Oorzaken verminderde motivatie voor leren woordenschat Duits

advertisement
Beroepsproduct 1 Projectverslag
Motivatie woordenschat leren
Gorter, L.
19-06-2015
Onderzoeksschool: Veluws College Mheenpark,
Apeldoorn
Begeleider onderzoeksschool: Dhr. A. Reiber
“Beroepsproduct 1, Bachelor leraar Spaans / Duits, IA”
Dossiernummer kennisbasis: 7407
Inhoudsopgave
Samenvatting ................................................................................................................................................ 2
Hoofdstuk 1: Inleiding ................................................................................................................................... 3
1.1 Aanleiding............................................................................................................................................ 3
1.2 Context van de school ......................................................................................................................... 3
1.3 Onderzoeksvraag ................................................................................................................................ 4
Hoofdstuk 2: Verkennend onderzoek ............................................................................................................ 5
2.1 Inleiding verkennend onderzoek .......................................................................................................... 5
2.2 Praktijkverkenning ............................................................................................................................... 5
2.2.1 Inleiding prakijkverkenning ............................................................................................................ 5
2.2.2 Plan van aanpak en middelen ....................................................................................................... 6
2.2.3 Resultaten en conclusies .............................................................................................................. 7
2.3 Literatuurverkenning ............................................................................................................................ 9
2.3.1 Inleiding literatuurverkenning ........................................................................................................ 9
2.3.2 Literatuurverkenning ................................................................................................................... 10
2.3.3 Conclusie literatuurverkenning .................................................................................................... 13
Hoofdstuk 3: Het beroepsproduct ............................................................................................................... 14
3.1 Conclusie verkenning ........................................................................................................................ 14
3.2 Ontwerpeisen .................................................................................................................................... 14
3.3 Vormgeving product .......................................................................................................................... 15
Onderwerp ........................................................................................................................................... 15
Doelgroep ............................................................................................................................................ 16
Doel ..................................................................................................................................................... 16
Vorm .................................................................................................................................................... 16
Hoofdstuk 4: Evaluatie en presentatie ........................................................................................................ 17
4.1 Presentatie ........................................................................................................................................ 17
4.2 Evaluatie............................................................................................................................................ 17
Literatuurlijst................................................................................................................................................ 19
Bijlage 2A - interviewleidraad ...................................................................................................................... 20
Bijlage 3A - Het beroepsproduct ................................................................................................................. 21
Bijlage 4A - Planning vormgeving, presentatie & evaluatie ......................................................................... 40
Bijlage 4B - Vragenlijst evaluatie................................................................................................................. 41
Ingevulde vragenlijst................................................................................................................................ 42
1
Samenvatting
Op het Veluws College Mheenpark in Apeldoorn ervaren docenten vreemde talen dat leerlingen in het
tweede leerjaar van het vmbo-tl niet gemotiveerd zijn om woordenschat te leren, of ze leren de woordenschat
vlak voor een toets waardoor de kennis niet voldoende beklijft. Om hier een oplossing voor te bieden heb
ik binnen de sectie Duits waar ik zelf werkaam ben onderzocht wat hiervan de oorzaken kunnen zijn en
welke werkvormen effectief kunnen zijn om de motivatie en de beklijving te verhogen.
Mijn praktijkonderzoek bestond in de eerste plaats uit het nagaan van de eisen aan leerlingen wat betreft
woordenschat d.m.v. het lezen van het vakwerkplan. Daarnaast heb ik verschillende collega’s ondervraagd
over de oorzaken die specifiek op het Veluws Collge worden ervaren en over werkvormen die volgens hen
effectief zijn. Ik heb de theorie toegepast om te onderzoeken wat de achtergronden zijn van
woordenschatverwerving en welke onderwijsmethoden vooral effectief zijn voor de beklijving van
woordenschat en in mindere mate ook voor het verhogen van de motivatie voor het leren van woordenschat.
Dankzij de literatuurverkenning ben ik bewust geworden van het belang van het gebruik van de doeltaal in
de lessen en van het belang om activiteiten volgens de systematiek van Neuner aan te bieden.
Op basis van de resultaten van mijn onderzoek heb ik een docentenhandleiding ontwikkeld waarin
verschillende werkvormen worden beschreven die als aanvulling op de methode kunnen worden gebruikt.
De werkvormen voldoen aan de eisen van de school wat betreft het gebruik van digitaal lesmateriaal en
sluiten aan op de doelgroep waar een grote behoefte bestaat voor werkvormen die sterk activerend zijn.
Bovendien bevat de handleiding ook algemene richtlijnen voor de lessen moderne vreemde talen die het
proces van woordenschatverwerving bevorderen.
2
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.1 Aanleiding
In opdracht van de sectievoorzitter Duits op het Veluws College Mheenpark te Apeldoorn, Dhr. A. Reiber,
zal ik onderzoek doen naar mogelijkheden om de motivatie van leerlingen voor het leren van woordenschat
te vergroten. In verschillende jaarlagen is een mindere mate van motivatie waar genomen. Mijn onderzoek
zal zich richten op 2mavo omdat ik daar zelf de lage motivatie heb ervaren en daar twee klassen heb waar
ik eventuele activiteiten kan uitvoeren.
Ik zal onderzoeken wat de oorzaken van deze lage motivatie kunnen zijn en hoe de motivatie kan worden
vergroot. Waarschijnlijk is dit probleem niet uniek voor het Veluws College, maar speelt het probleem ook
op andere scholen. Ik zal dus ook onderzoek doen naar hoe dit probleem op andere scholen wordt
aangepakt. Bovendien verwacht ik dat het probleem zich niet alleen voordoet bij het vak Duits, maar ook bij
andere moderne vreemde talen. Ik zal dus ook met collega’s van andere vakgroepen spreken over hoe zij
hier mee om gaan.
Mijn onderzoek heeft uiteindelijk tot doel om uit te vinden of de methode bijdraagt aan de lage motivatie en
welke andere materialen kunnen worden toegepast om de motivatie te vergroten. Deze extra materialen en
eventuele werkvormen wil ik samenvoegen in een handleiding. Deze handleiding zal het eindproduct van dit
onderzoek zijn.
Ik zal samenwerken met mijn collega’s van de sectie Duits op het Veluws College Mheenpark en
medestudenten en vakdocenten van de opleidingen leraar Duits en leraar Spaans. Dit laatste om uit te
vinden of bij Spaans de zelfde problemen bestaan en om ook met hen mogelijke oplossingen te bespreken.
1.2 Context van de school
Op de school wordt het gebruik van digitale lesmaterialen sterk aangemoedigd. Leerlingen beschikken
allemaal over een laptop en er wordt van hen verwacht dat ze deze tijdens de lessen bij zich hebben. De
methode Neue Kontakte (REF) die in de lessen Duits wordt gebruikt biedt ook een uitgebreide digitale
omgeving. Alle opdrachten die in het werkboek gedaan kunnen worden, kunnen ook digitaal gemaakt
worden. Bovendien zijn er extra verdiepingsopdrachten en spellen beschikbaar.
De school hanteert een rooster van vier 80-minuten lessen per dag. Het voordeel hiervan is dat er in één
les meer tijd is om uitgebreid op bepaalde onderwerpen in te gaan zonder ze op te hoeven splitsen. Een
nadeel is dat er bij uitval meteen veel tijd verloren gaat. Ook hebben klassen in sommige periodes maar één
keer per week Duits, dus maar één keer 80 minuten. Dit is ook het geval bij de klassen waar ik mijn
onderzoek op richt. Omdat er maar één contactmoment per week is, hebben deze klassen een vrij strakke
studiewijzer. Er moet vrij veel stof verwerkt worden waardoor werkvormen vaak kort gehouden moeten
worden.
3
De school staat wel open voor onderwijsvernieuwing en werkt momenteel ook actief aan het bedenken van
een algehele vernieuwing van het onderwijs binnen de school. Hierdoor staan ook collega docenten erg
open voor nieuwe ideëen en verwacht ik dat zij mij ook kunnen helpen met het bedenken en beoordelen van
verschillende werkvormen die betrekking hebben op mijn onderzoek.
De leerlingen in de vmbo-tl jaar 2 klassen waar ik mijn onderzoek op richt, zijn leerlingen die het best werken
als ze zelf actief zijn. Het leren van woordenlijsten of luisteren naar uitleg is minder effectief.
1.3 Onderzoeksvraag
Het probleem dat ik met dit beroepsproduct wil oplossen is concreet als volgt samen te vatten:
“Leerlingen in vmbo-tl jaar 2 van het Veluws College Mheenpark zijn niet gemotiveerd om woordenschat te
leren, of ze leren de woordenschat vlak voor een SO / toets en de kennis blijft niet langer hangen.”
Om tot het gewenste eindproduct te komen, zal ik een onderzoek gaan uitvoeren dat antwoord moet geven
op de volgende onderzoeksvraag:
“Welke werkvormen en soorten lesmateriaal kunnen docenten als aanvulling op de methode Neue Kontakte
toepassen om de motivatie voor het leren van woordenschat bij leerlingen in VMBO jaar 2 te vergroten?”
Mijn onderzoek vindt plaats in de periode van 20 april tot 12 juni 2015. Op 12 juni zal het eindproduct gereed
zijn. Het onderzoek zal bestaan uit een literatuurstudie en een praktijkonderzoek.
Bronnen voor literatuuronderzoek:

Castelijns, J., Loon, van A-M., Ros, A., & Verbeeck, K. (2014). Gemotiveerd leren en lesgeven De kracht van intrinsieke motivatie. Bussum: Coutinho

Donk, C. van der & Lanen, B. van. (2012). Praktijkonderzoek in de school (2 e dr.). Bussum:
Coutinho

