Concurrentie en complementariteit tussen

advertisement
FACULTEIT LETTEREN & WIJSBEGEERTE
Academiejaar 2014-2015
Arne Dhondt
Concurrentie en complementariteit tussen
woordvormingsprocedés
Een onomasiologisch perspectief op de vorming van
deverbale substantieven
Masterproef voorgelegd tot het behalen van de graad van
MASTER IN DE TAAL- EN LETTERKUNDE
Nederlands- Engels
Promotor: Prof. dr. Johan De Caluwe
Vakgroep Taalkunde – Nederlands
Voorwoord
Een voorwoord is een bijzonder iets. Terwijl de lezer nog maar aan het begin van de rit staat, blikt de
schrijver terug op het parcours dat hij heeft afgelegd. Dat parcours is vaak niet zonder hindernissen,
zoals ik ook zelf heb kunnen ervaren. Woordvorming was grotendeels onbekend terrein voor mij en
het bleek niet altijd even makkelijk te zijn om vat te krijgen op de oneindige variatie in
benoemingsmogelijkheden. Die complexiteit maakte de materie echter des te boeiender en ik
beschouw mijn onderzoek dan ook als een erg leerrijke ervaring. Dat mijn parcours geen lijdensweg
werd, heb ik te danken aan de mensen die mij onderweg hebben gesteund. Tot hen richt ik dan ook
graag een woord van dank.
In de eerste plaats wil ik graag mijn promotor, prof. dr. Johan De Caluwe, bedanken. Hij wekte mijn
interesse voor dit uitdagende onderwerp, stimuleerde me om kritisch met de materie om te gaan en
was bovendien bereid om mijn hele scriptie na te lezen en te becommentariëren, waarvoor ik hem
uiteraard erg dankbaar ben. Zijn waardevolle feedback heeft me zonder twijfel geholpen om deze
thesis sterker te maken.
Verder gaat mijn dank ook uit naar mijn ouders. Dankzij hun financiële steun kon ik me de afgelopen
vier jaar volledig toeleggen op mijn opleiding, en ook hun mentale steun heb ik steeds erg
gewaardeerd. Woordvorming staat waarschijnlijk ver van hun bed staat, maar toch volgden ze de
ontwikkelingen in mijn thesis op de voet en deinsden ze er niet voor terug om het eindproduct te
doorploegen op zoek naar fouten.
Ten slotte wil ik ook mijn vrienden bedanken, in het bijzonder Fien en Amber. Hoewel het ook voor
hen niet altijd makkelijk was, waren zij toch steeds bereid om naar mijn (eindeloze) geweeklaag te
luisteren en hebben zij ook hun ongezouten mening gegeven over zowel vorm als inhoud van deze
scriptie. Bedankt, zonder jullie was het niet gelukt!
Arne Dhondt
juli 2015
Inhoudsopgave
Inleiding ................................................................................................................................................... 1
1.
Literatuurstudie ............................................................................................................................... 3
1.1
Benoemen ............................................................................................................................... 3
1.2
Woordvormingsprocedés ........................................................................................................ 5
1.2.1
Vorming van gelede woorden ............................................................................................. 5
1.2.2
Betekenis van gelede woorden ........................................................................................... 8
1.2.3
Productiviteit ..................................................................................................................... 12
1.3
2.
3.
Onomasiologisch onderzoek naar woordvormingsprocedés................................................ 15
1.3.1
Woordvorming vanuit onomasiologisch perspectief ........................................................ 15
1.3.2
Semasiologisch en onomasiologisch onderzoek naar deverbale woordvorming ............. 16
Opzet en methode ......................................................................................................................... 19
2.1
Informatie over de woordvormingsprocedés ....................................................................... 19
2.2
Afbakening van de concepten ............................................................................................... 21
Onderzoek ...................................................................................................................................... 22
3.1
Animate entiteit met werking ............................................................................................... 22
3.1.1
Semantische rollen? .......................................................................................................... 22
3.1.2
Individueel ......................................................................................................................... 22
3.1.3
Collectief............................................................................................................................ 31
3.2
Inanimate entiteit met werking ............................................................................................ 36
3.2.1
Semantische rollen? .......................................................................................................... 36
3.2.2
Afbakening van de woordvormingsprocedés.................................................................... 39
3.2.3
Semantische groepering.................................................................................................... 45
3.2.4
Machines/installaties/mechanismen en werktuigen ........................................................ 47
3.2.5
Stoffen ............................................................................................................................... 52
3.2.6
Decoratie- en bouwmateriaal ........................................................................................... 57
3.2.7
Taalhandelingen ................................................................................................................ 62
3.2.8
Afzettingen en termen uit de plantenwereld ................................................................... 64
Conclusie ............................................................................................................................................... 66
Referentielijst ........................................................................................................................................ 71
Bijlagen .................................................................................................................................................. 75
Bijlage 1: overzicht van semasiologische artikels .............................................................................. 75
Bijlage 2: concurrerende procedés in Taeldeman (1985), Taeldeman (1987), Devos (1990)
Taeldeman (1990) .............................................................................................................................. 82
Bijlage 3: suffix -aar ........................................................................................................................... 87
Bijlage 4: suffix -er ............................................................................................................................. 89
Bijlage 6: suffix -ling ........................................................................................................................... 91
Bijlage 7: suffix -ing............................................................................................................................ 92
Bijlage 8: stamwoorden ..................................................................................................................... 95
Impliciete transpositie ................................................................................................................... 95
Stamwijziging ................................................................................................................................. 96
Bijlage 9: suffix -st .............................................................................................................................. 97
Bijlage 10: suffix -sel .......................................................................................................................... 98
(25 589 woorden)
Inleiding
In de lexicale semantiek wordt traditioneel het onderscheid gemaakt tussen semasiologisch en
onomasiologisch onderzoek. Semasiologisch onderzoek vertrekt vanuit de vorm van het woord en
beschrijft welke betekenissen er aan die vorm gekoppeld zijn (Grondelaers & Geeraerts 2003:69).
Zo’n semasiologisch perspectief wordt ook in de meeste woordenboeken gehanteerd. Van Dale
(2014) geeft bijvoorbeeld aan dat de vorm comazuiper de volgende betekenis draagt: “iem., m.n.
jongere, die in gezelschap van anderen in korte tijd zoveel alcoholhoudende drank drinkt dat hij het
bewustzijn verliest.” Onomasiologie daarentegen “takes its starting-point in a concept, and
investigates by which different expressions the concept can be designated, or named” (Grondelaers
& Geeraerts 2003:69). Dialectwoordenboeken zoals het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten
(WVD) zijn vaak onomasiologisch georganiseerd en geven dus voor een bepaald concept aan hoe het
in de verschillende dialecten wordt benoemd (Vanhoutte 2004: 2.2.4). Voor het concept ‘schommel’
bijvoorbeeld geeft de website van het WVD (2015) onder andere de benamingen biezebijs, roets,
schokkel en wip.
Ook in morfologisch onderzoek is het onderscheid tussen semasiologie en onomasiologie relevant.
Semasiologisch morfologisch onderzoek beschrijft de verschillende betekeniscategorieën waarin de
woorden vallen die zijn gevormd met een bepaald woordvormingsprocedé (Booij & Van Santen
1998:125). Taeldeman (1990) stelt bijvoorbeeld dat met het suffix –sel vier semantische types van
woorden kunnen worden gevormd. Woorden als doopsel en vormsel verwijzen naar de handeling van
het dopen en vormen. Met plantsel benoemen we dan weer datgene wat de handeling van het
planten ondergaat of ondergaan heeft. Verder verwijst bijvoorbeeld smeersel naar datgene wat dient
om te smeren. Overblijfsel ten slotte zou behoren tot een categorie van “dingen waaraan zich iets
voordoet” (Taeldeman 1990:82-83). Hoewel traditioneel morfologisch onderzoek steeds een
semasiologisch perspectief hanteert, kan een onomasiologische invalshoek ook interessante
inzichten opleveren. Zo’n onderzoek kan namelijk nagaan welke woordvormingsprocedés geschikt
zijn om een bepaald concept te benoemen en hoe die procedés zich tot elkaar verhouden (De
Caluwe 2010:71). Als we bijvoorbeeld op basis van een exogeen adjectief een persoonsnaam willen
vormen, zijn de volgende procedés beschikbaar:
(1) [XA]N ‘persoon die A is’ (De Caluwe 2010:76)
intellectueel, allochtoon, koloniaal, industrieel, enzovoort
(2) [XA + eling]N ‘persoon die A is’ (De Caluwe 2010:79)
actieveling, agressieveling, creatieveling
Die twee procedés verschillen echter op vlak van hun gevoelswaarde: terwijl een conservatief
bijvoorbeeld vrij neutraal geconnoteerd is, hangt met conservatieveling een negatieve
gevoelswaarde samen (De Caluwe 2010:76-79).
Naar woordvormingsprocedés die deverbale substantieven vormen, is al heel wat semasiologisch
onderzoek verricht. Taeldeman (1990) en Devos (1990) onderzoeken bijvoorbeeld welke
betekenissen er allemaal kunnen worden uitgedrukt met respectievelijk de suffixen –sel en -ing. Bij
1
zulk semasiologisch onderzoek hoort echter vaak ook een component onomasiologisch onderzoek
(zie bijvoorbeeld Taeldeman 1985, Taeldeman 1990 en Devos 1990). Het doel daarvan is dan om te
bepalen welke andere woordvormingsprocedés dezelfde betekenis(sen) kunnen uitdrukken als het
woordvormingsprocedé waarop gefocust wordt. Op die manier wordt getracht om te verklaren
waarom het procedé bepaalde mogelijke woorden toch niet vormt: als voor een bepaald concept
immers al een woord bestaat (dat al dan niet gevormd is met een ander procedé), dan zal dat
bestaande woord het mogelijke woord blokkeren (De Caluwe 2010:71-72). Met het suffix –ing wordt
bijvoorbeeld geen substantief koming gevormd, omdat dezelfde betekenis al uitgedrukt wordt door
het oudere komst (Devos 1990:39). Dergelijk onomasiologisch onderzoek als onderdeel van een
semasiologisch georiënteerd artikel probeert dus zicht te krijgen op de productiviteit van het
onderzochte woordvormingsprocedé (De Caluwe 2010:72).
Dat bestaande onomasiologisch onderzoek naar deverbale woordvormingsprocedés levert wel
interessante inzichten op, maar het vertoont toch ook een aantal tekortkomingen. Zo is het eigenlijk
“geen volwaardig onomasiologisch onderzoek” net omdat er vooral wordt geprobeerd om zicht te
krijgen op de productiviteit van een enkele woordvormingsregel en niet in de eerste plaats op de
(verhouding tussen) verschillende woordvormingsprocedés binnen een bepaald benoemingsdomein
(De Caluwe 2010:72). Een ander probleem is dat de klemtoon vaak eerder op het synchrone
taalsysteem ligt: een bepaald woord wordt niet gevormd in het hedendaagse taalsysteem omdat er
al een ander woord bestaat dat dezelfde betekenis heeft. Dat roept dan echter de vraag op hoe de
verhoudingen vroeger lagen tussen die woordvormingsprocedés. Om inzicht te krijgen in de
dynamiek en de verhoudingen tussen de verschillende woordvormingsprocessen, moet er dus ook
voldoende rekening gehouden worden met diachrone ontwikkelingen. Een laatste probleem is dat
het onomasiologisch onderzoek van bijvoorbeeld Devos (1990) en Taeldeman (1990) vertrekt vanuit
de betekeniscategorieën die onderscheiden worden in semasiologisch onderzoek. Zoals we echter
verderop in deze scriptie zullen proberen te laten zien, zijn de betekeniscategorieën uit
semasiologisch onderzoek voor discussie vatbaar en vormen zij bijgevolg geen goed uitgangspunt
voor onomasiologisch onderzoek.
Het onomasiologisch onderzoek naar deverbale woordvormingsprocedés uit het verleden schiet dus
op een aantal vlakken tekort en daarom is het nodig om met een hernieuwde blik onderzoek te
voeren naar de verhoudingen tussen de verschillende procedés waarmee substantieven kunnen
worden gevormd op basis van werkwoorden. In deze scriptie zullen we dan ook proberen na te gaan
wat de verhoudingen zijn tussen de verschillende woordvormingsprocedés die in het Nederlands
bestaan om een entiteit te benoemen die betrokken is bij een activiteit die of een proces dat in de
regel uitgedrukt wordt door een werkwoord.
Het vervolg van deze scriptie is als volgt georganiseerd: de eerste paragraaf biedt de nodige
theoretische achtergrond bij woordvorming en benoeming en gaat ook dieper in op de relevantie van
dit onderzoek. In de tweede paragraaf wordt de methode geschetst die we voor dit onderzoek
gehanteerd hebben. De derde paragraaf biedt vervolgens een antwoord op de onderzoeksvraag. Ten
slotte worden in de conclusie een aantal algemenere bevindingen van dit onderzoek besproken.
2
1. Literatuurstudie
In de inleiding werd al aangegeven dat deze scriptie een onomasiologische invalshoek heeft, wat
inhoudt dat er zal worden onderzocht hoe bepaalde concepten benoemd worden (Grondelaers &
Geeraerts 2003:69). Het eerste deel van deze literatuurstudie gaat daarom in op het
benoemingsproces in het algemeen. Daarbij zal blijken dat woordvormingsprocedés een belangrijke
rol spelen in dat benoemingsproces. In het tweede deel geven we dan ook wat meer theoretische
achtergrond bij die woordvormingsprocedés en schetsen we hoe neologismen worden gevormd. Het
derde deel bespreekt ten slotte waarom onomasiologisch onderzoek naar woordvormingsprocedés
interessant is en welke tekortkomingen er zijn bij het bestaande onomasiologisch onderzoek naar de
vorming van deverbale substantieven.
1.1
Benoemen
Koefoed (1991, 1993) benadert het proces van benoeming of naamgeving vanuit een denkkader dat
sterk door De Saussure is beïnvloed. Namen omschrijft hij als “de in een gemeenschap gebruikelijke
aanduiding voor een begrip”, als “signifiants die conventioneel met signifiés zijn verbonden”
(Koefoed 1993:111). Bij het tot stand komen van die namen onderscheidt hij vier fasen (Koefoed
1993:111-127). In een eerste fase wordt een begrip gevormd dat nog geen naam heeft, maar wel om
een naam vraagt.1 Zo’n nieuw begrip kan zich bijvoorbeeld aandienen wanneer er zich
“veranderingen in de fysische of sociale werkelijkheid of veranderingen in het denken” voordoen
(Koefoed 1993:114). Een begrip zonder naam is nog geen signifié, omdat een signifié onlosmakelijk
met een signifiant is verbonden; het is volgens Koefoed eerder een signifiabele (Koefoed 1993:115).
In een volgende fase gaat de taalgebruiker op zoek naar een uitdrukking waarmee het begrip kan
worden benoemd (Koefoed 1993:111). Zo’n uitdrukking (een vorm) die nog niet is verbonden met
een begrip, is nog geen signifiant, maar een signifiant-in-spe (Koefoed 1993:122). De derde fase is
dan “de eigenlijke act van benoeming”, de taalhandeling “waarin een uitdrukking gebruikt wordt om
een begrip mee aan te duiden” en waarin de uitdrukking dus wordt verbonden met dat begrip
(Koefoed 1993:111-112).2 In de vierde en laatste fase ten slotte wordt de relatie tussen het begrip en
de uitdrukking geconventionaliseerd binnen de gemeenschap (Koefoed 1993:111). Van belang voor
dit onderzoek is vooral de tweede fase, waarin een uitdrukking gezocht wordt voor een bepaald
begrip. Daar gaan we dus nog iets dieper op in.
Koefoed (1993:115-122) ziet vier verschillende wegen waarlangs een uitdrukking gevonden kan
worden die als naam voor een bepaald begrip kan dienen. Ten eerste is er de mogelijkheid om
namen uit het niets te creëren, “zonder gebruikmaking van bestaande regels en relaties tussen
1
Merk op dat Koefoed (1993:111-112) hiermee dus eigenlijk stelt dat mensen concepten hebben die losstaan
van de taal.
2
Hoewel de tweede en de derde fase niet altijd strikt gescheiden kunnen worden, wil Koefoed (1993:112) ze
hier toch graag gescheiden houden omdat hij niet gelooft dat de taal namen genereert. Volgens hem genereert
de taal alleen uitdrukkingen (signifiants-in-spe) die dan met een signifiabele kunnen worden verbonden en op
die manier als naam gaan fungeren.
3
bestaande woorden” (Koefoed 1993:120). Als voorbeeld daarvan noemt hij de productnaam Balisto,
die als benaming voor een bepaald merk van koekjes uit het niets zou zijn gevormd.3 Verder
onderscheidt Koefoed (1993:120) ook eenvlakkige semantische procedés en eenvlakkige
fonologische procedés om uitdrukkingen te creëren. Bij eenvlakkige fonologische procedés wordt iets
veranderd aan de vorm van een bestaande naam. Koefoed (1993:120) verwijst bijvoorbeeld naar “de
modieuze afkorting of omvorming van woorden tot een tweelettergrepig woord op een klinker (met
een voorkeur voor de –o)”, waarbij bijvoorbeeld informatie wordt omgevormd naar info en
Limburger naar Limbo. Bij eenvlakkige semantische procedés worden bestaande namen metaforisch
of metonymisch toegepast op nieuwe begrippen. Naast de totale nieuwvormingen en de eenvlakkige
procedés, kunnen ten slotte ook nieuwe namen worden gemaakt via tweevlakkige morfologische
operaties, “waarbij steeds de analyse van woorden in betekenisdragende vormmomenten een rol
speelt” (Koefoed 1993:120). Bij die tweevlakkige morfologische procedés gaat het dus eigenlijk om
de creatie van nieuwe gelede woorden op basis van de kennis van bestaande gelede woorden, om
het maken van nieuwe uitdrukkingen via bepaalde woordvormingsprocedés. Koefoed (1993:117-120)
onderscheidt
verschillende
soorten
tweevlakkige
morfologische
operaties:
productieve
woordvormingsregels, creatieve procedés, vorming naar modellen en ad hoc analyses. Die operaties
verschillen van elkaar op het vlak van “de relatieve (metatalige) bewustheid waarmee zij door de
sprekers worden toegepast” (Koefoed 1993:117). Het onderscheid dat hij maakt, lijkt echter vooral
een onderscheid te zijn tussen woorden die het product zijn van regels en vormingen die ontstaan
zijn door analogie. Zoals later in deze scriptie (in 1.2.1) nog zal blijken, is dat onderscheid echter erg
artificieel en moeilijk toepasbaar en daarom zullen we er hier niet verder op ingaan.
Woordvormingsprocedés vormen dus een belangrijk middel om bepaalde concepten te benoemen.
In wat volgt, zal de nodige theoretische achtergrond bij die woordvormingsprocedés worden
geschetst. In 1.2.1 komt aan bod hoe gelede woorden gevormd worden, in 1.2.2 gaan we na hoe de
betekenis van gelede woorden wordt beschreven en vervolgens wordt in 1.2.3 aandacht besteed aan
de productiviteit van woordvormingsprocedés. De visie op vorming, betekenis en productiviteit
verschilt naargelang er wordt uitgegaan van een rule-based of een instance-based morphology (zie
infra voor meer uitleg). De semasiologische studies waarop dit onderzoek gebaseerd is, gaan meestal
(impliciet) uit van een rule-based morphology, maar de laatste jaren wordt er steeds meer op
gewezen dat een instance-based morphology meer verklarende kracht heeft (zie Hüning 1999:21-33,
Hüning 2010). Daarom besteden we steeds aandacht aan beide perspectieven.
3
Toch lijkt de naam Balisto niet helemaal los te staan van bestaande woorden. Op de Engelstalige
Wikipediapagina over het koekje staat bijvoorbeeld te lezen dat “[i]ts name supposedly alludes to its dietary
fibre content (‘Ballaststoffe’ in German).” De naam is dus niet uit het niets ontstaan, maar is in zekere zin toch
gemotiveerd.
4
1.2
Woordvormingsprocedés
1.2.1 Vorming van gelede woorden
De rule-based en de instance-based morphology beschrijven de vorming van gelede woorden op
verschillende wijze. Die twee visies hangen echter nauw samen met twee verschillende manieren om
naar gelede woorden te kijken, namelijk de syntagmatische en de paradigmatische visie, die in
1.2.1.1 worden besproken.
1.2.1.1 Syntagmatische versus paradigmatische morfologie
Booij & Van Santen (1998:5-7) onderscheiden en beschrijven twee verschillende visies op gelede
woorden. De syntagmatische morfologie beschouwt een geleed woord alsof het is opgebouwd uit
morfemen die op een horizontale (syntagmatische) as met elkaar worden gecombineerd. Centraal
daarbij staan de relaties die de verschillende morfemen binnen een woord met elkaar onderhouden.
Syntagmatische morfologie wordt daarom ook wel eens morfeemsyntaxis genoemd en het stelt de
geleedheid van een bepaald woord typisch voor door middel van bracketing (zie bijvoorbeeld
pandapunten in 3).
(3) [[[panda]N[punt]N]N en]N
De paradigmatische morfologie daarentegen focust op de relaties die gelede woorden onderhouden
met andere woorden die op grond van vormelijke en semantische overeenkomsten tot eenzelfde
(morfologisch) paradigma behoren. Die relaties kunnen we enkel op het spoor komen door middel
van woordvergelijking. Welke relaties gelede woorden met andere woorden kunnen onderhouden,
proberen we duidelijk te maken aan de hand van de woorden in (4).
(4)
werkwoord
geleed nomen
zagen
zaagsel
weven
weefsel
scheppen
schepsel
De woorden zagen en zaagsel komen zowel vormelijk als semantisch overeen. Qua vorm delen ze
namelijk het vormmoment zaag en qua betekenis duidt zagen de handeling en zaagsel het resultaat
van diezelfde handeling aan. De verhouding tussen het gelede zaagsel en het minder gelede zagen
zien we ook terugkeren in de andere paren. Ook de gelede woorden onderling behoren tot één
paradigma, aangezien ze zowel een vormmoment (het suffix –sel) als een betekenismoment
(‘resultaat van een handeling’) gemeenschappelijk hebben. De paradigmatische morfologie focust
dus op woorden en kent morfemen een minder centrale rol toe.
1.2.1.2 Rule-based morphology
De vorming van gelede woorden wordt in de rule-based morphology voorgesteld als een
syntagmatisch proces is dat kan worden beschreven door middel van woordvormingsregels (Van
Santen 2010:20). Die regels ontstaan volgens Booij & Van Santen (1998:46-50) doordat
5
taalgebruikers inzicht krijgen in de paradigmatische relaties die bepaalde gelede woorden met elkaar
onderhouden en op basis daarvan een (syntagmatische) woordvormingsregel abstraheren.4 Die
woordvormingsregel is dan een stukje abstracte kennis van taalgebruikers dat codeert welke
woorden als grondwoord kunnen dienen voor een bepaald procedé, welke veranderingen dat
grondwoord ondergaat en ook wat de gemeenschappelijke betekenis is van de afgeleide woorden
(Van Santen 2010:18). Op grond van het materiaal in (4) zou een taalgebruiker bijvoorbeeld volgende
woordvormingsregel kunnen afleiden:
(5) [X]V  [[X]V + sel]N
‘resultaat van de handeling van V’
Niet alle nieuwvormingen zijn echter het resultaat van woordvormingsregels. Woordvormingsregels
worden namelijk gekoppeld aan het begrip morfologische productiviteit, gedefinieerd als “de
mogelijkheid tot uitbreiding van de woordenschat volgens een bepaalde vorm-betekenissystematiek
die zich voordoet in bestaande gelede woorden” (Booij & Van Santen 1998:46-50). Van een
nieuwvorming op basis van een woordvormingsregel is er dan ook enkel sprake als die nieuwvorming
volkomen systematisch of voorspelbaar is en een niet-incidenteel karakter heeft (Booij & Van Santen
1998:46-47). Neologismen als vrekkin en giraffin zijn niet uitgesloten, maar ze zijn wel onregelmatig:
de categorie van vrouwelijke substantieven op –in is eigenlijk gesloten, maar incidenteel voegen
taalgebruikers er nog wel eens een nieuw lid aan toe (Booij & Van Santen 1998:47). Dergelijke
nieuwvormingen die niet geheel voorspelbaar en veeleer incidenteel zijn, zijn ontstaan door
analogie, wat inhoudt dat “de spreker niet [kan] terugvallen op een regel, maar (…) een nieuw woord
[creëert] door zelf, voor de gelegenheid, een relatie tussen bestaande gelede woorden naar andere
woorden uit te breiden” (Booij & Van Santen 1998:52). Analogievormingen ontstaan dus ook doordat
de taalgebruiker zich bewust is van de paradigmatische relaties tussen verschillende woorden, maar
in dit geval heeft hij er geen syntagmatische woordvormingsregel uit geabstraheerd. Bij
analogievormingen is er dan ook geen sprake van productiviteit, maar van creativiteit (Booij & Van
Santen 1998:47).
De laatste jaren kwam er echter steeds meer kritiek op de regelgebaseerde aanpak, omdat die nogal
wat problemen met zich meebrengt.5 Zoals Booij & Van Santen (1998:47) zelf al aangaven, is het
onderscheid tussen regel en analogievorming “niet voor alle gevallen duidelijk af te bakenen” en
bijgevolg nogal kunstmatig. Bovendien is er geen enkel bewijs dat taalgebruikers regelmatige en
analogische vormingen op een verschillende manier zouden verwerken, wat dan de vraag oproept
waarom we zo’n onderscheid zouden moeten maken (Hüning 1999:29). Misschien zijn
woordvormingsregels dan ook niet meer dan “een beschrijving door taalkundigen van de
waargenomen systematiek in gelede woorden” en geen beschrijving van wat taalgebruikers in hun
hoofd hebben zitten (Van Santen 2010:19-20). Doordat woordvormingsregels volgens Hüning
4
Hieruit blijkt dat een syntagmatische en een paradigmatische visie op woordvorming elkaar niet uitsluiten,
zoals ook Booij & Van Santen (1998:7) al opmerkten.
5
Zie Hüning (1999:21-33) voor een (zeer beknopt) overzicht over de verschuivende paradigma’s in de
woordvormingstheorie. Hüning (2010) bespreekt de problemen van de rule-based morphology en pleit voor
een instance-based morphology.
6
(1999:27) verder altijd de “toevoeging van één affix” moeten beschrijven, kunnen nogal wat
nieuwvormingen niet met behulp van woordvormingsregels worden verklaard. Een vorming als
vakbeweger uit vakbeweging bijvoorbeeld kunnen Booij & Van Santen (1998:52) niet verantwoorden
met een syntagmatische woordvormingsregel en het gaat hier volgens hen dan ook om een
analogische vorming “op basis van een vergelijking met bestaande gelede woorden.” Zulke
analogische vormingen worden echter wel als secundair beschouwd ten opzichte van de ‘normale’
woordvorming door middel van affigering (Hüning 1999:29).
1.2.1.3 Instance-based morphology
Een instance-based morphology probeert deze problemen op te lossen door af te stappen van het
onderscheid tussen regelgebaseerde en analogische vormingen en door analogie naar voren te
schuiven als enige verklarende principe in de woordvorming (zie Hüning 1999:21-33, Hüning 2010).
Zoals Hüning (2010:62) op basis van Bybee (2010) schrijft,
is het voldoende om voor de taalverwerking één mechanisme aan te nemen dat werkt op
verschillende niveaus. Er is sprake van een continuüm: sommige nieuwvormingen zijn
gebaseerd op een kleine groep analoge voorbeelden (soms ook op één voorbeeld), andere op
een groep voorbeelden die een zeer regelmatig en schematisch patroon vertonen. Het
mechanisme is volgens Bybee echter altijd hetzelfde: er wordt gegeneraliseerd door middel
van analogie en op basis van bekende exemplaren of exemplaarclusters.
Woorden worden dus niet ofwel syntagmatisch gevormd op basis van mechanische
woordvormingsregels ofwel paradigmatisch op basis van analogie, maar ze worden altijd
paradigmatisch gevormd.6 Nieuwe woorden worden steeds analoog gevormd aan een (groepje van)
voorbeeldwoord(en); niet op basis van regels, maar op basis van specifieke instances.
Zo’n benadering van woordvorming is veel minder restrictief dan de regelgebaseerde benadering,
waarin woordvorming altijd zou neerkomen op het toevoegen van één affix (Hüning 1999:27). In
principe is het namelijk mogelijk om op basis van iedere verhouding een nieuwvorming te
produceren (Hüning 1999:32): analoog aan de verhouding tussen leiding en leider kan een
taalgebruiker dan bijvoorbeeld uit vakbeweging het woord vakbeweger vormen en zo’n vorming is
niet secundair ten opzichte van de vorming van leider uit leiden. Die visie op woordvorming stemt
bovendien overeen met wat uit psycholinguïstisch onderzoek is gebleken, namelijk dat analogische
relaties een zeer belangrijke rol spelen bij de verwerking van taal (Hay & Baayen 2005:343-344).
6
Merk op dat woordvormingsregels en woordvormingsprocedés niet als synoniemen gebruikt
worden in deze thesis. We spreken enkel over regels om te verwijzen naar het stukje abstracte
kennis dat taalgebruikers volgens de rule-based morphology zouden hebben afgeleid uit hun kennis
van bestaande woorden. Met woordvormingsprocedés wordt verwezen naar procedés waarmee
woorden gevormd worden, zonder daarbij een onderscheid te maken tussen vormingen op basis van
regels of op basis van analogie.
7
1.2.2 Betekenis van gelede woorden
De instance-based en een rule-based morphology hebben dus een verschillende visie op de vorming
van gelede woorden. Daarmee samenhangend beschrijven beide echter ook op een verschillende
manier op hoe betekenis wordt toegekend aan neologismen.
1.2.2.1 Rule-based morphology
Zoals hierboven in 1.2.1.1 al werd aangegeven, moet in een regelgebaseerde woordvormingstheorie
de woordvormingsregel aangeven wat de gemeenschappelijke betekenis is van de woorden die hij
produceert (Van Santen 2010:18). Naar die gemeenschappelijke betekenis wordt vaak verwezen met
de term categoriale waarde, gedefinieerd door Booij & Van Santen (1998:24) als de “betekenis die
leden van een morfologische categorie gemeen hebben.”7 De woordvormingsregel in (6) vormt
bijvoorbeeld woorden als leerlinge, scholiere, studente, gynaecologe en violiste. De categoriale
waarde zou dan ook omschreven kunnen worden als ‘specifiek vrouwelijke X’: een leerlinge is
bijvoorbeeld een ‘vrouwelijke leerling’ (Booij & Van Santen 1998:132).
(6) [X]N  [[X]N + e]N
‘specifiek vrouwelijke X’
Gevallen als (6) waarin er sprake is van één categoriale waarde die zeer nauwkeurig te omschrijven
is, zijn echter eerder uitzondering dan regel. Booij & Van Santen (1998:132-138) stellen namelijk dat
een morfologische categorie vaak meerdere, polyseme betekenissen heeft en onderscheiden twee
wegen waarlangs die polysemie tot stand kan komen.
Ten eerste is de categoriale waarde in sommige gevallen erg vaag (Booij & Van Santen 1998:132). De
woordvormingsregel in (7) vormt bijvoorbeeld werkwoorden op basis van zelfstandige naamwoorden
door impliciete transpositie en levert werkwoorden op als hamsteren, ridderen, hameren en punten
(Booij & Van Santen 1998:132-133).
(7) [X]N  [[X]N]V
‘proces waarbij op de een of andere wijze X is betrokken’
De categoriale waarde van die woordvormingsregel is echter erg vaag en bepaalt de betekenis van
het nieuwgevormde werkwoord maar voor een klein deeltje, zodat “er voor de betekenis per
werkwoord heel veel mogelijkheden zijn” (Booij & Van Santen 1998:133). Iemand die hamert, slaat
met een hamer, maar iemand die riddert of hamstert, slaat niet met ridders of hamsters. Bij ridderen
wordt iemand tot ridder gemaakt en bij hamsteren gedraagt iemand zich als een hamster. Wat de
eigenlijke betekenis is van het product van zo’n woordvormingsregel met een vage categoriale
waarde, wordt dan bepaald door de betekenis van het grondwoord, de context en de kennis van de
werkelijkheid van spreker en toehoorder (Booij & Van Santen 1998:133). Bij zulke
woordvormingsregels “waarvan de output semantisch zwaar ondergedetermineerd is”, is er volgens
De Caluwe (1992:144; 1994:240) sprake van een open semantiek. Booij & Van Santen (1998:133)
spreken hier van een polyseme morfologische categorie, omdat de leden van zo’n morfologische
7
Het begrip morfologische categorie definiëren Booij & Van Santen (1998:24) als “een reeks woorden (…) die
alle worden gekenmerkt door een gelijk vormmoment corresponderend met een identiek betekenismoment.”
8
categorie verschillende betekenissen kunnen uitdrukken die echter allemaal met elkaar worden
verbonden door een gemeenschappelijke kern, de categoriale waarde.8
Polysemie op het niveau van de morfologische categorie kan dus voortvloeien uit een vage
categoriale waarde. Daarnaast geven Booij & Van Santen (1998:135-138) aan dat categoriale
polysemie ook kan ontstaan doordat een categorie vanuit haar oorspronkelijke betekenis diverse
uitbreidingsmogelijkheden ontwikkelt. Dat illustreren ze aan de hand van de nomina op –ing (Booij &
Van Santen 1998:135-138).
Normaal drukken die woorden op -ing “de handeling of werking uit van het werkwoord waarvan ze
zijn afgeleid”: verwoesting bijvoorbeeld betekent ‘het verwoesten’ (Booij & Van Santen 1998:136).
Toch hebben veel woorden op –ing ook nog andere betekenissen ontwikkeld. Vertaling betekent
bijvoorbeeld niet alleen ‘de handeling van het vertalen’, maar ook ‘het resultaat van het vertalen’.
