren Turkije, Iran, Afghanistan, en de moderne republieken in de Caucasus
(Armenië, Azerbaidjan) en Centraal-Azië (Turkmenistan, Oezbekistan, Tadjikistan, Kirgizstan,
Kazakhstan). Ook het westen van het moderne Pakistan, waar Iraans-sprekende volkeren wonen, en
het verre Mongolië kunnen tot de Turks-Iraanse culturele horizon worden gerekend. In al deze
gebieden wordt een Turkse of Iraanse taal gesproken. Beide taalfamilies zijn afkomstig uit CentraalAzië, in tegenstelling tot de Semitische talen, waartoe het Arabisch behoort, die al vele millennia
worden gesproken in het Nabije Oosten.
De Iraans-sprekende volkeren kwamen als eersten naar Zuidwest-Azië, vanaf het tweede millennium
voor Chr. Pas aan het eind van het eerste millennium na Chr. volgden Turks-sprekende volkeren. Ook
zij trokken uit Centraal-Azië naar het zuiden en westen, dwars door gebieden die tot dan toe door hun
Iraans-sprekende voorgangers waren bevolkt. De verschillende migratiestromen zorgden ervoor dat
de sprekers van beide taalgroepen in historisch en cultureel opzicht nauw met elkaar verbonden
werden. Daarbij komt dat binnen de Turks-Iraanse wereld de sji’itische geloofsrichting binnen de islam
erg belangrijk is, vooral in het huidige Iran (maar ook onder de Alevieten in Turkije), terwijl onder de
Arabisch sprekende bevolking in het zuidwesten de soennitische richting dominant is.
In de verdere beschrijving van de collectie Zuidwest- en Centraal-Azië zal duidelijk worden dat het
zwaartepunt van de collectie juist ligt in de Turks-Iraanse wereld, met belangrijke deelcollecties uit
Turkije, Iran en Afghanistan.
Geschiedenis van de collectie
De afdeling
De afdeling Zuidwest- en Centraal-Azië van Museum Volkenkunde is betrekkelijk jong. De
aanvangsdatum is 1 september 1957, als de heer C.J. du Ry van Beest Holle wordt benoemd tot
hoofd van de nieuwe afdeling Voor-Azië. De afdeling bestrijkt dan het gebied tussen de Balkan in het
westen en Afghanistan in het oosten. Per 1 december 1960 wordt hij opgevolgd door de Iranist, drs.
J.T.P. de Bruijn, die begin 1963 het museum weer verlaat en wordt aangesteld bij de Rijksuniversiteit
Leiden. Hij wordt op 1 maart 1964 opgevolgd door de archeoloog, dr. Abdul Jalil Jawad, die de
opdracht krijgt zich te richten op het Islamitisch Cultuurgebied. Hiermee werd de afdeling Voor-Azië
uitgebreid met Noord-Afrika. Per 1 november 1968 wordt hij opgevolgd door de antropoloog, drs.
Giljam Dusée. Zijn afdeling wordt op 1 september 1972 uitgebreid met Afrika ten zuiden van de
Sahara. De heer Dusée verlaat het museum per 1 augustus 1974 en hij wordt per 1 oktober van dat
jaar opgevolgd door drs. R.J. Munneke.
Met de aanstelling in 1989 van dr. R.M.A. Bedaux als conservator voor “Afrika ten Zuiden van de
Sahara” wordt vervolgens het officiële aandachtsgebied van de heer Munneke weer beperkt tot het
Islamitisch Cultuurgebied. In 1993 wordt vervolgens de naam van de afdeling Islamitisch
Cultuurgebied veranderd in Zuidwest- en Centraal-Azië, en wordt de verzameling voor Noord-Afrika bij
die van de rest van Afrika gevoegd. In 2002 verlaat de heer Munneke het museum en per 1 april 2002
wordt hij in deeltijd opgevolgd door dr. Willem Vogelsang, archeoloog en historicus, die voor de helft
11
De eerste aanzet van dit collectieprofiel is geschreven door de voorlaatste conservator, Drs. Roelof Munneke. De inhoud van
dit document valt geheel onder de verantwoordelijkheid van de huidige conservator.
12
Dit is het aantal dat door de museale Thesaurus wordt gegeven voor Zuidwest- en Centraal-Azië, plus Pakistan.
27
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
van zijn werktijd aangesteld blijft als uitvoerend secretaris van de Onderzoekschool voor Aziatische,
Afrikaanse en Amerindische Studies (CNWS), Universiteit Leiden.
Collectievorming in de periode vóór de Tweede Wereldoorlog
De basis voor de verzameling is gelegd in de tweede helft van de negentiende eeuw. De eerste
voorwerpen die het museum bereikten, waren vooral schenkingen van Nederlandse diplomaten,
meestal uit Jeddah, waar een Nederlandse vertegenwoordiging was belast met de begeleiding van
bedevaartgangers uit Nederlands-Indië naar Mekka. De verschillende consuls die voorwerpen
schonken aan het museum waren de heer J.A. Kruyt (serie 245, [1880]; serie 346, [1883]; serie 431,
[1884]; serie 465, [1885]); de heer De Vicq (serie 543, [1886]); de heer P.N. van der Chijs, vice-consul
(serie 559, [1887]); en de heer H. Spakler (serie 811, [1891]; serie 870, [1892]; serie 1117, [1897]).
Behalve uit Jeddah waren er ook schenkingen door Nederlandse diplomaten in andere delen van het
vroegere Ottomaanse rijk, zoals door de heer R.J. van Lennep, consul van Nederland te Smyrna
(serie 289, [1882]) en de heer J. M. van Mye Pieterse, consul van Nederland in Istanbul (serie 909,
[1892]; serie 943, [1892]).
Een belangrijke toevoeging aan de verzameling vormde de overdracht van de collecties van het
Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden (serie 360, [1883]). Een aantal van de objecten uit deze
omvangrijke serie stammen uit Turkije en zijn waarschijnlijk ook ooit via diplomatieke kanalen naar
Nederland gekomen. Een andere toevoeging aan de collecties uit Arabië, die waarschijnlijk ook van
diplomatieke oorsprong is, is de verzameling (serie 1877) die in 1914 door het Bataviaasch
Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen aan het museum werd geschonken.
Ook via diplomatieke kanalen, maar vanuit een heel ander gebied, kwam in 1898 een schenking van
13
de in Iran (Perzië) werkzame Nederlandse diplomaat, W.L. Bosschart (serie 1190). Een jaar later
werd deze gift gevolgd door serie 1233 en in 1912 door een serie Perzische tegels (serie 1819). In
1930 werd de reeks afgesloten met de aankoop van ruim zeventig voorwerpen van de erven
Bosschart. De collectie Bosschart vormt een aanvulling op materiaal uit Iran dat rond dezelfde tijd op
een andere manier in het bezit van het museum was gekomen. In 1882 ontving het museum als
geschenk ruim twintig Perzische voorwerpen van de heer A. Hotz (serie 322), een handelaar die
jarenlang in Iran werkte. Een jaar later, in 1883, kocht het museum van hem een serie (serie 503) van
ruim 350 objecten, eveneens afkomstig uit Iran. In 1894 schonk Hotz opnieuw een aantal stukken,
afkomstig uit Iran, aan het museum (serie 1013) en datzelfde herhaalde zich in 1896 (serie 1057).
De Hotz-verzameling is op zich interessant, omdat uit correspondentie blijkt dat de toenmalige
directeur, L. Serrurier, teleurgesteld was over de Hotz-collectie, omdat de voorwerpen naar zijn
mening te weinig ‘Perzisch’ waren. Inderdaad bestaat de verzameling van Hotz voor een groot deel uit
voorwerpen die direct met het dagelijks leven te maken hebben, en weinig met het verheven hofleven
en wat in het Westen werd beschouwd als typisch ‘Perzisch’. De voorwerpen waren in eerste instantie
door Hotz verzameld voor de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in Amsterdam
in 1883, en later door hem doorverkocht aan het museum.
Tot slot, maar zeker niet minder belangrijk, zijn in de beginperiode veel voorwerpen in de verzameling
van het museum opgenomen via de onderzoeks-activiteiten in Saoedi-Arabië (Mekka) in 1885 van de
vermaarde Leidse islamoloog, Professor C. Snouck Hurgronje (serie 628, 1887; serie 1973, 1919;
serie 2107, 1927). Het is verder mogelijk dat een aantal objecten die in 1958 door de Leidse
Universiteitsbibliotheek als bruikleen aan het museum is afgestaan, ook afkomstig is uit de
verzameling van Snouck Hurgronje (B-106.*). De documentatie hierover biedt echter weinig houvast
en uitsluitsel.
Groei van de collecties na de Tweede Wereldoorlog
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog treedt een duidelijke verandering op in de wijze waarop
voorwerpen worden verworven. Aankopen worden nu veeleer gedaan van particulieren of via de
kunsthandel, hoewel door schenkingen en legaten ook enkele belangrijke verzamelingen aan de
collecties van de afdeling worden toegevoegd (serie 2917 met aardewerk). Vooral tijdens het
conservatorschap van De Bruyn (1960-1963) worden de verzamelingen van de afdeling met een
aantal belangrijke, meer kunsthistorische verwervingen uitgebreid, onder andere op het gebied van
Iraans aardewerk. Onder de antropoloog Giljam Dusée, die in 1968 wordt benoemd, komt vervolgens
de overgang tot stand van het verwerven via particulieren en kunsthandelaren naar het verzamelen
tijdens veldwerk.
De verschuiving in de wijze van verzamelen heeft zich in de afgelopen decennia verder doorgezet. Dit
houdt in dat bij gelegenheid - zeer sporadisch - wordt verworven door middel van aankopen in de
13
Iran stond tot de jaren dertig van de twintigste eeuw meer bekend onder de naam van Perzië.
28
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
handel, maar dan als aanvulling op in het veld bijeengebrachte collecties. Op die manier zijn nieuwe
zwaartepunten in de collectie ontstaan. Tussen 1975 en 1980 is door de heer Munneke tijdens
veldwerk in Noord-Afghanistan, rond de traditionele bazaar van Tashkurgan, een nieuwe collectie
opgebouwd, verbonden met het ambacht, de handel en de dienstverlening in dit gebied (serie 4835
[1975], serie 4955 [1977], serie 5000 [1978]). Parallel met deze veldwerkgerelateerde verzamelingen
uit Noord-Afghanistan werden ook collecties bijeengebracht uit de berggebieden van OostAfghanistan (Nuristan) (serie 4836 [1975], serie 4956 [1977] en serie 4996 [1978]) en de
berggebieden van Noord-Pakistan, in het bijzonder de Swat vallei (serie 4957). In 1983 wordt in de
Swat vallei vervolgens nog aanvullend materiaal verzameld (serie 5310). Bovendien worden enkele
verzamelingen aangekocht, die het resultaat waren van veldwerkactiviteiten van derden. Zo werd
onder serienummer 4675 een collectie kleding en gebruiksvoorwerpen uit de Chitral-vallei, eveneens
in Noord-Pakistan, aan de verzamelingen toegevoegd, terwijl datzelfde geldt voor een omvangrijke
verzameling kleding uit Syrië (serie 4778). In 1987 wordt bovendien nog in een ander gebied in het
uiterste noorden van Pakistan, in Baltistan, voor het museum veldonderzoek gedaan, dat eveneens
resulteert in een collectie en een tentoonstelling.
Tijdens het veldwerk in Noord-Afghanistan van conservator Munneke wordt tevens de basis gelegd
voor een collectie textiel, sieraden en andere gebruiksvoorwerpen van de verschillende Turkmeense
en Oezbeekse groepen in Centraal-Azië. De min of meer toevallige verwerving van een aantal
interessante stukken, tijdens het bazaargerichte veldwerk, leidt tot een verscherpte aandacht voor het
vinden van nieuwe, aanvullende objecten. Het onderzoek naar het leven en bedrijf in een NoordAfghaanse bazaar, dat resulteert in een vrij groot aantal tentoonstellingen, genereert daarmee ook
andere exposities, vooral over Turkmeense sieraden en textiel (serie 5040; serie 5100; serie 5130;
serie 5178; serie 5179; serie 5183; serie 5217; serie 5269; serie 5309; serie 5354; serie 5365; serie
5389; serie 5440; serie 5451, serie 5571; serie 5581; serie 5592; serie 5639; serie 5720). De
verzameling voorwerpen uit Afghanistan is sinds 2002 verder uitgebreid door de nieuwe conservator,
Willem Vogelsang.
Een ander product van veldwerk is een groei van de collectie Turkse schaduwpoppen (Karagöz).
Doordat de toenmalige conservator bij een bezoek aan Istanbul in 1983 in contact komt met twee
Karagöz spelers kan een zeer gevarieerde collectie poppen en gereedschap voor het vervaardigen
van poppen worden verworven (serie 5268; serie 5419 [1985]; serie 5460 [1986]; serie 5818 [1995]).
Samenvattend kan worden gesteld dat de laatste decennia de uitbouw en verbreding van de collectie
van de afdeling ten nauwste is verbonden met veldwerk. Aankopen in de handel in Europa zijn primair
gericht op het complementeren van in het veld bijeengebrachte basiscollecties. Bovendien bestaat in
veel gevallen een directe relatie tussen verzamelactiviteiten en tentoonstellingen. Dat laatste blijkt in
1996 en de jaren daarvoor, wanneer vele sluiers worden verzameld in het Midden-Oosten met het oog
op de grote museumtentoonstelling ‘Sluiers Ontsluierd’, en wederom in 2002, wanneer Vogelsang in
Afghanistan een aantal voorwerpen kan aanschaffen voor de kleine tentoonstelling over politieke
kleding in dat land.
Aard en belang van de collectie
Zoals gezegd ligt het zwaartepunt van de collectie op de Turks-Iraanse wereld, en daarbij ook nog op
het dagelijks leven in de negentiende- en twintigste eeuw. De verzameling Zuidwest- en Centraal-Azië
is geen kunstcollectie; de voorwerpen zijn over het algemeen verzameld, niet om reden van het object
zelf, maar om het verhaal van producent en gebruiker dat in het voorwerp ligt besloten.
De collectie van voorwerpen uit de Arabische wereld is daarentegen relatief beperkt, hoewel er een
aantal uitzonderingen zijn van belangrijke deelcollecties (Arabisch Schiereiland; Syrië).
- Het Arabisch Schiereiland
De verzameling van voorwerpen uit deze regio is wat betreft de periode van de de laat-negentiende
eeuw van uitzonderlijk belang. Deze collectie omvat vooral voorwerpen die zijn verzameld door de
Leidse hoogleraar Prof. C. Snouck Hurgronje (in totaal 160 objecten), en bestaat voornamelijk uit
voorwerpen die het dagelijks leven in Jeddah en Mekka illustreren rond 1885. Etnografische
voorwerpen uit het laatste kwart van negentiende eeuw zijn over het algemeen schaars in museale
verzamelingen. Deze deelverzameling is des te belangrijker omdat veel van de nalatenschap van Prof.
Snouck Hurgronje (manuscripten, foto’s, etc.) is ondergebracht in de universiteitsbibliotheek in Leiden.
Al deze bronnen bij elkaar verschaffen een enorme hoeveelheid informatie, niet alleen van het werk
van Snouck Hurgronje zelf, maar vooral van het leven in West-Arabië in het laat-negentiende eeuw.
De voorwerpen die door Snouck Hurgronje zijn verzameld en die hun weg hebben gevonden naar de
collectie omvatten bijvoorbeeld een uitgebreide verzameling serviesgoed (koffiepotten en
29
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
koffiekopjes), wapens, textiel, kleding en schoeisel, voorwerpen voor lichaamsverzorging,
muziekinstrumenten, enz. De objecten worden aangevuld met andere voorwerpen die in dezelfde
periode door Nederlandse diplomaten aan het museum zijn geschonken. Van groot belang zijn
bijvoorbeeld de zeven hoofddeksels van religieuze en wereldlijke leiders in Mekka die in 1887 door
P.N. van der Chijs aan het museum zijn gegeven (serie 559). Verder zijn er delen van de Kiswa, de
doek die jaarlijks opnieuw wordt geweven en over de Ka’ba in Mekka wordt gelegd. Ook deze
fragmenten zijn in de laat-negentiende eeuw verworven (B106-122, 123; B118-1).
Een aantal voorwerpen uit deze deelcollectie zijn in 2005 gebruikt voor een kleine tentoonstelling,
ingericht samen met het Textile Research Centre (TRC), over Ihram, de gewijde staat waarin moslims
moeten verkeren wanneer zij op pelgrimsvaart naar Mekka gaan, en verder zijn een aantal
voorwerpen worden gebruikt voor een kleine tentoonstelling, ook ingericht in samenwerking met het
TRC, over Saoedische kleding, in 2006, en over Snouck Hurgronje, in 2007.
- Syrië
Uit Syrië (310 objecten) omvat de collectie een verzameling van waardevolle etnografische
voorwerpen uit het laatste decennium van de negentiende eeuw. Uniek is verder de collectie textiel,
vooral van vrouwenkleding (serie 4778, 130 objecten), voor het merendeel uit de eerste helft van de
de twintigste eeuw. Deze vrij grote collectie van kleding sluit nauw aan bij de uitgebreide verzameling
van kleding uit de islamitische wereld die is ondergebracht bij het TRC, binnen het Rijksmuseum voor
Volkenkunde.
- Turkije
De deelverzameling voor Turkije is erg gevarieerd (565 objecten). Er zijn veel vroege collecties van
etnografica, die voor een deel zijn bijeengebracht door Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers
in met name Smyrna/Izmir. Erg belangrijk is de verzameling van Karagöz-schaduwpoppen (serie
3785). Bijzonder interessant is verder de serie prenten (360-7364 t/m 7429) uit het begin van de
negentiende eeuw, opgenomen als onderdeel van de overdracht uit het Koninklijk Kabinet van
Zeldzaamheden (1883). Deze prenten geven een prachtig beeld van de kleding van de TurksOttomaanse werklieden, militairen en dignitarissen van rond het begin van de negentiende eeuw.
Verder omvat de Turkse verzameling bijvoorbeeld een Koran (3831-2) en interessante stukken
aardewerk.
- Iran
De collectie van Iraanse voorwerpen (965 objecten) is voornamelijk gebaseerd op de voorwerpen die
werden verworven via de Rotterdamse handelaar A. Hotz, vanaf de laat-negentiende eeuw. Ze omvat
eigentijdse gebruiksvoorwerpen en zijn van unieke waarde, omdat juist het dagelijks leven in
negentiende-eeuws Iran in internationale museumverzamelingen slecht is vertegenwoordigd. Deze
deelverzameling wordt nog eens versterkt door de omvangrijke collectie foto-materiaal uit dezelfde
periode, die in het museum wordt bewaard. Tot slot omvat de deelcollectie Iran voorwerpen met meer
kunsthistorische waarde, zoals middeleeuws aardewerk, miniaturen (3417-2; serie 3619; 3743-3/5;
serie 3932), bronzen en messing voorwerpen, maar ook een handschrift van de Shah Name, het
Iraanse heldenepos (3647-1). De textielcollectie van Iran is beperkt, maar wordt ondersteund door de
enorme collectie Iraanse kleding die de TRC vanaf 1997 heeft verzameld tijdens een lange serie van
reizen door het land door dr. G. M. Vogelsang-Eastwood en de huidige conservator, dr. Willem
Vogelsang. Verder omvat de verzameling nog prehistorisch materiaal, zoals enkele Luristan bronzen
uit het westen van het land (3387; 3632; 3700), en een aardewerken pot (serie 3538). Tot slot wil ik de
aandacht richten op een huwelijksjurk van de Zoroastrische gemeenschap in Iran, met de hand
geborduurd (503-270). Dit zeldzame kledingstuk komt waarschijnlijk uit Yazd in Centraal-Iran en werd
door Hotz naar Nederland gebracht in 1883. De Zoroastrische gemeenschap gaat terug op de preislamitische godsdienst van Iran (met Zarathoestra als profeet), en heeft nog steeds een aantal
aanhangers in Iran, voornamelijk in Yazd.
- Afghanistan
Voor de Turks-Iraanse wereld is vooral de museumverzameling uit Afghanistan belangrijk (2495
objecten). Het omvat een bazaarcollectie, afkomstig uit Noord-Afghanistan, verzameld in de tweede
helft van de jaren zeventig; een Nuristan-collectie, afkomstig uit de berggebieden van OostAfghanistan, ook verzameld in de tweede helft van de jaren zeventig; een verzameling Turkmeense
voorwerpen, waaronder sieraden, textiel en gebruiksvoorwerpen, verzameld tussen 1975 en 1990
(ook afkomstig uit Iran, Turkmenistan en Oezbekistan); en tenslotte een verzameling boeddhistische
stuccokopjes, afkomstig uit Hadda in Oost-Afghanistan (serie 3509). De Afghaanse collectie wordt
30
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
gecomplementeerd met voorwerpen uit het naburige Pakistan: namelijk de Gandhara-collectie met
diverse belangrijke (boeddhistische) sculpturen en in een mal gevormde beeldjes (o.a. series 2207 en
2240), en verzamelingen uit de berggebieden van Noord-Pakistan, zoals Chitral, Swat en Baltistan.
De Hadda- en Gandharacollectie van beeldjes uit de eerste helft van het eerste millennium na Chr. is
in zoverre belangrijk dat in Nederland geen andere verzameling op dit terrein bestaat, en dat juist voor
het onderwijs en, bij tijden, voor kleine tentoonstellingen de collectie uitermate waardevol blijkt te zijn.
Deze deelcollectie illustreert op een zeer directe manier de Grieks/Romeinse invloed op de
kunstenaars van die tijd in het oosten van Afghanistan en noorden van het huidige Pakistan. Verder
vormen de beeldjes een vertaling in stucco of steen van de vele boeddhistische verhalen die in de
eerste eeuwen na Chr. in dat gebied de ronde deden, en die we voornamelijk kennen uit geschreven
bronnen.
De Afghanistan collectie is in het algemeen van unieke waarde, omdat het een beeld geeft van het
dagelijks leven in Afghanistan aan de vooravond van de burgeroorlog die in 1978 uitbrak. Veel van de
voorwerpen zijn gebruikt in de beroemde Afghanistan tentoonstelling in het Rijksmuseum voor
Volkenkunde, in 1980. De Afghanistan collectie omvat verder veel kledingstukken, en deze
deelverzameling wordt ondersteund door de collectie Afghaanse en Pakistaanse kleding van de TRC.
- Centraal-Azië
Het aantal voorwerpen uit Centraal-Azië is beperkt (minder dan 100 objecten), maar is zeker
waardevol omdat het aansluit bij voorwerpen uit Turkije, Iran en Afghanistan. De yurt-tent uit Mongolië
(serie 5625), bijvoorbeeld, kan worden vergeleken met een recent aangeschafte yurt uit Afghanistan.
Uit Oezbekistan is er een verzameling kleding en juwelen voor een Turkmeense vrouw (serie 3830),
die aansluit bij soortgelijke voorwerpen afkomstig van de Turkmeense gemeenschap in Afghanistan.
Verder zijn er wapens en paardentuig, ook vergelijkbaar met voorwerpen uit Iran en Afghanistan.
Een groot gemis in de gehele collectie van de Turk-Iraanse wereld zijn tapijten en kilims. In de gehele
geschiedenis van het museum schijnt bijna geen enkele conservator zich te hebben gericht op de
studie en verzameling van tapijten, hoewel die een enorm belangrijk aspect vormen van de materiële
cultuur van de betrokken gebieden. Ik ken geen respectabel huis in Iran of Afghanistan waar geen
tapijten en/of kilims de grond bedekken. De redenen voor dit gemis zijn mij onbekend: ontbreken van
specialistische kennis; gebrek aan fondsen; problemen rond de conservering?
Vergelijking van deelcollecties met die in andere Nederlandse musea en daarbuiten
Naast Leiden is vooral het Wereldmuseum in Rotterdam erg gericht op de islamitische wereld. Het
Wereldmuseum richt zich daarbij vooral op de herkomstlanden van de allochtone bevolking van
Rotterdam en toont daarbij specifieke belangstelling voor kunstvoorwerpen en voor moderne kunst.
Het Tropenmuseum richt zich traditioneel meer op Afrika en Indonesië, en de belangstelling voor
Zuidwest- en Centraal-Azië is gering, hoewel voor deelgebieden een aantal interessante collecties is
aangelegd. Wel organiseerde het Tropenmuseum in hun Kindermuseum in Amsterdam in 2003 een
prachtige tentoonstelling over Iran.
Het Prinsenhof in Delft heeft een schitterende verzameling aardewerk en porselein, ook uit het
Midden-Oosten en specifiek uit Iran. In Leeuwarden tenslotte heeft men onlangs een belangrijke
collectie Iraans aardewerk verworven.
Ook het Gemeentemuseum in Den Haag heeft een collectie van islamitische kunst, waaronder
aardewerk.
Internationaal gezien is de Leidse collectie erg klein. Het Victoria and Albert Museum in London, het
Louvre en het Musée du quai Branly in Parijs, en het islamitische kunst museum in Berlin, en ik noem
nu maar een paar voorbeelden, hebben allemaal enorme collecties. Toch biedt de Leidse collectie,
met de nadruk op het dagelijks leven en met een aantal unieke deelcollecties (Arabië; Iran;
Afghanistan) voldoende rechtvaardiging om de collectie verder te bestuderen en uit te bouwen.
Collectiekwaliteit en deselectie
In 2004 heeft de huidige conservator een onderzoeksplan gepresenteerd voor de periode 2005 en
later waarin naast het onderzoek ook plannen rond toekomstige tentoonstellingen worden
gepresenteerd. Dit plan onder de titel Between the Indus and the Tigris richt zich op de studie van de
materiële cultuur van de Iraanse en Turkse volkeren die wonen op het Iraans Plateau, tussen de Indus
vallei in het oosten en de Tigris in het westen, en sluit aan bij het zwaartepunt van de collectie, de
Turks-Iraanse wereld. Het plan hangt ook sterk samen met het werk van de Stichting Textile Research
Centre, dat een grote en unieke verzameling kleding uit het Iraans Plateau heeft verworven.
31
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Voor deselectie komen relatief weinig voorwerpen in aanmerking, behalve collectie-vreemde
voorwerpen en educatieve objecten.
Literatuur
Ferydoun Barjesteh van Waalwijk van Doorn, L.A., en Dr. Gillian M. Vogelsang-Eastwood (eds.)
1999 Sevruguin’s Iran: Late Nineteenth Century Photographs from the National Museum of
Ethnology in Leiden, the Netherlands. Tehran en Rotterdam: Barjesteh Publishers.
Munneke, Roelof
1990 Van zilver, goud en kornalijn: Turkmeense sieraden uit Centraal-Azië. Leiden: Rijksmuseum
voor Volkenkunde.
Vogelsang-Eastwood, G.M.
1996 For Modesty’s Sake? Rotterdam en Tilburg: Barjesteh Publishers.
2002 Kadjaren-kledij uit Iran. Digitale publicatie; Leiden: Rijksmuseum voor Volkenkunde.
2005 Gekleed in Ihram: Hajj kleding voor de pelgrimstocht naar Mekka. Digitale publicatie; Leiden:
Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Vogelsang, Willem
2002 The Ethnogenesis of the Pashtuns’. In: Cairo to Kabul: Afghan and Islamic Studies: 228-235;
Warwick Ball and Leonard Harrow, eds.; London: Melisende.
2002 Afghanistan. Landenserie Koninklijk Instituut voor de Tropen; Amsterdam: KIT/Novib.
2002 The Afghans. Oxford: Blackwell (revised edition, 2008, in druk)
2003 Politieke kleding in Afghanistan/Political Clothing in Afghanistan. Digitale publicatie; Leiden:
Rijksmuseum voor Volkenkunde.
2004 Het Jaar Begint in de Lente: Liever Noroez dan Nieuwjaar. Rotterdam: Barjesteh Publishers.
2005 Dressing for the Future in Ancient Garb: The Use of Clothing in Afghan Politics. Khil`a 1:123138.
2006 The Pakol: a Distinctive, but Apparently not so Very Old Headgear from the Indo-Iranian
Borderlands. Khil`a 2:145-152.
Gillian Vogelsang-Eastwood and Willem Vogelsang
2006-07 The Turkish-Iranian horse-hair face-veil. Persica 21:89-98.
2008 Covering the Moon: a History of Middle Eastern Face-Veils. Leuven: Peeters (in druk).
32
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel Cultuurgebied Afrika
Annette Schmidt
Inleiding
Geografische omschrijving
2
Afrika is het op een na grootste continent (30 miljoen km ) en beslaat 20 procent van het
aardoppervlak. Het continent is opgedeeld in 54 landen en heeft meer dan 800 miljoen inwoners (1/7
van de wereldbevolking). Afrika telt met meer dan duizend verschillende volken met elk een eigen taal
en cultuur, een grotere culturele diversiteit dan enig ander continent.
Het ligt voor 80 procent in de tropen en het is er in het algemeen warm tot zeer warm. Er zijn echter grote
verschillen in klimaat. Een zestal vegetatiezones kan worden onderscheiden: de mediterrane-, de
woestijn, de sahel-, de savanne-, de tropische regenwoud- en de montane-zone.
Cultuurgebieden
De bestaande indelingen van Afrika in cultuurgebieden doen geen van allen recht aan de grote
diversiteit aan culturen en hun geschiedenis. In de collectie wordt daarom een geografische
hoofdindeling gebruikt die ook de basis vormt voor de SVCN-thesaurus: Noord-Afrika, West-Afrika,
Centraal- en Equatoriaal-Afrika, Zuidelijk-Afrika en Oost-Afrika.
Omvang van de verzameling
De totale omvang van de collectie bevat minimaal 29.000 voorwerpen. Een gedeelte van de collectie,
de archeologisch collecties, is echter nog niet op voorwerpniveau in TMS ingevoerd. Zouden die wel
worden meegeteld, dan zou het aantal voorwerpen van de afdeling Afrika naar schatting zeker meer
dan 30.000 bedragen.
Ongeveer de helft van de verzameling is afkomstig uit West-Afrika, circa 29 procent van de
verzameling is afkomstig uit Centraal- en Equatoriaal-Afrika, ongeveer 10 procent komt uit ZuidelijkAfrika, 6 procent stamt uit Noord-Afrika en 5 procent komt van oorsprong uit Oost-Afrika.
Van een groot aantal landen (44) zijn voorwerpen in de collectie aanwezig, echter van slechts 19
landen bezit Museum Volkenkunde telkens meer dan 200 voorwerpen. In de West-Afrikaanse
collecties zijn de landen Mali, Nigeria, Ghana, Kameroen en Burkina Faso het best vertegenwoordigd;
in de Centraal- en Equatoriaal-Afrikaanse collecties de Democratische Republiek Congo (Zaïre) en
Angola; in de Noord-, Oost- en Zuidelijk-Afrikaanse collecties tezamen genomen, spant Zuid-Afrika de
kroon.
Geschiedenis van de collectie
Historische achtergrond
Afrika heeft een zeer lange en boeiende geschiedenis die door gedegen onderzoek steeds beter
bekend wordt. Het ontbreken van vroege geschreven bronnen maakt archeologisch onderzoek van
extra grote betekenis voor de reconstructie van het Afrikaanse verleden. In het licht van de
geschiedenis heeft de koloniale overheersing maar vrij kort geduurd (vaak korter dan 70 jaar). De
invloed van deze overheersing heeft echter wel diepe sporen nagelaten. De huidige politieke grenzen
zijn bijvoorbeeld een erfenis van dit koloniale verleden. Omdat in prekoloniaal Afrika de traditie van het
langdurig bewaren van voorwerpen niet bestond (enige koningshoven daargelaten) en de meeste
musea in Afrika pas na de onafhankelijkheid zijn ontstaan, zijn oude collecties zeer zeldzaam en
worden deze vooral in Westerse musea bewaard.
Vooral economische en politieke ontwikkelingen hebben hun sporen in deze collecties nagelaten.
Nederland heeft als handelsnatie gedurende meer dan vier eeuwen contact gehad met het Afrikaanse
continent. Deze handel ontwikkelde zich tegen het einde van de zestiende eeuw en kwam vooral tot
bloei in de zeventiende eeuw met de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (1602)
en de West-Indische Compagnie (1626). Deze handelden via Nederlandse forten aan de kust van
West-Afrika en Zuid-Afrika. Ook met het oude koninkrijk Benin (Nigeria) werd veel handel gedreven.
Aan de Goudkust veroverden de Nederlanders onder leiding van Johan Maurits van Nassau-Siegen
fort Elmina in 1637 op de Portugezen. Bijna drie eeuwen - tot 1872 - bleef dit fort in Nederlands bezit.
Vele voorwerpen uit deze gebieden zijn uiteindelijk via het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in
Museum Volkenkunde beland. Na een teruggang in de achttiende eeuw, bloeide de handel met Afrika
weer op vanaf het midden van de negentiende eeuw, vooral door toedoen van de Afrikaansche
Handels-Vereeniging die zeer actief was in het Beneden-Kongogebied. In 1894 werd de Kongo privé
bezit van Koning Leopold II van België, die in 1908 zijn gebied moest afstaan aan de Belgische staat.
Veel voorwerpen uit het Beneden-Kongogebied werden tussen 1884 en 1901 door A. Greshoff,
vertegenwoordiger van de Nieuwe Afrikaansche Handels-Vereening, aan het museum geschonken.
33
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Voor de collectievorming zijn ook de dierentuinen van groot belang gebleken. Zij verzamelden naast
dieren vanaf het midden van de negentiende eeuw ook etnografica. Via de Rotterdamsche Diergaarde
(1884) en het Koninklijk Zoologisch Genootschap ‘Natura Artis Magistra’ (“Artis”) te Amsterdam
(1947), kwamen aanzienlijke collecties in Volkenkunde terecht.
Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw zijn het vooral individuele onderzoekers geweest die
collecties van enige omvang voor het museum bijeen hebben gebracht.
Vroege verzamelingen (tot 1900)
Het eerste Afrikaanse voorwerp in de Afrika collectie van het museum was een polychroom houten
beeldje in Yoruba stijl, dat door de Officier van Gezondheid I.S.G. Gramberg in 1860 in het huidige
Benin was verzameld. Dit is echter niet het oudste voorwerp van de verzameling. Zo bevat de collectie
bijvoorbeeld vele archeologica (Palaeolithische, Neolithische en IJzertijd artefacten uit Zuid- en OostAfrika, Senegal, Guinee, Tchad, Mali en Kameroen) die aan het museum werden geschonken. Van
aanzienlijke ouderdom zijn ook de fragmenten van zestiende eeuwse ivoren Sapi-Portugese
zoutvaten, een zestiende eeuws ivoren Bini-Portugees zoutvat, een fraaie Benin-collectie en een
zeventiende eeuws ivoren beeld van een knielende vrouw (vermoedelijk uit Owo, Nigeria). Dit laatste
beeld, dat in 1903 werd aangekocht (serie 1415), is door J. Braun, een Professor in de Theologie uit
Groningen, gepubliceerd in zijn boek Selecta Sacra uit 1700. In deze publicatie is een afbeelding en
een beschrijving van het beeld, dat hij in de Kamer van de West-Indische Compagnie te Groningen
aantrof, opgenomen.
De eerste kwantitatief belangrijke collectie (serie 74: 71 voorwerpen) werd in 1869 aangekocht bij
Christie’s te Londen. Tussen 1879 en 1881 schonk de Nederlandse Consul te Aden Ooms 72
objecten uit Somalië (series 229, 248 en 275) en in 1881 werden 113 voorwerpen aangekocht van het
Museum Godeffroy te Hamburg (serie 265).