Kwakernaak, E. (2015). Didactiek van het vreemdetalenonderwijs. Bussum: Coutinho

Staatsen, F. ( 2011). Moderne vreemde talen in de onderbouw. Bussum: Coutinho
Bronnen voor praktijkonderzoek:


vraaggesprekken met de volgende personen:
o
Mevr. C. Adriaensen (Veluws College, sectie Frans)
o
Dhr. A. Reiber (Veluws College, sectie Duits)
o
Dhr. B. Janssen (Veluws College, sectie Duits)
o
Mevr. C. Smids (Veluws College, sectie Spaans)
vragenlijst voor de volgende klassen:
o
Klas 2mavo5 en 2mavo 6 van het Veluws College Mheenpark te Apeldoorn
4
Hoofdstuk 2: Verkennend onderzoek
2.1 Inleiding verkennend onderzoek
Om mijn onderzoek gericht te kunnen voeren zal ik mijn onderzoeksvraag in deelvragen opsplitsen.
Hoofdvraag: “Welke werkvormen en soorten lesmateriaal kunnen docenten als aanvulling op de methode
Neue Kontakte toepassen om de motivatie voor het leren van woordenschat bij leerlingen in VMBO jaar 2
te vergroten?”
Deelvragen:
Wat zijn de eisen gesteld aan tweedejaars leerlingen van het VMBO op het Veluws College op het gebied
van woordenschat Duits? (praktijk)
Wat zijn mogelijke oorzaken voor de verminderde motivatie voor het leren van woordenschat Duits in het
vmbo? (theorie)
Wat zijn volgens leraren Duits en de leerlingen van het VMBO jaar 2 Op VC MP de oorzaken voor de
verminderde motivatie voor het leren van woordenschat? (praktijk)
Wat lijkt te werken om de motivatie voor het leren van woordenschat te vergroten? (theorie)
Wat daarvan is geschikt voor deze situatie en doelgroep? (theorie)
Wat werkt volgens leraren moderne vreemde talen (op diverse scholen) en de leerlingen van het VMBO jaar
2 Op VC MP om de motivatie voor het leren van woordenschat te vergroten? (praktijk)
2.2 Praktijkverkenning
2.2.1 Inleiding prakijkverkenning
Deelvragen voor onderzoek in de praktijk:
Wat zijn de eisen gesteld aan tweedejaars leerlingen van het VMBO op het Veluws College op het gebied
van woordenschat Duits? - Dit zal ik nagaan aan de hand van het Vakwerkplan Duits van Veluws
College Mheenpark en in een vraaggesprek met de sectievoorzitter bevestigen.
Wat zijn volgens leraren Duits en de leerlingen van het VMBO jaar 2 Op VC MP de oorzaken voor de
verminderde motivatie voor het leren van woordenschat? - Aan de hand van een vragenlijst wil ik de
oorzaak achterhalen vanuit het oogpunt van de leerlingen. Docenten zal ik in een één-op-één
vraaggesprek naar dit onderwerp vragen.
5
Wat werkt volgens leraren moderne vreemde talen (op diverse scholen) en de leerlingen van het VMBO jaar
2 Op VC MP om de motivatie voor het leren van woordenschat te vergroten? - Hiervoor zal ik een
inventarisatie van aanwezige materialen uitvoeren. Daarna zal ik in één-op-één vraaggesprekken met
collega’s nagaan welke materialen werken en welke niet. Leerlingen zal ik aan de hand van een
vragenlijst naar dit onderwerp vragen.
2.2.2 Plan van aanpak en middelen
Om de situatie en het probleem voor mijn beroepsproduct in kaart te brengen heb ik een gesprek gehad met
de opdrachtgever en tevens sectievoorzitter Duits. Ik heb de situatie nog beter in kaart kunnen brengen door
ook het vakwerkplan van de sectie te bestuderen. De situatie op het eerste gezicht was dat leerlingen in
vmbo-tl jaar 2 niet gemotiveerd zijn om woordenschat te leren. De woordenschat wordt aangeboden in de
vorm van zogenaamde “Lernlisten” (woordenlijsten) achterin ieder hoofdstuk van het werkboek horende bij
de methode die wordt gebruikt. Verder besteedt de methode aandacht aan de woordenschat door middel
van lees- en luisteropdrachten waar de woordenschat in voor komt. Het probleem dat binnen de school
bestaat is dat door deze lage motivatie, leerlingen de woordenlijsten slecht leren of op het laatste moment
waardoor de woorden niet blijven hangen. Uiteindelijk merkt men bij het toetsen van spreekvaardigheid of
bij schrijfopdrachten dat leerlingen over onvoldoende basis-woordenschat beschikken en dat de thematische
woordenschat per hoofdstuk niet voldoende is blijven hangen. Binnen de school is nog geen specifieke
aandacht aan dit probleem gegeven. Elke leraar heeft verschillende manieren waarop deze “probeert”
leerlingen te motiveren. Deze manieren zijn echter nergens vastgelegd. Daarom ga ik als oplossing voor dit
probleem een docentenhandleiding ontwikkelen waarin verschillende werkvormen zijn vast gelegd.
In de praktijk heb ik onderzoek gedaan om antwoord te krijgen op drie van mijn deelvragen. Hiervoor heb ik
twee middelen toegepast, namelijk het analyseren van het vakwerkplan van de sectie en het ondervragen
van collega docenten Moderne Vreemde Talen.
Om er achter te komen wat de eisen zijn die wat woordenschat betreft gesteld worden aan de leerlingen in
mijn doelgroep (vmbo-tl jaar 2), heb ik het vakwerkplan van de sectie Duits gebruikt. Hierin staat precies
aangegeven wat er van de leerlingen wordt verwacht.
Ten tweede heb ik vraaggesprekken gehouden met verschillende collega’s van de sectie Duits en de sectie
Frans. Wegens beperkte beschikbaarheid van collega’s heb ik niet alle mensen kunnen spreken met wie ik
in eerste instantie wilde afspreken. Uiteindelijk heb ik drie collega’s gesproken en zij hebben elkaar met hun
antwoorden uitstekend aangevuld, maar ook bepaalde zaken bevestigd waardoor ik er zeker van kan zijn
dat de gegevens die ik heb verzameld betrouwbaar zijn. Om het nodige te weten te komen voor mijn
onderzoek heb ik als interviewvragen mijn deelvragen gebruikt. Het precieze interviewleidraad is terug te
vinden in bijlage 2A. Dit bestaat uit twee hoofdvragen en verschillende vervolgvragen. Dankzij deze
vervolgvragen, maar ook vanwege het enthousiasme van de collega’s heb ik uitvoerige gesprekken met ze
kunnen voeren. De vragen die ik stelde nodigden, zoals ik had verwacht, uit tot uitgebreide antwoorden. De
verwachting voor deze vraaggesprekken was dat ik met name op de tweede vraag, betreffende de
werkvormen, veel verschillende antwoorden zou krijgen. Tijdens de gesprekken heb ik notities gemaakt en
het resultaat zal ik in dit verslag bij het onderdeel resultaten weer geven.
6
Tot slot heb ik op de school een workshop gevolgd over het gebruik van de electronische leeromgeving Its
Learning. Dit laatste sluit niet aan op één van mijn deelvragen, maar was nuttig omdat ik mijn vaardigheden
heb verbeterd die de ontwikkeling van het uiteindelijke product ten goede kwamen. Deze workshop had tot
doel leraren meer effectief gebruik te laten maken van de applicatie. Omdat digitale werkvormen belangrijk
zijn op deze school en ik dit ook zeker in mijn oplossing wil integreren heb ik de workshop gevolgd en
vervolgens een aantal dingen uit kunnen proberen met twee van mijn vmbo-tl klassen.
Vanwege te weinig tijd in de lessen, heb ik geen vragenlijst door leerlingen in kunnen laten vullen, hoewel
ik dit in eerste instantie wel van plan was. Wel heb ik enkele van de werkvormen die ik in mijn uiteindelijke
product op wilde nemen in mijn klassen uit kunnen testen en daardoor nog aan kunnen passen.
Het lezen van het vakwerkplan was vooral van belang voor de theorie achter mijn beroepsproduct. Met name
de resultaten van de vraaggesprekken heb ik in het product zelf kunnen toepassen.
2.2.3 Resultaten en conclusies
Resultaten:
Eisen gesteld aan leerlingen vmbo-tl jaar 2 wat betreft woordenschat Duits
Leerlingen op deze school beginnen in het eerste jaar al met Duits, wat eerder uitzondering is dan regel in
het Nederlandse onderwijs. Volgens ondervraagde collega’s wordt op de meeste scholen pas vanaf het
tweede leerjaar Duits aangeboden. Uit het vakwerkplan blijkt dat op het Veluws College Mheenpark gewerkt
wordt met de verschillende ERK-niveau’s. In het eerste leerjaar moeten leerlingen op niveau A1 zitten, in
jaar twee werken zij van niveau A1 naar niveau A2. Hierbij wordt alleen uitgegaan van de productieve
vaardigheden spreken en schrijven (zie afb. 2.1)
Afb. 2.1: Tabel ERK-niveaus per jaarlaag (uit Vakwerkplan Duits VC Mheenpark 2014-2015)
Wat betreft woordenschat houdt dit het volgende in voor de leerlingen van jaar 2 bij zowel spreken als
schrijven: “Standaard patronen met uit het hoofd geleerde uitdrukkingen en kleine groepen van
woorden waarmee beperkte informatie wordt overgebracht”. Bij spreken komt daar nog de
toevoeging “met betrekking tot eenvoudige alledaagse situaties” bij.
7
Oorzaken verminderde motivatie voor leren woordenschat Duits
Als belangrijkste oorzaken werden door mijn collega’s twee dingen genoemd. Ten eerste waren ze het er
allemaal over eens dat de beschikbaarheid van het internet een grote invloed heeft. Zeker op het Veluws
College waar leerlingen allemaal een laptop hebben en indien in de les toegestaan ook over een mobiele
telefoon beschikken, hebben zij altijd middelen bij de hand om snel informatie op te zoeken. De noodzaak
voor het leren van woordenschat is voor de leerlingen kleiner geworden, omdat ze woorden die ze niet
kennen liever opzoeken op het moment dat het nodig is, dan dat ze het uit hun hoofd leren.
De tweede oorzaak die werd genoemd was dat leerlingen niet meer lezen. Ook dit is een gevolg van de
beschikbaarheid van internet. Leerlingen concentreren zich minder vaak op een lange tekst, maar lezen wel
veel verschillende korte stukjes tekst op een oppervlakkige manier wanneer zij bijvoorbeeld op het internet
surfen of op social media actief zijn. Deze uitspraak zal ik aan de hand van de theorie nog willen valideren.
Effectieve werkvormen ter bevordering van de motivatie voor leren woordenschat Duits
De collega’s die ik sprak, noemden allemaal veel verschillende werkvormen die ze zelf toepassen of hebben
toegepast om leerlingen te laten werken met de woordenschat. Met name de beredenering achter de keuze
van de werkvormen vond ik voor mijn onderzoek van belang. Uit het gesprek met Dhr. Janssen bleek dat
het van belang is om te differentiëren. In elke klas zijn er leerlingen bij wie het leren van woordenschat wel
makkelijk gaat. Zij leren de woordenlijsten uit het hoofd en halen een ruime voldoende wanneer ze overhoord
worden. Bij deze leerlingen is het vooral van belang ze de woordenschat ook toe te laten passen, zodat
deze ook na het toetsmoment nog blijft hangen.