Die betekenisuitbreiding komt ook bij andere nomina op –ing voor, zoals uitvinding, verhoging en
verzameling. Ook uitbreidingen naar andere betekenissen zijn mogelijk: een stalling is ‘de plaats
waar je iets stalt’ en een regering is ‘de groep mensen die regeert’. Ook die betekenisuitbreidingen
worden nog bij andere nomina op –ing aangetroffen, bijvoorbeeld bij berging en leiding. Nomina op
–ing hebben dus vaak meerdere betekenissen en vertonen bovendien ook vaak dezelfde
betekenisuitbreidingen. Volgens Booij & Van Santen (1998:136) vloeit die polysemie bij individuele
woorden “voort uit de betekenismogelijkheden die eigen zijn aan de categorie nomina op –ing, uit de
polysemie op categoriaal niveau.” Die categorie nomina op –ing karakteriseren zij dan als een radiale
categorie: oorspronkelijk had ze de handelingsbetekenis als categoriale waarde, maar vanuit die
oorspronkelijke betekenis hebben zich via conceptuele metonymie nieuwe betekenismogelijkheden
ontwikkeld, zoals het resultaat, de plaats of de uitvoerder van de handeling. Er is dus niet langer één
categoriale waarde, maar er zijn verschillende betekenismogelijkheden. Daarbij moet dan nog
worden opgemerkt dat niet elk lid van die categorie alle betekenismogelijkheden vertoont: welke
betekenis(sen) een nieuwvorming krijgt, is afhankelijk van de betekenis van het grondwoord en van
onze kennis van de wereld. Booij & Van Santen (1998) gaan niet expliciet in op hoe een
morfologische categorie zulke uitbreidingsmogelijkheden ontwikkelt, maar bij de bespreking van de
instance-based morphology in 1.2.2.2 zal worden beschreven hoe Rainer (2003) op een aannemelijke
manier verklaart hoe een morfologische categorie nieuwe betekenissen kan ontwikkelen.
1.2.2.2 Instance-based morphology
In een instance-based morphology worden geen woordvormingsregels meer gebruikt en dus kan de
betekenis van nieuwgevormde woorden ook niet worden verantwoord door middel van die regel
(Van Santen 2010:21). Zowel Van Santen (2010:15-16) als Hüning (2004:552-554) schrijven over de
8
Hoewel Booij & Van Santen (1998) zelf spreken van polysemie, sluit hun beschrijving misschien toch eerder
aan bij monosemie. Monosemisten claimen immers dat er bij woorden geen verschillende betekenissen
kunnen worden onderscheiden, maar dat er enkel sprake is van een “vague abstract meaning” en dat de
verschillende uses dan voortkomen uit de “interaction with the context” (Haspelmath 2003:212). Op zich is dat
ook wat Booij & Van Santen (1998) hier beweren: de categoriale waarde is vaag en krijgt per werkwoord een
specifieke invulling op basis van (onder andere) de context.
9
betekenis van gelede woorden dat er binnen een groep woorden met dezelfde morfologische
structuur verschillende (kleinere of grotere) subgroepjes van woorden met een soortgelijke
semantiek vallen te onderscheiden. Zulke semantische subgroepjes noemt Hüning (2004:552)
semantische nissen. Binnen de afleidingen op –achtig onderscheidt hij zo onder andere een
semantische nis adjectieven die een “terreinaanduiding” noemen (heuvelachtig, modderachtig,
zandachtig, enzovoort) en een semantische nis “persoonaanduidingen” (meisjesachtig, leraarachtig,
schurkachtig) (Hüning 2004:553).
Die semantische subgroepjes of semantische nissen spelen een belangrijke rol bij de vorming van
nieuwe woorden. Hüning (2009:188) stelt namelijk dat de woorden (of het woord, want een
semantische niche kan ook uit een enkel woord bestaan) van een bepaalde semantische niche
binnen een bepaalde morfologische categorie, worden gebruikt als model om nieuwe woorden te
vormen. Taalgebruikers vormen analoog aan die bestaande woorden een neologisme, omdat ze
willen dat dat neologisme semantisch aansluit bij die bestaande woorden (Hüning 2009:188; Van
Santen 2010:20-21). Daarom, zo stelt Van Santen (2010:7), is betekenis “de sturende kracht van
woordvorming”. Zij schetst dat hele proces ook aan de hand van de samenstelling tennisarm, die een
aandoening beschrijft waarbij het linkerlid van de samenstelling de oorzaak noemt van de
aandoening (Van Santen 2010:17). Analoog aan dat ene woord zijn er volgens haar een heleboel
nieuwe woorden gevormd met dezelfde semantiek, zoals muisarm, wringpols, telefoonelleboog,
telefoonoor, sms-duim, enzovoort. Er heeft zich dus op basis van tennisarm “een specifiek
betekenispatroon ontwikkeld, dat de eigenschappen heeft van het algemene patroon van nominale
samenstellingen, maar met een eigen semantiek en een eigen productiviteit” (Van Santen 2010: 18).
De semantiek van de nieuwvormingen wordt dan bepaald door de betekenis van de modelwoorden
en door de betekenis van de bouwstenen van de nieuwvorming (Van Santen 2010:25).
In diachroon opzicht is het verhelderend om een morfologische categorie op te delen in verschillende
semantische nissen en ervan uit te gaan dat nieuwe woorden analoog worden gevormd aan
modelwoorden binnen die semantische nissen. Op die manier kan namelijk inzichtelijk worden
beschreven waarom een bepaald woordvormingsprocedé na verloop van tijd andere of meer
betekenissen kan gaan uitdrukken dan oorspronkelijk. Zoals Rainer (2003:208) beschrijft, zijn
betekenisveranderingen
in
een
morfologische
categorie
meestal
het
resultaat
van
betekenisveranderingen in de individuele woorden die tot die categorie behoren. Hij stelt het als
volgt voor:
When the models are single words which have developed peculiarities setting them apart from
other formations of the same kind, these peculiarities may be passed on to the neologisms
formed after them and so give rise to a new type. (Rainer 2003:208)
Woorden die met een bepaald woordvormingsprocedé zijn gevormd, ondergaan dus gelijkaardige
betekenisontwikkelingen. Zo kunnen er binnen een semantisch homogene morfologische categorie
semantische nissen ontstaan, die dan via analogie kunnen worden uitgebreid met nieuwe woorden
(Hüning 2009:183). Dat proces noemt Rainer (2003:198) semantic fragmentation: een
10
woordvormingsprocedé dat oorspronkelijk semantisch homogeen was, ontwikkelt nieuwe
betekenismogelijkheden. Als concreet voorbeeld kunnen opnieuw de nomina op –ing gelden.
Taeldeman (1990:95-96) wees er bijvoorbeeld al op dat met –ing oorspronkelijk alleen nomina
actionis werden gevormd, maar dat “een aantal nomina actionis op –ing een geleidelijke
betekenisverschuiving in de richting van effect-object ondergaan hebben.” Doordat een groepje –
ing-woorden een betekenisontwikkeling ondergaan heeft, zou dan “in een tweede fase […] object –
ing (met een duidelijk resultatief betekeniselement) een eigen produktiviteit ontwikkeld hebben”
(Taeldeman 1990:96). In het geval van een betekenisuitbreiding van nomen actionis naar
effectobject, is er sprake van een metonymische betekenisuitbreiding, maar zoals Rainer (2005a) laat
zien, kunnen ook andere mechanismen (bijvoorbeeld metafoor, absorptie9 of volksetymologie) de
betekenis van de individuele leden van een categorie veranderen en op die manier aanleiding geven
tot semantic fragmentation.10
In de instance-based morphology worden nieuwe woorden dus gevormd naar analogie met een (of
meerdere) voorbeeldwoord(en) omdat men wil dat het neologisme semantisch aansluit bij het
voorbeeldwoord. Toch zijn niet alle analogievormingen even waarschijnlijk. Bij het bepalen van de
waarschijnlijkheid van een bepaalde nieuwvorming is het begrip productiviteit van groot belang. Die
notie komt aan bod in 1.2.3.
9
Absorptie komt vooral voor in de Romaanse taalfamilie (Rainer 2005a:425). Rainer (2005a:425) schetst dit
proces aan de hand van de Latijnse woordgroep faber ferrarius, waarin ferrarius een adjectief is met betekenis
‘ijzer-‘ en faber een substantief met betekenis ‘werkman’. Toen faber wegviel door ellips, absorbeerde ferrarius
de betekenis ‘werkman’, zodat het suffix –arius nu ook de betekenis ‘werkman’ kon uitdrukken.
10
In feite zijn de rule-based en de instance-based morfologie dus niet zo heel verschillend op dit vlak: beide
erkennen dat een bepaalde morfologische categorie meerdere betekenissen kan hebben en dat een
morfologische categorie nieuwe betekenissen kan ontwikkelen. De regelgebaseerde aanpak koppelt die
betekenis echter aan een mechanische regel, terwijl de instance-based morphology geen gebruik maakt van
dergelijke regels en sterk de klemtoon legt op betekenis als sturend principe achter de woordvorming (cf. Van
Santen 2010:7).
11
1.2.3 Productiviteit
1.2.3.1 Rule-based morphology
De regelgebaseerde morfologie koppelt haar woordvormingsregels aan het begrip morfologische
productiviteit, door Booij & Van Santen (1998:46) gedefinieerd als “de mogelijkheid tot uitbreiding
van de woordenschat volgens een bepaalde vorm-betekenissystematiek die zich voordoet in
bestaande gelede woorden.” Taeldeman (1985:35) geeft evenwel aan dat “[n]iet alle produktieve
WVR’s […] even produktief zijn.” Niet alle woordvormingsregels vormen dus even veel nieuwe
woorden. Traditioneel worden er verschillende beperkingen onderscheiden op het aantal woorden
dat een bepaalde regel kan vormen.
Absolute
restricties
bakenen
af
welke
woorden
als
basiswoord
voor
een
bepaalde
woordvormingsregel kunnen dienen (Taeldeman 1985:35). Die restricties kunnen betrekking hebben
op fonologische, morfologische, semantische en/of pragmatische eigenschappen van het
grondwoord (Taeldeman 1985:35). Er wordt bijvoorbeeld vaak gesteld dat er een morfologische
restrictie is op de input van de woordvormingsregel in (8).
(8) [X]V  [ge + [X]V]N
‘het voortdurend X’en’
Die woordvormingsregel kan namelijk gemakkelijk toegepast worden op ongelede werkwoorden
(geknoei, geblaf, gezeur), maar kan geen geprefigeerde werkwoorden als grondwoord hebben
(*geverander, *geomkoop) (Hüning 2010:53).
Absolute restricties bakenen dus de groep mogelijke woorden af die met een bepaalde
woordvormingsregel kunnen worden gevormd (Taeldeman 1985:35), maar Booij & Van Santen
(1998:64) merken daarbij meteen op dat niet alle mogelijke woorden ook waarschijnlijke woorden
zijn. Een woord als zuipbaar bijvoorbeeld is weliswaar mogelijk (in tegenstelling tot *gebedot), maar
het is niet waarschijnlijk dat het ook echt wordt gerealiseerd (Booij & Van Santen 1998:67). Volgens
hen spelen er drie groepen van factoren een rol als we willen nagaan of een bepaalde nieuwvorming
al dan niet waarschijnlijk is (Booij & Van Santen 1998:64-72). Die factoren hebben bijgevolg ook een
invloed op hoe productief een bepaalde woordvormingsregel is.
Ten eerste moet er rekening worden gehouden met het fenomeen blocking. Daarmee wordt bedoeld
dat “een teoretisch (sic) mogelijke derivatie of samenstelling niet reëel tot ontwikkeling komt door
het bestaan van één of meer andere woorden” (Taeldeman 1985:37). Een woord kan dus theoretisch
mogelijk zijn, terwijl de realisatie ervan weinig waarschijnlijk is omdat er al een woord bestaat dat
ofwel dezelfde betekenis uitdrukt (synonymie) ofwel dezelfde vorm heeft (homonymie) (Taeldeman
1985:37). Zo zou het woord koming niet worden gevormd omdat het dan synoniem zou zijn met het
al bestaande komst (Taeldeman 1985:37).11 Ook homonymie wordt vermeden: een afleiding van
11
Booij & Van Santen (1998:70) merken hierbij op dat er pas sprake kan zijn van blokkering door synonymie als
beide morfologische categorieën een identieke categoriale waarde hebben en als die categoriale waarde
“weinig ruimte biedt voor een eigen betekenisontwikkeling.” Als de categoriale waarde wél ruimte open laat
voor eigen betekenisontwikkeling, kunnen verschillende afleidingen van eenzelfde werkwoord naast elkaar
12
dichten via de woordvormingsregel in (8) bijvoorbeeld zou gedicht (‘het voortdurend dichten’)
opleveren, maar dat woord is minder waarschijnlijk omdat het dan homoniem zou zijn met gedicht in
de betekenis ‘dichtstuk’ (Booij & Van Santen 1998:68). Toch is het niet ondenkbaar dat dat woord
wel gevormd wordt, zo lang het de communicatie maar niet hindert; blocking werkt dus nooit
absoluut (Booij & Van Santen 1998:68).
Naast blocking spelen ook pragmatische factoren een rol: sommige mogelijke woorden worden niet
gerealiseerd omdat er gewoon geen behoefte aan is. Op basis van absolute restricties is er
bijvoorbeeld geen reden waarom woorden als ogig of wangig niet gevormd zouden kunnen worden
maar aangezien die woorden “geen significante eigenschappen” uitdrukken (in tegenstelling tot
blauwogig, pezig of harig), komen ze niet voor (Booij & Van Santen 1998:71). Alle mensen hebben
namelijk ogen en wangen, dus zou zo’n woord geen nut hebben.
Ten slotte spelen volgens Booij & Van Santen (1998:65-68) ook de inherente factoren een rol. Daarbij
gaat het om fonologische, morfologische, semantische en/of syntactische eigenschappen van de
(mogelijke) afleiding die ervoor zorgen dat dat woord meer of minder waarschijnlijk is dan een ander
mogelijk woord. Als voorbeeld van een woordvormingsprocedé waarbij een semantische factor een
rol speelt, noemen Booij & Van Santen (1998:68) prefigering met on-: dat lukt vooral goed bij
adjectieven met een neutrale of positieve betekenis, maar minder goed bij adjectieven met een
negatieve betekenis. We kunnen bijvoorbeeld makkelijk onhelder, onknap en onwijs vormen, maar
onboos, onlelijk en ondom zijn een pak minder waarschijnlijk. Toch is het niet compleet onmogelijk
om negatieve adjectieven met on- te prefigeren: vormingen als onbanaal en ondogmatisch komen
bijvoorbeeld wél voor (Booij & Van Santen 1998:68).12
1.2.3.2 Instance-based morphology
In een regelgebaseerde aanpak wordt dus geprobeerd om zicht te krijgen op de productiviteit van
een bepaalde woordvormingsregel door onmogelijke vormingen uit te sluiten op basis van absolute
restricties op het grondwoord van die woordvormingsregel. Om daarnaast te verklaren waarom
bepaalde mogelijke woorden toch niet voorkomen, worden dan ook nog een aantal relatieve
restricties naar voren geschoven.
In 1.2.1.2 werd er al op gewezen dat die woordvormingsregels (en het onderscheid met analogie) in
de instance-based morfologie geproblematiseerd worden. Hetzelfde geldt nu voor de absolute
voorkomen (Booij & Van Santen 1998:70). Zo kan bijvoorbeeld van besturen zowel het stamwoord bestuur als
de –ing-vorm besturing gevormd worden, hoewel beide woorden primair nomina actionis zijn.
12
Hoewel Booij & Van Santen (1998:65) aangaven dat het bij inherente factoren gaat om de eigenschappen van
het afgeleide woord, wordt de semantische restrictie op prefigering met on- hier eigenlijk toch geformuleerd
als een restrictie op het grondwoord. De reden waarom die semantische restrictie dan niet bij de absolute
restricties wordt gerekend (die werken op het grondwoord), lijkt hier dan vooral te zijn dat het hier gaat om
een restrictie op het grondwoord die niet absoluut werkt (onbanaal en ondogmatisch kunnen wel worden
gevormd). Bijgevolg kunnen onboos, onlelijk en ondom niet worden weggezet als onmogelijke woorden, maar
moeten ze bestempeld worden als woorden die weliswaar mogelijk zijn, maar toch weinig waarschijnlijk zijn.
Ook Hüning (2010:55-56) had er al op gewezen dat het onderscheid tussen absolute en relatieve restricties
(zoals de inherente factoren van Booij & Van Santen 1998) moeilijk houdbaar is.
13
restricties. Hüning (2010:55-61) merkt bijvoorbeeld op dat taalgebruikers zich helemaal niet aan
zulke absolute restricties houden. Als voorbeeld van een absolute restrictie werd in 1.2.3.1 al gesteld
dat de woordvormingsregel in (8) geen geprefigeerde werkwoorden als basis kan hebben. Zowel
onderzoek van Mackenzie (1985) als van Hüning (2010:55-56) wees echter uit dat taalgebruikers
voortdurend die absolute restrictie schenden. Hüning (2010:55-56) vond via Google bijvoorbeeld
vormen als geherdenk, geuitstel en geverkoop: in het alledaagse taalgebruik klinken dergelijke
woorden weliswaar stroef, maar ze tonen aan dat absolute restricties toch niet helemaal absoluut
zijn.
In de instance-based morphology worden neologismen dan ook niet gevormd op basis van regels
waarvoor absolute restricties gelden. Nieuwvormingen ontstaan doordat een taalgebruiker naar
analogie met bestaande woorden nieuwe woorden vormt, en daarbij is het zo dat “in principe elke
analogie kan leiden tot nieuwvormingen” (Hüning 2010:63). Dat wil echter nog niet zeggen dat alle
analogieën even waarschijnlijk zijn, of zoals Hüning (2010:63) het uitdrukt:
In principe is alles mogelijk waarvoor de taalgebruiker een analogie vindt in het taalgebruik,
maar niet alles is even waarschijnlijk. De hele morfologie wordt daarmee op een schaal
geplaatst van ‘extreem onwaarschijnlijke’ naar ‘zeer waarschijnlijke’ (nieuw)vorming, waarbij
de waarschijnlijkheid wordt bepaald door formele, semantische, pragmatische, stilistische of
sociolinguïstische factoren. En ook factoren als context en tekstsoort spelen een rol.
Op die manier wordt productiviteit in de analogiebenadering een probabilistische notie: er is geen
onderscheid tussen mogelijke en onmogelijke woorden of tussen mogelijke en waarschijnlijke
woorden, “er zijn alleen graden van waarschijnlijkheid” (Hüning 2010:64).
14
1.3
Onomasiologisch onderzoek naar woordvormingsprocedés
1.3.1 Woordvorming vanuit onomasiologisch perspectief
In de vorige paragrafen werd ingegaan op woordvormingsprocedés. Die woordvormingsprocedés zijn
volgens Koefoed (1993:120) een van de vier manieren waarop taalgebruikers namen kunnen geven
aan nieuwe concepten. Nu is het zo dat taalgebruikers vaak meerdere woordvormingsprocedés ter
beschikking hebben om een bepaald concept te benoemen. In de inleiding werd er bijvoorbeeld al op
gewezen dat naar een conservatief persoon zowel verwezen kan worden met een conservatief als
met een conservatieveling (De Caluwe 2010:76-79).
Als we willen achterhalen wat taalgebruikers ertoe brengt om voor een welbepaald
woordvormingsprocedé te kiezen, schiet semasiologisch morfologisch onderzoek tekort: bij zulk
onderzoek
wordt
namelijk
gefocust
op
de
verschillende
betekenissen
die
één
woordvormingsprocedé kan uitdrukken. Daarom is er volgens De Caluwe (1990; 2010) nood aan
meer onomasiologisch georiënteerd morfologisch onderzoek. Bij zulk onderzoek
ligt [de focus] […] namelijk op de vraag: op welke manier wordt een bepaald fenomeen
benoemd, d.w.z. welke verschillende benoemingsstrategieën in het algemeen, en welke
woordvormingsprocessen in het bijzonder komen in dit specifieke geval in aanmerking, en
welke factoren bepalen uiteindelijk de keuze tussen een aantal complementaire en/of
concurrentiële procedés? (De Caluwe 2010:71)
De Caluwe (2010:72) laat meteen zelf zien welke factoren er een rol kunnen spelen in die
concurrentie tussen procedés door na te gaan wat de benoemingsprocedés zijn om in het
Nederlands “entiteiten te benoemen op grond van een distinctief kenmerk dat in de regel door
middel van een adjectief te vatten is.” De keuze van het procedé blijkt onder andere af te hangen van
de vormelijke kenmerken van het grondwoord, namelijk van de vraag of het grondwoord al dan niet
endogeen is: van het exogene adjectief homoseksueel kun je makkelijk het substantief (een)
homoseksueel maken, maar met het endogene blind kun je niet een blind vormen. (De Caluwe
2010:74). Bovendien verschillen procedés op vlak van hun denotatie, aangezien niet alle procedés
zowel menselijke als niet-menselijke entiteiten kunnen benoemen: met het procedé waarmee blinde
gevormd is, kunnen bijvoorbeeld geen namen voor niet-menselijke entiteiten worden gevormd (De
Caluwe 2010:73). Verder laat De Caluwe (2010:89) ook zien dat de connotatieve waarde een rol
speelt
in
de
concurrentie
tussen
verschillende
woordvormingsprocedés.
Zo
zijn
er
woordvormingsprocedés die entiteiten een neutrale benaming geven, bijvoorbeeld [XA + e]N
(bejaarde) en conversie (intellectueel), maar ook die voor een positief-affectieve (bijvoorbeeld
kleintje) of een negatieve (bijvoorbeeld stommerd) connotatie zorgen.
Onomasiologisch morfologisch onderzoek kan dus waardevolle inzichten opleveren in de
taakverdeling tussen de verschillende woordvormingsprocedés binnen één benoemingsdomein. In
deze scriptie willen we daarom nagaan hoe de verhoudingen liggen binnen een ander
benoemingsdomein: we willen namelijk de concurrentie en complementariteit blootleggen tussen de
15
verschillende procedés in het Nederlands waarmee een entiteit benoemd kan worden die betrokken
is bij een activiteit die of een proces dat in de regel wordt uitgedrukt door een werkwoord. Er wordt
met andere woorden bestudeerd wat de verhouding is tussen verschillende woordvormingsprocedés
die deverbale substantieven vormen. Naar die deverbale woordvormingsprocedés is in het verleden
al semasiologisch en (in mindere mate) onomasiologisch onderzoek gevoerd. In de volgende
paragraaf bespreken we kort hoe dat in zijn werk ging en duiden we een aantal problemen met
dergelijk onderzoek aan.
1.3.2 Semasiologisch en onomasiologisch onderzoek naar deverbale woordvorming
Vooral in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw is er nogal wat semasiologische literatuur over
specifieke deverbale suffixen tot stand gekomen. Taeldeman (1985) bijvoorbeeld bespreekt het
semantisch bereik van substantieven van het type [ge + V]. Taeldeman (1987) en Taeldeman (1990)
handelen over de betekenis van respectievelijk de suffixen –ling en –sel. Naar de betekenis van –ing
heeft Devos (1990) onderzoek gevoerd. De verschillende betekenismogelijkheden van het suffix –er
staan dan weer ter discussie in Booij (1986), De Caluwe (1992), De Caluwe (1994) en De Caluwe
(2008). Hüning (1992) ten slotte geeft aan in welke betekeniscategorieën nomina op –erij vallen.
Wanneer het semantische bereik van een bepaald suffix geschetst wordt in die artikels, wordt er
meestal van uitgegaan “dat de elementaire semantische kontoeren (sic) van deverbatieve nomina
samenvallen met een semantische rol die inherent met (de semantiek van) het basiswerkwoord
samenhangt” (Taeldeman 1990:79).13 Wanneer het semantisch bereik van een bepaald deverbaal
affix wordt beschreven, wordt er dus eigenlijk uiteengezet welke semantische rollen dat affix
allemaal kan uitdrukken en het zijn de eigenschappen van het basiswerkwoord die bepalen welke
semantische rol een geaffigeerd woord kan dragen. In de tabel in bijlage 1 geven we per artikel een
overzicht van de verschillende semantische rollen (of andere betekeniscategorieën) die worden
onderscheiden, samen met hun definitie en een aantal voorbeeldwoorden.
Taeldeman (1990) geeft bijvoorbeeld aan dat er vier mogelijkheden zijn voor de betekenis van
deverbale nomina op –sel. Ten eerste zijn sommige -sel-woorden nomina actionis, bijvoorbeeld
doopsel, oliesel en vormsel (Taeldeman 1990:79). Ten tweede kunnen de afleidingen ook
transitiefobjecten zijn (Taeldeman 1990:81). Binnen die categorie kan een onderscheid gemaakt
worden tussen effectobjecten (die het resultaat zijn van de in het grondwoord genoemde handeling)
en affectobjecten (die de in het grondwoord genoemde handeling ondergaan). Sommige –selwoorden hebben enkel een interpretatie als effectobject (bijvoorbeeld zaagsel, vijlsel), maar bij veel
andere –sel-woorden zijn zowel een interpretatie als effectobject en een interpretatie als
affectobject mogelijk: plantsel kan bijvoorbeeld zowel verwijzen naar “wat men plant” als naar “wat
men geplant heeft” of “wat bestemd is om geplant te worden (Taeldeman 1990:81). Het voorbeeld
met plantsel laat meteen ook zien dat er een beroep moet worden gedaan op syntactische
parafrases om de rol van bepaalde deverbale woorden te achterhalen. Een derde mogelijkheid voor
13
Behalve Booij (1986), die probeert om de polysemie van deverbale nomina op –er syntactisch te verklaren.
Hüning (1992) gebruikt ook geen semantische rollen, maar gebruikt betekenisparafrases.
16
nomina op -sel is dat ze instrumenten noemen, zoals droogsel, plombeersel en smeersel (Taeldeman
1990:79-80). Ten slotte wijst Taeldeman (1990:82-83) er ook op dat –sel-woorden zoals groeisel en
overblijfsel een interpretatie als ergatiefobject hebben, gedefinieerd als “dingen waaraan zich iets
voordoet zonder dat er een agens in het spel is” (Taeldeman 1990:82-83).
De semasiologische artikels van Taeldeman (1985), Taeldeman (1990) en Devos (1990) bevatten
echter ook een onomasiologische component. Taeldeman (1985) bespreekt hoe nomina actionis en
deverbale namen voor effectobjecten gevormd worden, Taeldeman (1990:83-100) gaat in op hoe
transitiefobjecten, instrumenten en ergatiefobjecten een deverbale naam krijgen en Devos (1990)
ten slotte bespreekt voor alle semantische rollen van de –ing-nomina welke andere deverbale
woordvormingsregels er zijn die nomina met die rol kunnen vormen. Daarbij besteedt hij vooral vrij
uitgebreid aandacht aan de concurrentie tussen de verschillende woordvormingsprocedés om
nomina actionis te vormen.14 De tabel in bijlage 2 biedt voor de verschillende artikels een overzicht
van de procedés die binnen dezelfde betekeniscategorieën werkzaam zijn als het onderzochte suffix.
Dergelijk onomasiologisch onderzoek in het kader van een semasiologisch, regelgebaseerd artikel, is
echter geen volwaardig onomasiologisch onderzoek (De Caluwe 2010:72). Taeldeman (1985),
Taeldeman (1990) en Devos (1990) voeren in de eerste plaats onomasiologisch onderzoek uit om
zicht te krijgen op hoe productief woordvorming met respectievelijk ge–, –sel en –ing in het
hedendaagse taalgebruik eigenlijk is. Zoals in 1.2.3.1 al besproken werd, gaat de regelgebaseerde
woordvorming er namelijk van uit dat de productiviteit van een bepaalde woordvormingsregel onder
andere afhankelijk is van de relatieve restricties op die regel. Een van de factoren die ertoe leidt dat
een woordvormingsregel bepaalde mogelijke woorden niet realiseert, is dan dat er andere (vaak
gelede) woorden bestaan met eenzelfde betekenis die de realisatie van die mogelijke woorden
tegenhouden of blocken. Ze zijn er bij dergelijk onderzoek dus niet in de eerste plaats op uit om de
verschillende
woordvormingsprocedés
binnen
een
bepaald
benoemingsdomein
en
hun
verhoudingen in kaart te brengen, maar om “de generatieve kracht van één morfologisch type” te
meten (De Caluwe 2010:72). Er is dus nood aan onomasiologisch onderzoek dat niet als doel heeft
om zicht te krijgen op de productiviteit van een bepaalde woordvormingsregel, maar dat zich
expliciet toelegt op de verhoudingen tussen de verschillende woordvormingsprocedés.
Doordat onomasiologisch onderzoek in het kader van een semasiologisch artikel in de eerste plaats
wil nagaan waarom een woordvormingsregel bepaalde mogelijke woorden niet vormt in het huidige
taalsysteem, blijft bovendien de aandacht voor de diachrone dimensie van woordvorming vaak vrij
beperkt. Als een woordvormingsregel bijvoorbeeld een woord niet vormt omdat het concept al
benoemd wordt door een ander procedé, dan roept dat de vraag op hoe die procedés zich vroeger
tot elkaar verhielden: waarom werd bijvoorbeeld komst gevormd en niet koming? Daarnaast worden
ook betekenisontwikkelingen niet altijd voldoende belicht in dergelijk onomasiologisch onderzoek in
14
De concurrentie tussen verschillende deverbale woordvormingsprocedés, maar dan niet vanuit
onomasiologisch perspectief, komt ook in andere artikels aan bod. Hüning (1992) bespreekt bijvoorbeeld de
concurrentie tussen [ge + V] en [V + erij] en De Caluwe (1994) gaat in op de concurrentie tussen [V + er] en [V
+ing]
17
het kader van productiviteit. Taeldeman (1990:86-87) bespreekt bijvoorbeeld de concurrenten van –
sel in de instrumentcategorie. In die categorie krijgt –sel volgens hem concurrentie van –ing,
aangezien we materiaalnamen op -ing aantreffen zoals afsluiting, versiering, vulling, enzovoort. Toch
is er wel degelijk nog een verschil tussen beide procedés, in die zin dat -sel rechtstreeks woorden
vormt met een instrumentbetekenis, terwijl –ing primair nomina actionis vormt en via metonymische
betekenisuitbreidingen ook instrumenten kon gaan benoemen. De concurrentie tussen –ing en –sel
is dan het synchrone resultaat van een diachrone ontwikkeling. Het is dus belangrijk om steeds de
diachrone zijde in het achterhoofd te houden wanneer we de verhouding tussen de verschillende
woordvormingsprocedés proberen te achterhalen op basis van de synchrone woordenschat.
Een laatste probleem vormen de concepten die als uitgangspunt worden gebruikt voor dergelijk
onomasiologisch onderzoek. Er wordt namelijk steeds vertrokken vanuit de semantische rollen die in
het voorafgaande semasiologische onderzoek werden onderscheiden (zie bijvoorbeeld Taeldeman
1990:79). Die semantische rollen zijn echter afkomstig uit syntactisch onderzoek en we kunnen ons
afvragen of ze wel geschikt zijn als uitgangpunt voor morfologisch onderzoek in het algemeen en
voor onomasiologisch morfologisch onderzoek in het bijzonder. De woorden zoemer, brandmelder en
groeier noemen volgens Booij (1986:507-510) bijvoorbeeld drie verschillende semantische rollen,
namelijk (onpersoonlijk) Agens, Instrument en Thema. Nochtans verwijzen die woorden eigenlijk
allemaal naar een inanimate entiteit waarvan de werking uitgaat die genoemd wordt door het
basiswerkwoord, zodat het misschien onterecht is om ze in verschillende categorieën onder te
brengen. Zoals later in ons onderzoek zal blijken, is het bovendien niet altijd eenvoudig uit te maken
welke semantische rol een bepaald woord draagt. De vraag rijst dus of die semantische rollen wel
geschikt zijn als uitgangspunt voor onomasiologisch onderzoek en of er geen alternatieve aanpak
mogelijk is.
Het is - zeker binnen het beperkte bestek van een masterscriptie - uiteraard niet mogelijk om al die
vragen en problemen op te lossen en dat is dan ook niet het doel van dit onderzoek. Het doel is om
een onomasiologisch onderzoek te voeren waarbij we die opmerkingen in het achterhoofd houden
en waarbij we de problematiek beschrijven waar nodig, in de hoop dat dat ons interessante inzichten
over woordvorming oplevert.
18
2. Opzet en methode
Als we willen nagaan wat de verhoudingen zijn tussen de verschillende deverbale
woordvormingsprocedés om een bepaald concept te benoemen door middel van een substantief, is
er
nood
aan
twee
soorten
informatie.
Enerzijds
moeten
we
afbakenen
welke
woordvormingsprocedés er in het spel zijn, anderzijds is het nodig om concepten af te bakenen die
als uitgangspunt voor onomasiologisch onderzoek kunnen dienen.
2.1
Informatie over de woordvormingsprocedés
In deze scriptie focussen we op de vorming van deverbale substantieven door middel van afleiding.
Haeseryn et al. (1997:par.12.3.1) onderscheiden verschillende procedés die substantieven afleiden
uit werkwoorden. Door de beperkte omvang van deze scriptie werd ervoor gekozen om enkel
inheemse afleidingsprocedés op te nemen en uitheemse affixen (bijvoorbeeld –eur en –age in
masseur en massage) buiten beschouwing te laten. Tabel 1 geeft een overzicht van de procedés uit
Haeseryn et al. (1997) die dan nog in aanmerking komen. Op basis van dat overzicht werden dan
semasiologisch georiënteerde artikels verzameld over die woordvormingsprocedés. In 1.3.2 somden
we de belangrijkste artikels al eens op en ook in bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de
belangrijkste affixen en hun semantisch bereik.
Vervolgens is het nodig om een idee te krijgen van de woorden die zoal werden of worden
geproduceerd op basis van die verschillende procedés, om zo zicht te krijgen op wat die verschillende
procedés zoal kunnen benoemen. In bijlagen 3 tot en met 10 geven we daarom voor de procedés die
een belangrijke rol spelen in ons onderzoek telkens een lijst van gelede woorden die werden
gevormd op basis van dat procedé.15 Voor –aar, –er, –ing, –sel, –ling en –st werden
voorbeeldwoorden verzameld door middel van zoekopdrachten met wildcards in Van Dale (2014).
Voor –ling en –st zijn de lijsten exhaustief, voor de andere suffixen werden representatieve lijsten
opgesteld door voor iedere letter van het alfabet de eerste 10 à 20 woorden met dat suffix op te
nemen (met uitsluiting van erg marginale woorden, zoals prengelaar of waring). Voor de
stamwoorden werd een representatieve lijst opgesteld door in Prisma handwoordenboek Nederlands
(2007) iedere tiende pagina (te beginnen vanaf pagina 11) te scannen op voorbeelden van
stamwoorden. In ons onderzoek zullen we regelmatig groepjes voorbeeldwoorden noemen die
afkomstig zijn uit de lijsten in de bijlage. Het is niet de bedoeling om kwantitatief onderzoek te
voeren en dus zullen ook niet alle verzamelde woorden worden gebruikt in ons onderzoek.
