Epidemiologie, etiologie en klinische aspecten van

advertisement
Thema: Oncologie in de tandheelkundige praktijk
E.H. van der Meij
Epidemiologie, etiologie en klinische
aspecten van (voorstadia van) mondkanker
Omdat mondkanker kan worden beschouwd als een relatief zeldzame aandoening, worden tandartsen-algemeen practici hiermee
slechts zelden geconfronteerd. Desalniettemin is voor tandartsen een belangrijke rol weggelegd bij de vroege diagnostiek en de
verwijzing van een patiënt met een maligniteit in de mond. Het merendeel van deze maligniteiten betreft plaveiselcelcarcinomen die bij routinematig onderzoek herkenbaar zijn. Vroege verwijzing is belangrijk omdat kleine, nog niet gemetastaseerde tumoren na adequate behandeling de beste kans op genezing hebben. Daarnaast worden mondholtecarcinomen vaak voorafgegaan
door witte en/of rode premaligne afwijkingen van het mondslijmvlies. Deze kunnen eveneens bij routinematige controle worden
waargenomen. Ook hier spelen tandartsen een belangrijke rol bij de herkenning van dergelijke aandoeningen en bij verwijzing
naar een kaakchirurg.
Meij EH van der. Epidemiologie, etiologie en klinische aspecten van (voorstadia van) mondkanker
Ned Tijdschr Tandheelkd 2008; 115: 186-191
Inleiding
Omdat mondkanker kan worden beschouwd als een relatief
zeldzame aandoening, worden tandartsen-algemeen practici hiermee slechts zelden geconfronteerd. Desalniettemin
is voor tandartsen een belangrijke rol weggelegd bij de
vroege diagnostiek en bij de verwijzing van een patiënt met
een maligniteit in de mond. Het merendeel van deze maligniteiten betreft plaveiselcelcarcinomen, ontstaan uit het
oppervlakte-epitheel. Deze zijn bij routinematig onderzoek
herkenbaar. Bovendien zien tandartsen, in tegenstelling tot
20
15
10
5
2,5
4,4%
2,7%
0
6
Hoofd / Hals
10
Slokdarm
2
16,3%
3,4%
13,8%
5,3%
%
3,1%
4,2%
3,4%
9
Long
3
1
8
Maag
10
3
Dikkedarm
2
5
Blaas
1
5,9%
2,5
Borst
Baarmoederlichaam
21,1%
0
6
5
10
15
20
2,1%
8,1%
32,7%
2,0%
Epidemiologie
13,3%
4,5%
Prostaat
Eileider
8
4
Huid, overig
5
9
Huidmelanoom
4
7
Lymfoon
7
Primair onbekend
huisartsen, met vaste regelmaat patiënten voor controle en
zijn zij dus bij uitstek geschikt om een maligne mondholtetumor in een vroeg stadium te herkennen. Kleine, nog niet
gemetastaseerde tumoren hebben na adequate behandeling
de beste kans op genezing.
Daarnaast worden mondholtecarcinomen vaak voorafgegaan door witte en/of rode premaligne afwijkingen van
het mondslijmvlies, die eveneens bij routinematige controle
kunnen worden waargenomen. Ook hier spelen tandartsen
een belangrijke rol bij de herkenning van dergelijke aandoeningen en bij de verwijzing naar een kaakchirurg.
In dit artikel wordt aandacht besteed aan de epidemiologie, de etiologie en de klinische aspecten van mondkanker en de hieraan gerelateerde voorstadia. De nadruk ligt
op aspecten die vooral van belang zijn voor het adequaat
optreden van tandartsen.
3,1%
4,7%
4,8%
3,6%
3,3%
© The Netherlands Cancer Registry
Afb.1. Verdeling van de 10 meest voorkomende vormen van kanker bij mannen en
vrouwen in 2003 (VIKC, www.ikcnet.nl, 2008).
186
In 2003 werden in Nederland ruim 73.000 nieuwe gevallen van kanker vastgesteld. In ongeveer 10% van de gevallen was er al eerder een vorm van kanker vastgesteld, zodat
in 2003 bij ongeveer 66.000 personen voor het eerst kanker werd geconstateerd. Bij mannen wordt in verhouding
iets vaker kanker waargenomen dan bij vrouwen: 4,7 van
de 1.000 mannen kreeg in 2003 kanker tegen 4,4 van de
1.000 vrouwen (VIKC; www.ikcnet.nl, 2008). In afbeelding 1 worden de 10 in 2003 meest voorkomende vormen van kanker bij mannen en vrouwen weergegeven.