Bij leerlingen die meer moeite hebben met het leren van de lijsten of die niet gemotiveerd zijn is het effectief
om ze actief met de lijst te laten werken, bijvoorbeeld door ze de lijst in categoriën te laten indelen, ze de
woorden verplicht in WRTS laten invoeren of door te werken met woordspellen. Dhr. Janssen benadrukte
dat werkvormen die activerend zijn en het geven van beloningen het beste werken om de motivatie te
vergroten.
Mevr. Adriaensen bevestigde het belang van beloningen en steldde het idee van uitgestelde beloning voor,
bijv. door het geven van punten in de vorm van stickers. Bij een bepaald aantal stickers kunnen leerlingen
een extra punt krijgen op de toets of bijv. op een verzamelcijfer voor participatie en huiswerk.
Workshop electronische leeromgeving Its Learning
Uit de workshop die ik volgde over het gebruik van Its Learning, de electronische leeromgeving die op het
Veluws College wordt gebruikt, heb ik veel praktische informatie kunnen halen. Ik heb o.a. geleerd hoe de
applicatie gebruikt kan worden om te differentiëren en hoe men de applicatie gebruikt om toetsen aan te
maken die zowel normatief als summatief kunnen worden gebruikt.
Conclusies:
8
Het feit dat leerlingen niet meer gemotiveerd zijn omdat ze woorden toch altijd kunnen opzoeken heeft
volgens mij een direct effect op de intrinsieke motivatie. Door leerlingen vaker in situaties te brengen waarin
zij ad rem moeten reageren en dus zelf over de woordenschat moeten beschikken omdat ze het niet op
kunnen zoeken, leren ze het nut in te zien van het kennen van woordenschat. Ook is het daarbij belangrijk
duidelijk te maken waar ze in de toekomst tegen aan kunnen lopen als ze in echte situaties met de vreemde
taal te maken krijgen. Door te laten zien dat het niet mogelijk is om communicatief te zijn als ieder woord
opgezocht moet worden, zullen leerlingen het belang van de woordenschat moeten gaan inzien. Hiervoor is
het van belang om in de lessen veel aandacht aan spreekvaardigheid te besteden.
Wat betreft de werkvormen, zal het belangrijk zijn om activiteiten te bieden die leerlingen met verschillende
leerstijlen en verschillende niveaus aanspreken en kunnen activeren. Leerlingen die weinig moeite hebben
met het uit het hoofd leren van woordenschat zullen meer taken moeten ondernemen waarbij ze de
woordenschat in verschillende contexten toepassen. Leerlingen die het lastiger vinden om woorden en hun
betekenissen uit het hoofd te leren zullen actiever met de woordenlijst aan de slag moeten en deze
bijvoorbeeld op verschillende manieren eerst schriftelijk verwerken. Hierbij is het van belang leerlingen te
belonen en van constructieve feedback te voorzien.
Een aantal werkvormen die door mijn collega’s werden gesuggereerd zullen zeker in de handleiding terug
komen. Met name de werkvormen waarmee de leerlingen bekend worden met de nieuwe woordenlijst, zoals
het indelen van de woorden in categorieën per geslacht (der, die, das, mv, overig).
2.3 Literatuurverkenning
2.3.1 Inleiding literatuurverkenning
Ik heb de literatuur gebruikt om te weten te komen in welke volgorde werkvormen het beste aangeboden
kunnen worden en om te weten wat de beredenering is achter verschillende werkvormen. Dus waarom een
bepaalde werkvorm effectief is om een bepaald leerresultaat te bereiken. Daarnaast heb ik een aantal
aspecten van intrinsieke motivatie onderzocht en een artikel gelezen dat ingaat op het belang van
spreekvaardigheid bij woordenschatverwerving. Bovendien biedt de literatuurverkenning inzicht in het
algemene
proces
van
woordenschatverwerving.
Deze
inzichten
zullen
in
de
uiteindelijke
docentenhandleiding toegepast worden in de vorm van algemene richtlijnen voor de lessen moderne
vreemde talen.
9
2.3.2 Literatuurverkenning
Woordenschat
In de onderbouw is er sprake van een beperkte duur waarin vreemde talen worden aangeboden en van een
beperkte hoeveelheid lestijd waardoor het aanbod van vocabulaire aan bepaalde grenzen gebonden is. De
woordenschat die aangeboden moet worden zou voor leerlingen in ieder geval voldoende moeten zijn om
zich in toepassingssituaties buiten school te kunnen redden. Bij Duits zou in het begin vooral de productieve
woordenschat benadrukt moeten worden (Staatsen, 2004, p. 168, 169). De methode Neue Kontakte die op
het Veluws College in de lessen Duits wordt gebruikt sluit hier goed op aan doordat de aangeboden thema’s
aansluiten op de belevingswereld van de leerlingen en veel woordenschat bevatten die leerlingen in de
moedertaal zelf ook dagelijks gebruiken (Geerdink, et. al., 2009).
Bij woordenschatverwerving wordt onderscheid gemaakt tussen receptief en productief. Receptief houdt in
dat woorden of taalmiddelen die de leerling hoort of leest, door de leerling begrepen worden. Productief
houdt in dat de leerling woorden en taalmiddelen zelf toepast in authentieke situaties. Kwakernaak (2009,
p. 281) geeft twee belangrijke stelregels voor het leren van woordenschat. Namelijk dat wij als docent de
woorden die we de leerlingen laten leren zorgvuldig moeten selecteren. Woorden waar leerlingen in echte
situaties eigenlijk minder of weinig profijt van zullen hebben, zouden we moeten uitsluiten. Daarbij is het van
belang om onderscheid te maken tussen woorden die ze enkel receptief hoeven te beheersen en woorden
die ze ook productief moeten kunnen toepassen. Receptief zouden ze tijdens een overhoring in principe
alleen van doeltaal naar moedertaal moeten kunnen vertalen. In ons geval dus van Duits naar Nederlands.
Woorden die ze productief moeten beheersen, moeten ze ook van Nederlands naar Duits kunnen vertalen.
Het oefenen van nieuwe woordenschat is het meest effectief indien dit gestructureerd verloopt. Een goed
voorbeeld van een duidelijke opbouw in fasen is de oefentypologie van Neuner. Hiermee doorlopen
leerlingen vier fasen vanaf begrijpen tot spontaan taalgebruik. Eerst is er sprake van receptieve opdrachten,
dan reproductie en uiteindelijk vrije productie. De beschikbaarheid van hulpmiddelen neemt hierbij
gaandeweg af. (Staatsen, 2004, p. 25).
De volgorde waarin woordenschat wordt aangeboden hangt veelal af van de indeling van de methode
(Staatsen, 2004, p. 175). De methode Neue Kontakte houdt net als de meeste leergangen voor Moderne
Vreemde Talen een indeling per thema aan. In het eerste leerjaar beginnen leerlingen met het thema “jezelf
voorstellen”, dan volgen “familie en vrienden”, “hobby’s en sport” en tot slot “op school” (Geerdink, M. et. al.
2008). De thema’s in het tweede leerjaar zijn “Eten, drinken, restaurant”, “computer en internet”, “mode” en
“vakantie” (Geerdink, M. et. al. 2009). Kwakernaak (2009, p. 279) geeft aan dat het bij het begrijpen van
losse woorden vaak niet zonder context kan. Dit kan ofwel een situatie zijn ofwel talige context, zoals een
hele zin er omheen. Omdat het in het onderwijs niet altijd mogelijk is om rond alle hierboven genoemde
thema’s levensechte situaties te creëeren (behalve bij het thema “op school”), is vaak veel talige context
nodig.
Cyclische herhaling in wisselende contexten is vooral bij gespreksvaardigheid belangrijk. Voordat leerlingen
woorden en uitdrukkingen productief kunnen toepassen, is het belangrijk dat ze deze eerst meermaals
hebben gehoord en gelezen. Hiervoor kunnen verschillende woordspelletjes gebruikt worden (Staatsen,
2004, p. 176, 177). Ook Kwakernaak (2009, p. 282) benadrukt het belang van herhaling en presenteert de
oplossing in de vorm van intervalstraining. Nadat een leerling voor het eerst in aanraking is gekomen met
10
een woord, moet de eerste serie herhalingen van dat woord er vrij snel op volgen en daarna met steeds
grotere tussenpozen. Op die manier wordt de retentie steeds beter. Volgens een experiment dat
Kwakernaak beschrijft is het optimaal om een nieuw woord in één keer (bijv. binnen een tekst) 4 keer voor
te laten komen in verschillende contexten en vervolgens in minstens drie volgende lessen, steeds nog een
keer in een andere context. Het is daarbij belangrijk om niet te veel nieuwe woorden te gelijk te introduceren,
maar de nieuwe woorden in een context te plaatsen waar voldoende reeds bekende woorden in voor komen.
Bovendien moet het aantal nieuwe woorden niet te groot zijn, omdat het leren veel tijd kost, vooral als de
woorden met regelmatige tussenpozen herhaald moeten worden. Daar komt bij dat leerlingen vaak niet één
vreemde taal tegelijk leren, maar meedere en ook nog andere vakken volgen.
Staatsen (2004, p. 176, 177) behandelt de input van woordenschat aan de hand van verschillende experts
en hun standpunt hier over. Van Parreren suggereert bijvoorbeeld dat het handelingskarakter van belang is,
oftewel het systematisch uitvoeren van taken op basis van schema’s, diagrammen en tekeningen. Dit zou
helpen bij het beheersen van de taal.
Kwakernaak (2009, p. 284) wijst ook op de zinloosheid van het leren van lijsten losse woorden zonder er
iets mee te doen. Woordenlijsten stampen is een onnatuurlijke methode en die mogen niet de overhand
krijgen op natuurlijke methodes, zoals het opmaken van de betekenis van woorden uit het herhaald gebruik
ervan in verschillende contexten. Om het natuurlijk leren te bevorderen stelt Kwakernaak de “raadmethode”
voor.
Tot slot moeten we ons realiseren dat we niet van leerlingen kunnen verwachten dat ze een taal volledig
beheersen. Leerlingen moeten daarom ook voorbereid zijn op situaties waarin hun woordenschat
ontoereikend is. Voor zulke situaties is het noodzakelijk om gericht te werken aan compenserende
productiestrategieën, zoals bijvoorbeeld het gebruik maken van overkoepelende woorden, omschrijvingen,
fysieke eigenschappen en contrastparen (Staatsen, 2004, p. 174).
Motivatie
Bij het motiveren van leerlingen is er een grote rol weg gelegd voor autonomie, competentie en sociale
verbondenheid. Daarnaast is het evalueren van het leerproces ook een aspect van betekenis voor de
motivatie (Castelijns, 2014).
In de beginfase van dit onderzoek werd door mijn opdrachtgever aangestipt dat het probleem van
woordenschat die niet beklijft met name tot uiting komt wanneer leerlingen in het vierde jaar mondeling