In 1.3.2 werd al aangegeven dat we ook de diachrone dimensie van woordvorming niet uit het oog
willen verliezen. Er is dus ook nood aan informatie over de historische ontwikkeling van de affixen.
Schönfeld (1970) bespreekt de historische ontwikkeling van een aantal woordvormingsprocedés, en
verder wordt ook een beroep gedaan op de historische woordenboeken (Oudnederlands
15
De lijsten in bijlagen 3 tot en met 10 geven enkel voorbeeldwoorden, geen woordverklaring. Bij deze scriptie
werd echter een cd-rom gevoegd die de woordverklaring uit Van Dale (2014) geeft voor de woorden uit de
lijsten in de bijlagen 3, 4, 6, 7, 9 en 10.
19
Woordenboek (ONW), Vroegmiddelnederlands Woordenboek
(VMNW), Middelnederlandsch
Woordenboek (MNW) en Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)) en op het Etymologisch
woordenboek van het Nederlands (EWN).
Woordvormingsprocedé
Voorbeelden
(1) Afleidingen zonder toevoegsel
gesubstantiveerde infinitieven
(het) begroeten, eten, fabriceren
gesubstantiveerde werkwoordsstammen
(de) bloei, bouw, duik
(2) Afleiding door middel van een voorvoegsel
gegeblaf, gedoe, gejank, gebouw, gebak, gedicht
(3) Afleiding door middel van een achtervoegsel
Achtervoegsels ter vorming van mannelijke persoonsnamen
smokkelaar, eigenaar, rekenaar, martelaar,
-(en)aar, -er, -ster
gijzelaar
-erd
geeuwerd, gluiperd, knoeierd, sufferd
-ier
vliegenier
leerling, afstammeling, beginneling, huurling,
-(e)ling
-ster
kwekeling, verschoppeling
Achtervoegsels ter vorming van vrouwelijke persoonsnamen
arbeidster, beheerster, bestuurster,
Achtervoegsels ter vorming van zaaknamen
-er en -aar
bijsluiter, gieter, meter, schakelaar, ontwikkelaar
-ij (-dij, -erij, -derij)
bakkerij, kaasmakerij, slijterij
deksel, kleursel, leidsel
-sel
Achtervoegsels ter vorming van abstracta
-er
giller, misser, schuiver, sisser
-ij (-nij, -enij, -erij, -arij)
draverij, knoeierij, (woorden)kramerij
-ing
benoeming, kaping, misvatting
-nis (-enis, -tenis)
bemoeienis, gebeurtenis, hechtenis
-schap
nalatenschap, rekenschap, weddenschap
-st
dienst, gunst, komst
Tabel 1: Inheemse afleidingsprocedés om deverbale substantieven te vormen volgens Haeseryn et al.
(1997:par.12.3.1)
Merk ten slotte op dat in 1.1 werd aangegeven dat Koefoed (1993:115-122) vier verschillende
manieren onderscheidde om bepaalde concepten van een naam te voorzien: door totale
nieuwvorming, via eenvlakkige fonologische en eenvlakkige semantische procedés en via
woordvormingsprocedés. In deze scriptie focussen we enkel op benoeming door middel van
woordvormingsprocedés en daarbinnen dan alleen nog maar op benoeming door middel van (een
beperkt aantal) afleidingsprocedés. Met ons onderzoek brengen we dus slechts een beperkt deel van
20
alle benoemingsstrategieën in beeld. Om individuele animate entiteiten met werking te benoemen,
kan bijvoorbeeld ook gebruik worden gemaakt van woordgroepen en van samenstellingen: in plaats
van werker kan je bijvoorbeeld ook de woordgroep werkende man of de samenstelling werkman
gebruiken. Het zou zeker interessant zijn om ook na te gaan hoe dergelijke benoemingsstrategieën
zich verhouden tot de woordvormingsprocedés met affigering, maar dat valt buiten het terrein van
dit onderzoek.
2.2
Afbakening van de concepten
In de vorige paragraaf werden de woordvormingsprocedés afgebakend die binnen het terrein van dit
onderzoek vallen. Verder moeten er ook nog concepten worden afgebakend. Zoals hierboven in 1.3.2
al werd opgemerkt, willen we niet uitgaan van de semantische rollen die als uitgangspunt werden
gebruikt in het onomasiologisch morfologisch onderzoek van bijvoorbeeld Taeldeman (1985, 1990)
en Devos (1990). Die indeling zal in ons onderzoek geproblematiseerd worden en we zullen proberen
om op een andere manier grip te krijgen op de verhoudingen tussen de verschillende
woordvormingsprocedés.
In dit onderzoek richten we ons op woordvormingsprocedés die substantieven vormen uit
werkwoorden. Haeseryn et al. (1997:par.2.1) geeft aan dat een werkwoord semantisch “te
karakteriseren [is] als een woord dat ‘een werking’ uitdrukt.” Als startpunt voor ons onderzoek
kiezen we er dan ook voor om na te gaan hoe de entiteit benoemd wordt waarvan die werking
uitgaat. In wat volgt, zullen we ingaan op de verschillende woordvormingsprocedés om dat concept
te benoemen. Dat brede concept wordt daarbij verder onderverdeeld in animate en inanimate
entiteiten met werking.
21
3. Onderzoek
3.1
Animate entiteit met werking
3.1.1 Semantische rollen?
Wanneer deverbale nomina in het semasiologisch onderzoek van Taeldeman (1985, 1990), Booij
(1986), Devos (1990) en De Caluwe (1992) ingedeeld worden in semantische rollen, kunnen animate
entiteiten bij verschillende rollen worden ondergebracht, waarbij vooral de rollen Agens, Thema en
Patiens16 van belang zijn. Animate entiteiten waarvan de werking uitgaat die wordt uitgedrukt door
het werkwoord, vallen steeds binnen de categorieën Agens of Thema. Of een animate entiteit een
Agens of een Thema is, verschilt naargelang van het basiswerkwoord (zie bijvoorbeeld Booij
1986:507-509). Agens wordt gebruikt bij werkwoorden met een agentieve werking, terwijl Thema
wordt gebruikt als het gaat om een intransitief werkwoord dat in de voltooide tijden vervoegd wordt
met het hulpwerkwoord zijn (bijvoorbeeld uitvaller en beginner uit uitvallen of beginnen) of om een
intransitief werkwoord dat een niet-agentief subject oproept (bijvoorbeeld groeien) (Booij 1986:507509). In wat volgt maken we abstractie van dat onderscheid tussen Agens en Thema en wordt
gekeken naar de benoeming van animate entiteiten waarvan de werking uitgaat die wordt genoemd
door het werkwoord.
Binnen de animate entiteiten kunnen we een onderscheid maken tussen procedés die individuen
benoemen en procedés waarmee collectieve entiteiten worden aangeduid.
3.1.2 Individueel
3.1.2.1 Suffix –(d)er/–aar
Dé prototypische suffixen om deverbale nomina te vormen die individuele, animate entiteiten
benoemen waarvan de werking van het werkwoord uitgaat, zijn –(d)er en –aar.17 In (9) worden een
aantal voorbeelden uit bijlage 3 en 4 gegeven van dergelijke nomina.
16
Met Patiens verwijzen we hier naar entiteiten die de handeling van het werkwoord ondergaan. Voor die
categorie zijn verschillende benamingen in omloop: Taeldeman (1987:20) spreekt van kontra-agentieven,
Devos (1990) maakt een onderscheid tussen inanimate entiteiten (transitiefobjecten) en animate entiteiten
(experiencers), De Caluwe (1992, 1994, 2008) benoemt de categorie dan weer als Patiens. Vanaf hier zullen we
de (animate of inanimate) entiteit die de handeling van het werkwoord ondergaat steeds als Patiens
benoemen.
17
In het geval van –er, –der en –aar zou er gesproken kunnen worden van allomorfie, “the phenomenon that a
morpheme has more than one phonetic form” (Booij 2002:174). Welke vorm gebruikt wordt, hangt dan af van
de fonologische vorm van het grondwoord (Booij & Van Santen 1998:192). In dit geval wordt –aar gebruikt als
de stam van het grondwoord eindigt op een sjwa in combinatie met /l/, /n/ of /r/ (De Haas & Trommelen
1993:174). Het suffix –der komt voor als het grondwoord eindigt op een lange of korte vocaal gevolgd door /r/,
en in alle andere gevallen wordt –er gebruikt (De Haas & Trommelen 1993:174). Wanneer we hierna nog
spreken over –er-nomina, bedoelen we daarmee altijd deverbale nomina op –er of op een van de allomorfen
van –er.
22
(9) aanbidder, aanklager, aftekenaar, babbelaar, bedeler, begeleider, beginner, cijferaar,
codeerder, comazuiper, deelnemer, denker, dobbelaar, eiser, eter, fietser, fluisteraar, fokker,
gebieder, geheimhouder, goochelaar, haarklover, hakker, handelaar, ijker, ijveraar, indringer,
jatter, jutter, kakker, kaper, kladderaar, leider, lezer, luisteraar, makelaar, maner,
medewerker, nablijver, nabootser, naprater, oefenaar, omroeper, omzetter, papper, penner,
piekeraar, raper, rechter, roddelaar, sabberaar, samenlever, schaatser, schaver, takelaar,
tapper, tegenhouder, uitbuiter, uitdager, vanger, vechter, verbeteraar, waarnemer, wachter,
winkelaar, zaaier, zapper, zuiveraar
Zowel De Haas & Trommelen (1993:170-174) als Haeseryn et al. (1997:par.12.3.1.4.iii.1) stellen dat
de persoonsnamen op –er op semantisch vlak gemeenschappelijk hebben dat het nomina agentis
zijn. Ze noemen namelijk de “(mannelijke) persoon die de door het werkwoord genoemde handeling
verricht” (Haeseryn et al. 1997:par.12.3.1.4.iii.1).
Uiteraard kunnen we ons afvragen hoe ver de mogelijkheden van het deverbale –er reiken: kunnen
we het voor alle werkingen, genoemd door werkwoorden, gebruiken om de animate entiteit te
benoemen waarvan die werking uitgaat? De Haas & Trommelen (1993:170-176) suggereren alvast
van niet, aangezien ze een aantal beperkingen signaleren op het gebruik van –er om deverbale
persoonsnamen te vormen. De volgende groepen werkwoorden zouden zich verzetten tegen
afleiding door middel van –(d)er of –aar.
Klasse
ergatieve
werkwoorden
Definitie
“werkwoorden die zich alleen met het
hulpwerkwoord zijn laten vervoegen in de
voltooide tijd” (De Haas & Trommelen 1993:170)
“werkwoorden waarvoor geldt dat het direct
psychologische
werkwoorden
object de toestand, uitgedrukt door het
werkwoord, ervaart” (De Haas & Trommelen
1993:170)
Voorbeelden
verouderen, vallen,
sterven, ontwaken
prikkelen, verbijsteren,
kwetsen, schokken,
verbazen, verheugen,
interesseren, choqueren
zich nestelen, zich
toeëigenen, zich
noodzakelijk
wederkerende
werkwoorden
-
herinneren, zich schamen,
zich vergissen, zich
kwijten, zich verspreken,
zich overeten
Tabel 2: Groepen werkwoorden die zich verzetten tegen afleiding door middel van –(d)er of –aar volgens De
Haas & Trommelen (1993:170-176)
23
Bij afleiding door middel van –(d)er worden daarnaast ook nog de volgende klassen van
werkwoorden vermeld:
Klasse
Definitie
werkwoorden met
een ‘verplicht’
-
indirect object18
Voorbeelden
houden van, wonen,
beloven, zetten
mogen, zijn, lijken, blijken,
schijnen, dunken,
hulpwerkwoorden
-
voorkomen, kunnen,
moeten, hoeven, willen,
zullen
Tabel 3: Groepen werkwoorden die zich verzetten tegen afleiding door middel van –(d)er volgens (De Haas &
Trommelen 1998:175-176)
Dat er bij hulpwerkwoorden geen –er-afleiding mogelijk is, ligt voor de hand. Hulpwerkwoorden zijn
namelijk functiewoorden, het zijn “werkwoorden (…) die van zichzelf nauwelijks lexicale betekenis
hebben, maar wel een belangrijke grammaticale rol spelen” (Vandeweghe 2005:106). Zulke
werkwoorden noemen dus geen werking, zodat er ook geen entiteit benoemd kan worden waarvan
die werking uitgaat.
Bij de andere groepen van werkwoorden is er wel steeds sprake van zo’n werking. De Haas &
Trommelen (1993:170-176) stellen dan wel dat er geen –er-nomen mogelijk is, maar zij baseren zich
hier op introspectie. Introspectie biedt natuurlijk een goeie start, maar om écht zicht te krijgen op de
mogelijkheden van –er, mogen we ons daartoe niet beperken en moeten we kijken welke –erdeverbatieven er gevormd worden in het reële taalgebruik. Daarom werd via Google gezocht naar
voorbeelden van persoonsnamen op –er die door De Haas & Trommelen (1993:170-176) als
onmogelijk worden beschouwd. De aangetroffen voorbeelden worden opgelijst in (10) tot (24).19
Ergatieve werkwoorden
(10) Mensen uit de jongere generaties worden uitgenodigd om het verhaal van een ouder
iemand te vertellen (een familielid, buur, vriend, ...) en uiteen te zetten hoe de 'actieve
verouderaar' een opmerkelijke bijdrage levert aan het gezin, de maatschappij, of op het
werk.
[http://beactive2012.be/nl/nieuws/lancering-van-de-prijzen-voor-het-europees-jaar-2012,
geraadpleegd op 30 april 2015)
(11) Binnenkort wordt in het Cultuurcentrum de 1000ste vallende bezoeker in de bloemetjes
gezet. Door de afhellende trappen zijn sommige mensen in de schouwburg sneller beneden
18
Uit de voorbeeldwerkwoorden blijkt dat De Haas & Trommelen (1993) hier niet uitgaan van de traditionele
definitie van het indirect object, maar zij geven nergens duidelijk aan hoe zij het indirect object dan wel
definiëren.
19
In de voorbeeldzinnen zullen we het woord waarop gefocust wordt, steeds onderlijnen.
24
dan ze gewild hadden. Voor de duizendste valler is een ruime schadevergoeding voorzien.
[http://spitindekern.be/2525/1000ste-valler-valt-in-de-prijzen, geraadpleegd op 30 april
2015]
(12) Goed leven kun je op veel manieren. Goed sterven – goed voor de sterver, goed voor de
achterblijvers – kan denk ik slechts op één manier: met veel intimi bij je.
[http://www.spaink.net/2008/01/08/sterven/, geraadpleegd op 30 april 2015]
(13) Zodra de ruwe, mechanische wekklank de hemel des slaaps doorscheurt, kan de ontwaker
héél even de ogen openen om vaag kennis te nemen van het vertrek in brakke
ochtendschemering en het venster dat de trieste grijsheid van de dag in een strenge lijst zet
(Carmiggelt 1997:I).
Psychologische werkwoorden
(14) Toen duidelijk werd dat de middag verzorgd werd door creatieve prikkelaar Immo Dijkma en
zijn lieftallige assistent Gerald Weering van de Hanzehogeschool Groningen werd duidelijk
waartoe deze creatieve omgeving diende.
[http://www.younglink.nl/lenteborrel-innovatie, geraadpleegd op 30 april 2015]
(15) Ouders MH17-kwetser zeggen sorry.
[http://m.spitsnieuws.nl/binnenland/2014/07/ouders-mh17-kwetser-zeggen-sorry,
geraadpleegd op 30 april 2015]
(16) Calixto Bieito staat bekend als choqueerder. Zo’n regisseur bij wie regelmatig mensen
weglopen.
[http://www.operamagazine.nl/featured/2007/calixto-bieito-%E2%80%98alleskan%E2%80%99/, geraadpleegd om 30 april 2015]
Noodzakelijk wederkerende werkwoorden
(17) Een bezoek aan de vroegere slagvelden kan het verleden op een nog veel intensere manier
in het door de herinneraar ervaren heden brengen: de herinneraar is zelf ter plaatse
aanwezig en vindt in de voormalige frontstreek nog materiële overblijfselen uit de oorlog
terug (inclusief oorlogsgraven) (Meire 2007:195).
(18) Het werk van Martin Kippenberger draait om de rol van de kun- stenaar (sic) binnen de
cultuur en is gebaseerd op populaire cultuur, kunst, architectuur, muziek, geschiedenis en op
zijn eigen leven. Hij was een toe-eigenaar bij uitstek – daarbij niets en niemand ontziend – en
veel van zijn werk kan gelden als ’zelfportret’, in die zin dat hij zijn onderwerpen adopteerde,
transformeerde en absorbeerde.
[http://www.stedelijk.nu/nu-in-stedelijk/archief/archief-tentoonstellingen/takingplace/martin-kippenberger, geraadpleegd op 30 april 2015]
(19) Als iemand last heeft van excessieve schaamte zoek ik naar de slechte behandeling die hem
een gevoel van waardeloosheid heeft bezorgd. Gevoelsmatig, tegen beter weten in,
identificeert de schamer zich met de minachter, als hij zich afhankelijk voelt van diens
oordeel. Wanneer je je schaamt, heul je met de vijand.
25
[http://www.groene.nl/artikel/de-ervaren-schamer, geraadpleegd op 30 april 2015]
(20) In Niet te moeilijk graag. De verkleutering van het publieke debat uit 2012 memoreert Jan
Renkema dat in de jaren zeventig een hoogleraar rechtsfilosofie de betiteling ‘delinquent’
wilde vervangen door ‘vergisser’ (en gevangenis dus door ‘vergissershuis’).
[http://dehoningpot.blogspot.be/2013/05/hallo.html, geraadpleegd op 30 april 2015]
(21) Welk type overeter ben jij?
[http://www.goedgevoel.be/gg/nl/95/Eetstoornis/article/detail/1550282/2012/12/17/Welktype-overeter-ben-jij.dhtml, geraadpleegd op 30 april 2015]
(22) Dat is een zeer minimalistische en wellicht zelfs niet-Freudiaanse omvatting van
versprekingen omdat de verspreker zelf inzicht heeft in de oorzaak van zijn verspreking
(Buekens 2006:236).
Werkwoorden met een ‘verplicht’ indirect object
(23) Als woner van het eerste uur heb je de meeste invloed. Je krijgt volop de ruimte om jouw
ideeën in het project verwerkt te krijgen. Maar je investéért ook: tijd en energie.
[http://theplacemaker.nl/de-woner-intro/de-woner/, geraadpleegd op 30 april 2015]
(24) Techniek als verleider en belover van een volmaakte wereld.
[http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/techniek_als_verleider_en_belover_van_een_v
olmaakte_wereld_1_898832?localLinksEnabled=false, geraadpleegd op 30 april 2015]
Op basis van die internetzinnen blijken de mogelijkheden van het deverbale –er dus heel wat
uitgebreider te zijn dan volgens De Haas & Trommelen (1993) het geval is.20 Voor alle klassen van
werkwoorden waarbij afleiding met –er niet mogelijk zou zijn, zijn er op het internet vindplaatsen
waar zo’n werkwoord toch een –er-afleiding krijgt.
Toch klinkt afleiding met –er niet bij al die werkwoorden even vlot. Vooral de afleidingen van
ergatieve werkwoorden in zinnen (10) tot en met (13), namelijk verouderaar, valler, sterver en
ontwaker, klinken enigszins vreemd in de oren. Randall (1984:317) had voor het Engels ook al
opgemerkt dat –er-afleiding niet altijd even vlot gaat en dat “only those verbs which refer to either
protracted or repeated action can form –er-nouns.” De verklaring van Randall klinkt plausibel, maar
is eigenlijk maar een deel van het verhaal: ook van moorden is bijvoorbeeld een –er-afleiding
gevormd, terwijl een moordenaar kan slaan op iemand die maar één keer kortstondig moordt. Het
lijkt dus eerder zo te zijn dat iets een bepaalde maatschappelijke relevantie moet hebben om te
worden benoemd. Die maatschappelijke relevantie krijgt een handeling meestal doordat het – zoals
Randall (1984:317) stelt – gaat om een “protracted or repeated action”, maar in sommige gevallen is
ook een eenmalige actie (bijvoorbeeld moorden) al relevant. Bij vallen, sterven, ontwaken en
20
De restricties op de basis die De Haas & Trommelen (1993:170-176) formuleren zijn eigenlijk een soort van
absolute restricties die afbakenen wat de mogelijke woorden zijn die met –er kunnen worden gevormd (zie
1.2.3.1). In 1.2.3.2 gaven we al aan dat de instance-based morphology stelt dat er zo geen absolute restricties
geformuleerd kunnen worden op de basis van woordvormingsprocedés (vergelijk Hüning 2010:55-61). Dat
wordt ook mooi geïllustreerd door dit geval: een heleboel nomina die De Haas & Trommelen (1993) niet voor
mogelijk hielden, komen in het reële taalgebruik wel degelijk voor.
26
verouderen gaat het nu normaliter niet om een “protracted or repeated action” of om acties die na
een keer al maatschappelijk relevant zijn (Randall 1984:317). In zulke gevallen blijkt afleiding met –er
inderdaad minder vlot te gaan en alleen in specifieke gevallen mogelijk. Uit de voorbeelden blijkt dat
het om ‘opzettelijk’ (eerder dan alledaags) taalgebruik gaat, waarbij vaak een specifiek effect beoogd
wordt.21 De zin in (10) bijvoorbeeld is afkomstig van een webpagina waarop uitleg gegeven wordt
over een prijs die door de Europese Commissie uitgereikt wordt aan organisaties die ‘actief
verouderen’ promoten. Normaliter wordt verouderen gezien als een proces dat je lijdzaam moet
ondergaan, maar hier wil men een andere visie op verouderen creëren en laten zien dat je als oudere
ook nog een actieve rol kan spelen in de samenleving. In een dergelijke context is het natuurlijk wél
mogelijk en zelfs nuttig om een woord als verouderaar te vormen, want op die manier wordt
verouderen voorgesteld als een maatschappelijk relevante actie, als iets wat je herhaaldelijk of lange
tijd kan doen. Zo wordt verouderen via de taal iets wat je actief kan doen en dat is net de visie die
men wil promoten. In zin (11) laat valler opnieuw zien dat een actie niet per se van lange duur moet
zijn of herhaald moet worden om relevant te zijn. Hoewel de bezoekers maar één keer vallen, is dat
wel al meteen relevant: ze worden namelijk geteld en de duizendste valler krijgt een
schadevergoeding.
Al bij al blijken er dus weinig beperkingen te zijn op de deverbale vorming van persoonsnamen op –
er22; als we deverbaal de individuele animate entiteit willen benoemen waarvan de werking uitgaat
die wordt uitgedrukt door het werkwoord, zijn –er-nomina zowat de default benoemingsstrategie.
Op die manier vormen persoonsnamen op –er een ijkpunt om andere procedés mee te vergelijken.
3.1.2.2 Suffix –ling
Naast –er lijkt er nog een ander suffix te bestaan voor de benoeming van individuele, animate
entiteiten waarvan er een werking uitgaat. Naast een woord als vluchter bestaat namelijk ook
vluchteling, waarbij beide in essentie slaan op ‘iemand die vlucht’. In (25) worden de –ling-woorden
uit Van Dale (2014) opgelijst die zo’n entiteit benoemen.23,24 Sommige daarvan hebben in Van Dale
(2014) ook een tegenhanger op –er, en die staan cursief.25
21
Vergelijk dit ook met Booij (1986:508) die stelt dat bijvoorbeeld sterver vreemd klinkt, maar in bepaalde
contexten wel gebruikt kan worden. Als het bijvoorbeeld gaat om een acteur die een sterfscène moet spelen, is
een zin als Hij is een goede sterver perfect grammaticaal (Booij 1986:508).
22
Vergelijk dit met Booij (1986:515) die stelt dat –er subjectsnamen vormt: de verschillende mogelijke
betekenissen van persoonsnamen op –er zijn allemaal semantische rollen die kunnen gedragen worden door
het subject van het werkwoord.
23
Het woord onderkomeling (volgens Van Dale (2014) een “levend wezen (mens, dier of plant) dat (vergeleken
bij soortgenoten) laag bij de grond blijft, niet groeit, klein en achter in groei blijft”) werd niet opgenomen in
(25), omdat het niet duidelijk is of dit woord ontstaan is op basis van het werkwoord onderkomen dan wel op
basis van het voltooid deelwoord van datzelfde werkwoord.
24
In (25) zijn enkel subjectsnamen op –ling opgenomen. Er bestaan ook objectsnamen op –ling (bijvoorbeeld
vertrouweling of vormeling), maar daar gaan we hier niet op in omdat dergelijke objectsnamen geen entiteit
noemen waarvan een werking uitgaat.
25
Alleen die woorden zijn cursief gedrukt, waarbij het werkwoord bij de tegenhanger op –er in dezelfde
betekenis gebruikt wordt als bij de vorm op –ling. Naast boeteling bestaat bijvoorbeeld wel boeter, maar
daarbij betekent boeten “herstellen, lappen, stoppen” (Van Dale 2014). Naast opkomeling bestaat bijvoorbeeld
27
(25) aanhangeling,
aankomeling,
afhangeling,
afkomeling,
afstammeling,
beginneling,
bezetteling, biechteling, boeteling, drenkeling, hateling, inwijkeling, loteling, mislukkeling,
muiteling, nakomeling, opkomeling, slapeling, smekeling, sterveling, uitwijkeling, vluchteling,
volgeling, zuigeling, zwerveling
Een interessante kwestie is nu natuurlijk hoe de subjectsnamen op –ling zich verhouden tot hun
tegenhangers op -er. Speyer (1913) en Taeldeman (1987) hadden al geschreven over –ling-nomina en
menen zowel een denotatief als een connotatief verschil tussen beide suffixen te kunnen
onderscheiden. In wat volgt, zetten we hun bevindingen uiteen en bekijken we die met een kritische
blik.
Op het denotatieve vlak moeten er eigenlijk twee verschillen worden aangeduid. Ten eerste hebben
nomina
op
–ling
volgens
Taeldeman
(1987:19)
vaak
“opmerkelijke
idiosynkratische
betekenisverschuivingen ondergaan” en zijn ze dus in sterke mate gelexicaliseerd. Nomina op –ling
hebben inderdaad vaak een specifiekere betekenis dan hun tegenhangers op –er: een volgeling
bijvoorbeeld is niet zomaar ‘iemand die volgt’, maar vooral “[i]emand die de opvattingen of
doelstellingen van een ander bijtreedt (en dienovereenkomstig handelt)” (WNT).26 Een volgeling is
dus eigenlijk een specifiek soort volger. Toch moet Taeldemans uitspraak genuanceerd worden op
twee vlakken. Ten eerste is de specifiekere betekenis niet per se het resultaat van idiosyncratische
betekenisverschuivingen en is ze zeker in een aantal gevallen al vanaf het eerste gebruik aanwezig:
loteling heeft volgens het WNT bijvoorbeeld nooit een ruimere betekenis gekend dan “[i]emand die
loten moet of juist geloot heeft voor de militie, den krijgsdienst, of die door te loten hiervoor is
aangewezen” en is op die manier vanaf de vorming een heel stuk specifieker dan loter.27 Ten tweede
hebben sommige –ling-woorden helemaal geen specifiekere betekenis dan de corresponderende –
er-vorm: bij de woorden in (25) hebben bijvoorbeeld slapeling en zwerveling geen meer
gespecialiseerde betekenis dan slaper en zwerver. Sommige –ling-woorden hebben dus een meer
gespecialiseerde betekenis, maar het gaat hier niet om een algemeen kenmerk van –ling-woorden.
Een tweede denotatief verschil met –er ziet Speyer (1913:39-40) in het feit dat –ling-woorden
veeleer “toestandswoorden” dan agentia zijn. Ook Taeldeman (1987:24-25) stelt dat de
subjectsnamen op -ling niet echt een handelend persoon noemen, maar veeleer “een persoon in een
bepaalde toestand/met een bepaalde status.” Taeldeman (1987:19) maakt dat duidelijk door een
aantal –er-woorden te vergelijken met hun tegenhanger op –ling, bijvoorbeeld vluchteling versus
ook opkomer, maar bij de –ling-vorm heeft opkomen de betekenis “[i]n aanzien en macht, in welvaart enz.
toenemen”, terwijl het bij de –er-vorm in de betekenis “[a]ankomen, een ambt enz. aanvaarden, voor het eerst
in eene nieuwe hoedanigheid optreden” wordt gebruikt (WNT).
26
Betekenisomschrijvingen die letterlijk overgenomen werden uit het woordenboek (Van Dale 2014, ONW,
VMNW, MNW, WNT of EWN), krijgen dubbele aanhalingstekens. Betekenisomschrijvingen uit het
woordenboek die geparafraseerd worden of betekenissen die we zelf omschrijven, voorzien we van enkele
aanhalingstekens. De betekenisomschrijvingen zijn steeds overgenomen uit het lemma van het woord of het
suffix waarop gefocust wordt, tenzij anders aangegeven.
27
Ook volgeling werd bijvoorbeeld wel eens in de minder specifieke betekenis “[i]emand die een ander ergens
naar toe volgt” gebruikt, maar de oudste betekenis is toch “[i]emand die de opvattingen of doelstellingen van
een ander bijtreedt (en dienovereenkomstig handelt)” (WNT).
28
vluchter. Als er een groepje wielrenners wegrijdt uit het peloton, spreken we bijvoorbeeld over een
groepje vluchters, niet over vluchtelingen. Een vluchter is immers iemand die actief, uit eigen
beweging wegvlucht, terwijl een vluchteling eerder iemand is die zich door toedoen van iemand
anders (passief) in een bepaalde toestand bevindt. Ook tussen volgeling en volger kan zo’n
verhouding worden vastgesteld. Er zijn in het huidige taalsysteem dus zeker een aantal nomina op –
ling met een minder agentieve betekenis, maar het WNT noemt ook wel een aantal woorden op -ling
die in de zeventiende en de achttiende eeuw werden gevormd en waarbij het moeilijk voorstelbaar is
dat ze geen sterk handelende persoon zouden aanduiden, zoals hulpelingen (“hulptroepen”),
muitelingen of bezettelingen. Opnieuw gaat het hier dus om een kenmerk van sommige –lingnomina, maar het is echter niet zeker of het algemeen geldig is en of het ook altijd al met –ling werd
geassocieerd.
Naast het denotatief verschil, stellen Taeldeman (1987) en Speyer (1913) ook een connotatief
verschil vast. Volgens Speyer (1913:40) hebben veel substantieven op –ling “een bijbegrip van
geringschatting en zwakheid” en ook Taeldeman (1987:20) wijst op de “ietwat negatieve konnotatie
van zwakheid (en bijgevolg geringschatting).” Die connotatie hebben -ling-woorden niet altijd gehad:
de oudste vormen op –ling (zoals leerlinc, ervelinc, inwoonlinc) zijn namelijk neutraal geconnoteerd
(Speyer 1913:40; Taeldeman 1987:20) en volgens Speyer (1913:40-41) zou Te Winkel nog in 1848
aangegeven hebben dat bijvoorbeeld de objectsnaam huurling niet negatief geconnoteerd was. Het
spreekt natuurlijk voor zich dat die connotatie van zwakheid samenhangt met het idee dat –lingwoorden minder een handelend persoon noemen: iemand die minder sterk agentief is, is in zekere
zin zwakker. Volgens zowel Speyer (1913:40) als Taeldeman (1987:20) komt de negatieve connotatie
van –ling-woorden dan ook voort uit het feit dat ze vaak een persoon noemen die een bepaalde
toestand ondergaat. Die negatieve bijklank kregen deverbale –ling-woorden misschien wel parallel
met de deadjectivische persoonsnamen op –ling (lieveling, jongeling, lammeling, slappeling,
stommeling), die na verloop van tijd ook een negatieve connotatie verwierven (Taeldeman 1987:20).
De negatieve bijklank is dus een kenmerk van een aantal –ling-woorden in het huidige taalsysteem,
maar die negatieve bijklank is niet per se bij alle –ling-woorden aanwezig, en werd volgens Speyer
(1913) en Taeldeman (1990) ook niet altijd met –ling geassocieerd.
Op basis van Speyer (1913:41) weten we dat –ling nog tot zeker in het begin van de twintigste eeuw
deverbale persoonsnamen vormde, aangezien hij aangeeft dat “[d]e levenskracht van onzen
afleidingsuitgang […] nog even frisch als ooit [is], zijn scheppend vermogen onverzwakt.” In het
huidige Nederlands vormt het suffix echter geen deverbale afleidingen meer. De verklaring daarvoor
moet volgens Taeldeman (1987:21-22) worden gezocht in het feit dat een concurrerend procedé de
taak van –ling heeft overgenomen: subjectsnamen worden tegenwoordig met [V + er] gevormd.
Reeds bestaande subjectsnamen op –ling zullen volgens hem dan op den duur worden vervangen
door hun “jongere konkurrent” op –er, tenzij de persoonsnaam op –ling een specifiekere betekenis
(ontwikkeld) heeft dan de tegenhanger op –er (Taeldeman 1987:21).
Opnieuw moet de formulering van Taeldeman (1987) echter bijgestuurd worden: hij lijkt hier immers
te suggereren dat de –ling-vormen er eerst waren en dat die uiteindelijk worden vervangen door
29
jongere –er-vormen. Op basis van de gegevens in het VMNW, MNW en WNT, wordt het echter
duidelijk dat veel –ling-vormen juist later dan of tegelijkertijd met hun tegenhanger op –er zijn
ontstaan. In onderstaande tabel geven we voor de gecursiveerde woorden uit (25) het jaartal van het
oudste citaat dat de historische woordenboeken geven voor subjectsnamen op –ling en hun
tegenhanger op –er.28
Grondwoord
-er-vorm
e
-ling-vorm
17e eeuw
aanhangen
18 eeuw
beginnen
1595
bezetten
1660
1642
haten
1573
1666
loten
1342
1818
muiten
1615
1642
nakomen
1240
1265-1270
sterven
1625
1764
vluchten
1477
1634
volgen
Middelnederlands
1635
zuigen
1514
1526
zwerven
1629
1809
1867 (Belgisch
Nederlands)
Tabel 4: Data voor oudste citaat met –ling-woord en tegenhanger op –er in de historische woordenboeken
Op aanhanger en bezetter na is de –er-afleiding dus nooit jonger dan de –ling-afleiding. Dat vormen
op –ling- en –er naast elkaar gevormd werden, wijst erop dat die procedés in zekere zin wel
complementair moeten zijn geweest: als er geen verschil was tussen beide vormen, waarom zouden
er dan twee vormen bestaan in plaats van één?