Van het totaal aantal nieuwe gevallen van kanker in 2003
werd 3,3% gediagnosticeerd in het hoofd-halsgebied:
Ned Tijdschr Tandheelkd 115 april 2008
25
Mondholtecarcinoom
1988-2003
15
10
5,5
5,0
4,5
4,0
3,5
3,0
2,5
2,0
1,5
1,0
0,5
0,0
19
6
19 0
62
19
6
19 4
6
19 6
68
19
70
19
7
19 2
74
19
7
19 6
78
19
8
19 0
82
19
8
19 4
86
19
8
19 8
90
19
9
19 2
9
19 4
9
19 6
9
20 8
0
20 0
02
Aantal per 100.000
20
Nieuwe gevallen per 100.000 personen per jaar
Van der Meij: Mondkanker
5
Jaar van diagnose
mannen
0
0-9
10-19 20-29 30-39 40-49 50-59 60-69 70-79 80-89 90+
Leeftijdsgroep
mannen
vrouwen
Afb. 2. Leeftijdspecifieke incidentie (aantal nieuwe gevallen per
100.000 per jaar) van het mondholtecarcinoom gespecificeerd naar
geslacht (VIKC, www.ikcnet.nl, 2008).
2.400 nieuwe gevallen. Bij ongeveer eenderde van deze subgroep betrof het mondkanker: 820 nieuwe gevallen. Dit is
ruim 1% van het totaal aantal nieuwe gevallen van kanker.
De incidentie bedroeg in 2003 ongeveer 3 : 100.000. Het
merendeel van deze tumoren (90%) bestaat uit plaveiselcelcarcinomen. De overige zijn speekselkliertumoren, maligne
lymfomen, sarcomen van bot en weke delen, metastasen
van elders gelegen primaire tumoren, maligne odontogene
tumoren en maligne melanomen.
Het voorkomen van het mondholtecarcinoom toont
grote geografische verschillen. Zo komt het mondholtecarcinoom in Frankrijk en Spanje frequenter voor dan in
Noord-Europa. Ook in Zuidoost-Azië en Brazilië komt het
mondholtecarcinoom veel vaker voor. In zonnige landen
komt het carcinoom van de onderlip frequenter voor.
Hoewel een mondholtecarcinoom op elke leeftijd kan
voorkomen, zijn de meeste patiënten van middelbare en
hoge leeftijd (afb. 2). De incidentie is de afgelopen decennia
zowel bij mannen als bij vrouwen toegenomen. Bij mannen
lijkt deze toename de laatste 15 jaar te stabiliseren. De incidentie bij vrouwen lijkt nog steeds stijgende (Nederlandse
Kankerregistratie, 2003). Een en ander wordt vermoedelijk
veroorzaakt door het toegenomen rookgedrag van vrouwen
in de naoorlogse periode (afb. 3).
Etiologie
Roken is de belangrijkste etiologische factor. Alhoewel alcohol
als enige factor niet carcinogeen lijkt te zijn, werkt het wel
synergistisch op het schadelijk effect van tabaksgebruik.
Er lijkt geen causaal verband te bestaan tussen het ontstaan van een mondholtecarcinoom en chronische irritatie
Ned Tijdschr Tandheelkd 115 april 2008
vrouwen
Afb. 3. Ontwikkeling van de incidentie (aantal nieuwe gevallen per 100.000
per jaar) van het mondholtecarcinoom in de afgelopen decennia
gespecificeerd naar geslacht (VIKC, www.ikcnet.nl, 2008).
van het mondslijmvlies, bijvoorbeeld een slecht passende
gebitsprothese of een scherpe tandheelkundige restauratie.
Het is onduidelijk of dergelijke irritatie in sommige gevallen als cofactor, naast het bestaan van andere etiologische
factoren zoals tabaks- en alcoholgebruik, een rol zou kunnen spelen (Silverman, 2003).