examen doen. Bij gespreksvaardigheid blijkt dat leerlingen niet over voldoende woordenscaht beschikken.
Uit de theorie hierover blijkt o.a. dat het voor een goede gespreksvaardigheid nodig is dat het proces van
het ophalen van woorden in de vreemde taal uit het mentale lexicon bijna net zo geautomatiseerd verloopt
als in de moedertaal. (Kwakernaak, 2011) In hetzelfde artikel stelt Kwakernaak dat de communicatieve
methodes waarin leerlingen door meer lezen en luisteren vanzelf tot schrijven en spreken zouden komen in
de praktijk tegen vallen. De oorzaak hiervan zou zijn dat er te weinig aandacht wordt besteed aan
tussenliggende oefenfases tussen receptief en productief. Doordat er van leerlingen te snel wordt verwacht
om vrij dan wel geleid te spreken, lukt dit vaak niet. De tegenvallende resultaten werken demotiverend.
11
Het soort oefeningen dat volgens Kwakernaak (2011) in de meeste leergangen ontbreekt of te weinig
voorkomt is oefenen in mondelinge vormgerichte oefensituaties. In plaats daarvan zijn er voor woordenschat
vaker schriftelijke invuloefeningen waarbij weinig of niet gericht wordt geoefend op een spontane, vloeiende
productie.
Uit de resultaten van mijn praktijkverkenning bleek dat één van de oorzaken van het probleem dat
woordenschat minder beklijft zou kunnen zijn dat leerlingen minder lezen. Daarom heb ik me ook verdiept
in het onderwerp motivatie voor lezen. Fiori en van Hardeveld (geciteerd door Elderman, 2014) stellen
dat juist zwakke lezers minder zelfvertrouwen en een beperkte motivatie om te leren hebben. Ook Kun
(2013) beschrijft de invloed van taalangst op de motivatie bij het leren van een nieuwe taal.
Volgens Elderman (2014, p. 50) is er een oplossing voor het aanwakkeren van motivatie om te lezen. Indien
deze niet al aanwezig is, is het belangrijk om rekening te houden met het lezersprofiel van de leerling en het
eventuele aanbod van boeken of teksten daarop te laten aansluiten. Het lezersprofiel wordt gebaseerd op
de inhoudelijke voorkeuren en de persoonlijke achtergrond van de lezer. Deze informatie is zeer nuttig om
de achtergrond van het probleem motivatie beter te begrijpen, maar is ook zo veelomvattend dat het buiten
dit onderzoek nader bekeken zou moeten worden. In de handleiding met werkvormen die naar aanleiding
van dit onderzoek zal worden ontwikkeld, kan ik op basis hiervan enkel een opmerking toevoegen dat er bij
leesteksten rekening gehouden moet worden met het profiel van de leerling.
12
2.3.3 Conclusie literatuurverkenning
Wat betreft motivatie is het van belang dat het beroepsproduct werkvormen bevat die leerlingen de juiste
mate van autonomie bieden, ze een gevoel van competentie geven en waarbij sprake is van sociale
verbondenheid. In de eerste plaats is het dus essentieel dat leerlingen zich veilig voelen, zeker gezien het
belang van spreekvaardigheid dat door Kwakernaak wordt benadrukt. Daarom zal het de leerlingen duidelijk
gemaakt moeten worden dat fouten maken mag en moeten er afspraken binnen de klassen worden gemaakt
dat leerlingen respectvol omgaan met elkaar. Om autonomie te bevorderen, zal er sprake moeten zijn van
keuze in ofwel activiteiten ofwel moeilijkheidsgraad. Tot slot moet de docent het gevoel van competentie
bevorderen door positieve constructieve feedback te geven. Dit sluit tevens aan bij de relevantie van het
evalueren van het leerproces voor het bevorderen van motivatie.
Twee aspecten van de theorie achter woordenschatverwerving zijn met name mijn interessant voor dit
onderzoek, namelijk de opbouw in het aanbod van leeractiviteiten volgens de vier fasen van Neuner en het
belang van spreekvaardigheid. De systematiek van Neuner zal ik in de volgorde van de werkvormen in de
handleiding toepassen. Om het belang van spreekvaardigheid en het gebruik van de doeltaal in de lessen
te benadrukken, zal ik een extra onderdeel aan de handleiding toevoegen waarin algemene richtlijnen
hierover worden gegeven.
Het belang van het handelingskarakter of het taakgericht leren zal in de handleiding die uit dit onderzoek
voorkomt terug moeten komen in de vorm van werkvormen waarin leerlingen zelf werken met de
woordenschat. Hierbij denk ik aan elkaar vragen stellen en antwoorden bedenken in de vorm van een Kahoot
quiz of geleide spreekvaardigheidsoefeningen. Enkele van de in Staatsen genoemde voorbeelden van
woordspelletjes zal ik ook opnemen in de werkvormen.
13
Hoofdstuk 3: Het beroepsproduct
3.1 Conclusie verkenning
Uit de literatuur maakte ik op dat het aantal woorden dat leerlingen zich in een bepaalde periode eigen
maken beperkt moet zijn zodat er meer herhaling kan plaats vinden. Mevr. Adriaensen vertelde mij tijdens
ons vraaggesprek dat zij leerlingen soms haar eigen woordenlijsten laat samen stellen. Leerlingen hebben
in hun moedertaal niet allemaal dezelfde woordenschat die ze het meest gebruiken. Daarom is het logisch
om ze zelf te laten bepalen welke woorden uit de woordenlijst zij belangrijk vinden om productief te kennen
en ze deze in een eigen lijst van een minimaal aantal woorden te laten terug komen. Deze lijst is daarna
aan te vullen met woorden die niet in het boek voorkomen, maar die met hetzelfde thema te maken hebben
en die zij belangrijk vinden. Hiermee wordt het aantal woorden beperkt en sluit het minimaal aantal woorden
ten minste aan op de belevingswereld van de leerling zelf.
Als het aantal woorden en de inhoud van de woordenlijsten eenmaal vast staat, kunnen de woorden en
taalmiddelen worden geoefend met verschillende werkvormen. Uit de theorie bleek dat deze oefening
opgebouwd moet wordne in fasen vanaf begrijpen tot spontaan taalgebruik. De werkvormen die de door mij
ondervraagde docenten voorstelden zijn uitstekend onder te verdelen aan de hand van de oefentypologie
van Neuner. In het ontwerp van mijn docentenhandleiding kan ik daar dus rekening mee houden.
De eerste oorzaak die door mijn opdrachtgever werd genoemd voor de afnemende beklijving van
woordenschat was dat leerlingen minder lezen. Uit de theorie heb ik opgemaakt dat het lezen van teksten
waarin woordenschat herhaald wordt aangeboden van groot belang is. Uit de masterthesis die ik las over
het motiveren van leerlingen om te lezen blijkt dat dit mogelijk is door te zorgen dat teksten aangepast zijn
op het lezersprofiel. Echter zal het te tijdrovend zijn om voor korte werkvormen, zoals deze in de
docentenhandleiding zullen worden beschreven, voor elk profiel verschillende teksten te zoeken of samen
te stellen. Er zal toch gebruik gemaakt moeten worden van de in de methode aanwezige teksten die in ruime
mate voorzien zijn van de nieuwe woordenschat.
Om de tweede oorzaak was dat leerlingen veel informatie tegenwoordig makkelijk op het internet kunnen
vinden. Hieronder vallen ook woorden die ze niet kennen en die ze dus met een vertaalsite opzoeken. De
theorie biedt hiervoor de oplossing door leerlingen gericht te laten oefenen met “raadstrategiën”.
3.2 Ontwerpeisen
Als oplossing zal naar aanleiding van het onderzoek een docentenhandleiding worden ontwikkeld. Deze
handleiding zal in de eerste plaats voorzien in algemene richtlijnen voor het bevorderen van de
woordenschatverwerving in de les. Ten tweede zullen er activerende werkvormen in worden beschreven die
gebruikt kunnen worden ter ondersteuning van de methode neue Kontakte. De richtlijnen en de werkvormen
hebben als doel het vergroten van de betrokkenheid van leerlingen tijdens het werken met woordenschat
Duits waardoor deze beter beklijft.
14
De docentenhandleiding moet aan een aantal eisen voldoen. Zo is het ten eerste noodzakelijk dat de
werkvormen en gebruikte materialen de koppeling bevorderen tussen de woordenschat en toepassing ervan
in de praktijk. Dit houdt in dat de geleerde woorden en taalmiddelen door leerlingen in verschillende
zinsverbanden en situaties toegepast kunnen worden.
Ten tweede dient de handleiding in navolging van de inrichting van het onderwijs op de school voldoende
digitale werkvormen te bevatten. Leerlingen brengen altijd een laptop mee naar de les en alle lokalen zijn
voorzien van digiboards. De algemene richtlijn van de school is dat van deze middelen in het onderwijs zo
veel mogelijk effectief gebruik gemaakt wordt. De school hecht grote waarde aan de ICT-vaardigheden van
leerlingen en daarom is de algemene richtlijn van de school dat zo veel mogelijk effectief gebruik gemaakt
wordt digitaal materiaal en digitale hulpmiddelen.
Ten slotte dient het product een uitbreiding van de basiswoordenschat te bevorderen. Dit betekent dat naast
de woordenschat die leerlingen rond de thema’s uit de methode moeten leren, ook aandacht besteed moet
worden aan algemene taalmiddelen en standaarduitdrukkingen. Een goed voorbeeld hiervan is o.a. het
gebruik van de compenserende productiestrategiën om dingen te beschrijven wanneer leerlingen een woord
niet kennen. Daarnaast moet de handleiding duidelijkheid geven over de mogelijkheid om leerlingen zelf
woordenlijsten samen te laten stellen. De woorden die in de methode worden aangeboden komen wellicht
niet helemaal overeen met de woordenschat die de leerlingen zelf in hun moedertaal gebruiken. Leerlingen
kunnen hun eigen woordenlijsten dus ook aanvullen met woorden die wel bij hun passen.
3.3 Vormgeving product
Onderwerp
Het onderwerp van het product is kort gezegd
“woordenschat”. Het uiteindelijke product is een
docentenhandleiding die in feite zal bestaan uit twee delen. In het eerste deel worden een aantal algemene
richtlijnen gegeven om woordenschatverwerving in de lessen Duits te bevorderen. In het tweede deel zullen
een aantal verschillende werkvormen worden beschreven die docenten in hun lessen kunnen toepassen om
de motivatie van leerlingen voor het leren van woordenschat te vergroten. Daarnaast hebben de werkvormen
een positief effect op de beklijving van de woordenschat. De werkvormen zijn los te gebruiken of te
combineren door gebruik te maken van werkvormen horend bij de verschillende fasen waarin ze zijn
ingedeeld.
Bij het selecteren van de werkvormen moet rekening gehouden worden met de verschillende punten die uit
het praktijkonderzoek en de literatuurverkenning naar voren zijn gekomen. Hier volgen de belangrijkste
punten nogmaals:

Voor elk van de vier fasen van Neuner (van recptief naar productief) moet minstens één werkvorm
voorkomen.

Werkvormen bevorderen beklijving indien sprake is van cyclische herhaling in meerdere contexten.

Motivatie bij leerlingen is groter wanneer er sprake is van directe contstructieve feedback en / of
beloning.

De werkvormen in de handleiding dienen in sterke mate activerend zijn.

De handleiding dient werkvormen te bevatten waarbij gebruik gemaakt wordt van digitale middelen.
15
Indien een werkvorm aan één of meer van bovenstaande punten voldoet kan hij in de handleiding worden
opgenomen.
Doelgroep
De doelgroep voor de handleiding bestaat in de eerste plaats uit docenten Duits die les geven aan het
tweede leerjaar vmbo-tl. De handleiding kan echter ook worden gebruikt door docenten van andere moderne
vreemde talen en enkele losse werkvormen kunnen ook in andere jaarlagen uitgevoerd worden.
Indirect vormen de leerlingen van vmbo-tl jaar twee tevens de doelgroep aangezien de werkvormen er toe
moeten leiden dat zij meer gemotiveerd raken voor de leeractiviteiten waarbij woordenschat wordt geleerd
en dat zij de geleerde woordenschat beter vast houden.
Doel
Het doel van de docentenhandleiding is docenten weer bewust te maken van de richtlijnen die
woordenschatverwerving bevorderen, zoals bijvoorbeeld het gericht gebruiken van de doeltaal. Daarnaast
worden docenten herinnerd aan de verschillende fasen waarin woordenschat wordt geleerd en gewezen op
verschillende werkvormen die daarbij gebruikt kunnen worden. Doordat de werkvormen allemaal weinig of
geen uitgebreide voorbereiding vereisen zijn ze laagdrempelig en moeten ze docenten aansporen ze
regelmatig te gebruiken.
Het uiteindelijke doel is dat door het gebruiken van de werkvormen in de les, leerlingen op meer
verschillende manieren met de woordenschat in aanraking komen. Door de herhaling in verschillende
contexten wordt bewerkstelligd dat de betekenis van woorden sneller en beter blijft hangen. Door het
activerende karakter van de werkvormen wordt de motivatie van leerlingen verhoogd om met de
woordenschat te werken en zo dus de woordenschat te leren.
Vorm
Aansluitend aan de voorkeur van de school voor digitaal materiaal en de wens om printen waar mogelijk te
vermijden, is de handleiding in de eerste plaats enkel als PDF document beschikbaar. Indien gewenst
kunnen docenten een kopie voor zichzelf uitprinten. Het product zal, na goedkeuring van de opdrachtgever
en tevens sectiehoofd, beschikbaar zijn op de vaksite van de sectie Duits binnen Its Learning.
Het daadwerkelijke product is ook in dit verslag terug te vinden in bijlage 3A.
De handleiding bestaat uit een korte inleiding waarin staat beschreven wat het doel van de handleiding is.
Daarna volgen enkele algemene richtlijnen voor het bevorderen van woordenschatverwerving in de les. Tot
slot worden de verschillende werkvormen beschreven. Ze worden per fase in de handleiding opgenomen.
Eerst komen dus werkvormen die toe te passen zijn in de eerste fase waarin leerlingen voor het eerst kennis
maken met de nieuwe woorden. Dan volgen werkvormen voor fase B en C en uiteindelijk werkvormen
waarbij leerlingen de woordenschat zo veel mogelijk spontaan toe passen met gebruik van een zeer beperkt
aantal of helemaal geen hulpmiddelen.
16
Hoofdstuk 4: Evaluatie en presentatie
4.1 Presentatie
In bijlage 4A is mijn planning voor het vormgeven, presenteren en evalueren van het beroepsproduct terug
te vinden. Het uiteindelijke beroepsproduct zal gepresenteerd worden aan de opdrachtgever. Tijdens deze
presentatie zal ik kort nogmaals het proces toelichten dat is gevolgd om tot het uiteindelijke product te
komen. Met name de probleemstelling waar dit product een oplossing voor moet bieden zal ik uitlichten
evanals de eisen waaraan het product moest voldoen. Vervolgens zal ik uitgebreid het product tonen. Er zal
een uitgeprinte versie van het product beschikbaar zijn, maar ook zal ik de inhoud op het scherm tonen en
toelichten. Hiertoe heb ik een lokaal geregeld waar de presentatie plaats kan vinden. Tijdens de presentatie
licht ik met name toe waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt en waarop de structuur van de handleiding is
gebaseerd.
Na de presentatie vraag ik de opdrachtgever om de vragenlijst ter evaluatie in te vullen. Deze vragenlijst
moet de volgende vragen beantwoorden:
1.
Biedt de handleiding voldoende afwisseling?
2.
Zijn de werkvormen voldoende activerend?
3.
Sluiten de werkvormen voldoende op elkaar aan?
4.
Is de handleiding begrijpelijk?
5.
Is de handleiding in de praktijk toepasbaar?
6.
In hoeverre wordt verwacht dat de gekozen werkvormen effectief zijn?
Zie bijlage 4B voor de complete vragenlijst en tevens voor de versie die uiteindelijk door de opdrachtgever
is ingevuld
.
4.2 Evaluatie
De handleiding werd goed door de opdrachtgever ontvangen. De eerste indruk was zeer positief. Met name
op de aanwezigheid van de algemene richtlijnen werd enthousiast gereageerd. Echter waren er ook
kanttekeningen die vooral te maken hadden met de praktische uitvoerbaarheid van enkele punten. Hoewel
een constante toepassing van de doeltaal voor veel docenten in het vreemdetalenonderwijs een ideaal beeld
is, blijkt er in de praktijk toch vaak te weinig tijd te zijn om dit consequent uit te voeren. Wanneer enkel de
doeltaal gesproken wordt, moeten dingen vaak op meerdere manieren herhaald worden voordat alle
leerlingen het begrijpen en duurt het vaak langer voordat leerlingen zeggen wat ze willen. Aangezien
leerlingen in het tweede jaar vmbo-tl maar één keer per week een les van 80 minuten Duits hebben, komen
docenten vaak tijd te kort om werkelijk alles in de doeltaal te doen.
17
Daarentegen was de opdrachtgever zeer positief over het feit dat in de richtlijnen aandacht werd besteed
aan zowel raadstrategiën als compenserende productiestrategiën. Dit zijn belangrijke aspecten die
leerlingen ook aansporen meer over hun denk- en leerproces na te denken.
Verder werd bij de eerste werkvorm “mindmaps maken” aangegeven dat zoiets in veel minder tijd zou
kunnen dan de 15 tot 20 minuten die er voor stonden. De opdrachtgever was ook te spreken over het feit
dat bij enkele werkvormen ook voorbeelden van een instructie of van een invulformulier waren gegeven. Het
zou dus goed zijn om dit in een volgende versie bij alle werkvormen te doen.
Op basis van de feedback zou ik verder geen grote aanpassingen aan de handleiding doen. De kanttekening
over de tijdsbeperkingen m.b.t. het gebruik van de doeltaal is begrijpelijk. Desondanks is dit een belangrijke
voorwaarde voor het leren van woordenschat. Deze richtlijn zou in een nieuwe versie dus zeker blijven
staan. Hierdoor worden docenten in ieder geval nogmaals bewust gemaakt van het belang. Het is vervolgens
aan hen zelf of ze er voor kiezen dit in de les ook daadwerkelijk toe te passen.
18
Literatuurlijst
Castelijns, J., Loon, van A-M., Ros, A., & Verbeeck, K. (2014). Gemotiveerd leren en lesgeven - De kracht
van intrinsieke motivatie. Bussum: Coutinho.
Elderman, F. (2014). Lezen wordt weer leuk! (Masterscriptie). Universiteit Utrecht (Geraadpleegd via
http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/298629).
Geerdink, M., Hegge, J., Jellema, A. & Streutjes, M. (2008). Neue Kontakte 1 vmbo kgt Textbuch - vijfde
editie. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers bv
Geerdink, M., Hegge, J., Jellema, A. & Streutjes, M. (2009). Neue Kontakte 2 vmbo kgt Textbuch - vijfde
editie. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers bv
Kun, S.F. (2013). De Rol van Motivatie bij het Leren van een Tweede Taal. (Masterthesis). Universiteit
Utrecht (Geraadpleegd via http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/297566).
Kwakernaak, E. (2009). Didactiek van het vreemdetalenonderwijs. Bussum: Coutinho
Kwakernaak, E. (2011). Van herhaling gesproken. Levende Talen Magazine, 98(1), 12-17.
Staatsen, F. (2004). Moderne vreemde talen in de onderbouw. Bussum: Coutinho.
19
Bijlage 2A - interviewleidraad
Vragen aan docenten Duits en Frans op het Veluws College Mheenpark, te Apeldoorn
Vraag 1. Wat zijn volgens jou mogelijke oorzaken voor de verminderde motivatie voor het leren van
woordenschat bij leerlingen van het vmbo-tl jaar 2?
Vervolgvragen:

Waaruit blijkt dat?
Vraag 2. Welke werkvormen t.b.v. het leren van woordenschat en om de motivatie hiervoor te vergroten
heb je in je lessen uitgevoerd en waarom waren deze wel of juist niet effectief?
Vervolgvragen:

Hoe reageren de leerlingen op de werkvorm?