Zoals hierboven beschreven, zijn er een aantal verschillen tussen –er- en –ling-vormen op
connotatief en denotatief vlak die zouden kunnen verklaren waarom beide vormen naast elkaar
kunnen bestaan. Telkens werd er echter op gewezen dat die niet per voor alle –ling-woorden geldig
zijn en dat die verschillen ook niet per se altijd al met –ling-woorden geassocieerd werden. Woorden
als aanhangeling, bezetteling, hateling, muiteling, slapeling, zwerveling hebben bijvoorbeeld niet
echt een meer gespecialiseerde betekenis dan hun –er-tegenhangers, en we kunnen er ook niet
zeker van zijn dat er die woorden al van bij de vorming een denotatie of connotatie van zwakheid
hadden. Om te verklaren waarom die vormen naast –er-vormen konden ontstaan, moet er volgens
ons misschien nog een extra verschil tussen –ling- en –er-vormen onderscheiden worden, waar
Taeldeman (1987) en Speyer (1913) nog niet op gewezen hadden.
28
Op basis van gegevens uit de historische woordenboeken kunnen we natuurlijk niet precies te weten komen
wanneer deze woorden ontstaan zijn, maar we kunnen wel een ruwe schatting maken van de leeftijd van een
bepaald woord door te kijken naar de datum van het oudste citaat met dat woord dat werd opgenomen.
30
Het lijkt er namelijk op dat –ling-vormen tot een ander register van de taal behoorden dan de –ervormen. Op basis van citaten in het WNT is het natuurlijk moeilijk om registerverschillen op het
spoor te komen, maar er zijn toch een aantal elementen die erop wijzen dat deverbatieven op –ling
waarschijnlijk tot het hogere register van de taal, tot de literaire taal moeten worden gerekend. Zo
meldt het WNT voor verschillende woorden op –ling dat die gesmeed zijn door bekende auteurs:
begunsteling zou bijvoorbeeld gevormd zijn door Vondel, terwijl Hooft dan weer de subjectsnamen
hulpeling en smeekeling en ook de objectsnamen aanboorling en gekoorling vormde. Speyer
(1913:45-46) geeft daarenboven aan dat wrekeling en hateling gevormd zijn door Antonides. Ook
Van Dale (2014) merkt op dat een woord als slapeling bijvoorbeeld behoort tot de verouderde
literaire taal. Een ander element dat erop wijst dat –ling-woorden niet tot de alledaagse taal
behoren, is het feit dat ze vaak purismen zijn: de al genoemde smeekeling en aanboorling zijn
volgens het WNT gevormd als purisme voor respectievelijk suppliant en agnatus, net zoals inwijkeling
een purisme is voor immigrant. Purismen zijn natuurlijk opzettelijke nieuwvormingen, het gaat
steeds om artificiële taal. Dat –ling misschien tot het hogere register behoort, wordt ook
ondersteund door de etymologie van dit suffix. Het EWN schrijft namelijk over het suffix dat
“[a]lgemeen wordt aangenomen dat -ing in -ling etymologisch identiek is aan het achtervoegsel –
ing”, en van –ing is geweten dat het tot het hogere register van de taal behoort (Devos 1990:53).
Met andere woorden, woorden als aanhangeling, bezetteling, hateling, muiteling en zwerveling zijn
misschien vooral ontstaan als stilistische varianten voor de overeenkomstige –er-woorden. Als die
woorden vervolgens geen andere betekenissen ontwikkelen dan hun meer alledaagse tegenhangers
op –er, worden ze vervangen door die –er-woorden (vergelijk Taeldeman 1987:21-22).
3.1.3 Collectief
In de vorige paragraaf werd ingegaan op de suffixen –ling en –er. Als die suffixen animate entiteiten
benoemen waarvan een werking uitgaat, gaat het altijd om individuele entiteiten. Wat echter als we
groepen van personen willen benoemen waarvan een werking uitgaat? In dat geval kan de
taalgebruiker natuurlijk gewoon een beroep doen op meervoudsvorming: een groep mensen die
onderzoekt kunnen we bijvoorbeeld aanduiden met onderzoekers. In het Nederlands bestaan er
echter ook deverbale substantieven in het enkelvoud waarmee verwezen wordt naar een collectieve
entiteit. In wat volgt, gaan we in op twee verschillende types, namelijk de metonymische uitbreiding
van nomina actionis en het collectieve gebruik van –er-nomina.
3.1.3.1 Metonymische uitbreiding van nomina actionis
In (26) geven we de voorbeelden van verzamelnamen in het Nederlands die Devos (1990:32)
noemde.
(26) leiding, regering, beweging, verdediging, vergadering, vertegenwoordiging, gevolg, bestuur,
opkomst, weerstand
Aan de vormen in (27) kunnen we zelf nog de volgende voorbeelden toevoegen:
31
(27) bijeenkomst, samenkomst, gehoor, verzet, bezoek, raad, samenleving, samenscholing,
reclassering
De nomina in (26) en (27) behoren tot verschillende morfologische categorieën (namelijk
stamwoorden, nomina op –st en nomina op –ing) maar toch kunnen we een generalisatie over al die
voorbeelden maken: het gaat immers steeds om vormen die primair een nomen-actionisbetekenis
hebben. Als mogelijke betekenissen van bijeenkomst geeft het WNT bijvoorbeeld “[d]e daad van
bijeen te komen” of “[e]en samenzijn, eene vergadering.” Het woord heeft er echter via metonymie
nog een andere betekenis bijgekregen, die ook opgenomen is in Van Dale (2014), namelijk “de
gezamenlijke personen die bijeengekomen zijn.” Voor vergaderinghe vermeldt het VMNW enkel de
betekenis “bijeenkomst, vergadering”, maar het WNT geeft ook de betekenis “[z]ij die vergaderen
(…), in vergadering (…) bijeenzijn.” En ook de oorspronkelijke betekenis van gehoor was bijvoorbeeld
“het horen, het vermogen om te horen” en daar is dan via metonymische betekenisextensies onder
andere ook de betekenis “degenen die toehoren” bij gekomen (EWN).
Van nomina actionis is nu geweten dat zij heel gemakkelijk metonymische betekenisextensies
kunnen krijgen (zie bijvoorbeeld Booij & Van Santen 1998:135-138 over de betekenisuitwaaiering van
nomina actionis op –ing) en blijkbaar lenen ze zich dus ook goed tot een betekenisuitbreiding naar
collectiefnamen. Bij sommige van de gegeven voorbeelden wordt de interpretatie als verzamelnaam
nog vergemakkelijkt doordat een deel van hun vorm al wijst op een soort van collectiviteit: dat geldt
bijvoorbeeld voor de bijwoorden bijeen en samen in bijeenkomst, samenkomst, samenleving en
samenscholing, maar ook voor het prefix ge- in gevolg en gehoor. 29 Dat prefix ge- had namelijk in het
Germaans de betekenis “met, samen” (EWN).
Bijzonder is evenwel dat er bij de stamwoorden een aantal voorbeelden zijn die in ouder taalgebruik
ook konden verwijzen naar een individuele entiteit. Voor raad geven zowel het ONW, VMNW, MNW
als WNT bijvoorbeeld aan dat het ook kan worden gebruikt voor ‘iemand die raad geeft’, waarvoor
we tegenwoordig raadgever, raadsman of raadsheer zouden gebruiken. Het WNT meldt hetzelfde
voor bestuur, net zoals het MNW doet voor de Middelnederlandse vorm bestier. Bij het lemma van
dat laatste woord verwijst het MNW bovendien naar andere stamwoorden, namelijk beleit, behoet
en bereit, die ook een individu noemen waarvan een bepaalde werking uitgaat. Hoe die
stamwoorden zich in het Middelnederlands verhielden tot de –er-vormen beleider, behoeder en
bezoeker laten we open voor verder onderzoek.
29
Merk op dat we hier gevolg en gehoor beschouwen als stamwoorden, in tegenstelling tot Taeldeman (1985).
Taeldeman (1985:40) stelt namelijk dat gevolg en gehoor het product zijn van een woordvormingsregel [ge +
V] waarmee nomina agentis werden gevormd. Die woordvormingsregel zou nu onproductief zijn en gehoor en
gevolg zouden dan de enige twee overblijfselen van die woordvormingsregel zijn in het huidige Nederlands.
Volgens het ONW bestond er in het Oudnederlands echter al een werkwoord gihōren en volgens het MNW
bestond in het Middelnederlands ook al het werkwoord gevolgen. Gevolg en gehoor zouden dus net zo goed
door impliciete transpositie ontstaan kunnen zijn uit gevolgen en gehoren en zouden op die manier aansluiten
bij de andere stamwoorden bestuur, bezoek, raad, verzet en weerstand. Merk op dat gevolgen en gihōren op
hun beurt eigenlijk ook ontstaan zouden kunnen zijn door impliciete transpositie uit gevolg en gehoor. Er zijn
dus verschillende verklaringsschema’s denkbaar voor het ontstaan van deze woorden.
32
De hiervoor genoemde deverbale substantieven die een collectieve interpretatie hebben, zijn
gevormd met woordvormingsprocedés die niet rechtstreeks woorden met zo’n collectiefbetekenis
creëren. Het gaat telkens om woorden die oorspronkelijk iets anders betekenden, maar die dan via
metonymische betekenisuitbreidingen ook een interpretatie krijgen als collectieve entiteit waarvan
de werking uitgaat die wordt uitgedrukt door het werkwoord.30 In de terminologie van Koefoed
(1993) gaat het dus om eenvlakkige semantische procedés.
3.1.3.2 Collectief gebruik van –er-nomina
De betekenis van een nomen actionis metonymisch uitbreiden is dus één manier om collectieven te
benoemen. Daarnaast moet echter nog een andere mogelijkheid worden onderscheiden. In 3.1.2.1
werd aangegeven dat het suffix –er prototypisch gebruikt wordt om personen aan te duiden waarvan
een werking uitgaat. Via Google vonden we echter de volgende zinnen:
(28) Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde iedereen nog in Diks-muide (sic) en moesten de
mensen
de
grillen
van
de
bezetter
ondergaan.
[http://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20120611_00180364, geraadpleegd op 25 april 2015]
(29) Voor
mij
zijn
de
Buffalo’s
dé
uitdager
van
Club
in
de
titelstrijd.
[http://www.voetbal24.be/2015/04/20/degryse-zij-zijn-de-uitdager-van-club-brugge-in-detitelstrijd, geraadpleegd op 25 april 2015]
(30) Onder de titel "Daar zijn de Duitsers. Lanaken aan de begindagen van de Eerste
Wereldoorlog" bundelde de dienst Erfgoed een aantal teksten over Lanaken, Gellik,
Smeermaas, Kesselt, Veldwezelt, Neerharen en Rekem anno 1914. De inval van de Duitsers
dus, en de kennismaking van de lokale bevolking met de overheerser. Net als op andere
plaatsen,
bezondigden
de
Duitsers
zich
ook
in
Lanaken
aan
wandaden.
[http://www.hbvl.be/cnt/dmf20141006_01305881/lanaken-herdenkt-groote-oorlog-metinfoborden-en-publicaties, geraadpleegd op 25 april 2015]
(31) “Onderling hebben we de conclusie getrokken dat we de verliezer van de transferperiode
zijn”, vertelde Dijkhuizen donderdag, na de 3-1 oefennederlaag tegen NEC, aan FOX Sports.
[http://www.voetbalzone.nl/doc.asp?uid=223821, geraadpleegd op 4 mei 2015]
In zin (28) over de Duitse bezetting voelen we intuïtief aan dat “de bezetter” haast niet kan slaan op
een individu: het gaat hier niet om de grillen van één persoon, maar om de grillen van de groep
personen die Diksmuide (en de rest van België) bezette tijdens de Tweede Wereldoorlog. De
internetzin in (29) illustreert mooi dat de spreker wel degelijk een groep van personen in gedachten
heeft: “dé uitdager”, een substantief in het enkelvoud, wordt daar immers gecombineerd met een
30
Het zou ook kunnen dat niet alle nomina in (26) en (27) die betekenisontwikkeling van nomen actionis naar
collectieve entiteit ondergaan hebben, maar dat er een aantal zijn die rechtstreeks gevormd werden als
benaming voor een collectieve entiteit. Zodra er bijvoorbeeld een aantal nomina actionis op –ing gebruikt
worden om collectieve entiteiten te benoemen, kunnen naar analogie met die collectieve entiteiten op –ing
nieuwe nomina op –ing worden gevormd die van in het begin collectieve entiteiten benoemen; in dat geval
krijg je dus semantic fragmentation van het woordvormingsprocedé met suffix –ing (vergelijk Rainer 2003 in
1.2.2.2).
33
koppelwerkwoord in het meervoud en wordt gebruikt om naar een substantief in het meervoud te
identificeren, namelijk “de Buffalo’s”. Ook in (30) wordt duidelijk verwezen naar de groep van
overheersers en niet naar één specifieke overheerser. Er is hier dus sprake van een
benoemingsstrategie waarbij er verwezen wordt naar één enkel lid van een bepaalde groep om de
hele groep te benoemen: één lid geldt dus als generiek voorbeeld voor de rest van de groep. Een
dergelijk collectief gebruik van –er-nomina blijkt het goed te doen in wij-zijcontexten, contexten van
(wed)strijd, waarin groepen van mensen tegenover elkaar staan.
Ook in andere contexten treffen we echter deverbatieven op –er aan als generiek voorbeeld voor
een hele groep van personen. Beschouw de volgende voorbeelden:
(32) “Tom Lenaerts: ‘Nu kunnen politici aan de kiezer zeggen dat het moet van de rechter’”
[http://www.hln.be/hln/nl/2656/Global-Warming/article/detail/2138607/2014/12/02/TomLenaerts-Nu-kunnen-politici-aan-de-kiezer-zeggen-dat-het-moet-van-de-rechter.dhtml]
(33) Betekent dit dat alle eindredacteurs en art directors nu ander emplooi moeten gaan zoeken?
Uiteraard niet. Het bewijst alleen dat de lezer slimmer, gulziger en leergieriger is dan
sommige mediagoeroes wel denken.
[http://www.demorgen.be/expo/de-lezer-is-slimmer-dan-veel-mediagoeroes-denkena1601036/, geraadpleegd op 4 mei 2015]
(34) Omdat sitcoms nu eenmaal om de zoveel seconden hengelen naar de lach van de kijker, is
het er ofwel op of onder.
[http://www.standaard.be/cnt/dmf20131030_00817680, geraadpleegd op 4 mei 2015]
(35) In deze masterclass geeft MNM-presentatrice Karolien Debecker inkijk in hoe ze interactieve
radio maakt samen met de luisteraar.
[http://www.radiocentrum.be/#!masterclasses/cko1, geraadpleegd op 4 mei 2015]
In de zinnen (32) tot en met (35) kunnen de –er-woorden steeds vervangen worden door
samenstellingen op publiek (het kiespubliek, het leespubliek, het kijkpubliek, het luisterpubliek), of
gewoon door de meervoudsvormen van de woorden in kwestie.
Het gebruik van –er-nomina om naar groepen van mensen te verwijzen creëert een bijzonder effect.
Door de benaming voor één lid te gebruiken om te verwijzen naar de hele groep, stel je die groep
enerzijds voor als een monolithisch blok: één lid wordt namelijk representatief geacht voor die hele
groep. Echter, doordat een –er-nomen normaliter verwijst naar een individuele entiteit, blijft het
tegelijkertijd toch steeds het persoonlijke aspect aanwezig: het blijft duidelijk dat het gaat om een
groep die is samengesteld uit individuele entiteiten, waarbij die individuele entiteiten dan ook elk op
zich kunnen handelen. Op dat vlak verschilt het collectieve gebruik van –er van het hierboven
beschreven metonymische gebruik van nomina actionis om collectieve entiteiten te benoemen: bij
die metonymisch gebruikte nomina actionis verdwijnt het individuele naar de achtergrond. Het is
minder duidelijk dat het collectief is samengesteld uit verschillende individuele leden en je krijgt het
gevoel dat het collectief altijd handelt als één lichaam. Dat sluit ook aan bij wat Devos (1990:32) al
opmerkte: de nomina in (26) verwijzen volgens hem doorgaans naar groepen van personen met “een
34
bepaalde functie of maatschappelijke taak”; het gaat met andere woorden vaak om
(maatschappelijke) instellingen. Zo’n (maatschappelijke) instelling is dan wel samengesteld uit
individuen, maar die individuen handelen niet voor zichzelf, maar in functie van de instelling waar ze
deel van uitmaken.
35
3.2
Inanimate entiteit met werking
In 3.1 werd ingegaan op de benoeming van animate entiteiten waarvan de werking uitgaat die
genoemd wordt door het werkwoord. Nu zal worden besproken hoe inanimate entiteiten met
werking worden benoemd. In 3.2.1 zullen we nagaan hoe inanimate entiteiten in het semasiologisch
(en dus ook onomasiologisch) onderzoek van Taeldeman (1985, 1990), Devos (1990), Booij (1986) en
De Caluwe (1992) worden ingedeeld en we zullen die indeling ook problematiseren. Vervolgens
wordt daarom die indeling opgeheven en worden in 3.2.2 woorden verzameld die inanimate
entiteiten met werking benoemen. In 3.3.3 bespreken we vervolgens hoe we binnen die verzameling
woorden grip zullen proberen te krijgen op de verhoudingen tussen de woordvormingsprocedés door
woorden semantisch te groeperen.
3.2.1 Semantische rollen?
Deverbale woorden die verwijzen naar inanimate entiteiten kunnen bij Taeldeman (1990) en Devos
(1990) grosso modo bij drie semantische rollen worden ondergebracht: Patiens, Ergatiefobject en
Instrument. De categorie Patiens verwijst naar entiteiten die de werking van het werkwoord
ondergaan en dat is niet waar we op dit moment in geïnteresseerd zijn, dus die categorie laten we
even buiten beschouwing.
De leden van de categorie Ergatiefobject definieert Devos (1990:33) semantisch als “niet-levende
fenomenen waarvan een werking uitgaat of waaraan zich een toestand voordoet.” Syntactisch zijn
het volgens Taeldeman (1990:82) “allemaal afleidingen van ergatieve werkwoorden.” De invulling die
Taeldeman (1990) aan het begrip ‘ergatieve werkwoorden’ geeft, verschilt van wat daar vandaag
onder wordt verstaan, maar sluit aan bij de definitie die De Haas & Trommelen (1993:37-43) aan het
begrip geven.31 Zij omschrijven ergatieve werkwoorden als een subklasse van de intransitieve
werkwoorden die als belangrijkste kenmerk hebben dat ze in het perfectum met het hulpwerkwoord
zijn worden vervoegd (in plaats van met hebben) en waarvan “het subject […] in sterke mate op het
direct object van een transitief werkwoord” lijkt (De Haas & Trommelen 1993:39). Dat impliceert ook
dat de (enige) medespeler van zo’n ergatief werkwoord weinig agentiviteit heeft.
In de categorie Instrument daarentegen komen afleidingen terecht “die het object of de ‘kracht’
noemen waarmee de handeling uitgedrukt door het werkwoord verricht wordt” (Devos 1990:29).
Binnen de categorie Instrument wordt dan nog een onderscheid gemaakt tussen materieel,
“werktuigen/machines/apparaten waarmee een handeling wordt uitgevoerd”, en materiaal, “stoffen
die bij een bepaalde activiteit worden ge/verbruikt” (De Caluwe 1992:147-148). In de onderstaande
31
Vandaag wordt de term ‘ergatieve werkwoorden’ vooral gebruikt om te verwijzen naar werkwoorden die
kunnen optreden in de causatief-inchoatiefalternantie, werkwoorden die dus “zowel in een causatieftransitieve als in de daarmee corresponderende inchoatief-intransitieve structuur voorkomen, zoals breken in
het zinnenpaar Piet brak de vaas/De vaas brak” (Beke 2014:8). De groep ergatieve werkwoorden in de
opvatting van Taeldeman (1990) en de groep ergatieve werkwoorden in de huidige opvatting vertonen overlap
(het werkwoord breken behoort bijvoorbeeld in beide opvattingen tot de ergatieve werkwoorden), maar vallen
niet volledig samen (het werkwoord aanbranden is bijvoorbeeld een ergatief werkwoord in de opvatting van
Taeldeman, maar niet in de huidige opvatting).
36
tabel worden voorbeelden gegeven van woorden en woordvormingsprocedés binnen die categorieën
op basis van Devos (1990), Taeldeman (1990) en De Caluwe (1992) (zie bijlage 1 en 2 voor een
volledig overzicht).
Semantische rol
Woordvormingsprocedé
Voorbeelden
afsluiting, (be)kleding, dakbedekking,
lading, schutting, smering, stopping,
–ing
verpakking, versiering, voeding,
voering, vulling
behangsel, blauwsel, deksel,
droogsel, emailleersel, omhulsel,
–sel
Materiaal
opsmuksel, plombeersel, smeersel,
stopsel, schoeisel, tooisel, voedsel,
(op)vulsel
Instrument
mierenverdelger, ontkalker,
–er
ontstopper, pijnstiller, poriënvuller,
waterverzachter
stam (+ablaut)
Materieel
behang, blauw, kleed, lijm, opmaak,
slot, schut, smeer, verband
ge–
geweer, geschut
–ing
koppeling, overbrenging, versnelling
–er
blikopener, kurkentrekker, grijper,
gieter
aanslibbing, aanzetting, bevlieging,
–ing
afwijking, bezinking, opwelling,
vergroeiing, schittering
aanhangsel, aanslibsel, aanzetsel,
afzetsel, jeuksel, letsel, overblijfsel,
Ergatiefobject
–sel
schijnsel, stuifsel, uitspansel,
uitsteeksel, voortvloeisel,
verschijnsel, (be)zinksel
stam
(aan)groei, bloei, schijn
ge–
gevolg, gewas, gewelf
Tabel 5: Semantische rollen en voorbeeldwoorden op basis van Devos (1990), Taeldeman (1990) en De
Caluwe (1992)
37
De eigenschappen van het grondwerkwoord spelen dus een belangrijke rol voor de indeling die
Devos (1990) en Taeldeman (1990) maken: woorden voor inanimate entiteiten komen terecht in de
categorie Instrument als de basis van de afleiding een agentief subject oproept, maar als het om een
intransitief werkwoord gaat dat een niet-agentief subject oproept, worden ze bij de Ergatiefobjecten
geplaatst (vergelijk Devos 1990:33). Die indeling creëert de voorstelling dat de agentieve handeling
nooit uitgaat van de inanimate entiteit zelf: die inanimate entiteit is maar een instrument dat door
iemand wordt gebruikt om die agentieve handeling uit te voeren.
Bij de indeling die Devos (1990) en Taeldeman (1990) maken, kunnen we ons echter vragen stellen.
Een eerste probleem is dat het niet terecht is om al die inanimate deverbatieven die afgeleid zijn van
een niet-ergatief werkwoord voor te stellen als instrumenten: in sommige gevallen is het namelijk erg
verleidelijk om te zeggen dat de inanimate entiteit niet het instrument is waarmee de handeling
wordt uitgevoerd, maar wel de entiteit is waarvan de handeling uitgaat. De versnelling van een auto
lijkt bijvoorbeeld veeleer het systeem te zijn dat de auto versnelt dan een instrument dat je gebruikt
om de auto te versnellen. Ook Booij (1986:509-511) had bij zijn bespreking van nomina op –er naar
voren geschoven dat er een extra categorie Onpersoonlijk Agens onderscheiden moet worden naast
de Instrument-categorie. In die categorie Onpersoonlijk Agens horen inanimate entiteiten thuis die
zélf agentiviteit hebben, zoals de woorden in (36) die overgenomen werden uit Booij (1986:510).
(36) zender
(tv-station),
borstelhouder,
(zelf)binder,
blaffer,
klinker,
(marine)jager,
(zelf)vernietiger,
urineleider,
vlieger,
(zelf)ontspanner,
blindganger,
zoemer,
wijzer,
rookmelder
Het onderscheid tussen Onpersoonlijk Agens en Instrument-materieel is echter in hoge mate
subjectief bij Booij (1986:510): hij noemt bijvoorbeeld rookmelder een Onpersoonlijk Agens omdat
dat een “automatic device” is, maar plaatst toerenteller dan weer binnen de categorie Instrument.
Nochtans lijkt een toerenteller niet minder zelfstandig toeren te tellen dan een rookmelder
zelfstandig rook meldt. Buitentalige veranderingen zouden er zo bovendien ook voor kunnen zorgen
dat een bepaald woord tot een andere categorie gaat behoren: met de uitvinding van de
automatische blikopener bijvoorbeeld zou het woord blikopener toch moeten verspringen van de
categorie Instrument-materiaal naar de categorie Onpersoonlijk Agens?
Met de categorieën Onpersoonlijk Agens en Instrument wordt een indeling gemaakt die eigenlijk
maar moeilijk valt te maken. We kunnen enerzijds woorden onderscheiden die inanimate entiteiten
benoemen die duidelijk zelf de werking van het werkwoord uitvoeren (bijvoorbeeld zelfontspanner)
en anderzijds inanimate entiteiten die duidelijk als instrument worden gebruikt en dus eerder een
‘ondersteunende werking’ hebben (bijvoorbeeld behang). Daartussen bevindt zich echter een grijze
zone met woorden die inanimate entiteiten benoemen waarvoor niet goed uit te maken valt of ze
zelfstandig de werking uitvoeren dan wel of ze slechts een instrument zijn en alleen een
‘ondersteunende werking’ hebben. Die ambiguïteit wordt mede veroorzaakt doordat die woorden
vaak meerdere syntactische parafrases toelaten: omhulsel kan bijvoorbeeld geparafraseerd worden
als ‘datgene wat iets omhult’, maar ook als ‘datgene waarmee je iets omhult’.
38
Een tweede probleem situeert zich binnen de Instrument-categorie, waar er een twijfelachtige
opsplitsing
tussen
Instrument-materieel
en
Instrument-materiaal
wordt
gemaakt.
De
materieelcategorie is semantisch vrij coherent en bevat alleen werktuigen en zaken met een
mechanische werking, maar in de materiaalcategorie is de semantische samenhang zoek. De
materiaalcategorie lijkt vooral een restcategorie te zijn die alles bevat wat niet goed in de
materieelcategorie past: niet alleen stofnamen komen erin voor (bijvoorbeeld smeersel en
ontstopper), maar ook namen voor concrete dingen (bijvoorbeeld afsluiting, slot) en verzamelnamen
(bijvoorbeeld geschut). Taeldeman (1990:87) voegt zelfs “afleidingen van illocutionaire
werkwoorden”, zoals aanmoediging, bedanking en belediging aan diezelfde categorie toe. Die grote
heterogeniteit maakt het moeilijk om de verhoudingen tussen de woordvormingsprocedés binnen
die categorie na te gaan.
Het onderscheid tussen Onpersoonlijk Agens en Instrument valt dus niet altijd goed te maken.
Binnen de categorie Instrument is de indeling in benamingen voor Materiaal en Materieel bovendien
twijfelachtig. De concepten die Booij (1986), Taeldeman (1990) en Devos (1990) gebruiken, zijn dus
voor discussie vatbaar en vormen maar een wankele basis voor onomasiologisch onderzoek. Wij
heffen daarom in eerste instantie het onderscheid op tussen de categorieën Onpersoonlijk Agens,
Instrument-materiaal en Instrument-materieel. Ook het onderscheid met de Ergatiefobjecten laten
wij vallen, omdat we het voor ons onderzoek niet relevant achten om een onderscheid te maken
tussen namen voor inanimate entiteiten met werking die afgeleid zijn van een ergatief werkwoord en
namen voor diezelfde entiteiten die afgeleid zijn van een niet-ergatief werkwoord.
In de volgende paragraaf bespreken we de belangrijkste woordvormingsprocedés die volgens Booij
(1986), Taeldeman (1990) en Devos (1990) werkzaam zijn binnen de categorieën Onpersoonlijk
Agens, Instrument en Ergatiefobject. Bij de bespreking van elk van die procedés wordt dan telkens
een lijst van voorbeeldwoorden opgesteld die geïnterpreteerd zouden kunnen worden alsof ze
binnen een van die drie categorieën vallen. Als we ervan uitgaan dat die drie categorieën alle
entiteiten met (al dan niet ondersteunende) werking omvatten, worden op die manier worden
woorden verzameld die dat concept benoemen. Om grip te krijgen op de verhoudingen tussen de
woordvormingsprocedés binnen die verzameling woorden, zullen we in 3.2.3 groepjes van woorden
onderscheiden die semantisch samenhangen eerder dan een indeling te maken op basis van de (erg
abstracte) semantische rollen uit syntactisch onderzoek.
3.2.2 Afbakening van de woordvormingsprocedés
De vier
belangrijkste woordvormingsprocedés die namen vormen voor de semantische rollen
Onpersoonlijk Agens, Instrument en Ergatiefobject zijn suffigering met –er, –sel en –ing en de
vorming van stamwoorden (vergelijk tabel 5). Voor elk van die procedés wordt aangegeven of het
rechtstreeks namen voor inanimate entiteiten met (ondersteunende) werking vormt dan wel of dat
indirect verloopt via betekenisontwikkelingen, en er wordt ook telkens aangegeven of er woorden
met dat woordvormingsprocedé gevormd zijn die ambigu zijn tussen een interpretatie als animate
entiteit met (ondersteunende) werking en een andere interpretatie.
39
3.2.2.1 Suffix –er
In 3.1.2.1 werd al aangegeven dat –er kan worden gebruikt om animate entiteiten met werking te
benoemen. Uit volgende lijst blijkt dat –er ook namen vormt voor inanimate entiteiten met
(ondersteunende) werking:32
(37) aanaarder, aanhouder, aanjager (“zuigperspomp”), baggeraar (“baggerbedrijf”), beeldenaar
(“stempel”), begeleider (“satelliet”), cateraar (“cateringbedrijf”), daler, damper (“pijp”),
deler, demper, druppelaar, duikelaar, evenaar, flitser, geleider, gelijkmaker, haalder
(“haaltouw”), hakker (“hakijzer”), hakselaar, hanger, harder (“product dat hardt”), inhaker,
inhaler (“touw om een voorwerp mee aan boord te halen”), jager (“schip”), jasser
(“aardappelschilmesje”), kaarder (“trommel van een kaardmachine”), kapper, kauwer
(“breeuwijzer”), kietelaar, lader, lezer, maaier, maalder, magnetiseerder, moordenaar
(“werktuig om muurvast zittende moeren van de bouten te verwijderen”), nabloeier,
nabrander, nakomer (“springlading die te laat ontploft”), omroller, omschakelaar, omvormer,
omzetter, ontwikkelaar, passer, piemelaar, rager, rammelaar, rasper (“rasp”), ratelaar,
regelaar, rekenaar, samentrekker, schakelaar, schamper (“schampschot”), schimmelaar
(“schimmelkaas”), schommelaar (“halfbolvormig houten bakje”), taster, tegenvaller, teller,
toeteraar, uitbijter, uitbrander, uitbrenger (“sleepboot”), vaarder (“vaartuig”), vanger,
vastloper (“vastgelopen motor”), veger (“bezem”), veredelaar (“veredelingsbedrijf”),
vernevelaar, waaier, wachter (“satelliet”), wadloper (“zeker treintype, ingezet op de lijnen
zonder bovenleiding van en naar de Wadden”), waker (“hulpmiddel dat het aanbijten van vis
registreert”), warmloper (“te warm geworden machineonderdeel”), weergever, weigeraar
(“stuk vuurwerk dat niet werkt”), wisselaar, woekeraar, zager, zakker (“golving in een
verflaag veroorzaak door zakken”), zandstraler, zapper, zeiler, zender
Het suffix –er kan nu dus wel worden gebruikt om zaaknamen te vormen, maar vroeger was het
domein van die woordvormingsregel waarschijnlijk minder uitgebreid. Het suffix is namelijk ontstaan
op basis van het Latijnse suffix –arius (EWN), een suffix waarmee substantieven werden gevormd om
personen te benoemen (Meibauer et al. 2004:157).
Hoe die uitbreiding naar inanimate entiteiten is verlopen, is niet helemaal zeker. Rainer (2005a:424)
laat zien dat er twee scenario’s denkbaar zijn om dezelfde betekenisuitbreiding bij het Italiaanse –
tore te verklaren. Het eerste scenario sluit aan bij de theorie die in 1.2.2.2 al werd uiteengezet: een
aantal deverbale persoonsnamen (nomina agentis) op –tore zou metaforisch gebruikt zijn om te
verwijzen naar het instrument (een inanimate entiteit) waarmee de handeling van het werkwoord
wordt uitgevoerd. Naar analogie met die bestaande woorden zouden dan nieuwe instrumentnamen
32
Bij deze voorbeeldwoorden in (37-40) zullen we op basis van Van Dale (2014) tussen haakjes een (verkorte)
betekenisomschrijving geven wanneer het niet helemaal duidelijk is hoe een woord geïnterpreteerd kan
worden als een inanimate entiteit met (ondersteunende) werking. Ook wanneer we verderop in deze thesis
tussen haakjes betekenisomschrijvingen geven bij voorbeeldwoorden, zijn die betekenisomschrijvingen steeds
ontleend aan Van Dale (2014). De groepjes voorbeeldwoorden in (37-40) werden samengesteld op basis van de
lijsten in bijlage 3, 4, 7, 8 en 10.
40
op –tore kunnen worden gevormd. Toch is er nog een ander scenario denkbaar, dat door Rainer
(2005a:424) approximation wordt genoemd en in Rainer (2005b:23) als volgt wordt omschreven:
Contrary to this position, where all cases of semantic change in word-formation are seen as
the result of lexical semantic change in individual complex words followed by reinterpretation,
I argue that semantic change in word-formation may also occur at the very moment of the
creation of a neologism, without the mediation of lexical-semantic change. In such cases, the
coiner of a neologism uses a word-formation pattern in an approximate way, hence the term
approximation I have chosen to refer to this mechanism. The deviance between pattern and
neologism is generally bridged by metaphor or metonymy, which in this instance apply to
patterns of word-formation and not to single complex words.
In dat geval zou het dus niet zo zijn dat bestaande persoonsnamen op –tore een (metaforische)
betekenisuitbreiding naar een zaaknaam kennen, maar het woordvormingsprocedé zou zelf
metaforisch worden toegepast: het procedé wordt niet gebruikt om een nomen agentis te vormen,
maar metaforisch om een instrumentnaam te vormen (Rainer 2005a:424). Dat lijkt ook te zijn wat
Schönfeld (1970:240) in gedachten heeft, wanneer hij stelt dat –er “[s]ecundair (…) zaaknamen
[vormt], oorspronkelijk doordat men daarin ook het begrip van agens voelde.” Bij de bespreking
verderop zal duidelijk worden dat –er zijn benoemingsdomein steeds verder heeft uitgebreid.
