Samenleving, feiten en problemen

advertisement
1ste bach PSW
Samenleving, feiten en problemen
Prof. Van Lancker
Q
B01
uickprinter
Koningstraat 13
2000 Antwerpen
www.quickprinter.be
4,90 €
Nieuw!!!
Online samenvattingen kopen via
www.quickprintershop.be
Samenleving, feiten en problemen
HOOFDSTUK 1: INLEIDING
-
-
-
Semantiek
o een welvaartstaat = alle landen worden gekenmerkt door 1 basisarchitectuur en
dat is dat ze welvaartstaten zijn. Maar wat is dat?
=> synoniemen:
o sociale markteconomie = dat dekt een deel van de lading welvaartstaat. Dat is
een vrije markt maar waarbij door de overheid heel veel wordt bijgestuurd.
Een markteconomie die sociaal gecorrigeerd wordt.
bv. minimumlonen en bedrijven niet helemaal hun zin mogen doen.
o Welfare capitalism = een sociaal kapitalisme
o Welfare state = opletten want de letterlijke vertaling betekent veel meer dan rijk
zijn maar dus ook welzijn. Vind je terug in het Spaans “Biensestar” (= het
goedbevinden)
o consumptiemaatschappijen = ze drijven op de markt en de markt wordt
voortgestuwd door consumptie.
o Overvloedmaatschappijen = We hebben heel veel zelfs té veel. Daarom overvloed
o Verzorgingsstaat = de staat die zorg draagt voor de burgers
o Investeringsstaat = Die welvaartstaat moet een investeringsstaat worden die
investeert in economie maar meer in mensen.
Welvaartstaat en verdeling
o Het gaat over welvaart maar ook over de verdeling, de omvang van die welvaart.
Hoe we de cake bakken en verdelen.
=> kapitalistische cake wordt gebakken op de vrije markt maar er zijn
belangrijke sociale correcties. Die rekening houden met de verdeling van die cake
( sociale zekerheid, kinderopvang, belastingen…)
o HEEL BELANGRIJK ! Het gaat om veel meer dan een correctie achteraf. Want heel
veel economen zeggen dat we een markt hebben die heel efficiënt moet
functioneren en achteraf gecorrigeerd moet worden. NEEN: het is veel meer dan
dat. Het sociale en economische zitten verweven in elkaar in een welvaartstaat.
We hebben heel veel instituties, instrumenten om ze samen te laten gaan. Dat
betekent niet dat er geen spanningsveld is. Want soms zijn dingen afgedwongen
geweest. Er is voortdurend een politieke strijd.
bv. een sociale overeenkomst tussen vakbonden en hun patronaten.
Grote vragen/problemen (5)
o Armoede is niet opgelost: We spreken over een overvloedsamenleving waar we
niet in slagen om de onderkant van de samenleving op een menswaardige manier
te behandelen.
 Cijfers: België doet het niet bepaald goed ten opzichte van het
gemiddelde en andere Europese landen. Maar we concluderen dat
1
armoed nergens is uitgeroeid zelfs in de landen waar de taart zeer groot
is geworden. We slagen er niet in om ze volwaardig te verdelen over
iedereen.
• 21% loopt schoolse achterstand in arme gezinnen
• 43% heeft al achterstand opgelopen in het lager onderwijs
• 22% heeft gedragsproblemen
Sociale exclusie: bepaalde sociale groepen die systematisch worden uitgesloten.
Bv nieuwe migranten. De sociale economie slaagt er niet in om mensen met een
andere kleur te integreren op de markt. Niet enkel doordat ze de taal misschien
minder goed spreken maar ook door discriminatie.
Geluk stijgt niet (meer) met economische groei: We denken nog altijd in
groeitermen en we zitten met het idee dat de taart steeds maar groter en groter
moet worden. Maar als we gaan kijken dan zien we dat de mensen in die
samenlevingen niet gelukkiger worden. Er is een verband tussen rijkdom en
geluk. Het geluk stijgt enorm hard in arme landen moest het bbp stijgen. Maar
landen die al een bepaald niveau van welvaart hebben bereikt, worden niet persé
gelukkiger met de stijging van het bbp.