Welk effect heeft het op het leerrendement en waar blijkt dat uit?

Hoe pas je de werkvorm toe in de gehele les?

Met welke aandachtspunten moet men bij deze werkvorm rekening houden?
20
Bijlage 3A - Het beroepsproduct
21
Inhoudsopgave
Inleiding
23
Algemene richtlijnen woordenschatverwerving in de les
24
Inleiding werkvormen
26
Werkvorm 1 - Mindmap maken ...................................................................... 27
Mindmap maken - voorbeeld instructie ....................................................... 28
Werkvorm 2 - Eigen woordenlijst maken ....................................................... 30
Werkvorm 3 - Plan van aanpak maken .......................................................... 31
Formulier Plan van aanpak Lernliste ........................................................... 32
Werkvorm 4 - Indelen in categoriën ............................................................... 33
Werkvorm 5 - Lezen ...................................................................................... 34
Werkvorm 6 - Kahoot quizen spelen en maken ............................................. 35
Werkvorm 7 - Zelf woordspelletjes maken ..................................................... 36
Werkvorm 8 - Dialogen .................................................................................. 37
Werkvorm 9 - Speeddaten ............................................................................. 38
Werkvorm 10 - Toetsvormen in Its Learning .................................................. 39
22
Inleiding
Deze handleiding is geschreven voor docenten Duits die werken met de Methode
Neue Kontakte en is met name gericht op lessen in het tweede leerjaar van de
theoretische leerlijn van het vmbo. De algemene richtlijnen en de voorgestelde
werkvormen zijn echter ook toe te passen in lessen van andere jaarlagen en
andere moderne vreemde talen. Enkel de handreikingen voor gebruik van de
doeltaal per hoofdstuk zijn specifiek gericht op het vak Duits en de methode Neue
Kontakte (vijfde editie).
Het doel van deze handleiding is in de eerste plaats het gebruik van de doeltaal
in de lessen Duits in jaar 2 van het vmbo-tl te bevorderen waardoor woordenschat
beter beklijft en in de tweede plaats docenten een keuze aan verschillende
werkvormen te bieden waarbij woordenschat beter beklijft en / of waarmee de
motivatie van leerlingen voor het leren van woordenschat wordt vergroot.
Het eerste deel van de handleiding bestaat uit enkele richtlijnen die het gebruik
van de doeltaal in de les kunnen bevorderen. Daarop volgen enkele praktische
gespreksonderwerpen met bijbehorende “chunks” die aansluiten op alle vier de
hoofdstukken van Neue Kontakte voor het tweede leerjaar vmbo-tl. Uiteindelijk
volgen er tien werkvormen waarmee leerlingen zich in vier fases, van een eerste
kennismaking tot spontane toepassing, de woordenschat eigen kunnen maken.
23
Algemene richtlijnen woordenschatverwerving in
de les
Onderstaande richtlijnen zijn algemeen toepasbaar in de lessen Duits (of andere
moderne
vreemde
talen)
en
dragen
bij
aan
een
effectieve
woordenschatverwerving.
1. Consequent en gericht toepassen van de doeltaal in de lessen
Met consequent wordt bedoeld dat de doeltaal in iedere les constant wordt
gesproken door de docent en dat deze hetzelfde van leerlingen verwacht.
Eventueel kan een uitzondering worden gemaakt voor het uitleggen van
grammatica, maar zelfs hier wordt aangeraden dit eerst in de doeltaal te doen en
eventueel in de moedertaal te herhalen.
Met gericht wordt bedoeld dat de docent specifieke woordenschat en
taalmiddelen toepast waarvan de leerlingen geacht worden ze te kennen. Ter
ondersteuning zijn in het volgende onderdeel van deze handleiding enkele
handreikingen van taalmiddelen en mogelijke gespreksonderwerpen per
hoofdstuk gegeven.
2. Cyclische herhaling in verschillende contexten
Zie het oefenen van woordenschat als een soort intervalstraining. Let er expliciet
op nieuwe woorden in het begin zeer vaak (meerdere keren in één les) en later
nog regelmatig (één keer per les) terug komen in meerdere contexten. De
methode Neue Kontakte biedt per hoofdstuk meerdere luister- en
leesoefeningen.
Zie
deze
oefeningen
als
onderdeel
van
de
woordenschatverwerving en zorg dat leerlingen in één les met zowel een luisterals een leesoefening werken waar dezelfde taalmiddelen in voor komen. Herhaal
deze vervolgens ook nog in een spreekoefening of in één van de in deze
handleiding beschreven werkvormen.
3. Aandacht voor spreekvaardigheid
Bij mondelinge activiteiten ligt het verwerkingstempo hoger dan bij schriftelijk
werken. Door minstens elke les wat tijd te besteden aan spreekvaardigheid, geef
je de leerlingen veel mogelijkheden om veel te praten. Fouten maken mag. Zorg
voor een veilige omgeving en verlaag de spreekdrempel. Ook lees- en
luisterteksten uit de methode kunnen uitnodigen tot mondelinge verwerking,
bijvoorbeeld door leerlingen in eigen woorden in de doeltaal te laten navertellen
waar de tekst over ging. Het is hier van belang dat het tempo hoog ligt. Moedig
twijfelende of stille leerlingen aan door te benadrukken dat fouten maken mag.
24
4. Maak gebruik van de Redemittel (taalmiddelen) voor korte gesprekjes
Leerlingen ervaren Redemittel als lastig om te leren omdat de vertalingen er in
het boek niet bij gegeven worden. Oefen de Redemittel regelmatig (minstens één
keer per week) aan de hand van korte gesprekjes. Geef vertalingen niet zo maar
weg, maar laat leerlingen zich de Redemittel eigen maken doordat ze deze met
regelmaat te horen krijgen en ook zelf moeten toepassen. Dit kan zowel plenair
als met kleine groepjes of individuele leerlingen. Houdt bijvoorbeeld in de eerste
les een plenair gesprek waardoor leerlingen die het lastiger vinden de zinnen in
verschillende contexten te horen krijgen van hun klasgenoten. Maak in
daaropvolgende lessen gebruik van het begin van de les wanneer je leerlingen
bij binnenkomst begroet door een gesprekje met ze te voeren waarbij je gebruik
maakt van de Redemittel. Bij ieder hoofdstuk nodigen de Redemittel uit voor
zulke spontane gesprekken.
5. Aandacht voor compenserende productiestrategiën
We kunnen niet van leerlingen verwachten dat ze een taal volledig beheersen.
Leerlingen moeten daarom ook voorbereid zijn om gebruik te maken van
alternatieve manieren om iets te zeggen, wanneer ze eens niet op een woord
kunnen komen of een woord helemaal niet kennen. Voor zulke situaties is het
noodzakelijk om gericht te werken aan compenserende productiestrategieën,
zoals bijvoorbeeld het gebruik maken van overkoepelende woorden,
omschrijvingen, fysieke eigenschappen en contrastparen.
6. Aandacht voor raadstrategiën
Laat leerlingen soms (zeker niet altijd!) de betekenissen van woorden raden uit
de context (talig en/ of situationeel) in plaats van ze de woorden op te laten
zoeken of de vertaling weg te geven. Dit heeft als voordeel dat de leerling zijn
aandacht op het woord richt en er actief mee bezig is. Hierdoor wordt het woord
of de zin beter onthouden. Wanneer leerlingen wel woorden mogen opzoeken in
het woordenboek of via een vertaalsite, benadruk dan in dat ze altijd nagaan of
de gevonden betekenis klopt in de gegeven context.
25
Inleiding werkvormen
De verschillende werkvormen die hieronder worden beschreven hebben tot doel
dat leerlingen actiever werken aan het leren van de woordenschat (Lernliste) en
eventueel de taalmiddelen (Redemittel) uit de verschillende hoofdstukken
waardoor deze woordenschat beter beklijft. Om dit doel te bereiken zijn de
werkvormen ingedeeld aan de hand van de vier fasen van Neuner voor
communicatief modernevreemdetalenonderwijs, van begrijpen tot spontaan
taalgebruik. Bij elke werkvorm wordt aangegeven op welke fase de activiteit zich
richt. De volgende fasen worden onderscheiden:
Fase A: Begrijpen van gesproken en geschreven teksten. In deze handleiding
betreft het meestal een eerste kennismaking met de nieuwe woordenschat. De
werkvormen hebben onder andere tot doel om nieuwe kennis te verbinden aan
bestaande voorkennis en om betekenis te geven aan de stof.
Fase B: Aanbod van taalmiddelen voor communicatie & oefenen met
reproductieve toepassingen. In deze fase gaan de leerlingen actief aan de slag
met de woordenschat en voeren zij opdrachten uit waarbij ze nog gebruik kunnen
maken van de beschikbare hulpmiddelen.
Face C: Woordenschat naar eigen idee toepassen met hulpmiddelen. In deze
fase worden de leerlingen vrijer gelaten in datgene wat ze produceren en de
hulpmiddelen zijn beperkt.
Fase D: Communicatie met weinig of geen hulpmiddelen. In deze fase
communiceren de leerlingen spontaan met elkaar zonder daarbij hulpmiddelen
te gebruiken.
De werkvormen in deze handleiding zijn een aanvulling op de methode Neue
Kontakte. Uitgangspunt van deze werkvormen is dat er geen uitgebreide extra
voorbereiding voor de activiteiten nodig is.
De meeste werkvormen kunnen worden uitgevoerd zonder extra materialen. Om
het gebruik van digitale middelen te bevorderen worden wel het smartboard en
de laptops van de leerlingen bij de meeste werkvormen ingezet. Ook kan bij
verschillende werkvormen effectief gebruik gemaakt worden van de
leeromgeving in Its Learning.
26
Werkvorm 1 - Mindmap maken
Doel:
Betekenis geven, voorkennis activeren
Fase:
Fase A
Omschrijving:
Deze activiteit kan in twee vormen worden aangeboden.
A) Leerlingen krijgen een thema en verbinden daaraan de
woorden in het Duits die er mee te maken hebben die ze al
kennen.
B) Leerlingen krijgen een thema en maken met de woorden uit de
Lernliste een mindmap waarbij ze woorden groeperen en
verbinden.
A+B) Deze twee vormen kunnen worden gecombineerd door
leerlingen eerst de mindmap volgens A te laten maken en deze
vervolgens aan laten vullen volgens B.
10 minuten
Duur:
Benodigde
materialen:
- Laptops met daarop ofwel een mindmap programma, ofwel
Microsoft Word geïnstalleerd;
OF
- Vellen papier op A3 formaat & pennen / stiften in verschillende
kleuren.
Werkwijze:
1. Introduceer het thema klassikaal, door het in het Duits op het bord te schrijven en
leerlingen te vragen na te denken wat het thema in het Nederlands betekent en welke
woorden of onderwerpen ze er mee in verbinding brengen. Laat ze er 1 minuut over
nadenken en geef dan verschillende leerlingen het woord om een korte discussie /
brainstorm op te starten.
2. Leg uit dat de leerlingen zelf of in tweetallen een mindmap over het thema gaan
maken. Dit kan op de pc (in Word of een mind map programma) of met papier en
verschillende kleuren pennen. Laat op het bord een voorbeeld zien van een eerder
behandeld thema.
3. Laat leerlingen alleen of in tweetallen vijf minuten lang zo veel mogelijk woorden
aan hun mindmap toevoegen. Na de vijf minuten kunnen een aantal leerlingen met de
klas delen wat ze in hun mindmap hebben staan. Maak op het bord ook een mindmap
met de input van de leerlingen. Deze kan eventueel op de vakpagina in Its Learning
worden opgeslagen zodat leerlingen het later terug kunnen zien.
Opmerkingen:

Mogelijke mindmap programma’s zijn:
o Mindjet: www.mindjet.com/
o Mindmaple: www.mindmaple.com/
 Laat de leerlingen de mindmaps eventueel inleveren in een
inleverbox via Its Learning. Van mindmaps die op papier zijn
gemaakt kan een foto worden ingeleverd.
27
Mindmap maken - voorbeeld instructie
28
29
Werkvorm 2 - Eigen woordenlijst maken
Doel:
Fase:
Omschrijving:
Selecteren en bedenken van de belangrijkste woorden (zowel
recptief als productief) over het thema van de Lernliste
Fase A
Duur:
Leerlingen analyseren de nieuwe woordenlijst en identificeren de
woorden die ze zelf het belangrijkst vinden. Daar voegen ze zelf
woorden aan toe die niet op de lijst voorkomen.
15 minuten
Benodigde
materialen:
- Pen & Papier (bij voorkeur woordenlijst schrift)
- Laptops --> MS Office Word
Werkwijze:
1. De leerlingen lezen de Lernliste van het nieuwe hoofdstuk door en zoeken de
Nederlandse woorden uit waarvan ze vinden dat ze die vaak zelf gebruiken. Deze
woorden schrijven ze in hun schrift met de Duitse vertaling erachter. (het aantal
woorden moet minstens 50% van de totale Lernliste zijn).
2. Hierna zoeken de leerlingen woorden die ze zelf misschien niet veel gebruiken,
maar waarvan het wel belangrijk is dat ze die kennen. Hiervan schrijven ze de Duitse
vertaling en het Nederlandse woord er achter. (het totaal aantal woorden - productief
+ receptief - moet minstens 80% van de totale Lernliste zijn).
3. Leerlingen bedenken zelf ook woorden die bij het thema passen, maar die in de
woordenlijst ontbreken (hiervoor kunnen ze de mindmap van werkvorm 1 gebruiken).
De betekenis van deze woorden zoeken ze op in een woordenboek. Deze woorden
voegen ze toe aan hun lijst.
Opmerkingen:
-
30
Werkvorm 3 - Plan van aanpak maken
Doel:
Fase:
Omschrijving:
Duur:
Benodigde
materialen:
Identificeren van moeilijke woorden en persoonlijk plan van
aanpak opstellen.
Fase A
Leerlingen analyseren de nieuwe woordenlijst en identificeren de
moeilijke en minder moeilijke woorden. Vervolgens bepalen zij wat
zij kunnen doen om zich de woordenschat goed eigen te maken.
10 minuten
- Laptops --> Its Learning
(voor wie geen laptop bij zich heeft, uitgeprinte versies klaar
leggen).
Werkwijze:
1. Maak een opdracht aan op de vakpagina van de klas waar je dit wilt gebruiken of
voor de groep die deze opdracht moet maken.
2. Upload het formulier “Plan van aanpak Lernliste” in de opdracht en schrijf er de
instructie bij dat het formulier moet worden ingevuld en ingeleverd voor het eind van
de les.
3. Leerlingen die geen laptop bij zich hebben en het plan op papier maken, kunnen er
een foto van maken en het op de docentencomputer inleveren.
4. De docent bekijkt de plannen van aanpak en deelt goede tips of slimme
ezelsbruggetjes met de hele klas (eventueel via een aparte pagina “Tips voor de
Lernliste” op de vakpagina van de klas in Its Learning.
Opmerkingen:
Deze werkvorm is vooral effectief voor leerlingen die structureel
moeite hebben met het leren van de Lernliste. Deze leerlingen
kunnen in Its Learning worden toegevoegd aan een aparte groep
die verplicht wordt om elke periode een plan te maken.
31
Formulier Plan van aanpak Lernliste
Name: ______________________________
Klasse: ________________
Lernliste Kapitel:___
Thema des Kapitels: __________________________________
Lastige woorden
Waarom vind ik dit woord lastig?
Plan van aanpak:
Wat kan ik doen om de woorden uit deze lernliste goed te leren.
Ezelsbruggetjes
Als je ezelsbruggetjes kunt bedenken, schrijf die dan hier op. Deze delen we met de hele klas.
32
Werkvorm 4 - Indelen in categoriën
Doel:
Fase:
Betekenis geven, begrijpen en onthouden
Fase A
Omschrijving:
Leerlingen schrijven de woorden in verschillende categoriën over
of markeren de woorden in hun boek met verschillende kleuren
per categorie.
15 minuten
Duur:
Benodigde
- Arbeitsbuch
materialen:
- Markeerstiften in vijf kleuren OF Laptop met Microsoft Word
Werkwijze:
1. Leerlingen markeren de woorden in de Lernliste met verschillende kleuren. Eén
kleur per geslacht (m/der, v/die, o/das, mv/die) bij de zelfstandig naamwoorden en een
aparte kleur voor overige woorden.
2. Om nog actiever met de nieuwe woordenschat te werken is het aan te raden om
leerlingen de woordenlijst in de verschillende categoriën over te laten schrijven / typen.
Op die manier staan de woorden per geslacht bij elkaar en verwerken de leerlingen
elk woord actief door het zelf al een keer op te schrijven. In Microsoft Word kan dit
gemakkelijk door tabellen te gebruiken.
Opmerkingen:
Eenmaal in groepen (categoriën) ingedeeld is het aan te raden
dat leerlingen de woorden ook per groepje / categorie leren.
Hierdoor zullen ze de lidwoorden beter kunnen onthouden.
33
Werkvorm 5 - Lezen
Doel:
Fase:
Leerlingen gebruiken raadstrategiën om de betekenis van
woorden te bedenken en leren deze strategie toe te passen.
Fase A
Omschrijving:
Leerlingen lezen een tekst uit het tekstboek en schrijven
onbekende woorden (waarvan ze denken dat ze belangrijk zijn
voor de tekst) op in hun schrift. Vervolgens lezen ze de tekst nog
een keer en proberen de betekenis vanuit de context te raden.
Duur:
40 minuten + 10 minuten uitvoering per quiz
Benodigde
- Textbuch & Arbeitsbuch
materialen:
- Pen & Papier (bij voorkeur woordenschat schrift)
Werkwijze:
1. Laat leerlingen een tekst uit het boek één keer helemaal doorlezen zonder woorden
op te zoeken.
2. Laat leerlingen na één keer lezen in het kort opschrijven waar ze denken dat de
tekst over gaat.
3. Laat leerlingen de tekst nog een keer doorlezen en nu alle onbekende woorden
(waarvan ze denken dat ze belangrijk zijn voor de tekst) opschrijven in hun schrift. Ze
mogen de betekenis niet opzoeken, maar moeten deze raden door de zin nogmaals
goed te lezen en te kijken naar de context. Ze schrijven op wat ze denken dat het
woord betekent.
4. Hierna schrijven leerlingen op of ze nog steeds denken dat de tekst daar over gaat
wat ze bij 2 hebben op geschreven en zo niet, waar dan wel over.
5. Leerlingen laten hun werk nakijken door de docent die ze feedback geeft.
Vervolgens kunnen de leerlingen aan het werk gaan met de opdrachten uit het
werkboek die bij de leestekst horen.
Opmerkingen:
- De teksten in het tekstboek bevatten altijd woordenschat die ook
in de Lernliste staat.
- Laat indien mogelijk de leerling zelf kiezen welke tekst uit het
hoofdstuk ze lezen, zodat deze zo veel mogelijk aansluit bij het
lezersprofiel van de leerling.
- Biedt eventueel extra teksten (bijv. van de digitale leeromgeving
van de methode, of eenvoudige teksten van het internet) voor
sterkere lezers in de groep.
34
Werkvorm 6 - Kahoot quizen spelen en maken
Doel:
Fase:
Omschrijving:
Duur:
Benodigde
materialen:
Leerlingen kunnen woordenschat toepassen gebruik makend van
hulpmiddelen.
Fase B
Leerlingen bedenken in groepjes tien quizvragen met elk vier
mogelijke antwoorden. Uiteindelijk zijn er in de klas meerdere
quizen die als afsluiting van meerdere lessen gespeeld kunnen
worden.
40 minuten + 10 minuten uitvoering per quiz
- Textbuch & Arbeitsbuch
- 1 of 2 laptops per groepje
- Eventueel woordenboeken
Werkwijze:
1. Vraag of leerlingen al bekend zijn met Kahoot en of er leerlingen zijn die al een
account hebben op Kahoot. Wanneer dit niet het geval is, laat dan de hele klas op het
bord zien hoe een account kan worden aangemaakt en hoe de vragen worden
ingevoerd.
2. Leg de activiteit klassikaal uit en verdeel daarna de klas in groepen van vier,
maximaal vijf leerlingen. In iedere groep is één iemand die al een Kahoot account
heeft of er één kan aan maken.
3. In elke groep worden verschillende rollen verdeeld, denk bijvoorbeeld aan:
o Moderator (zorgt dat iedereen in de groep ideeën inbrengt en dat de
sfeer in de groep goed blijft)
o Quizmaker (degene met het Kahoot account, voert de vragen en
antwoorden in op getkahoot.com
o Plaatjeszoeker (zoekt plaatjes om bij de vragen te gebruiken)
o Timekeeper (houdt de tijd bij)