Meibauer et al. (2004) proberen ook te verklaren waarom –er die uitbreiding naar zaaknamen heeft
gekend. Zij voerden namelijk diachroon corpusonderzoek naar de vorming van woorden op –er in het
Duits en stelden vast dat –er in toenemende mate werd gebruikt voor inanimate entiteiten: terwijl in
1609 maar 0,7% van de –er-substantieven verwijst naar een inanimate entiteit, loopt dat in de
twintigste eeuw op tot 13,0% (Meibauer et al. 2004:169-170).33 Die toename wordt gelinkt aan een
extralinguïstische factor, namelijk “the growing need for words denoting artefacts in the ENHG [Early
New High German, AD] and NHG [New High German, AD] periods” (Meibauer et al. 2004:185).
3.2.2.2 Suffix –sel
Ook met –sel zijn woorden gevormd die inanimate entiteiten benoemen en waarbij die entiteiten
kunnen worden gezien als datgene waarvan de werking van het werkwoord uitgaat of wat die
werking ondersteunt.
(38) aanbaksel, aanbrandsel, aangroeisel, aanhangsel, aanlaadsel (“aanbaksel”) aanslibsel,
aanspoelsel, aanzetsel (“laag of korst van uit een vloeistof neergeslagen vaste stof” of
“aangroeisel”), afscheidsel (“iets dat dient om een ruimte van de aangrenzende ruimte of
twee voorwerpen van elkaar af te scheiden”), afschijnsel, afschutsel, afzetsel (“aanslag,
neerslag, bezinksel, sediment” of “middel tot afzetting van een ruimte”), bedeksel (“wat
bedekt”), behangsel, bekleedsel, belegsel (“datgene waarmee iets belegd wordt, m.n. aan
hout- en meubelwerk tot opsiering”), beletsel (“wat de voortgang in eigenlijke of figuurlijke
33
Merk wel op dat Meibauer et al (2004:166) voor die cijfers deverbale en denominale substantieven op –er
samennemen.
41
zin hindert”), beschutsel (“middel tot beschutting”), bezetsel, bezinksel, bindsel (“dat wat
bindt of wat dient om te binden”), bloeisel, boensel, boordsel (“lint of koord waarmee men
boordt”), bruineersel, deksel, droogsel, emailleersel, foeliesel, garneersel, geelsel, gewelfsel,
glazuursel, grimeersel, groeisel, groensel (“iets om groen mee te verven”), hechtsel (“dat
waarmee iets, m.n. een wond, wordt gehecht”), hulsel, inkruipsel (“ingeslopen misbruik”),
inlegsel (“wat ingelegd is” of “wat gebruikt is om schrijnwerk enz. in te leggen”), insluipsel
(“ingeslopen misbruik, gewoonte”), klaarsel, kleedsel, kleursel, laksel, lardeersel, letsel,
lijmsel, loksel, ombindsel, omhangsel, omwindsel, onderblijfsel, onderkruipsel, onderlegsel,
onderzetsel, oplegsel, opnaaisel, optooisel, overblijfsel, oversteeksel (“wat over iets anders
heen steekt”), overtreksel, overwelfsel, papsel, plaksel, plamuursel, plombeersel, politoersel,
roodsel,
schijnsel,
schoeisel,
schutsel,
schuursel
(“schuurgoed”),
siersel,
slijpsel
(“slijppoeder”), smeersel, soldeersel, spoelsel (“spoeldrank”), spooksel, spruitsel, sterksel
(“pap van aardappelzetmeel enz. waarmee garen gesterkt wordt”), stijfsel, stopsel, stuifsel,
stutsel, tooisel, uitgroeisel, uitvloeisel, verguldsel, verhoogsel (“verhoogstuk”), verlaksel,
verlengsel,
verschijnsel,
versiersel,
verwelfsel,
voedsel,
voegsel,
voorbehoedsel,
voortvloeisel, vulsel (“al wat dient om te vullen (m.n. haar, wol, enz.)”), welfsel, windsel,
witsel, woelsel (“hetgeen men om iets woelt”), zaksel, zetsel, zwartsel, zweemsel (“hetgeen
zweemt”), zwiersel (“wat zwiert, zwierend uiteinde”)
Over het suffix –sel melden verschillende bronnen (EWN; Schönfeld 1970:235-236; WNT) dat het nog
niet erg frequent voorkwam in de Middelnederlandse periode, maar dat het vooral in de zestiende
eeuw populair werd dankzij de rederijkers. Het WNT merkt evenwel op dat de woorden op –sel die
nu nog frequent worden gebruikt, meestal niet afkomstig zijn van de rederijkers.
Wat de betekenis betreft, schrijft de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) dat substantieven op
-sel “een voorwerp aanduiden dat gebruikt wordt bij of het resultaat is van de door het grondwoord
genoemde handeling” en verder ook dat “[i]n het laatste geval (…) een aantal afleidingen ook als
stofnaam gebruikt [kunnen] worden (bijv. stijfsel, verguldsel)” (Haeseryn et al. 1997:par.
12.3.1.4.v.7).34 Met andere woorden, voor sommige woorden geldt dat ze zowel het resultaat van de
handeling kunnen benoemen als datgene waarmee de handeling wordt uitgevoerd. Niet alleen de
woorden op –sel die zijn afgeleid van handelingswerkwoorden hebben zo’n resultatief
betekenisaspect, maar ook bij woorden als bezinksel, inkruipsel, overblijfsel en uitvloeisel is zo’n
resultaatsbetekenis aanwezig. Het WNT merkt namelijk voor die woorden op dat ze “een subject
noemen, dat na de handeling als resultaat voortbestaat.” Ook bij de woorden in (38) is vaak die
ambiguïteit met een resultaatsbetekenis aanwezig: is een aanspoelsel bijvoorbeeld ‘iets wat
aanspoelt’ of ‘iets wat het resultaat is van het aanspoelen’?
34
Bij stijfsel liggen die twee interpretaties misschien minder voor de hand dan bij verguldsel. Volgens Van Dale
(2014) wordt de benaming stijfsel echter zowel gebruikt voor “afgezonderd zetmeel” als voor de “geleiachtige
massa die ontstaat door het laten zwellen van [datzelfde, AD] zetmeel.”
42
3.2.2.3 Suffix –ing
Een derde deverbaal woordvormingsprocedé waarmee woorden zijn gevormd die kunnen verwijzen
naar een inanimate entiteit met (ondersteunende) werking, is suffigering met –ing. In (39) staan een
aantal –ing-woorden opgesomd waarbij zo’n interpretatie mogelijk is.
(39) aanbeveling,
aandrijving,
aanduiding,
aanfluiting,
aangroeiing,
beademing
(“beademingstoestel”), beantwoording, bebakening, bebording, bebouwing, bedanking,
bedekking, dagvaarding, daling, datering, dekking, financiering, fonkeling, fundering,
garnering, geleiding, hamering (“hamerend gevoel”), hechting (“hechtdraad, hechtsel”),
hekeling, helling, indeling, kabbeling (“kabbelend watervlak”), kennisgeving, kering, lading
(“hoeveelheid kruit waarmee een vuurwapen of vuurmond geladen wordt”), lastering,
leiding, machtiging, markering, maskering, mededeling, namaning, omgeving, omheining,
omkadering, omkleding, omlegging, omleiding, omlijsting, pantsering (“de gezamenlijke
pantserplaten”), papping, persing (“kramp”), pikettering, rafeling, rangschikking, rastering,
rechtzetting, uitbeelding (“vorm waarin iets onstoffelijks waarneembaar wordt gemaakt”),
uitbotting, uitdaging, vatting (“datgene waarin iets gevat is”), verankering, waarschuwing,
zegening, zinspeling
Het suffix –ing vormt eigenlijk primair nomina actionis (Schönfeld 1970:209). Karakteristiek voor de
nomina op –ing is echter dat zij heel wat metonymische betekenisuitbreidingen kennen (Booij & Van
Santen 1998:135-138; EWN). Nomina als leiding en voeding vormen daar een illustratie van: leiding
kan bijvoorbeeld niet enkel betekenen ‘het leiden’, maar ook ‘datgene wat leidt’, voeding betekent
dan weer niet alleen ‘het voeden’, maar verwijst ook naar datgene waarmee je je voedt.
Devos (1986:96) had al opgemerkt dat het overigens vaak niet makkelijk is om nomina op –ing in een
welbepaalde categorie onder te brengen: net als bij de nomina op –sel uit 3.2.2.2 is het namelijk ook
voor de nomina op –ing zo dat de instrument- en de resultaatbetekenis soms erg dicht bij elkaar
liggen. Zo noemt Devos (1986:96) bijvoorbeeld het woord vulling. Dat woord heeft volgens hem een
instrumentbetekenis
(‘datgene
waarmee
een
tand
gevuld
is’),
maar
doordat
de
betekenisomschrijving een perfectief aspect bevat, staat het volgens hem ook dicht bij de
resultaatsbetekenis (waarbij vulling dan het resultaat van het vullen zou zijn). Bovendien zijn er
volgens Devos (1986:75) ook –ing-nomina met een resultaatsbetekenis die eigenlijk ook een soort
van instrument zijn: de betekenis daarvan kan omschreven worden als “men produceert een middel
[E.O.] waarmee men iets of iemand Xt [instr.].” Zo’n betekenis kan aangetroffen worden in woorden
als inleiding, bepaling, versterking, versteviging, uitdaging, bewering, beschuldiging en belediging
(Devos 1986:75). Ook bij de woorden in (39) is die ambiguïteit vaak aanwezig: pantsering kan
bijvoorbeeld zowel worden opgevat als het resultaat van het pantseren en als hetgene waarmee iets
gepantserd wordt of is.
43
3.2.2.4 Stamwoorden
Als laatste categorie zijn er ook nog de substantieven die afgeleid zijn van werkwoordsstammen.
Voor een lezing als ‘inanimate entiteit met (ondersteunende) werking’, komen de nomina onder (40)
in aanmerking.
(40) aanvraag, afschrik, band, bericht, bevel, bewijs, bond, bruis, geval, gons, onderricht,
onderwijs, plamuur, rem, schep, schijn, slot, uitwas, vat, verband, verbond, verlet, verslag,
verwijt
In deze scriptie zullen we de woorden onder (40) onder dezelfde noemer vatten, maar op formeel
vlak zijn niet al die substantieven van hetzelfde type. Enerzijds zijn er substantieven die een
vormverandering ondergaan hebben ten opzichte van de stam van het werkwoord waarvan ze zijn
afgeleid, zoals band, bond, slot, verband, verbond en verslag, die gerelateerd zijn aan respectievelijk
binden, sluiten, verbinden en verslaan. Anderzijds zijn er die substantieven die afgeleid zijn van het
werkwoord door impliciete transpositie, zoals schep en verwijt uit scheppen en verwijten. Naar die
laatste groep van substantieven verwijst Schönfeld (1970:204) met de term nomina postverbalia, het
zijn “naamwoorden, die de schijn wekken, alsof ze de grondwoorden van de werkwoorden zijn,
terwijl ze in werkelijkheid ervan gevormd zijn.” Met die term wijst Schönfeld (1970:204) erop dat we
moeten opletten dat er een verschil is tussen dergelijke deverbale nomina en nomina die de basis
vormen voor denominatieve werkwoorden. De verhouding tussen bijvoorbeeld vallen en val
enerzijds en werken en werk anderzijds lijkt namelijk dezelfde te zijn, maar toch is er een verschil:
terwijl val van vallen is afgeleid, is werken van werk afgeleid (EWN).
Op semantisch vlak zijn deze woorden ietwat moeilijk te karakteriseren. Terwijl Schönfeld (1970:204)
ze nomina actionis noemt, laat de ANS zien dat er meerdere mogelijkheden zijn. Haeseryn et al.
(1997:par.12.3.1.2.2.c) stellen namelijk dat
[h]eel wat van de volgens dit procédé gevormde substantieven (…) behalve als nomen actionis
ook als concreet substantief kunnen voorkomen, bijv. aanplant, afwas, inleg, omloop,
overloop, overstap (gewoonlijk als diminutivum: een overstapje), uitlaat. Andere komen
uitsluitend voor als concretum of als abstractum dat het resultaat van een handeling of
werking noemt, bijv. afstap(je), indruk, nasleep, omroep, onderbouw, opstoot(je), overdruk,
uitdraai (van een computer).
Er zijn dus eigenlijk drie verschillende types volgens de ANS: (i) stamwoorden met enkel nomenactionisbetekenis, (ii) stamwoorden met zowel een nomen-actionisbetekenis als een andere
betekenis en (iii) stamwoorden die enkel een andere betekenis hebben en geen handelingsbetekenis.
Hoe aan nieuwgevormde stamwoorden een betekenis wordt toegekend, is niet helemaal duidelijk:
voor een woord als schep geeft het MNW bijvoorbeeld enkel de betekenis ‘werktuig om te scheppen’
(MNW), maar de betekenis ‘radiobedrijf’ van omroep lijkt zich dan weer te hebben ontwikkeld uit de
oorspronkelijke nomen-actionisbetekenis van dat woord (WNT). Ook in de literatuur die voor deze
scriptie werd geraadpleegd, wordt geen aandacht besteed aan die betekenistoekenning.
44
3.2.3 Semantische groepering
Om grip te krijgen op de verhoudingen tussen de woordvormingsprocedés, willen we de woorden in
(37) tot (40) niet indelen in de abstracte semantische rollen, maar willen we de
woordvormingsprocedés bespreken binnen een aantal semantische categorieën. In (37) tot (40)
kunnen namelijk groepjes van woorden worden afgebakend die semantisch samenhangen, die naar
eenzelfde soort entiteiten in de buitentalige werkelijkheid verwijzen. Binnen de groep van –erwoorden zijn er bijvoorbeeld een aantal –er-woorden die chemische stoffen noemen, namelijk
ontwikkelaar en harder. Zulke stoffen worden ook bij andere morfologische types aangetroffen,
bijvoorbeeld bij de nomina op –sel (bijvoorbeeld papsel, plaksel, plamuursel), de stamwoorden
(bijvoorbeeld plamuur) en ook bij de nomina op –ing (bijvoorbeeld het gewestelijke papping). Vijf
van dergelijke categorieën zullen worden besproken:

machines/installaties/mechanismen en werktuigen

stoffen

decoratie- en bouwmateriaal

taalhandelingen

afzettingen en termen uit de plantenwereld
Het lijkt interessant om de woordvormingsprocedés binnen zulke semantische categorieën te
bespreken. Als woordvorming immers, zoals Hüning (2009) en Van Santen (2010) aangeven, vooral
een paradigmatisch proces is dat gestuurd wordt door betekenis, valt het te verwachten dat
gelijkaardige entiteiten qua (verhouding tussen de) benoemingsprocedés gelijkaardige tendenzen
vertonen. De groepen van woorden die we onderscheiden, zijn groepen van woorden die verwijzen
naar entiteiten die we op eenzelfde manier beleven en die met andere woorden tot eenzelfde
belevingsdomein eerder dan eenzelfde werkelijkheidsdomein behoren. In de werkelijkheid liggen
stoffen en bouwmaterialen bijvoorbeeld dicht bij elkaar, maar toch beleven we bepaalde entiteiten
eerder als stoffen dan als bouwmateriaal, zodat die entiteiten zich conformeren aan de
benoemingsprocedés die ook voor andere stoffen worden gebruikt.
We zullen niet alleen nagaan hoe de woordvormingsprocedés zich binnen die groepjes verhouden
(hoe verhouden ze zich tot elkaar binnen eenzelfde semantische categorie?), maar tegelijk ook hoe
ze zich tussen de groepjes tot elkaar verhouden (hoe ver reikt het benoemingsbereik van een
woordvormingsprocedé?). Hoe de categorieën precies gedefinieerd worden en welke woorden ertoe
behoren, zal telkens aangegeven worden wanneer we de bespreking van die categorie aanvatten.
Het is belangrijk om op te merken dat het niet de bedoeling is om alle woorden uit (37) tot (40) in
een van deze categorieën onder te brengen: de categorieën moeten eerder worden opgevat als een
heuristisch middel om zicht te krijgen op de verhoudingen tussen de woordvormingsprocedés binnen
een zeer breed concept als ‘inanimate entiteit met (ondersteunende) werking’. Meerdere keren zal
blijken dat de grenzen ook tussen deze semantische categorieën niet altijd scherp kunnen worden
getrokken. Zulke semantische categorieën hebben het voordeel dat er geen nood is aan de
syntactische parafrases, die wel een rol speelden bij de categorisering op basis van semantische
45
rollen: er zijn (en blijven) nu eenmaal meerdere syntactische parafrases voor bepaalde woorden en
dus is het beter dat we onze morfologische analyse niet op die wankele basis hoeven te grondvesten.
46
3.2.4 Machines/installaties/mechanismen en werktuigen
In deze categorie worden woorden besproken die machines/installaties/mechanismen en werktuigen
benoemen.35 Volgende woorden kunnen tot die categorie worden gerekend:36
(41)–ing-woorden: aandrijving, beademing, besturing, geleiding (“toestel waarlangs een
bewegend deel van een werktuig in de juiste richting wordt voortbewogen”), koppeling,
overbrenging, (rits)sluiting, verwarming, waterkering
-er-woorden: aanaarder, aanjager, demper, druppelaar, flitser, hakselaar, jasser, lader, lezer,
maaier, maalder, magnetiseerder, omroller, omschakelaar, omvormer, omzetter, passer,
rager, rasper, regelaar, rekenaar, schakelaar, taster, teller, toeteraar, veger, vernevelaar,
waaier, weergever, wisselaar, zager, zandstraler, zapper, zender
stamwoorden: rem, schep, slot
3.2.4.1 –ing versus –er
Vooral de suffixen –ing en –er lijken van belang te zijn in deze categorie. Over de verhouding tussen –
ing- en –er-woorden binnen de categorie Instrument-materieel merkte Devos (1990:30) op dat er
een verschil op denotatief vlak is: sluiting en sluiter kunnen bijvoorbeeld naast elkaar bestaan omdat
ze naar verschillende zaken verwijzen. Sluiter is namelijk een term uit de fotografie, terwijl sluiting
onder andere in ritssluiting wordt gebruikt. Als er tussen –ing- en –er-woorden een betekenisverschil
is, roept dat natuurlijk de vraag op of er dan misschien een algemeen patroon zit in dat
betekenisverschil.
Een eerste aanwijzing voor zo’n algemeen patroon vinden we bij Devos (1986:97), die stelt dat
versnelling en versneller enerzijds en overbrenging en overbrenger anderzijds zich op dezelfde manier
tot elkaar verhouden: de –ing-woorden benoemen een mechanisme, terwijl de –er-woorden
concretere instrumentalissen zijn. Versnelling verwijst bijvoorbeeld naar de schakelinrichting, terwijl
versneller kan slaan op het “toestel om kerndeeltjes te versnellen” of de “tweede trekker aan een
vuurwapen” (Van Dale 1984:3185, zoals geciteerd in Devos 1990:30). Dat sluit aan bij wat De Caluwe
(1994:243-245) schreef over de verhouding tussen beide suffixen in het algemeen, namelijk dat “de
keuze tussen –er of -ing grotendeels volgens semantische criteria [verloopt] die voortvloeien uit de
kenmerken van de prototypische betekeniscategorieën voor de suffixen in kwestie.” Met –er wordt
prototypisch een Agens benoemd, zodat dat suffix wordt geassocieerd met de kenmerken “MENSELIJK,
LEVEND, CONCREET, MANIPULEERBAAR, DYNAMISCH, DESTINATIEF,
enz.”, terwijl –ing prototypisch nomina
actionis vormt, zodat nomina met dat suffix vaak kenmerken hebben als “NIET MENSELIJK/LEVEND,
35
Deze categorie komt qua semantiek dus overeen met de categorie Instrument-materieel die onder andere
Devos (1990) en Taeldeman (1990) onderscheiden. Booij (1986) had tussen de categorie Agens en Instrument
nog een categorie Onpersoonlijk Agens onderscheiden, maar aangezien dat onderscheid voor discussie vatbaar
is (zie supra), willen we het hier niet maken.
36
Nadat de semantische categorieën werden afgebakend, werd nog gezocht naar andere woorden die ook
binnen die categorieën pasten, maar die niet opgenomen zijn in de lijsten in bijlage. Gecursiveerde
voorbeeldwoorden in (41), (42), (49), (55), (58) zijn niet afkomstig uit de lijsten in de bijlage, maar zijn ofwel
afkomstig uit de semasiologische literatuur of zijn eigen toevoegingen.
47
ABSTRACT/WEINIG CONCREET, NIET OF NAUWELIJKS MANIPULEERBAAR, STATISCH, (IM)PERFECTIEF,
enz.” (De Caluwe
1994:243). Ook volgens De Caluwe (1994) is het onderscheid tussen –er en –ing dus vooral een
onderscheid tussen concrete en abstracte entiteiten.
Hoewel De Caluwe (1994:243) spreekt over “de keuze tussen –er of –ing”, is het niet helemaal zeker
of er bij het benoemen van werktuigen of machines met –er en –ing wel sprake is van dezelfde
operatie. Benoeming met –er is een voorbeeld van wat Koefoed (1991) een tweevlakkige
morfologische operatie noemt. Door approximation (zie 3.2.2.1) is suffigeren met –er een
woordvormingsprocedé geworden waarmee rechtstreeks werktuigen en machines kunnen worden
benoemd. Bij benoeming met –ing is er misschien eerder sprake van een eenvlakkige semantische
operatie: het suffix vormt nomina actionis die door metonymische betekenisontwikkelingen een
interpretatie als werktuig of machine krijgen. Het is echter niet helemaal zeker of alle nomina op –ing
die verwijzen naar werktuigen of machines die betekenisontwikkeling hebben ondergaan. Het is goed
mogelijk dat een aantal nomina op -ing rechtstreeks gevormd zijn om werktuigen of machines te
benoemen, analoog aan de reeds bestaande –ing-nomina die via betekenisuitbreiding naar dergelijke
entiteiten zijn gaan verwijzen. In dat geval zou er dus sprake zijn van semantic fragmentation van het
woordvormingsprocedé (vergelijk de bespreking van Rainer 2003 in 1.2.2.2). Het is moeilijk uit te
maken hoe die ontwikkeling precies verlopen is en waarschijnlijk is het dan ook beter om de
problematiek te laten bestaan en te beschrijven dan om een oplossing naar voren te willen schuiven.
In ieder geval is het wel zo dat – zoals De Caluwe (1994:243) vaststelt - de procedés kenmerken
overnemen van de categorieën waarmee ze prototypisch worden geassocieerd: -er neemt
kenmerken over van wat historisch gezien zijn oorspronkelijk benoemingsdomein was (nomina
agentis), terwijl namen voor machines of werktuigen op –ing kenmerken meenemen van de nomenactionisbetekenis die sterk met die woorden geassocieerd wordt.
Nomina actionis op –ing noemen de handeling of werking van het werkwoord en hebben dus een vrij
abstracte betekenis. Die abstractere betekenis blijft ook aanwezig als die –ing-woorden worden
gebruikt om machines aan te duiden: bij de nomina op –ing in (41) gaat het steeds om entiteiten die
niet helemaal ‘aflijnbaar’ zijn (vergelijk De Caluwe 1994:243; Devos 1986:97). Voor het woord
verwarming geeft Van Dale (2014) bijvoorbeeld “installatie voor het verwarmen” als
betekenismogelijkheid en het synoniem van overbrenging, namelijk transmissie, omschrijft het
woordenboek als “geheel van de machinedelen, toestellen die kracht of beweging overbrengen op
werktuigen of gereedschappen.” Wanneer woorden op –ing dus verwijzen naar een machine, gaat
het veeleer om een systeem of een installatie dan om een concreet toestel. Door die abstractere
systeembetekenis verwijzen woorden op –ing ook vaak niet naar iets wat op zichzelf staat, maar
naar wat een functie vervult binnen een groter geheel. De aandrijving, besturing, koppeling en
overbrenging zijn bijvoorbeeld allemaal onderdelen van machines (bijvoorbeeld een auto); het zijn
systemen of mechanismen die een functie hebben binnen het geheel waarvan ze deel uitmaken.
Nomina op –er daarentegen verwijzen wél naar entiteiten die aflijnbaar zijn (vergelijk De Caluwe
1994:243; Devos 1986:97). Dat wordt ook duidelijk als we afleidingen van eenzelfde werkwoord op –
ing en op –er als namen voor machines naast elkaar zetten. Devos (1986: 87) wees al op de
48
woordenparen versnelling-versneller en overbrenging-overbrenger. Versnelling en overbrenging
wijzen beiden op mechanismen, maar bij versneller en overbrenger gaat het om geïndividueerde
entiteiten: een deeltjesversneller is dan wel een complex iets, maar in tegenstelling tot de versnelling
is het geen mechanisme. Net zo verwijst overbrenging naar een systeem, terwijl overbrenger verwijst
naar een nauwkeurig af te bakenen onderdeel van een systeem (namelijk het “rad dat de
beweegkracht van het ene wiel op het andere overbrengt” (Van Dale 1976, zoals geciteerd in Devos
1986:87)). Dat nomina op –ing verwijzen naar entiteiten die wat minder goed ‘af te lijnen’ zijn, blijkt
ook uit het feit dat ze minder makkelijk in het meervoud gezet kunnen worden dan nomina op -er:
naast overbrenger kun je bijvoorbeeld makkelijk overbrengers vormen, maar overbrengingen naast
overbrenging klinkt toch een heel stuk stroever.
Het
suffix –er neemt zijn eigenschappen waarschijnlijk mee
uit zijn oorspronkelijke
benoemingsdomein: oorspronkelijk vormde het suffix namelijk nomina agentis (De Caluwe 1994:243;
Schönfeld 1970:213). De ANS omschrijft een nomen agentis als een benaming voor de “persoon die
de door het werkwoord genoemde handeling verricht” (Haeseryn et al. 1997:par.12.3.1.4.iii.1).
Behalve het kenmerk [+ menselijk] heeft het suffix dus al zijn kenmerken behouden als het machines
of werktuigen benoemt. Schematisch voorgesteld:
nomina agentis
machines/werktuigen
[+ menselijk]
[- menselijk]
[+ telbaar]
[+ telbaar]
[+ concreet]
[+ concreet]
[+ agentief]
[+ agentief]
Tabel 6: Uitbreiding benoemingsmogelijkheden –er (1)
3.2.4.2 Stamwoorden
Er werd ook een klein aantal voorbeelden gevonden van stamwoorden die naar een werktuig of een
mechanisme verwijzen. Slot is een vorm met ablaut, daarnaast kunnen ook de woorden schep en rem
verwijzen naar een werktuig of mechanisme. Nu rijst natuurlijk de vraag hoe die woorden zich
verhouden ten opzichte van namen voor werktuigen met –er of –ing.
In zijn onomasiologisch onderzoek ontmoet Taeldeman ook weleens stamwoorden: zowel voor
stamwoorden die het product van een handeling benoemen (bv. druk, ets, plooi, vlecht), als voor
stamwoorden die nomina actionis zijn (bv. dronk, duw, gil) en stamwoorden die instrumentmateriaal benoemen (bv. behang), geldt dan volgens hem dat ze een neutrale connotatie hebben en
dat het de producten zijn van een woordvormingsregel die niet langer productief is (Taeldeman
1985:46, 1985:59, 1990:86).
Nu zou dat laatste element een rol kunnen spelen in de verhouding tussen de verschillende
woordvormingsprocedés. Aangezien het hier volgens Taeldeman gaat om een woordvormingsregel
die improductief geworden is, zouden we immers kunnen denken dat woorden als schep en rem
ontstaan zijn voordat andere woordvormingsregels actief waren binnen deze betekeniscategorie. Dat
kan echter niet het geval zijn. Ten eerste is het eigenlijk niet zeker of dit woordvormingsprocedé wel
49
improductief is: Taeldeman (1985, 1990) mag dan wel stellen dat dat het geval is, volgens de ANS is
het procedé om van werkwoordsstammen substantieven te maken wel degelijk nog steeds
productief (Haeseryn et al. 1997:par.12.3.1.2.2.a). Ten tweede waren ten tijde van de vorming van
schep en rem wél al andere woordvormingsregels actief binnen deze betekeniscategorie. Het eerste
citaat met scheppe in het MNW komt uit 1315-1330, terwijl bijvoorbeeld waaier en wijzer volgens
het VMNW al rond 1240 voor het eerst konden worden vastgesteld.
De
stamwoorden
kwamen
blijkbaar
wel
degelijk
in
het
vaarwater
van
andere
woordvormingsprocedés terecht en dus blijft de vraag hoe ze zich tot elkaar verhouden. In 3.2.4.1
konden we een en ander afleiden over de verhouding tussen –ing en –er door na te gaan wat die
suffixen prototypisch benoemen. Bij stamwoorden ligt dat echter moeilijker: zoals in 3.2.2.4 al werd
aangegeven, is het voor stamwoorden niet duidelijk wat hun primaire betekenis is en hoe betekenis
wordt toegekend aan nieuwvormingen. Het MNW omschrijft scheppe37 bijvoorbeeld als “[n]aam van
een werktuig” (MNW:“scheppeI”), maar geeft ook als betekenis “vorming, het geven van een
zekeren vorm aan iets, schepping” (MNW:“scheppeII”). Rem is volgens het WNT ontstaan uit remmen
en betekende van in het begin “[t]oestel om de beweging van een werktuig of een deel daarvan te
vertragen of te doen ophouden.” Om de betekenistoekenning en de vorming van die woorden te
verklaren, kan misschien analogiewerking worden ingeroepen: doordat verhoudingen als vijl-vijlen en
zaag-zagen bestonden (waarbij het werkwoord echter afgeleid is van de naam voor het werktuig),
werd naast scheppen ook schep gevormd.38
Hoe de stamwoorden zich verhouden tot de andere woordvormingsprocedés, blijft dus
raadselachtig. Dat schep werd gevormd en niet schepper om een schepwerktuig te benoemen, kan
misschien toegeschreven worden aan blocking: het VMNW meldt namelijk dat schepper al
geattesteerd werd in 1240, maar dan als naam voor God. Mogelijk zorgde die sterke religieuze
connotatie van schepper ervoor dat de naam niet kon toegepast worden op het werktuig. Overigens
moet worden opgemerkt dat na verloop van tijd schepper wel kon worden gebruikt om te verwijzen
naar een schepwerktuig (zie MNW en WNT). Ook naast rem bestaat remmer, maar dat woord wordt
37
De eind-ə in scheppe is een niet-suffigale eind-sjwa, “het restant (…) van een ‘thematisch element’ in het
Oudgermaans” dat vandaag nog steeds wordt aangetroffen in de Vlaamse dialecten (Taeldeman & De Wulf
2010:592).
38
Vergelijk dit met 1.2.1.3, waar er al op gewezen werd dat volgens Hüning (1999:32) op basis van iedere
verhouding een nieuwvorming kan worden geproduceerd. Schönfeld (1970:204) had er overigens ook al op
gewezen dat het afslijten van suffixen er na verloop van tijd toe geleid heeft dat er geen onderscheid meer is
tussen stamwoorden die direct aansluiten bij de wortel van sterke werkwoorden enerzijds en naamwoorden
waarvan zwakke denominale werkwoorden zijn afgeleid anderzijds. Daardoor voelde men niet langer aan dat
er een verschil is tussen bijvoorbeeld de verhoudingen tussen bijt en bijten enerzijds en haat en haten
anderzijds, terwijl bijt eigenlijk een deverbaal substantief is en haten een denominaal werkwoord is (Schönfeld
1970:204). Dat had als gevolg “dat men nu niet alleen van de naamwoorden rechtstreeks werkwoorden afleidt,
maar evengoed van de werkwoorden naamwoorden door weglating van de uitgang” (Schönfeld 1970:204).
Schönfeld (1970:204) verklaart zo hoe het (vormelijke) proces kon ontstaan waarbij substantieven via
impliciete transpositie worden afgeleid van werkwoorden; door echter niet alleen de vormelijke maar ook de
semantische verhoudingen in overweging te nemen, kan misschien ook iets gezegd worden over hoe de
betekenistoekenning verloopt bij dergelijke gevallen van impliciete transpositie.
50
vooral gebruikt voor stofnamen (bijvoorbeeld in namen van geneesmiddelen: maagzuurremmer en
ontstekingsremmer). Die stofnamen op –er komen in 3.2.5 aan bod.
3.2.4.3 Suffix –sel
Om machines of werktuigen te benoemen, lijkt het suffix –sel minder geschikt te zijn. Die vaststelling
moeten we waarschijnlijk verbinden met wat Taeldeman (1990:83) al over het suffix schreef,
namelijk dat deverbatieven op –sel agentiviteit missen.
51
3.2.5 Stoffen
In dit onderdeel zal worden ingegaan op de benoeming van stoffen. De term stofnamen valt ook
weleens als substantieven worden ingedeeld op basis van hun semantiek en verwijst dan naar namen
die iets benoemen “wat naar vorm en hoeveelheid niet afgebakend is, bijv. water, bier, goud, beton,
zeep, gas” (Haeseryn et al. 1997:par. 3.2.1). In dit onderdeel definiëren we stofnamen nauwer en
beschouwen we vooral namen voor substanties en chemische stoffen als prototypisch voor deze
categorie. Volgende woorden beschouwen wij hier als stofnamen:
(42)–sel-woorden: blauwsel, boensel, bruineersel, droogsel, emailleersel, foeliesel, geelsel,
glazuursel, grimeersel, groensel, klaarsel, kleursel, laksel, lijmsel, papsel, plaksel, plamuursel,
plombeersel, polijstsel, politoersel, roodsel, slijpsel (“slijppoeder”), smeersel, soldeersel,
sterksel, stijfsel, stopsel, verguldsel, verkitsel, verlaksel, vertinsel, voedsel, voegsel, vulsel,
witsel, zwartsel
–er-woorden: brandversneller, deurslotontdooier, harder, maagzuurremmer, ontkalker,
ontwikkelaar, ontstopper, poriënvuller, snelbinder, waterverzachter
–ing-woorden: papping, smering, stopping, voeding, voering, vulling
stamwoorden: plamuur39
3.2.5.1 Suffix –sel
Op basis van de voorbeelden in (42) blijken vooral nomina op –sel goed vertegenwoordigd te zijn
binnen de categorie stofnamen.40 Taeldeman (1990:92) stelde dat jongere afleidingen op –sel “alle
naar (grond)stoffen/produkten [verwijzen] waarmee een min of meer professionele (en manuele)
handeling verricht wordt” en hoewel de –sel-woorden in (42) eigenlijk uit uiteenlopende periodes
afkomstig zijn, lijkt die semantische karakterisering ook op te gaan voor die groep woorden.