Dieetfactoren, vooral een hoog vetpercentage, weinig
vezels en een gebrek aan antioxidanten, zouden mogelijk
een rol spelen bij het ontstaan van een mondholtecarcinoom. Frequente consumptie van groenten en fruit lijkt in
dit licht een beschermend effect te hebben. Over de precieze
rol van voeding bij het ontstaan van mondkanker is, door
gebrek aan wetenschappelijke gegevens, nog betrekkelijk
weinig bekend.
De betekenis van virussen, in het bijzonder het humaan
herpesvirus en het humaan papillomavirus, bij het ontstaan
van mondkanker is vooral het afgelopen decennium veelvuldig onderzocht (Bloemena, 2008). Hoewel een aantal
tumoren in het hoofd-halsgebied gerelateerd lijkt te zijn aan
de aanwezigheid van virussen, is een dergelijke relatie voor
het mondholtecarcinoom nooit bewezen.
Overmatige blootstelling aan zonlicht wordt als een bijzondere etiologische factor voor het ontstaan van een carcinoom van de onderlip beschouwd. Door beschadigingen in
het bindweefsel als gevolg van de blootstelling aan zonlicht
ontstaat atrofie van het epitheel, hetgeen bij aanwezigheid
van carcinogene stoffen de kans op het ontstaan van een
plaveiselcelcarcinoom vergroot (Van der Waal et al, 1996).
De mogelijke rol van erfelijke factoren is tot op heden
onduidelijk .
Klinische aspecten
Primaire tumor
Een plaveiselcelcarcinoom presenteert zich vaak als een
187
Thema: Oncologie in de tandheelkundige praktijk
Afb. 4. Sinds 2 maanden bestaande niet-genezende, korstvormige
afwijking op het lippenrood van de onderlip berustend op een
plaveiselcelcarcinoom. Bij palpatie was sprake van induratie.
Afb. 5. Een plaveiselcelcarcinoom op leukoplastische veranderde
ventrale zijde van de tong.
pijnlijk en bij palpatie geïndureerd aanvoelend, al of niet
scherp begrensd ulcus. Het is vooral de induratie van een
ulcus die bij een algemeen practicus verdenking op maligniteit moet oproepen. Plaveiselcelcarcinomen geven in
een vroeg stadium over het algemeen weinig klachten. Bij
navraag bestaan klachten als pijn, zwelling en/of verminderde functie van een gebitsprothese vaak al weken tot
maanden; een half jaar is geen uitzondering (Stegenga et al,
2000). De tongranden en de mondbodem zijn voorkeurslokalisaties voor het plaveiselcelcarcinoom.
Vrijwel alle lipcarcinomen (90%) ontstaan in de onderlip,
bij voorkeur in het lippenrood en op de overgang van het
lippenrood naar de huid (afb. 4). Lipcarcinomen komen
vooral voor bij oudere mannen. De meerderheid van de
onderlipcarcinomen wordt in het beginstadium ontdekt
en is over het algemeen goed te behandelen. Lymfekliermetastasen komen slechts sporadisch voor. Het bovenlipcarcinoom is daarentegen agressiever en groeit meer
diffuus. De behandelresultaten zijn minder goed dan van
het onderlipcarcinoom.
De tong wordt verdeeld in het voorste tweederde deel
(mobiele tong) en het achterst eenderde deel (tongbasis).
De tongbasis wordt gerekend tot de orofarynx. Meer dan
75% van de maligne tongtumoren ontstaat in de mobiele
tong, vooral op de tongranden (afb. 5). Vanuit klinisch oogpunt is het belangrijk te realiseren dat het tongcarcinoom
zich vrijwel nooit op de tongrug bevindt.
Door de korte afstand tussen epitheel en tongspieren
groeit het tongcarcinoom snel in de musculatuur. Bij infiltratie in de musculatuur kan de tumor een sprietige en
grillige groeiwijze vertonen waardoor de tumor moeilijk
afgrensbaar kan zijn. Derhalve vereist ook een vroeg ontdekt
tongcarcinoom een agressieve benadering. Tevens verklaart
dit vermoedelijk de aanwezigheid van lymfekliermetastasen
bij klinisch kleine tumoren (Hordijk en Ravasz, 1989).