1883 was een heel goed jaar voor de Leidse Afrika-collectie: 364 voorwerpen van het Koninklijk
Kabinet van Zeldzaamheden (gesticht in 1816) konden aan de collectie worden toegevoegd (serie
360). Hieronder bevonden zich onder meer een zeer belangrijke, vroeg-negentiende eeuwse Asantecollectie en voorwerpen uit het Beneden-Kongogebied, die al vóór 1876 in het Kabinet werden
bewaard. De beroemde Adinkra doek uit Elmina (Ghana) met het wapen van Willem I, kan worden
gedateerd vóór 1825; de gouden pijp met toebehoren, een geschenk van de Asantehene, vóór 1837.
In 1883 en 1884 werd een interessante collectie van 100 voorwerpen uit het Beneden-Kongogebied
door A. de Bloeme aan het museum geschonken (series 337 en 449) en werden van Seur 109
voorwerpen uit Zuidelijk-Afrika gekocht (serie 389). Verder konden van de Internationale Koloniale en
Uitvoerhandel Tentoonstelling, die te Amsterdam had plaats gevonden, 121 voorwerpen uit Zuid-Afrika
worden aangekocht (serie 420). Door de heren A.J. Schelling en J.H. Insinger werden van 1882 tot
1884 128 voorwerpen uit Egypte en Sudan geschonken (series 310, 345 en 443).
In 1884 werd een collectie van 370 voorwerpen verworven van de Rotterdamsche Diergaarde (serie
497), die reeds vanaf 1857 etnografica verzamelde.
Zeer veel voorwerpen (880) van goede kwaliteit werden tussen 1884 en 1901 door A. Greshoff van de
Nieuwe Afrikaansche HandelsVereeniging (NAHV), die zeer actief was in het Beneden-Kongogebied,
aan het museum geschonken. Andere werknemers van de NAHV (zoals F. de la Fontaine Verwey,
P.J. van der Kellen, H.C. Kooiman, C. Sanders, L.M. van der Most, J. de Boer, H. Kemp en A.J.
Kortekaas) volgden zijn voorbeeld (tezamen meer dan 2.500 voorwerpen).
Een zeer interessante collectie van 1.571 voorwerpen kon in 1889 worden aangekocht van G.A.
Krause, een taalkundige uit Berlijn, die deze voorwerpen zelf had verzameld in de binnenlanden van
West-Afrika (serie 739).
Het grootste deel van de Benin-collectie werd rond 1900 aangekocht. Deze voorwerpen waren
afkomstig van de oorlogsbuit van de Engelse strafexpeditie tegen Benin van 1897.
Rond de eeuwwisseling telde de Leidse Afrika-collectie ongeveer 7.000 voorwerpen. Ook in de 20
eeuw zijn echter nog vele voorwerpen die van vóór 1900 dateren, verworven.
e
Uitbreiding van de collectie (vanaf 1900)
Ook na 1900 groeide de collectie gestaag met onder andere enkele Benin voorwerpen in 1902 (serie
1355), een collectie van 487 artefacten uit Zuidoost-Afrika van H.P.N. Muller in 1930 (serie 2211) en
het merendeel van de Afrika-collectie van 3.064 stuks van het Indisch Instituut, thans Tropenmuseum,
te Amsterdam in 1947 (serie 2668). Deze laatste collectie bevat zeer veel vroege stukken uit de
34
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
verzamelingen van “Artis”, de Amsterdamse dierentuin, (onder andere de Schuver-collectie) en het
Koloniaal Museum in Haarlem.
In de eerste helft van de twintigste eeuw zijn in totaal circa 7.000 voorwerpen verworven.
Naast een aantal individuele stukken uit de kunsthandel, zijn na 1950 een aantal goed
gedocumenteerde collecties verworven van Vissers in 1952 uit Cabinda (serie 2966: 163 voorwerpen,
vele spreekwoordendeksels), van K.K. Gerbrands van 1983 tot 1987 uit Sierra Leone (series 5212,
5270 en 5495: 179 voorwerpen, vooral textiel), V. van Deenen en G.J. Dimmendal in 1989 van de
Turkana uit Kenya (series 5578 en 5579: 218 voorwerpen) en van H. van Dijk en M. de Bruyn in 1992
van de Fulbe uit Mali (serie 5686: 80 voorwerpen).
Van groot belang waren de schenking in 1991 van de Afrika-collectie van de Universiteit Utrecht
(series 5672, 5676, 5677 en 5681: circa 4.000 voorwerpen uit Nubië, Kameroen en Mali van het
voormalig Instituut voor Antropobiologie) en het langdurig bruikleen van het Musée National du Mali
(serie B 237: archeologische Tellem-collectie). In Djenné (Mali) werden door P. Maas (series 5591 en
5890), G.L.M. Mommersteeg (series 5642, 5775 en 5785), D. van der Waals (series 5614, 5646, 5679
en 5719), B. Gardi (series 5800 en 5898) en R.M.A. Bedaux (series 5746 en 5795), in totaal 459
voorwerpen verzameld. In 1992 werd door M.E. Houtzager een omvangrijke collectie toeristenkunst
(serie 5715: 386 voorwerpen) geschonken en in 1995 schonk D.H. Halma-Houben een collectie
gewichten (serie 5821: 144 voorwerpen). De Erven J.M. Schuver schonken in 1998 een aantal
manuscripten (serie 6019: 28 voorwerpen) van deze belangrijke verzamelaar (zie ook serie 2668).
Ook in 1998 werd door B. Menzel een zeer belangrijke collectie kralen en textiel vooral afkomstig uit
Ghana, voorzien van een zeer uitgebreide documentatie, aan Volkenkunde gelegateerd (serie 5899:
1.419 voorwerpen).
Tot slot schonken de Erven J.F. Lankamp in 2003 een belangrijke negentiende eeuwse collectie uit
het Neder-Kongogebied (serie 5997: 134 voorwerpen).
De totale Afrika-collectie omvat nu circa 29.000 voorwerpen.
Recente ontwikkelingen
Het huidige acquisitiebeleid van de afdeling sluit zo veel mogelijk aan bij het onderzoek van de
afdeling. Hiertoe zijn allianties aangegaan met andere instellingen in binnen- en buitenland. Veel
belang wordt hierbij gehecht aan de samenwerking met de instellingen in de landen van herkomst van
de collecties. Speciale aandacht zal worden gericht op het verzamelen van samenhangende
categorieën dagelijkse gebruiksvoorwerpen. De voorkeur gaat uit naar voorwerpen die door de
conservator of andere onderzoekers ter plaatse kunnen worden verzameld in nauwe samenwerking
met plaatselijke collega's. Verder zal speciale aandacht worden besteed aan voorwerpen die de
Nederlandse contacten met Afrika illustreren en als zodanig goed aansluiten bij de reeds bestaande
collecties. Recente voorbeelden van dit verzamelbeleid zijn de verwervingen van de erven J.M.
Schuver (1998) en J.F. Lankamp (2003).
Naast het acquisitiebeleid dient ook de mogelijkheid van langdurige bruiklenen van musea in Afrika te
worden genoemd. Op deze wijze blijven de voorwerpen relatief goed bewaard, terwijl het juridische
eigendom duidelijk is. De bruikleennemer kan als tegenprestatie deze voorwerpen gebruiken voor
studie en presentatie. Op deze wijze is de helft van de vrij omvangrijke archeologische Tellemcollectie (elfde - zestiende eeuw) van het Musée National du Mali nu in Volkenkunde te zien (serie B
237). Een andere mogelijkheid om de collectie aan te vullen bieden virtuele collecties. Het gaat hier
om voorwerpen die bijvoorbeeld te groot zijn of om voorwerpen die om allerlei redenen beter ter
plaatse tot hun recht komen. In dergelijke gevallen wordt de documentatie als collectie worden
beschouwd. Zo heeft Volkenkunde bijvoorbeeld de originele documentatie van meer dan 100
gebouwen uit het Wereldmonument Djenné (Mali) en 50 gebouwen van verschillende dorpen uit het
gebied van de Dogon (Mali), ook een Wereldmonument, in zijn collectie opgenomen.
Collectiebeschrijving
Indelingsprincipe
Het verzamelterrein van de afdeling Afrika omvat in principe de gehele geschiedenis van het
continent, van de vroegste prehistorie tot en met het heden. Van oudsher wordt hierop een
uitzondering gemaakt voor archeologische collecties uit Egypte en de Romeinse archeologica uit
Noord-Afrika. Deze worden al sinds 1818 verzameld en beheerd door het Rijksmuseum van
Oudheden te Leiden.
Gezien de omvang van het continent wordt voor de beschrijving van de kerncollecties gebruik
gemaakt van een regionale indeling. Een indeling naar landen is minder zinvol aangezien de
35
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
landsgrenzen gebaseerd zijn op min of meer toevallige koloniale grenzen en niet op etnische groepen.
Ook de (koloniale) indeling in etnische groepen wordt echter steeds minder zinvol geacht.
Aan de collecties worden kwaliteitsindicaties gegeven (A, B, C en D). Het historische belang van de
negentiende eeuwse collecties zowel voor Nederland als voor Afrikaanse landen maakt dat deze in
het algemeen een kwaliteitsindicatie A krijgen toebedeeld. Ook jongere collecties kunnen deze
kwalificatie krijgen indien de documentatie en ensemblewaarde dit rechtvaardigen.
Kerncollecties
De Leidse Afrika-collectie is de oudste, de omvangrijkste en de belangrijkste in Nederland.
Internationaal is de collectie vooral van groot belang vanwege de relatieve vroege verzameldata, een
aantal unica en topstukken en de belangrijke archeologische prekoloniale collecties. De collectie als
geheel is vooral vanuit historisch perspectief van groot belang. De vroege en langdurige
handelscontacten tussen Nederland en het Afrikaanse continent hebben er mede toe geleid dat in
Volkenkunde een aantal belangwekkende Afrikaanse collecties zijn terechtgekomen. Deze collecties
kunnen als zwaartepunten binnen de afdeling worden beschouwd en kunnen om die reden ook als
kerncollecties worden benoemd. Gegroepeerd volgens de geografische hoofdindeling zullen zij
onderstaand compact worden beschreven.
Noord-Afrika
- De “J.M. Schuver-collectie” ( A ) 1947 en 1998 (Sudan en Ethiopië)
Door de ontdekkingsreiziger J.M. Schuver tussen 1880 en 1883 op zijn reis naar het grensgebied van
Sudan en Ethiopië bijeengebrachte collectie. In deze collectie bevinden zich de oudst bekende
voorwerpen van volken in deze grensstreek en de manuscripten van zijn reisbeschrijvingen, die door
James et alii (1996) zijn uitgegeven. Deze voorwerpen bevinden zich in de serie 2668 (1947 Indisch
Instituut: circa 100 voorwerpen) en 6019 (1998 J.F.A. Schuver: voornamelijk manuscripten).
Een vergelijkbare collectie van iets noordelijker verzamelde voorwerpen (128) is tussen 1882 en 1884
aan het museum geschonken door A.J. Schelling en J.H. Insinger (series 310, 345 en 443).
Zie ook serie 5864 (1996: 2 voorwerpen).
- De “Nubië-collectie” ( A ) 1991 (Sudan)
Deze archeologische collectie bestaat uit circa 250 menselijke skeletresten opgegraven in het noorden
van Sudan in Attiri (16-J-7) in het kader van het Unesco Aswandam programma in 1968 (1991 serie 5675
Universiteit Utrecht: 88 dozen). Dit materiaal kan worden gedateerd in de zesde - veertiende eeuw. Deze
collectie vormt een unieke en belangrijke wetenschappelijke informatiebron, maar zal niet worden gebruikt
voor tentoonstellingsdoeleinden.
West- Afrika
- De” G.A. Krause-collectie” ( A ) 1889 (voornamelijk Noord-Ghana, Noord-Nigeria en Burkina-Faso)
Een van de oudste systematische collecties uit dit gebied (serie 739). Het totaal aantal voorwerpen
bedraagt 1.571. Deze collectie bevat de vroegste voorwerpen uit de binnenlanden van West-Afrika.
- De Benin-collectie ( A ) 1897 – 1999 (Nigeria)
Deze collectie afkomstig van de Britse strafexpeditie in 1897 omvat 140 voorwerpen, geregistreerd onder
verschillende serienummers. Dit is de enige collectie van het oude koninkrijk Benin in Nederland. Het
Tropenmuseum en het Afrika Museum bezitten ieder een voorwerp.
- De collectie ivoren voorwerpen van vóór 1800 ( A ) 1896-1953 (Sierra Leone en Nigeria)
Deze verzameling bestaat uit vier voorwerpen, die van groot belang zijn vanwege hun zeldzaamheid. De
Owo schaal (1415-1) is de enige ter wereld die gedateerd kan worden (vóór 1700). Het zijn verder
belangrijke illustraties voor de vroege handelscontacten van Nederland met West-Afrika.
- De “Akan-collectie” ( A ) 1883 – 2004 (Ghana)
Tot deze collectie kunnen een honderdtwintigtal voorwerpen uit het Koninklijk Kabinet van
Zeldzaamheden (1883 serie 360) worden gerekend die dateren uit het begin van de negentiende
eeuw. Tevens behoord hiertoe het legaat B. Menzel (1998 serie 5899) dat bestaat uit een collectie
textiel en kralen met een zeer uitgebreide documentatie (totaal 1.430 voorwerpen).
Drie collecties goudgewichten (505: H. Schlegel 1885, 42 voorwerpen; 1031: Munt- en
Penningenkabinet 1894, 41 voorwerpen; 5821: Halma-Houben 1995, 145 voorwerpen) en enkele
kleine relatief vroege collecties horen ook tot deze collectie.
36
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
- De “Djenné-collectie” ( A ) 1989 – 2002 (Mali)
Deze verzameling, bestaande uit 459 voorwerpen en geeft een goed overzicht van de materiële cultuur
van de stad Djenné. Ze is tevens sterk gekoppeld aan onderzoeks- en erfgoedactiviteiten van de Leidse
museum staf in Mali. Daarenboven kan tot deze collectie ook worden gerekend de ‘virtuele’ collectie (G6)
van de documentatie van een honderdtal door het Rijksmuseum voor Volkenkunde gerestaureerde
monumenten in deze stad, die op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat.
- De “Dogon-collectie” ( A ) 1991 – 2005 (Mali)
Deze collectie betreft vooral de dagelijkse materiële cultuur van de Dogon (Mali) en omvat de
volgende series: 5677 (1991, voorheen Universiteit Utrecht (UU), circa 230 voorwerpen), 5955 (2000
Gardi, 18 voorwerpen) en 5949 (1999 Christies, 2 voorwerpen). Daarnaast bevat deze collectie een
aantal losse voorwerpen in verschillende series. Tot deze collectie behoren ook de opgegraven
voorwerpen van twee verlaten Dogon huizen in Tireli. Daarnaast is documentatie aanwezig van circa
25.000 dagelijkse gebruiksvoorwerpen (Tireli, Pegue, Banani, Sanga en Ireli), van een vijftal smidsen,
van Dogon architectuur in de dorpen Teli, Bolimba, Ogosogou, Pegue, Tireli en Songo, van de
rotschilderingen in Songo, en er is een complete lijst van de dagelijkse materiële cultuur, van de
literatuur en de films.
Collecties van dagelijkse gebruiksvoorwerpen van de Dogon zijn vrij zeldzaam en de documentatie
van de architectuur is zeer zeldzaam.
- De Archeologische collectie Binnendelta van de Niger ( A ) (Mali)
Tot deze collectie behoren de in 1991 verworven series 5681 (UU, circa 40 menselijke skeletresten) en
5676 (UU, archeologica). Het totaal aantal objecten bedraagt circa 2.200.
Dit is de enige archeologische collectie uit de Binnendelta buiten Mali die afkomstig is van een reguliere
opgraving die in 1975 is uitgevoerd door het Instituut voor Antropobiologie van de UU in samenwerking
met het ISH te Bamako.
Tot deze collectie kan ook de documentatie van de door het Rijksmuseum voor Volkenkunde
begeleide opgraving te Dia worden gerekend en de documentatie van de huidige architectuur van
deze stad.
- De “Tellem-collectie” ( A ) 1991 (Mali)
Deze collectie is eigendom van het Musée National te Bamako en is in 1991 gedeeltelijk in langdurig
bruikleen aan het Rijksmuseum voor Volkenkunde afgestaan (B 237).
Hiertoe behoort ook serie 5678 (voorheen Universiteit Utrecht, circa 400 menselijke skeletresten).
In deze collectie bevinden zich de oudste voorwerpen (elfde - zestiende eeuw) van vergankelijk materiaal
(onder andere textiel) uit Afrika ten zuiden van de Sahara. Dit is de enige Tellem-collectie buiten Mali.
- De “gara-collectie” ( A ) 1983 – 1987 (Sierra Leone)
Deze vrij complete collectie van 179 voornamelijk recente gara (lokaal geverfd textiel) omvat de door K.
Gerbrands van 1983 tot 1987 verzamelde series 5212, 5270 en 5495. Bij deze collectie is een
uitvoerige documentatie.
- De “Fali-collectie” ( A ) 1991 (Kameroen)
Deze goed gedocumenteerde collectie omvat de complete materiële cultuur van een van de Kirdi volken
in Noord-Kameroen, de Fali, en is verzameld in 1968 en 1970 (1991 serie 5672 UU). Bij deze collectie
hoort een kleine archeologische collectie en circa 15 menselijke skeletresten (1991 serie 5682 UU)
- De “Fulbe-collectie” ( A ) 1992 (Mali)
Deze door H. van Dijk en M. de Bruin in het kader van hun promotieonderzoek verzamelde collectie van
118 voorwerpen (serie 5686) geeft een goed beeld van de materiële cultuur van de Fulbe in de omgeving
van Douentza (Mali) in de jaren 1980.
Centraal-Afrika
- De “Neder-Kongo-collectie” ( A ) 1883 – 2003 (Democratische Republiek Congo (Zaïre), Congo,
Angola)
Deze collectie bestaat uit de volgende onderdelen:
- de collectie van A. de Bloeme uit 1883-1884: serie 337 en 449 (100 voorwerpen);
- de collecties van medewerkers van de Nieuwe Afrikaansche HandelsVereeniging (NAHV):
Vooral door toedoen van A. Greshoff (1856-1905), hebben medewerkers van de NAHV
vele voorwerpen aan het Rijksmuseum voor Volkenkunde geschonken. De NAHV is in
37
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
1880 voortgekomen uit het faillissement van de Afrikaansche HandelsVereeniging van
L. Kerdijk en H. Pincoffs te Rotterdam, die reeds vanaf 1857 handel met het NederKongogebied dreven. Het totale aantal voorwerpen door de medewerkers van de NAHV
verzameld en door het museum verworven bedraagt 2.584.
- Regeering van den onafhankelijken Congostaat 1894: serie 1032 (203 voorwerpen);
- Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden 1883: serie 360 (circa 20 voorwerpen).
Dit Kabinet, in 1816 door koning Willem I gesticht, is in 1883 opgeheven. De
ethnografica werden overgebracht naar Leiden en naar het Rijksmuseum te
Amsterdam. In dit Kabinet bevonden zich voorwerpen uit het Neder-Kongogebied die
reeds vóór 1876 aan de koning waren geschonken.
- Rotterdamsche Diergaarde 1884 en 1939: series 497 en 2430 (circa 260 voorwerpen).
In 1884 verkreeg het museum een aantal voorwerpen van de Rotterdamse Diergaarde
die reeds in 1857 was begonnen met het aanleggen van een volkenkundige collectie.
De rest van de collectie van de dierentuin is in 1939 overgebracht naar het toenmalige
Museum voor Volkenkunde te Rotterdam. De documentatie van deze collectie is helaas
grotendeels verloren gegaan tijdens WO II.
- Indisch Instituut 1947: serie 2668 (circa 1.550 voorwerpen).
De etnografische collectie van de Amsterdamse Koninklijk Zoologisch Genootschap ‘Natura
Artis Magistra’, die vanaf 1858 etnografica verzamelde, werd overgedragen aan het in 1924
opgerichte Koloniaal Instituut te Amsterdam. In 1947 heeft dit instituut zijn Afrikaanse
collecties verkocht aan het Rijksmuseum voor Volkenkunde, om zich geheel te kunnen richten
op de (voormalige) koloniën.
In deze collectie bevinden zich ook voorwerpen die door medewerkers van de NAHV
(onder andere L.S. Anema, J.C.W.H. Cremer en J.A.A. Marcussen) verzameld zijn en
voorwerpen uit het Koloniaal Museum te Haarlem.
- De verzameling van Pater J. Vissers, missionaris van de Congregatie van de Heilige Geest 1952:
serie 2966 (163 voorwerpen).
Deze goed gedocumenteerde collectie bevat vele zogenaamde spreekwoordendeksels uit
Cabinda.
Deze verzameling is van groot belang vanwege zijn ouderdom, zijn kwantiteit (4.856 voorwerpen), zijn
documentatie (onder andere Rijksarchief, Artis, Tropen Museum en Museum Volkenkunde) en de vele
topstukken die zij bevat. Van belang zijn tevens de dagboeken van J.W. Regeer (1883) en J.F.
Lankamp (1890), het fotoalbum van J.F. Lankamp en een aantal negentiende eeuwse foto’s uit het
gebied.
Zuidelijk-Afrika
- De “C. Beelaerts van Blokland-collectie” (A) 1941 (Zuid-Afrika)
Deze goed gedocumenteerde oude collectie van 109 voorwerpen is verzameld tussen 1884-1887 in
Zuid-Afrika (serie 2477). Vooral de zeer zeldzame collectie poppen, vervaardigd rond 1820, zijn
uitzonderlijk.
Oost-Afrika
- De “Turkana-collectie” ( A ) 1989 (Kenya)
Tot deze collectie van in totaal 218 voorwerpen behoren de series 5578 (1989 Deenen) en 5579 (1989
Dimmendaal). Ze geeft een redelijk compleet beeld van de materiële cultuur van de Turkana in de jaren
1980.
- De “E.C.M. Ooms-collectie” (A) 1879-1881 (Somalië)
Deze collectie is voor 1879 verzameld door de Nederlandse Consul te Aden Ooms en bevat 72
objecten uit Somalië (series 229, 248 en 275). Hieronder bevind zich o.a. een zeer fraaie collectie
houten lepels.
Een meer thematisch indeling levert ook belangrijke kerncollecties op. Te vermelden zijn bijvoorbeeld de
wapens, de mutsen, de amuletten, de sieraden, het aardewerk, de textiel, de beelden, de maskers, de
goudgewichten, de voorwerpen die de Nederlands-Afrikaanse betrekkingen illustreren, de kralen, de
archeologica, de toeristenkunst en de architectuur.
Vergelijking met andere collecties
Op nationaal niveau
38
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
De Afrika-collectie van Volkenkunde is de oudste en zowel kwalitatief als kwantitatief de belangrijkste
collectie in Nederland. Andere belangrijke Afrika-collecties bevinden zich in het Tropenmuseum te
Amsterdam (opgericht in 1910 (1926); circa 11.200 voorwerpen), in het Wereldmuseum te Rotterdam
(opgericht in 1885; circa 15.000 voorwerpen), en in het Afrika Museum te Berg en Dal (opgericht in
1954; circa 7.600 voorwerpen). Verder bevinden zich kleinere Afrika-collecties in het Museon te Den
Haag (opgericht in 1904; circa 4.800 voorwerpen) en in de collecties van het voormalige Museum
‘Gerardus van der Leeuw’ te Groningen (opgericht in 1968; circa 3.000 voorwerpen) en van het
voormalige Nijmeegs Volkenkundig Museum (circa 2.000 voorwerpen) en in het Afrika Centrum in
Kadier-en-Keer.
Deze collecties zijn in het algemeen veel recenter en overlappingen tussen de verschillende
verzamelingen zijn zeldzaam. Een uitzondering vormen de negentiende eeuwse Neder-Kongocollecties van het Wereldmuseum die gedeeltelijk door dezelfde verzamelaars bijeen zijn gebracht als
de Leidse collecties. In de collectie van het Tropenmuseum zijn naast een aantal voorwerpen uit de
vroege Afrika-collectie, de Nederlandse contacten met Zuid-Afrika, enkele topstukken in de collectie
Oudshoorn, de grondig gedocumenteerde Samo-collectie en de schilderijen van de Kongolese
schilder Tshibumba belangrijke deelcollecties. In het Museon bevinden zich belangrijke collecties van
de Ndebele en Woodabe en een aantal voorwerpen afkomstig uit de dierentuinen van Rotterdam en
Antwerpen die in de jaren 1930 zijn verworven.
In internationaal perspectief
De Afrika-collecties van de andere grote musea in Europa weerspiegelen de (koloniale) contacten van
de desbetreffende landen met Afrika en hebben daardoor ieder hun eigen karakter. Dit geldt ook voor
de Leidse collectie. Zo zijn bijvoorbeeld de Benin-collecties van Londen en Berlijn groter en
belangrijker, maar onderscheidt de Leidse collectie zich door de relatie met de Nederlandse
handelscontacten. De collectie van Tervuren (circa 350.000 voorwerpen uit Centraal-Afrika) is veel
omvangrijker en belangrijker dan de Leidse collectie uit Centraal-Afrika, maar is pas na 1897
verzameld en is niet met hulp van medewerkers van de (N)AHV gevormd.
Collectiekwaliteit en deselectie
De collectie is vooral historisch van groot belang. De meeste voorwerpen zijn in de negentiende eeuw
verzameld en zijn van grote waarde voor de Nederlandse geschiedenis en de cultuurgeschiedenis van
Afrika. Voorwerpen uit deze periode zijn in Afrika vanwege het klimaat en het koloniale verleden uiterst
zeldzaam.
Archeologische collecties zijn zo mogelijk nog zeldzamer. De verzameling omvat unieke collecties uit
onder andere Centraal-Mali (derde eeuw v. Chr., achttiende eeuw: Dogon, Tellem, Binnendelta van de
Niger), Noord-Kameroen (zeventiende-achttiende eeuw) en Noord-Sudan (tiende vijftiende eeuw) en
enige Paleolithische en Neolithische voorwerpen uit Oost- en Zuid-Afrika, Guinee en Senegal.
Daarnaast dienen de Afro-Portugese ivoren (zestiende eeuw), het Owo beeld (zeventiende eeuw) en
de Benin-collectie (zestiende-negentiende eeuw) te worden vermeld als voorbeelden van zeer vroege
en uiterst zeldzame voorwerpen.
Actuele ontwikkelingen in Afrika zijn wat spaarzamer in de collectie vertegenwoordigd (onder andere
Sierra Leone, Kenya en Mali en de collectie M.E. Houtzager).
Delen van de collectie zijn nog onvoldoende gedocumenteerd. Het is daarom niet doenlijk nu al
uitspraken te doen over eventuele deselectie van voorwerpen behalve als het gaat om
collectievreemde en educatieve objecten.
39
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Literatuur
Belangrijkste catalogi bij tentoonstellingen
Vandenhoute, P.J.L. en A.A. Gerbrands
1947 Afrikaanse kunst in Nederland. Leiden: Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Munneke, R.
1982 In der minne schikken: sprekende deksels uit Cabinda (Angola). Leiden: Rijksmuseum voor
Volkenkunde.
Duchâteau, A.
1990 Benin: vroege hofkunst uit Afrika. Brussel en Leiden: Gemeentekrediet en Rijksmuseum voor
Volkenkunde.
Bolland, R.
1991 Tellem Textiles; Archaeological Finds from Burial Caves in Mali's Bandiagara Cliff.
Mededelingen Rijksmuseum voor Volkenkunde 27. Leiden, Amsterdam en Bamako:
Rijksmuseum voor Volkenkunde, Royal Tropical Institute, en Institut des Sciences Humaines
and Musée National du Mali.
Vallées du Niger
1993 Vallées du Niger. Paris : Réunion des Musées Nationaux.
Bedaux, R.M.A. & J.D. van der Waals (éds)
1994 Djenné, beeld van een Afrikaanse stad. Leiden en Gent: Rijksmuseum voor Volkenkunde en
Snoeck-Ducaju & Zoon.
Bedaux, R., B. Diaby & P. Maas (éds)
2003 L’architecture de Djenné (Mali); la pérennité d’un Patrimoine Mondial. Leyde et Gand:
Rijksmuseum voor Volkenkunde et Editions Snoeck.
Bedaux, R. & J.D. van der Waals (éds)
2004 Dogon: mythe en werkelijkheid in Mali. Leiden en Gent: Rijksmuseum voor Volkenkunde en
Uitgeverij Snoeck.
Schmidt A.M. & P. Westerdijk
th
2006 The Cutting Edge: West Central African 19 Century Throwing Knives in the National Museum
of Ethnology Leiden. Leiden: National Museum of Ethnology and C. Zwartekot Art Books.
Belangrijkste overige publicaties
Bassani, E
2000 African Art and Artefacts in European Collections 1400-1800. London, British Museum Press.
Bedaux, R.M.A.
1986 Recherches ethno-archéologiques sur la poterie des Dogon (Mali). In: H. Fokkens, P. Banga & M.
Bierma, red., Op zoek naar mens en materiële cultuur: 117-146. Groningen: Rijksuniversiteit
Groningen.
1988 Tellem and Dogon Material Culture. African Arts 21:38-45.
1991 Museum of Ethnography or Museum of Art: Africa in the National Museum of Ethnology at Leiden.
In: E. Bassani & G. Speranza, eds., Collecting, Documenting, Preserving, Restoring and
Exhibiting Works of African Traditional Art (Arte in Africa 2:29-35). Milaan en Florence: Centro
Studi di Storia della Arti Africane en Associazione Poro.
Bedaux, R.M.A. & R. Bolland
1989 Vêtements féminins médiévaux du Mali: les cache-sexe de fibre des Tellem. In: B. Engelbrecht &
B. Gardi, red., Man does not go naked (Basler Beiträge zur Ethnologie 30:15-34). Basel:
Ethnologisches Seminar der Universität en Museum für Völkerkunde.
Bedaux, R.M.A., T.S. Constandse-Westermann, L. Hacquebord, A.G. Lange & J.D. van der Waals
1978 Recherches archéologiques dans le Delta intérieur du Niger (Mali). Palaeohistoria 20:91-220.
Bedaux, R., J. Polet, K. Sanogo, A. Schmidt, red.
2005 Recherches archéologiques à Dia dans le Delta Intérieur du Niger (Mali): bilan des saisons de
fouilles 1998-2003. Mededelingen van her Rijksmuseum voor Volkenkunde 33. Leiden : CNWS
Publications.
Bedaux, R.M.A. & J. Smits
1992 A 17th Century Ivory Figure in the Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. African Arts 25:7677.
Gauthier, J.-G.
1979 Archéologie du Pays Fali (Nord Caméroun). Paris: Editions du CNRS.
Gerbrands, A.A.
40
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
1957
Art as an Element of Culture, Especially in Negro-Africa. Mededelingen van het Rijksmuseum
voor Volkenkunde 12; Leiden, Brill.
Huizinga, J.
1968 New Physical Anthropological Evidence Bearing on the Relationships between Dogon,
Kurumba and the Extinct West African Tellem Populations. Proceedings Koninklijke
Nederlandse Akademie van Wetenschappen C 71:16-30.
Huizinga, J., N.F. Birnie-Tellier & E.V. Glanville
1967 Description and Carbon-14 dating of Tellem Cave Skulls from the Mali Republic: a
Comparison with other Negroid groups. Proceedings Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen C 70: 338-367.
James, W., G. Baumann & D. Johnson
1996 Juan Maria Schuver’sTtravels in North East Africa 1880-1883. London: The Hakluyt Society.
Knip. A.
1970 Metrical and Non-Metrical Measurements on the Skeletal Remains of Christian Populations from
Two Sites in Sudanese Nubia. Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen Series
C73, 5:433-468.
Lankamp, J.F.
1893 Fotoalbum: Herinneringen aan mijn verblijf in Centraal-Afrika (1890-1893).
Marquart, J.
1913 Die Benin-Sammlung des Reichsmuseums für Völkerkunde in Leiden. Leiden: Brill.
Marquart, J., J.D.E. Schmeltz en J.P.B. de Josselin de Jong
1904-16 Ethnographisch album van het stroomgebied van den Congo. Den Haag: Martinus Nijhoff.
MacGaffey, W & M.D. Harris
1993 Astonishment and Power. Washington: National Museum of African Art.
Phillips, T.
1995 Africa: the Art of a Continent. London en Munich-New York: Royal Academy of Arts en Prestel.
Regeer, J.W.
1883 Brieven uit Sonjo. Leiden: Manuscript Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Sebald, P.
1972 Malam Musa - Gottlob Adolf Krause 1850-1938: Forscher-Wissenschaftler-Humanist. Leben und
Lebenswerk eines antikolonial gesinnten Afrika-Wissenschaftlers unter den Bedingungen des
Kolonialismus. Berlin: Akademie Verlag.
41
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel Cultuurgebied Midden- en Zuid-Amerika
Laura N.K. Van Broekhoven
Inleiding
Geografische omschrijving
Het cultuurgebied Midden- en Zuid-Amerika betreft de volgende landen: Mexico, Guatemala, Belize,
Honduras, El Salvador, Nicaragua, Costa Rica, Panama, Venezuela, Colombia, Suriname, Frans
Guyana, Brits Guyana, Brazilië, Uruguay, Paraguay, Argentinië, Chili, Bolivia, Peru, Ecuador, en de
grote en kleine Antillen.
Cultuurgebieden
De hedendaagse politieke indeling van Midden- en Zuid-Amerika is voor het beschrijven van een
volkenkundige collectie slecht bruikbaar, aangezien de hedendaagse grenzen van de landen binnen
Midden en Zuid-Amerika noch overeenstemmen met enige prekoloniale of culturele realiteit, noch
worden bepaald door enige fysische geografische realiteit. Deze grenzen stammen uit een koloniaal
verleden en zijn pas vastgelegd na de onafhankelijkheidsverklaring van de verschillende regio’s
tijdens de achttiende, negentiende en twintigste eeuw, vaak na zeer langdurige (burger)oorlogen.
Aangezien de collecties van het Museum Volkenkunde voornamelijk de culturen van dit gebied
aangaan, wordt aan de hand van culturele kenmerken een indeling gemaakt binnen dit gebied. Met
andere woorden: het gebied is ingedeeld in geografisch en politiek onlogische gebieden, waarin
verschillende culturen zijn ondergebracht, die vanuit een wetenschappelijk oogpunt wat betreft
bepaalde culturele kenmerken overeenstemmen. Van Noord naar Zuid is het gebied in tien
14
cultuurgebieden waarvan zeven belangrijk zijn voor de collectie. Deze zijn als volgt in te delen:
- Mesoamerika
- ‘Intermediate area’ (Centraal-Amerika, Colombia, Venezuela)
- Circum-Caraïbisch en Antillen
- Amazonia (Tropisch Laagland)
- Andesgebied (Noord, Centraal, Zuid)
- Gran Chaco – Pampas
- Patagonië – Vuurland
Het overgrote deel van onze prekoloniale en koloniale collectie beslaat Mesoamerika, het CircumCaraibisch en het Andes gebied. Wat betreft de negentiende en begin twintigste eeuwse
archeologische collecties ligt het zwaartepunt veeleer bij het Circum-Caraibisch en de noordelijke
Amazonia. Wat betreft het etnografische materiaal heeft het Museum Volkenkunde een aantal zeer
belangrijke laat negentiende en vroeg twintigste eeuwse collecties uit Amazonia. Wat betreft het
twintigste eeuws folkloristisch materieel erfgoed en etnografica ligt de nadruk weer meer bij
Mesoamerika.
Omvang van de verzameling
De huidige omvang van de verzameling Midden- en Zuid-Amerika, in het museum afgekort met de
aanduiding “MIZUA”, is bijna 24000 voorwerpen. De exactheid van dit aantal is echter maar schijn:
deels zijn scherven van archeologische vondsten (zoals bv. Serie 2049: 1364 aardewerk fragmenten
en serie 1403: 705 fragmenten), alle individueel geteld, terwijl grote aantallen speren (gezamenlijk in
‘bussels’ verzameld) als één voorwerp zijn geteld, evenals bijvoorbeeld ceremoniële sets textilia.