Bij de historische ontwikkeling van die stofnamen op –sel doet zich iets opmerkelijks voor.
Taeldeman (1990:85) stelde dat er naast woorden op –sel ook stamwoorden zijn afgeleid van
bepaalde werkwoorden: woorden als lijm en smeer zijn volgens hem ontstaan door impliciete
transpositie uit lijmen en smeren. Historisch gezien is dat echter niet correct, want volgens de
historische woordenboeken zijn die ongelede woorden niet afgeleid uit werkwoorden (het zijn geen
39
Het WNT geeft aan dat plamuur zowel een deverbatief van plamuren kan zijn als een vernederlandsing van
het Franse planure.
40
Zoals in 3.2.2.2 al werd aangegeven, is er bij een aantal van deze nomina ook een resultatieve betekenis
mogelijk: bij plaksel vermeldt Van Dale (2014) bijvoorbeeld zowel de betekenis “datgene wat geplakt is” als
“dat waarmee men plakt”. Zo’n resultatieve betekenis is ook niet uitgesloten bij onder meer de volgende
woorden:
emailleersel (“brandschilderwerk”), foeliesel (“foelielaag”), glazuursel, grimeersel, lijmsel (“datgene
waarmee iets gelijmd is” [eigen nadruk, AD]), plombeersel (“vulsel van een holle kies of tand”), polijstsel
(“datgene wat afvalt bij het polijsten”), slijpsel (naast “slijppoeder” ook “door slijpen verkregen,
fijnverdeelde stof”), soldeersel (“gesoldeerd werkstuk”), sterksel (gewestelijk “gesterkt weefgaren”),
verguldsel (“datgene waarmee men verguldt, waarmee iets verguld is” [eigen nadruk, AD]), vertinsel
(“datgene waarmee iets vertind is” [eigen nadruk, AD])
52
nomina postverbalia), maar vormen ze zelf de basis voor een denominaal werkwoord. Bijzonder is
dan dat dat denominale werkwoord zelf weer als grondwoord heeft gediend voor de vorming van
een stofnaam op -sel. Schematisch doet zich dus het volgende voor (waarbij XN een stofnaam is):
(43)
XN

[XN]V

[[XN]V + sel]
Zo’n ontwikkeling lijkt zich te hebben voorgedaan bij onder andere de stofnamen in (44): telkens is er
sprake van een stofnaam op –sel die afgeleid is uit een werkwoord dat volgens het WNT gevormd is
op basis van een substantief dat eigenlijk zelf al een stofnaam noemt.
(44) foeliesel (naast foelie), glazuursel (naast glazuur), kleursel (naast kleur), lijmsel (naast lijm),
papsel (naast pap), politoersel (naast politoer), smeersel (naast smeer)
Naast de stofnamen in (44), die waarschijnlijk aan de ontwikkeling in (43) hebben deelgenomen, zijn
er ook nog andere stofnamen op –sel in (45) waarnaast ook een ongeleed substantief staat dat een
stofnaam noemt. Daarbij vormde het ongelede substantief echter niet per se het uitgangspunt voor
de vorming van het werkwoord waarvan het –sel-woord is afgeleid. Zwartsel is bijvoorbeeld wel
ontstaan op basis van zwarten, maar zwarten zelf zal waarschijnlijk wel eerder afgeleid zijn van het
adjectief zwart dan van het substantief zwart41. Niettemin is het dus zo dat ook daar een ongeleed
woord en een –sel-vorm met dezelfde betekenis naast elkaar staan.
(45) blauwsel (naast blauw), bruineersel (naast bruin), emailleersel (naast emaille), geelsel (naast
geel), grimeersel (naast grime), groensel (naast groen), roodsel (naast rood), soldeersel
(naast soldeer), witsel (naast wit), zwartsel (naast zwart)
Interessant is dan natuurlijk hoe die woorden zonder –sel zich verhouden tot de corresponderende
woorden mét –sel. Om daarop zicht te krijgen, bekijken we twee specifieke gevallen.
smeer – smeren - smeersel
Het woord smeer kwam al in het Oudnederlands voor en duidde toen een “vette substantie” aan
(EWN). In het huidige Nederlands wordt smeer nog altijd gebruikt om te verwijzen naar een “min of
meer vettige substantie” (EWN). Vandaag klinkt smeer in de standaardtaal waarschijnlijk het
bekendst in de oren in het woord oorsmeer. Het woord smeer verwijst dus naar een soort vettige
substantie, maar niet per se naar iets wat bestemd is om te worden gesmeerd. De eerste attestatie
van de denominale afleiding smeren wordt aangetroffen in het Vroegmiddelnederlands. Het
werkwoord had toen de betekenis “met een vettige substantie bestrijken” en die betekenis is
intussen uitgebreid naar “bestrijken met een min of meer visceuze substantie, van welke aard dan
ook” (EWN). Smeersel is enkel opgenomen in het WNT en het oudste opgenomen citaat met dat
woord dateert van 1627:
(46) Dit smeerzel en dezen zwarten rook staat my tegen (Boëtius à Bolswert, Duyfken en
Willemeynkens Pelgrimagie tot haaren beminden binnen Jeruzalem ..., 1627, zoals geciteerd
in WNT).
41
Bijvoorbeeld gebruikt in kachelzwart, de stof die wordt gebruikt om kachels te zwarten.
53
De hoofdbetekenis van smeersel omschrijft het WNT als “weeke massa, die bestemd is om ergens op
gesmeerd te worden, smeermiddel.” Met andere woorden, een smeersel is specifieker dan smeer.
Terwijl smeer gewoon op om het even welke vettige substantie slaat, is smeersel iets wat bestemd is
om te worden gesmeerd. In zekere zin is smeersel echter ook ruimer dan smeer: smeer wijst op iets
vettigs, maar smeersel is eigenlijk alles wat kan worden gesmeerd. Die ruimere betekenis heeft het
dan waarschijnlijk van smeren, dat ook zijn betekenis heeft uitgebreid van “met een vettige
substantie bestrijken” naar ‘met om het even wat bestrijken’ (EWN).
De zaak is echter complexer dan ze hier wordt voorgesteld. Het WNT geeft namelijk aan dat smeer
ook ruimer kan worden gebruikt als “smeersel, smeermiddel, inzonderheid een waarvan vet een
hoofdbestanddeel vormt.” Die betekenis kan het woord zelf ontwikkeld hebben, maar ze kan ook
ontstaan zijn onder invloed van de (paradigmatische) relatie met woorden als smeren en smeersel.
pap – pappen – papsel
Pap wordt al geattesteerd in het Middelnederlands en sloeg toen, net zoals in het huidige
Nederlands, op een “halfvloeibare brij” (EWN). Het werkwoord pappen wordt ook aangetroffen in
het Middelnederlands, maar dan nog met de betekenis “pap eten” (MNW). Pas in de
Nieuwnederlandse periode komt daar de betekenis “met pap bestrijken of bedekken” bij (WNT).
Nog in de Nieuwnederlandse periode treffen we ook de oudste attestatie van het woord papsel aan.
Het WNT geeft het volgende citaat:
(47) Etterbuylen, Sweeragien, Geswillen … met papselen ofte Cataplasmas te versachten (H.
Petri, Seraphinschen Sterren-Hemel, 1693, zoals geciteerd in WNT).
Papsel slaat hier dus duidelijk op “dat waarmede men pap” (WNT). De betekenis van papsel is dus
specifieker dan die van pap: beide slaan op eenzelfde soort substantie, alleen is papsel specifiek
bestemd voor gebruik, terwijl dat bij pap niet het geval is.
Bij papsel en smeersel doet zich dus hetzelfde patroon voor. In beide gevallen is er eerst een naam
die verwijst naar een bepaalde stof (zonder functie), waarvan dan een werkwoord wordt afgeleid dat
een handeling aanduidt waarbij iets wordt gedaan met die stof. Vervolgens ontstaat ook een
stofnaam op –sel die specifieker is dan het oorspronkelijke ongelede woord: het –sel-woord benoemt
namelijk een stof die wordt gebruikt bij de handeling van het denominale werkwoord. Vooral bij het
contrast tussen smeer en smeersel is dat duidelijk, maar ook bij pap en papsel is er zo’n verschillend
perspectief.
Toch lijkt niet bij alle woorden in (44) zo’n denotatief verschil aanwezig te zijn. Voor lijm geeft het
EWN bijvoorbeeld aan dat het al meteen verwees naar “plakmiddel”, zodat de betekenis van lijm
eigenlijk al even specifiek is als die van lijmsel. Ook bij bijvoorbeeld glazuur en glazuursel enerzijds,
en foelie en foeliesel anderzijds lijkt er niet echt een mogelijkheid te zijn om glazuur en foelie in een
ruimere betekenis te gebruiken dan de corresponderende –sel-woorden. Dat die –sel-woorden dan
toch worden gevormd, moet misschien worden toegeschreven aan analogiewerking: door –sel toe te
voegen aan de oorspronkelijke stofnaam, wordt die naam namelijk formeel ingepast in het
54
paradigma van de stofnamen die bij een bepaalde handeling worden gebruikt. Helemaal sluitend is
die hypothese echter niet. Volgens de gegevens van het EWN (2009:“glazuur”) gaat het woord
glazuursel namelijk vooraf aan het woord glazuur: glazuur is later ontstaan dan glazuursel en heeft
dat woord verdrongen. Daar zit de connotatieve waarde van –sel misschien wel voor iets tussen.
Zoals Taeldeman (1990:83) opmerkt, krijgen –sel-woorden immers makkelijk een negatieve bijklank.
Aangezien je product net beter wordt door het te glazuren, heeft een woord zonder negatieve
connotatie dan ook de voorkeur.
3.2.5.2 Suffix –er
Hoewel veel stofnamen met het suffix –sel zijn gevormd, zijn er toch ook een aantal nomina op –er
die gebruikt kunnen worden om stoffen te benoemen. Als geheugensteun herhalen we de
voorbeelden uit (42) hier:
(48) brandversneller, deurslotontdooier, harder, maagzuurremmer, ontkalker, ontwikkelaar
(“ontwikkelstof”), ontstopper, poriënvuller, snelbinder (“cement dat snel bindt (stijf wordt)”),
waterverzachter
Die woorden zijn allemaal nog niet zo oud: behalve ontwikkelaar en snelbinder is geen van de
woorden uit (48) al opgenomen in het WNT. In 3.2.2.1 en 3.2.4.1 werd al aangegeven dat het suffix er zijn benoemingsdomein heeft uitgebreid van persoonsnamen naar zaaknamen. De nomina in (48)
vormen echter nog een verdere afwijking van dat semantisch prototype van de –er-nomina. Terwijl
bij de uitbreiding naar machines/werktuigen immers het kenmerk [+ telbaar] behouden bleef, is dat
niet langer geldig voor de stofnamen in (48). Een suffix dat dus oorspronkelijk namen voor personen
vormde, heeft zijn domein uitgebreid naar namen voor zaken die niet telbaar zijn. Schematisch
voorgesteld:
nomina agentis
machines/werktuigen stofnamen
[+ menselijk]
[- menselijk]
[- menselijk]
[+ telbaar]
[+ telbaar]
[- telbaar]
[+ concreet]
[+ concreet]
[ + concreet]
[+ agentief]
[+ agentief]
[ + agentief]
Tabel 7: Uitbreiding benoemingsmogelijkheden –er (2)
Ook Taeldeman (1990:87-90) stelde vast dat –er tegenwoordig kan worden gebruikt om stofnamen
te benoemen, en hij stelt terecht dat die stofnamen op –er semantisch wel op een andere manier
moeten worden gekarakteriseerd dan de stofnamen op –sel. Bij–sel hadden we op basis van
Taeldeman (1990:92) al aangegeven dat het hierbij altijd gaat om stoffen die worden gebruikt om
een professionele of manuele handeling uit te voeren. Dat is nu bij de nomina in (48) niet het geval.
Taeldeman (1990:88-89) karakteriseert de stoffen met een naam op –er als
produkten (…) [die] weliswaar door de mens [worden] aangebracht/toegediend, maar 1) ze
impliceren geen specifieke manuele vaardigheden vanwege de toedienende mens en 2) zodra
ze toegediend zijn, ontwikkelen ze door hun chemische samenstelling de beoogde werking.
55
M.a.w. de directe “uitvoerders” van de genoemde handeling (b.v. pijn stillen, poriën vullen,
water verzachten) zijn de produkten zelf.
Het suffix –er heeft dus zijn domein uitgebreid van persoonsnamen over zaaknamen naar stofnamen,
maar het behoudt daarbij steeds het kenmerk [+ agentief]: ook hier lijkt het immers alsof de werking
uitgaat van de stoffen zelf.
In 3.2.2.1 gaven we al aan dat Meibauer et al. (2004:185) de uitbreiding van –er van persoonsnamen
naar zaaknamen in het Duits verklaarden door extralinguïstische factoren: er was steeds meer nood
om artefacten te benoemen. Ook de uitbreiding naar stofnamen wordt door Taeldeman (1990:89)
gekoppeld aan twee factoren buiten de taal. Ten eerste is er de technische vooruitgang in de
chemische sector die ervoor zorgt dat de werking van de stoffen zelf uitgaat (met minder inmenging
van de mens). Ten tweede mag ook de invloed van de reclamewereld niet onderschat worden: zij
proberen potentiële kopers te overtuigen door het voor te stellen alsof de werking uitgaat van het
product zelf. Sprak men vroeger bijvoorbeeld nog van wasmiddel, dan kiest men nu eerder voor
witmaker (Taeldeman 1990:90).
3.2.5.3 Suffix –ing
Wat opvalt is dat we niet zoveel nomina op –ing aantroffen binnen de categorie van de stofnamen. In
(43) noemden we al voeding, stopping en vulling als tegenhangers van voedsel, stopsel en vulsel, en
in regionale variëteiten van het Nederlands wordt volgens Van Dale (2014) ook weleens papping
gebruikt voor papsel. Toch hebben veel stofnamen op –er en –sel geen tegenhanger op –ing.
Ook Taeldeman (1990:86-87) had al opgemerkt dat naast droogsel, lijm, stijfsel en witsel geen
droging, lijming, stijving en witting voorkomen en hij schreef dat toe aan blocking: aangezien er
courante nomina op –sel bestaan om die stoffen te benoemen, blokkeren die de mogelijke woorden
op –ing. Zoals we eerder al aangaven, is het echter gevaarlijk om blocking in te roepen als verklaring
omdat het een principe is dat niet altijd absoluut werkt (Booij & Van Santen 1998:68). Taeldemans
argument kan echter overtuigender worden gemaakt door er iets aan toe te voegen: in 3.2.2.3 werd
al gesteld dat –ing primair nomina actionis vormt, die dan via betekenisuitbreidingen andere
betekenissen kunnen krijgen. Het suffix –sel daarentegen vormt rechtstreeks namen voor entiteiten
die bij een bepaalde handeling kunnen worden gebruikt (vergelijk EWN). Suffigering met –sel is dan
ook een exclusiever procedé om stofnamen te vormen dan suffigering met –ing. Daarenboven
behoort –ing tot het hogere (schrijftalige) register van de taal (Devos 1990:53) en is het dus minder
geschikt om de ‘minderwaardige’ producten te benoemen die worden gebruikt bij handenarbeid en
die met –sel worden benoemd.
56
3.2.6 Decoratie- en bouwmateriaal
In deze categorie worden namen besproken voor decoratie- en bouwmateriaal. Volgende woorden
rekenen we tot deze categorie:42
(49)–sel-woorden: afscheidsel, afschutsel, afzetsel (“middel tot afzetting van een ruimte”),
bedeksel, behangsel, bekleedsel, belegsel, bezetsel, boordsel, deksel, garneersel, hulsel,
inlegsel, kleedsel, omkleedsel, oplegsel, opnaaisel, optooisel, overtreksel, siersel, stutsel,
tooisel, versiersel
–er-woorden: stutter
–ing-woorden: afscheiding, afschutting, afsluiting, afzetting, bedekking, bekleding,
belegging, beschutting, bezetting, dekking, fundering, garnering, kleding, leiding, omheining,
omkleding, omlijsting, opnaaiing, rastering, schutting, verankering, verpakking, versiering
stamwoorden: behang, beleg, inleg, overtrek
3.2.6.1 –ing versus –sel
De woorden in (49) laten zien dat vooral de suffixen –ing en –sel van belang zijn in deze categorie.
Dat wekt geen verbazing als we herbekijken welke kenmerken hierboven al met die suffixen werden
verbonden: -ing associeerde De Caluwe (1994:243) met de kenmerken “NIET MENSELIJK/LEVEND,
ABSTRACT/WEINIG CONCREET, NIET OF NAUWELIJKS MANIPULEERBAAR, STATISCH, (IM)PERFECTIEF, enz.” en over -sel
schreef Taeldeman (1990:83) al dat het nauwelijks agentiviteit heeft. Beide suffixen zijn dan ook
bijzonder geschikt om statisch materiaal als in (49) te benoemen.43
Wat opvalt, is dat van veel werkwoorden zowel een afleiding op –sel als een afleiding op –ing is
gevormd. In tabel 8 worden er zo een aantal naast elkaar weergegeven.44 Soms is er tussen een
woord op –ing en een op –sel een verschil qua denotatie: de woorden betekenen iets anders ze of
hebben in ieder geval een andere lezing die primeert. Dekking kan bijvoorbeeld op allerlei soorten
bedekking wijzen, terwijl deksel in de eerste plaats wordt gebruikt voor “voorwerp dat een hol open
lichaam vanboven afsluit, m.n. het daarbij behorende dat er precies op past” (Van Dale 2014);
belegging is in de eerste plaats een term uit het bankwezen, terwijl belegsel vooral verwijst naar wat
je tussen je boterham legt.
42
Merk op dat deze categorie enige overlap vertoont met de vorige categorie: garnering sluit bijvoorbeeld
semantisch gezien in zekere zin aan bij smeersel, behangsel in zekere zin bij plaksel.
43
De Caluwe (1994:245) gaf ook al aan dat –ing goed kan worden gebruikt om materiaal te benoemen “dat in
de meeste gevallen benoemd is in zijn verwerkte toestand en daardoor ook weinig manipuleerbaar is; de
betrekking tussen object en activiteit is m.a.w. statisch, (im)perfectief, niet destinatief.”
44
Aangezien leiding is opgenomen in (49) , zou de vraag kunnen rijzen waarom leidsel dan niet werd
opgenomen: volgens Van Dale (2014) is leidsel echter geen afleiding met het suffix –sel, maar is het ontstaan
uit leid + zeel.
57
-ing-vorm
-sel-vorm
afscheiding
afscheidsel
afschutting
afschutsel
afzetting
afzetsel
bedekking
bedeksel
bekleding
bekleedsel
belegging
belegsel
beschutting
beschutsel
bezetting
bezetsel
dekking
deksel
garnering
garneersel
kleding
kleedsel
omkleding
omkleedsel
opnaaiing
opnaaisel
schutting
schutsel
versiering
versiersel
Tabel 8: Woorden voor decoratie- en bouwmateriaal op –ing en tegenhangers op -sel
Toch is er vaak ook geen echt denotatief verschil: met versiering en versiersel kan bijvoorbeeld naar
hetzelfde verwezen worden. Zoals Taeldeman (1990:87) al opmerkte, is er in zulke gevallen vaak een
pragmatisch of een connotatief verschil en komt het woord op “-sel (…) gemiddeld wat pejoratiever
en/of archaïscher over”, terwijl de term met –ing een stuk gebruikelijker is. Inderdaad bevinden er
zich onder de woorden met –sel nogal wat woordenboeklijken45: wie afscheidsel, afschutsel, afzetsel,
bedeksel, bekleedsel, belegsel, beschutsel, garneersel, omkleedsel, opnaaisel en schutsel intikt op
Google, zal vooral terechtkomen op websites van puzzel- en rijmwoordenboeken. In sommige
gevallen behoort het woord op –sel tot het regionale taalgebruik, zoals bij kleedsel en bezetsel (Van
Dale 2014).
Aangezien de woorden op –sel een stuk marginaler aanvoelen dan hun tegenhangers op –ing, stelt
Taeldeman (1990:87) dat –sel door –ing wordt bedreigd. Inderdaad zijn er binnen deze semantische
categorie een aantal woorden op –ing die geen corresponderend –sel-woord naast zich hebben,
bijvoorbeeld de woorden in (50):
(50)afsluiting, fundering, omheining, omlijsting, rastering, verankering, verpakking46
45
Term ontleend aan Hüning (1992:166) die vaststelde dat er heel wat woorden op –erij zijn die wél in het
woordenboek staan (bv. brabbelarij, flikflooierij, kijverij, prutserij), maar die in het reële taalgebruik niet
voorkomen. Hüning (1992:166) onderzocht het reële taalgebruik door middel van een kleinschalig
corpusonderzoek.
46
Naast omheining komt ook omheinsel voor in het WNT, maar niet in Van Dale (2014).
58
Toch zijn er net zo goed woorden op –sel in (49) die in Van Dale (2014) geen corresponderend –ingwoord naast zich hebben dat ook verwijst naar decoratie- en bouwmateriaal, namelijk
(51) behangsel, boordsel, borduursel, hulsel, inlegsel, oplegsel, optooisel, overtreksel, siersel (in
mnl), stutsel, tooisel
Een aantal daarvan hebben in het WNT daarentegen wél een tegenhanger op –ing, maar dan enkel
met nomen-actionisbetekenis (behanging, inlegging, oplegging, overtrekking, stutting) en er zijn er
ook een aantal die een –ing-tegenhanger in het WNT (boording, optooiing) of het MNW (sieringe)
hebben die wel naar decoratie- of bouwmateriaal verwijst. Het is moeilijk te verklaren waarom die
corresponderende –ing-woorden verdwenen zijn of waarom zich naast sommige –sel-woorden geen
–ing-tegenhangers hebben ontwikkeld. Om zicht te krijgen op de concurrentie tussen –ing en –sel
zou er uitgebreid historisch onderzoek moeten worden gevoerd naar beide suffixen: niet alleen kan
de vraag worden gesteld waarom bepaalde –sel-woorden blijven bestaan terwijl anderen vervangen
worden door een –ing-vorm, het zou ook interessant zijn om na te gaan wanneer die –sel- en –ingvormen diachroon gezien naast elkaar kwamen te staan.
3.2.6.2 Suffix –er
Een opvallende afwezige in deze categorie is het suffix –er. Aangezien we –er tot hiertoe altijd
hebben gekarakteriseerd als een suffix dat een sterke agentiviteit impliceert, ligt het voor de hand
dat het suffix niet wordt gebruikt om statische materialen als in (49) te benoemen.47 Toch zijn er
twee opmerkingen die hier op hun plaats zijn.
Een eerste opmerking betreft het woord leiding. Aangezien het hier om een vrij statische entiteit
gaat, werd dat woord in deze categorie opgenomen (zie 49) en niet onder installatie/werktuig. Een
van de betekenissen van leiding omschrijft Van Dale (2014) als “koker, buis of samenstel van buizen,
draad of draden enz. waardoor of waarlangs enige stof of kracht geleid wordt.” Inderdaad bestaan er
in het Nederlands een aantal samenstellingen met leiding waarbij het eerste lid vermeldt wat er door
die buis wordt geleid, bijvoorbeeld waterleiding, elektriciteitsleiding, gasleiding, persluchtleiding en
brandstofleiding. Bijzonder is nu dat we niet van leidingen spreken als het om delen van het
menselijk lichaam gaat: het lichaam bevat een urineleider en zaadleiders of eileiders, geen
urineleiding en zaadleidingen of eileidingen. Nochtans vervullen zij dezelfde functie als bijvoorbeeld
een waterleiding of een gasleiding: zoals een waterleiding water transporteert, zo transporteert de
urineleider urine. Om te verklaren waarom dan toch het woord urineleider wordt gebruikt in plaats
van urineleiding, kan er gebruikt gemaakt worden van semantische nissen. Het is namelijk zo dat er in
de categorie woorden met –er een semantische subgroep is van woorden die naar lichaamsdelen
verwijzen. Er zijn in het Nederlands deverbale afleidingen op –er als namen voor spieren
(bijvoorbeeld buiger, strekker en samentrekker voor respectievelijk “buigspier”, “strekspier” en
“kringspier die een opening afsluit” (Van Dale 2014)), als namen voor beenderen (bijvoorbeeld
47
Vergelijk dit met De Caluwe (1994:244) die stelt dat –er binnen de categorie Instrument vooral Materieel
benoemt “dat concreet, manipuleerbaar, telkens opnieuw inzetbaar is” (bijvoorbeeld scherper) of Materiaal
dat diezelfde eigenschappen heeft (bijvoorbeeld onkruidverdelger).
59
draaier voor de “tweede halswervel waarop de eerste met het hoofd draait” (Van Dale 2014)) en ook
voor (delen van) organen (bijvoorbeeld kittelaar voor ‘clitoris’). Het gebruik van –er-woorden voor
lichaamsdelen is al oud: in het VMNW wordt al melding gemaakt van het gebruik van wisere voor
wijsvinger. Het is dus goed mogelijk dat urineleider wordt gevormd in plaats van urineleiding omdat
het woord op die manier aansluit bij de benamingen voor andere lichaamsdelen. Daarenboven is het
waarschijnlijk ook geen toeval dat het net de nomina op –er zijn die een semantische nis
‘lichaamsdelen’ hebben: zoals in 3.2.4 al werd uiteengezet, verwijzen –er-nomina vaak naar iets zeer
concreets en aflijnbaars, terwijl –ing-nomina vaker naar iets abstracts verwijzen (vergelijk De Caluwe
1994:243). Met waterleiding kun je bijvoorbeeld naar het hele netwerk van leidingen verwijzen
waarmee huizen van stromend water worden voorzien. Bij urineleider daarentegen is er sprake van
een zeer concreet lichaamsonderdeel, van één specifiek buisje, en daarvoor is benoeming met –er
beter geschikt.
Daarnaast moet genuanceerd worden dat –er altijd agentiviteit zou impliceren. In verschillende
artikels over het suffix –er wordt namelijk opgemerkt dat er een aantal deverbale –er-woorden zijn
die een entiteit benoemen die de handeling van het werkwoord ondergaat, zodat het moeilijk kan
gaan om een agentieve entiteit (zie bijvoorbeeld Booij 1986; De Caluwe 1992, 1994, 2008). Een
aantal vaak genoemde voorbeelden, zijn de volgende (voor veel meer voorbeelden, zie De Caluwe
1992:141-143):
(52) bijsluiter, aanrader, overgooier, onderlegger, onderzetter
Een woord als onderlegger bijvoorbeeld moet syntactisch geparafraseerd worden als ‘datgene wat
ergens onder gelegd wordt’ en verwijst dus eerder naar het object van de handeling dan naar het
subject van de handeling. De verschillende auteurs hebben zich ook afgevraagd hoe die uitbreiding
van het domein van -er kan worden verklaard: normaliter vormt het suffix op basis van werkwoorden
namen voor entiteiten die de Agens/Thema-rol hebben bij het werkwoord dat als basis diende. Hoe
kan het dat sommige van die substantieven op –er dan ook de entiteit met Patiens-rol benoemen?
De Caluwe (1992:145) bijvoorbeeld stelt dat de polysemie48 van –er ertoe geleid heeft dat het door
de taalgebruiker is geherinterpreteerd
als een suffix met een “open” semantiek, d.w.z. een suffix dat vrijwel alle rollen kan
benoemen, dus ook die – zoals Patiens – welke noch semantisch noch syntactisch aan het
oorspronkelijke betekenisbereik van –er kunnen worden gerelateerd.
Het suffix –er kan dus volgens hem worden gebruikt om zowat alle semantische rollen van een
werkwoord te benoemen, en dat verklaart waarom woorden als die in (52) mogelijk zijn. Die uitleg is
echter onbevredigend: waarom zouden taalgebruikers tijdens het proces van benoemen kiezen voor
het suffix –er als het gaat om entiteiten “welke noch semantisch noch syntactisch aan het
oorspronkelijke benoemingsbereik van –er kunnen worden gerelateerd” (De Caluwe 1992:145)? Die
48
Het gebruik van –er zowel voor de Agens-rol als voor de rollen Onpersoonlijk Agens (golfbreker), Instrument
(blikopener) en Thema (meevaller).
60
verklaring is in strijd met wat de aanpak met semantische nissen stelt, namelijk dat taalgebruikers
neologismen met een bepaald woordvormingsprocedé vormen via analogie met de bestaande
woorden die gevormd zijn met dat procedé, omdat ze ook willen dat die neologismen semantisch
aansluiten bij die bestaande woorden (Hüning 2009:188; Van Santen 2010:20-21).
Misschien moet de vraag worden gesteld of die oudere artikels niet te veel hebben gefocust op
‘syntactische eigenschappen’, namelijk op de semantische rollen van de –er-woorden en op de
(daarmee samenhangende) vraag of het gaat om subjects- dan wel objectsnamen. Het valt natuurlijk
niet te ontkennen dat er zo’n verschil is: de entiteit die onderlegger benoemt, heeft een andere
semantische rol bij leggen dan blikopener bij openen. Terwijl onderzetter een objectsnaam is, is
blikopener een subjectsnaam. De vraag is echter of die verschillende syntactische eigenschappen wel
relevant zijn bij de vorming van nieuwe woorden. Al de genoemde woorden hebben namelijk
gemeenschappelijk dat ze verwijzen naar eenzelfde soort entiteit in de buitentalige werkelijkheid.
Onderzetter, onderlegger, blikopener en bijvoorbeeld ook kurkentrekker noemen allemaal
keukenmateriaal: een blikopener gebruik je om blikken te openen, een onderlegger en een
onderzetter gebruik je om onder een bord of hete kom te zetten. Dat onderzetter en onderlegger
objectsnamen/Patiens zijn, terwijl blikopener en kurkentrekker subjectsnamen/Instrument zijn, is dan
misschien van minder groot belang omdat al die woorden qua denotatie wel erg dicht bij elkaar
liggen. We zouden onderzetter en onderlegger dus eigenlijk kunnen beschouwen als uitbreidingen
van een semantische nis binnen de morfologische categorie van de –er-nomina, namelijk van de
semantische nis waartoe ook blikopener en kurkentrekker behoren.49 Hoewel een woord als
onderzetter op een uitbreiding van het syntactische domein van –er duidt (van subjectsnaam naar
objectsnaam, van Instrument naar Patiens), is het dus niet onmogelijk dat die syntactische
uitbreiding er gekomen is doordat taalgebruikers vooral een semantische overeenkomst aanvoelden
met de bestaande woorden op -er.50,51 Natuurlijk kunnen we op basis van twee woorden geen
algemene uitspraken doen, maar misschien is dit ook wel een mogelijke denkpiste om de uitbreiding
van het syntactisch domein van –er te verklaren.
49
Merk op dat naast de woorden onderlegger en onderzetter ook woorden als onderlegsel en onderzetsel
hebben bestaan (WNT).
50
Dat betekenis in de woordvorming belangrijker is dan syntactische eigenschappen, werd ook al onderlijnd
door Hüning (1999:234), zij het dan in een andere context. Hij stelt namelijk dat de morfologie te veel aandacht
gehecht heeft aan de woordsoort van het grondwoord en illustreert dat aan de hand van de geschiedenis van
het suffix -erij: dat suffix werd eerst alleen gebruikt achter substantieven (bloemisterij), maar het gebruik ervan
werd later uitgebreid naar werkwoorden (drukkerij) en woordgroepen (klompenmakerij) omdat taalgebruikers
semantische overeenkomsten aanvoelden tussen al die woorden, hoewel het suffix dus telkens aan een ander
soort basis wordt gehecht (Hüning 1999:232-234).
51
Dat het syntactisch domein van een suffix kan worden uitgebreid via semantische gelijkenis, is geen nieuw
idee. Ook Taeldeman (1985:17-19) had al gesuggereerd dat semantische gelijkenis ervoor kan zorgen dat het
syntactische domein van een suffix kon worden uitgebreid: hij stelt dat deverbaal –ling oorspronkelijk beperkt
was tot objectsnamen en zijn domein uiteindelijk heeft kunnen uitbreiden naar subjectsnamen via semantische
gelijkenis. Objectsnamen op –ling (bijvoorbeeld banneling) noemen namelijk een persoon die de handeling
ondergaat en die zouden semantisch niet zo heel ver verwijderd zijn van de subjectsnamen op –ling, die
volgens Taeldeman (1985:18-19) ook veeleer een persoon in een bepaalde toestand dan een handelend
persoon noemen (bijvoorbeeld volgeling).
61
3.2.7 Taalhandelingen
Zoals we in 3.2.2.3 al aangaven, onderscheiden Devos (1986:75, 1990:30) en Taeldeman (1990:87)
binnen de afleidingen op –ing een groep woorden die kunnen worden opgevat alsof ze het resultaat
van de handeling noemen, maar die tegelijkertijd ook het instrument van de handeling noemen. We
herhalen die voorbeelden in (53), als geheugensteun:
(53) inleiding, bepaling, versterking, versteviging, uitdaging, bewering, beschuldiging, belediging
Wat er bij die woorden gebeurt, omschrijft Devos (1986:75) als volgt: “men produceert een middel
[E.O.] waarmee men iets of iemand Xt.” Binnen die –ing-woorden bakent hij nog de specifieke groep
afleidingen af van “klankproducerende werkwoorden die een ‘boodschap’ of ‘illocutionaire kracht’
inhouden” (Devos 1986:75). Devos (1990:30) en Taeldeman (1990:87) noemen de voorbeelden in
(54), maar ook de afleidingen in (55) kunnen volgens ons zo’n interpretatie krijgen:
(54) aanmoediging, bewering, bedanking, belediging, beschuldiging, oproeping, uitdaging,
waarschuwing
(55) aanbeveling, aanfluiting, beantwoording, dagvaarding, hekeling, kennisgeving, lastering,
machtiging, mededeling, namaning, rechtzetting, verantwoording
Bij deze afleidingen van illocutionaire werkwoorden is er steeds sprake van een handeling waarbij
iemand taal produceert en waarbij die taal een bepaalde werking heeft (met die taal wordt iemand
aangemoedigd, bedankt, aangefloten, nagemaand, enzovoort). Het –ing-woord kan dan
metonymisch52 datgene noemen waarvan die werking lijkt uit te gaan. Ook bij deze woorden is er dus
sprake van ‘entiteiten met werking’, ook al gaat het om eerder abstracte entiteiten. Van Dale (2014)
geeft bijvoorbeeld naast de nomen-actionisbetekenis van hekeling ook nog de betekenis ‘vinnige,
hekelende berisping’, een hekeling is dus een berisping die hekelt. In het geval van hekeling is het
product iets abstracts, maar bij sommige van de woorden in (54) en (55) kan het product van zo’n
taalhandeling ook iets heel concreets worden. Het WNT geeft als een van de betekenissen van
aanbeveling bijvoorbeeld “[d]e mondelinge of schriftelijke verklaring, waarbij men iemand aan een
ander aanbeveelt.” Soms verdwijnt het taalhandelingskarakter daarbij ook naar de achtergrond,
zoals bij het gebruik van aanmoediging in (56) en (57):
(56) EU 'behoudt sancties tegen Rusland als aanmoediging'
[http://www.knack.be/nieuws/wereld/eu-behoudt-sancties-tegen-rusland-alsaanmoediging/article-normal-533037.html, geraadpleegd op 19/05/2015]
(57) Per voltijds tewerkgestelde onderzoeker kan deze maatregel een fiscale aanmoediging van
8.000 tot 10.000 EUR per jaar opleveren.
