Vragen voor het spel (1) (21190)

advertisement
Romeinen:
Noem 2 Romeinse goden:
Apollo, Jupiter, Mars, Mercurius, Neptunes, Pluto, Saturnus, Venus en Cupido
Wanneer tot wanneer duurde de Romeinse tijd?:
A: van 3000 V.Chr. tot 500 N.Chr.
B: van 500 N.Chr. tot 1000 N.Chr.
Antwoord A is het goede antwoord.
Waar vergaderen de senatoren?:
A: in de Senaat.
B: in het huis van 1 van de Senatoren.
Antwoord A is het goede antwoord.
Had elke romein een bad in huis?:
A: ja, maar ze gingen voor de gezelligheid naar een badhuis.
B: nee, alleen de rijke Romeinen maar die gingen ook voor de gezelligheid naar een badhuis.
C: nee, als romein had je geen bad.
Antwoord B is het goede antwoord.
Waar voor werd het Colosseum gebruikt?
A: voor wagenrennen.
B: voor theater.
C: voor gladiator gevechten.
Antwoord C is het goede antwoord.
Hoe heet de Romeinse stad is door een vulkaan versteend?:
A: Batavia.
B: Pompeï
C: Troye
Antwoord B is het goede antwoord.
In welk deel van Nederland leefden de Friezen?
A: in zuid Nederland.
B: in midden Nederland.
C: in noord Nederland.
Antwoord C is het goede antwoord.
In welk deel van Nederland leefden de Bataven?
A: in zuid Nederland.
B: in midden Nederland.
C: in noord Nederland.
Antwoord B is het goede antwoord.
In welk deel van Nederland leefden de Cananefaten?
A: in zuid Nederland.
B: in midden Nederland.
C: in noord Nederland.
Antwoord A is het goede antwoord.
In welk deel van Europa leefde de Galliërs?
A: in noord Europa.
B: in oost Europa.
C: in zuid Europa.
D: in west Europa.
Antwoord D is het goede antwoord.
Welke 2 volken vallen onder Keltische volkeren?
A: de Galliërs en de Bataven.
B: de Cananefaten en de Friezen.
C: de Galliërs en de Cananefaten.
Antwoord C is het goede antwoord.
Welke 2 volken zijn de Germaanse volkeren?
A: de Bataven en de Friezen.
B: de Cananefaten en de Friezen.
C: de Galliërs en de Cananefaten.
Antwoord A is het goede antwoord.
Welke Nederlandse rivier werd er gebruikt als natuurlijke grens?
A: de Maas.
B: de Rijn.
C: de Waal
Antwoord B is het goede antwoord
hoe heet de vulkaan die een stad heeft versteend?
A: Vesuvius.
B: Vulcano.
C: Vulsini.
D: Etna.
E: Salina.
Antwoord A is het goede antwoord.
Wat was Julius Caesar?
A: een koning.
B: een keizer.
C: een Farao.
D: een oorlogsheld.
Antwoord D is het goede antwoord.
Hat Julius Caesar een affaire met Cleopatra?
A: ja.
B: nee.
Antwoord A is het goede antwoord.
Waaruit bestond het Romeinse leger?
A: uit legioenen, hulptroepen en zeeschepen.
B: uit een paar commandanten en de soldaten.
Antwoord A is het goede antwoord.
Hoe noemden de Romeinen hun theaters?
A: zoals wij het zeggen een theater.
B: een amfitheater.
Antwoord B is het goede antwoord.
Hat elk huis een altaar?
A: ja.
B: nee.
Antwoord is het goede antwoord.
Hoelang moest je het leger dienen als je in het leger werkte?
A: 10 tot 15 jaar.
B: 15 tot 20 jaar.
C: 20 tot 25 jaar.
D: 25 tot 30 jaar.
Antwoord C is het goede antwoord.
Kreeg je als slaaf salaris?
A: ja.
B: nee.
C: licht er aan of je bij een aardige familie werkte.
Antwoord A is het goede antwoord.
Kon je je zelf vrij kopen als slaaf?
A: dat licht er aan of je geld verdiende.
B:ja.
C: nee.
Antwoord B is het goede antwoord.
Had je als vrouw veel te vertelen thuis?
A: ja.
B: nee.
Antwoord B is het goede antwoord.
Hoe oud was je als meisje toen je ging trouwen?
A: 9 jaar.
B: 14 jaar.
C: 19 jaar.
D: 24 jaar.
Antwoord B is het goede antwoord.
