Ontleden

advertisement
Ontleden
1. Ontleden is een vorm van syntactische analyse die traditioneel op lagere en middelbare
scholen onderwezen wordt (werd). Deze traditionele zinsontleding gaat terug op de
Nederlandse spraakkunst van C.H. den Hertog (herdrukt in 1973).
2. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het benoemen van de woordsoorten
(taalkundig ontleden) en het benoemen van de grammaticale functies (redekundig
ontleden).
3. Taalkundig ontleden is in wezen hetzelfde als het identificeren van de woordklassen
zoals besproken in hoofdstuk 2 van Zinsleer: begrip van de syntaxis.
4. Redekundig ontleden maakt onderscheid tussen vier categorieën:
a)
b)
c)
d)
het onderwerp
het gezegde
de voorwerpen (lijdend en meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp)
de bepalingen
5. Het onderwerp is hetzelfde als het subject zoals besproken in hoofdstuk 6 van
Zinsleer: begrip van de syntaxis.
6. Het gezegde is een moeilijk te definiëren categorie die in de moderne syntactische
analyse niet langer onderscheiden wordt, omdat het gezegde niet voldoet aan de eisen
van constituentschap zoals besproken in hoofdstuk 5 van Zinsleer: begrip van de
syntaxis.
a) Onderdeel van het gezegde is in ieder geval de persoonsvorm. De persoonsvorm
is wat in de algemeen-taalkundige literatuur (en ook in Zinsleer: begrip van de
syntaxis, p. 76) het ‘finiete werkwoord’ genoemd wordt. Een finiet werkwoord
(persoonsvorm) is in het Nederlands qua vorm afhankelijk van persoon en getal van
het subject (onderwerp), en drukt ook altijd een tijdskenmerk uit.
b) Als er meer werkwoorden in de deelzin staan, dan is het finiete werkwoord (de
persoonsvorm) in de traditionele ontleding ofwel een hulpwerkwoord ofwel een
koppelwerkwoord.
c) Hulpwerkwoorden zijn gecombineerd met (i) een participium van het perfectum
(heeft gelopen, wordt gelezen), (ii) een kale infinitief (moet lopen), of (iii) een
infinitief met te (probeert te lopen). Een participium van het perfectum heet in het
traditionele ontleden een voltooid deelwoord. De infinitief (met of zonder te) heet
in het traditionele ontleden de onbepaalde wijs. De combinatie van een finiet
hulpwerkwoord met een participium van het perfectum en/of een infinitief is in het
traditionele ontleden ook een gezegde. De niet-finiete elementen van het gezegde
vormen dan het werkwoordelijk (deel van het) gezegde.
d) Een koppelwerkwoord is een werkwoord dat verplicht voorkomt in combinatie met
een nonverbale (niet-werkwoordelijke) woordgroep die fungeert als het predikaat
van het subject (zoals is in Jan is gek). De klasse van koppelwerkwoorden is in het
Nederlands opsombaar (zijn, blijven, worden, schijnen, lijken, blijken, heten,
dunken, voorkomen). De combinatie van een koppelwerkwoord en een predikaat
is in het traditionele ontleden ook een gezegde. Het predikaat heet dan het
naamwoordelijk (deel van het) gezegde.
Noot 1.
De term ‘gezegde’ is een vernederlandsing van het Latijnse predicatum
‘predikaat’, dat in de algemeen-taalkundige literatuur gebruikt wordt voor de
combinatie van een werkwoord en zijn complement(en) (zeg maar de VP of
de zuster van het subject): datgene wat over het subject medegedeeld wordt
dus. In de (noord-)nederlandse traditie heeft ‘gezegde’ dus een
betekenisvernauwing ondergaan, die niet aansluit bij de internationale
traditie. (In de semantische literatuur kan ‘predikaat’ ook gewoon
‘(hoofd)werkwoord’ betekenen.)
Noot 2.
De term ‘hulpwerkwoord’ is een vernederlandsing van het Latijnse verbum
auxiliare, dat voortleeft in de internationale term auxiliary verb. De term
‘auxiliary’ wordt echter gereserveerd voor hulpwerkwoorden van tijd (hebben,
zijn), het passieve hulpwerkwoord (worden) en modale hulpwerkwoorden
(zullen, moeten, mogen, willen), terwijl andere werkwoorden die met een
infinitief gecombineerd worden (zoals zien/horen/laten, proberen/beloven,
etc.) in de internationale literatuur niet als hulpwerkwoorden maar als
hoofdwerkwoorden gezien worden. (De definitie van ‘deelzin’ in hoofdstuk 3
van Zinsleer: begrip van de syntaxis gaat impliciet uit van de internationale
betekenis van ‘hulpwerkwoord’ en gebruikt de term ‘predikaat’ als
‘hoofdwerkwoord’ [zie noot 1]. Hierdoor is in de combinatie heeft gelopen
maar sprake van één predikaat en dus één deelzin, maar in de combinatie
probeert te lopen sprake van twee predikaten en dus twee deelzinnen.)
Noot 3.