De MIZUA collectie is tot stand gekomen naar aanleiding van wetenschappelijke en individuele
verzamelexpedities en koloniale tentoonstellingen, maar ook grotendeels ontstaan uit individuele
giften, aankopen en legaten. We zien dan ook een geleidelijke opeenstapeling van relatief kleine
aanwinsten, die soms tot een eclectisch geheel hebben geleid. Waar eind negentiende eeuw de
collectie ruim 2600 objecten telde (verdeeld in series 34 t/m 1240) is zij ruim een eeuw later met bijna
24.000 voorwerpen dus praktisch vertienvoudigd.
Geschiedenis van de collectie
Vanuit een historisch perspectief zijn vooral twee lijnen van belang in de wijze waarop de collectie is
opgebouwd. Eén lijn is die van de verzamelaars en conservatoren die de collectie bij elkaar brachten.
14
Mede door de manier waarop de database van Volkenkunde historisch tot stand is gekomen, wordt in TMS vaak gebruik
gemaakt van hedendaagse politieke landaanduidingen. Waar het collecties betreft die stammen uit de negentiende of twintigste
eeuw is dat meestal geen probleem. Wanneer het om objecten aangaat die koloniaal of prekoloniaal van oorsprong zijn, dient
dit euvel in de toekomst te worden verholpen door te verwijzen naar de hieronder te noemen cultuurgebieden.
42
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
De tweede lijn is die van de historische, politieke en economische banden die tussen Nederland en de
regio in kwestie bestonden en bestaan gedurende de tijd dat de collectie is samengesteld.
Met betrekking tot de eerste verzamellijn zijn een aantal belangrijke personen te vermelden, die nauw
verbonden waren/zijn met het museum en het tot stand komen van de MIZUA collectie. Een aantal
noemenswaardige conservatoren zijn Dr. J.J. Marquart (1900-1910), Dr. J.P.B. de Josselin de Jong
(1910-1935), Dr. G.W. Locher (1937-1946), Dr. A.A. Gerbrands (1947-1956), Prof. dr. R.T. Zuidema
(1956-1964), Dr. Th. J.J. Leyenaar (1965-2000). Vooral deze twee laatsten en De Josselin de Jong
waren zeer actief in het doen van onderzoek in de regio en op de collectie; gedurende de periode van
Th. Leyenaar’s conservatorschap is de bestaande verzameling bijvoorbeeld verdubbeld in aantal. Zij
staan ook vandaag de dag bekend om hun baanbrekende wetenschappelijke bijdragen op het
vakgebied.
Met betrekking tot het tweede punt, de historische relatie tussen Nederland en de regio, zijn grote
verschillen op te merken in intensiteit en aard van contacten met de verschillende cultuurregio’s.
Vanwege het koloniale verleden van Nederland bestaan vooral sterke historische banden met
Suriname en het Caribische gebied. Met de overige gebieden van MIZUA waren de contacten veel
meer van een incidentele aard, en dat is merkbaar in de collectie opbouw.
Historisch overzicht
De vroege verzamelingen
De basis voor de vroege verzamelingen van MIZUA wordt grotendeels gevormd door schenkingen of
overdrachten van collecties. Daarnaast verwerft het toenmalige Rijks Ethnografisch Museum
gedurende de eerste tien jaar ook via kleine aankopen – tussen de een en de zestig objecten – zijn
aanvullingen op de Midden- en Zuid-Amerikaanse collectie. De oudste serie met voorwerpen uit
MIZUA is serie 34, uit 1864. Het een schenking van de erven van een zekere heer P. Buyskes (31
objecten). Verder worden gedurende die eerste jaren ook een aantal objecten geruild, bijvoorbeeld
met de Henry Christy Collection in Londen (serie 74), of worden objecten geschonken door onder
meer de Smithsonian Institution en het Mineralogisch Kabinet van de Rijksuniversiteit Utrecht. Het
merendeel van al deze de objecten is afkomstig uit voormalige Nederlandse koloniën (Suriname en
Brazilië).
In 1883 worden als gevolg van de opheffing van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden te Den
Haag 344 objecten uit Midden- en Zuid-Amerika, die waren verzameld tussen 1816 en 1883,
overgedragen aan het Rijks Ethnografisch Museum (serie 360). Het gaat voornamelijk om voorwerpen
uit Suriname en de Guyanas, maar er zitten ook enkele objecten uit Mexico, de Antillen, Brazilië en
‘Zuid-Amerika’ bij. De vroegste voorwerpen in deze collectie hadden op hun beurt weer deel
uitgemaakt van een ruil met het Academisch Museum van de Leidse universiteit. Tussen de objecten
15
die geruild werden zaten “wapens en sieraden van kaffers, hottentotten en Zuid Amerikanen” . Van
de chirurgijn F.A. Kühn, Chef van de geneeskundige dienst te Suriname, krijgt het museum via deze
weg een schenking van twee kisten en een pakje met voorwerpen van “Zuijd americaanse indianen,
16
surinaamsche creolen, Caraïben, en […] van de Bosch negers” uit Suriname”. Een aantal van de
meest beroemde voorwerpen uit de KKvZ collectie betreffen de diorama’s van de hand van Gerrit
Schouten.
Datzelfde jaar 1883 behoren ook ruim driehonderd objecten, afkomstig uit de MIZUA regio en dan
vooral uit Suriname, tot de meer dan 4000 voorwerpen die voor de Internationale Koloniale en
Uitvoerhandelstentoonstelling in 1883 in Amsterdam waren aangewend en nadien door het museum
worden aangekocht.
Al enkele jaren eerder, na de wereldtentoonstelling van 1878 te Parijs, heeft het museum via een
vergelijkbare aankoop de Nederlandse bijdrage aan die wereldtentoonstelling, waaronder ook een
zestigtal Antilliaanse en Surinaamse gebruiksvoorwerpen en sieraden – armbanden, knotsen,
waterkruiken etc. – kunnen aanschaffen.
Dit vroege gedeelte van de collectie is van grote waarde, omdat ze boekdelen spreekt over de manier
waarop Nederland met zijn kolonies in de Nieuwe Wereld omging. De materiële cultuur die is
verzameld, is niet zozeer representatief voor de cultuur in kwestie, maar veel meer voor het beeld dat
de verzamelaar wilde schetsen over die cultuur (een beeld van exotisme, ‘nobele wilde’, kolonialisme).
De verzameling van het KKvZ heeft dus geen betrekking op alle denkbare aspecten van het leven van
15
Twee jaar later wordt er melding gemaakt van drie kisten met horens, schelpen en andere zeegewassen van de Gouverneur
van Curaçao, die echter snel doorgeruild werden met andere kabinetten “omdat het kabinet al genoeg van dergelijke zaken
bezit”. Waaruit dus blijkt er al eerdere objecten uit de MIZUA streek aanwezig waren die echter in de inventaris zoals we die nu
kennen niet worden vernoemd.
16
ANH 854: z.nr./122/123 & NA 2.04.01-4925; jaartal 1824.
43
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
de inwoners van Suriname of de Antillen. Huisraad, toiletartikelen, boten, huizen, kinderspeelgoed,
gereedschappen van verschillende handwerkslieden worden niet systematisch verzameld, maar door
middel van diorama’s probeert men toch een indruk te geven hoe het leven ter plaatse er zoal uitziet.
Men tracht “de merkwaardigste voortbrengsels” van het land te verzamelen. Religieuze objecten en
objecten voor dagelijks gebruik (vooral de objecten waarbij sprake is van syncretisme of Europese
invloed) worden bijna niet verzameld. Medicijnen, geneeskrachtige kruiden, voedsel, kaarten,
schoolmateriaal, porselein etc. worden helemaal niet verzameld. De diorama’s zijn om die reden van
grote documentaire waarde, maar het koloniale karakter ervan dient bij hun interpretatie natuurlijk niet
uit het oog verloren te worden.
Tussen 1895 en 1899 breken de eerste echte ‘hoogtijdagen’ van verzamelen voor de afdeling aan en
wordt een aantal relatief grote collecties geschonken en aangekocht. Zo schenkt Baron A.J.
Schimmelpenninck van der Oye in 1895 een collectie van circa tweehonderd Surinaamse objecten
aan het museum (serie 1054). In 1897 koopt het museum van de Italiaanse schilder Guido Boggiani
een honderdtal objecten van de Lengua, Caduveo en Chamakokuo (serie 1118) en van de heer C.F.
Höge een kleine vijftig Quiché en Cakchiquel objecten uit Guatemala (serie 1144). In de daarop
volgende twee jaren volgen de aankoop van ruim 420 Braziliaanse wapeninstrumenten van de
Markiezin van Cavalcanti (serie 1184) en de schenkingen aan het museum van M.E. Zimmerman –
147 Moche en Chimu aardewerk potten (serie 1224) – en van Prof. dr. A. Bässler 300 (voornamelijk
Jivaro) objecten aan het museum (serie 1229). Bijzonder is in die jaren ook de aanschaf van een
honderdtal precolumbiaanse objecten van de heer C.R. Lohfert (serie1240).
Op grond van hun unieke cultuurhistorische betekenis zijn deze verzamelingen integraal als Categorie
A gekenmerkt. Ze kunnen voor de toekomst echter niet genomen worden als richtinggevend voor het
collectie- en acquisitiebeleid, omdat ze vanuit een cultureel, geografisch en demografisch oogpunt
toch wel zeer beperkt zijn van aard. Ook de documentatie en het onderzoek die er bij horen,
doorstaan de toets van recente eisen aan verzamelen niet zonder meer.
Uitbreidingen van de vroege verzamelingen
Van een duidelijk gericht aankoop- of acquisitiebeleid is in negentiende eeuw en in de eerste helft van
de twintigste eeuw nog nauwelijks sprake. Dit deel van de collectie is daarom ook erg gefragmenteerd
en gevarieerd. Doorgaans gaat het nog steeds om individueel aangelegde collecties die worden
verworven door middel van schenking of aankoop. De collectie groeit vooral dankzij legaten en
schenkingen, afgewisseld door incidentele aankopen, uiteenlopend van enkele voorwerpen tot grotere
series. De nadruk ligt in de beginperiode nog steeds op Suriname en Brazilië, maar langzamerhand
(naarmate het zwaartepunt verschuift van etnografisch naar archeologisch) komen ook andere
gebieden, zoals de Andes en Mesoamerika in beeld. De overdracht van de precolumbiaanse collectie
17
van het RMO aan het Rijksmuseum voor Volkenkunde in 1903 (serie: 1403 : 1625 objecten; waarvan
een groot deel Arubaanse artefacten tussen 1881-1886 opgegraven door pastoor A.J. van Koolwijk),
en een schenking van ruim 1300 artefacten verzameld door de Deens-Nederlandse Archeologische
18
Antilliaanse expeditie uit 1923 (serie 2049 ), gaf daar natuurlijk een extra-impuls aan.
De groei van de collectie rond het begin van de twintigste eeuw wordt voorts het best gekenschetst als
een lange reeks kleine verwervingen van tussen de een tot twintig objecten, met af en toe de
schenking of aankoop van een wat grotere collectie. Daarbij dienen de collecties van Dhr. O. Fricke
19
(serie 1385 : een honderdvijftigtal Lengua, Kaiña en Toba objecten aangekocht in Paraguay), van de
20
gebroeders F.P. en A.Ph. Penard (serie 1817 , 250 stuks Caribische voorwerpen uit Suriname)
bijzondere vermelding. Deze laatste collectie is uniek in zijn soort dankzij de documentatie die de
collectie vergezelt: een doos krantenartikels, overdrukken van wetenschappelijke artikelen en vooral
tekeningen en veldwerk aantekeningen van de hand van de gebroeders Penard aangaande de
semiotiek en taal van de Cariben.
Hierna treedt in de verwervingsgeschiedenis een onderbreking op van ongeveer vijftien jaar. Dit kan in
verband worden gebracht met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Pas in 1927 vindt weer een
verwerving plaats; een aankoop van een honderdtal prekoloniale Chancay textielfragmenten en
21
doeken (serie 3738 ). In 1938 wordt door de Nederlandse regering, dankzij een verzamelreis van
C.H. de Goeje, een etnografische collectie uit het Tropisch Laagland geschonken, waaronder een
22
zeer bijzondere Wajana verencollectie van 188 objecten (serie 2352 ).
17
Categorie A
Categorie B
19
Categorie B
20
Categorie A
21
Categorie A
22
Categorie A
18
44
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 wordt het museum een legaat aangeboden van
850 Surinaamse voorwerpen. Het betreft een omvangrijke en kwalitatief goede verzameling van dhr.
23
Appolonius Reynvaan (1866-1939 ), ook wel ‘Poon, de Suriname kenner’ genoemd. Vooral zijn
24
hoofddoekcollectie is zeer uitgebreid (serie 2452 ).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog komen de verwervingen opnieuw stil te liggen. De draad wordt weer
opgepikt in 1946, wanneer als eerste een collectie prekoloniale objecten uit Peru en Ecuador wordt
25
aangekocht van Dr. W.G.N. van der Sleen (serie 2593 ).
Tot 1960 worden een aantal kleinere collecties verworven (via aankoop of schenking) van een aantal
26
donateurs en/of verzamelaars. De enige grote aanwinst gedurende deze jaren komt van Dr. J.P.B.
de Josselin de Jong, die als resultaat van zijn opgravingsonderzoek in de jaren 1922-23 ruim 1100
objecten bijeen had gebracht. Het materiaal is afkomstig uit Aruba en Curaçao (serie 3568 en 3569)
en het betreft voornamelijk scherven, schelpmateriaal, pijlpunten en andere archeologische
27
artefacten .
De eerste relatief grote aankoop wordt in 1962 gedaan; 760 precolumbiaanse en etnografische
voorwerpen (voornamelijk uit Ecuador, Peru, Venezuela en Guatemala) worden verworven van de
28
heer Luis Tihanye (serie 3835) .
Recente ontwikkelingen
Tussen 1965 en 2000 volgde Ted J.J. Leyenaar, Prof. Dr. Tom Zuidema op als conservator Middenen Zuid-Amerika aan het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. Terwijl Zuidema’s interesse
vooral lag bij de archeologie van het Andesgebied, richtte Leyenaar zich op het aanleggen van een
collectie volkskunst, kunstnijverheid en kleding van Midden-Amerika. Ted Leyenaar schreef zelf: "van
het hele gebied, ..., is Mesoamerika (ruwweg Mexico, Belize, Guatemala, El Salvador en Honduras)
mijn lievelingsterrein." Dankzij Leyenaars verzamelbeleid heeft Museum Volkenkunde thans een
omvangrijke verzameling Mexicaanse volkskunst. Deze collectie van ruim 5200 objecten, is
ondergebracht in verschillende series (5072, 5069, 5334, 4984, 4933, 4908, 4880, 4768, 4647, 4608
[ook textiel], 4514 [ook textiel], 4436 [ook textiel], 4187). Het betreft hier vooral aardewerk en
houtsnijwerk, maar ook papier-maché figurines, speelgoed, textiel, glaswerk, lakwerk, rituele objecten,
kralenwerk en maskers. Zeer nauw aansluitend op deze series is de in 1992 verworven collectie van
de voormalige directrice van het Utrechtse Centraal Museum, mevrouw Dr. Elisabeth Houtzager.
(serie 5715).
Ted Leyenaar ontwikkelde een nieuw verzamelbeleid dat maar in zeer beperkte mate aansloot op de
bestaande verzameling MIZUA. De voornaamste vernieuwing was dat de focus van de collectie werd
verlegd van Surinaams naar Mesoamerikaans, en van precolombiaans Andesgebied naar
hedendaags Mexico. Voorts verschoof de nadruk tegelijkertijd van het etnografische naar het
folkloristische. Daarnaast verzamelde Leyenaar tijdens deze periode een aantal zeer belangrijke
archeologica en etnografica met als centrale thema het balspel, hierdoor bezit Museum Volkenkunde
één van de meest belangrijke balspel collecties ter wereld. Vooral de documentatie met betrekking tot
het huidige balspel, de spelregels en gebruiken die ermee verbonden zijn, maken deze collectie tot
een topcollectie op werelniveau.
23
Categorie A.
24
Categorie A. Reynvaan ging zorgvuldig te werk bij het documenteren van zijn collectie, de informatie die bij de collectie hoort
blijkt echter grotendeels onvindbaar omdat bij de overdracht de ‘cahiers’ met veldwerk aantekeningen niet zijn meegegaan.
Onderzoek hiernaar werd reeds in 1950 door oud-conservator Gerbrands gestart maar heeft tot op heden geen vruchten
afgeworpen.
25
Deels Categorie A. Vooral de tupus en capac hucha beeldjes in deze serie zijn vanuit kunsthistorisch oogpunt interessant,
maar helaas geldt hierbij dat ze zowel ongedocumenteerd zijn, als afkomstig uit schatgraverij. Over hun originele functie en
context kan dus weinig worden gezegd.
26
In 1949 schenkt mw. Prof. Martin ruim negentig Surinaamse Marron en ‘Indians’ objecten die nu deels in de vaste opstelling
staan opgesteld (serie 2777), en in 1951 worden 130 Mexicaanse objecten aangekocht bij een veiling in Hotel Drouot te Parijs
(serie 2971). Een aantal van deze laatste groep objecten is van uitzonderlijke kwaliteit (vooral de tempel miniaturen en drievoet
aardewerk), maar zonder enige context en documentatie slechts interessant vanuit een kunsthistorisch oogpunt. In 1955
worden een aantal beeldfragmenten uit de Huasteca gekocht van J.C. Kohler (serie 3248).
27
Deze objecten (serie 3568-1 t/m 918 en serie 3569-919 t/m 1036 [de Josselin de Jong collectie]) worden in 1984, tezamen
met serie 3732-1 t/m 1097 en serie 3800-1 t/m 2534 [van Heekeren en du Ry collectie] overgedragen aan het Archeologisch en
Antropologisch Instituut te Willemstad, Curaçao.
28
De Nazca potten uit deze collectie zijn van bijzondere waarde aangezien ze komen van een ruil met het museum in München
en diens collectie van de ‘Mother of all Nazca collections’ van Wasserman-San Blas, later verdeeld over New York, Hamburg,
Detmold en München (ref. Tom Zuidema).
45
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Tussen 1980 en 1999 worden door hem ook een aantal zeer belangrijke collecties Mexicaanse textilia
verworven: in 1980 worden van Mw. Bodil Christensen bijna 900 textiel voorwerpen aangekocht (serie
5075) en aanvullend hierop in 1999 van Mw. Irmgard Johnson-Weitlaner een collectie van ruim 1100
inheems Mexicaanse textilia (serie 5946) verworven. Daarop aansluitend volgt een veel kleinere, bijna
honderd objecten tellende Guatemalteekse textielcollectie van Prof. dr. Dozy (serie 5969). Zowel de
textielcollecties van Bodil Christensen, Mw Johnson en Prof. Dozy zijn uniek in hun soort vanwege
hun hoogwaardige documentatie.
Beschrijving van de voornaamste onderdelen van de collectie
- Mesoamerikaanse precolombiana (categorie A)
De collectie Mesoamerikaanse prekoloniale objecten (‘precolombiana’) van het museum is vrij
behoorlijk, niet alleen in kwaliteit maar ook in aantal. De Leidse verzameling precolombiana is vooral
afkomstig uit West Mexico, het Maya gebied, en Centraal Mexico. Enkele stukken zijn uniek van aard,
zoals de “Leyden Plate” en de Mixteca-Puebla mozaïekschedel, vrijwel de gehele prekoloniale
balspelcollectie, ook het fresco uit Teotihuacan, de Olmeekse baby, de “La Pasadita Lintel”, de Maya
aardewerk collectie, etc. De collectie is deels van vroege datum, maar jammer genoeg slecht
gedocumenteerd aangezien de objecten allemaal afkomstig zijn uit ongedocumenteerde context.
Daarmee zijn ze vanuit een historisch en archeologisch oogpunt eigenlijk vrijwel waardeloos
geworden. Vanuit een kunsthistorisch oogpunt is de collectie echter van aanzienlijk belang en biedt zij
ook zeker mogelijkheden voor exposities. De collectie zal waarschijnlijk niet verder worden aangevuld
(behalve eventueel uit legaten etc. wanneer ze in overeenstemming zijn met de nationale en
internationale regelgeving). Actief verzamelbeleid wordt niet gevoerd hierop.
- Balspel (categorie A)
De balspelcollectie – voorwerpen die gebruikt worden in het prekoloniale en hedendaagse balspel – is
van zeer hoge kwaliteit. Conservator Leyenaar was wereldwijd een van de eerste onderzoekers die
serieus veldwerk naar het hedendaagse balspel in Michoacan en Sinaloa heeft verricht. De collectie is
dan ook van wereldformaat voor zover het deze twee deelstaten betreft, maar de collectie vertoont
echter ook nog duidelijke hiaten. Hoe dan ook is deze categorie voorwerpen zo belangrijk, dat verdere
studie en verdere uitbreiding van deze op wereldniveau unieke collectie zeer wenselijk is.
- Mesoamerikaanse etnografica en volkskunst (deels categorie A, deels categorie B)
De collectie Mesoamerikaanse etnografica bestaat grotendeels uit objecten die zijn verzameld door
oud-conservator Ted Leyenaar gedurende de jaren 1965 tot 1990. Deze collecties zijn waardevol,
omdat ze fotografisch werden gedocumenteerd en alle door dezelfde verzamelaar zijn bijeengebracht.
De collecties zijn vanuit onderzoeksoogpunt echter matig gedocumenteerd en de interne samenhang
is niet altijd even duidelijk, waardoor de collectie een gefragmenteerde indruk maakt. Duidelijk is wel
dat de nadruk op het Nahuatl sprekende gebied ligt, en dus met name in Centraal-Mexico veel is
verzameld.
De Mesoamerikaanse etnografica collectie bestaat uit aardewerk, vlechtwerk, metaal, blik, hout,
textiel, plastic en zelfs organische producten als bonen en maïs. De textielcollectie uit deze regio
wordt hier apart behandeld, omdat deze van een uitzonderlijke kwaliteit is en ook kwantitatief zeer
aanzienlijk is. Daarnaast bestaat de collectie ook gedeeltelijk uit folk art en tourist art. Het betreft hier
vooral objecten die tussen 1965 en 1985 door Ted Leyenaar werden verzameld en de Houtzager
collectie (serie 5715). Beide collecties zijn echter matig gedocumenteerd. In recent bijeengebrachte
etnografische collecties (Van Broekhoven, 2006) worden zowel het verzamelproces als de objecten en
makers ervan zeer uitgebreid gedocumenteerd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat slechts verzameld
kan worden als ook een onderzoeksproject plaatsvindt naar de verzamelde objecten. Het museum wil
deze lijn van verzamelen voortzetten. De collectie die Ted Leyenaar door de jaren heen heeft
verzameld, wordt in zijn geheel als categorie A betiteld, ondanks het feit dat hij momenteel nog
beperkt gedocumenteerd is. Deze kwalificatie hangt samen met het feit dat het de enige Europese
collectie is die in deze betrekkelijk vroege periode werd aangelegd in het Centraal-Mexicaanse
Nahuatl gebied.
- Mesoamerikaans textiel (categorie A)
De Mesoamerika textiel-collectie is zowel omvangrijk als van zeer groot belang. Zij bevat de
belangrijkste hedendaagse textielcollectie van Centraal-Mexico op wereldniveau (het betreft dan
vooral de deelstaten Puebla, Guerrero en Oaxaca). Het Maya gebied is slechts wat betreft Guatemala
goed vertegenwoordigd, maar het Noordelijke Maya gebied en Chiapas zijn vrijwel niet aanwezig. De
46
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Guatemalteekse textielcollectie is vooral ook bijzonder, omdat het een zeer oude collectie betreft (de
Höge collectie (serie 1144) bijvoorbeeld dateert van eind negentiende eeuw; de Luis Tihanye Laffer
collectie (serie 3835) dateert rond 1960, de Körpershoek collectie (serie 4982); de Leyenaar collectie
dateert uit de jaren ‘80 en de Dozy (serie 5969) collectie werd verzameld vanaf circa 1935). NoordMexico is slechts zeer gedeeltelijk vertegenwoordigd in de Irmgard Johnson verzameling. Aangaande
Puebla, Guerrero en Oaxaca kan worden gesteld dat slechts het Textielmuseum van Oaxaca (dat nog
in oprichting is) een in kwantiteit grotere collectie heeft. Deze laatste collectie is echter ten dele
slechter gedocumenteerd dan de collectie van Museum Volkenkunde en is bovendien van later datum.
Ook het Museo Nacional de Antropologia in Mexico-stad heeft een belangrijke textielcollectie die
echter eveneens matig is gedocumenteerd. Vooral de documentatie die bij de Leidse collectie hoort, is
uniek, aangezien in veel gevallen ook de Indiaanse terminologie voor weeftechnieken en instrumenten
zijn opgetekend. Deze informatie getuigt niet alleen over de manier van verzamelen maar
29
documenteert ook de context waarin werd verzameld . Het feit dat twee collecties van twee zeer
belangrijke vroege vrouwelijke verzamelaars – Bodil Christensen (serie 5075) en Irmgard Johnson
Weitlaner (serie 5946) – in Museum Volkenkunde aanwezig zijn, maakt de collectie extra waardevol.
Belangrijk daarbij is dat het museum tevens beschikt over een groot aantal weefgetouwen, dat een
directe relatie heeft met de verzamelde textilia. Dit soort objecten is zeer moeilijk te verkrijgen omdat
weefsters niet graag afstand doen van hun weefgetouw (het hout voor de onderdelen is vaak moeilijk
verkrijgbaar). De weefgetouwen, die in de jaren 1950-1970 werden verzameld, tonen technieken die
hedendaagse weefsters nog nauwelijks of zelfs geheel niet meer beheersen. Naast hun documentaire
waarde kunnen deze objecten en de textielen zelf dan ook van grote waarde zijn voor knowledge
sharing projecten in de nabije toekomst.
Ook Ted Leyenaar heeft een aanzienlijke hoeveelheid textiel verzameld tussen 1969 en 1985.
Daarmee bezit het museum een collectie die eigenlijk de gehele twintigste eeuw beslaat, die van zeer
hoogstaande kwaliteit is, en die om die redenen integraal als categorie A mag worden gewaardeerd.
- Circum-Caribische deelcollectie (categorie A [archeologica] en C [serie 5715])
De Circum-Caribische deelcollectie bestaat vooral uit archeologica die door verschillende
onderzoeksexpedities bij het Museum Volkenkunde terecht zijn gekomen (serie 1403: Koolwijk
collectie; serie 2049 en 3569: Deens-Nederlands archeologisch expeditie; serie 2106 Museum of the
American Indian Heye Foundation in 1927; serie 3703: Royal Victoria Institute in 1969; en serie 3892
de van Heekeren collectie uit 1960). Alle zijn het archeologische collecties die gedeeltelijk uit een
gedocumenteerde archeologische context afkomstig zijn en daardoor dus ook van grote waarde,
zowel voor de studie naar de ontwikkeling van het vakgebied, als voor de objecten zelf en de context
waaruit ze komen. Wat betreft etnografica bezit het museum een mooie Arubaanse collectie (serie
472: Koolwijk collectie), en een veel minder belangwekkende kleine collectie van tourist art uit de
Houtzager collectie (serie 5715).
- Tropisch Laagland/Amazonia collectie (categorie A)
De Amazonia van Museum Volkenkunde uit het negentiende en vroeg twintigste eeuwse Suriname en
30
Brazilië vormen een van de belangrijkste etnografische verzamelingen ter wereld . Ten aanzien van
het Ecuadoriaanse en Peruaanse Amazone gebied heeft het museum eveneens een bijzondere
etnografische collectie.
.Daarnaast beschikt het museum over een belangwekkende numismatische collectie uit deze regio
die, zoals uit recent onderzoek is gebleken, zeer waardevol is en unieke stukken bevat die nergens
anders ter wereld bestaan. De collectie van het museum bevat ook een kleinere archeologische
collectie, die werd verzameld vóór 1903 (serie 1403). De collectie is over het algemeen goed
gedocumenteerd, maar slecht bestudeerd. Een onderzoeksproject naar de collectie zou de collectie
zeker in waarde doen toenemen en wordt momenteel opgezet. De museum collecties van De Goeje,
de gebroeders Penard, Reijnvaan, Ten Cate, Bässler, Berkelbach van de Sprenkel en Shipibo zijn
bijzondere collectieonderdelen, van hoge kwaliteit en met een groot onderzoek- en
expositiepotentieel.
29
Zie ook “Weefsels van het Volk van de Regen”, digitale publicatie Van Broekhoven, 2005.
30
Voor Suriname betreft het onder andere: Serie 370: Internationale Koloniale en Uitvoerhandels tentoonstelling (1883); serie
399: Sijpestein; serie 581: Ten Kate; 951: Ghert; 1054: Baron A.J. Schimmelpenninck van der Oye; serie 1443 & 2352: De
Goeje; serie 1749: Berends.
47
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
- Surinaams houtsnijwerk collectie (categorie A)
Museum Volkenkunde bezit in deze deelcollectie voor de periode van de late negentiende, begin
twintigste eeuw een van de belangrijkste verzamelingen ter wereld. Vooral de collectie knotsen en
stoelen zijn belangrijk en veelzijdig te noemen. Gezien het koloniale verleden dat Nederland met
Suriname heeft en het grote aantal Nederlanders dat in Suriname hun roots hebben, bestaat een
gerede kans dat de collectie nog kan groeien door aankopen, legaten en actief verzamelbeleid.
Gezien het feit dat het vervaardigen van houtsnijwerk pas echt begint rond 1850 lijkt het nog mogelijk
hiervan een vrij complete collectie te kunnen aanleggen tot de huidige tijd. Ook hier weer dienen de
collecties goed gedocumenteerd te worden of te zijn.
- Surinaams Vlechtwerk (categorie A)
De verzameling vlechtwerk van het museum, vooral uit Suriname en het Tropisch Laagland, is zonder
twijfel van groot belang. Vooral de zeer vroege collectie vlechtwerk die werd verzameld ten behoeve
van de International Koloniale en Uitvoerhandeltentoonstelling in 1883 (serie 370), maar ook de
particuliere collecties van De Goeje (serie 2352), Reynvaan (serie 2452) en Penard (serie 1817) zijn
van uitzonderlijke kwaliteit.
- Andes precolombiana (categorie A)
De Andes collectie prekoloniale objecten (‘precolumbiana’) van het museum is vrij behoorlijk, niet
alleen in kwaliteit, maar ook in aantal. De Leidse verzameling precolumbiana heeft voornamelijk
betrekking op de Moche en Chimu periode en is dus vooral afkomstig uit het Noordelijke Peruaanse
kustgebied. Een aantal deelcollectiesis van bijzondere waarde hierin waaronder de Henry van den
31
Bergh (serie 1872) collectie en de Heldring collectie (serie 3277). Daarnaast bevinden zich ook een
aantal mooie Wari, Chancay en Tiwanaku objecten in de collectie. Het betreft hier vooral aardewerk,
maar ten aanzien van Chimu en Chancay bezit het museum ook een aantal textiele objecten – onder
32
ander een quipu – die goed zijn geconserveerd en om die reden topstukken zijn. De collectie is
deels van vroege datum, maar jammer genoeg slecht gedocumenteerd aangezien de objecten
allemaal afkomstig zijn uit ongedocumenteerde context. De collectie zal waarschijnlijk geen verder
aanvullingen krijgen (behalve eventueel uit legaten, schenking, ruil of andere nalatenschap en mits ze
in overeenstemming met de ICOM regelgeving zijn verworven). Actief verzamelbeleid wordt hierop
niet gevoerd.
- Andes etnografica (categorie B)
De collectie van Museum Volkenkunde is extreem arm waar het gaat om Andes etnografica. Oud
conservator Ted Leyenaar legde in 1985 een betrekkelijk kleine collectie aan van de regio rond
Cusco. Voorts bestaat zij slechts uit de tourist art in de Houtzager collectie (serie 5715) en uit een
33
collectie muziekinstrumenten die door de heer Hus in 1987 werd geschonken (serie 5506).
Het zou het interessant zijn voor deelcollectie een inventaris te maken van wat in Nederland en
Europa voor handen is op het vlak van etnografische collecties van de Andes. Het Tropenmuseum
heeft recent een aantal uitbreidingen gedaan op het vlak van Boliviaanse etnografica in het kader van
het Kindermuseum en ook het Ethnografisch Museum in Antwerpen heeft interesse in de verdere
uitbreiding van deze collectie.
- Gran Chaco deelcollectie (categorie A en B)
De deelcollectie Gran Chaco – een regio die zich uitstrekt over Argentinië, Paraguay en Bolivia – van
het Museum Volkenkunde bestaat vooral uit objecten die afkomstig zijn uit Paraguay en dateert van
een vrij vroege periode (eind negentiende eeuw tot begin twintigste eeuw). De collecties van
Oosterdorp (serie 609), de Chamacoco collecties van Boggiani (serie 1118) uit 1896, van Vojtech Fric
(serie 1853) uit 1913 en de Rautenstrauch Joest collecties (serie 1863) uit datzelfde jaar, zijn alle van
grote etnografische waarde. Ook de Mataco collectie, die door Sibinga werd verzameld rond 1912
(serie 1834) en de Kaingua, Lengua en Toba collecties, die in 1903 door O.Fricke aangelegd werden
(serie 1385) zijn van groot belang. Van de Gran Chaco zijn in de ons omringende landen vrijwel geen
vergelijkbaar belangrijke vroege collecties aanwezig. Het Museum Volkenkunde beschikt ook over een
kleine, doch vroege precolumbiaanse collectie, die in 1910 werd overgedragen door het Etnografisch
31
De Moche en Nasca objecten uit deze verzameling zijn uniek, omdat ze volgens informatie van prof. Dr. Tom Zuidema uit
Cajamarquilla, in het dal van Lima komen en reeds werden afgebeeld door d’Harcourt.
32
Naar het inzicht van de twee grootste specialisten ter wereld op het gebied van Inca quipu studies (Tom Zuidema & Gary
Urton) is deze quipu van bijzonder hoge kwaliteit.
33
Deze worden hieronder uitgebreider behandeld onder het punt “Muziekinstrumenten”.
48
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Museum te Antwerpen. Deze laatste collectie is helaas ongedocumenteerd en gezien het feit dat in
Argentinië collecties aanwezig zijn die wel in situ gevonden en gedocumenteerd zijn, wordt deze
verzameling als Categorie B collectie geclassificeerd. In het totaal kent de collectie circa 700 objecten.
- Intermediate Area deelcollectie (categorie A en B)
De Intermediate Area deelcollectie van het museum is relatief klein en bestaat vooral uit
precolombiaanse collecties die vrijwel alle uit ongedocumenteerde context komen (serie 1403), maar
omwille van de vrij vroege verzameldatum – negentiende eeuw – toch als Categorie A kunnen worden
aangemerkt. Dit komt vooral omdat in deze vroege periode weinig archeologisch werk in deze regio
plaatsvond. Hopelijk kan door meer archivistisch onderzoek ook meer informatie over deze
deelcollectie worden ingewonnen.
Binnen het etnografische gedeelte van de collectie zijn vooral de vlechtwerk collectie en de in 1962
aangekochte Laffer collectie opmerkelijk. De laatste bevat objecten van de Camaragoto, Makiritaré,
Cariña, Warao, Yukpa, Caripe, en Ayaman in Venezuela en kan gecategoriseerd worden als A, de
34
rest van de collectie is categorie B.
- Patagonië-Vuurland deelcollectie (categorie A en B)
De Patagonië deelcollectie is vrij klein, maar bevat enkele belangrijke stukken waaronder een aantal
Mapuche objecten van het zogenoemde “Araucaanse koninkrijk”, en een aantal zilveren Mapuche
juwelen uit 1939 (serie 2962). Deze laatste collectie verdient het label Categorie A, wat vanwege de
vroege datum waarop is verzameld ook geldt voor de collectie archeologica die dateert van vóór 1903.