Het mondbodemcarcinoom manifesteert zich vaak in het
voorste deel van de mondbodem. Een tumor in de mediaanlijn wordt vaak vroeg ontdekt. Een dergelijke tumor
kan door compressie van de ductus Warthoni aanleiding
geven tot obstructie van de glandula submandibularis. Een
vergrote submandibulaire klier kan dan worden aangezien
voor een halskliermetastase. De laterale mondbodemtumoren met invasie in de spieren van mondbodem, tong en
mandibula (afb. 6) geven weinig klachten en worden vaak
laat gediagnosticeerd (Hordijk en Ravasz, 1989). Plaveiselcelcarcinomen van de gingiva komen niet frequent voor
Afb. 6. Een ulcererend plaveiselcelcarcinoom in het laterale deel
van de mondbodem met omgevende leukoplakie. Uit aanvullend
röntgenonderzoek bleek dat ook het kaakbot was aangetast.
Afb. 7. Een plaveiselcelcarcinoom van de aangehechte gingiva
linguaal in de regio van gebitselementen 41-36.
188
Ned Tijdschr Tandheelkd 115 april 2008
Van der Meij: Mondkanker
Afb. 8. Een plaveiselcelcarcinoom van de rechter wang, juist ter
plaatse van het orificium van de ductus Stenoni.
(afb. 7). Dergelijke in de bovenkaak gelokaliseerde tumoren zijn nauwelijks te onderscheiden van tumoren van het
palatum durum. Niet zelden betreft het hier geen mondholtecarcinoom, maar een sinus maxillariscarcinoom met
doorgroei in de mondholte. Het gingivacarcinoom komt
vooral voor in het postcanine gebied en heeft bij ontdekking vrijwel altijd het kaakbot reeds aangetast.
Bij het wangcarcinoom blijft de eronder gelegen musculus buccinator relatief lange tijd intact (afb. 8). Indien
bij grotere tumoren spierinfiltratie optreedt, kan bij verdere progressie de tumor door de huid breken. Ook doorgroei in de richting van de fossa infratemporalis is niet
ongebruikelijk.
Lymfekliermetastasen
Indien metastasering van een mondholtecarcinoom optreedt,
gebeurt dit meestal via de lymfebanen naar de in de hals
gelegen lymfeklieren. Een dergelijke halskliermetastase
manifesteert zich klinisch als een niet-pijnlijke zwelling van
de hals (afb. 9). Lymfogene metastasering kan zowel ipsilateraal, contralateraal als bilateraal optreden. Ongeveer 30%
van de patiënten met een mondholtecarcinoom heeft ten
tijde van de ontdekking van de primaire tumor reeds een
halskliermetastase (Huizing en Snow, 2003). Over het algemeen neemt de kans op lymfogene metastasering toe met
toenemende grootte van de tumor.
Metastasen op afstand
Metastasen op afstand van het mondholtecarcinoom ontstaan wanneer de primaire tumor hematogeen metastaseert.
Zoals reeds vermeld vindt metastasering in eerste instantie
lymfogeen plaats. Echter, ook tumoren met halskliermeta­
stasen kunnen in een vergevorderd stadium metastasen op
afstand geven. Metastasen op afstand kunnen zich in principe in elk orgaan manifesteren. Voor het mondholtecarcinoom bestaat een voorkeur voor longmetastasen.
Verwijzing en diagnose
Verdenking op mondkanker door tandartsen-algemeen
practici dient te bestaan uit een optelsom van factoren
zoals leeftijd, klinisch aspect (geïndureerd ulcus dat na
Ned Tijdschr Tandheelkd 115 april 2008
Afb. 9. Een uitgebreide halskliermetastase submandibulair rechts
op basis van een lateraal mondbodemcarcinoom. De primaire tumor
werd in eerste instantie gemist; de patiënt werd enkele weken
antibiotisch behandeld vanwege een vermeend infiltraat in de
submandibulaire loge.