De term ‘koppelwerkwoord’ is een vernederlandsing van het Latijnse copula,
dat ook in de internationale literatuur gebruikt wordt. ‘Copula’ wordt echter
uitsluitend gebruikt voor zijn, en niet voor de hele verzameling
koppelwerkwoorden in het Nederlands.
7. De voorwerpen bevatten de volgende categorieën: (a) lijdend voorwerp, (b)
meewerkend voorwerp, en (c) voorzetselvoorwerp.
a) Het lijdend voorwerp is wat in de internationaal-taalkundige literatuur genoemd
wordt het ‘direct object’.
b) Het meewerkend voorwerp is wat in de internationaal-taalkundige literatuur
genoemd wordt het ‘indirect object’.
c) Het voorzetselvoorwerp is de term die gebruikt wordt voor een voorzetselgroep
(PP) die door een werkwoord geselecteerd wordt (zoals in wachten op Godot). De
internationale term is ‘prepositional object’.
Noot 1.
De term ‘lijdend voorwerp’ verwijst naar een gebruikelijke semantische rol
van het ‘direct object’, namelijk de rol van PATIENS (degene die de handeling
ondergaat). Het direct object kan echter ook andere semantische rollen
dragen (zoals THEME in Ik zie een ster), wat de term ‘lijdend voorwerp’
verwarrend maakt.
8. De term bepaling komt overeen met de internationaal-taalkundige term ‘modifier’. In
het traditionele ontleden dekt de term de volgende categorieën: (a) de bijvoegelijke
bepaling, (b) de bijwoordelijke bepaling, en (c) de bepaling van gesteldheid.
a) Bijvoegelijke bepaling is de term voor de prenominale adjectief.
b) Bijwoordelijke bepaling is de term voor adverbia en adverbiaal gebruikte
woordgroepen.
c) Bepaling van gesteldheid is een term die gebruikt wordt voor twee typen
secundaire predikaten: (i) het type in Lachend kwam hij binnen, en (ii) het type in
Hij verft het hek rood. Het type (i) wordt in het Engels wel een ‘depictive’ genoemd,
en in het Nederlands ook wel een ‘vrije predikatieve toevoeging’. Het type (ii) wordt
algemeen een ‘resultatief predikaat’ genoemd, en ook wel een ‘small clause
predikaat’.
Noot 1.
Structureel gezien zijn bepalingen soms specifiers (adjectieven), soms
adjuncten (adverbia en depictives), en soms onderdeel van het complement
van een werkwoord (resultatieve secundaire predikaten). De bepalingen
vormen aldus een zeer heterogene groep, waarvoor in het traditionele
ontleden tal van fijnere onderscheidingen voorgesteld zijn, die de analyse
niet weinig bemoeilijken.
9. Het traditionele ontleden wordt gekenmerkt door een strikt nederlandstalige
terminologie, waarbij de getroffen onderscheidingen soms afwijken van wat
internationaal gangbaar is (zie de noten bij 6. en 7.). Verdere voorbeelden hiervan zijn:
a) de trappen van vergelijking.
stellende trap = positief/neutraal
vergrotende trap = comparatief
overtreffende trap = superlatief
b) zinsverbinding.
nevenschikking = coordinatie
onderschikking = subordinatie
voegwoord =
(i) conjunctie (nevenschikkend)
(ii) complementizer (onderschikkend)
c) het systeem van tijden
niet-toekomend
ONVOLTOOID
VOLTOOID
TEGENWOORDIG
loop
heb gelopen
VERLEDEN
liep
had gelopen
ONVOLTOOID
VOLTOOID
TEGENWOORDIG
zal lopen
zal gelopen hebben
VERLEDEN
zou lopen
zou gelopen hebben
ONVOLTOOID
VOLTOOID
praesens
perfectum
VERLEDEN
praeteritum
plusquamperfectum
toekomend
ONVOLTOOID
VOLTOOID
futurum
futurum exactum
futurum praeteriti
futurum exactum praeteriti
toekomend
niet-toekomend
TEGENWOORDIG
TEGENWOORDIG
VERLEDEN
d) het systeem van modi (wijzen)
aantonende wijs = indicatief
aanvoegende wijs = conjunctief (subjunctive)
gebiedende wijs = imperatief
onbepaalde wijs = infinitief
e) typen zinnen
beknopte bijzin = controle complement (subjectloze infinitiefzin)
bijvoeglijke bijzin = relatiefzin
beperkende bijvoeglijke bijzin = restrictive relative clause
uitbreidende bijvoeglijke bijzijn = appositive relative clause
bijwoordelijke bijzin = adjunctzin (adjunct clause)
uitroepende zin = exclamatiefzin
vragende zin = interrogatiefzin
bevelende zin = imperatiefzin
f) typen onderwerp
loos onderwerp = het = weather it (het regent)
voorlopig onderwerp = het = expletive subject (het schijnt dat het regent)
plaatsonderwerp = er = (existential) expletive subject
getalsonderwerp = associate (er staat een paard in de gang)
herhalend onderwerp = dat = resumptive subject (zwemmen dat is leuk)
g) telwoorden
hoofdtelwoord = cardinal numeral
rangtelwoord = ordinal numeral
Download