- Instrumenten (categorie A voor series 1 en 360; overigens B; enkele belangrijke stukken ook A)
Muziekinstrumenten - uiteenlopend van prekoloniaal tot hedendaags en van slag- en snaar- tot
blaasinstrumenten - zijn helaas slechts gefragmenteerd in de museumverzameling vertegenwoordigd.
Hierdoor ontbreekt enige systematiek en zijn de mogelijkheden voor presentatie en onderzoek,
afgezien van enkele kleine samenhangende series en subseries, beperkt.
De Surinaamse serie muziekinstrumenten die verzameld werd door De Goeje is wel van uitzonderlijke
kwaliteit, vooral omdat deze zo goed is gedocumenteerd. Ook de veel recentere verzameling van de
heer W.J.B. Hus is van goede kwaliteit.
Aanvulling is zeer wel mogelijk aangezien muziekinstrumenten in alle cultuurgebieden nog volop
gemaakt en gebruikt worden. Daarenboven is ook de audio collectie van de afdeling MIZUA in de
afgelopen jaren verder uitgebreid en het verdient daarom aanbeveling ook de instrumentencollectie te
versterken.
- Speelgoed en souvenirs (categorie A voor series 1, 360 en 1817; overigens B en C)
Deze collectie-onderdelen zijn merendeels nog weinig divers van aard, maar zij zijn wel van belang
vanwege de ouderdom van bepaalde collectie onderdelen. Vooral de Penard collectie (serie 1817),
verzameld rond 1912 in Suriname, is in deze van grote betekenis (A-categorie) en moet zeker nader
worden onderzocht. Ook delen van de Leyenaar en Houtzager collecties (B- en C-categorie) bevatten
speelgoed en souvenirs.
Daarnaast zijn er een heel aantal kleinere objecten die als souvenirs kunnen aangemerkt worden en
die door de jaren heen de museumcollectie zijn binnengesijpeld. Vele hiervan zijn van uitzonderlijk
slechte kwaliteit en komen zeker voor deselectie in aanmerking, hoewel ze wellicht hun dienst ook
zouden kunnen bewijzen voor tentoonstellingsdoeleinden.
- Gereedschappen (categorie A voor series 1 en 360; overigens B; enkele stuks A):
De collectie vertoont grote lacunes op dit gebied. Gedeeltelijk is dit te wijten aan het feit dat het
voorwerpen zijn die vaak moeilijk te verzamelen zijn. Nochtans zouden voor een beter begrip van de
maakprocessen van voorwerpen zelf, vooral de gereedschappen die daarbij worden gebruikt een
belangrijk aandachtspunt moeten zijn. Deze vormen immers belangrijk materiaal voor onderzoek naar
de productie en productiemethoden in het huidige MIZUA gebied. De Johnson collectie van
weefgetouwen (serie 5946) is hiervan een goed.
Het is duidelijk dat op dit gebied nog vele hiaten bestaan en dat hierbij zinvolle en voor onderzoek
onontbeerlijke aanvullingen op de bestaande verzameling kunnen worden gedaan. Ook met
betrekking tot hiermee verbandhoudende natuurlijke grondstoffen en halffabricaten is de laatste 50
jaar vrijwel niets meer verzameld. Deze draad wil het museum echter in de toekomst weer gaan
oppikken. Nieuwe verwervingen op dit gebied zijn dan ook zeker te verwachten.
34
Op enkele stukken na, want de collectie als geheel is zeer fragmentarisch van aard.
49
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Vergelijking met andere collecties
Op nationaal niveau
Van de drie grote volkenkundige musea in Nederland – Museum Volkenkunde te Leiden, het
Tropenmuseum te Amsterdam en het Wereldmuseum te Rotterdam – heeft Volkenkunde met zijn
bijna 24.000 voorwerpen duidelijk de grootste collectie Midden- en Zuid-Amerikaanse voorwerpen. De
MIZUA collectie van het Tropenmuseum telt in totaal 20.000 voorwerpen en die van het
Wereldmuseum is weer veel kleiner in aantal.
Verhoudingsgewijs beschikt Museum Volkenkunde ook over het grootste aantal absolute topstukken
met betrekking tot de Mesoamerikaanse, de Chimu en Moche aardewerk-collectie, de vroege
Suriname collectie en de Tropisch Laagland manden- en verencollectie.
Het Tropenmuseum te Amsterdam mag zich vooral verheugen in het bezit van een interessante
Mexicaanse maskercollectie en een (groeiende) popular art collectie. Wat betreft hun prekoloniale
materiaal zijn zeker de Feriz en de Schreuder collectie belangwekkend. Ten aanzien van hun
Suriname verzameling zijn vooral de collecties van onderzoekers als De Goeje en Eygenberger van
absolute topkwaliteit en kunnen deze worden beschouwd als goede aanvullingen op de collecties van
Museum Volkenkunde.
Bij de collectie van het Wereldmuseum te Rotterdam springt vooral de relatieve deelverzameling van
precolumbiaanse objecten in het oog. Voorts bezit het museum uit Midden-Amerika een belangrijke
collectie jade uit Costa Rica. Uit Zuid-Amerika zijn er collecties uit Suriname (bruikleen van koningin
Beatrix) en Peru. De collectie Andes en Mesoamerikaanse precolumbiaans aardewerk en textiel dient
ook vermelding, hoewel het op internationaal niveau toch een collectie van klein formaat.
Het Wereldmuseum zag zich tijdens de jaren tachtig vanwege bezuinigingen genoodzaakt de afdeling
Amerika te sluiten. Sindsdien worden dus ook geen noemenswaardige nieuwe aanwinsten meer
gedaan.
Diverse andere musea in Nederland, zoals het Museon te Den Haag, het Princessehof te Leeuwarden
of en het Nijmeegs volkenkundig museum, bezitten een aantal geïsoleerde prekoloniale objecten. Het
voormalig Amerika Museum te Cuijk had een relatief kleine, maar kwalitatief hoogstaande
precolumbiaanse collectie en een kleine Surinaamse Arawakken collectie. Door gebrek aan financiële
ondersteuning zag het Amerika Museum zich echter genoodzaakt zijn deuren te sluiten en heeft het
museum zijn collectie aan het Wereldmuseum overgedragen.
Over het algemeen genomen kan worden gesteld dat de MIZUA collectie van Museum Volkenkunde
voor Nederland de best gedocumenteerde collectie van Nederland is, zowel op etnografisch als
archeologisch gebied. Daarbij zijn slechts het Tropenmuseum en het Wereldmuseum ten aanzien van
een aantal deelcollecties superieur of gelijkwaardig (het Tropenmuseum met hun hedendaagse
Mexicaanse masker collectie, de Boliviaanse textielcollectie, de Tikuna collectie, de Suriname collectie
35
en de religieuze memoralia; het Wereldmuseum met hun Andes precolumbiaanse collectie).
Op internationaal niveau
De collectie van Museum Volkenkunde als geheel kent door haar historische opbouw en door haar
diversiteit een vrij breed spectrum van aandachtsterreinen. Deels is dit te verklaren op grond van
toevalligheid (vroege schenkingen, legaten, overnames) en deels is dat een gevolg van het bewust en
gericht uitbouwen van een aantal uitmuntende deelcollecties, die inmiddels hun weerga niet vinden in
Europa, of in sommige gevallen zelfs niet in de wereld. De Mexicaanse en Guatemalteekse
textielcollectie, de Mesoamerikaanse balspel collectie en de negentiende eeuwse Suriname en
Brazilië collecties zijn daarvan voorbeelden. Voor andere deelcollecties geldt echter dat tal van
instellingen in Europa of andere (Amerikaanse) werelddelen met hun verzamelingen het Museum
Volkenkunde qua omvang, belangrijkheid en/of diversiteit duidelijk overstijgen.
Waar bijvoorbeeld het precolumbiaanse gedeelte van de Museum Volkenkunde collectie vanuit een
nationaal oogpunt bijzonder mag worden genoemd, is dat deel vanuit een internationaal oogpunt als
geheel eerder van bescheidener status te beschouwen. Uiteraard met uitzondering van de reeds
genoemde collectieonderdelen van het balspel en een aantal individuele topstukken.
Museum Volkenkunde wordt in dit verband bijvoorbeeld voorbij gestreefd door de archeologisch goed
gedocumenteerde collecties in musea in de landen van oorsprong. Mexico, Peru, Chili, Guatemala,
35
Het overgrote deel van de prekoloniale aardewerk en textielcollectie van het Wereldmuseum moge weliswaar van hoge
kwaliteit zijn, het dient opgemerkt dat de pedigree van een groot gedeelte van de collectie onduidelijk van aard is, en dat tot
dusver niet aangetoond is kunnen worden dat de collectie voldoet aan de ethische codes zoals die internationaal door ICOM
musea onderschreven wordt..
50
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Brazilië en Colombia zijn voorbeelden van landen waar archeologisch opgegraven collecties van
onschatbare waarde worden bewaard in hoog aangeschreven musea. Vooral dat deel van de
Nederlandse collecties dat volledig uit hun context is gehaald en verzameld, is in kwaliteit niet
vergelijkbaar met de locale verzamelingen. Daarentegen bezit Museum Volkenkunde een aantal vrij
oude precolumbiaanse collecties, die vooral door hun verzameldatum van grote waarde zijn.
In feite zijn alle Nederlandse precolumbiaanse collecties – zelfs vanuit kunsthistorisch oogpunt –
(enkele topstukken van de balspelcollectie, en bijvoorbeeld de “La Pasadita” (Yaxchilan) stèle, de
“Vega Alatorra stèle”, de “Leyden Plate” en of de mozaïekschedel daargelaten) ook op Europees vlak
secundair in vergelijking met de collecties van het Ethnografisches Museum bij de Staatliche Museen
zu Berlin, het Museo de América in Madrid, the British Museum in Londen, het Quai Branly in Parijs,
36
en de collecties van het KMKG in Brussel.
Mede gezien het feit dat Museum Volkenkunde zich met zijn acquisitiebeleid van dit soort objecten
strikt wenst te houden aan de UNESCO en ICOM wetgeving, valt niet te verwachten dat hier in de
toekomst grote verandering in zal komen.
De negentiende en twintigste eeuwse Tropisch Laagland collecties van Museum Volkenkunde –
vooral Suriname, de Guyanas, Brazilië en Venezuela – worden qua ouderdom slechts voorbijgestreefd
door het zeventiende eeuwse Braziliaanse materiaal dat door Johan Maurits van Nassau-Siegen
(1604-1679), de gouverneur van de Nederlandse kolonie in Brazilië, samen met levensgrote portretten
37
van de schilder Albert Eckhout aan het Nationalmuseet in Denemarken werd geschonken. Toch is
de Leidse verzameling vanwege de historisch zeer nauwe banden met de regio een van de
belangrijkste collecties op ter wereld. Zij is ook veelzeggend voor de omgang van Nederlandse musea
38
en verzamelaars met de koloniale gebieden. Noch in het oorsprongsgebied, noch in de VS beschikt
39
men dermate vroege collecties, die ook elders in Europa bovendien redelijk talrijk zijn . In dat
Europese veld hoeft de collectie van Volkenkunde geenszins onder te doen voor die andere
verzamelingen. Sterker nog: zij vormt daarvoor juist een zeer waardevolle basis en aanvulling.
De Mexicaanse textielcollectie van Volkenkunde (Ten Kate, Christensen, Johnson-Weitlaner,
Leyenaar) kent noch in Europa, noch in de VS zijn weerga. Vooral de uitzonderlijke documentatie en
ouderdom van de stukken zijn ongeëvenaard. De Leidse Dozy collectie is, vooral door de ouderdom
van de collectie, van bijzonder hoge kwaliteit (klein maar fijn).
In Mexico zelf zijn weliswaar een aantal zeer hoogwaardige collecties op dit gebied te vinden, maar
deze zijn vanwege de beperkte documentatie, hun latere en weinig systematische
36
De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Afhankelijk van de vraag of de collectie precolumbiana van mw.
Baronesse Dora Janssen collectie naar deze KMKG of naar het Ethnografisch Museum te Antwerpen zal verhuizen, zou ook de
Antwerpse collectie de precolumbiaanse collectie van Museum Volkenkunde kunnen voorbij streven.
37
Albert Eckhout (1610 - 1665) was een Nederlands portret- en stillevenschilder die als een van de eerste Europeanen de
Nieuwe Wereld vastlegde. Op uitnodiging van graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen reisde hij in 1636 naar NederlandsBrazilië waar hij onder andere portretten schilderde van Indianen, slaven en mulatten of stillevens maakte met Braziliaans
groente en fruit. Het grootste deel van het oeuvre van Eckhout bevindt zich in het in Nationale Museum van Kopenhagen. In de
kunstgeschiedenis wordt Albert Eckhout tot de Barok gerekend.
38
Het Smithsonian Institute in Washington D.C. beheert de vroeg negentiende eeuwse Wilkinson collectie, maar deze bestaat
voornamelijk uit natuurhistorische artefacten.
39
In het Zwitserse Neufchatel bestaan een aantal zeer uitzonderlijke stukken uit Guyana verzameld door Charles Daniel de
Meuron tussen 1756 en 1758; in het Portugese Museu Antropológico van Coimbra is ook een vroege Braziliaanse collectie, die
dateert tussen 1783 en 1792. De Spix and Martius collecties van het National Museum of Ethnology in München, en de Johann
Natterer's collectie (1817-1835) in het Volkenkundig Museum in Wenen zijn van uitzonderlijke kwaliteit, zowel vanwege hun
cultuurhistorische waarde als de uitgebreide documentatie die de verzamelaars nalieten. Het Náprstek Museum in Tsjechië
heeft een aantal vrij onbekende negentiende eeuwse collecties uit Brazilië (Klementina Kalašová [1851 – 1889]; Enrique Stanko
Vráz [1860 – 1932]; Alberto Vojtěch Frič [1882 – 1944]; van deze laatste heeft Museum Volkenkunde ook een bijzondere
collectie). Het Quai Branly bezit uitzonderlijke textielcollecties uit negentiende eeuws Brazilië (Henri Borel, Léo DuPasquier,
Alfred Berthoud-Coulon, Bellenot, A. Born) en een collectie toeristenkunst verzameld door James-Ferdinand de Pury. Het
Musée d’Etnographie in Genève, heeft een uitgebreide (ruim 4000 objecten) systematisch verzamelde Kayapo, Nambikwara,
Yanomamö en Wayana collectie, waaronder een laat negentiende eeuwse collectie uit de Amazone. Het Museo de América in
Madrid beschikt over een topstuk bij uitstek: een knots van de Caribische chief Mayucurari die reeds in 1729 verzameld werd;
ook uit de achttiende eeuw, en uniek ter wereld, zijn een aantal objecten uit het Peruaanse Amazone gebied die werden
verzameld tijdens een botanische expeditie van Hipólito Ruiz en José Pavón; gedurende de negentiende eeuw en twintigste
eeuw werden een aantal schitterende verentooien verzameld van de Shuar, Záparos, Mundurukú, Guaraníes, Karajá,
Yanomami en Shipibo.
51
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
40
verzamelgeschiedenis of recente oprichting (nog) van mindere betekenis. De collectie van het
Museo Nacional de Antropología is qua ouderdom van de collectie op wereldniveau onovertroffen,
maar de collectie is en blijft helaas nog slecht bestudeerd. In de nabijheid van Mexico zijn in de
Verenigde Staten ook enkele musea met zeer uitzonderlijke textielcollecties, zoals het UC Berkeley
Hearst Museum; en het Museum of Man in San Diego in Californië en het Peabody Museum of
Archeology and Ethnology in Cambridge, MA.
Dichter bij huis, in Europa, bevinden zich ook een aantal bijzondere textielcollecties. Een dergelijk
voorbeeld is de textielcollectie van het Museo de América. In dit museum in Madrid zijn vooral Mexico
en Guatemala sterk vertegenwoordigd, vooral de Huichol en Maya collecties. Het Koninklijk Museum
voor Kunst en Geschiedenis in Brussel bezit eveneens een zeer oude Mexicaanse textielcollectie, en
hoewel deze niet in dezelfde mate als in Leiden van uitgebreide documentatie is voorzien, maakt het
feit dat de collectie uit het eind van de negentiende eeuw stamt, en een deel uit de periode tot 1935,
deze collectie ook tot een uniek geheel. Het Ethnografisches Museum in Berlijn beschikt eveneens
over een aantal belangrijke Maya textielcollecties.
De Leidse balspel collectie is van uitzonderlijke kwaliteit, vooral omdat de collectie is voorzien van
zeer uitgebreide documentatie en is bestudeerd door een specialist op dit vakgebied: Ted Leyenaar.
Wel dient te worden opgemerkt dat het prekoloniale gedeelte van de collectie een aantal objecten
bevat die waarschijnlijk door schatgraverij in de (illegale) handel zijn gekomen en waarvan de context
dus ongedocumenteerd is. Het etnografische deel van deze collectie is in elk geval van wereldniveau,
vooral ook vanwege het uitgebreide veldonderzoek dat eraan ten grondslag ligt. De volkskunst
collectie die door Ted Leyenaar is opgebouwd is interessant, maar bijvoorbeeld in vergelijking met de
Alexander Girard collecties van het International Museum of Folk Art in Santa Fe, New Mexico, veel
kleiner van schaal, maar qua documentatie superieur.
Collectiekwaliteit en deselectie
Samenvattend kan worden gesteld dat de collectie op tal van onderdelen weliswaar van uitzonderlijke
waarde is, maar dat er tot op heden vaak nog te weinig onderzoek naar is gedaan. Een van de door
Museum Volkenkunde onderschreven uitgangspunten is dat de museumcollectie op de eerste plaats
wetenschappelijke doelen dient en dus voortdurend bestudeerd moet worden. De collectie dient
daarom ook mogelijkheden voor onderzoek te bieden om vervolgens de wetenschappelijke waarde en
maatschappelijke betekenis ervan te vergroten. Deze mogelijkheden heeft de collectie van de afdeling
Midden- en Zuid-Amerika zeker, maar hoewel in de afgelopen dertig-veertig jaar zeer veel is
41
verzameld, is pas een klein deel van de collectie echt goed door onderzoek ontsloten . Momenteel
loopt onderzoek naar de Suriname collectie en Mesoamerikaanse textielcollecties, maar het
onderzoekspotentieel ervan is nog groot. Het is om die reden dat de collectie ook bij buitenlandse
onderzoekers steeds beter bekend raakt en een relatief groot en groeiend aantal van hen verricht
inmiddels onderzoek op de MIZUA-collectie. Vooral de vroege twintigste eeuwse Amazonia en
Guyana collecties bevatten hierbij nog de nodige onontdekte schatten.
Alvorens tot deselectie van objecten over te kunnen gaan dienen de collecties waarvan zij deel
uitmaken bestudeerd te zijn. Op dit moment komen alleen collectievreemde vorwerpen en educatief
materiaal dat in de collectie is opgenomen voor deselectie in aanmerking.
40
In Oaxaca wordt sinds enige jaren een textielmuseum ingericht. Voor deze inrichting worden belangrijke Mexicaanse privécollecties samengevoegd en opgekocht, hierdoor zal een zeer bijzondere collectie ontstaan.
41
Voorbeelden hiervan zijn de prekoloniale collectie (de Andes collectie, in het bijzonder de Chimu en Moche aardewerk
collectie zijn gepubliceerd, en in ieder geval vanuit een stilistisch oogpunt tot op zeker hoogte beschreven; en de gehele
collectie is geïnventariseerd binnen een SVCN project), de balspel collectie is gepubliceerd en beschreven, zo ook recent de
Mixteekse textielcollectie, de Mexicaans lakwerkcollectie en de De Josselin de Jongh collectie.
52
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Literatuur
Broekhoven, L.N.K. van (red.)
2003 Met Kuifje naar de Inca’s. Strijdbaar Heden Roemrijk Verleden. Hergé’s onder- en voorwerpen
gestript. Lannoo Uitgeverij – Editions Moulinsart.
2004 Bewaarders van een wankel evenwicht: het kwaad bij de prekoloniale culturen van MiddenAmerika. Amsterdam: Kit Publishers.
2005 Weefsels van het volk van de regen. Digitale publicatie. www.volkenkunde.nl
Bussel, Gerard W. van en Ted J.J. Leyenaar
1991 Maya’s van Mexico: Voorwerpen uit Mexicaanse musea en het Rijksmuseum voor
Volkenkunde. Leiden: Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Duymelinck, Peter J.M.
2006 De symboliek van de versieringspatronen op het aardewerk en de kalebasobjecten van de
Kali’na in Suriname. Doctoraalscriptie; Universiteit van Leiden.
Goeje, Claudius Henricus de
1906 Bijdrage tot de ethnografie der Surinaamsche indianen. Leiden: E.J. Brill.
1908 Verslag der Toemakhoemak-Expeditie. Leiden: E.J. Brill.
Kloos, P.
1975 Surinaamse Indianen en hun aardewerk. Mededelingblad Vrienden van de Nederlandse
Ceramiek, themanummer Surinaams Aardewerk 77/1:14-26.
Leyenaar, Th. J.J.
1968 Viva México. Staatsdrukkerij: Den Haag.
1981 Indianen van Mexico. Azteken in ’t Verleden. Nahua’s van Heden. Gids voor de materiële
cultuur, speciaal kleding en aardewerk, van de Nahua’s. Leiden: Rijksmuseum voor
Volkenkunde.
1993 La Charrería en México tradición ecuestre: een Mexicaanse ruitertraditie. Leiden:
Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Penard, F.P. en A.P. Penard,
1907-08 Manuscript en Tekeningenboekjes A t/m U (ongepubliceerd archiefmateriaal)
53
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel Cultuurgebied Indiaans Noord-Amerika
Pieter Hovens
Inleiding
Geografische omschrijving
Als “Indiaans Noord-Amerika” wordt het cultuurgebied aangeduid dat vrijwel het gehele noordelijk deel
van het Amerikaanse continent beslaat: Canada, met uitzondering van de Arctische kuststreek; de
Verenigde Staten van Amerika, met uitzondering van de Arctische kuststrook van de staat Alaska en
Hawaï; en het deel van Mexico ten noorden van de 24ste breedtegraad. De benaming heeft
betrekking op de periode voordat sprake was van intensief contact met Europeanen en AngloAmerikanen, en varieert per gebied.
Cultuurgebieden
Binnen Indiaans Noord-Amerika worden negen afzonderlijke cultuurgebieden onderscheiden op basis
van fundamentele verschillen in ecologie, economie, materiële cultuur, sociale organisatie en
godsdienst. Deze negen cultuurgebieden zijn: het Subarctisch gebied, de Noordwest kust, Californië,
het Zuidwesten, het Grote Bekken, het Binnenlands Plateau, de Plains, het Noordoosten, en het
Zuidoosten. De Indianen van de Plains, het cultuurgebied dat wordt gevormd door de centrale
grasvlakten, hebben het populaire beeld van Indianen tot op de dag van vandaag eenzijdig bepaald
(Hovens 1978).
Omvang van de verzameling
De collectie Indiaans Noord-Amerika van Museum Volkenkunde omvat welgeteld 2612 objecten.
Hoewel het binnen het museum een van kleinere regionale collecties is, behoort de Leidse NoordAmerika verzameling tot de grootste en belangrijkste in Europa.
Geschiedenis van de collectie
De vroege verzamelingen
De oudste Noord-Amerikaanse stukken uit de Leidse collectie dateren uit de periode toen Nederland
een eigen kolonie in het noordoosten had: Nieuw Nederland (1609-1664). Enkele voorwerpen uit die
periode zijn bewaard gebleven en kwamen vooral via het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in
Leiden terecht (serie 360). Uit noordoostelijk Noord-Amerika werden ook door aankoop van en ruil met
particulieren vroege stukken (achttiende en vroege negentiende eeuw) verworven, die afkomstig
waren uit (voormalig) Brits-Amerika (serie 74, 91, 330, 363, 364, 494, 510, 524, 720, 865, 924, 925).
Door de eind achttiende en vroeg-negentiende eeuwse ontdekkingsreizen in het gebied rond de Stille
Oceaan kwam etnografica van de Noordwestkust Indianen via omwegen in bezit van het museum
(serie 1, 357). Uit de tweede helft van de negentiende eeuw dateren de stukken die in 1899 middels
ruil met het U.S. National Museum (Smithsonian Institution) door het museum werden verkregen (serie
1225).
Verreweg de grootste Leidse deelverzameling is afkomstig uit het Zuidwesten, meer specifiek het
Amerikaanse kerngebied. De grondslag hiervoor werd gelegd door de Nederlandse antropoloog en
arts Herman ten Kate die in de periode 1882-1888 twee jaar lang etnografisch en archeologisch
onderzoek in dit gebied verrichtte en daar een belangrijke verzameling bijeen bracht, die als een van
de oudste en belangrijkste ter wereld wordt beschouwd (serie 362, 363, 674, 710). Die laatste
kwalificatie vloeit voort uit het feit dat hij bij stammen verzamelde die pas jaren later door Amerikaanse
antropologen werden bezocht om er te verzamelen, en vanwege de documentatie van de objecten en
verzamelactiviteiten. De Ten Kate-collectie betreft alle stammen uit het Amerikaanse deel van dit
cultuurgebied (het kerngebied) en de Yaqui uit Sonora (Mexico). Deze unieke Zuidwest-collectie werd
nog versterkt door enkele aankopen van en schenkingen door particulieren en ruil met het
Smithsonian Institution van stukken die uit dezelfde periode (1870-1890) dateren (serie 454, 1169,
1225).
Ten Kate legde ook de grondslag voor de Leidse Plains collectie, deels door stukken zelf te
verzamelen in het zuiden van dat gebied, deels door stukken uit het noordelijk deel van derden aan te
kopen (serie 362, 710). Andere negentiende eeuwse objecten werden verworven door aankoop van
particulieren en ruil met het Smithsonian Institution (serie 357, 524, 833, 1225). Een belangrijke
aanvulling op de collectie was de langdurige bruikleen van de collectie M. Sprenger van het Zeeuws
54
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Genootschap, een verzameling afkomstig van de noordwestelijke Plains en daterend uit de periode
1870-1900 (serie B191). Deze collectie keerde recentelijk naar Middelburg terug en is onderwerp van
een gezamenlijk Leids-Middelburgs onderzoeksproject.
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat al in de negentiende eeuw de regionale clusters van de Leidse
Noord-Amerika collectie tot vier cultuurgebieden was beperkt: het Zuidwesten, de Plains, de
Noordwest kust en het Noordoosten.
Uitbreiding van de vroege verzamelingen
In de eerste helft van de twintigste eeuw werd een reeks kleine collecties verworven die de vier al
aanwezige regionale deelcollecties versterkten. Ten Kate’s particuliere collectie van objecten uit het
Zuidwesten en Noordoosten werden aangekocht (serie 2012). In 1922 werd een belangrijke collectie
Pueblo aardewerk uit het Zuidwesten aan het museum geschonken door het echtpaar Postma. Deze
regionale deelcollectie werd verder uitgebreid door een ruil met het Museum of the American Indian
(New York; serie 2106) en een aankoop van het Indisch Instituut (Amsterdam; serie 2668). De Plains
collectie werd verrijkt met stukken die door het echtpaar Uhlenbeck in 1910-1911 was verzameld
tijdens veldwerk bij de Blackfoot in Montana (serie 2294).
Recente ontwikkelingen
In de periode 1950-1992 werden overwegend de vier regionale deelcollecties aangevuld door een
reeks van aankopen en schenkingen, steeds van kleine aantallen voorwerpen: een aankoop van
enkele belangrijke stukken uit het Zuidwesten en van de Noordwestkust van prof. Claude Lévi-Strauss
(serie 2935), aankoop van eind-negentiende eeuwse Plains etnografica op veilingen (serie 3158,
3946), verwerving van nieuwe etnografica uit het Noordoosten en van de noordelijke Plains door Ted
Brasser van het Rijksmuseum voor Volkenkunde (serie 4044, 4109, 4323, 4327, 4377, 4387), en
aankoop van particulieren van enkele stukken kleding, sieraden en aardewerk uit het Zuidwesten
(serie 3982, 5424). Opvallend is de aankoop van Californisch vlechtwerk in 4963, een geografisch
buitenbeentje.
Het belang van de collecties erkennend, werd in 1991 een aparte afdeling Noord-Amerika gevormd en
een conservator in deeltijd aangesteld. Een jaar later wordt het museum verrijkt met de grote
particuliere collectie niet-westerse volkskunst van Dr. Elisabeth Houtzager, voormalig directrice van
het Centraal Museum te Utrecht. Vooral de regionale deelcollectie van het Zuidwesten wordt verrijkt
met aardewerk uit de naoorlogse periode (serie 5715, 5976). Vanaf 1992 verwerft de nieuwe
conservator nieuwe stukken tijdens onderzoek in het Zuidwesten, op de Plains en aan de
Noordwestkust, deels ten behoeve van twee tentoonstellingen en de herinrichting, deels ten behoeve
van onderzoek (serie 5724, 5739, 5776, 5819, 5852, 5894, 5910, 5991, 5991).
Opbouw en samenstelling van de collectie
Zoals uit het bovenstaande blijkt, is in de periode sinds de oprichting van het museum tot 1990 een
Noord-Amerikaanse collectie in Leiden ontstaan met een focus op vier regionale clusters: het
Zuidwesten, de Plains, de Noordwest kust en het Noordoosten. In die periode is nooit een bewust
collectiebeleid gevoerd, maar bepaalden historische factoren en toeval de verwervingen.
Opvallend is voorts de aanwezigheid van Indiaanse artefacten uit alle cultuurgebieden die ten
behoeve van de externe markt zijn gemaakt, vooral voor toeristen. Het betreft vaak de vroegste
manifestaties van toerisme, een fenomeen dat recentelijk steeds vaker object wordt van kunst- en
cultuurhistorisch onderzoek.
Zuidwesten
De collectie uit dit gebied is verreweg de grootste geografische deelcollectie uit de NoordAmerikaanse verzameling. Vrijwel alle tribale groepen zijn vertegenwoordigd, voor een belangrijk deel
met zowel historische als hedendaagse objecten.
De collectie die Herman ten Kate in 1882-1888 in dit gebied verzamelde, is niet alleen omvangrijk,
maar ook bijzonder vanwege de vroege verzameldatum en de in het veld verkregen documentatie
(series 361, 362, 674,2012; ten Kate 1885, 1890). Vrijwel alle tribale culturen uit het Zuidwesten zijn
vertegenwoordigd. De objecten dateren uit de periode 1870-1888. De Ten Kate collectie wordt gezien
de ouderdom en het historisch en wetenschappelijk belang als A-collectie aangemerkt (Hovens 1989;
Hovens, i.d.).
55
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
De collectie uit deze periode wordt nog verder versterkt door objecten uit diezelfde periode in de
kleinere deelcollecties van T. Templeman van der Hoeven (serie 473), Colonel James Stevenson en
Major James Wesley Powell (series 1169 en 1225), de Heye Foundation/Museum of the American
Indian (serie 2106), en een klein aantal individuele stukken die door aankoop of schenking werden
verworven. Deze collecties dienen als B te worden aangemerkt. Daartegenover staan vier Apache
objecten uit de collectie van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden (serie 360) die gezien hun
herkomst en vroege datum ook als A dienen te worden bestempeld.
De Ten Kate collectie bevat vroeg Pueblo aardewerk. Bijzonder is ook de collectie Pueblo aardewerk
uit 1919 van het echtpaar Postma-Love, die uitmunt door kwalitatief hoogwaardige stukken (serie
2043). Deze collectie vormt een belangrijke aanvulling op het Pueblo aardewerk in de Ten Kate
collectie en dient als A te worden aangemerkt. Een derde belangrijke verzameling Pueblo aardewerk
werd tussen 1950 en 1970 bijeen gebracht door de directeur van het Centraal Museum te Utrecht,
Elisabeth Houtzager, en aan het museum geschonken (series 5715 en 5421; Hovens en Blijlevens
1994). Deze moet overwegend als B worden aangemerkt, hoewel enkele individuele stukken gezien
hun esthetische en historische waarde als A moeten worden beschouwd. Een collectie modern Pueblo
aardewerk werd met eigen middelen (series 5739, 5776, 5819) en met financiële steun van het
Aankoopfonds Volkenkundige Musea (serie 5991) verzameld door de huidige conservator. Voor de
kwalificatie van deze collectie geldt hetzelfde als voor de Houtzager collectie. Het Pueblo aardewerk
vormt een sterk diachronische collectie met een grote thematische breedte, variërend van artistieke
topstukken tot toeristische souvenirs.
Een bijzondere collectie wordt gevormd door de circa 100 kindertekeningen die door Lucy Schouten
begin jaren vijftig werden verzameld in het kader van wetenschappelijk onderzoek naar de
ontwikkeling van cultureel bepaalde persoonlijkheidstypes (serie 6003). Deze moet als A-collectie
worden aangemerkt.
Een hedendaagse Zuidwest collectie werd in de periode 1992-2007 gevormd door aankopen van de
conservator (series 5724, 4739, 5739, 5776, 5819, 5894). Deze collectie werd versterkt door enkele
additionele aankopen via derden, waaronder de kachina poppen van Manfred Susunkewa (serie
5723). In dat kader werd ook historisch en contemporain Indiaans zilver verworven (series 5724, 5739,
5776, 5819, 5852, 5894, 6054), deels met subsidie van het Landelijk Aankoopfonds Volkenkundige
Musea. Samen met stukken uit de jaren vijftig van Elisabeth Houtzager (serie 5421, 5976; Hovens en
Blijlevens 1994) en enkele oude stukken uit de Ten Kate collectie is de diachronische Leidse Indiaans
zilver collectie de grootste en belangrijkste in Europa.
Plains
De historische basiscollectie uit dit cultuurgebied wordt gevormd door de Sioux objecten daterend uit
de periode 1870-1880 die door Herman ten Kate in 1882-1883 door aankoop werden verkregen (serie
710), evenals de stukken die hij op de zuidelijke Plains verzamelde bij de Kiowas en Comanches
(serie 362). Deze oude collectie wordt nog verstrekt door individuele stukken die in de loop der jaren
werden aangekocht of geschonken en uit de tweede helft van de negentiende eeuw dateren (series
524, 833, 2668, 3158, 3947, 4074, 4202, 4964, 6015), evenals door twee kleine collecties die werden
verworven door ruil met het U.S. National Museum/Smithsonian Institution (serie 1225) en de Heye
Foundation/Museum of the American Indian (serie 2106). Deze oudste deelcollectie moet als B
worden aangemerkt.
Uit de periode rond 1910 dateren aan aantal goed gedocumenteerde stukken van de noodwestelijke
Plains, voornamelijk Blackfoot, verzameld door C.C. Uhlenbeck en J.P.B., de Josselin de Jong (serie
2294; Eggermont-Molenaar 2004).
In de jaren zestig verzamelde de toenmalige medewerker van de educatieve dienst van het museum,
Ted Brasser, contemporaine etnografica op de noordelijke Plains (series 3412, 3958, 4323, 4377) en
Elisabeth Houtzager kralenwerk (serie 5715), en werden enkele Comanche objecten aangekocht
(serie 5541). Met de eigen museumcollectie en de Sprenger collectie van het Zeeuws Genootschap
van Kunsten en Wetenschappen tezamen, maakte Brasser de baanbrekende tentoonstelling “Van
Bisonjager tot Bleekgezicht” (Brasser 1964). Moderne Plains etnografica werd de laatste jaren
aangekocht door de huidige conservator (series 5819, 5852, 5894, 5910).