52
Opnieuw moeten we hier de bedenking maken dat het mogelijk is dat niet alle woorden in (54) en (55) zo’n
betekenisontwikkeling gekend hebben van nomen-actionisbetekenis naar entiteit met werking, maar dat het
ook mogelijk is dat een aantal –ing-nomina rechtstreeks zo’n entiteit met werking benoemen; in dat geval krijg
je dus semantic fragmentation van het woordvormingsprocedé met suffix –ing (vergelijk Rainer 2003 in
1.2.2.2).
62
[http://www.wtcb.be/homepage/index.cfm?cat=publications&sub=bbricontact&pag=Contac
t8&art=114, geraadpleegd op 19/05/2015]
Zowel de sanctie als de geldsom slaan hier op zaken die iemand moeten aanmoedigen, maar het gaat
niet langer om taalhandelingen.
Bij de bespreking van namen voor machines/installaties/mechanismen gaven we al aan dat –ing zich
goed leent om abstractere entiteiten met werking te benoemen (vergelijk De Caluwe 1994:243). Het
zal dan ook geen verwondering wekken dat –ing erg geschikt is om taalhandelingen – die toch vrij
abstract zijn – met werking te benoemen, zoals blijkt uit de voorbeelden in (54) en (55). Nog bij die
bespreking
werd
aangegeven
dat
suffigering
met
–sel
niet
geschikt
is
om
machines/installaties/mechanismen te benoemen omdat dat suffix te weinig agentiviteit uitdrukt
(vergelijk Taeldeman 1990:83): ook bij de taalhandelingen met werking troffen we nu geen
voorbeelden van –sel-woorden. Er zijn wel een aantal afleidingen op –sel van werkwoorden die een
taalhandeling noemen, zoals gezegsel, schrijfsel, verdichtsel, vertelsel en zegsel. Het gaat hier echter
om ‘zuivere’ taalhandelingen, die geen werking hebben (als je iets zegt, produceer je enkel taal; als je
daarentegen iemand beledigt, produceer je eveneens taal, maar die taal heeft ook een werking).
Bovendien is in al deze woorden een duidelijk resultatief aspect aanwezig: een schrijfsel is
bijvoorbeeld het resultaat van het schrijven, een verdichtsel is iets wat ontstaat door te verdichten.
Bij de andere procedés worden wel voorbeelden aangetroffen van namen voor illocuties met een
bepaalde werking. Zo sluiten de stamwoorden verwijt en bevel bijvoorbeeld vrij goed aan bij de
nomina in (54) en (55). Bij de nomina op –er vinden we dan weer een mooi voorbeeld als uitbrander,
dat wordt gedefinieerd als “[s]cherpe berisping, sterk afkeurend verwijt” (WNT). Aangezien het WNT
geen andere betekenis voor het woord vermeldt, gaat het hier weer om een uitbreiding van het
oorspronkelijke benoemingsdomein van het suffix –er. Ons schema ziet er nu zo uit:
nomina agentis
machines/werktuigen stofnamen
taalhandelingen
[+ menselijk]
[- menselijk]
[- menselijk]
[- menselijk]
[+ telbaar]
[+ telbaar]
[- telbaar]
[+ telbaar]
[+ concreet]
[+ concreet]
[ + concreet]
[- concreet]
[+ agentief]
[+ agentief]
[ + agentief]
[+ agentief]
Tabel 9: Uitbreiding benoemingsmogelijkheden –er (3)
Een woord als uitbrander wijkt dus af van het prototypische benoemingsdomein van –er in die zin dat
het hier niet langer gaat om een menselijke entiteit, noch om een concrete entiteit. Toch neemt –er
kenmerken mee van zijn oorspronkelijke benoemingsdomein: wellicht is het geen toeval zijn dat –er
specifiek gebruikt wordt om deze taalhandeling te benoemen, aangezien een uitbrander verwijst
naar een taaldaad die een zeer sterk effect heeft en –er in zijn oorspronkelijke benoemingsdomein
agentiviteit impliceert. Ook enkele andere nomina op –er kunnen (metaforisch) verwijzen naar een
taalhandeling: een afsluiter definieert Van Dale (2014) bijvoorbeeld als “verhaal, anekdote e.d.
waarmee men een bijeenkomst, een optreden enz. afsluit” en een nabrander is een “opmerking die
gemaakt wordt terwijl het alweer over een ander onderwerp gaat.”
63
3.2.8 Afzettingen en termen uit de plantenwereld
De laatste semantische categorie wordt gevormd door de volgende woorden, die allemaal verwijzen
naar een afzetting of naar zaken uit de plantenwereld.
(58)–sel-woorden: aanbaksel, aanbrandsel, aangroeisel, aanlaadsel, aanslibsel, aanzetsel,
afzetsel, groeisel, uitgroeisel, bloeisel, spruitsel, stuifsel
–er-woorden: nabloeier, woekeraar, laatbloeier, uitloper
–ing-woorden: aangroeiing, aanslibbing, aanzetting, vergroeiing, uitbotting,
stamwoorden: gewas53
In het onderzoek van Taeldeman (1990) en Devos (1990) wordt van de meeste van deze woorden
gezegd dat ze de semantische rol ‘ergatiefobject’ dragen (zie 3.2.1 voor meer uitleg over die
semantische rol). Op nabloeier, woekeraar en laatbloeier na, zijn de woorden in (58) immers steeds
afgeleid van intransitieve werkwoorden die in de voltooide tijden (kunnen) worden vervoegd met
zijn.
Vooral het suffix –sel blijkt erg geschikt te zijn om concepten binnen deze categorie te benoemen.
Dat heeft er waarschijnlijk mee te maken dat deverbatieven op –sel vaak weinig agentief zijn, zoals
ook hiervoor al werd aangegeven (Taeldeman 1990:83). De entiteiten binnen deze semantische
categorie spelen immers een rol in weinig agentieve processen of werkingen waarbij zich iets afzet of
waarbij iets groeit. Dat deze werkwoorden weinig agentieve werkingen aanduiden, blijkt ook uit het
feit dat het ergatieve werkwoorden zijn: over dergelijke werkwoorden schrijven De Haas &
Trommelen (1993:39) namelijk dat “het subject […] in sterke mate op het direct object van een
transitief werkwoord” lijkt, wat ook impliceert dat de (enige) medespeler van zo’n ergatief
werkwoord weinig agentiviteit heeft.
Net zoals bij de categorie decoratie- en bouwmateriaal, hebben de woorden op –sel ook hier vaak
een tegenhanger op –ing, maar zo’n –ing-tegenhanger is niet altijd mogelijk: naast aangroeisel,
aanslibsel en aanzetsel bestaan bijvoorbeeld ook wel aangroeiing, aanslibbing en aanzetting, maar
naast aanbaksel, aanbrandsel en aanlaadsel staat geen aanbakking, aanbranding of aanlading. Dat
die laatste woorden niet voorkomen, kan worden verklaard op basis van het verschil in
gevoelswaarde tussen beide suffixen. Zoals Taeldeman (1990:99) opmerkt, verwijzen –sel-woorden
namelijk “vaak naar iets bijkomstigs/minderwaardigs”, zodat dat suffix beter geschikt is dan -ing om
naar bijproducten van bijvoorbeeld het bakproces te verwijzen. Waar –sel wel een tegenhanger op –
ing heeft, behoort het ing-woord dan vaker tot het hogere, wetenschappelijke of vaktechnische
register (Taeldeman 1990:99). Ook naast afleidingen op –sel van ongelede werkwoorden,
bijvoorbeeld groeisel, bloeisel, spruitsel en stuifsel, staan geen tegenhangers op –ing. Dat is in lijn
met een tendens die al was vastgesteld door Devos (1990:25), namelijk dat afleiding op –ing vaker
voorkomt bij gelede werkwoorden dan bij ongelede werkwoorden.
53
Taeldeman (1985:40) beschouwt gewas als een product van de woordvormingsregel [ge +V]. Aangezien het
VMNW ook het werkwoord ghewassen vermeldt, zou het substantief ghewas echter ook ontstaan kunnen zijn
door impliciete transpositie uit dat werkwoord (zie voetnoot 27 voor meer informatie).
64
Bij een aantal van die ongelede werkwoorden komt naast de –sel-afleiding wel ook een –er-afleiding
voor: naast groeisel en bloeisel staat bijvoorbeeld ook groeier en laatbloeier of nabloeier. Die –erafleidingen kunnen echter de –sel-afleidingen niet vervangen omdat er hier wel degelijk sprake is van
een betekenisverschil. Zoals in 3.2.2 al werd aangegeven, hebben –sel-woorden vaak een resultatief
betekenisaspect: het WNT geeft aan dat een aantal deverbale –sel-woorden “een subject noemen,
dat na de handeling als resultaat voortbestaat.” Bij de –sel-woorden in (58) is dat resultatieve aspect
inderdaad vaak aanwezig: een groeisel is iets wat ontstaat door het groeien. Bij –er is er nu zo geen
resultatief betekenisaspect aanwezig: een groeier is niet iets wat ontstaat door te groeien, maar is
een entiteit die groeit. Bij werkwoorden als aanbakken, aanbranden, aanslibben zijn dan ook alleen –
sel-afleidingen mogelijk en geen –er-afleidingen mogelijk, aangezien we deze processen maar
moeilijk kunnen voorstellen alsof ze uit een entiteit voortkomen en er steeds zo’n resultatief
betekenisaspect aanwezig moet zijn.
Binnen deze categorie concurreren –sel en –ing dus op het connotatieve vlak, terwijl –er dan weer
met die twee suffixen concurreert op het denotatieve vlak: -ing- en –sel-woorden hebben een
andere gevoelswaarde, maar –er-woorden verwijzen naar een ander soort entiteiten.
65
Conclusie
Deze scriptie vertrok vanuit de vraag wat de verhoudingen zijn tussen de verschillende
woordvormingsprocedés in het Nederlands om een entiteit te benoemen die betrokken is bij een
activiteit die of een proces dat in de regel wordt uitgedrukt door een werkwoord. Er werd met
andere woorden geprobeerd om een onomasiologisch perspectief te bieden op de vorming van
deverbale substantieven. Ons onderzoek beperkte zich tot de benoeming van het concept ‘entiteit
waarvan een werking uitgaat’, dat de categorieën Agens, Thema, Instrument en Ergatiefobject uit het
morfologische onderzoek van bijvoorbeeld Taeldeman (1990) en Devos (1990) overkoepelt. In dit
onderzoek kwamen ook een aantal meer algemene bevindingen over woordvorming naar voren, die
we in de volgende alinea’s willen bespreken.
1. Belang van semantische rollen in de deverbale woordvorming
Om de betekenis van deverbale substantieven te beschrijven, betoogde Taeldeman (1990:79) “dat de
elementaire semantische kontoeren van deverbatieve nomina samenvallen met een semantische rol
die inherent met (de semantiek van) het basiswerkwoord samenhangt.” Die semantische rollen zijn
echter afkomstig uit syntactisch onderzoek en bleken op twee vlakken toch minder geschikt te zijn in
morfologisch onderzoek.
Ten eerste zijn die semantische rollen moeilijk werkbaar als uitgangspunt voor onomasiologisch
morfologisch onderzoek. De indeling van deverbale woorden op basis van hun semantische rol bleek
namelijk voor discussie vatbaar en het bleek ook moeilijk om die indeling te maken. Om te
achterhalen welke semantische rol een bepaald deverbaal substantief draagt, wordt er bijvoorbeeld
vaak gebruikgemaakt van syntactische parafrases. Bij animate entiteiten valt het nog vrij goed uit te
maken welke rol die entiteiten spelen bij de werking van het werkwoord, maar vooral bij de
benamingen voor inanimate entiteiten werd het duidelijk dat één woord vaak meerdere syntactische
parafrases kan krijgen: omhulsel kan bijvoorbeeld zowel worden geparafraseerd als ‘dat wat omhult’
en als ‘datgene waarmee iemand iets omhult’. Die semantische rollen uit syntactisch onderzoek
vormen dus een wankele basis voor morfologisch onderzoek. In plaats van te onderzoeken hoe de
semantische rollen benoemd worden met deverbale substantieven, gingen we daarom na hoe de
verschillende woordvormingsprocedés zich verhouden binnen bepaalde semantische categorieën:
binnen de benamingen voor inanimate entiteiten werden verschillende groepjes van woorden
afgebakend die semantisch samenhangen, die verwijzen naar gelijkaardige entiteiten in de
buitentalige werkelijkheid. Dankzij die semantische categorieën was het mogelijk om een
gedetailleerder beeld te krijgen van de verhoudingen tussen de verschillende procedés. In 3.2.1
gaven we bijvoorbeeld aan dat in het onderzoek van Taeldeman (1990) en Devos (1990) een zeer
brede categorie Instrument-Materiaal werd afgebakend, waarbinnen dan nieuwe woorden zouden
worden gevormd door middel van onder andere impliciete transpositie en de affixen –ing, –sel, –er
en ge–. De woorden die tot die categorie worden gerekend, kwamen in onze indeling echter terecht
in drie verschillende semantische categorieën, namelijk ‘stofnamen’, ‘decoratie- en bouwmateriaal’
en ‘taalhandelingen met werking’, en daarbij bleek dat de verhoudingen tussen de verschillende
66
woordvormingsprocedés niet in al deze categorieën hetzelfde liggen. Bij de stofnamen speelden de
suffixen –er en –sel een rol (bijvoorbeeld waterverzachter en plaksel), terwijl het aandeel –ingwoorden eerder bescheiden was. Het suffix –er speelde dan weer geen rol binnen de categorie
decoratie- en bouwmateriaal, terwijl woorden –sel en –ing daar net vrij vaak onderling inwisselbaar
waren (bijvoorbeeld versiering en versiersel). In de categorie taalhandelingen ten slotte, speelde
vooral het suffix –ing een prominente rol, terwijl –sel niet erg geschikt was om die abstracte
entiteiten te benoemen.
Daarnaast zijn die semantische rollen misschien ook niet relevant bij de vorming van nieuwe
woorden. Bij de bespreking van nomina op –er werd verwezen naar de discussie die in Booij (1986)
en De Caluwe (1992, 1994, 2008) werd gevoerd over hoe kan worden verklaard dat het suffix –er zijn
domein uitbreidde van Agens/Thema/Instrument naar Patiens, en dus van subjectsnamen naar
objectsnamen. Daarbij vroegen we ons af of die ‘syntactische eigenschappen’54 wel relevant of
sturend zijn bij de vorming van nieuwe woorden. Hoewel onderlegger een objectsnaam/Patiens is en
blikopener een subjectsnaam/Instrument is, liggen die woorden semantisch toch erg dicht bij elkaar:
beide zijn keukenwerktuigen, de ene gebruik je om ergens onder te leggen en de andere om blikken
mee open te maken. Die semantische gelijkenis is dan misschien wel prioritair bij de vorming van
nieuwe woorden en kon de verschillende syntactische eigenschappen overrulen.55 We mogen
bovendien niet uit het oog verliezen dat –er ook denominaal kan worden gebruikt (bijvoorbeeld
wetenschapper en schipper): bij dat denominale gebruik kán er geen sprake zijn van semantische
rollen of van objects- of subjectsnamen, en het is dan ook de vraag waarom er bij deverbaal –er wel
zoveel waarde wordt gehecht aan die eigenschappen.56 Meer in het algemeen rijst de vraag waarom
er in de deverbale woordvorming zoveel nadruk wordt gelegd op semantische rollen en de vraag of
bepaalde woorden subjects- dan wel objectsnamen zijn, terwijl die factoren geen enkele rol spelen
bij niet-deverbale woordvorming.
Door het belang van de semantische eigenschappen van een woord te beklemtonen, zochten we
aansluiting bij de aanpak met semantische nissen die Hüning (2009:188) en Van Santen (2010:20-21)
bepleit hebben. Daarin vormen de taalgebruikers neologismen die analoog zijn aan de bestaande
woorden binnen een semantische nis in een welbepaalde morfologische categorie omdat zij willen
dat die neologismen semantisch aansluiten bij die bestaande woorden.
54
Onder syntactische eigenschappen verstaan we hier de semantische rol die aan een bepaald deverbaal
woord wordt toegekend en de vraag of dat deverbaal woord een subjects- of objectsnaam is. Semantische
rollen en subject/object zijn namelijk termen uit syntactisch onderzoek.
55
Zoals we ook in voetnoot 51 al aangaven, is het geen nieuw idee dat het syntactisch domein van suffixen kan
worden uitgebreid via semantische gelijkenis: Taeldeman (1987) stelde bijvoorbeeld dat het syntactisch
domein van –ling zich heeft uitgebreid via semantische overeenkomst.
56
Vergelijk dit met De Caluwe (1992:145) die stelt “dat de overvloed aan betekeniscategorieën bij denominaal
–er (…) die herinterpretatie [van –er als suffix met een open semantiek, AD] gesteund heeft.”
67
2. Belang van diachrone ontwikkelingen
Een tweede bevinding van dit onderzoek is dat een focus op het hedendaagse taalsysteem te beperkt
is om inzicht te krijgen in de complexiteit van woordvorming en de verhoudingen tussen de
verschillende woordvormingsprocedés. Het is dus noodzakelijk om rekening te houden met de
geschiedenis van de verschillende woordvormingsprocedés.
Ten eerste is het zo dat diachrone ontwikkelingen ons inzicht kunnen bieden in de synchrone
verhoudingen tussen de woordvormingsprocedés. Zoals verschillende keren naar voren kwam,
blijven eigenschappen van het oorspronkelijke benoemingsdomein van een suffix namelijk vaak
behouden bij nieuwe gebruiken van dat suffix. Zo zagen we dat –ing primair werd gebruikt om
nomina actionis te vormen, vrij abstracte namen met een handelingsbetekenis (Schönfeld 1970:209).
Binnen de semantische groep van namen voor machines/installaties/mechanismen was het die
abstracte betekenis die de –ing-nomina onderscheidde van hun tegenhangers op -er (vergelijk De
Caluwe 1994:243). Nog duidelijker bleven de eigenschappen van het oorspronkelijke
benoemingsdomein misschien wel behouden bij het deverbale suffix –er, dat prototypisch nomina
agentis vormt (Schönfeld 1970:213). Dat prototypische benoemingsdomein werd gekarakteriseerd
aan de hand van de features [+ menselijk], [+ telbaar], [+ concreet] en [+ agentief]. Bij de nietprototypische gebruiken van –er die in deze scriptie aan bod kwamen, blijven altijd een of meerdere
van die features behouden, zoals in onderstaande tabel wordt weergegeven.
nomina agentis
machines/werktuigen
stofnamen
[+ menselijk]
[- menselijk]
[- menselijk]
[+ telbaar]
[+ telbaar]
[- telbaar]
[+ concreet]
[+ concreet]
[ + concreet]
[+ agentief]
[+ agentief]
[ + agentief]
bv. zandstraler,
bv. wasverzachter,
blikopener
deurslotontdooier
bv. loper, volger
taalhandelingen
[- menselijk]
[+ telbaar]
[- concreet]
[+ agentief]
bv. uitbrander
Tabel 10: Uitbreiding benoemingsmogelijkheden –er (4)
Ten tweede kan diachroon onderzoek ons ook laten zien hoe de verhoudingen tussen de
verschillende woordvormingsprocedés kunnen wijzigen. Die verhoudingen kunnen wijzigen doordat
het benoemingsdomein van een bepaald suffix uitbreidt, zodat woordvormingsprocedés in elkaars
vaarwater terechtkomen. De uitbreiding van het benoemingsdomein van –er naar namen voor
stoffen leidde er bijvoorbeeld toe dat dat suffix een concurrent werd voor het suffix –sel (vergelijk
Taeldeman 1990:87-90).
De verhouding tussen de verschillende woordvormingsprocedés kan echter ook wijzigen zonder dat
één van die woordvormingsprocedés zijn benoemingsdomein uitbreidt. Bij onze bespreking van het
suffix –ling zagen we bijvoorbeeld dat dat suffix zich anders is gaan verhouden tegenover het suffix –
er. Tegenwoordig is er tussen beide suffixen zowel een connotatief als een denotatief verschil
(vergelijk Speyer 1913 en Taeldeman 1987): woorden op -ling hebben een negatievere, minder
68
agentieve en specifiekere betekenis dan woorden op –er (bijvoorbeeld volgeling tegenover volger).
Die negatieve connotatie is echter niet altijd aanwezig geweest bij –ling-woorden (Taeldeman
1987:20), en we vroegen ons ook af of wel alle –ling-woorden steeds op denotatief vlak verschillen of
verschild hebben van de corresponderende –er-woorden. Er werd gesuggereerd dat er tussen
sommige –ling en –er-woorden vroeger misschien vooral een stilistisch verschil was. Om dat te
kunnen bevestigen, zou er echter extensiever diachroon onderzoek nodig zijn. Bij de bespreking van
de categorie decoratie- en bouwmateriaal lieten we bovendien de vraag open hoe de suffixen –ing
en –sel concurrent geworden zijn (bijvoorbeeld versiering versus versiersel). Het zou interessant zijn
om te onderzoeken wanneer en hoe beide suffixen naast elkaar kwamen te staan en hoe dat verder
geëvolueerd is tot de huidige verhouding. Eigenlijk is er in het algemeen meer onderzoek nodig naar
de geschiedenis van de woordvormingsprocedés. Het diachrone onderzoek naar de Nederlandse
woordvormingsprocedés is – op een aantal uitzonderingen zoals Hüning (1999) na – vrij beperkt,
maar het is een terrein waarop er zeker nog heel wat te ontdekken valt.
3. Syntagmatische regels met restricties vatten de complexiteit van woordvorming niet
Zoals in 1.2.2 en 1.2.3 werd aangegeven, is er de laatste jaren kritiek gekomen op het idee dat
woordvorming te vatten is in een aantal syntagmatische regels waarvoor absolute en relatieve
restricties gelden en heeft men betoogd dat woordvorming moet worden gezien als een
paradigmatisch proces waarin nieuwe woorden worden gevormd naar analogie met bestaande
woorden (zie Hüning 1999:21-33, Hüning 2010). Ook in dit onderzoek is gebleken dat die
syntagmatische regels met restricties vrij artificieel zijn en dat analogiewerking frequent voorkomt bij
woordvorming.
Dat het vaak moeilijk is om algemeen geldende restricties te formuleren, werd duidelijk toen we de
vorming van namen voor animate entiteiten met het suffix –er onder de loep namen. Hoewel De
Haas & Trommelen (1993:170-176) nogal wat restricties op de basis van dergelijke –er-nomina
formuleren, waren er toch heel wat ‘onmogelijke’ woorden die in het reële taalgebruik wel degelijk
worden aangetroffen, zij het soms in artificieel taalgebruik om een welbepaald effect te
bewerkstelligen. Verschillende keren werd ook analogiewerking ingeroepen als verklarend principe.
Bij de stofnamen op –sel troffen we bijvoorbeeld nogal wat stofnamen aan die afgeleid waren van
werkwoorden, die zelf weer afleidingen waren van substantieven die een stof noemden
(bijvoorbeeld lijmsel naast lijm, foeliesel naast foelie). In sommige gevallen was er een duidelijk
verschil tussen de ongelede vorm en de –sel-vorm (bijvoorbeeld tussen smeer en smeersel), maar in
andere gevallen leken de twee vormen in hoge mate synoniem te zijn (bijvoorbeeld tussen lijm en
lijmsel). Om te verklaren waarom in dat laatste geval dan toch een –sel-afleiding werd gevormd,
stelden we dat die stofnamen op die manier ook formeel ingepast werden in het paradigma van de
stofnamen op –sel (naast bijvoorbeeld smeersel en papsel). Ook om de betekenistoekenning bij de
stamwoorden te verklaren, werd analogiewerking naar voren geschoven: doordat de
instrumentnamen vijl en zaag denominale werkwoorden vijlen en zagen opleverden, kon van het
werkwoord
scheppen
ook
een
deverbaal
substantief
schep
worden
gevormd
met
instrumentbetekenis.
69
Hoewel dit onderzoek dus een aantal bevindingen opleverde, is hiermee zeker niet alles gezegd over
de vorming van deverbale substantieven vanuit onomasiologisch perspectief. Er werd gefocust op
één (zeer breed) concept (‘entiteit met werking’) en op een beperkt aantal woordvormingsprocedés
(vooral –er, –ling, –sel, –ing en stamwoorden). Het zou zeker de moeite waard zijn om na te gaan hoe
de besproken woordvormingsprocedés zich verhouden tot andere (ook niet-morfologische) procedés
(zie 2.1) waarmee entiteiten met werking worden benoemd, en ook om de benoeming van andere
concepten (bijvoorbeeld nomina actionis) van naderbij te bestuderen. In deze scriptie baseerden we
ons zowel voor het diachrone als voor het synchrone aspect grotendeels op informatie uit (al dan
niet historische) woordenboeken. Het zou nu interessant kunnen zijn om na te gaan of de
bevindingen ook overeind blijven als we naar het reële taalgebruik kijken. Via enquêteonderzoek en
experimenteel onderzoek zou bijvoorbeeld bekeken kunnen worden welke betekenis(sen) en welke
gevoelswaarde
taalgebruikers
met
bepaalde
woordvormingsprocedés
associëren.
Via
corpusonderzoek kan bovendien nagegaan worden welke keuzes taalgebruikers maken om bepaalde
concepten te benoemen. Corpusonderzoek in historische corpora zou bovendien meer inzicht
kunnen bieden in de historische ontwikkeling van (de verhouding tussen)
bepaalde
woordvormingsprocedés.
70
Referentielijst
“Balisto” (11/03/2015). In: Wikipedia, the free encyclopedia. Wikimedia Foundation, Inc.
<http://en.wikipedia.org/wiki/Balisto> (18/04/2015).
Beke, S. (2014). Labiele werkwoorden in het Nederlands. Een diachrone studie naar hun
productiviteit, basisconstructie en labiliseringstijd [onuitgegeven masterscriptie]. Gent:
Universiteit Gent.
Booij, G. (1986). ‘Form and meaning in morphology: the case of Dutch agent nouns’. Linguistics 24,
503-518.
Booij, G. (2002). The morphology of Dutch. Oxford: Oxford University Press.
Booij, G. & A. Van Santen (1998). Morfologie. De woordstructuur van het Nederlands. Amsterdam:
Amsterdam University Press.
Buekens, Filip (2006). Jacques Lacan. Proefvlucht in het luchtledige. Leuven: Acco. Online
geraadpleegd op
<http://books.google.be/books?id=YbqLyk7oHzgC&printsec=frontcover&hl=nl&source=gbs_
ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false> (30/04/2015).
Bybee, J. (2010). Language, usage and cognition. Cambridge: Cambridge University Press.
Carmiggelt, Simon (1997). ‘Vrije tijd’. In: Simon Carmiggelt, Tussen mal en dwaas & klein beginnen.
s.l.: Singel Uitgeverijen. Online geraadpleegd op
<https://books.google.be/books?id=pWFyAAAAQBAJ&printsec=frontcover&hl=nl&source=gb
s_ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false> (30/04/2015).
De Caluwe, J. (1992). ‘Deverbaal –er als polyseem suffix’. Spektator 21 (2), 137-148.
De Caluwe, J. (1994). ‘Open versus gesloten semantiek van woordvormingsregels’. Spektator 23 (3),
240-247.
De Caluwe, J. (2008). ‘Bewildering polysemy of deverbal nouns. An onomasiological view on
affixation with –er in Dutch’. MorphOn, 1-11.
De Caluwe, J. (2010). ‘Woordvorming in onomasiologisch perspectief. Een case study uit het
Nederlands’. Voortgang, jaarboek voor de neerlandistiek 28, 71-91.
De Haas, W. & M. Trommelen (1993). Morfologisch handboek van het Nederlands. ’s-Gravenhage:
SDU.
Devos, Filip (1986). Het suffix –ing in Nederlandse deverbatieven: semantiek en productiviteit
[onuitgegeven masterscriptie]. Gent: Universiteit Gent.
Devos, Filip (1990). ‘Semantiek en produktiviteit van nomina actionis op –ing in het Nederlands’. In:
De Caluwe, J. (red.), Betekenis en produktiviteit. Gentse bijdrage tot de studie van de
71
Nederlandse woordvorming. Gent: Seminarie voor Duitse Taalkunde (Studia Germanica
Gandensia), 25-55.
EWN = Philippa, M., F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim & N. van der Sijs (2003-2009).
Etymologisch woordenboek van het Nederlands. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Online geraadpleegd op <www.etymologiebank.nl> (maart-juli 2015).
Grondelaers, S. & D. Geeraerts (2003). ‘Towards a pragmatic model of cognitive onomasiology’. In:
Cuyckens H., R. Dirven & J.R. Taylor (red.), Cognitive approaches to lexical semantics. Berlijn:
Mouton de Gruyter, 67-92.
Haeseryn, W. et al. (1997). Algemene Nederlandse spraakkunst. Tweede, geheel herziene druk.
Groningen: Martinus Nijhoff/Deurne: Wolters Plantyn. Online geraadpleegd op
<http://ans.ruhosting.nl/e-ans/index.html> (november 2014-juli 2015).
Hay, J.B. & R.H. Baayen (2005). ‘Shifting paradigms: gradient structure in morphology’. Trends in
cognitive sciences 9 (7), 342-348.
Haspelmath, Martin (2003). ‘The geometry of grammatical meaning: semantic maps and crosslinguistic comparison’. In: Tomasello, M. (red.), The new psychology of language. Mahwah,
NJ: Erlbaum, 211-242.
Hüning, M. (1992). ‘De concurrentie tussen deverbale nomina met ge- en op –erij’. Spektator 21 (2),
161-172.
Hüning, M. (1999). Woordensmederij. Den Haag: Holland Academic Graphics.
Hüning, M. (2004). ‘Concurrentie en equivalentie in de morfologie: het suffix –achtig’. In: De Caluwe,
J. et al. (red.), Taeldeman, man van de taal, schatbewaarder van de taal. Gent: Academia
Press, 547-556.
Hüning, M. (2009). ‘Semantic niches and analogy in word formation. Evidence from contrastive
linguistics’. Languages in contrast 9 (2), 183-201.
Hüning, M. (2010). ‘Productiviteit in taal en taalgebruik. Overwegingen vanuit een diachroon
perspectief’. Voortgang, jaarboek voor de neerlandistiek 28, 51-69.
Koefoed, G. (1991). ‘Morfologie en pragmatiek: produktiviteit en de act van benoeming’. Forum der
letteren 32, 161-172.
Koefoed, G. (1993). Benoemen. Een beschouwing over de faculté du langage [doctoraat]. Amsterdam:
P. J. Meertens-instituut voor dialectologie, volkskunde en naamkunde.
Mackenzie, J.L. (1985). ‘Genominaliseer’. Ttt – Interdisciplinair tijdschrift voor taal- &
tekstwetenschap 5, 177-199.
Meibauer, J., A. Guttropf & C. Scherer (2004). ‘Dynamic aspects of German –er-nominals : a probe
into the interrelation of language change and language acquisition’. Linguistics 42 (1), 155193.
72
Meire, Johan (2007). ‘De verwevenheid van het private en het publieke in rouw’. In: Leijssen,
Lambert (red.), Dood en begrafenis. Leuven: Leuven University Press, 177-206. Online
geraadpleegd op
<https://books.google.be/books?id=CYUT7C6oeZ8C&printsec=frontcover&hl=nl&source=gbs
_ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false> (30/04/2015).
MNW = Verwijs, E. & J. Verdam (1885-1952). Middelnederlandsch Woordenboek. Leiden: Martinus
Nijhoff. Online geraadpleegd op <http://gtb.inl.nl> (maart-juli 2015).
ONW = Pijnenburg, W. et al. (2009) Oudnederlands Woordenboek. Leiden: Instituut voor Nederlandse
lexicologie. Online geraadpleegd op <http://gtb.inl.nl> (maart-juli 2015).
Prisma handwoordenboek Nederlands (3e druk) (2007). Utrecht: Het Spectrum.
Rainer, F. (2003). ‘Semantic fragmentation in word-formation: the case of Spanish –azo’. In: Singh, R.
& S. Starosta (red.), Explorations in seamless morphology. New Delhi, Thousand Oaks,
Londen: Sage Publications, 197-211.
Rainer, F. (2005a). ‘Semantic change in word formation’. Linguistics 43 (2), 415-441.
Rainer, F. (2005b). ‘Typology, diachrony, and universals of semantic change in word formation: a
Romanist’s look at the polysemy of agent nouns’. In: Booij, G., E. Guevara, A. Ralli, S. Sgroi &
S. Scalise (red.), Morphology and linguistic typology. On-line proceedings of the fourth
Mediterranean morphology meeting, Catania 21-23 September 2003. University of Bologna. <
http://pubman.mpdl.mpg.de/pubman/item/escidoc:403906:6/component/escidoc:403905/
morpholomo_booij2005_s.pdf#page=21> (21/05/2015).
Randall, J. H. (1984). ‘Grammatical information in word structure’. Quaderni di semantica 5, 313-330.
Schönfeld, M. (1970). Historische grammatica van het Nederlands (editie Van Loey). Zutphen: N.V.
W.T. Thieme & Cie.