Ging je als kind standaard naar school?
A: ja dat was toen al verplicht.
B: nee alleen als je heel rijk was misschien.
Antwoord B is het goede antwoord.
Grieken:
Hoe werd het land van de Grieken bestuurd?
A: door 1 koning en of koningin.
B: door stad staten.
C: door een keizer.
Antwoord B is het goede antwoord.
Wanneer werd er voor het eerst democratie gebruikt?
A: in de 8e eeuw v Chr.
B: in de 6e eeuw v Chr.
C: in het jaar van Chr.
D: in de 2e eeuw n Chr.
E: in de 100e eeuw n Chr.
F: in de 500e eeuw n Chr.
Antwoord B is het goede antwoord.
Waar is de democratie begonnen?
A: in Athene.
B: in Kalliopi.
C: in Sparta.
Antwoord A is het goede antwoord.
wat hadden alle goden met elkaar gemeen?
A: iedere god had minstens 1 oorlog gewonnen.
B: ze waren allemaal onderwereld geweest en terug gekeerd.
C: ze waren allemaal familie van elkaar.
Antwoord C is het goede antwoord.
Waar was Hermes de god van en wat was zijn functie?
A: hij was de god van de zee en zorgde er voor dat er geen monsters kwamen.
B: hij was de god van de hemel en aarde en bracht vreugde.
C: hij was de god van de dieren, planten en het weer en bracht vrede.
D: hij was de god van de herders, reizigers en leugenaars en bracht de post rond voor de goden.
Antwoord D is het goede antwoord.
Wat is de god Hades van de oppergod Zeus?
A: de broer.
B: de zoon.
C: de neef.
D: een vriend.
Antwoord A is het goede antwoord.
Ging de Olympische spelen door als er oorlog was tussen 2 stad staten?
A: ja, de oorlog werd tijdelijk stil gelegd.
B:nee, oorlog ging voor.
Antwoord A is het goede antwoord.
Wie was de baas in huis?
A: de vrouw.
B: de man.
Antwoord A is het goede antwoord.
Op welke leeftijd was je volwassen?
A: op 10 jarige leeftijd.
B: op 11 jarige leeftijd.
C: op 12 jarige leeftijd.
D: op 13 jarige leeftijd.
Antwoord C is het goede antwoord.
Woonden de Grieken alleen in Griekenland?
A:ja.
B: nee.
Antwoord B is het goede antwoord
Wat was de Olympische spelen?
A: een gewone wedstrijd.
B: een concert van mensen die konden zingen.
C: een religieuze sport evenement ter ere van zeus.
Antwoord C is het goede antwoord.
Waren er meerdere spelen dan de Olympische spelen?
A: ja.
B: nee.
Antwoord A is het goede antwoord.
Waren er ook vrouwen spelen?
A: ja.
B: nee.
Antwoord A is het goede antwoord.
Mochten vrouwen mee doen aan de Olympische spelen?
A: ja.
B: nee.
Antwoord B is het goede antwoord.
Wat is contrapost?
A: dat beelden stijf recht op staan.
B: dit heeft niks bet beelden te maken.
C: dat beelden zo natuurlijk mogelijk staan/zijn.
Antwoord C is het goede antwoord.
Wat is een Griekse amfoor?
A: een versteent Grieks dier.
B: een openlucht theater in Griekenland.
C: overblijfselen van vervallen tempels in Griekenland.
D: een Griekse pot/faas
Antwoord D is het goede antwoord.
Had het hele Griekenland 1 soort munt?
A: ja.
B: nee.
Antwoord B is het goede antwoord.
Wie mochten er stemmen toen er democratie was?
A: iedereen.
B: alleen vrouwen.
C: alleen slaven en buitenlanders.
D: alle mannen.
E: alleen de mannen waarvan de ouders en hij zelf in de stad zijn geboren waar hij woonde.
Antwoord E is het goede antwoord.
Was de god sol een Griekse god?
A: ja hij was hun god voor de zon.
B: nee hij was de Romeinse god voor de zon.
Antwoord B is het goede antwoord.
Wie was de Griekse god voor het water?
A: Hades.
B: Ares.
C: Eos.
D: Poseidon.
Antwoord D is het goede antwoord.
Hadden de stadstaten nooit oorlog met elkaar?
A: ja.
B: nee
Antwoord B is het goede antwoord.
Hadden de Grieken kolonies?
A: ja.
B: nee.
Antwoord A is het goede antwoord.
Welke sporten werden er gespeeld op de Olympische spelen?