Noordwest kust
De historische basiscollectie van 120 objecten wordt gevormd door enkele eind achttiende, begin
negentiende eeuwse stukken uit de collectie van Siebold (serie 1) en het Koninklijk Kabinet van
56
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Zeldzaamheden (serie 360), die gezien hun ouderdom en cultuurhistorische waarde als A dienen te
worden aangemerkt, en stukken van vóór 1900 die middels aankoop werden verworven (series 74,
335, 357, 547,2644, 2768, 2779, 2845, 2880, 2935 [Lévi-Strauss], 3134, 3177, 3193, 3208, 3413,
3634, 3746, 3946, 3998, 4025, 4574), werden geruild met het U.S. National Museum/Smithsonian
Institution (serie 1225) en het Indisch Instituut (serie 2668), of die werden aangekocht door Ted
Brasser (serie 4377). Een aantal van deze stukken verdient het predikaat A (335-30, 547-8, 1225-20,
47 en 82, 2935-1, 2 en 5, 3134-1). De collectie bestaat vooral uit beschilderd houtsnijwerk (o.a.
maskers), vlechtwerk, sieraden en gereedschappen.
De collectie Elisabeth Houtzager bevat een aantal stukken Indiaanse volkskunst uit dit gebied uit de
jaren 1960-1970 (serie 5715; Hovens en Blijlevens 1994). De huidige conservator kocht in 1997
hedendaagse maskers en manden aan (serie 5776).
Noordoosten
De collectie uit dit gebied telt circa 600 objecten. De helft daarvan betreft series archeologica (577,
991, 1403, 1830, 2043, 2121, 2366, 5928) die bestaan uit litisch materiaal (pijl- en speerpunten,
hamers en bijlen, messen), schelpmateriaal (gereedschappen, sieraden) en aardewerk (pijpen,
fragmenten van vaatwerk). Enkele van deze assemblages zijn afkomstig van boerderijen in de V.S. en
Canada waar zich Nederlanders hebben gevestigd. Deze series moeten als C worden aangemerkt.
Uitzonderingen zijn cultuurhistorische en artistieke topstukjes (A-categorie) zoals een “birdstone” en
twee “platform pipes” (serie 4477).
De Leidse collectie bevat circa 40 bijzondere oude en zeldzame stukken uit dit gebied (series 74, 91,
330, 360, 363, 364, 454, 510, 524, 695, 720, 865, 1200), waaronder het oudste historische Indiaanse
object dat in Nederland is bewaard gebleven: een Algonquian houten strijdknots daterend uit de
zeventiende eeuw (360-1579). Vrijwel al deze stukken dienen als A te worden aangemerkt.
Uit het laatste kwart van de negentiende eeuw dateert een aantal objecten uit de Ten Kate collectie
(series 362, 710, 2012; Hovens 1984), en objecten die door middel van schenking, ruil of aankoop in
de loop der tijd werden verworven (series 494, 547, 997, 1285, 2012, 2098, 2399, 2732, 3382, 3412,
3746, 3946, 4311, 4377). Het betreft een babywieg, mocassins, manden, toeristische souvenirs (circa
30 stuks).
Uit de eerste helft van de twintigste eeuw dateren slechts drie objecten: twee messen en een jachtfluit
(serie 5852). Uit het derde kwart van de twintigste eeuw dateren aankopen, schenkingen en door Ted
Brasser tijdens veldwerk verzamelde objecten (series 4011, 4109, 4238, 4757, 4892, 5657),
waaronder maskers, manden, sneeuwschoenen en een berkenbast kano. Uit het laatste kwart van
deze eeuw stamt een collectie van circa 20 stuks Indiaanse volkskunst, bijeengebracht door Elisabeth
Houtzager (serie 5715). Circa 15 hedendaagse objecten maken deel uit van de collectie (serie 5852):
vlechtwerk, kralenwerk en sieraden.
California
De verzameling uit dit cultuurgebied bestaat uit twee kleine collecties archeologica, voornamelijk litisch
en schelpmateriaal (series 597, 641; categorie C) en een kleine verzameling vlechtwerk uit het einde
van de negentiende eeuw (serie 4963; categorie B).
Subarctisch gebied
De collectie uit dit gebied bestaat uit een tiental losse stukken (overwegend categorie C). Enkele
daarvan zijn oud, zeldzaam en cultuurhistorisch belangwekkend (categorie A): twee beschilderde
jassen van kariboeleer en een beschilderde tas (510-28, 524-6, 4262-1).
Grote Bekken
De collectie uit dit gebied bestaat uit een klein aantal stukken, alle deel uitmakend van de Ten Kate
collectie (A-categorie; zie paragraaf Zuidwesten; Hovens en Herlaar 2004) .
Binnenlands Plateau
De collectie uit dit gebied bestaat uit slechts enkele losse stukken.
Zuidoosten
De verzameling uit dit cultuurgebied bestaat uit ongeveer 100 objecten. Daarvan maken drie collecties
van 60 stuks archeologica deel uit, voornamelijk litisch en schelpmateriaal, en aardewerk (series 1607,
1830, 2360; categorie C), met daaronder enkele artistiek en cultuurhistorische belangrijke stukken
(categorie A). Belangwekkend zijn een aantal etnografische stukken (A-categorie), zoals een
ceremoniële stenen pijp behorende tot de Southern Cult (4389-1), twee stenen pijpen met
57
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
diermotieven (4299-1, 4574-2), twee gegraveerde kruithoorns (362-25, 924-82) en een versierde tas
(833-1). Een groep van 25 stuks moderne Indiaans volkskunst (collectie Houtzager) completeert deze
regionale collectie (serie 5715; categorie B).
Vergelijking met andere collecties
Op nationaal niveau
Van de Nederlandse musea beheert Museum Volkenkunde verreweg de grootste collectie NoordAmerikaanse Indiaanse etnografica. Naast het Museum Volkenkunde bezitten enkele andere
Nederlandse musea collecties uit Noord-Amerika. Bij drie van die musea betreft het kleine collecties
van enkele honderden objecten, bestaande uit veelal losse stukken die door middel van aankoop of
schenking verkregen zijn en meestal documentatie ontberen. Dit zijn het Wereldmuseum in Rotterdam
(het voormalige Museum voor Volkenkunde; Faber e.a. 1987), het Museon in Den Haag, en het
Universitair Museum Groningen (het voormalig Volkenkundig Museum Gerardus van der Leeuw;
Arnoldus-Schröder 1992). Tenslotte zijn er enkele Nederlandse musea die ieder een klein aantal
Indiaanse artefacten in de collectie hebben (minder dan 100), zoals het Zeeuws Museum in
Middelburg (Bakels 1988; van Woelderen 1968; Hovens en van Santen 2007), het Pijpenkabinet in
Amsterdam en het Stedelijk Museum voor Moderne Kunst en Vormgeving in Den Bosch (Clark 2006).
Museum Volkenkunde is daarmee het enige museum in Nederland met een brede NoordAmerikaanse etnografische verzameling van cultuurhistorisch en wetenschappelijk belang. De kleine
collecties Rotterdamse etnografica afkomstig uit het Zuidwesten (Ten Kate), van de Noordwest kust
(Oldman), en de Naskapi (voormalige paters Oblaten-collectie), de Blackfoot-collectie (Sprenger) van
het Zeeuws Museum in Middelburg, en de collectie hedendaags Indiaans aardewerk van het Stedelijk
Museum in Den Bosch moeten eveneens als van wetenschappelijke en cultuurhistorische importantie
zijnde deelcollecties worden aangemerkt, terwijl het Wereldmuseum, het Museon en het Universitair
Museum Groningen over enkele bijzondere stukken uit verschillende cultuurgebieden beschikken
(Hovens 1998).
Museum Volkenkunde en het Wereldmuseum bezitten een historische collectie fotografie met
betrekking tot Indiaans Noord-Amerika, veelal materiaal dat door Herman ten Kate tijdens zijn
veldwerk en reizen werd verzameld (Hovens en Groeneveld 1992). De bibliotheekcollectie van het
museum met betrekking tot Indiaans Noord-Amerika is de grootste van Nederland en bevat naast de
historische monografieën van Noord-Amerikaanse universiteiten, musea en wetenschappelijke
genootschappen ook hedendaagse literatuur over Indiaanse culturen, geschiedenis en kunstuitingen,
evenals een reeks lopende abonnementen op wetenschappelijke tijdschriften.
Op internationaal niveau
Musea in Noord-Amerika beschikken over verreweg de grootste Indiaanse collecties uit dat deel van
de wereld. Echter, de Europese collecties zijn belangrijk vanwege hun vroege verzameldatum (soms
eeuwen vroeger dan Amerikaanse of Canadese collecties) of vanwege hun bijzondere
verzamelcontext (diplomatieke relaties, handelscontacten, vroeg wetenschappelijk veldwerk,
individuele drijfveren van verzamelaars).
De Leidse Noord-Amerikaanse verzameling behoort met die van Leningrad, Parijs, Wenen, London en
Berlijn tot de grootste en oudste Europese museale collecties uit inheems Noord-Amerika (Kaemlein
1976; Hovens 1989:110). De Leidse deelcollectie uit het cultuurgebied van het Zuidwesten behoort
met die van het Pitt Rivers Museum in Oxford tot de grootste van Europa. De Ten Kate collectie uit dat
gebied en van de Plains is op wereldschaal uniek in zijn soort, omdat die in een periode en onder
stammen werd verzameld toen antropologisch veldwerk nog in de kinderschoenen stond. Deze
collectie wordt beschouwd als de eerste etnografische Noord-Amerika verzameling die op basis van
wetenschappelijk antropologisch onderzoek bijeen is gebracht.
De collecties Houtzager (contemporain handwerk) en Schouten (kindertekeningen) zijn enig in hun
soort in Europa, terwijl van de laatste zelfs geen equivalent in Noord-Amerika bekend is. Het belang
van deze collecties wordt nog versterkt door de erbij behorende uitgebreide schriftelijke en
fotografische documentatie. De collectie Indiaans zilver is de grootste in Europa.
Meerdere Noord-Amerikaanse en Europese antropologen in verleden en heden hebben gewezen op
het cultuurhistorisch en wetenschappelijk belang van de Leidse verzameling (Kaemlein 1976:132). Om
die reden bezoeken Amerikaanse en Canadese specialisten regelmatig het museum om de
belangrijke collectiestukken en deelverzamelingen te bestuderen.
58
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectiekwaliteit en deselectie
Aan de acquisitie van Noord-Amerikaanse etnografica door Museum Volkenkunde heeft vrijwel
nimmer een expliciet beleid ten grondslag gelegen. Toeval en het gebruik maken van zich voordoende
kansen tot acquisitie hebben tot de collectie geleid zoals die nu voorhanden is. Aan deze situatie heeft
ook de omstandigheid bijgedragen dat het museum tot 1991 nooit over een conservator met een
Noord-Amerika specialisatie heeft beschikt. Alleen in de jaren zestig maakte Ted Brasser enkele jaren
deel uit van de Educatieve Dienst en in die hoedanigheid verzamelde hij zelf op bescheiden schaal
tijdens twee reizen. In 1991 werd een afdeling Noord-Amerika gecreëerd en werd een conservator in
deeltijd aangesteld.
Museum Volkenkunde beheert objecten uit alle negen Noord-Amerikaanse Indiaanse gebieden, maar
het aantal verschilt aanzienlijk per regio. De collecties uit het Zuidwesten (circa 35 procent), van de
Plains (circa 25 procent), uit het Noordoosten (circa 15 procent) en van de Noordwest kust (circa 15
procent) zijn het meest omvangrijk. Het zijn tevens in zowel cultuurhistorisch als wetenschappelijk
opzicht de belangrijkste regionale verzamelingen. Ieder van deze regionale collecties bestaat uit een
of meerdere samenhangende deelcollecties, die ieder een eigen geschiedenis hebben, die vanuit een
specifieke optiek bijeen zijn gebracht en die per cultuurgebied samen tenminste een representatieve
basiscollectie vormen of, zoals in het geval van het Zuidwesten, zelfs meer dan dat. Onder
basiscollectie wordt een verzameling verstaan die een representatief beeld geeft van de belangrijkste
aspecten van een cultuur: levensonderhoud, sociale organisatie, religie. Daarnaast brengt
samenstelling van de basiscollectie een historische dimensie tot uitdrukking, waarbij objecten uit
verschillende perioden cultuurveranderingen manifesteren die de periode 1880-2000 bestrijken. De
vier cultuurgebieden en hun basiscollecties vormen de grondslag voor toekomstig verzamelen en
onderzoek.
De objecten in de museumcollectie die afkomstig zijn uit het Subarctisch gebied, Californië, het Grote
Bekken, het Binnenlands Plateau en het Zuidoosten, zijn incidentele aanwinsten door middel van
schenking, ruil of aankoop van veelal individuele stukken. In principe vormen de gebieden waaruit
deze objecten afkomstig zijn geen prioriteit voor onderzoek of verzamelen. Deselectie zonder meer is
niet aan te bevelen, omdat het deels om objecten gaat uit samenhangende collecties uit belendende
gebieden (bijv. de Grote Bekken objecten uit de Ten Kate collectie), of om in wetenschappelijk,
cultuurhistorisch, en artistiek opzicht belangrijke stukken. Een aantal objecten uit deze gebieden komt
eventueel voor deselectie in aanmerking, evenals collectievreemde vootwerpen en educatieve
objecten.
De rijkscollectie Indiaans Noord-Amerika die door Museum Volkenkunde wordt beheerd, is verreweg
de grootste in Nederland. Alleen is het Museum Volkenkunde het enige museum dat beschikt over
een (halftime)conservator voor deze regio. Daarnaast heeft het Leidse museum de grootste
verzameling wetenschappelijke literatuur over dit cultuurgebied in Nederland. Dit pleit ervoor om de
Noord-Amerikaanse Indiaanse collecties zoveel mogelijk in Leiden te concentreren.
Tenslotte: In de terugblik op de ontwikkeling van de Noord-Amerikaanse collectie is al gesteld dat
deze collectie het resultaat is van een lange geschiedenis van toevalligheden. Dat heeft uiteindelijk
toch in een unieke collectie van wetenschappelijke en cultuurhistorische importantie geresulteerd. Ook
in het toekomstige acquisitiebeleid dient met deze toevalsfactor rekening te worden gehouden: niet als
collectieprioriteit, maar in het geval dat in cultuurhistorisch en wetenschappelijk opzicht belangrijke
verzamelingen worden aangeboden, die buiten de vigerende regionale prioriteiten vallen.
59
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Literatuur
Bakels, Jet
1988 De Sprenger Collectie: een Zeeuw bij de Zwartvoet Indianen. Den Haag: Museum voor het
Onderwijs.
Brasser, Ted
1964 Van Bisonjager tot Bleekgezicht. Leiden: Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Clark, Garth
2006 Free Spirit: the New Native American Potter. Den Boscx: Stedelijk Museum voor Moderne
Kunst en Vormgeving/
Eggermont-Molenaar, Mary
2004 Montana 1911: a Professor and his Wife among the Blackfeet. Calgary: University of Calgary
Press.
Hovens, Pieter
1984 Between Survival and Assimilation: the Visit of the Dutch Anthropologist Herman ten Kate to
the Iroquois in 1882. In: P. Hovens, red., North American Indian Studies 2:36-42.
Aachen/Göttingen: Alano Verlag/Edition Herodot.
1989 Herman F.C. ten Kate (1858-1931) en de Antropologie der Noord Amerikaanse Indianen.
Dissertatie, Katholieke Universiteit Nijmegen; Meppel: Krips.
1998 Indianen. Leiden: Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Hovens, Pieter en Blijlevens, Saskia, red.
1994 Volkskunst van Verre: de Collectie Elisabeth Houtzager. Leiden: Rijksmuseum voor
Volkenkunde.
Hovens, Pieter e.a., red.
2004 Herman ten Kate’s Travels and Researches in Native North America, 1882-1883.
Albuquerque: University of New Mexico Press.
i.d.
American Indian Material Culture: the Ten Kate Collection, 1882-1888. Frankfurt am Main:
ZKF Publishers (in druk).
Hovens, Pieter en Groeneveld, Anneke
1992 Odagot: Indianen Gefotografeerd, 1860-1920. Amsterdam: Fragment Uitgeverij.
Hovens, Pieter en Herlaar, Jiska
2004 Early Anthropology on the Southwest-Great Basin Frontier: the Fieldwork of Herman ten Kate.
Journal of the Southwest 46/3:529-558.
Hovens, P. en Van Santen, C.
2007 Collecting Blackfoot: Dutchmen and Indians on the North-western Plains. European Review of
Native American Studies 21/1:1-8.
Kaemlein, Wilma
1967 An Inventory of Southwestern American Indian Specimens in European Museums. Tucson:
Arizona State Museum.
Kate, Herman F.C. ten
1885 Reizen en Onderzoekingen in Noord Amerika. E.J. Brill; Leiden.
1890 Zuni fetiches. Internationalis Archiv für Ethnographie 3:118-119.
Woelderen, H.W. van
1968 Meinard Sprenger en zijn Zwartvoet Collectie. Zeeuws Tijdschrift 18/5.
60
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel Cultuurgebied Circumpolaire Culturen
Cunera Buijs
Inleiding
Het Arctisch of Circumpolair Gebied beslaat de meest noordelijke delen van de Noord-Amerikaanse
en Euraziatische continenten, zoals Alaska, Canada, Groenland, en de noordelijkste delen van
Scandinavië en Siberië. Kenmerkend voor deze streken is het poolklimaat, met lange en strenge
winters en korte, intensieve zomers.
Binnen het Circumpolaire Gebied leeft een groot aantal inheemse volken met eigen, soms wel- en
soms niet-verwante, talen en culturen. Van oudsher leven ze van de jacht op zeezoogdieren, visserij
en rendierhouderij. De belangrijkste zijn de Inuit (Eskimo) groepen in Alaska, Canada, en Groenland;
de Sámi (Lappen) in noordelijk Scandinavië en verschillende Siberische volken, zoals de Nivch,
Oroch, Evenk en Yakut.
De collectie omvat in totaal circa 3500 objecten, waarvan circa 1700 afkomstig zijn uit Groenland.
Daarnaast zijn ongeveer 800 voorwerpen uit Siberië en 500 uit Lapland. De Inuit van Alaska en
Canada zijn vertegenwoordigd met respectievelijk 150 en 200 objecten. Verder omvat de collectie
circa 150 objecten afkomstig van Europese culturen uit Scandinavië.
Geschiedenis van de verzameling
Vroege verzamelingen
De vroegste gedateerde etnografische objecten zijn archeologica uit Groenland, daterend uit de
zestiende eeuw, die in 1996 werden verzameld. Hierbij moet men denken aan harpoenpunten,
vrouwenmessen, benen onderdelen van sleden en huisraad. Vroege etnografica, waaronder kajaks
met bijbehorende jachtuitrusting, stammen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Deze kwamen
door de walvisvaart, eerst via gemeentebesturen en het Ministerie van Marine, en later, in 1883, bij de
overdracht van het Kabinet van Zeldzaamheden te Den Haag, naar het volkenkundig museum te
Leiden.
De vroegst verworven Arctische objecten dateren uit het begin van de negentiende eeuw en werden
vanuit comparatief oogpunt door Siebold verzameld, ter vergelijking met zijn omvangrijke Japanse
collectie. Zo werden tussen 1837 en 1859 circa 120 objecten uit Siberië, de Koerilen, de Aleuten en
Alaska bijeengebracht. Deze Arctische objecten wist hij dankzij Russische connecties te verwerven. In
deze vroege verzamelingen is vooral kleding goed vertegenwoordigd.
Verzamelingen uit het einde van de negentiende eeuw
In 1898 wordt een bijzondere collectie van circa 500 jacht-, visserij- en gebruiksvoorwerpen, en
wederom kleding uit Zuidoost-Siberië, aangekocht van de heer Adolf Vasilivich Dattan. Deze Adolf
Dattan (1854-1924) was handelsagent van de Duitse firma Kunst & Albers in Vladivostok. Siberië was
reeds in de zeventiende eeuw vanuit Rusland gekoloniseerd. In de periode 1854-1879 vond
ontsluiting plaats middels de aanleg van spoorlijnen naar het verre oosten van Siberië. Handel nam
toe in belangrijkheid en collecties uit verre noordoostelijke streken werden verscheept of per trein
vervoerd naar het westen. Ruil met het Etnografisch Museum in St. Petersburg (1928)
complementeerde de negentiende eeuwse Siberische collectie. Aan het einde van de negentiende
eeuw was ruil met andere grote volkenkundige musea in Europa gebruikelijk.
Drie negentiende eeuwse collecties uit Groenland – in de achttiende eeuw gekoloniseerd door
Denemarken – werden in respectievelijk 1889, 1895 en 1926 verkregen door ruil met het Nationaal
Museum in Kopenhagen. Ruil met het National Museum in Washington (1899) (thans het Smithsonian
Institution) leverde een bescheiden collectie van Alaskaanse Inuit en Aleut.
Verwervingen na de Tweede Wereldoorlog
In de twintigste eeuw komen verwervingen via de kunsthandel en schenkingen van particulieren in
beeld, terwijl na de Tweede Wereldoorlog de eerste schenkingen van professoren worden gemeld.
Een bescheiden maar boeiende collectie van jachtgerei en gebruiksvoorwerpen van de Canadese
Inuit (serie 3493), verkregen in 1957 van prof. Dr. Geert van den Steenhoven, die aldaar onderzoek
deed, is in dit verband het vermelden waard.
Acquisitie van circumpolaire collecties tijdens antropologisch veldwerk is kenmerkend voor de periode
na 1970 tot heden. Zo verzamelde conservator Gert(i) W. Nooter in Oost-Groenland in de periode
1970 – 1990. Dit leidde met ruim 700 objecten tot een belangrijke aanvulling van de collectie. Hij
combineerde acquisitie met onderzoek. De incorporatie van westerse materialen, zoals metalen en
textiel, zijn goed te zien in de geaccultureerde jachtuitrusting, vervoermiddelen en kleding. Nooter
61
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
slaagde erin het veranderende leven van de Groenlandse Inuit breed en diachronisch te
documenteren. Van gebieden waar hij zelf niet of in mindere mate verzamelde, verwierf hij objecten
veelal met behulp van collega-onderzoekers. Naar verhouding kreeg Siberië minder aandacht. In de
jaren na 1990 zijn door zijn opvolger enkele brede series uit Groenland verzameld, gebaseerd op
veldwerk en wetenschappelijk onderzoek. In 2006 en 2007 werd de Sámi collectie aanzienlijk
uitgebreid met hedendaagse kunstnijverheid en Sámi zilver. De Siberische verzameling werd in 2007
aangevuld met recent vervaardigd materiaal en het verzamelproces werd gedocumenteerd door
middel van fotografie en filmopnames, mede in het kader van een grote tentoonstelling over
42
klimaatverandering. Schenkingen en aankopen zorgden ervoor dat in de afgelopen decennia ook
andere cultuurgebieden in het blikveld bleven.
Aan het eind van de twintigste eeuw kan Volkenkunde een vrij representatieve collectie Circumpolaire
gebruiks- en kunstvoorwerpen laten zien, waarin voorbeelden afkomstig uit het hele Arctische gebied
aanwezig zijn.
Collectiebeschrijving
De circumpolaire collectie van Volkenkunde is in te delen in en te beschrijven naar drie regio’s of
culturele gebieden, waarbij de verzamelingen uit Groenland numeriek en wat betreft
onderzoeksactiviteiten de belangrijkste zijn, gevolgd door Siberië en Lapland.
- Groenland
De eerste Groenlandse stukken die arriveerden in Volkenkunde in 1883. Het betrof een kajak met
peddel (349-1a en b), geschonken door het gemeentebestuur te Den Briel en twee kajaks met
bijbehorende jachtuitrusting (in serie 351), geschonken door het Ministerie van Marine. (A-categorie,
43
gezien ouderdom en aard van de objecten.) In de collectie van het Koninklijk Kabinet van
Zeldzaamheden, dat in 1883 onder de collectie van het Rijks Ethnografisch Museum kwam, bevonden
zich in serie 360 tevens enkele stukken uit West-Groenland. In 1889 werden circa 70 WestGroenlandse objecten verkregen van het Nationale Museum van Kopenhagen middels een ruil (serie
690). In 1895 werden voor het eerst circa 20 Oost-Groenlandse objecten middels ruil aan de Arctische
collectie toegevoegd en werden circa 40 West-Groenlandse objecten (serie 1076) door de
Nederlandse consul te Denemarken aan het etnografisch museum te Leiden geschonken.
Negentiende eeuwse voorwerpen uit Oost-Groenland werden hierbij gevoegd uit de Deense
ruilverzameling (serie 2085) in 1926. (B-categorie.) Deze bescheiden collectie van een kleine
tweehonderdtal, merendeels negentiende eeuwse Groenlandse voorwerpen vormt het vertrekpunt
voor latere onderzoeks- en verzamelactiviteiten. West-Groenlandse archeologica kon in de loop der
tijd voor het museum worden verworven en brengen een extra, tot voor kort ontbrekende, historische
diepgang in de collectie aan. (De kwalificatie voor deze collectie is A-categorie; uniek in Nederland.)
In de jaren vijftig schenkt Dr. Niko Tinbergen een Oost-Groenlandse kajak en twee kajakanoraks die
uit de jaren dertig stammen. (A-categorie.)
Tinbergen (1907-1988), bioloog en later Nobelprijswinnaar voor zijn ornithologisch onderzoek, sloot
zich aan bij een Nederlandse meteorologische expeditie in het Internationale Pooljaar 1933-‘34.
Tinbergen bestudeerde het gedrag van o.a. sneeuwgorzen en alken, maar had tevens een goed oog
voor de cultuur van de Groenlanders. Voor het Haagse Museum voor het Onderwijs (thans het
Museon) verzamelde Tinbergen voorwerpen, die hij ruilde tegen katoenen stoffen, tabak, suiker en
kralen. De Tinbergen collectie van het Museon in Den Haag vormt thans een onontbeerlijke schakel
tussen de oudere collecties in Leiden en de Oost-Groenlandse collecties van het Rijksmuseum voor
Volkenkunde die na 1970 verzameld werden. De Tinbergen collectie vormde de directe aanleiding van
44
Nooter’s onderzoek naar de materiële cultuur van Oost-Groenland.
In 1965 vertrok Gerti Nooter voor het eerst naar Oost-Groenland, samen met Jan Veenman die er
voor de VARA een film zou gaan maken. Nooter keerde in 1967 samen met zijn vrouw en drie
42
Tentoonstelling ‘Als het ijs smelt, gevolgen voor bewoners van de Noordpool’, lopend van 12 oktober 2007 t/m 15 augustus
2008.
43
De oudere collecties worden, gezien de ouderdom en historisch belang binnen Nederland, getypeerd als A-categorie. Bcategorie betreffen objecten die van cultureel belang zijn en veelal is hier sprake van ensemble waarde. Deze collecties bieden
grote potentie voor vergelijkend, historisch of cultureel onderzoek. C-categorie betreft objecten die van minder groot belang zijn,
terwijl in de D-categorie objecten te vinden zijn die voor deselectie in aanmerking komen. Er behoren slechts een gering aantal
objecten tot de C-categorie. Zij worden hier niet nader gespecificeerd. De individuele objecten zijn genummerd middels serieen volgnummers.
44
In 2002 en 2003 werden enkele objecten van Oost-Groenland uit de jaren dertig aan het Rijksmuseum voor Volkenkunde
geschonken door nazaten van twee andere leden van de Nederlandse Meteorologische Expeditie, evenals kopieën van Brieven
(waarvan één set inmiddels gepubliceerd is) en kopieën van één van de dagboeken.
62
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
kinderen terug naar Groenland om er een jaar te blijven, onderzoek te doen en een verzameling bij
een te brengen voor het Museum voor het Onderwijs. In 1970 werd Nooter aangesteld in het
Rijksmuseum voor Volkenkunde als conservator van het Circumpolaire gebied, waar hij werkzaam
was tot eind 1990. Hij bezocht Oost-Groenland regelmatig en zette zijn onderzoek en
verzamelactiviteiten voort. De resultaten van zijn werk zijn onder meer te vinden in de diverse
deelcollecties van het Rijksmuseum voor Volkenkunde (o.a. in de series 4458, uit 1970; 4702 [1973];
4850 uit West-Groenland [1975]; 4932 [1977]; 5050 [1979]; 5393 en 5467 in 1985/86).
Met de bescheiden negentiende eeuwse collecties uit Groenland, met de Nooter collecties van na
45
1970 en met de door de huidige conservator recent verzamelde objecten , aangevuld met de OostGroenlandse collectie van het Museon, kan goed worden aangetoond welke veranderingen zich
gedurende meer dan 100 jaar hebben voorgedaan in de materiële cultuur van Oost-Groenland.
Nooter’s en recent onderzoek voegt hier de achtergrondinformatie en interpretatie aan toe. Met recht
kan worden gesproken van continuïteit van verzamelen.
- Siberië
In de eerste collecties van Museum Volkenkunde is Siberië vertegenwoordigd met enkele geïsoleerde
groepen en groepjes objecten. Zo bevat serie 1 circa 120 objecten, vooral kleding afkomstig uit
Siberië. Twee Yakutse zwepen zijn te vinden in serie 136, een Chukchi pijlkoker in serie 253. Drie
Samojeedse (Nentsi) jassen werden verworven in 1881 (serie 286). Baron von Lühdorf schonk in 1884
twee Giljaken (Nivch) hoeden en een jas (serie 434) en vervolgens in 1888 tabaksdozen, een tas en
enkele kledingassecoires uit dezelfde regio (serie 680). Een groot aantal verschillende pijlen uit
diverse regio’s in Siberië werden verworven in 1889 (serie 720 en 960) en in 1895 (1070). Serie 1070,
verworven van de heer O. Hertz te St. Petersburg, bevat een kleine honderd objecten afkomstig van
verschillende volken in Siberië; onder andere zijn de Yakut, Tungus, Chukchi en Itelmen
vertegenwoordigd. Het betreft een collectie van vooral kledingstukken, waaronder enkele oudere
eerste helft negentiende eeuwse stukken die bijzonder zijn wat betreft ouderdom en esthetiek.
Het grootste deel van de Siberische collectie betreft een in cultuurhistorische en wetenschappelijke zin
belangwekkende collectie uit het einde van de negentiende eeuw uit Zuidoost-Siberië, verzameld door
Adolf Dattan, handelsattaché in Vladivostok en door hem in 1898 aan het museum geschonken. Het is
46
een sterk gedifferentieerde collectie van circa 500 objecten, die een groot aantal verschillende
aspecten van de cultuur van de Nivch en Oroch uit het Amurgebied omvat; kleding, jachtgerei,
huisraad, religieuze objecten, modellen alsmede instrumenten. In de eerste helft van de twintigste
eeuw werden nog enkele geïsoleerde objecten uit Siberië verworven, waarvan serie 2147 met een
kleine dertig negentiende eeuwse objecten afkomstig van de Yakuten, via ruil met het Ethnografisch
Museum te St.Petersburg in 1928 verkregen, de belangrijkste is.
Daarna worden gedurende zo’n vijftig jaar geen Siberische objecten meer verworven. De
eerstvolgende verwerving dateert uit 1987 (serie 5517) en leverde de eerste moderne objecten op uit
Siberië. Daarna volgen enkele geïsoleerde moderne stukken in de series 5613, 5616, 5708 en 5758,
vooral verzameld dankzij de tussenkomst van de heer Ch.M. Taksami, en zijn vrouw Astrakansheva,
beiden verbonden aan het Antropologisch en Ethnologisch Museum (Kunstkamera) uit St.Petersburg.
Hoe weinig ook in aantal, deze moderne objecten, veelal kledingstukken, tonen interessante
vernieuwingen in het gebruik van materialen en in de vorm en esthetiek van de inheemse materiële
47
cultuur. In 2002 werd een kleine collectie moderne kleding en kunstnijverheid van de Nenets door
het museum verworven (serie 5989). Modern materiaal, gedocumenteerd door filmopnames en foto’s,
werd in 2007 op eiland Sachalin in Zuidoost-Siberië ter plekke verzameld.
45
In 1993 werd er in Volkenkunde een tentoonstelling over de kleding van de inheemse volken wonend rondom de Noordpool
gehouden, getiteld Tegen kou, kleding van de poolbewoners. Het recente onderzoek is vastgelegd in diverse publicaties zoals
Poolkleding, een tweede huid, Buijs, 1993, en Braving the Cold, Continuity and Change in Arctic Clothing, Buijs and Oosten
(eds.), 1997, (zie appendix 2). Een belangrijke vroeg-twintigste eeuwse bron vormt Thalbitzer’s The Ammassalik Eskimo,
Meddelelser om Grønland 39, 1914.
46
Serie 1202, voorafgegaan door enkele stukken van Baron von Lühdorf in serie 434 en 680.
47
Een deel van de collectie werd tentoongesteld tijdens de tentoonstelling Over leven en overleven, cultuurveranderingen bij de
poolvolken in 1984 en tijden de tentoonstelling Tegen kou, kleding van de poolbewoners in 1993. Vermelding van de Siberische
collecties zijn te vinden in de publicaties Over leven en overleven, cultuurveranderingen bij de poolvolken, Nooter (ed.), 1984,
en Poolkleding, een tweede huid, Buijs, 1993, en Braving the Cold, Buijs and Oosten (eds.), 1997. Een belangwekkende
negentiende publicatie over de (materiële) cultuur van het Amurgebied in Zuidoost-Siberië moet hier genoemd worden: Von
Schrenck, Reisen und Forschungen im Amurland in den Jahren 1854-57, St.Petersburg 1889.
63
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
- Lapland
De inheemse cultuur van Lapland die in Museum Volkenkunde is vertegenwoordigd, betreft
voornamelijk die van de rendierhoudende Sámi. Er zijn ongeveer 500 objecten van deze
bevolkingsgroep uit Lapland.
De eerste objecten in in deze deelcollectie zijn onder gebracht in de kwantitatief geringe serie 287; het
betrof kleding, een jas en een paar schoenen van de Sámi, verworven middels aankoop van de heer
C. van Doorn in 1881. Een jaar later volgde, op een mes na, opnieuw Sámische kledingin serie 297. In
1884 schenkt Prins Roland Bonaparte het museum een kleine collectie van zo’n dertig objecten
afkomstig uit Lapland (serie 451). Prins Bonaparte vergezelde de Nederlandse arts en antropoloog
Herman ten Kate op een reis naar Lapland. Zij verwierven daar een kleine collectie, die slechts ten
dele in het Leidse museum werd ondergebracht. In 1921 kocht het museum een gevarieerde collectie
aan van Ten Kate, waarin zich o.a. een paar Sámische schoenen bevonden (2012-24), die
vermoedelijk op dezelfde reis werden verzameld. Serie 1020 is de volgende kleine collectie
negentiende eeuwse voorwerpen uit Lapland die in 1894 werd verworven. Soms maakten enkele
losstaande objecten deel uit van grotere schenking objecten uit andere cultuurgebieden, of werden zij
aangekocht op een veiling, zoals bijvoorbeeld een Sámisch lepeltje van rendiergewei (serie 695-45),
messen met schedes (serie1345-105 en 2699-3), een Sámische wieg (3584-1), een Sámische gordel
en doosje voor rendiervlees (in serie 4240), een Sámische muts (4378-1) of een Sámische deken
(4242-1) die in 1967 werd aangekocht van het Tromsö Museum. Pas vanaf 1970 werden voorwerpen
uit Lapland meer systematisch verzameld. Dit gebeurde onder andere via Sámi deskundigen, zoals
mevr. Dr. Nellejet Zorgdrager, die collectionering voor het museum combineerde met haar
onderzoekswerkzaamheden in Lapland. Hierdoor werden enkele wat grotere en buitengewoon goed
gedocumenteerde collecties verworven (series 4934; 4983; 5008; 5044; 5199; 5277; 5316; 5319;
5437; 5453; 5586). Ook de conservator zelf, Gert Nooter, verzamelde meermalen in Scandinavië
(series 4526 , 5079 serie 5903). Na 1990 werden nog slechts enkele kleine collecties of geïsoleerde
stukken verworven, ondermeer door verwerving van de Houtzager collectie (serie 5715), of wederom
enkele keren ook door actieve tussenkomst van mevrouw Nellejet Zorgdrager (serie 5742). Het
zwaartepunt en tevens de kracht van de Sámische collectie is vooral te vinden op het gebied van de
48
hedendaagse Sámische kleding en vervoermiddelen. In 2006 werd de Sámi collectie aangevuld met
hedendaagse kunstnijverheid en zilveren sieraden.