wegnemen van de vermoede oorzaak niet binnen 1 à 2
weken is verdwenen), lokalisatie (tongranden en mondbodem) en alcohol- en rookgewoonten. Indien een voor
maligniteit verdachte slijmvliesafwijking is geconstateerd,
is verwijzing naar een kaakchirurg geboden. Verwijzing
hoeft niet dezelfde dag plaats te vinden; een termijn van
enkele dagen tot maximaal 1 week is in dit opzicht reëel
te noemen. Bij verwijzing ligt het voor de hand, gezien de
laagdrempeligheid van het contact, de patiënt te verwijzen
naar de kaakchirurg met wie de tandarts altijd samenwerkt
in plaats van naar een oncologisch centrum. Bij verdenking
op een maligniteit is het verstandig de patiënt slechts mee
te delen dat het advies van een specialist, in dit geval een
kaakchirurg, noodzakelijk wordt geacht. Indien de patiënt
suggereert of het mogelijk een maligniteit betreft, lijkt een
neutrale houding van de tandarts zonder hier inhoudelijk
op in te gaan het meest voor de hand liggend.
Indien verdenking op maligniteit door een kaakchirurg
wordt bevestigd, wordt in het merendeel van de gevallen
een proefexcisie verricht. Bij histopathologische bevestiging van een maligniteit zal de kaakchirurg de patiënt
verwijzen naar een kaakchirurg-oncoloog in een oncologiecentrum voor verdere diagnostiek en behandeling.
189
Thema: Oncologie in de tandheelkundige praktijk
T
Primaire tumor
Tis
Carcinoma in situ
T1
Tumor kleiner dan of gelijk aan 2 cm
T2
Tumor groter dan 2 cm, maar niet groter dan 4 cm
T3
Tumor groter dan 4 cm
T4Tumor met uitbreiding in corticaal bot, diepe extrinsieke tongspieren, sinus maxillaris, huid etc.
N
Regionale lymfeklieren
N0
Geen aanwijzingen voor lymfekliermetastasen
N1Aanwijzingen voor een homolaterale lymfekliermetastase kleiner dan 3 cm
N2Aanwijzingen voor een homolaterale lymfekliermetastase groter dan 3 cm maar kleiner dan 6 cm (2a),
of meerdere homolaterale lymfekliermetastasen
kleiner dan 6 cm (2b), of contralaterale/bilaterale
lymfekliermetastase(n) kleiner dan 6 cm (2c)
N3
Lymfekliermetastase(n) groter dan 6 cm
M
M0
M1
Afb. 10. Een homogene leukoplakie in het voorste deel van de
mondbodem.
ligne afwijkingen genoemd, worden gedefinieerd als morfologisch veranderd weefsel waarin een verhoogde kans op
het ontstaan van een maligne afwijking bestaat (Van der
Waal et al, 1997).
Metastasen op afstand
Geen metastasering op afstand
Metastasering op afstand
Tabel 1. TNM-classificatie van maligne tumoren van de lippen en de
mondholte (Sobin en Wittekind, 2002).
Stadiëring
De kaakchirurg-oncoloog zal aanvullende diagnostiek
inzetten gericht op de primaire tumor en op opsporing
van halskliermetastasen en metastasen op afstand. Bij deze
zogenaamde stadiëring wordt gebruikgemaakt van de
internationale TNM-classificatie voor lip- en mondholtetumoren (tab. 1). Hierbij verwijst de T naar de grootte
en uitbreiding van de primaire tumor, de N naar eventuele
halskliermetastasen en de M naar metastasen op afstand
(Sobin en Wittekind, 2002). Voor nadere bepaling van de
grootte en uitbreiding van de primaire tumor kan dan
onderzoek met computertomografie (CT) en magnetische
resonantie (MRI) worden verricht. Ter bepaling van de
status van de hals wordt veelal echografisch onderzoek, al
dan niet gecombineerd met een echogeleide punctie, verricht. Afstandsmetastasen worden opgespoord met een
röntgenopname van de thorax, een CT-scan of de enkele
jaren geleden geïntroduceerde PET-scan (positronemissietomografie). Daar zich een enkele maal gelijktijdig een
tweede primaire tumor (synchrone tumor) voordoet in het
slijmvlies van de bovenste lucht- en voedingsweg, wordt bij
een aantal patiënten, in het bijzonder bij een voorgeschiedenis van alcohol- en tabaksgebruik, onder algehele anesthesie
een panendoscopie van deze slijmvliezen verricht. De uit het
aanvullend onderzoek voortvloeiende TNM-classificatie is
behulpzaam bij het opstellen van een behandelplan.