Grenzen aan economische groei:
 Club van Rome (1972): Idealisten die een rapport hebben geschreven dat
als we voort doen zoals we nu bezig zijn, gaat onze aarde eraan. 40 jaar
later werden ze pas geloofd. De opwarming van de aarde wordt een feit
en wordt dus erkend. Dat zorgt ervoor dat men kijkt naar die
welvaartstaat omdat die hier wordt geconfronteerd met de vraag: “hoe
moeten we onze samenleving aanpassen zodat we de opwarming van de
aarde kunnen beheersen?”
Voor wie sociale grondrechten?

o
o
o
o
-
Kenmerken van de welvaartstaat (7)
o Gekenmerkt door een zeer hoog niveau van materiële welvaart en
levensstandaard.
 Een toestand dat men kan observeren. Het is iets dat we hebben
gerealiseerd.
 Het streven naar hogere materiële welvaart is nog steeds een doel. Het
doel blijft groei creëren maar dat blijft in een spanningsverhouding.
 Een middel omdat hoe groter de cake is hoe meer je kunt verdelen. Een
grotere taart is gemakkelijker om te verdelen.
2
KAART: Er is altijd een economische groei geweest die tussen de 2-3%
o
o
o
DIAGRAM: Letterlijk studeren
Optreden van de overheid gericht op effectieve waarborging van sociale
grondrechten. (Effectief is heel belangrijk!) We zeggen wel dat het recht op
arbeid een grondrecht is maar we kunnen het niet voor iedereen waarborgen.
Dat maakt het voor de overheid een missie die ze moeten proberen nakomen.
 Etat Gendarme = De overheid werd eerst totaal niet geacht om er tussen
te komen behoudens voor de waarborging van de vrijheden. De overheid
mocht enkel ertussen komen als de vrijheden in gevaar waren.
 Etat Protecteur Nu wordt de overheid meer en meer aangesproken om
meer dan alleen de vrijheden te waarborgen. We hebben een
bemiddelaar nodig en de overheid moet dat opschrijven in een grondwet.
Die verandering leidt tot een overheid die meer en meer geld moet
uitgeven doordat het meer moet doen.
Subsidiariteit = Het principe dat je het laagste bestuursniveau moet inzetten als
die capabel zijn om een bepaald probleem op te lossen. Hogere instanties hebben
een aanvullende taak ten opzichte van de lagere. Grijpen pas in wanneer de
lagere instanties niet in staat zijn om het probleem op te lossen. Subsidiariteit
ging eigenlijk over het samen rond een tafel zitten en besluiten maken.
Kernwoorden:
 Paritair of drieledig = evenveel vertegenwoordigers van werknemers als
werkgevers rond de tafel.
 over of consensus = die samenlevingsordening probeert zoveel mogelijk
tot overeenkomsten te komen tussen groepen die tegengestelde
belangstellingen hebben.
Parlementaire democratie is van essentieel belang. Je moet een systeem vinden
die kan bepalen wie wat onder welke voorwaarden kan krijgen van de taart. Je
kan het enkel doen onder parlementaire democratiestemmen.
 Het spreekt de voorkeuren van de bevolking uit.
 Het moet er ook voor zorgen dat het de vrijheden van de burgers en
organisaties worden behoed.
 Dit allemaal staat onder controle van de volksvertegenwoordiging. Dat is
de parlementaire democratie die het geld van de samenleving
oordeelkundig gaat gebruiken.
3
o
o
o
Welvaart is nationaal en internationaal. Wanneer ben je een burger? Wie krijgt
wanneer de basisrechten? Er is een vraag naar de herverdeling van de welvaart.
Want we hebben allemaal een nationale taart maar er zijn klachten dat het niet
eerlijk is en het internationaal/Europees moet herverdeeld worden.
 glokalisering = een samenvoeging van globalisering en lokalisering
Gelaagde welvaartstaat bestaat uit lagen en er komen alsmaar meer bij. Alles
wordt steeds maar complexer. De “state” is een toestand en is geen centrale
natiestaat.
Verbinding van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Drie grote beginselen die
onze samenlevingsordening ondersteunen en organiseren. We moeten
voortdurend zoeken naar de juiste evenwichten tussen deze drie.
 Vrijheid: verwijst naar verantwoordelijkheid want de samenleving gaat
niet vooruit zonder. En we hebben het nodig zodat mensen zich zullen
inzetten en aan innovatieve dingen beginnen.
 Broederlijkheid: We moeten solidariteit zelf organiseren binnen de
schoot van gezinnen en kleinere lokale verbanden. Hiervoor hebben we
geen centrale overheid nodig om het te organiseren.