- Alaska en Canada
De deelcollecties afkomstig van Alaskaanse en Canadese Inuit omvatten respectievelijk 200 en 150
objecten. Al direct in serie 1 bevinden zich een honderdtal bijzondere objecten (kleding en jachtgerei)
uit Alaska en de Aleuten. Vooral aan de vroege datum waarop zij zijn verzameld en aan hun inmiddels
oplopende ouderdom ontlenen deze voorwerpen een belangrijke historische waarde. Ook in series die
later in de negentiende en twintigste eeuw zijn verzameld bevinden zich enkele historisch belangrijke
objecten, zoals fraaie kajakmodellen en bijzondere parka’s uit darmenhuiden en vogelhuiden
vervaardigd (series 331, 360,1070 en 4815, 4913, 4926,4935,5405). Voorwerpen van de Canadese
Inuit dateren pas van na 1957 (enkele geïsoleerde oudere stukken buiten beschouwing latend), toen
voor het eerst door het museum een kleine samenhangende collectie met jachtvoorwerpen uit die
49
regio, verzameld door prof. Dr. G. van den Steenhoven, werd verworven (serie 3493). (A-categorie.)
Daarnaast zijn er inmiddels enkele spekstenen sculpturen en Inuit litho’s en steendrukken van
vooraanstaande Canades Inuit kunstenaars aanwezig. Het blijft echter in aantal - ook binnen de
afdeling zelf - een bescheiden collectie.
Vergelijking met andere collecties
Op nationaal niveau
Museum Volkenkunde in Leiden is het enige volkenkundige museum in Nederland dat beschikt over
een collectie afkomstig uit een groot aantal verschillende Arctische regio’s (Groenland, Canada en
Alaska, Siberië en Scandinavië). Vooral dit aspect van regionale spreiding maakt de collectie uniek op
nationaal niveau.
48
Een deel van de Sámische collectie werd tentoongesteld tijdens de tentoonstelling Over leven en overleven,
cultuurveranderingen bij de poolvolken in 1984 en tijden de tentoonstelling Tegen kou, kleding van de poolbewoners in 1993.
Vermelding van de Sámische collecties zijn te vinden in de publicaties Over leven en overleven, cultuurveranderingen bij de
poolvolken, Nooter (ed.), 1984 en Poolkleding een tweede huid, Buijs, 1993 en Braving the Cold, Buijs en Oosten (eds.), 1997.
Daarnaast publiceerde Nellejet Zorgdrager direct of indirect over de Sámische collectie in diverse andere artikelen.
49
G. van den Steenhoven: Leadership And Law Among The Eskimos of the Keewatin District, Northwest Territories. Rijswijk:
Uitgeverij Excelsior, 1962.
64
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Het Museon bezit een collectie van grote betekenis, afkomstig uit (Oost-)Groenland; de Tinbergen
collectie (1932/33), Nooter’s collecties (uit 1965 en 1967/68) en de Artis-collectie uit de
50
achtiende/negentiende eeuw, in totaal circa 1700 objecten. De collectie in Leiden heeft een grotere
historische diepgang door de aanwezigheid van een archeologische collectie uit de zestiendezeventiende eeuw uit West-Groenland, verzameld door de vooraanstaande Deense botanist Morten
Pederson Porsild (1872-1966). Kleine deelcollecties van soms enkele stukken uit Canada, Alaska of
Groenland komen voor in het Groningse Volkenkundige Museum, dat fuseerde met het Universiteits
Museum Groningen. Ook het Amerika Museum in Cuyk beheerde een fraaie kleine collectie van
Canadese Inuit, maar dit museum was in 2005 gedwongen zijn deuren te sluiten. De collectie uit
Cuyk, waaronder een bijzondere verzameling van Canadese Inuit uit omstreeks 1950 (in totaal ruim
600 objecten), werd in 2007 ondergebracht in het Wereldmuseum in Rotterdam. De Siberische
collectie in Volkenkunde is uniek in Nederland. Geen ander museum in Nederland beheert een in
historische diepgang en omvang vergelijkbare collectie . Dit geldt tevens voor de Sámische collectie
uit Lapland.
Op internationaal niveau
- Groenland
In Europa zijn buiten Nederland zijn enkele belangwekkende West- en Oost-Groenlandse collecties
aanwezig, vooral in het National Museum in Kopenhagen en in Nuuk, de hoofdstad van Groenland.
Het Landsmuseum in Nuuk verzamelt naast historische objecten tevens moderne kunst en
gebruiksobjecten uit Groenland. De kleinere regionale musea in Groenland beheren bescheiden
collecties uit de eigen regio. Zo bevindt zich in het Ammassalik Museum in Tasiilaq een kleine OostGroenlandse collectie met o.a. fraaie maskers uit het begin van de twintigste eeuw en moderne
sculptuur uit de regio.
Een omvangrijke en wetenschappelijk belangrijke collectie uit 1933 van Oost-Groenland bevindt zich
in het Musée de l’Homme te Parijs.
Internationaal onderscheiden de Groenlandse collecties van Volkenkunde zich door de grote
continuïteit in collectionering. Zo werd en wordt verzameld van archeologica tot moderne kunst, van
de negentiende eeuw tot op de dag van vandaag. Uit deze brede spreiding binnen de collectie vallen,
als uit geen andere, veranderingen in materiële cultuur te analyseren en exposeren. Dit is –
merkwaardig genoeg – niet of veel minder mogelijk bij de Deense en Franse collecties.
- Siberië
In het buitenland bevinden zich Siberische collecties variërend in aantal van circa 300 voorwerpen tot
circa 3000 stukken in musea in Hamburg, Londen, Oslo en Kopenhagen. De omvang van de collecties
in twee verschillende volkenkundige musea in St. Petersburg is weliswaar niet bekend, duidelijk is wel
dat zij de belangrijkste van Europa zijn.
- Lapland
In de Scandinavische landen zijn grote, bijzondere en oude collecties afkomstig uit Lapland aanwezig,
zoals in de Etnografische Musea in Rovaniemie, Oslo, Göteborg, Stockholm, en Kopenhagen. Begin
eenentwintstigste eeuw zijn in Sápmi (Lapland) ook enkele locale musea actief of actiever geworden
in het bijeenbrengen en behouden van eigen erfgoed. In dit verband zijn zeker het vermelden waard
de Sámiske Samlinger - Sámi Museum in Karasjok (dat naast historisch materiaal ook moderne Sámi
kunst bijeenbrengt) en het Siida Sámi Museum in Inari, Finland. Het verzamelen van modern,
hedendaags materiaal is echter betrekkelijk uniek voor Volkenkunde en wordt niet door al deze musea
ondernomen.
- Alaska en Canada
Grote collecties van Canadese en Alaskaanse Inuit zijn te vinden in de grote musea in Ottawa,
Fairbanks, en Vancouver. Deze Inuit- regio’s in de collectie van het Rijksmuseum voor Volkenkunde
hebben geen rol van betekenis op internationaal niveau.
Collectiekwaliteit en deselectie
De kwaliteit van de Circumpolaire collectie van Museum Volkenkunde kan aanmerkelijk worden
verhoogd door voor de afdeling de lijnen van verzamelen uit het verre en recente verleden te blijven
voortzetten in een actief verzamelbeleid. Groenland, Siberië en Lapland vormen daarbij de regio’s die
– gelet op de al bestaande collecties – bijna als vanzelfsprekend als eerste in aanmerking komen om
50
Met het Museon wordt nauw samengewerkt en afstemming van acquisities vindt plaats.
65
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
door actief verzamelen te worden uitgebreid en te worden versterkt. Gezien de unieke positie die
Museum Volkenkunde in Nederland inneemt op het gebied van collecties uit vrijwel het gehele
poolgebied, is het tevens wenselijk Canada en Alaska bij verzamelactiviteiten niet uit het oog te
verliezen en waar mogelijk ook de collecties uit deze gebieden uit te breiden.
Slechts daar waar collectievreemde, niet-Arctische objecten in de collectie zijn binnengeslopen, wordt
deselectie voorgesteld. Te denken valt bijvoorbeeld aan een Hongaarse of Roemeense jas (116-1),
een paar Russische schoenen (1068-1) en een Russisch vaasje (1462-19), die alle onder de
Siberische collectie werden gebracht, maar daar regionaal gezien niet in thuis horen.
Het is ook mogelijk voorwerpen uit Scandinavië, die niet afkomstig zijn van de Sámi, maar horen in
een Noorse, Zweedse of zelfs IJslandse boerencultuur, te deselecteren (bijv. textiel uit IJsland in serie
360 en enkele objecten uit IJsland [4185-30 en 31] en de Faeröer Eilanden in serie 4480). Een tiental
objecten uit Noorwegen en Zweden kunnen niet worden gedeselecteerd omdat zij integraal onderdeel
uitmaken van de collectie Houtzager (serie 5715).
66
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Literatuur
Boas, F.
1904 The Eskimo of Baffin Land and Hudson Bay; from Notes Collected by Captain George Comer,
Captain James S. Mutch, and Rev. E.J. Peck. Bulletin of the American Museum of Natural
History 15/1:1-370.
Buijs, Cunera
2004 Furs and Fabrics: Transformations, Clothing and Identity in East Greenland. PhD thesis;
Mededelingen van het Rijksmuseum voor Volkenkunde 32. Leiden: Rijksmuseum voor
Volkenkunde and Research School CNWS, School of Asian, African and Amerindian Studies.
Buijs, Cunera & Jarich Oosten
1997 Braving the Cold: Continuity and Change in Arctic Clothing. Leiden: Research School CNWS,
School of Asian, African, and Amerindian Studies.
Fitzhugh W.W. and A. Cromwell, red.
1988 Crossroads of Continents: Cultures of Siberia and Alaska. Washington and London:
Smithsonian Institution Press.
Gustav Holm Samlingen
1985 Genstande insamlet på konebåd-ekspeditionen til Ammassalik 1883-85. Nuuk, København:
Grønlands Landsmuseum, National Museet.
Kaalund, Bodil
1979 Grønlands Kunst. København: Politikens Forlag.
Møbjerg, Tinna, Jens Rosing, Asger Jorn and Gérard Franchesci
[s.a.] Folk Art in Greenland throughout a Thousand Years. Köln: Verlag der Buchhandlung Walther
König.
Nooter, G.
1976 Leadership and Headship; Changing Authority Patterns in an East Greenland Hunting
Community. Leiden: Mededelingen van het Rijksmuseum voor Volkenkunde 20.
1984
1884-1984: a Century of Changes in East Greenland. In: G.W. Nooter, red., Life and Survival
in the Arctic; Cultural Change in the Polar Regions: 121-144. Den Haag: Staatsuitgeverij.
Schrenck, L. von
1881 Reisen und Forschungen im Amurlande in den Jahren 1854-1856. St. Petersburg.
Taksami, Ch. (T.) M.
1968 Features of the Ancient Religious Rites and Tabboos of the Nivkhi (Gilyak). In: V. Diószegi
(ed.), Popular Beliefs and Folklore Tradition. Bloomington: Indiana University Publications, Uralic and
Altaic Series 57.
Thalbitzer, William (ed.)
1914 The Ammassalik Eskimo: Contributions to the Ethnology of the East Greenland Natives. Part
1, Containing the Ethnographical and Anthropological Results of G. Holm's Expedition in
1883-85 and G. Amdrup's Expedition in 1998-1900. Meddelelser om Grønland 39.
Tinbergen, N.
1934 Eskimoland. Rotterdam: D. van Sijn & Zonen.
Zorgdrager, Nellejet
1993 The Enigma of the Women’s Horned Cap: Cultural Change among the Sámi of Finnland,
Norway. In: Buijs, Cunera (ed.), Continuity and Discontinuity in Arctic Cultures: Essays in
honour of Gerti Nooter Curator at the National Museum of Ethnology, 1970-1990; Leiden:
Centre of Non-Western Studies 15:3-29.
67
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel China
Paul van Dongen
Inleiding
Cultuurgebieden
Deze profielschets heeft betrekking op de collectie van de afdeling China van Museum Volkenkunde.
51
Deze afdeling omvat in geografische zin: het vasteland van China en het eiland Taiwan, het huidige
52
Vietnam , en de stadstaat Singapore.
Op het vasteland telt de Volksrepubliek China circa 1,3 miljard inwoners. Van hen vormen de HanChinezen numeriek en cultureel de overheersende meerderheid (93,3 procent). Zij bewonen
voornamelijk de oostelijke helft van het land en dan meer in het bijzonder het vruchtbare laagland in
het oosten en zuiden. Qua oppervlakte is dit gebied ongeveer een derde van het totale Chinese
territorium.
Daarnaast worden door de Chinese overheid op het vasteland nog eens 55 culturele minderheden,
zoals Zhuang, Uygur, Hui, Yi, Tibetanen, Miao, Manchu, Mongolen, Buyi, etc., onderscheiden. Zij
vormen de overige 6,7 procent van de bevolking. Zij wonen voornamelijk in de perifere gebieden van
China, in de meer of minder onherbergzame steppe- of berggebieden in het noordwesten, westen en
zuidwesten.
Op het eiland Taiwan wonen circa 22,5 miljoen inwoners. Van hen zijn 98 procent van Han-Chinese
origine en culturele achtergrond. De overige 2 procent wordt gevormd door de oorspronkelijke
bewoners van het eiland.
Vietnam telt omstreeks 81 miljoen inwoners, waarvan ongeveer 90 procent als etnische Vietnamezen
is te beschouwen. De overige 10 procent van de bevolking bestaat voornamelijk uit etnische
minoriteiten die in meerderheid in de noordwestelijke bergachtige streken woonachtig zijn en vaak hun
oorsprong hebben in een van de aangrenzende landen.
Omvang van de verzameling
Uit tellingen in het collectieregistratiesysteem van Volkenkunde blijkt - op het moment van schrijven
53
van deze profielschets - dat bij de afdeling China ruim 12.500 objecten aanwezig zijn . Het overgrote
deel hiervan is afkomstig uit China/Taiwan. Een relatief klein deel - bijna 800 objecten - is afkomstig uit
de regio Vietnam. Uit Singapore zijn (nog) geen voorwerpen specifiek bij de afdeling China
ondergebracht, omdat deze in het verleden meestal hun weg vonden naar de afdeling Insulair
Zuidoost-Azië.
Evenals bij andere afdelingen het geval is, is ook de exactheid van de genoemde aantallen in zekere
zin maar schijn. Enerzijds zijn soms van een enkel voorwerp alle samenstellende onderdelen
afzonderlijk geteld. Anderzijds zijn soms individuele voorwerpen die als een samenhangende groep
zijn verzameld, slechts als een voorwerp geteld. Toch mag men, ondanks deze “vertellingen”, het
getal van 12.500 als een reële indicatie beschouwen van de omvang van de afdeling China.
Collectiegeschiedenis
Collectiebeschrijving algemeen
De collectie China van Museum Volkenkunde is in het veld van de Nederlandse volkenkundige musea
de grootste verzameling Chinese etnografica.
In haar algemeenheid bevat de collectie etnografica van uiteenlopende aard, kwaliteit en ouderdom.
De meeste voorwerpen dateren uit de Qing periode (1644-1911) – daarbij in meerderheid uit eind
achttiende en de gehele negentiende eeuw – en uit de twintigste eeuw. De objecten uit oudere dan de
51
Met opzet wordt hier gesproken over het vasteland van China en niet over het gebied met (discutabele) politieke
grenzen van de huidige Volksrepubliek China. Daarvan uitgaande zouden ook de uit Tibet afkomstige voorwerpen
moeten worden gerekend tot de afdeling China. Echter, gelet op de duidelijk afwijkende culturele identiteit is deze
regio binnen de structuur van de Sector Onderzoek van het museum op het moment van schrijven van deze
profielschets toebedeeld aan de conservator voor Zuid-Azië.
52
De belangrijkste reden voor het administratief onderbrengen van de uit Vietnam afkomstige voorwerpen bij de afdeling
China is gelegen in het feit dat de regio Vietnam politiek en cultureel eeuwenlang onder sterke Chinese
(Confucianistische) invloed heeft gestaan.
53
Het gaat in deze profielschets expliciet om objecten als materiële getuigenissen van de Chinese cultuur. De
audiovisuele bestanden – foto’s, films, geluidsopnames e.d. – die China en de Chinezen tot onderwerp hebben, zijn
hier geheel buiten beschouwing gelaten. (Hierover zal in een ander collectieprofiel verslag worden gedaan.)
68
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
eerdergenoemde perioden zijn – met uitzondering van de munten - veelal als individuele stukken door
het museum verworven. Dit geldt onder andere voor de relatief kleine collectie archeologica.
In het geval van de objecten uit de Late Qing tijd zijn er een aantal belangwekkende, door individuele
verzamelaars bijeengebrachte, eigentijds vervaardigde en in samenhang verzamelde collecties (J.Th.
Roijer; J. Rhein; J.J.M. de Groot). Het is onder andere in relatie tot enkele van deze oudere collecties
dat de afgelopen decennia verder is verzameld (T.T. Gan; P.L.F. van Dongen).
Historische achtergrond
De eerste directe contacten tussen Nederlanders en Chinezen dateren uit de zeventiende eeuw, toen
in de eerste jaren uit die eeuw handelsmissies van de VOC zich richting (Zuid) China begaven. Vooral
de havenstad Kanton was vanaf het begin en gedurende de daaropvolgende eeuwen een belangrijke
plaats voor (handels)contacten. Kortstondig had de VOC hiervoor ook uitvalsbases op het eiland
Taiwan.
Te Kanton hadden de Nederlanders, evenals vertegenwoordigers van enkele andere toentertijd
vooraanstaande zeevarende Europese landen, een factorij voor de handel met de Chinezen. Via deze
factorij vond de overdracht van vraag en aanbod in bestellingen en goederen plaats. Langs deze weg
- direct of indirect - hebben ook de eerste verzamelaars van Chinese kostbaarheden en "etnografica"
de door hen gewenste objecten besteld en/of verkregen.
Naarmate de (handels)contacten met China in de negentiende en twintigste eeuw intensiever en
agressiever werden, nam ook de belangstelling voor China wereldwijd toe. Bovendien werd het
economisch en politiek verzwakte China in toenemende mate gedwongen havensteden en achterland
open te stellen voor buitenlanders. Dit leidde op den duur weer tot een toename in het aantal kleinere
en grotere verzamelingen van uit China afkomstige objecten van allerlei aard. In overgrote
meerderheid betrof het daarbij voorwerpen uit de kunstnijverheid en uit de sfeer van de (ceramische)
antiquiteiten. Voorwerpen met een hoog kunstzinnig gehalte of etnografica genoten - afgezien van een
enkele connaisseur of wetenschapper - tot ver in de twintigste eeuw veel minder belangstelling. China
werd bovendien gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw geteisterd door (burger)oorlogen,
politieke controverses en instabiliteit. Vanaf 1949 tot omstreeks 1980 was het land daarenboven door
het heersende communistische regime commercieel en cultureel gesloten verklaard voor de ‘boze’
imperialistische en kapitalistische buitenwereld. In de laatste twee decennia van de vorige eeuw is
daar echter geleidelijk verandering gekomen. Inmiddels spreken de handelsgeest en het kapitaal weer
een krachtig woord mee in de ontwikkeling van China. Een van de economische branches die hiervan
sterk meeprofiteert is het toerisme. Door de komst van buitenlanders en hun behoefte aan "souvenirs"
is ook de stroom van antiquiteiten en kunst- en kunstnijverheidsproducten die China verlaat - legaal en
illegaal - sterk toegenomen. Deze ontwikkeling zal - op termijn - ongetwijfeld invloed hebben op de
mogelijkheden voor het museum om voorwerpen in of uit het Chinese cultuurgebied te verwerven.
De vroege verzamelingen
In zekere zin is reeds ver voor het ontstaan van Museum Volkenkunde de kiel gelegd voor de huidige
verzameling van de afdeling China. Een achttiende eeuwse particuliere verzamelaar uit ’sGravenhage, Jean Theodore Roijer (1737-1807), had als amateur sinoloog enige honderden uit China
afkomstige voorwerpen verzameld. Deze waren geheel in de geest van zijn tijd als `rariteijte'
ondergebracht in een `kabinet van zeldzaamheden'.
Toen eind 1814 zijn weduwe overleed, legateerde zij overeenkomstig de wens van haar man zijn
verzamelingen aan “hem, die uit het Oranjehuis het eerst weder den Nederlandschen grond betreden
zou”. Zo kwamen de voorwerpen ter beschikking van `onsen Geliefde Souverijn’, de latere koning
Willem I, die op zijn beurt met Roijer’s collectie het Kabinet van Chinese Zeldzaamheden oprichtte.
In 1821 wordt de collectie Roijer samengevoegd met andere verzamelingen en - tot de opheffing in
1883 - ondergebracht in het Haagse Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. In dat jaar wordt besloten
alle niet vaderlandse `zeldzaamheden' van het Kabinet over te hevelen naar 's Rijks Ethnographisch
Museum, thans het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden. Alle voorwerpen uit die overdracht van
1883 – waaronder dus ook de collectie Roijer en andere voorwerpen uit China (circa 1400 nummers) zijn in het museum administratief ondergebracht onder serie 360.
In de decennia voorafgaande aan de opsplitsing van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden vond
te Leiden de oprichting en de groei plaats van een etnografisch museum. Initiatiefnemer hiervan was
de van oorsprong Duitse arts Philipp Franz von Siebold (1796-1866). Von Siebold, die van 1823 tot
1829 op en rond de Nederlandse factorij te Deshima (Nagasaki) in Japan verbleef en verzamelde,
gebruikte hiervoor zijn eigen verzameling (circa 5000 nummers) als basis. Slechts een klein deel
69
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
daarvan is in oorsprong afkomstig uit China. Het betreft naast ruim twintig schilderijen, enkele
stempels en schrijfbenodigdheden, en bijna 400 munten (serie 1).
Onder Von Siebold en zijn eerste opvolgers – Conradus Leemans en aansluitend Lindor Serrurier - als
54
beheerders van de te Leiden voor publiek toegankelijke etnografische collecties , groeide de totale
verzameling gestaag en gaf ook de “Chineesche afdeeling” noemenswaardige uitbreiding te zien.
Vooral Lindor Serrurier, betoonde zich daarbij een zeer actief bedelaar. Hij schroomde bijvoorbeeld
niet om Nederlanders en Nederlandse vertegenwoordigingen in den vreemde te vragen in het land
van verblijf of vestiging voor het museum etnografica te verzamelen, zomogelijk voor een minimum
aan kosten of - beter nog - geheel kosteloos. Een van degenen die hij voor zijn museale karretje
trachtte te spannen, was de Nederlandse sinoloog Dr. J.J.M. de Groot (1854-1921), die in de jaren
1886-1890 in de Zuid-Chinese havenstad Xiamen (Amoy) verbleef en daar veldwerk verrichtte.
Hoewel tussen Serrurier en deze J.J.M. de Groot in later jaren een sterke incompabilité d’humeur is
ontstaan, is het juist De Groot geweest die op het eind van de negentiende eeuw een omvangrijke en
inhoudelijk zeer belangrijke richtinggevende bijdrage heeft geleverd aan de uitbreiding van de afdeling
China. Het betreft in hoofdzaak objecten die op de een of andere wijze een rol speelden in bepaalde
religieuze gebruiken (godenbeelden), "rites de passage" (huwelijk en overlijden) en mogelijk daarmee
samenhangende theateroptredens (marionetten, handpoppen, muziekinstrumenten e.d.).
De door hem te Xiamen en omgeving verzamelde voorwerpen zijn terug te vinden in tal van series
(518, 962, 971, 981, 1049, 1079, 1090, 1092, 1738 en 1743; in totaal ruim bijna 800 objecten)
Andere series die in de negentiende eeuw door het museum zijn verworven, die een plaats hebben
binnen de huidige afdeling China en die door hun aard, omvang of herkomst van enig belang mogen
worden geacht, zijn:
- Serie 328 (1882) aankoop op veiling: tekeningen op “mergpapier”
- Serie 611, en later nog de series 670, 737 en 763 (tussen 1887 en 1890) met door J. Rhein te
Peking verzamelde voorwerpen: voornamelijk theaterpoppen, theaterattributen,
muziekinstrumenten en kinderspeelgoed;
- Series 750, 752 en 759, aankopen op de Wereldtentoonstelling te Parijs (1889): Vietnamese
etnografica;
Van de nà 1900 verworven series met een zeker belang dienen te worden genoemd:
- Series 1338, 1339, 1344 en 1345, aankopen H. Frühstroffer (1901-’02): Vietnamese
etnografica;
- Serie 1905 aankoop F.W. Westerman (1914): o.a. ceramiek, bronzen, dagelijks leven, textilia,
schilderijen;
- Serie 1990 munten (572 nummers) aangekocht bij de firma E.J. Brill (1920);
- Serie 3436 schenking Baron E. von der Heidt (1957): antiquiteiten;
- Serie 3600 overdracht Koninklijke Militaire Academie (1959): etnografica;
- Serie 4091, 4092 en 4163 veldreizen T.T. Gan (1964-’65): etnografica;
- Serie 5374, 5450 en 5836 veldreizen P.L.F. van Dongen (1984,’86 en ’95): etnografica;
- Serie 5566 aankoop Musée Kwok-on (1989): schaduwpoppen;
- Serie 5743 en 5805 aankopen C. Schuurer (1993 en ’95): religieuze objecten van de Yao.
Collectiekwaliteit
Bij het beoordelen van de kwaliteit van de Chinese collectie van Volkenkunde kunnen een aantal
verschillende uitgangspunten worden genomen, e.g. de aard van het materiaal, het thematisch
verband of de verhouding tot de aard en omvang van Chinese collecties elders in NL of daarbuiten.
Zo moge het bijvoorbeeld duidelijk zijn dat de kracht van de Chinese verzameling grotendeels
gebaseerd is op het etnografisch karakter daarvan en dat zij in aard en omvang zowel in Nederland en
Europa als representatief mag worden beschouwd. Dit geldt vooral voor de materiële getuigenissen uit
het dagelijks leven van het traditionele China gedurende de achttiende - negentiende eeuw en de
moderne periode tot ongeveer na het einde van het tijdperk Mao Zedong in de 20e eeuw.
54
In de loop van de eeuw veranderde de samenstelling van de totale collectie in rap tempo en gingen naast de
voorwerpen uit Japan ook voorwerpen uit andere gebiedsdelen – vooral Nederlands Indië – deel uitmaken van een
groter en sterk groeiend geheel. Dit leidde tot een aantal andere veranderingen, zoals bijvoorbeeld de
naamaanduidingen: Japansch Museum (1847), Rijks Japansch Museum (1859), Rijks Ethnographisch Museum
(1862), Rijksmuseum van Ethnographie (1931) en Rijksmuseum voor Volkenkunde (1935).
70
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Hierbij zijn enkele door individuele verzamelaars bijeengebrachte collecties, zoals die van J.T. Roijer,
J. Rhein en J.J.M. de Groot niet alleen als 'ensembles' van belang (vgl. ook de collectie Von Siebold),
maar zijn zij dit ook uit oogpunt van nationale erfgoedwaarde, omdat zij nauw zijn verbonden met
personen of instellingen van cultuurhistorische betekenis. De verzamelingen van de sinoloog J.J.M. de
Groot bijvoorbeeld, vormen een belangrijke ondersteuning en visuele representatie van zijn
monumentale academische studies over de traditionele systemen van geloof en religieuze gebruiken
in China.
Ten aanzien van laatstgenoemde aspecten valt binnen de Chinese collectie in meer algemenere zin
het grote aantal voorwerpen op dat een primaire of secundaire rol heeft gespeeld in de religieuze
belevingswereld van de Chinezen. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld de deelcollecties
rouwetnografica en godenbeelden, die qua aard en omvang van meer dan nationaal belang zijn.
Voegt men hier nog de deelcollecties muziekinstrumenten en theaterpoppen aan toe – zij zijn
verzameld in relatie tot de geloofsbelevingen van de Chinezen, maar kunnen ook in ander en geheel
eigen verband worden beschouwd – dan neemt het belang van het totaal nog verder toe. Op het
terrein van de religie(s) van de Chinezen en de manieren waarop zij in materiële zin uiting geven aan
hun ideeën zou derhalve een voortzetting van het verzamelbeleid dienstig zijn.
Naar de aard van het materiaal en qua aantal nemen ook de ceramiek- en papiercollecties een
belangrijke plaats in binnen de collectie China. Daarmee is niet gezegd dat de kwaliteit evenredig is
met de omvang. Ofschoon de ceramiekcollectie soms goede voorbeelden bevat van bepaalde vormen
Chinees aardewerk, steengoed of porselein zoals die in de loop van vele eeuwen zijn ontwikkeld, zijn
er nog te veel lacunes om bijvoorbeeld in een vaste opstelling een goed totaaloverzicht te kunnen
geven van de ontwikkeling van de Chinese ceramiek. Ofschoon dit wenselijk zou kunnen zijn – en ook
mogelijk – zijn in Nederland meer musea op dit terrein actief (o.a. het Groninger Museum en het
Keramiekmuseum Princessehof te Leeuwarden).
Voor de papiercollectie – circa 2500 schilderingen, posters, prenten, knipsels en rubbings – geldt ook
het belang van de omvang en van de kwaliteit van individuele objecten of een enkele deelcollectie,
zoals bijvoorbeeld de posters. Hier is gezien de vroegere en huidige productie in China en de
ontwikkelingen in de moderne schilderkunst verwerving slechts in incidentele gevallen mogelijk en ook
wenselijk. Het geheel te willen bestrijken is financieel onbetaalbaar – tenzij het om volkskunst gaat en praktisch niet mogelijk, want er is te veel en er zijn teveel individuele ontwikkelingen.
De numismatische collectie is omvangrijk te noemen ( > 1200 items). Een beoordeling op basis van
een relatief grote en redelijk beschreven deelcollectie (serie 1990; 574 objecten) doet vermoeden dat
hierbij sprake is van een brede, representatieve spreiding door de eeuwen heen. Desalniettemin zou
gericht en gespecialiseerd onderzoek op dit collectieonderdeel wenselijk zijn om het werkelijke
wetenschappelijke en museale belang vast te stellen. Geldelijk van minder of geen 'waarde', maar
daarom niet minder interessant en zeker ook van een behoorlijke omvang is de collectie offergeld. Dit
'nepgeld' is vooral in zijn uiterlijke diversiteit en kwaliteit en door de achterliggende ideeën bij het
gebruik ervan de moeite van een goede inventarisatie en studie waard.
Kijkende naar de verhouding tot andere (volkenkundige) musea in Nederland, is ook de collectie
alledaagse Chinese gebruiksvoorwerpen zonder meer als groot te betitelen. Hoewel zij door hun aard
vaak niet erg spectaculair ogen, vormen zij gezamenlijk toch een belangrijke bron voor onderzoek en
presentatie. Hier zal wellicht op langere termijn het belang groeien naarmate die objecten in China zelf
uit het dagelijks gebruik verdwijnen en worden vervangen door moderne (Westerse) producten. Het
verzamelbeleid m.b.t. deze voorwerpen kan en moet onverminderd worden voortgezet.
Zeer beperkt in aantal, maar desalniettemin aanwezig en ten dele door de marktwerking zeer kostbaar
geworden, zijn een aantal objecten van vooraanstaande individuele Chinese kunstenaars – in het
bijzonder schilderijen – en een aantal objecten die door hun aard en/of intrinsieke schoonheid als
kunstobjecten kunnen worden aangemerkt.
Een aparte groep voorwerpen binnen de afdeling China wordt gevormd door de Vietnamese
voorwerpen. Ofschoon Vietnam geografisch binnen de museale regio Zuidoost-Azië Vasteland valt, is
begin jaren 1990 binnen het museum besloten dat de sterke culturele en politieke banden die
eeuwenlang tussen China en Vietnam hebben bestaan, voldoende reden waren de museale
71
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
55
verantwoordelijkheid voor objecten uit Vietnam toe te bedelen aan de conservator China . In totaal
zijn thans circa 900 objecten met de cultuuraanduiding Vietnamees bij de afdeling China
ondergebracht. In meerderheid dateren deze objecten uit de late negentiende eeuw en door het
ontbreken van latere substantiële toevoegingen vormen zij inmiddels een betrekkelijk geïsoleerde
56
groep voorwerpen. Wel bevat de Vietnam collectie enkele ceramische topstukken , die in samenhang
met andere ceramiek uit de
Zuidoost-Aziatische collecties in het museum (Annam, Sawankhalok) bezien kunnen worden, mede in
het licht van de invloedsfeer en het uitstralingsgebied van de productiecentra van Chinees keramiek.
Vergelijking met andere collecties
Nationaal
Al eerder is gemeld dat de collectie China van Volkenkunde volgens de laatste telling circa 12.500
voorwerpen bevat en dat deze deelverzameling daarmee in het veld van de Nederlandse
volkenkundige musea als de grootste mag worden beschouwd.
Maar Volkenkunde is niet het enige museum in Nederland met een collectie Chinese objecten. Op
volkenkundig terrein bezitten ook het Tropenmuseum te Amsterdam en het Wereldmuseum te
Rotterdam substantiële collecties. Het Rijksmuseum te Amsterdam is eveneens de gelukkige bezitter
57
van "oude" Chinese etnografica en kunstvoorwerpen . Er zijn daarnaast in Nederland ook een aantal
andersoortige musea met omvangrijke en belangwekkende Chinese deelcollecties – het Nationaal
Keramiekmuseum Het Princessehof te Leeuwarden, het Groninger Museum en het Haagsch
Gemeentemuseum – waar eigen gekwalificeerde medewerkers zorg dragen voor het
wetenschappelijke beheer en de ontsluiting van hun Chinese verzamelingen. Hierbij moet evenwel
worden aangetekend deze Chinese collecties voornamelijk of uitsluitend bestaan uit Chinese
ceramiek.
Van belang met betrekking tot de Chinese collectie van Volkenkunde in het Nederlandse museale
bestel is voorts dat op dit moment het Leidse museum het enige volkenkundige museum is met een
aanstelling voor een conservator voor het omvangrijke Chinese cultuurgebied met zijn lange, rijke en
belangwekkende historie en - het zij hier even terzijde vermeld - met ruim eenvijfde van de
wereldbevolking.
Internationaal
Een vergelijking van de Chinese collectie van Volkenkunde met die van gelijkaardige musea in de ons
omringende landen is niet eenvoudig te maken. Hiervoor ontbreken te veel gegevens. Slechts in
algemene zin bestaat de indruk dat de Chinese collectie van het Rijksmuseum voor Volkenkunde door
haar ouderdom, omvang en brede samenstelling - met uiteraard relatieve plus- en minpunten - zich
redelijk kan meten met collecties Chinese etnografica elders in West-Europa.
Wordt de vergelijking gemaakt met die musea waar men zich hoofdzakelijk richtte en richt op Chinese
kunstvoorwerpen en antiquiteiten, dan is de collectie van Volkenkunde als zeer bescheiden te
kenmerken.
Prioriteiten
Bovenstaand zijn min of meer tussen de regels door al collectieprioriteiten voor de afdeling China
aangegeven.