Voorstadia
Voorstadia van het plaveiselcelcarcinoom, ook wel prema-
190
Leukoplakie
De term leukoplakie wordt voor het mondslijmvlies als
een voorlopige klinische diagnose gebruikt wanneer een
overwegend witte laesie niet direct als een andere entiteit
kan worden gedefinieerd. Pas wanneer is gebleken dat de
witte slijmvliesverandering niet verdwijnt na het elimineren van eventuele oorzakelijke factoren en bovendien ook
een proefexcisie heeft laten zien dat er geen andere definieerbare entiteit in het spel is, wordt de term leukoplakie in
definitieve zin gebruikt (Van der Waal et al, 1996). Van alle
leukoplakieën in de mond gaat ongeveer 5% in een gemiddelde periode van 5 jaar over in een plaveiselcarcinoom.
Leukoplakische veranderingen komen vooral voor bij
patiënten boven de 40 jaar en blijken meestal door roken
te zijn veroorzaakt. Voorkeurslokalisaties zijn het wangslijmvlies, de tongranden en de mondbodem.
Indien een tandarts–algemeen practicus een leukoplakische afwijking waarneemt, is verwijzing naar een
kaakchirurg voor het afstemmen van het verdere beleid
aangewezen (afb. 10). Meestal zal door de kaakchirurg een
proefexcisie worden verricht. Er zijn echter omstandigheden denkbaar dat de kaakchirurg dat niet of pas in een
later stadium doet. Het hangt vooral af van het histologische beeld of met controle kan worden volstaan of dat tot
behandeling moet worden overgegaan. Vermeldenswaard
hierbij is dat tot op heden nooit is aangetoond dat met
verwijdering van de leukoplakie maligne ontaarding kan
worden voorkomen. Daarnaast dient de patiënt uiteraard
gewezen te worden op de schadelijke effecten van zijn of
haar rookgewoonte.
Daar tot op heden geen betrouwbare voorspellende factoren voorhanden zijn met betrekking tot maligne ontaarding, moet de patiënt met een leukoplakie veelal langdurig
worden gecontroleerd. Deze controles kunnen worden
verricht door een kaakchirurg of in sommige situaties
door een tandarts-algemeen practicus.
Ned Tijdschr Tandheelkd 115 april 2008
Van der Meij: Mondkanker
Erytroplakie
Erytroplakie is een rode verandering van het slijmvlies
die op analoge wijze als leukoplakie wordt gedefinieerd:
een rode afwijking van het mondslijmvlies die niet als een
andere entiteit kan worden gedefinieerd (Van der Waal et al,
1996). Voor de erytroplakie geldt echter dat bij histopathologisch onderzoek bijna altijd al sprake is van epitheeldysplasie, carcinoma in situ of zelfs een plaveiselcelcarcinoom.
Vaak komen erytroplakische en leukoplakische veranderingen gelijktijdig voor (erytroleukoplakie). Voor de erytroplakie gelden dezelfde opmerkingen als genoemd bij de
leukoplakie, met dien verstande dat bij erytroplakie eerder
zal worden overgegaan tot behandeling.
controle van de mond worden waargenomen. Ook hier
speelt de tandarts een belangrijke rol bij de herkenning en
de verwijzing naar een kaakchirurg.
Literatuur
> Bloemena E. Kanker en oncogenese. Ned Tijdschr Tandheelkd 2008;
115: 180-185.
> Hordijk GJ, Ravasz LA. Het hoofd-halscarcinoom. Een multidisciplinair
probleem. Utrecht/Antwerpen: Bohn, Scheltema & Holkema, 1989.
> Huizing EH, Snow GB. Leerboek keel-, neus- en oorheelkunde.
Houten/Antwerpen: Bohn Stafleu Van Loghum, 2003.
> Vereniging van Integrale kankercentra. www.ikcnet.nl, onder kopje
“cijfers” (geraadpleegd maart 2008).
> Meij EH van der. The possible premalignant character of oral lichen
Lichen planus en lichenoïde afwijkingen
Reeds enkele decennia is er een wetenschappelijke discussie
gaande over het mogelijke premaligne karakter van orale
lichen planus. Enkele tientallen klinisch-pathologische
vervolgonderzoeken, het merendeel van retrospectieve
aard, beschrijven een percentage maligne transformaties
dat varieert van 0,04 tot 1,74% op jaarbasis. Het hanteren
van wisselende inclusiecriteria in deze onderzoeken is de
belangrijkste oorzaak van kritiek op de stelling dat orale
lichen planus premaligne zou zijn (Van der Meij, 2002).