A: voetbal, worstelen, speer werpen, judo en schaken.
B: discus werpen, hardlopen, judo, volleybal en voetbal.
C: worstelen, discus werpen, boksen, hardlopen en paarden- en strijdwagenraces.
Antwoord C is het goede antwoord.
Hadden alle stadstaten de zelfde goden?
A: ja.
B: nee.
Antwoord A is het goede antwoord.
Hadden de Grieken sage en mythen?
A: ja.
B: nee.
Antwoord A is het goede antwoord.
Egyptenaren:
Wie was de bekendste vrouwelijke farao van Egypte?
A: Caracalla.
B: Nerva.
C: Cleopatra.
Antwoord C is goed.
Wat is een farao?
A: een held.
B: een keizer.
C: een god.
D: een koning.
Antwoord D is goed.
Waar door overstroomde de rivier in Egypte?
A: door de goden.
B: door de boeren.
C: door de regen in het oerwoud.
Antwoord C is het goede antwoord.
hoe komt het dat er door de Egyptenaren meerdere ambachten konden gedaan worden.
A: door dat de boeren heel veel produceerden.
B: door dat er te weinig gebouwen waren.
Antwoord A is het goede antwoord.
Was elke Egyptenaar even rijk?
A: ja.
B: nee.
Antwoord B is het goede antwoord.
Wat werd er met je gedaan voor dat je werd begraven?
A: je werd verbrand.
B: je werd gemummieverseerd.
C: er gebeurde niks met je.
Antwoord B is het goede antwoord.
Wat zijn Hiërogliefen?
A: dat waren toneelstukken.
B: daar mee schreven de Egyptenaren.
Antwoord B is het goede antwoord.
Geloofden de Egyptenaren in 1 of meerdere goden?
A: in meerde.
B: in 1.
Antwoord A is het goede antwoord.
Was er volgens de Egyptenaren leven na de dood?
A: ja.
B: nee.
het goede antwoord A is antwoord.
Hoe heet de doodskist van een farao?
A: een grafkit.
B: een sarcofaag.
Antwoord B is het goede antwoord.
konnden Egyptische vrouwen werken?
A:ja.
B:nee.
Antwoord A is het goede antwoord.
Waar voor is een piramide?
A: om de farao koelte te bieden.
B: ze wilden zichzelf op de kaart zetten.
C: om als graf van een farao te dienen.
Antwoord C is het goede antwoord.
Hoe zag het volk de farao?
A: als koning.
B:als baas.
C: als god.
Antwoord c is het goede antwoord.
Wie had er een groter huis?
A: een landarbeider.
B: een ambtenaar.
Antwoord B is het goede de antwoord
Wie is de god van het dodenrijk?
A:Isis.
B:Horus.
C: Osiris.
Antwoord C is het goede antwoord.
Wat is een Sjat?
A:ongeveer 77kg.
B: ongeveer 93g.
C: ongeveer 52,4 cm.
Antwoord A is het goede antwoord.
wat is een Deben?
A:ongeveer 77kg.
B: ongeveer 93g.
C: ongeveer 52,4 cm.
antwoord B is het goede antwoord.
wat is een El?
A:ongeveer 77kg.
B: ongeveer 93g.
C: ongeveer 52,4 cm.
Antwoord Cis het goede antwoord.
Droegen mannen net als vrouwen ook make-up?
A:ja.
B: nee.
Antwoord Ais het goede antwoord.
Droegen arme mensen pruiken?
A:ja.
B: nee.
Antwoord B is het goede antwoord.
Ging ieder kind naar school?
A:ja.
B: nee.
Antwoord B is het goede antwoord.
Was de school gratis?
A:ja.
B: nee.
Antwoord Ais het goede antwoord.
Hoe komt het dat je wel eten kan verbouwen in Egypte?
A: dat komt door de goden.
B: dat komt door de dieren.
C: dat komt door de overstromingen van de Nijl.
Antwoord Cis het goede antwoord.
Wat lag er naast het graf van een rijke Egyptenaar?
A:boeken en inkt.
B: eten en veren.
C: eten en kostbare spullen.
Antwoord c is het goede antwoord.
Wat is Papyrus?
A:dat is een soort pap.
B. dat is een soort zand.
C: dat is een soort papier.
Antwoord C is het goede antwoord.
Download
Random flashcards
Test

2 Cards oauth2_google_0682e24b-4e3a-44be-9bca-59ad7a2e66a4

Create flashcards