Kort herhaald komt het neer op de onderstaande mogelijkheden:
- Sterk en actief te versterken: de etnografica m.b.t. het dagelijks leven, de theaterwereld en de
religieuze belevingen van de Chinezen.
55
Dezelfde herschikking uit begin jaren 90 heeft er ook toe geleid dat alle Tibetaanse objecten onder de museale
verantwoordelijkheid van de toenmalige conservator Centraal- en Zuidwest-Azië, Drs. R. Munneke, werden geplaatst.
Met zijn vertrek in 2000 is die verantwoordelijkheid overgenomen door de conservator voor het Vasteland Zuid- en
Zuidoost-Azië.
56
Onder andere de diepe schaal met vogel (RMV 3760-2) en enkele kalkpotten.
57
De "oude" etnografica zijn voor een groot gedeelte afkomstig uit het in 1883 opgeheven Koninklijk Kabinet van
Zeldzaamheden en meer in het bijzonder uit de voormalige collectie J.Th. Royer. Het lijkt er op dat toentertijd de
"mooie" en kostbare voorwerpen naar Amsterdam zijn gebracht en de "rest" naar Leiden. De Chinese
kunstvoorwerpen in het Rijksmuseum zijn voor het overgrote deel eigendom van de Vereniging van Vrienden der Oost
Aziatische Kunst.
72
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
-
Niet sterk maar wel reactief te verbeteren: de ceramiek- en papiercollecties; diverse groepen van
objecten uit de sfeer van kunst en kunstnijverheid
Sterk of zwak en vooralsnog – op incidenteel voorkomende individuele aanbiedingen na –
ongewijzigd zo te behouden: De Vietnamese collectie en de numismatische collectie.
Niet sterk en afstootbaar: individuele items, o.a. in de ceramiekcollectie.
Collectiekwaliteit
Volkenkunde bezit verreweg de grootste collectie Chinese etnografica van Nederland en bestrijkt de
periode van van de achttiende eeuw tot ongeveer na het einde van het tijdperk Mao Zedong in de
twintigste eeuw. De collectie mag qua aard en omvang ook in een vergelijking met (volkenkundige)
musea uit ons omringende landen als representatief worden beschouwd. Aanzienlijk en
belangwekkend zijn de objecten die direct of indirect verband houdt met de religieuze leefwereld van
de Chinezen.
Een aantal door individuele verzamelaars bijeengebrachte collecties, zoals die van Roijer, Rhein en
De Groot, zijn niet alleen als 'ensembles' van belang (vgl. ook de collectie Von Siebold), maar zijn dit
ook vanuit het oogpunt van nationale erfgoedwaarde, omdat zij nauw zijn verbonden met personen of
instellingen van cultuurhistorische betekenis.
Collectievorming en onderzoek richten zich op de thematische en wetenschapshistorische
zwaartepunten.
Naast uitbreiding van de bestaande collectie door middel van het actief en doelgericht verzamelen of
door re-actieve verwerving, kan ook gedacht worden aan eventuele afstoting van individuele objecten
of deelverzameling(en) die elders in museaal verband beter tot hun recht zouden kunnen komen.
Hierbij zal echter zeer grote terughoudendheid (moeten) worden betracht. Indien voor de Chinese
collectie in de toekomst al sprake zal zijn van afstoting, dan zal dat voorlopig uitsluitend betrekking
kunnen hebben op individuele voorwerpen met zowel een in allerlei opzichten beperkte kwaliteit als
een (vrijwel) geheel ontbrekende samenhang met een groter Chinees volkenkundig kader. In de
ceramiek en kunst(nijverheid)collecties, bevinden zich een aantal van dergelijk objecten die mogelijk in
aanmerking kunnen komen om te worden afgestoten.
In het kader van eventuele overdracht c.q. afstoting van voorwerpen of deelcollecties is vanuit externe
expertise de suggestie geopperd ook de omvangrijke numismatische collectie in aanmerking te laten
komen voor overdracht aan een ander Nederlands museum: het Rijksmuseum Het Koninklijk
Penningkabinet. Dit voormalig Leidse museum is echter opgegaan in het grotere verband van het
Geldmuseum te Utrecht. De achterliggende gedachte vóór deze voorgestelde overdracht is dat
numismatiek een specialistisch vakgebied is. De vraag rijst dan ook of (afgezien van het onderdeel
offergeld en bestanddelen behorend tot de eerder als 'ensembles' gekenmerkte vroegste
verzamelingen zoals die van Roijer, Cock Blomhoff, Overmeer Fisscher en Von Siebold) deze collectie
ten behoeve van beheer, presentatie en bestudering niet beter op zijn plaats zou kunnen zijn in het
nieuwe Geldmuseum. Echter: zonder eerst een uitgebreide bestudering van de gehele numismatische
collectie – die uiteraard specialistische kennis(verwerving) vergt – kan op geen enkele wijze een
verantwoorde mening worden gevormd over het werkelijke belang ervan binnen de Chinese
verzameling als geheel. Zolang deze bestudering niet heeft plaatsgevonden, is overdracht aan een
andere museale (rijks)instelling(en) daarom een premature en (nog) niet wenselijke gedachte.
Literatuur
Campen, Jan van
2000 De Haagse jurist Jean Theodore Royer (1737-1807) en zijn verzameling Chinese
voorwerpen”. Hilversum.
Dongen, P.L.F. van, M. Forrer en W.R. van Gulik
1987 Topstukken uit het Rijksmuseum voor Volkenkunde (Masterpieces of the National Museum of
Ethnology). Leiden: Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Dongen, P.L.F. van
1995 Sensitive Plates: Nineteen Chinese Paintings on Glass from the End of the Eighteenth
Century. Archiv für Völkerkunde 49: 71 - 110.
73
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Effert, R.A.H.D.
2003 Volkenkundig Verzamelen: het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden en Het Rijks
Ethnografisch Museum 1816-1883.” Dissertatie Leiden.
Wengen, G.D. van
2002 Wat is er te doen in Volkenkunde?: de bewogen geschiedenis van het Rijksmuseum voor
Volkenkunde Leiden”. Leiden, Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Werblowsky, R.J. Zwi
2004 Dieux de Chine : le panthéon populaire du Fujian de JJM de Groot. Lyon.
74
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel Korea
Ken Vos
Geografische definitie en historische achtergrond
Het cultuurgebied Korea omvat de beide Koreaanse staten, de Democratische Volksrepubliek Korea
en de Republiek Korea en die gebieden in Noordwest-China en de Russische Federatie die aan Korea
grenzen. De beide Koreaanse staten omvatten hetzelfde gebied als het koninkrijk Chosǒn van 1392
t/m 1910.
Collectiegeschiedenis
De Koreaanse verzameling is de oudste ter wereld buiten Korea, doch relatief klein (circa 940 stuks en
chronologisch onevenwichtig opgebouwd. Zo is tussen 1905 en 1950 bijna niets verworven. Daarvoor
kunnen twee redenen worden aangedragen. De directe contacten tussen Nederland en Korea zijn tot
de jaren vijftig nooit structureel geweest en tot in het recente verleden heeft het aan kennis over dit
gebied ontbroken. Van 1392 tot 1876 voerde de Koreaanse overheid een beleid van actieve isolatie,
waarbij ook contacten met de buurlanden sterk ingeperkt en gereguleerd waren. Desondanks is door
de vroege verwerving de collectie een van de grotere en belangrijke in Europa. De vroegste collectieonderdelen, voornamelijk J. Cock Blomhoff (slechts enkele voorwerpen) en Siebold, series 360 en 1,
oorspronkelijk in totaal circa 80 objecten) zijn het resultaat van individuele ontmoetingen van deze
verzamelaars met naar Nagasaki overgebrachte gestrande Koreanen. Een meer uitgebreide
beschrijving van één ontmoeting in 1828 is te vinden in Siebold’s Nippon. Enkele van deze objecten
zijn ook in ditzelfde werk afgebeeld. Door de aard van de verzamellocatie en de situatie van de
Koreanen als schipbreukelingen, een gasthuis van de daimyō van Tsushima te Nagasaki, zijn
voornamelijk kleine, persoonlijke gebruiksvoorwerpen en kledingstukken verworven. Siebold heeft
echter ook nog ter plekke enkele schilderingen laten maken die door hun signatuur met de toevoeging
“Chosǒn” als daar gemaakt te herkennen zijn.
Pas vanaf 1883 werden nog enige interessante groepen Koreaanse objecten verworven (1883: serie
412 via T.P. Li 11 objecten; 1885: serie 520 via J. Rhein 51 objecten, 1888; serie 666 via F. Kraus 229
objecten; 1888: serie 679, via het Rijksherbarium 36 objecten; 1888: serie 681 via J. Rhein 11
objecten; 1895: serie 1070, via O. Hertz 83 objecten). Van deze series valt serie 666 op door haar
hoge kwaliteit, te verklaren uit het feit dat F. Kraus, als adviseur aan de Koreaanse munt, contacten
had aan het Koreaanse hof. Deze collectie is naast enkele stukken t/m serie 681 in vogelvlucht
beschreven door J.D.E. Schmeltz in “Die Sammlungen aus Korea im ethnographischen
Reichsmuseum zu Leiden” in Internationales Archiv fúr Ethnographie Vol. IV, Leiden 1891. Als we
diens beperkte kennis van en gebrekkige verwijzingen naar de sociale context (uit de tweede hand op
basis van onbetrouwbare bronnen) buiten beschouwing laten, bevat dit artikel nuttige fysieke
beschrijvingen van objecten.
Serie 666 bevat enkele unieke stukken die elders niet vertegenwoordigd zijn, zoals een volledige set
officiersattributen, maar ook enkele fraaie schilderingen. In dezelfde serie zijn ook goede voorbeelden
van Koreaans lak- en smeedwerk te vinden. Belangrijke stukken voor visuele informatie vormen de
genreschilderingen van series 679 en 681, hoewel vergelijkbare en soms betere stukken in andere
Europese en Amerikaanse verzamelingen aanwezig zijn. Daarnaast zijn de religieuze schilderingen in
series 520 en 666 van groot belang. Een belangrijk stuk in serie 1070 is de bovenkant van een
changsŭng (markeringspaal).
Gedurende de periode van de Japanse annexatie (1910-1945) zijn slechts enkele, meest
onbelangrijke Koreaanse stukken verworven. Een opvallende uitzondering is een achttiende-eeuwse
porseleinen vaas (2135-1). Pas vanaf de jaren 1960 worden weer enkele belangwekkende series
toegevoegd (onder meer in 1963: serie 3910, via J. Langewis 64 objecten; in 1976: serie 4852, via
Zuid-Koreaanse regering 39 objecten). Dit zijn meest negentiende eeuwse en vroeg twintigste eeuwse
gebruiksvoorwerpen die onder andere goede voorbeelden van Koreaans lakwerk, houtbewerking en
metaalwerk omvatten.
Vanaf 1985 is de verwerving van Koreaanse objecten versneld ter hand genomen met in totaal meer
dan 180 aanschaffingen tot 2004. De nadruk bij deze verwervingen kwam te liggen bij rituele
voorwerpen en in iets mindere mate toegepaste kunst. Ook werd een kleine hoeveelheid schilderingen
aangeschaft.
75
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectie-onderdelen en kwaliteit
De collectie is hier ingedeeld naar verwerving t.o.v. de Koreaanse geschiedenis, aangezien deze de
verzamelomstandigheden het best weergeeft. De te onderscheiden tijdvakken zijn: I Tot 1910 (circa
500 verwervingen); II Periode van Japanse annexatie, 1910-1945 (circa 20 verwervingen), en III
Periode na 1945 (circa 420 verwervingen). Vanwege 41 niet-geïdentificeerde inventarisnummers zijn
de aantallen benaderingen. Vrijwel alle stukken stammen uit de Chosǒn (1392-1910) en de moderne
tijd, behoudens enkele stukken keramiek uit de Koryǒ (918-1392).
De belangrijkste collectie-onderdelen zijn naar hoofdmateriaal en -techniek: lakwerk (alle dragers)(94
nummers), keramiek (50), schilderingen en kalligrafieën (99), drukwerk (20), metaal (145), textiel, leer,
haar (excl. schilderingen)(201), hout, bamboe, stro, riet (187), papier (excl. schilderingen,
drukwerk)(53), steen (12), ander natuurlijk materiaal (19) en synthetisch materiaal (24). Het gaat in het
totaal om 904 nummers, waarbij een aantal nummers meerdere voorwerpen bevat.
Goed vertegenwoordigd zijn in de verzameling de onderdelen lakwerk, metaal en hout. Zwak zijn de
onderdelen keramiek, drukwerk en steen. Voor de schilderingen en kalligrafieën dient opgemerkt te
worden dat er stilistisch een onevenwichtige spreiding is.
De discrepantie met het totale aantal van circa 949 nummers kan worden verklaard uit uitschrijvingen
en vermissingen waarvan het materiaal niet kan worden geconstateerd.
Verdeling naar sociale context: kunstvoorwerpen (exclusief toegepaste kunst) (22
nummers), gebruiksvoorwerpen (734) en religieuze objecten (193).
Vergelijking met andere Nederlandse musea
Voor zover bekend, is in Nederland slechts één ander museum dat enkele tientallen, deels
belangwekkende, Koreaanse voorwerpen bezit uit Koryǒ (918-1392) en de late Chosǒn (1750-1910):
het Rijksmuseum te Amsterdam. Vijftien stuks keramiek zijn in de collectie van het Haags
Gemeentemuseum opgenomen. In het Princessehof te Leeuwarden bevindt zich een tiental stuks
Koreaanse keramiek. Voorts bezit het Kröller-Müller Museum een tweetal stenen beelden uit de
Chosǒn-periode. Tenslotte heeft het Scheepvaartmuseum te Amsterdam één schildering.
Vergelijking met musea internationaal
Er zijn in Europa slechts enkele musea met vooral op kunstgebied belangrijke verzamelingen: British
Museum, Victoria & Albert Museum, Musée Guimet, Museum für Ostasiatische Kunst in Keulen en het
Museum voor Oost-Aziatische Oudheden te Stockholm. Deze verzamelingen zijn echter alle van latere
verwervingsdatum en vaak eenzijdig samengesteld, aangezien het meestal keramiek betreft.
Antropologisch gezien zijn de verzamelingen in de volkenkundige musea te Hamburg (de grootste in
Europa exclusief Rusland), Berlijn, Leipzig, München en Kopenhagen van enig belang. De
voornaamste Koreaanse collecties buiten Korea bevinden zich in Japan (vooral Tokyo, Kyoto en
Osaka) en in veel mindere mate in de V.S. (Washington, New York City, San Francisco, Los Angeles,
Birmingham, AL). De Koreaanse verzameling in Leiden heeft de oudste verwervingsgeschiedenis en
is redelijk sterk qua gebruiksvoorwerpen. Naar hedendaagse Koreaanse kunsthistorische en
antropologisch museale maatstaven heeft de collectie van Museum Volkenkunde, op enkele
belangrijke stukken na, vooral historische betekenis. Museum Volkenkunde beheert, voor zover
bekend, na het volkenkundig museum te Hamburg de grootste verzameling Koreaanse objecten in
West- en Centraal-Europa.
Collectiekwaliteit en deselectie
De Koreaanse collectie van Museum Volkenkunde is zowel vanwege haar omvang als de vroege
verzamelgeschiedenis in international opzicht belangwekkend. De laatste jaren is het
verwervingsbeleid gericht op hiaten in de verzameling en behoeften voor tentoonstellingen. De nadruk
is daarbij gelegd op traditionele, d.w.z. negentiende eeuws of vroeger, elementen en vormen in
gebruiksvoorwerpen, religieuze en rituele objecten. Op dit moment komen geen objecten uit de Koreacollectie voor afstoting in aanmerking.
Literatuur
Kodae Minjok Munhwa Yǒn'guso (red.)
76
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
1980
Han'guk minsok taegam 2. Ilsang saenghwal, ǔishikchu: 172-3. Kodae Minjok Munhwa
Yǒn'guso, Seoul.
Schmeltz, J.D.E.
1891 Die Sammlungen aus Korea im ethnographischen Reichsmuseum zu Leiden. Internationales
Archiv für Ethnographie Vol. 4:45-65, 105-38.
Siebold, Philipp Franz von
1832-54 Nippon: Archiv zur Beschreibung von Japan und dessen Neben- und Schützländern,
l. VII: 153-61, Leiden.
The Korea Foundation (red.)
1992 Han'guk munhwajae. Yurǒp pakmulgwan sojang: 9-20. Seoul: The Korea Foundation.
Vos, K.
1987 Officiersmantel met helm. In: Dongen, P.L.F. van et al, red., Topstukken uit het Rijksmuseum
voor Volkenkunde: 50-1. Leiden: Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Vos, K.
2003 Toevallige aanwinsten: vroege Koreaanse collecties, Vol. 1 (digitale publicatie op internet,
Eng/NL-talig, Rijksmuseum voor Volkenkunde)
Walraven, Boudewijn C.A.
1983 Korean Genre Paintings in the Netherlands and Around the World. In: Korean National
Commission for UNESCO, red., Korean Painting: 67-81. Seoul: Si-sa-yong-sa Publishers, Inc.
77
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectieprofiel Japan 58
Matthi Forrer, Conservator Japanse Kunst
Ken Vos, Conservator Japan/Korea
Inleiding
Geografische omschrijving
De Afdeling Japan omvat:
het eilandenrijk – het huidige Keizerrijk - Japan (vier hoofdeilanden en talloze kleinere eilanden,
waaronder de prefectuur Okinawa (het vroegere zelfstandige Koninkrijk Ryūkyū).
Cultuurgebieden
Naast de Japanse cultuur onderscheidt men die van de Ainu op het eiland Hokkaidō als een
afzonderlijke cultuur en, in zekere zin ook die van Ryūkyū.
Omvang van de verzameling
De huidige omvang van de verzameling Japan is 37.520 voorwerpen. De exactheid van dit aantal is
echter maar schijn: deels zijn prenten triptieken als drie voorwerpen geteld, terwijl grote aantallen
schilderingen die in een album werden verzameld bijvoorbeeld als een voorwerp zijn geteld. Eén
model van een keuken met toebehoren uit de verzameling van Blomhoff bestaat weer uit meer dan
honderd onderdelen, alle afzonderlijk geteld.
Het aantal prenten is ongeveer 8000, schilderingen 3000, boeken rond 900 titels waarvan sommige in
80 of zelfs 90 banden. De drie vroege verzamelingen van Blomhoff, Fisscher en Siebold omvatten bij
elkaar rond de 8000 voorwerpen. Alles bij elkaar zal rond 80% van de verzameling uit de Edo-Periode
(1600-1868) stammen, mogelijk zelfs meer.
Op grond van het verzamelbeleid en de historische groei van de collecties is het hier beschreven
collectieprofiel beperkt tot het eilandenrijk Japan.
Geschiedenis van de collectie
De vroege verzamelingen
Naast de kleine groep Japanse voorwerpen in de Roijer-collectie waarmee het Koninklijk Kabinet
van Zeldzaamheden in 1816 begon, krijgen de Japan-verzamelingen van het latere Museum
Volkenkunde serieuze omvang met drie belangrijke verzamelingen die in de eerste helft van de
negentiende eeuw werden aangekocht. Dit was immers de tijd waarin Nederland nog als enige
westerse natie vanaf het eilandje Deshima in de Baai van Nagasaki handelscontacten met Japan
onderhield. Deze verzamelingen zijn die van Jan Cock Blomhoff, op Deshima van 1817 tot 1823
(aankoop 1826, circa 1600 voorwerpen) en die van circa 1200 voorwerpen van Johannes Frederik van
Overmeer Fisscher, op Deshima van 1820 tot 1829 (aankoop 1832). Als derde geldt de verzameling
van Philipp Franz von Siebold (circa 5000 nummers), op en rond Deshima van 1823 tot 1829
(aankoop 1831-38). Deze drie grote verzamelingen leggen een duidelijke basis voor de unieke Japanverzameling van het Museum Volkenkunde.
Met deze drie collecties beheert het Museum Volkenkunde een brede Japan-verzameling, deels
bestaand uit nieuw gemaakte en als nieuw gekochte voorwerpen, deels reeds gebruikte voorwerpen
van vroeger datum. Beide groepen dateren globaal uit de Bunka-Bunsei Perioden (1804-30) – met
een klein percentage voorwerpen van nog vroeger datum. Deze verzamelingen hebben betrekking op
alle denkbare aspecten van de Japanse cultuur en omvatten voorwerpen uiteenlopend van kleding,
schoeisel en accessoires tot toiletartikelen, huisraad, schrijfdozen en schrijfgerei, maar ook modellen
van huizen, tempels, boten en schepen, tot aan de gereedschappen van verschillende
handwerkslieden. Daarnaast werd nog een grote hoeveelheid documentaire schilderingen verworven
die de cultuur van Japan uit die tijd, vooral van Kyūshū, illustreert (Keiga & Co.), elkaar deels
overlappend of duplicerend, alsook andere schilderingen, prenten, (geïllustreerde) boeken, kaarten en
munten. Op grond van hun unieke cultuurhistorische betekenis zijn deze verzamelingen integraal als
categorie A gekenmerkt.
Tenminste de verzamelingen van Blomhoff en Fisscher zijn zo nauwkeurig door henzelf
gedocumenteerd dat zij de toets van recente eisen aan verzamelen glansrijk kunnen doorstaan.
Vanwege het unieke karakter ligt het voor de hand deze verzamelingen in een breder kader de eerste
onderzoeksprioriteit voor de komende decennia te maken. Daarmee zijn deze verzamelingen
richtinggevend voor het collectie- en acquisitiebeleid van het Japanse eilandenrijk.
58
Het collectieprofiel van de afdeling Japan is reeds begin april 2007 door de Raad van Toezicht goedgekeurd en op 20 april
door de directeur van Museum Volkenkunde vastgesteld.
78
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Uitbreidingen van de vroege verzamelingen
Rond 1883 werden de ‘Haagse’ Koninklijk Kabinet-verzamelingen opgesplitst. Die van Blomhoff en
Fisscher en de ‘Leidse’ Kabinet-verzameling van Siebold, inclusief de latere toevoegingen aan beide
groepen, werden samengevoegd. Zo ontstond een ‘kerncollectie’ waarvan uitbreiding met
vergelijkbaar materiaal een zinvolle aanvulling zou betekenen. De verzameling die Siebold tijdens zijn
tweede reis naar Japan, in de jaren 1859 tot 1862, bijeenbracht, werd echter niet door de toenmalige
Regering van Nederland aangekocht, maar door die van Beieren (voor het Museum für Völkerkunde,
München.) In deze tijd werd de KKvZ-collectie naar de maatstaven van die tijd opgesplitst in
voorwerpen van ‘kunsthistorisch’ en van ‘etnografisch’ belang en respectievelijk over het Rijksmuseum
te Amsterdam en het Museum Volkenkunde te Leiden verdeeld. Het is het overwegen waard om
tenminste de oorspronkelijke verzamelingen van Blomhoff, Fisscher en Siebold daadwerkelijk op één
plek bijeen te brengen. Het Museum Volkenkunde biedt daarbij de grootste garantie voor bestudering
terwijl voor presentaties elders natuurlijk (ook langdurige) bruiklenen een goed alternatief bieden.
Voorlopig zou tenminste gestreefd moeten worden naar een samenvoeging op virtueel niveau.
In de periode na de openstelling van Japan in 1854 zouden het South Kensington Museum in
Londen, de Bibliothèque Nationale te Parijs en het Museum für Angewandte Kunst in Wenen vrijwel
geen enkele kans missen Japanse collecties aan te leggen en deze uit te breiden. Nederland,
daarentegen, lijkt pas veel later, vooral in de korte periode tussen 1897 en 1902, een actief
aankoopbeleid te ontwikkelen. Overigens is het merendeel der aanvullingen in de tweede helft van de
negentiende eeuw te danken aan legaten en schenkingen.
Verzamelingen die gedurende de Meiji-Periode (1868-1912) voor het Museum werden verworven en
een zinvolle aanvulling op de basiscollecties betekenen zijn o.a. drukwerk van Gratama (1886), Brill te
Leiden (1896), Wagner te Berlijn (1901) en de zeer grote verzameling prenten, boeken en stencils van
Vogel, verworven via Baer & Co. te Frankfurt (1902). Op het gebied van ceramiek en porselein uit de
Meiji-periode werden o.a. aankopen gedaan op de Internationale Handelstentoonstelling in
Amsterdam van 1883 en bij de Firma Pächter te Berlijn (1902). Enkele gemêleerde verzamelingen zijn
o.a. aankopen bij Schulman (1897), bij Pächter (1897 [waaronder een belangrijke groep ema,
religieuze beelden en een groep theaterpoppen]; en 1898) en bij Langweil te Parijs (1902). Een
belangrijke groep vooral bronzen (religieuze) voorwerpen werd verworven van Dirk Boer (1883), een
vergelijkbare groep van Siegfried Bing (1883). Later werd nog een grote groep zwaardstootplaten of
tsuba verworven (1901, bij Kleykamp; 1901 bij Rex & Co. Te Berlijn). Deels zijn deze voorwerpen
contemporain, merendeels echter van (veel) vroeger datum en zo lijkt, in het algemeen, van een
duidelijk gericht aankoop- of acquisitiebeleid in de tweede helft van de negentiende eeuw nauwelijks
sprake te zijn. Doorgaans werden in Japan aangelegde collecties naar Europa (Frankrijk en Duitsland)
overgebracht en pas in tweede instantie door het Leidse Museum verworven.
Na deze korte periode van acquisities door aankopen wordt, vanaf begin deze eeuw, het oude beleid
weer voortgezet: De collectie groeit vooral dankzij legaten en schenkingen, af en toe afgewisseld door
incidentele aankopen, uiteenlopend van enkele voorwerpen tot grotere series.
Tot de gelukkige verwervingen - door aankoop – hoort zeker de omvangrijke en kwalitatief zeer goede
verzameling van Köhler (1946). Zwaardstootplaten werden later, in 1967, nog aangevuld met een
kwalitatief goede groep verzameld door Lechner. Verder verwierf het Museum een zeer grote
verzameling tekeningen, c.q. ontwerpen voor prenten en boekillustraties, shitae, bijeengebracht door
de Groninger verzamelaar F. Lieftinck (1956).
Recente ontwikkelingen
Het in Japan zelf verzamelen door conservatoren van het Museum komt pas goed op gang met
Ouwehand - vanaf 1957 - en leidt o.a. tot belangrijke aanvulling op de Ryūkyū -verzameling (1957 en
1966). Wanneer dit verzamelen uitgroeit tot een regelmatig patroon - Ouwehand maakt in de jaren
Vijftig en zestig verschillende verzamelreizen - ontwikkelt hij een interessant verzamelbeleid dat maar
in zeer beperkte mate aansluit op de bestaande verzamelingen. Zijn verzamelingen zijn te kenmerken
als meer op de locale cultuur, de folklore, gericht - en sluiten op die manier mogelijk nog aan bij de
verzamelingen van locale specialiteiten in de drie kerncollecties, vooral bijeengebracht tijdens de
hofreizen die de verzamelaars (mee)maakten. Daarnaast verwerft hij een aantal voorbeelden van
voorwerpen uit het dagelijks leven in de provincies, uit het begin van de eeuw of mogelijk ook vroeger,
complementair aan enkele interessante collecties van de kennelijk enigszins gelijkgestemde Langewis
(1959; 1960; 1961 en 1963, waaronder een interessante groep votiefplankjes). Zijn opvolger, Van
Gulik, beperkt zich in grote lijnen tot het invullen van duidelijke hiaten in de bestaande collectie en het
verzamelen van doorgaans slechts kleinere collecties, waarbij vooral enkele groepen uit de
verzameling Buzaglo (1978 en 1981) goed aansluiten op de collecties die Ouwehand en Langewis in
het Museum binnenbrachten.
79
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Op grond van bovenstaand resumé van de verzamelgeschiedenis van bijna twee eeuwen, zal duidelijk
zijn dat de verzamelingen van Blomhoff, Van Overmeer Fisscher en Siebold op grond van de
samenhang in hun samenstelling, de periode waarin zij werden verzameld, de uitgebreide
documentatie en hun grote cultuurhistorische betekenis – daarmee alle integraal als Categorie A
gewaardeerd – hier en in het vervolg kortweg als de ‘kerncollecties’ worden aangeduid.
Vergelijking met andere collecties
Op nationaal niveau
Op nationaal niveau is vergelijking met andere collecties nauwelijks relevant, al was het maar
vanwege het ontbreken van verzamelingen van vergelijkbare omvang. Het Tropenmuseum en het
Wereldmuseum in Rotterdam hebben, evenals het Groninger Museum, collecties uit Japan. Alleen het
Princessehof in Leeuwarden bezit een vrij grote collectie porselein die breder en omvangrijker is dan
de onze, terwijl ook het Haags Gemeentemuseum op dit gebied, naast het Chinese porselein, een
interessante Japanse collectie heeft. De Afdeling Aziatische Kunst van het Rijksmuseum
Amsterdam heeft enkele goede vroege Boeddhistische sculpturen, een belangrijke collectie
theeceramiek en een kleine groep interessante schilderingen, waaronder een Nanban-scherm en een
fraai scherm uit de Unkoku-traditie. Lakwerk is in vergelijking met de Leidse collectie te verwaarlozen.
Op internationaal niveau
Ons beperkend tot de kerncollectie kan geen museum ter wereld (inclusief in Japan zelf) zich meten
met onze collectie vroeg-negentiende eeuws dagelijks gebruiksgoed en het beeld wat wij daarmee
van het gewone leven van de stadsbevolking kunnen oproepen. Het is immers juist deze cultuur die in
Japan zelf grotendeels verloren is gegaan of, voor zover toevallig bewaard gebleven, onvoldoende is
gedocumenteerd. Het meest direct vergelijkbaar zijn de verzamelingen van het Staatliches Museum
für Völkerkunde te München, al was het maar omdat de tweede Siebold-verzameling daar werd
aangekocht.
Ontwikkelingen op velerlei verschillend gebied - ceramiek, porselein, lakwerk, metaalwerk – vanaf
de laatste decennia van de negentiende eeuw werden goed bijgehouden in het Victoria & Albert
Museum (London), het Museo d’Arte orientale Edoardo Chiossone (Genova) en het Musée Cernuschi
(Paris). Andere grote museale collecties zijn die van het British Museum (London), het Ashmolean
Museum (Oxford), Musée Guimet (Paris) en de verschillende delen van de Staatliche Museen
Preussischer Kulturbesitz (Berlin). Geen van de hier genoemde musea heeft echter een duidelijk
zwaartepunt en zeker niet voor de cultuur van het begin van de negentiende eeuw. Wel is het zo dat
talloze musea op deelcollecties ons verre voorbijstreven, in aantal, belangrijkheid en diversiteit. Maar
daarbij is dan eerder sprake van een brede verzameling zonder de diepgang die wij juist op het begin
van de negentiende eeuw kunnen bieden, en daarmee ook de mogelijkheden voor gericht onderzoek.
Collectiekwaliteit en deselectie
Op grond van bovenstaande lijkt het zonder meer zinvol de verbetering van de collectiekwaliteit vooral
toe te spitsen op de aanwezige kerncollectie uit de midden en late Edo-Periode (1700-1868), met het
zwaartepunt op de periode tussen 1750 en 1850. De laatste datum is hier gekozen als het begin van
de Meiji-Periode (1868-1912) waarin als gevolg van de grote sociale veranderingen de traditionele
premoderne Japanse cultuur onder hevige druk kwam te staan. Voor verschillende groepen
voorwerpen ligt dit moment, voor zover al exact aan te geven, anders. Bij prenten is bijvoorbeeld
1908, het ontstaan van de eerste prent waarvan de blokken door de ontwerper werden gesneden en
ook afgedrukt, een duidelijke markering, maar bij porselein en ceramiek verschilt het vaak per oven.
Dit streven is ingegeven door de drie vroegste verzamelaars: bovenal een museum te zijn van de
cultuur van Japan van de (vroege) negentiende eeuw. Door een optimaal gebruik van de kracht van
onze collectie, een omvattend beeld van de Japanse cultuur van de Bunka-Bunsei Perioden, verzekert
ons Museum zich van een duidelijk gedefinieerd aandachtsgebied dat richting geeft aan het
onderzoek in het Museum zelf, en ook dat dankzij het Museum mogelijk is. Deze profilering biedt een
goede waarborg voor onze internationale positie, niet alleen voor het heden, maar ook voor de
toekomst.
Door selectieve groei op de terreinen die de collectie nu al omvat, zal de collectie niet alleen in
kwaliteit toenemen, maar zullen ook de mogelijkheden voor onderzoek en het bestuderen van
technologie, materiaalbehandeling en decoratie verbreed worden. Idealiter zou dit onderzoek zich ook
moeten uitstrekken tot die delen van de collectie die buiten het museum verspreid zijn geraakt.
Overigens vormen, los van materiaal of techniek, voorwerpen die de historische relaties tussen
Nederland en Japan illustreren (Deshima, Hollandse invloed in de Japanse maatschappij) een
‘Sondersammelgebiet’.
80
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Een van de hier gekozen uitgangspunten is dat de collectie een wetenschappelijk doel heeft. Ze moet
mogelijkheden voor onderzoek bieden om de waarde en maatschappelijke betekenis ervan te
vergroten. Het is ontegenzeglijk een nadeel dat het overgrote deel van de latere collecties niet
beantwoordt aan de normen, die vooral door Blomhoff en Fisscher werden gesteld, namelijk dat hun
exacte functie en gebruik of ook datering werden vastgelegd of bekend zijn (Ouwehand is hierop een
gunstige uitzondering). Gelukkig kunnen deze, deels althans, alsnog gereconstrueerd worden (Siebold
door vergelijking met de catalogi van Blomhoff en Fisscher bijvoorbeeld).
Maar wanneer dat niet meer mogelijk is of er geen sprake meer is van zulke zinvolle vergelijking, moet
afstoting als een serieuze optie worden overwogen. Deze zou dan vooral toegespitst kunnen worden
op voorwerpen uit latere periodes, globaal vanaf de Meiji-periode, wanneer zinvolle vergelijking met
voorwerpen uit de kerncollectie onmogelijk is, ook al doordat de daarvoor benodigde documentatie nu
al ontbreekt en vaak niet meer te achterhalen is. Overigens kan het dynamisch karakter van de
materiële cultuur niet geheel veronachtzaamd worden. Voor enkele aspecten van de Japanse
materiële cultuur of kunstnijverheid geldt gelukkig dat er sprake is van een sterke continuïteit:
(thee)ceramiek, lakwerk en architectuur.
De vraag die men kan stellen is of het Museum Volkenkunde niet ook de hedendaagse ontwikkelingen
in Japan moet bijhouden. Het antwoord is uiteraard ja - maar het is ondoenlijk om deze (zelfs al voor
de kunst en kunstnijverheid) op adequate wijze ook te verzamelen. Onderzoek daarnaar zal toch altijd
ter plaatse gedaan moeten worden en voor presentatie kan uitstekend een beroep gedaan worden op
verschillende musea die dit gebied wel bijhouden.
Hier mag nog aan worden toegevoegd dat niet alleen het onderzoek van de huidige conservatoren
juist deze verzamelingen of periode betreft, ook dat van tenminste drie eerdere generaties
conservatoren speelde zich op dit gebied af.
81
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
De Fotocollecties
Linda Roodenburg
Inleiding
De fotoverzameling bevat foto's gemaakt in de (voormalige) Nederlandse koloniën en niet-koloniale
gebieden waaronder het Midden-Oosten (Perzië, Daghestan), China en Tibet, Zuid-Oost Azië, Japan,
Noord-, Zuid- en Centraal Afrika, Noord- Midden- en Zuid Amerika, Australië en Oceanië. Op enkele
uitzonderingen na zijn de foto's gemaakt door buitenstaanders, oftewel westerse fotografen. De meest
recente fotografie (na 2000) is in toenemende mate afkomstig van fotografen uit de betreffende
culturen.