In het kader hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen
orale lichen planus en op orale lichen planus gelijkende
afwijkingen, ook wel lichenoïde laesies genoemd. ‘Klassieke’
orale lichen planus lijkt hierbij een onschuldige aandoening;
controle lijkt dan ook niet noodzakelijk. Lichenoïde
afwijkingen hebben vermoedelijk een verhoogde kans
op maligne ontaarding en dienen te worden beschouwd als
premaligne. Dit betekent dat dergelijke laesies beter als een
(erytro)leukoplakie kunnen worden beschouwd. Geadviseerd
wordt dan ook het daarbij voorgestelde beleid te volgen.
Bij twijfel of men te maken heeft met orale lichen planus of
een lichenoïde laesie lijkt verwijzing naar een kaakchirurg
voor het verder te volgen beleid gerechtvaardigd.
Slotbeschouwing
Het mondholtecarcinoom neemt in de oncologie een aparte
plaats in door zijn lokalisatie in een gebied dat voor iedereen zichtbaar is en een belangrijke functie heeft bij eten,
drinken, ademhalen en spreken. Het is dan ook in principe mogelijk deze tumoren vroeger te diagnosticeren dan
tumoren die meer inwendig gelokaliseerd zijn, zoals longof maagtumoren (Huizing en Snow, 2003). Tandartsen hebben hierbij een belangrijke taak. Bovendien zien tandartsen,
in tegenstelling tot huisartsen, met vaste regelmaat hun
patiënten voor controle en zijn zij dus bij uitstek in staat om
een maligne mondholtetumor in een vroeg stadium te herkennen. Kleine, nog niet gemetastaseerde tumoren hebben
na adequate behandeling de beste kans op genezing. Een
mondholtecarcinoom wordt vaak voorafgegaan door witte
en/of rode premaligne afwijkingen van het mondslijmvlies.
Een dergelijke afwijking kan eveneens bij routinematige
Ned Tijdschr Tandheelkd 115 april 2008
planus and oral lichenoid lesions; a clinicopathological study. Amsterdam: Vrije Universiteit, 2002. Academisch proefschrift.
> Silverman S jr. Oral cancer. Hamilton/London: BC Decker Inc, 2003.
> Sobin LH, Wittekind Ch. TNM classification of malignant tumours.
Lip and oral cavity. New-York: Wiley-Liss, 2002.
> Stegenga B, Vissink A, Bont LGM. Mondziekten en kaakchirurgie. Assen: Van Gorcum, 2000.
> Waal I van der, Kwast WAM van der, Wal JE van der. Pathologie van de
mondholte. Houten/Antwerpen: Bohn Stafleu Van Loghum, 1996.
> Waal van der I. Mondkanker: een overzicht. Ned Tijdschr Tandheelkd
1996; 103: 345-347.
> Waal van der I, Schepman KP, Meij EH van der, Smeele LE. Oral leukoplakia: a clinicopathological review. Oral Oncol 1997; 33: 291-301.
Summary
Epidemiology, aetiology, and clinical aspects of oral
cancer and premalignant lesions
Since oral cancer can be considered to be a relatively rare disease, dental practitioners will only rarely be confronted with it.
Nevertheless, dental practitioners have a key role to play in the
early diagnosis and referral to an oral and maxillofacial surgeon. The
major part of oral cancers are squamous cell carcinomas, recognizable
during routine oral inspection. Early referral is essential since treatment of small, not yet metastasized cancers have the best chance
of long-term disease-free survival. Moreover, oral carcinoma is often
preceded by white and/or red pre-malignant lesions of the salivary
glands. These can similarly be detected by routine inspection. Here
too, dentists play an important role in recognizing such diseases and
referring patients to an oral and maxillofacial surgeon.
Bron
E.H. van der Meij
Uit de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie van het
Medisch Centrum Leeuwarden
Datum van acceptatie: 19 december 2007
Adres: dr.E.H. van der Meij, MC Leeuwarden, postbus 888, 8901 BR
Leeuwarden
[email protected]
191
Download