Speyer, J.S. (1913). ‘Eenige opmerkingen omtrent de Nederlandsche substantiva met het suffix –ling’.
Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 32, 35-46.
Taeldeman, J. (1985). ‘Afleidingen van het type [GE + ww.stam] in het Nederlands: semantiek en
produktiviteit’. In: De Caluwe, J. & J. Taeldeman (red.), Leksikaal semantische aspecten van
de Nederlandse woordvorming. Gent: Seminarie voor Duitse Taalkunde (Studia Germanica
Gandensia), 34-69.
Taeldeman, J. (1987). ‘Nederlandse deverbatieven op –(e)ling: een geval van tematische motivering’.
Spektator 17 (1), 17-27.
Taeldeman, J. (1990). ‘Afleidingen op –sel: semantiek, produktiviteit en integratie in een globale
verantwoording van deverbatieve nomina’. In: De Caluwe, J. (red.), Betekenis en
produktiviteit. Gentse bijdrage tot de studie van de Nederlandse woordvorming. Gent:
Seminarie voor Duitse Taalkunde (Studia Germanica Gandensia), 77-115.
73
Taeldeman, J. & C. De Wulf (2010). ‘Niet-suffigale eind-sjwa’s in de Vlaamse dialecten’. In: De
Caluwe, J. & J. Van Keymeulen (red.), Voor Magda. Artikelen voor Magda Devos bij haar
afscheid van de Universiteit Gent. Gent: Academia Press, 591-612.
Van Dale (1976) = Kruyskamp, C. (red.), Groot Woordenboek der Nederlandse taal (10de druk). ’sGravenhage: Martinus Nijhoff.
Van Dale (1984) = Geerts, G. & H. Heestermans (red.), Groot Woordenboek der Nederlandse taal (11de
druk). Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
Van Dale (2014) = Den Boon, C.A., D. Geeraerts & R. Hendrickx (red.), Dikke Van Dale Online. Utrecht:
Van Dale Uitgevers, 2008-2014.
Van Santen, A. (2010). ‘Betekenis: de sturende kracht van woordvorming’. Voortgang, jaarboek voor
de neerlandistiek 28, 7-27.
Vandeweghe, W. (2004). Grammatica van de Nederlandse zin (6de druk). Antwerpen & Apeldoorn:
Garant.
Vanhoutte, E. (2004). ‘Verslag over de activiteiten van het Centrum voor Teksteditie en
Bronnenstudie in 2004’. Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie.
<http://ctb.kantl.be/jaarverslag/versl2004.htm> (26/04/2015).
VMNW = Pijnenburg, Willy et al. (2001). Vroegmiddelnederlands Woordenboek. Leiden: Instituut voor
Nederlandse Lexicologie/Gopher Publishers. Online geraadpleegd op <gtb.inl.nl> (maart-juli
2015).
Website Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (13/01/2015). Universiteit
Gent.<http://www.wvd.ugent.be/file/9> (26/04/2015).
WNT = De Vries, Mathias, Lambert Te Winkel et al. (1864-1998). Woordenboek der Nederlandsche
Taal. ’s-Gravenhage/Leiden: Martinus Nijhoff/Brill. Online geraadpleegd op <gtb.inl.nl>
(maart-juli 2015).
74
Bijlagen
Bijlage 1: overzicht van semasiologische artikels
Artikel
Betekeniscategorieën
Definitie
Factitief
“afleidingen die de handeling zelf noemen”
Voorbeelden
geblaf, gejuich, gezwoeg, gevlei,
getik
“afleidingen die het resultaat van de in het
Effectobject
werkwoord genoemde handeling
gebak, gebouw, gedicht, gesticht
aanduiden”
“afleidingen die het objekt aanduiden dat
Affectobject
passief bij de (door het werkwoord
geschenk
uitgedrukte) handeling betrokken is”
[ge + V]
(Taeldeman 1985)
“afleidingen die een objekt noemen waaraan
Onafhankelijk object
zich iets voordoet. In tegenstelling tot de
vorige twee klassen is er hier geen agens in
gewas, gevolg
het spel”
“afleidingen die een objekt aanduiden
Instrumentalis
waarmee de (door het werkwoord
gehoor, geweer
uitgedrukte) handeling uitgevoerd wordt”
“afleidingen die levende wezens aanduiden
Agentief
die aktief bij de (door het werkwoord
gehoor, gevolg
genoemde) handeling betrokken zijn”
Betekeniscategorieën voor [ge + V] volgens Taeldeman (1985)
75
Artikel
Betekeniscategorieën
Definitie
Voorbeelden
arbeider, bidder, lijder, zender,
Agens
-
binder, jager, leider, vlieger,
kerkganger, houder, kneder, snijder,
doder, messetrekker, teller, speler
zender, (zelf)binder, (marine)jager,
Onpersoonlijk
Subjectsnaam
Agens
urineleider, vlieger, blindganger,
-
borstelhouder, blaffer, klinker,
(zelf)vernietiger, (zelf)ontspanner,
zoemer, wijzer, rookmelder
zender, (hooi)binder, (marine)jager,
[V+er]
(Booij 1986)
Instrument
-
brandmelder, kneder, strosnijder,
ploertendoder, kurkentrekker,
toerenteller, platenspeler
Theme
-
uitloper, meevaller, uitvaller, breker
Instapper, bijsluiter, aanrader,
Logisch-
meezinger, inruiler, doordenker,
objectsnaam
Ander
daler, stijger, groeier, zinker,
rokertje, krijgertje
Event name
sisser, misser
Causative name
afknapper, dijenkletser
Betekeniscategorieën voor [V + er] volgens Booij (1986)
76
Artikel
Betekeniscategorieën
Definitie
Voorbeelden
banneling, bekeerling, dopeling,
Contra-agentief
“levende wezens waarop de handeling van
huurling, kwekeling, leerling,
het basiswerkwoord zich richt”
verstekeling, vertrouweling,
zendeling
[V + ling]
(Taeldeman 1987)
57
Theme
Benefactief
Experiencer
“levende wezens die indirekt bij de
handeling betrokken zijn”
“levende wezens waaraan zich een
(verandering van) toestand voordoet”
(schijnbaar)
“levende wezens die de handeling van het
Agentief
basiswerkwoord verrichten”
bestemmeling
sterveling, mislukkeling
beginneling, boeteling, nakomeling,
smekeling, volgeling, vluchteling,
zuigeling
Betekeniscategorieën voor [V + ling] volgens Taeldeman (1987)
Artikel
Betekeniscategorieën
Definitie
Voorbeelden
verbetering, beplanting,
“nomina die een handeling, een toestand of een proces
Nomen actionis
noemen”
[V + ing]
ontkerkelijking,
overbrugging,
verzustering
(Devos 1990)
Transitiefobject
Effectobject
Affectobject
57
herverkaveling,
“resultaat van de door het werkwoord uitgedrukte
regeling, tekening,
handeling of ‘wat door V (=verbum) ontstaat’”
verfilming, verzameling
“het object dat passief betrokken is bij de handeling en
bezitting, heffing, lening,
Gedefinieerd als “een persoon die een handeling ondergaat of aan een (verandering van) toestand onderhevig is" (Taeldeman 1987:25).
77
dus niet het resultaat ervan is” (minder talrijk)
storting
“afleidingen die het object of de ‘kracht’ noemen
waarmee de handeling uitgedrukt door het werkwoord,
verricht wordt”
Instrumentalis
kleding, lading, schutting,
Materiaal
smering, stopping,
voeding, voering, vulling
koppeling, overbrenging,
Materieel
versnelling
Locatief
(vaak facultatieve betekenis)
Wijze
(vaak facultatieve betekenis)
Temporeel
(vaak facultatieve betekenis)
lozing, berging, woning,
doening, slaping, vulling
opening (schaakterm),
passing (technisch)
opvoeding, storing
leiding, regering,
Agentief
“personen die de handeling verrichten”
beweging, verdediging,
vergadering,
vertegenwoordiging
“personen die een handeling ondergaan. Semantisch
Experiencer
sluiten ze aan bij de transitiefobjecten, maar ze nemen
een aparte positie in door hun verwijzing naar
lichting, verovering
personen”
Ergatiefobject
“het ergatiefobject noemt niet-levende fenomenen
aanzetting, bevlieging,
waarvan een werking uitgaat of waaraan zich een
afwijking, bezinking,
toestand voordoet. In tegenstelling tot het
opwelling, vergroeiing,
78
transitiefobject […] is hier geen agens in het spel: de
schittering
syntactische realisatie toont een niet)agentief subject”
Betekeniscategorieën voor [V + ing] volgens Devos (1990)
Artikel
Betekeniscategorieën
Definitie
Nomen actionis
Voorbeelden
doopsel, vormsel, oliesel
brouwsel, druksel,
kooksel, maaksel,
schepsel, vlechtsel,
voortbrengsel, weefsel,
Effectobject
“concrete objecten die uit de handeling van het
braaksel, knipsel,
(transitieve) basiswerkwoord voortvloeien”
probeersel, kauwsel,
(uit)dunsel, harksel,
kamsel, schaafsel,
Transitiefobject
schudsel, snoeisel, vijlsel,
[V + sel]
zaagsel
(Taeldeman 1990)
mengsel, plantsel,
Affectobject
“concrete objecten die de handeling van het
(transitieve) basiswerkwoord ondergaan”
voorvoegsel, kneedsel,
kweeksel, plantsel
(hebben ook effectobjectbetekenis)
“nomina die een middel noemen waarmee de
handeling van het basiswerkwoord uitgevoerd wordt”
Instrumentalis
Materiaal
“grondstoffen/benodigdheden” (“concreta, die zowel
behangsel, blauwsel,
stofnamen […] als collectiva […] en objectsnamen
deksel, droogsel,
aanduiden”)
emailleersel, omhulsel,
79
opsmuksel, plombeersel,
smeersel, stolsel,
schoeisel, tooisel,
voedsel, (op)vulsel
Materieel
“werktuigen/machines/apparaten waarmee een
handeling uitgevoerd wordt”
aanhangsel, aanslibsel,
“dingen waaraan zich iets voordoet zonder dat er een
Ergatiefobject
agens in het spel is […] Het zijn allemaal afleidingen van
ergatieve werkwoorden”
afzetsel, jeuksel, letsel,
overblijfsel, schijnsel,
stuifsel, uitspansel,
uitsteeksel, voortvloeisel,
verschijnsel, (be)zinksel
Betekeniscategorieën voor [V + sel] volgens Taeldeman (1990)
Artikel
Betekeniscategorieën
Nomen actionis
Definitie
Voorbeelden
“het telkens of aanhouden (en (daarom) op een
flemerij, klaploperij,
irritante manier X”
zoekerij, knoeierij
“iets dan men ge-X-d heeft; resultaat/produkt van X”
[V + erij]
(Hüning 1992)
Affect-object
dromerij, knoeierij,
mijmerij
“’iets wat men kan X’ of ‘object van X’”
eterij, drinkerij, vreterij
“dat wat X-t”
vleierij
“gelegenheid waarbij men X-t”
eterij, proeverij
“geheel van activiteiten en zaken die met X verbonden
zijn (vak, beroep, bedrijf)”
“plaats waar men (professioneel) X-t”
voetballerij, turnerij,
schaatserij, wielrennerij,
fokkerij
bakkerij, brouwerij,
80
drukkerij, kwekerij, slijterij,
spinnerij, stomerij,
uitgeverij, ververij, weverij,
zagerij
Betekeniscategorieën voor [V + erij] volgens Hüning (1992)
Artikel
Betekeniscategorieën
Agens
Definitie
persoonlijk
onpersoonlijk
materieel
Instrument
materiaal
[V+er]
(De Caluwe 1992, 1994,
2008)
Voorbeelden
arbeider, loper, versierder, speler,
smokkelaar
golfbreker, borstelhouder, wijzer,
zelfontspanner
blikopener, kurkentrekker, grijper,
gieter
waterverzachter, ontkalker,
ontstopper, mierenverdelger
daler, stijger, uitloper, meevaller,
Thema
laatbloeier
bijsluiter, aanrader, overgooier,
Patiens
onderlegger
giller, afknapper, dijenkletser,
Causatief
lachertje, doordenkertje, hangertje,
meezinger, afzakkertje
Locatief
hoogslaper, tweezitter
Betekeniscategorieën voor [V + er] volgens De Caluwe (1992, 1994, 2008)
81
Bijlage 2: concurrerende procedés in Taeldeman (1985), Taeldeman (1987), Devos (1990) Taeldeman (1990)
Artikel
Betekeniscategorieën
Concurrenten
Voorbeelden
[V], [V + ablaut], [V + st], [V + t], [V + ablaut +
dronk, duw, gil, klacht, rit, sprong,
t]
stoot, worp, bouw, hulp, jacht, vaart
[V + ing]
bewegwijzering, ontbossing,
ontsluiting, opwaardering, aarzeling,
botsing, buiging, dwaling, poging,
Factitief
storing, streling, berging, inning,
kroning, levering, vernietiging
[V + erij]
dromerij, knoeierij, kruiperij, rijmerij,
snoeperij, veinzerij, zuiperij,
bedriegerij, oplichterij, afschrijverij
[ge + V]
infinitief
babbelen, klimmen, dreigen
(Taeldeman 1985)
[V + sel]
baksel, brouwsel, weefsel, zaagsel
[V + werk]
breiwerk, dichtwerk, smeedwerk
[V + ing]
mengeling, tekening, afbeelding
[V + erij]
schilderij, stoverij
[V]
druk, ets, plooi, vlecht
[V + st]
winst, vangst
[V + te]
bakte, brouwte
Effectobject
Affectobject
-
Onafhankelijk object
-
Instrumentalis
-
Agentief
Concurrerende woordvormingsprocedés voor [ge + V] volgens Taeldeman (1985)
82
Artikel
Betekeniscategorieën
Contra-agentief
[V + ling]
(Taeldeman 1987)
Definitie
[voltooid deelwoord + e]
Voorbeelden
afgedankte, bedrogene, ontvoerde,
geschaakte, verdoemde, verworpene
Benefactief
Theme58
Experiencer
(schijnbaar)
Agentief
[V + er]
[V + er]
laatbloeier, stinker, inwoner
aankomer, beginner, slaper, smeker,
staker, trouwer, zwerver
Concurrerende woordvormingsprocedés voor [V + ling] volgens Taeldeman (1987)
Artikel
Betekeniscategorieën
Nomen actionis
[V + ing]
(Devos 1990)
Transitiefobject
58
Effectobject
Definitie
Voorbeelden
infinitief
het schrijven, het zinken
[ge + V]
gesnurk
[V + erij]
omkoperij
[V + sel]
doopsel
[V]
onderhoud
[V + ablaut]
worp, dronk, stank, toename
[V + t]
jacht
[V + st]
komst, vangst
[V + te]
schaamte
[V + enis]
begrafenis, kennis, vergiffenis
[V]
brei, ets
[V + ablaut]
overzicht
[ge + V]
gebak, gebouw, gebraad
Gedefinieerd als “een persoon die een handeling ondergaat of aan een (verandering van) toestand onderhevig is" (Taeldeman 1987:25).
83
[V + erij]
stoverij
[V + sel]
bouwsel, druksel, mengsel
[V + werk]
bouwwerk, schilderwerk, tekenwerk
-
-
[V]
opmaak
[V + ablaut]
verband, slot
[V + sel]
stopsel, vulsel, voedsel
[ge + V]
geweer, geschut
[V + er]
sluiter, versneller
[V + erij]
bakkerij, wasserij, zagerij, uitgeverij
[V]
gang, verblijf
[V + ablaut]
oprit
[V + st]
woonst
Wijze
[V + ablaut]
dracht
Temporeel
[V + ablaut ]
dracht
[V]
gevolg, bestuur, bezoek
[V + ablaut]
weerstand
[V + st]
opkomst
[V +er]
bakker, zanger, dienaar
[V + erd]
pruilerd, veinzerd
Experiencer
-
-
Ergatiefobject
[V + sel]
aanslibsel, aanzetsel, bezinksel
Affectobject
Instrumentalis
Materiaal
Materieel
Locatief
Agentief
Concurrerende woordvormingsprocedés voor [V + ing] volgens Devos (1990)
84
Artikel
Betekeniscategorieën
Definitie
Voorbeelden
Nomen actionis
-
-
Effectobject
Transitiefobject
Affectobject
ets, verlies, vlecht, bouw
[V]
band
[V + ablaut]
gift, overdracht
[V + t]
belofte, bakte
[V + te]
vangst, winst
[V + st]
schilderij, stoverij
[V + erij]
gebak, gebouw, gedicht
[ge + V]
schepping, stichting, afbeelding,
[V + ing]
herstelling, optelling, uitvinding,
vergroting, verzameling
[V + werk]
[V + sel]
breiwerk, drukwerk, metselwerk,
smeedwerk, vertaalwerk
(Taeldeman 1990)
Materiaal
[V]
verf, lijm, kleed, schut, smeer,
behang blauw
[V + ing]
verpakking, voeding, afsluiting,
(be)kleding, dakbedekking,
versiering, vulling
[V + er]
Instrumentalis
ontkalker, pijnstiller, ontstopper,
poriënvuller, waterverzachter
composita
behangpapier, kleefstof,
smeermiddel, verfprodukt,
verlengstuk
Materieel
-
85
Ergatiefobject
[V]
bloei, (aan)groei, schijn, stof
[ge + V]
gevolg, gewas, gewelf
[V +ing]
aanslibbing, bezinking, vergroeiing
Concurrerende woordvormingsprocedés voor [V + sel] volgens Taeldeman (1990)
86
Bijlage 3: suffix -aar
aftekenaar
harpenaar
mopperaar
babbelaar
haspelaar
oefenaar
baggeraar
hekelaar
offeraar
bedelaar
hengelaar
omschakelaar
bedienaar
hompelaar
onderhandelaar
beeldenaar
huichelaar
ondertekenaar
behandelaar
huppelaar
ontwapenaar
beieraar
ijveraar
ontwikkelaar
belegeraar
inburgeraar
oordelaar
bemiddelaar
intekenaar
opstapelaar
benaderaar
invorderaar
opvijzelaar
cateraar
kakelaar
overwinnaar
cijferaar
kankeraar
pendelaar
computeraar
kegelaar
peuteraar
dienaar
keutelaar
piekeraar
dobbelaar
keuvelaar
piemelaar
dompelaar
kietelaar
pingelaar
donderaar
kladderaar
pleisteraar
druppelaar
knevelaar
ploeteraar
duikelaar
knibbelaar
plunderaar
evenaar
knutselaar
pruttelaar
femelaar
lasteraar
puzzelaar
fiedelaar
leraar
rammelaar
flodderaar
leuteraar
ratelaar
fluisteraar
loochenaar
redderaar
folteraar
louteraar
regelaar
frutselaar
luisteraar
rekenaar
geselaar
makelaar
reutelaar
gijzelaar
marmeraar
rijmelaar
goochelaar
martelaar
roddelaar
grabbelaar
metselaar
roffelaar
grommelaar
middelaar
ronselaar
hakkelaar
minnaar
sabberaar
hakselaar
modderaar
schakelaar
handelaar
moordenaar
scharrelaar
87
schilderaar
toeleveraar
wauwelaar
schimmelaar
toeteraar
weifelaar
schoffelaar
tovenaar
weigeraar
schommelaar
verbeteraar
wichelaar
schuieraar
veredelaar
wikkelaar
sjacheraar
vereffenaar
winkelaar
skeeleraar
vergaderaar
winnaar
tafelaar
verhandelaar
wisselaar
takelaar
verkavelaar
woekeraar
tateraar
verloochenaar
zegelaar
tekenaar
vermeerderaar
zegenaar
tichelaar
vernevelaar
zemelaar
timmeraar
veroveraar
zuiveraar
tippelaar
wandelaar
zwendelaar
88
Bijlage 4: suffix -er
aanaarder
fietser
inhaker
aanbidder
filmer
inhaler
aanbieder
fineerder
inkeerder
aangever
flemer
inkoper
aanhanger
flierefluiter
inkopper
aanhouder
flikker
inlegger
aanjager
flitser
jager
aanklager
fluiter
janker
aankondiger
fokker
jasser
aannemer
frezer
jatter
baander
gaper
jenner
bader
gebaarder
jongleerder
bakker
gebieder
jutter
ballonvaarder
gebruiker
kaarder
bankhanger
geeuwer
kakker
bedeler
geheimhouder
kalker
bedrieger
gekscheerder
kampeerder
bedrijver
geleider
kamper
begeleider
gelijkmaker
kanovaarder
beginner
gelover
kaper
codeerder
haalder
kapper
comazuiper
haarklover
kauwer
dager
haarknipper
keerder
daler
hakker
lacher
damper
haler
lader
danser
handkijker
lapper
deelnemer
hanger
lasser
dekker
harddraver
legger
deler
harder
leider
delver
hardloper
lener
demper
hardrijder
lesgever
denker
ijker
leurder
echtbreker
inbreker
lezer
eiser
incasseerder
maaier
eter
indringer
maalder
89
maler
penner
uitbreker
magnetiseerder
perser
uitbrenger
maker
rader
uitbuiter
markeerder
rager
uitdager
mededinger
rakker
uitdoener
medestander
rangeerder
uitdrager
medewerker
raper
vaarder
meedeiner
rasper
vanger
nablijver
reageerder
vasthouder
nabloeier
rechter
vastloper
nabootser
rechtspreker
vechter
nabrander
reclasseerder
veger
nachtbraker
samenlever
veiler
nagelbijter
samensteller
venter
nakomer
samentrekker
verbeelder
nalezer
samenvoeger
verbouwer
naloper
samenzweerder
waaier
naprater
schaatser
waarnemer
observeerder
schaker
waarzegger
omganger
schamper
wachter
omhouwer
schatter
wadloper
omroeper
schaver
waker
omroller
tapper
walser
omslaander
taster
warmloper
omstander
tegenhouder
wasser
omsteker
tegenschreeuwer
weergever
omvormer
tegenstrever
zaaier
omzetter
tegenvaller
zager
pachter
tegenwerker
zakker
paffer
teler
zandstraler
pakker
teller
zanger
papper
temmer
zapper
parkeerder
uitbater
zegger
passer
uitbijter
zeiker
pauker
uitblinker
zeiler
peller
uitbrander
zender
90
Bijlage 6: suffix -ling
aangroeieling
klieveling
sterveling
aanhangeling
knuiveling
strippeling
aankomeling
krakeling
stuiveling
aannemeling
kruisling
toetseling
afhangeling
kwekeling
uitwijkeling
afkomeling
leerling
verbanneling
afstammeling
loteling
verdoemeling
balling
mislukkeling
verdommeling
banneling
muiteling
vernepeling
beginneling
nakomeling
verrekkeling
bekeerling
onderblijveling
verschoppeling
beschermeling
onderkomeling
verschoveling
bestedeling
onderworpeling
verstekeling
bestemmeling
opkomeling
verstoteling
bezetteling
oprapeling
vertrouweling
biechteling
opvoedeling
vervloekeling
boeteling
overwonneling
verworpeling
boreling
pikkeling
vluchteling
dopeling
poteling
volgeling
drenkeling
raggeling
vondeling
gieteling
rapeling
vormeling
goteling
rijveling
weveling
hateling
rijzeling
wijdeling
huurling
schaveling
zaailing
inboorling
slapeling
zageling
inwijdeling
smekeling
zendeling
inwijkeling
snippeling
zetling
kammeling
spanling
zuigeling
keurling
stekkeling
zwerveling
91
Bijlage 7: suffix -ing
aanaarding
daging
foefeling
aanberming
dagvaarding
fonkeling
aanbesteding
daling
formulering
aanbetaling
dankzegging
fundering
aanbeveling
datering
gaping
aanbidding
davering
garnering
aanbieding
deelneming
gebruikmaking
aandamming
deemstering
gedraging
aandoening
deining
geheimhouding
aandrijving
dekking
gelding
aanduiding
deling
geleiding
aaneenschakeling
demping
gelijkmaking
aanfluiting
denking
gelijkstelling
aangroeiing
derving
genezing
aanhaking
dichting
genieting
banning
echting
geringschatting
baring
echtscheiding
geruststelling
beaarding
ecologisering
geschiedschrijving
beademing
eenmaking
geseling
beantwoording
eenwording
haling
bebakening
eerbiediging
hamering
bebording
erkenning
handeling
bebouwing
ervaring
handhaving
becijfering
esthetisering
handtekening
bedaking
ettering
hantering
bedanking
etikettering
hapering
bedding
externering
hebbing
bedekking
faling
hechting
bedeling
fasering
heffing
bedenking
feodalisering
heiliging
cirkeling
fijnregeling
heining
communautarisering
financiering
hekeling
conditionering
fiscalisering
heling
constatering
flexibilisering
helling
creolisering
flikkering
ijking
92
ijzing
lating
namaning
inademing
laving
nasporing
inankering
legering
natrekking
inbedding
leiding
naspeuring
inbeelding
leniging
oefening
inbranding
lening
omarming
inburgering
lering
ombuiging
indaling
leuning
omdijking
indeling
leutering
omgeving
indeuking
levering
omhaling
indexering
machtiging
omheining
indijking
making
omhelzing
indompeling
maling
omkadering
indroging
markering
omkering
joeling
marteling
omkleding
jubeling
masculinisering
omkoping
jurering
maskering
omlegging
kaarting
matiging
omleiding
kabbeling
mechanisering
omlijsting
kadrering
medebrenging
paginering
kanteling
mededeling
pakking
kaping
mededinging
palatalisering
kappeling
medewerking
pantsering
karakterisering
mediatisering
papping
karteling
medicalisering
paring
kastijding
nabehandeling
passing
kaveling
nabespreking
peiling
kennisgeving
nabestelling
persing
kennismaking
nabeving
peutering
kentering
nabloeding
peuzeling
kering
nabootsing
pijniging
lading
nadering
pikettering
lambrisering
nagisting
plaatsing
landing
nakoming
plafonnering
lassing
naleving
raadpleging
lastering
nalezing
rafeling
93
raming
tegenstelling
verantwoording
rammeling
tegenwerking
verarming
rangschikking
tegenwerping
verassing
ranseling
tekening
verbanning
rapportering
tekortdoening
verbastering
rastering
tekortkoming
waardering
rateling
teleurstelling
waarneming
realisering
teling
waarschuwing
rechtvaardiging
telling
walging
rechtzetting
uitademing
wandeling
reclassering
uitbarsting
wankeling
redding
uitbating
wapening
redenering
uitbeelding
warming
salariëring
uitbetaling
warreling
samenkoppeling
uitblazing
warring
samenleving
uitbloeiing
wassing
samenscholing
uitboring
watering
samensnoering
uitbotting
wederkering
samenspanning
uitbouwing
wedervergelding
samenspreking
uitbreiding
zalving
samenstelling
uitbuiging
zegening
samenstemming
uitbuiting
zegging
samentelling
uitdaging
zekering
samentrekking
uitdamping
zending
samenvatting
valling
zenging
samenvloeiing
vaststelling
zetting
samenvoeging
vatting
zieltoging
samenwerking
veiling
zifting
takeling
velarisering
zinspeling
tanding
velling
zitting
tasting
verachting
zoeking
tegemoetkoming
verademing
zoldering
tegenoverstelling
verandering
zonering
tegenspreking
verankering
zuchting
94
Bijlage 8: stamwoorden
Impliciete transpositie
aai
kraak
pof
aanpak
(kraam)bezoek
(polder)bestuur
aanplant
krab
(post)wissel
afschrik
krabbel
(principe)besluit
afschuw
kuch
(roof)druk
(band)stoot
kuier
(roof)overval
bedrijf
lach
gevoel
beroep
(lach)stuip
schijn
beuk
lade
(schijn)aanval
blaas
(levens)behoud
schouw
bluf, bluts
(levens)belang
schrab
boor
(levens)bericht
schrap
bruis
(levens)duur
schreeuw
duik
(levens)loop
slijp
feil
(lot)geval
(snel)verkeer
geld
(menings)verschil
(snel)vervoer
gil
(mensen)offer
snik
gons
(mijn)bouw
(spoed)beraad
gooi
(niet-aanvals)verdrag
(staats)beleid
grijns
(nul)groei
(staats)bestel
haal
(nul)stand
(staats)bewind
(hand)omdraai
omgang
(staats)leer
(hand)rem
omhaal
stip
(hoge)raad
onderricht
stippel
hoor
onderscheid
(taart)schep
vat
(opinie)onderzoek
(tabaks)handel
(huur)koop
opzeg
(tegen)bevel
ingooi
opzet
(tegen)bewijs
(jaar)gang
overgang
teruggang
(klassen)haat
(padden)trek
tik
(klassen)strijd
paf
til
klap
peil
tuimel
knauw
(petroleum)stel
(tuin)aanleg
knel
plamuur
(tuin)gewas
95
uitvoer
verzet
weet
(uitvoerings)besluit
voeg
(wild)vang
uitwas
(vorst)verlet
(woning)huur
(vak)gebied
(vuur)stoot
(woning)ruil
(vak)onderwijs
(warmwater)toestel
woon
val
was
(woon)vertrek
verlies
(was)afdruk
(zelf)verwijt
(verlof)aanvraag
(weer)wil
zit
Stamwijziging
aanname
verslag
afbreuk
split
afdracht
spoedopname
afschot
(staats)greep
afslag
(steen)groeve
(band)opname
(tegen)aanbod
(bank)breuk
(tegen)bod
drank
teruggave
drang
uitgave
genot
(vak)bond
goot
genoot
(hurk)sprong
(vak)verbond
ingreep
(vers)snede
kreet
verstand
keuze
(visserij)band
kneep
voordracht
(koninginnen)rit
(vossen)jacht
(kraak)wacht
(weer)wraak
(maand)verband
(wild)stand
(moord)aanslag
(wild)zang
(nummer)slot
(woning)toezicht
(oog)opslag
(zins)bedrog
opzicht
(zin)spreuk
overgave
96
Bijlage 9: suffix -st
aanbrengst
opbrengst
aanwenst
opkomst
aanwinst
samenkomst
afkomst
terugkomst
bekomst
terugontvangst
bijeenkomst
thuiskomst
dienst
toekomst
doorkomst
tussenkomst
gunst
uitkomst
herkomst
vangst
inbrengst
verdienste
inkomst
verlangst
jonste
vondst
komst
wederkomst
konst
welkomst
kunst
wenst
meenste
winst
ontvangst
woonst
97
Bijlage 10: suffix -sel
aanbaksel
beletsel
frutsel
aanbrandsel
bemoeisel
garneersel
aanbrengsel
bereidsel
gedachtespinsel
aangroeisel
beschutsel
geelsel
aanhangsel
besteeksel
gewelfsel
aanhechtsel
bezetsel
gezegsel
aankleefsel
bezinksel
gietsel
aanlaadsel
bijmengsel
glazuursel
aanslibsel
bijtsel
graveersel
aanspoelsel
bijvoegsel
grimeersel
aanvoegsel
bilsel
groeisel
aanwensel
bindsel
groensel
aanzetsel
blauwsel
haksel
achtervoegsel
bloeisel
hangsel
achterzetsel
boeisel
harksel
afbrandsel
boensel
hechtsel
afgietsel
boetseersel
heinsel
afkooksel
boordsel
hengsel
afschaafsel
boorsel
hoogsel
afscheidsel
borduursel
horsel
afschijnsel
bouwsel
hulsel
afschraapsel
braaksel
indruksel
afschrabsel
brandsel
inentsel
afschutsel
breisel
inkruipsel
afsnuitsel
broedsel
inlegsel
afsteeksel
brouwsel
inmaaksel
aftreksel
bruineersel
insluipsel
afzetsel
deksel
instrooisel
baksel
diepsel
invoegsel
bedeksel
doopsel
jeuksel
bedenksel
droogsel
kaksel
beginsel
druksel
kamsel
behangsel
dunsel
kapsel
bekleedsel
emailleersel
kipsel
belegsel
foeliesel
klaarsel
98
kladsel
opraapsel
schijnsel
klateersel
oprijgsel
schoeisel
kleedsel
optooisel
schraapsel
kleursel
opveegsel
schrabsel
kloofsel
overblijfsel
schrapsel
knipsel
overgeefsel
schrijfsel
kooksel
oversteeksel
schudsel
konterfeitsel
overtreksel
schutsel
krabsel
overwelfsel
schuimsel
kweeksel
papsel
schuursel
laksel
piksel
siersel
lambriseersel
plafonneersel
slijpsel
lardeersel
plaksel
smeersel
legsel
plamuursel
snijdsel
lengsel
plantsel
snoeisel
letsel
platsel
snuitsel
lijmsel
plaveisel
soldeersel
loksel
plombeersel
spaarsel
maaksel
plooisel
spansel
mengsel
pluksel
speeksel
misbaksel
polijstsel
spinsel
naaisel
politoersel
spoelsel
namaaksel
probeersel
spooksel
oliesel
raadsel
spreidsel
ombindsel
raspsel
spruitsel
omhangsel
relsel
spuugsel
omlegsel
rijgsel
spuwsel
omspinsel
roersel
stelsel
omspoelsel
roksel
sterksel
omwindsel
roodsel
steunsel
onderblijfsel
runsel
stijfsel
onderkruipsel
samenraapsel
stiksel
onderlegsel
samenvoegsel
stoffeersel
onderzetsel
schaafsel
stolsel
oplegsel
scheersel
stoofsel
opnaaisel
schepsel
stooksel
99
stopsel
verguldsel
zaaisel
stortsel
verhoogsel
zaksel
stremsel
verkeersel
zegsel
strijksel
verkitsel
zeisel
strooisel
verlaksel
zetsel
stuifsel
verlengsel
ziftsel
stutsel
verschijnsel
zwartsel
tiksel
versiersel
zweemsel
toebereidsel
vertelsel
zwiersel
toevoegsel
vertinsel
tooisel
verwelfsel
treedsel
verzinsel
treksel
vijlsel
tussenvoegsel
vindsel
tussenwerpsel
vlechtsel
uitbindsel
voedsel
uitbroedsel
voegsel
uitduidsel
voorbeduidsel
uitgroeisel
voorbehoedsel
uitsluitsel
voorbereidsel
uitsteeksel
voorhangsel
uitstrijksel
voortbrengsel
uittreksel
voortvloeisel
uitvaagsel
voorvoegsel
uitveegsel
voorwendsel
uitvindsel
voorzetsel
uitvloeisel
vormsel
uitwerksel
vulsel
uitwerpsel
weefsel
uitzeefsel
welfsel
vaagsel
windsel
veegsel
witsel
verbeeldsel
woelsel
verdichtsel
wrijfsel
verdunsel
wrochtsel
verfoeisel
zaagsel
100
101
Download