Een kwantitatieve beschrijving van de fotocollectie is een momentopname. De verzameling groeit
jaarlijks, soms met tientallen, soms met tienduizenden tegelijk. Vanwege omvang en diversiteit is de
collectie verdeeld in twee delen: 1. de historische, museale collectie en 2. de documentatie of het
beeldarchief.
De museale collectie groeit door selectie van materiaal uit het beeldarchief en door schenkingen,
legaten, aankopen en opdrachten. Uit het beeldarchief verdwijnen foto’s door genoemde overheveling
naar de museale collectie en door eventuele deselectie. Net als de museale collectie groeit het
beeldarchief door schenkingen, legaten, opdrachten en door fotografie- en reproductie-activiteiten van
museummedewerkers. De fotocollectie als geheel bevat op dit moment (2007) circa 350.000
objecten. De historische of museale collectie (fotografie van 1845 tot 1940) zal in 2008 naar schatting
50.000 foto’s bevatten. Exactere aantallen zijn niet te geven omdat de selectie ten behoeve van de
museale collectie van fotografie tot 1940 in volle gang is. De foto's van de museale collectie worden
op dit moment opnieuw geordend vanwege een herziene indeling van de collectie. Om die reden zijn
niet alle object- of serienummers bekend . De museale collectie bevat fotografie in de vorm van
originele afdrukken (vintageprints), transparanten (negatieven en positieven) en fotografisch drukwerk
(schoolplaten, boeken, documenten, ansichtkaarten). De kern van deze collectie bestaat uit 5000
vroegste antropologische foto’s, door het museum verzameld vóór 1910. De collectie hedendaagse
fotografie (na 2000), verzameld met het oog op opname in de historische collectie of in het
beeldarchief, bevat behalve originele afdrukken, transparanten en fotografisch drukwerk, ook digitale
bestanden en multi-media installaties.
Geschiedenis van de collectie
De vroege verzamelingen
Tussen 1870 en 1909 verwierf het museum fotoseries door aankoop en schenkingen.
Deze oudste foto's zijn gemaakt in alle door het museum onderscheiden cultuurgebieden plus WestAzië(Kaukasus) en Europa (Polen, Nederland).
De fotografen zijn voornamelijk Europeanen, die zich als beroepsfotograaf gevestigd hebben in
buiten-Europese landen of amateurs die zich vanwege hun aanstelling (onderzoeker, diplomaat,
militair, ambtenaar, missionaris, zendeling) tijdelijk buiten Europa bevinden en daar fotograferen in het
verlengde van de uitoefening van hun functie.
Deze negentiende eeuwse en vroeg twintigste eeuwse fotografie kenmerkt zich door het
overzichtelijke aantal foto's per serie of onderwerp. Fotograferen was, vooral onder tropische
omstandigheden, een zeer complexe en arbeidsintensieve techniek die alleen door specialisten
beheerst werd.
De oudste fotoseries hebben soms een directe relatie met de voorwerpencollectie van het museum,
maar in veel gevallen niet. Het museum verzamelde foto's van alle culturen waarvan men verwachtte
dat deze door het contact met het westen spoedig ingrijpend zouden veranderen of helemaal
verdwijnen.
De eerste grote aankoop dateert uit 1870. Het betreft een aankoop van het particuliere Museum
Godeffroy te Hamburg en omvat 255 foto's, waaronder de eerste foto's van Aborigenes in NoordAustralië. Voorts verwerft het museum foto's naar aanleiding van de wereldtentoonstellingen in o.a.
Parijs (1878, 1884, 1931), Amsterdam (1883) en Antwerpen (1894). Het zijn foto's gemaakt van
voorwerpen uit andere collecties (o.a. collectie Lindberg), van tentoonstellingspaviljoens (collectie
Pieter Oosterhuis), fotoseries over mensen en activiteiten in koloniale gebieden (o.a. collectie
Onafhankelijke Congostaat) en foto's van inheemsen die 'life' getoond werden aan het publiek (o.a.
collectie Prince Roland Bonaparte, 1883). Voorts koopt het museum in deze periode fotoseries van
professionele fotografen (collectie I. van Kisbergen/Indonesië, R. Parkinson/Oceanië, collectie C.
Nieuwenhuis/Indonesië), van onderzoekers (collectie Buttiköfer/Liberia, collectie F.Starr/Zuid-Mexico,
collectie Demmeni/ Indonesië, collectie Versteeg/Suriname), van handelaars/verzamelaars (collectie
82
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Rex en Co/ Japan, collectie Hotz/ Iran) en van missie-instellingen (collectie Trappisten Mission
Mariannhill, Zuid-Afrika).
Belangrijke institutionele schenkingen of overdrachten zijn afkomstig van het Ministerie van Koloniën
(collectie Feilberg), het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden (de eerste foto's van Papoea's,
circa1870), het Museum voor Oudheden (collectie Schaefer, daguerreotypieën van de Borobudur,
1845), het Koninklijk Huisarchief en van collega-instellingen (collectie Tibet/Keizerlijk Russisch
Aardrijkskundig Genootschap, 1901).
Deze foto's, gemaakt en verzameld vóór 1910, zijn individueel genummerd en in veel gevallen
gedocumenteerd. Ze zijn in meerdere opzichten van belang. Ten eerste omdat ze tot de oudste en
bewaard gebleven opnamen behoren van de betreffende culturen, ten tweede vanwege hun cruciale
rol in de beeldvorming van niet-westerse volken in Europa en ten derde vanwege hun belangrijke
plaats in de geschiedenis van de fotografie.
Latere aanwinsten
Met de veranderende rol en status van fotografie binnen het antropologisch onderzoek vanaf het
begin van de twintigste eeuw - van onderzoeksbron naar onderzoeksdocumentatie – veranderden
zowel de aard van de fotografie als het verzamelbeleid. De vroege studioportretten, antropometrische
portretten, ensceneringen en landschappen, gemaakt door professionele fotografen en amateurs,
maken in toenemende mate plaats voor documentaire onderzoeksfotografie gemaakt door
wetenschappers en conservatoren die direct of indirect aan het museum verbonden zijn.
Na 1918 staakt het museum de registratie per foto. Gerichte aankopen komen na 1920 vrijwel niet
meer voor. De collectie groeit toch aanzienlijk door schenkingen en legaten van particuliere
verzamelaars en amateurfotografen. Door het op de markt komen van handzame camera's en het
gebruik van film in plaats van glasplaten kunnen is de techniek toegankelijk geworden voor iedereen.
Onder de verwervingen van na 1920 bevinden zich ook foto’s gemaakt vóór 1920. Deze fotografie is
vaak in de vorm van albums en series aan het museum aangeboden.
Belangrijke aanwinsten uit de jaren 1920-1940 zijn de collectie glasplaten en afdrukken van Van
Citters (496) en de collectie Duyvendak (359), beide gemaakt in China. De Tillema collectie neemt
door zijn aard en omvang een bijzondere plaats in . De collectie bevat circa 10.000 foto's gemaakt in
Nederlandsch-Indië tussen circa 1880 en 1940 en geeft een relatief onafhankelijk beeld van
gebeurtenissen en omstandigheden in de Indische archipel en Nieuw-Guinea.
In de periode 1920-1960 lijdt de collectie aan gebrek aan zorgvuldig beheer en een exponentiële
groei. Het museum maakt vooral na 1940 vele foto's van objecten en museumactiviteiten, evenals
reproducties van originelen ten behoeve van publicaties en tentoonstellingen. Ook dit materiaal
bevindt zich in het beeldarchief. Daarnaast koopt het museum vele foto’s voor gebruik in
tentoonstellingen of ten behoeve van educatieve doeleinden. In de jaren zestig krijgt de fotocollectie
een tijdelijke, nieuwe impuls. De beeldvormende en de historisch-documenterende kwaliteit van het
materiaal wordt ontdekt, evenals de educatieve waarde.
Onderzoekers en museumconservatoren schenken hun foto-archieven met tienduizenden opnamen
(o.a. de collecties Kooijman, Gerbrands, Nooter, Leyenaar). De betekenis van deze
onderzoeksfotografie is vooral gelegen in de nauwe relatie met de voorwerpencollectie van het
museum. In tegenstelling tot de oudere antropologische fotografie speelt ze minder een rol van
betekenis in de algemene beeldvorming van niet-westerse culturen. Die rol is inmiddels grotendeels
overgenomen door de geïllustreerde en commerciële pers, de reclame- en toeristenindustrie, televisie
en film.
In 1959 wordt gestart met een grootscheepse ordening van de verzameling met het oog op een
toekomstige fototheek die een belangrijke rol moet gaan spelen in de presentaties en educatieve
activiteiten van het museum. De foto's worden geregistreerd volgens het systeem dat de
museumbibliotheek sinds 1957 hanteert: ingedeeld op cultuurgebied en daarbinnen op specifieke, op
de volkenkunde gebaseerde onderwerpen. Foto's worden in dit systeem gezien als afzonderlijke
informatiedragers. Ze worden individueel op registratiekaarten geplakt en voorzien van
beschrijvingen. Deze methode schept een nieuwe orde in de inmiddels onhanteerbaar geworden
verzameling, met als gevolg dat de oorspronkelijke context en hun serieel verband verloren gaat.
Door de grote aanwas van de collectie slaagt het museum er niet in om alle foto’s in dit nieuwe
systeem onder te brengen. In 1970 zijn er ongeveer 20.000 afzonderlijke foto's op registratiekaarten
geplakt, waaronder een aanzienlijk deel van de foto’s van voor 1920 die nu deel uitmaken van de
historische, museale fotocollectie.
83
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Recente ontwikkelingen
Eind jaren negentig wordt de fotoverzameling opnieuw met andere ogen bekeken. Met de
tentoonstelling en publicatie De Bril van Anceaux in 2002 treedt het museum voor het eerst naar
buiten met haar fotocollectie. De tentoonstelling markeert de nieuwe visie op fotografie in deze
antropologische context. Behalve het bieden van contextuele informatie over culturen en voorwerpen,
getuigen de foto's van visies op culturen én van opvattingen over het medium zelf. Fotografie is
daarmee behalve een documenterend medium met een directe relatie tot volkenkundig onderzoek en
de voorwerpcollecties, ook een zelfstandig medium, met een eigen ontwikkeling, esthetiek en inhoud.
De nieuwe visie gaat gepaard met het toegankelijk maken en digitaliseren van de fotoverzameling en
het bewaren van het materiaal onder vocht- en temperatuur gereguleerde omstandigheden. Hiermee
wordt het proces van verval waar een groot deel van de historische collectie aan lijdt vertraagd, maar
niet gestopt. Nitraatnegatieven (collectie Tillema), loslatende beeldlagen van glasnegatieven (collectie
Van Citters, Versteeg, Sevruguin), plakband, verkeerde lijm-, inkt- en papiersoorten (archiefkaarten,
albums) bedreigen het voortbestaan van foto’s, negatieven en albums, waarbij vooral de staat van de
oudste fotografie relatief slecht is.
Collectiebeschrijving
Indelingsprincipe
De historische collectie tot 1940 is verdeeld in deelcollecties. Iedere deelverzameling vormt een
inhoudelijk samenhangend geheel. Ze staat op naam van de fotograaf of onderzoeker (bijv. Collectie
Kurkdjian), van de verzamelaar en/of schenker (Collectie Tillema, Collectie Duyvendak), van een
specifieke cultuur (bijv. Collectie Vuurland indianen) of van een onderwerp of gebeurtenis (bijv.
Wereldtentoonstelling Amsterdam 1883). Foto's die bij verwerving bij elkaar hoorden maar in de loop
der jaren over de verzameling zijn verspreid, zijn in het kader van de selectie van de museale
historische collectie weer verenigd.
De museale collectie bevat de volgende objectsoorten (allen categorie A of B):
1. originele afdrukken (vintage prints);
2. originele transparanten: negatieven (glas, film) en positieven (dia's);
3. fotografische toepassingen (boeken, ansichtkaarten, schoolplaten, portfolio's);
4. fotoalbums;
5. originele digitale bestanden;
6. multimedia installaties.
De historische museale collectie tot 1940 bevat uitsluitend objecten uit de categorieën 1 t/m 4. Dit
betekent dat ook speciaal drukwerk - in kleine oplage gemaakt en met bijzondere drukprocedés - in
de museale collectie is opgenomen. Dit geldt ook voor fotografische toepassingen van vóór 1940 die
professioneel gedistribueerd zijn en een breed publiek onder ogen zijn gekomen (boeken,
ansichtkaarten, schoolplaten).
Foto albums nemen een bijzondere plaats in. Het zijn deelcollecties op zichzelf, meestal
bijeengebracht door anderen dan de fotografen. Naast visuele informatie over het onderwerp van het
album, leveren de samenhang tussen de gekozen foto’s, de wijze waarop deze in het album zijn
aangebracht en de bijschriften van de samensteller waardevolle informatie over gebruik en receptie
van fotografie. In de historische fotocollecties tot 1940 bevinden zich uiteraard geen digitale
bestanden.
Het beeldarchief bevat behalve objectsoorten 1 t/m 6 ook niet-origineel materiaal in de vorm van:
7. reproducties van afdrukken;
8. latere afdrukken van originele negatieven;
9. reproductienegatieven en reproductie-afdrukken;
10 reproducties van reproducties.
Materiaal behorende tot de categorie 7 t/m 10 bevindt zich uitsluitend in het beeldarchief. Dit zijn
afgeleiden (reproducties) van origineel materiaal. Alleen reproducties van werk van belangrijke
fotografen waarvan bekend is dat originele negatieven of afdrukken verloren zijn gegaan, zijn in de
museale collectie opgenomen (collectie Sevruguin).
Materiaal in de museale historische collectie behoort tot de categorie A of B. Het onderscheid tussen
A en B wordt bepaald door de kwaliteit van de fotografie zelf, zowel in technisch als in kunsthistorisch
opzicht. C-fotografie is min of meer van belang als onderzoeksbron voor één van de genoemde
onderzoeksthema’s. Fotografie met een D-waardering is reproductiemateriaal waarvan het originele
84
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
materiaal zich ook in het museum of in andere collecties bevindt. Dit materiaal heeft in de eerste
plaats gebruikswaarde.
Deelcollecties
Hieronder volgt een eerste opsomming van verschillende deelcollecties in de historische fotocollectie
tot 1920. De selectie fotografie tot 1940 is op het moment van schrijven (2007) nog in volle gang en
daarom niet opgenomen in dit overzicht.
Foto-afdrukken, transparanten en drukwerk tot 1920: categorie A en B
- Losse afdrukken voor 1900. (Categorie B tenzij anders vermeld)
De oudste foto's uit de collectie:
Portret Chinees (1861)
Groepsportret ter dood veroordeelden/Collectie Peters, fotograaf Sarthol (1864, Haïti)
Kampement Willem I op Java (1865)
Collectie Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden (Nieuw Guinea, Sumatra circa 1870. cat. A)
Bruid en bruidegom Java (1880)
Missigit Raja te Kotta Radja (1880)
Baron de Saint-Pol Lias: Drie Aziatische mannen
Baupara Naga’s (India): fotograaf E. van Cutsem (circa 1880)
Shanghai, het Engels kwartier, circa 1880 (toegeschreven F. Beato, cat. A)
N.J. Krom (schenker) India circa 1900
G. Horner (fotograaf) Ves danser circa 1886
- Professionele fotografie tot 1920 (Grotendeels categorie A)
Op naam fotograaf:
Augusta Curiel (Suriname circa 1910)
Woodbury & Page (Ned. Indië, 1856-1886)
Isidore van Kinsbergen (Ned.-Indië, Java, 1863)
Sarthol (Haïti, 1864)
Kirstin Feilberg (Ned.-Indië, circa 1870)
J.A. Cunha de Moraes (Afrika, circa 1870)
Pasteur (Afrika, circa 1880)
Felice Beato (Azië, o.a.Japan)
A. Sachtler (Ned.–Indië, circa 1870)
C.B. Nieuwenhuis (Ned.-Indië, 1880-1908)
P. Famin & cie (Noord Afrika, voor 1883)
Pieter Oosterhuis (Nederland, 1883)
Prince Roland Bonaparte (wereldwijd, circa 1885)
O. Kurkdjian (Ned. Indië, 1884-1903)
J.Baer (West-Afrika, 1887)
Gustavo Milet (Vuurland, circa 1890)
A. Sevruguin (Iran, 1870-1933)
P. Sebah (Egypte, circa 1900)
C.A. Killie (China, 1901)
S. Ichida (Japan, 1903)
Kerry’s Studio (Australië, voor 1905)
C.E. Lemunyon (China, circa 1910)
N.Keasberry (Ned.-Indië, Java 1912)
Higuchi (toegeschreven) (Korea, c.1900)
Op naam verzamelaars:
Collectie Den Arend (China, voor 1900)
Collectie Damme-Arntzenius (Ned. Indië, voor 1920)
Collectie Dillman (Europa, Ned.- Indië, Noord-Amerika, voor 1906)
Collectie Du Rieu (Zuid-Afrika)
Collectie Nederburgh (Ned.-Indië/Molukken, Sumatra, 1865-1879)
Collectie Pasteur (Afrika)
Collectie Regeer (Afrika)
Collectie weduwe Helmkamp (Nederlandsch-Indië, voor 1900)
85
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectie Rex (Japan, circa 1900)
Collectie prof. Dr. G. Schlegel (Z.O. Azie, < 1903)
Collectie Schmeltz (Oceanië, < 1909)
Collectie Ten Kate (Noord- en Zuid Amerika)
Op naam cultuur of onderwerp:
Collectie Ainu (Japan, < 1882)
Collectie Vuurland Indianen (< 1900)
Collectie Schoolplaten Nederlandse Koloniën in de Oost en de West
- Expeditie- en onderzoeksfotografie tot 1920. (Categorie A)
K. Feilberg (Sumatra, Bataklanden, 1870)
E.S. Ali Cohen (Indonesië, circa 1880)
J. Büttikhofer (Liberia, 1886/87)
J. Demmenie (Sumatra, 1896-1898; 1898-1900)
Norzunov en Tsybikof (Centraal Tibet, 1900/01)
J.E. Tulleken (Suriname, 1900)
C.Nieuwenhuis (Atjeh, 1901)
G.M. Versteeg (Suriname, 1904/05)
H.M.Neeb (Sumatra, Nieuw Guinea, 1904)
Majoor Gooszen (Nieuw Guinea, circa 1910-1914)
W. de Jong (Nieuw Guinea, circa 1900)
Johann Kubary (Oceanië, Australië 1870/80)
Amalie Dietrich (Oceanië, Australië, 1870/80)
Carlo Dietrich (Oceanië, Australië, voor 1903)
Richard Parkinson (Oceanië, 1876 - circa 1900)
Augustin Krämer (Oceanië, circa 1880/90)
P. Foelsche (Noord-Australië, 1879)
E. Horace Man (Andamanen en Nicobaren, circa 1890)
E. Modigliani (Sumatra, Enggano, circa 1890)
A. Hotz (Iran, Azerbeidjzan, <1894)
Albert Grubauer (India, Celebes, 1910-1920)
Gregor Krause (Bali, 1912-14)
C.J.Wijnandts-Francken (Soedan, voor 1920)
Pater Drabbe (Molukken, 1910-1920)
Frederik Starr (Zuid-Mexico, 1896-1899)
H.Thomann (Cambodja, Thailand, 1906)
Trappisten Mission Mariannhill (Zuid-Afrika, 1884-1899)
Pastoor van Koolwijk (Ned. Antillen, circa 1880)
W.M. Uhlenbeck-Melchior: Noord-Amerika 1910/11
Photographie Francaise/Prince Roland Bonaparte: Amsterdam 1883.
C. von Rainer: Singhalezen op de Wereldtentoonstelling London 1886
- Object- en wereldtentoonstellingenfotografie tot 1920. (Categorie B)
Collectie voorwerpen Boheems Museum Praag
Collectie Lindberg
Collectie voorwerpen Musee Guimet
Collectie voorwerpen Bali, Rijksmuseum voor Volkenkunde (1898)
Collectie voorwerpen Museum Tervuren,(1898)
Collectie objecten Japan 1860-1920
Objecten en monumenten China 1860-1920 (11)
Objecten en Monumenten Indonesië 1860-1920 (99)
Objecten en Monumenten Afrika 1860 -1920 (12)
Objecten en Monumenten Oceanië 1860 -1920 (14)
Objecten en Monumenten Azie Overige landen (4)
Objecten en monumenten Noord-, Midden-, en Zuid Amerika (77)
Collectie Wereldtentoonstellingen (o.a Parijs, 1878; Antwerpen, 1894; Brussel, 1897; Osaka, 1903)
- Verzamelaars fotografie tot 1920 (Deels Categorie A, deels B)
Collectie Tillema (Indonesië,)
86
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Collectie Duyvendak (China, )
Collectie Baron von Lühdorf (Siberië, 1888)
Collectie Ed. Datton (Siberië, circa 1890)
Collectie Dirr (Kaukasus, circa 1910)
Collectie Collectie Mije Pieterse (Turkije, circa 1880)
Collectie Huyvenaar (Achter-Indië, circa 1880)
Collectie Jentink (Sumatra, circa 1890)
Collectie E. Moriseaux (Nieuw Caledonië, circa 1890)
Collectie Van de Sande Bakhuysen (Midden-Oosten, Afrika, Zuid-Oost Azië, voor 1916)
Collectie P. Staudinger (Sumatra/Mentawei-eilanden, voor 1908)
Collectie M.Stibbe (Nias, Senegal, circa 1890)
Collectie T.J. Veltman(Sumatra, voor 1908)
Collectie R.C.P. de Vries (Ned.-Indië, voor 1910)
- Amateur- en reisfotografie tot 1920 (Deels Categorie A, deels B)
Collectie Jonkheer A.J.van Citters (China, 1902-1905, cat. A)
Collectie H. van Oordt van Lauwenrecht (Japan, circa 1900, cat. A)
Collectie Gemeente Archief Amsterdam (Italië, Noord- Afrika circa 1900, cat. B)
J.E. Tulleken (Rusland, Polen, < 1920, cat. B)
Albums tot 1920. Categorie A en B
- Portfolio’s en albums professionele fotografie (Deels Categorie A, deels B)
Op naam fotograaf:
Céphas Kassian : Java (2 albums, 1872; circa 1900)
P. Oosterhuis: Internationale Koloniale en Handelstentoonstelling Amsterdam 1883
Lawick van Pabst/Vrijberghe de Coningh: Internationale Koloniale en Handelstentoonstelling
Amsterdam 1883
J.E. van Bergen: Ned.-Indië (1899-1920)
Stafhell & Kleingrothe: Sumatra's Oost-kust (1885-1893)
O.Hisgen & Co: Java (circa 1916)
A.P.H. Hotz: Iran (1891)
- Expedities (categorie A)
Op naam fotograaf:
G.M. Versteeg: Suriname, Nieuw Guinea (1903-1913)
C.H. de Goeye: Antillen, Suriname (4 albums 1927-1938)
C.H. de Goeye: Ned.-Indië (6 albums 1900/01)
T. van Ardenne: Celebes (1905-08)
Onbekend fotograaf: Eerste Atjeh expeditie (1900)
- Particuliere albums verblijf en reizen tot 1920 (Categorie B; enkele A)
G.A. Esscher: Japan, China (2 albums, voor 1890)
Hofman: Borneo (circa 1908)
G.M. Versteeg: Nederlandsch-Indië (1905-1940)
C. von Borneman: Nederlandsch-Indie (1917/18)
C.G.J.B. Henny: Ned.-Indië (1905)
Govert J. van Tets : Ned.-Indië (2 albums, 1892/93)
Hr. en mevr. Erdman-IJspeert: Ned.-Indië (2 albums 1910-1930)
K.B.Schagen van Soelen: (Indië voor 1874)
G.J. Verburgt: Ned.-Indië (circa 1900)
L.A.T.J.F. van Oyen: Wereldreis Zuid-Amerika-Azië (3 albums, 1874-75)
A.M. Koster-Bouman: Ned.-Indië (circa 1875)
S. Harwick Schaank: Ned.-Indië, China, Egypte (circa 1880)
Samensteller onbekend: Ned.-Indie, circa 1900
Samensteller onbekend: Souvenirs de Voyage (3 albums, 1888)
G.Koek: China, Ned.-Indië, Japan, Nieuw-Guinea (circa 1920)
Damme-Arntzenius: Indie (voor 1920)
H. van Oordt van Lauwenrecht: Japan (circa 1900)
L.H. Krol: Borneo (1920-30)
87
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
A.Th.L.Rouwenhorst Mulder: Japan (6 albums, voor 1920)
China –album (circa 1880)
Duyvendak: China, Japan (3 albums 1889, 1901, 1920/21)
J.M. Janse: ‘s Lands Plantentuin Buitenzorg (1899)
J.F. Lankamp (fotograaf): Centraal Afrika 1890-1893
J. van Aalst: Nederlandsch –Indië (2 albums, circa 1900/1918)
Collectiekwaliteit
De historische museale collectie bevat volkenkundige of antropologische fotografie tot 1940. Het
jaartal 1940 kan in de loop der jaren verder opschuiven. De hedendaagse fotografie is de historische
fotografie van de toekomst. Daarom is een definiëring van hedendaagse, antropologische fotografie
hier op zijn plaats. Voor foto’s gemaakt vóór 1920 is de definitie relatief eenvoudig: fotografie ‘in den
vreemde’ gemaakt, van niet-westerse culturen, door westerse fotografen. In de periode na de tweede
wereldoorlog is deze grens tussen ‘wij’ en ‘zij’ in snel tempo vervaagd en daarmee gecompliceerd
geworden. De snel toegenomen mobiliteit en migratie van de wereldbevolking hebben tot gevolg dat
culturen niet meer geografisch gebonden zijn. Fotografen brengen ook hun eigen cultuur in beeld,
waardoor ze geen buitenstaanders meer zijn. Andere media (pers, televisie, internet) maken beelden
van culturen op grote schaal toegankelijk voor iedereen, waardoor musea en antropologie in de
marge opereren van de hedendaagse beeldvorming van 'de ander', die zoals gezegd moeilijk te
definiëren is. Nu de locatie van de opname en de persoon van de fotograaf niet meer bepalend zijn, is
een inhoudelijke definiëring voor antropologische fotografie op zijn plaats. De vraag is hier: welke
hedendaagse fotografie noemen we antropologisch in de zin van relevant voor het museum?
Hedendaagse, antropologische fotografie getuigt van een bewuste visie op mensen in de context van
hun specifieke (sub-)cultuur. Deze fotografie kan overal, door iedereen en voor uiteenlopende doelen
gemaakt worden. De antropologische fotografische visie kan een stereotype zijn - of worden - en
bestaande ideeën en (voor)oordelen bevestigen - of veroorzaken -, maar kan ook als eye-opener
nieuw licht werpen op mensen en hun cultuur. De stereotype fotografie is interessant als het gaat om
het onderzoek naar beeldvorming van culturen. Het betreft foto’s die op grote schaal verspreid zijn in
de vorm van fotoreportages in geïllustreerde media of gedrukt in de vorm van bijvoorbeeld
printreclame, reisfolders, postzegels, ansichtkaarten, kalenders. De eye-opener fotografie is
interessant omdat ze voortkomt uit een persoonlijke visie van de fotograaf. Onderzoek,
inlevingsvermogen en betrokkenheid beperken de letterlijke en figuurlijke afstand tussen fotograaf en
zijn onderwerp. De foto’s zijn vaak opiniërend bedoeld om een genuanceerder of een nieuw inzicht bij
de kijker teweeg te brengen. Het verschil tussen deze twee vormen van fotografie is in de praktijk
gecompliceerder dan hier gesuggereerd wordt. Intenties van fotografen kunnen hemelsbreed
verschillen van de betekenis die ‘het publiek’ aan de foto’s geeft. De context waarin de foto gezien
wordt, bepaalt voor een groot deel de interpretatie. Daarom is het van belang om het werk van een
fotograaf ook te bekijken in relatie tot het publiek.
Uit de definiëring van volkenkundige of antropologische fotografie vloeit voort dat het beleid voor de
museale fotocollectie van Volkenkunde zich concentreert op individuele visies van fotografen (en
onderzoekers) op culturen én de wijze waarop fotografie een rol van betekenis speelt in de
beeldvorming van culturen. Daarmee is de fotografie die in het verleden functioneerde als
documentatie ter ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek, zelf weer onderzoeksbron
geworden, vergelijkbaar met de rol van de fotografie tot 1910.
Een visie spreekt zelden uit een enkele foto. Het fotografiebeleid richt zich dan ook vooral op series
waarbij de samenhang tussen de foto’s betekenisvol is en de serie als geheel inzicht geeft in de
intentie van de fotograaf, oftewel het ‘verhaal’ dat hij of zij wil overbrengen op de kijker.
Het beeldvormende aspect wordt zowel bepaald door de visie van de fotograaf, als door de context
waarin de foto gepresenteerd wordt. Door een specifieke ondertiteling of begeleidende tekst kan de
receptie van een foto haaks staan op de intentie van de fotograaf. Zo is een groot deel van de oudste,
voor wetenschappelijke doeleinden verzamelde fotografie uit de collectie, tot in de jaren 1940
afgebeeld in semi-wetenschappelijke publicaties die in vrijwel alle West-Europese landen landen op
de markt werden gebracht en een miljoenenpubliek bereikt hebben. Deze verschijningsvormen van
fotografie zijn voor het onderzoek naar beeldvorming van even groot belang als de originele
afdrukken en transparanten.
Door het collectiebeleid te concentreren op de visie van makers en op de toepassing door de
gebruikers, biedt de collectie inzicht in functie en betekenis van fotografie als zelfstandig medium
binnen een volkenkundige context. Dit inzicht vergroten en publiek maken is het doel van het
collectiebeleid en de leidraad voor onderzoek, presentatie, verzamelen, behoud en beheer.
88
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Het verzamelen van historische fotografie concentreert zich op het versterken van de aanwezige
kwaliteit van deze collectie: fotoseries van individuele fotografen en/of onderzoekers waar een
beeldbepalende visie op een cultuur uit spreekt en die van belang is voor het onderzoek naar de
relatie tussen fotografie en antropologie.
Dit betreft zowel hedendaagse als historische fotografie.
Door dit werk te collectioneren, opdrachten te verstrekken, te publiceren en/of tentoon te stellen,
bouwt het museum enerzijds aan een collectie antropologische fotografie en speelt zij door middel
van presentaties een bescheiden doch actieve rol in de beeldvorming van culturen en groepen zowel
binnen als buiten onze samenleving.
Vergelijking met andere collecties
De belangrijkste, Nederlandse volkenkundige fotografiecollecties bevinden zich in het Tropenmuseum
(Amsterdam), het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land-, en Volkenkunde (Leiden), het Wereldmuseum
(Rotterdam) en in Museum Volkenkunde (Leiden). Daarnaast bestaan er een aantal interessante
collecties van kleinere koloniale- en missie-instellingen en geïllustreerde pers-archieven.
De collecties vertonen overeenkomsten en verschillen. Sommige delen van de collecties overlappen
elkaar, dat wil zeggen dat men over dezelfde foto’s en/of foto's van dezelfde fotografen beschikt. In
alle genoemde collecties is de fotografie gemaakt in de Nederlandse koloniën ruim vertegenwoordigd.
Hierin onderscheiden deze collecties zich om begrijpelijke redenen van andere collecties in Europa en
de Verenigde Staten, waar de accenten ook op het eigen (koloniale) verleden liggen.
Naast deze fotografie gerelateerd aan het koloniale verleden beschikt Volkenkunde over een
uitgebreide collectie foto’s uit andere cultuurgebieden. De fotoseries uit West-Azië, China, Japan, Iran
en Zuid-Afrika hebben geen overlap in andere collecties en zijn daarom uniek op nationaal niveau.
Een aantal van deze series bevindt zich ook in zijn geheel of gedeeltelijk in collega-instellingen in het
buitenland, andere zijn - voor zover bekend - uniek.
De collectie van Volkenkunde onderscheidt zich voorts van de andere nationale collecties door het
grote aantal vroege antropologische foto’s. Deze foto’s zijn miljoenen mensen in Europa onder ogen
gekomen via populair-wetenschappelijke publicaties die in de meeste West-Europese landen
verschenen en hebben grote invloed gehad op de beeldvorming in Europa van niet-westerse culturen.
Onder deze vroegste fotografie bevindt zich een aanzienlijk aantal foto’s van professionele fotografen
die in opdracht van de Nederlandse regering series maakten van onderzoeksexpedities, met als
sprekende voorbeelden het werk van J. Demmenie, C. Nieuwenhuys, en K.Feilberg. Ook veel van de
fotografie gemaakt tussen 1920 en 1980 betreft in de eerste plaats onderzoeksfotografie. Vrijwel alle
fotografie van na 1945 is gemaakt in het kader van onderzoek. De collectie geeft derhalve een
representatief beeld van de relatie tussen fotografie en antropologisch onderzoek zoals die zich vanaf
het begin van de fotografie én van de antropologie vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw
heeft ontwikkeld. De collectie heeft gemeen met andere etnografische fotocollecties dat er nog veel te
onderzoeken en te ontdekken valt. Het onderzoek in Nederland naar fotografie in de koloniale context
loopt achter bij vergelijkbaar onderzoek in de Angelsaksische landen. Dit heeft tot gevolg dat
fotografen die in opdracht van de Nederlandse overheid werkten en/of gevestigd waren in de
Nederlandse koloniën wereldwijd tot nu toe vrijwel onbekend zijn gebleven. De eerste stappen in die
richting zijn heel recent genomen in een nieuw overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse
fotografie (Dutch Eyes, 2007) waarin een hoofdstuk is opgenomen over de fotocollectie van
Volkenkunde.
Deselectie
Uit het beeldarchief wordt materiaal geselecteerd ten behoeve van de museale collectie. Dit betekent
dat het geselecteerde materiaal tot de categorieën A of B behoort. Niet-geselecteerd materiaal blijft in
het beeldarchief. Het niet-geselecteerde materiaal tot 1940 in het beeldarchief behoort tot de C categorie of, in het geval van reproducties en ander niet-origineel fotomateriaal tot de D categorie.
Fotografie van na 1940 in het beeldarchief behoort tot de categorie A, B, C of D.
Materiaal behorende tot de D-categorie komt in aanmerking komen voor deselectie. Dit
reproductiemateriaal bevindt zich op hetzelfde waarderingsniveau als digitale reproducties van
origineel materiaal. Omdat dit materiaal -evenals de digitale bestanden - gebruikswaarde heeft met
het oog op het maken van reproducties ten behoeve van publicaties of het doen van (verkennend)
onderzoek, is het van belang dat het binnen het museum is te raadplegen of is te gebruiken.
89
VERZAMELDE COLLECTIEPROFIELEN
MUSEUM VOLKENKUNDE
Literatuur
- Edwards, Elisabeth, red.
1992
Anthropology & Photography 1860 -1920. New Haven en London: Yale University Press/The Royal
Anthropological Institute.
- Roodenburg, Linda
2002
De Bril van Anceaux/Anceaux's Glasses. Antropologische fotografie vanaf 1860. Zwolle/Leiden:
Waanders Uitgevers/Rijksmuseum voor Volkenkunde.
- Roodenburg, Linda
2007
Ver Weg en dichtbij. Fotografie in het Rijksmuseum voor Volkenkunde. In: F. Bool, M. Boom e.a.
(redactie): Dutch Eyes. Nieuwe geschiedenis van de fotografie in Nederland. Waanders
Uitgevers/Stichting Fotografie in Nederland. Zwolle 2007. pp. 291- 302 (Ook Engelse editie).
- Thomas Theye (ed.)
1989
Der Geraubte Schatten. Eine Weltreise im Spiegel der etnographischen Photographie. Verlag C.J.
Bucher. München.
90
Download