4. De eerste 5-10 minuten kunnen worden gebruikt om te brainstormen. Met behulp
van Lernliste en Redemittel in de boeken bedenken alle groepsleden zoveel mogelijk
vragen. Eén persoon zorgt dat ALLE ideeën worden opgeschreven. Als de 5-10
minuten voorbij zijn, kiezen de groepsleden tien vragen die ze in de quiz willen
gebruiken.
5. De vragen en antwoorden worden in Kahoot ingevoerd, ondertussen worden er ook
plaatjes bij gezocht en deze worden toegevoegd.
6. Als de quiz klaar is, laat de groep deze door de docent nakijken op spelfouten en
grammaticale correctheid.
7. Aan het eind van elke les kan er nu steeds één van de quizen worden gespeeld als
afsluiter.
Opmerkingen:
- Wanneer deze werkvorm voor het eerst bij een groep wordt
geintroduceerd is het handig om eerst een al bestaande of door
de docent gemaakte quiz te spelen als voorbeeld.
- Om een quiz te maken ga je naar https://getkahoot.com/
- Om een quize te spelen gaan de spelers naar https://kahoot.it/#/
- Laat de groepjes elkaar eventueel beoordelen a.d.h.v. een
feedbackformulier na het spelen van de quiz.
35
Werkvorm 7 - Zelf woordspelletjes maken
Doel:
Fase:
Omschrijving:
Duur:
Benodigde
materialen:
Leerlingen kunnen woordenschat toepassen gebruik makend van
hulpmiddelen.
Fase B
Leerlingen krijgen voorbeelden te zien van verschillende
woordspelletjes en maken deze vervolgens zelf met de
woordenlijst van het huidige hoofdstuk
20 - 30 minuten
- Textbuch & Arbeitsbuch
- Pen & papier OF een laptop met een tekstverwerker
- Eventueel woordenboeken
Werkwijze:
1. Leerlingen krijgen eerst op het bord verschillende voorbeelden van woordspelletjes
te zien. Dit kan ook met een extra pagina in Its Learning waarop ze de verschillende
voorbeelden en eventueel een specifieke instructie kunnen vinden.
2. De leerlingen maken nu zelfstandig, gebruik makend van de Lernliste en Redemittel
van het hoofdstuk verschillende woordspelletjes en oefeningen.
3. De spellen kunnen vervolgens uitgewisseld worden zodat leerlingen elkaars
spelletjes kunnen spelen en elkaar van feedback kunnen voorzien.
Voorbeelden van woordspellen zijn.
 Kruiswoordraadsels via http://www.woordzoekers.org/kruiswoordpuzzelmaken.html
 Invuloefeningen
 Match opdrachten
 Woord raden a.d.h.v. omschrijving
 Woordenslang
Opmerkingen:
-
36
Werkvorm 8 - Dialogen
Doel:
Fase:
Omschrijving:
Duur:
Benodigde
materialen:
Leerlingen kunnen met een beperkt aantal hulpmiddelen zelf een
gesprek rond het betreffende thema uitschrijven en uitvoeren.
Fase C
Leerlingen bedenken in tweetallen een gesprekje over het
onderwerp van de betreffende Lernliste en voeren dit vervolgens
uit.
30 minuten + 3 minuten uitvoering per tweetal
- Textbuch & Arbeitsbuch
- Pen & papier OF een laptop met een tekstverwerker
- Eventueel woordenboeken
Werkwijze:
1. Leerlingen werken in tweetallen.
2. Elk tweetal bedenkt een fictief gesprekje rond het thema van de woordenlijst. De
docent geeft de tweetallen de keuze uit een aantal situaties waarin het gesprek moet
plaatsvinden (bijv. “een afspraak maken bij de dokter”, “een nieuwe klasgenoot
vertellen hoe het lesrooster er uit ziet”, “iets bestellen in een restaurant”, “iets kopen
in een winkel”, etc.
3. De leerlingen kunnen de Redemittel en Lernliste gebruiken, maar moeten ook zelf
zinnen kunnen bedenken. Woorden die niet in de Lernliste staan kunnen worden
opgezocht in een woordenboek.
4. Wanneer een tweetal klaar is, laten zij hun geschreven gesprekje door de docent
controlleren op spelfouten en grammaticale onjuistheden. Geef eventueel ook
feedback op de lengte en inhoud.
5. Wanneer de docent het gesprek goedkeurt, leren de leerlingen het uit hun hoofd en
voeren het uit bij de docent zodat deze ook de uitspraak van de leerlingen kan
beoordelen en feedback kan geven.
Opmerkingen:
- Deze werkvorm kan makkelijker worden gemaakt door de
leerlingen een leidraad te bieden met bijvoorbeeld steekwoorden
in het Duits of omschrijvingen in het Nederlands van wat wordt
gezegd. Naarmate de leerlingen verder zijn met een bepaald
thema, kunnen ze vrijer gelaten worden en zal het gesprek meer
op hun eigen ideeën gebaseerd zijn.
37
Werkvorm 9 - Speeddaten
Doel:
Fase:
Omschrijving:
Duur:
Leerlingen kunnen zonder hulpmiddelen een spontaan gesprekje
voeren over het onderwerp van de Lernliste.
Fase D
De leerlingen voeren met verschillende klasgenoten gesprekjes
van 1-2 minuten over het onderwerp van de Lernliste.
15-25 minuten
Benodigde
- Geen
materialen:
Werkwijze:
1. Zorg dat er geen tafels in de weg staan door deze aan de rand van het lokaal te
zetten. Zet de stoelen in het lokaal in één of twee rijen tegenover elkaar.
2. Alle leerlingen gaan nu zitten op een willekeurige stoel.
3. De docent geeft een thema, situatie of vraagstelling waar de leerlingen over in
gesprek gaan (schrijf deze ook op het bord) en geeft een teken wanneer de tijd in gaat.
4. De leerlingen praten maximaal twee minuten met elkaar tot de docent het teken
geeft om te stoppen. De leerlingen in één van de rijen wisselen vervolgens van plaats
(één stoel naar rechts of naar links).
5. De docent geeft aan of het onderwerp hetzelfde blijft of introduceert een nieuwe
situatie. Wanneer de docent vervolgens weer een teken geeft, gaat de tijd om met
elkaar te praten weer in.
6. Laat de leerlingen minstens zes keer van stoel wisselen zodat ze in ieder geval met
zes verschillende klasgenoten praten, maar indien mogelijk met nog meer.
7. Laat de leerlingen de tafels en stoelen weer op hun plaats zetten en plaats nemen.
8. Sluit klassikaal af door de leerlingen voor zichzelf te laten nadenken welke nieuwe
woorden / zinnen ze van hun speeddatepartners hebben geleerd. Laat ze deze
opschrijven en vraag vervolgens een aantal leerlingen hun bevindingen met de klas
te delen.
Opmerkingen:
- Indien nodig kan de docent op het bord nog wat hulpmiddelen
schrijven, zoals bepaalde moeilijke woorden of termen.
- Deze werkvorm heeft verschillende voordelen. De leerlingen
spreken met meerdere personen. Ze kunnen klasgenoten die
meer moeite met spreken hebben helpen of geholpen worden
door leerlingen die spreken makkelijker vinden. Bovendien zullen
de gesprekken op uiteenlopende wijze aflopen waardoor de
leerlingen op uiteenlopende vragen en antwoorden moeten
kunnen reageren.
38
Werkvorm 10 - Toetsvormen in Its Learning
Doel:
Fase:
Omschrijving:
Duur:
Leerlingen toetsen zelf in hoeverre ze de woordenschat
beheersen.
Fase B - D
De leerlingen maken in Its Learning een toets over de
woordenschat van een bepaald hoofdstuk en krijgen direct
feedback over het resultaat.
15-25 minuten
Benodigde
- Laptops
materialen:
Werkwijze:
1. Maak voor elk hoofdstuk rond de Lernliste en de woordenschat een toets in Its
Learning.
2. Wanneer leerlingen enkele keren met de woordenschat hebben geoefend en de
woordenschat voor zichzelf hebben geleerd, kunnen ze op ieder moment de toets in
Its Learning maken om te kijken wat ze al goed kennen en waar ze nog aandacht aan
moeten besteden.
3. Leerlingen kunnen zo veel pogingen doen als ze willen en op meerdere momenten.
Op die manier kunnen ze hun eigen voortgang bij houden.
Opmerkingen:
-
39
Bijlage 4A - Planning vormgeving,
presentatie & evaluatie
Vormgeving
Bespreken ontwerpeisen met opdrachtgever: Dindsdag 12 mei 2015.
Productontwerp en product zelf afronden: voor Dinsdag 16 juni 2015.
Presentatie
Woensdag 17 juni 2015 om 15.00 uur aan opdrachtgever.
Na de presentatie vult de opdrachtgever de vragenlijst Evaluatie in.
Evaluatie
Evalueren n.a.v. ingevulde vragenlijst op Donderdag 18 juni.
40
Bijlage 4B - Vragenlijst evaluatie
++
+
-
--
Biedt de
handleiding
voldoende
afwisseling?
Zijn de
werkvormen
voldoende
activerend?
Sluiten de
werkvormen
voldoende op
elkaar aan?
Is de handleiding
begrijpelijk?
Is de handleiding
in de praktijk
toepasbaar?
In hoeverre
verwacht je dat
de werkvormen
effectief zullen
zijn?
Top:
Tip:
41
Ingevulde vragenlijst
42
Download