4
HOOFDSTUK 2: HISTORIEK
1. Liberaal tijdvak (1800-1880)
Periode van voorbereiding. Het ontstaan van vakbonden, mutualiteiten, etc. Het ontstaan
van een reactie. = een bloeiperiode
-
-
-
Kenmerken: (5)
o Het is een overgang/transitie van handwerk naar industrialisatie.
o De voorwaarde van de industrialisatie is een arbeidsoverschot. Er moet genoeg
werkvolk zijn zodat de lonen laag kunnen blijven. We zaten alsook in een
demografische revolutie waarin de kindersterfte laag was en er een hoge
bevolkingsaantal was.
o Technologische vooruitgang was nodig voor de mechanisering. Ontwikkeling
voor een betere productieproces.
o Je hebt een afzetmarkt nodig. Het moet ergens verkocht worden. Wij waren een
exportland door de goede ligging van het water. En dat zorgt voor het begin van
de globalisering.
o Er moet geld/kapitaal aanwezig zijn. Er moeten mensen zijn die willen
investeren in de nieuwe economie.
Dit moet allemaal gebeuren tegen de achtergrond van de nachtwakersstaat. Want die
moeten de burgerlijke vrijheden vrijwaren maar daar stopt het ook. Het ordewoord was
vrijheid en ze wilden niet tussen het productieproces komen. We laten vrijheid van
arbeid bloeien en dat vertaalde zich vooral in ‘het werk’.
Werken was de enige manier om voor het proletariaat een inkomen te vergaren.
Waardoor werk een noodzaak werd.
Door de vrijheid en werk als noodzaak, kwam armoede los als een individueel probleem,
het was een probleem van individueel moraal, van uw eigen gedrag.
 We krijgen een samenleving waar de economische groei begint en de overheid niet
tussenbeide komt waardoor als er sprake is van armoede, je het zelf moest oplossen.
VB: Landloperij (=daklozen) werd gezien als een individueel probleem. Het werd een
gevaar voor de sociale orde. Ze werden gevangen genomen waardoor een landlopers
kolonies ontstonden waarin ze gedwongen moesten werken = dwangarbeid
Individuele vrijheid:
o Geworteld in de Franse revolutie en verlichtingsdenken. Het stond centraal. De
mens kon zich ontplooien als individu in de samenleving.
o Dat is een vorm van negatieve vrijheid. Want dat is het beschermen van de
burgerlijke vrijheid. Want ze kunnen u niet van straat plukken om te gaan
werken (slavernij). Je bent er tegen beschermd.
“Zelfs wanneer je in barre omstandigheden zit, kan je alsnog nee zeggen tegen iets
dat je onbewust opgedwongen wordt.” Friedriech Hayek
o Onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheid:
=> Wanneer je een reële keuze hebt. Als je niet wil werken er toch voor zorgen
dat je op z’n minst je levenstandaard kan voorzien met andere middelen.
Positieve vrijheid is ervoor zorgen dat je van die formele vrijheid iets van kunt
maken. Waardoor je een reële keuze hebt. Vrijheid om nee of ja te kunnen
zeggen.
5
-
-
-
Arbeids- levensomstandigheden:
o Slechte levensomstandigheden
o Leefden in beluiken (= kleine huisjes)
o Ondervoeding
o Ziektes
o Cijnskiesstelsel: die mensen hadden geen stemmen, er kon niet aan
lotsverbetering gedaan worden want de enige mensen die konden stemmen
waren degene die cijnzen (=belastingen) konden betalen en dat waren alleen
maar de rijke mensen.
o Commodificatie: De enige manier om een levensstandaard/inkomen te hebben
was op de arbeidsmarkt  Onafhankelijk van de arbeidsmarkt de
levensstandaard kunnen hanteren (= decommodificatie).
=> Men sprak over arbeid als koopwaar (‘daghuur’). Arbeiders werden
‘ingehuurd’ om te werken.
o Stakingen waren verboden dus ze konden niets doen. Het was alsook zeer
moeilijk om ondervoede mensen in een massa te kunnen krijgen en bruut te
laten staken.
o Er was werkloosheid waarbij de nachtwakersstaat niks ging doen om het tegen
te gaan. Werkloos zijn werd gelijk gesteld aan ziek zijn. Er was wel iets van
openbare onderstaat maar de hulp was heel beperkt en was altijd slechter dan de
eigen ‘slechte’ omstandigheden waardoor niemand het idee had om eerder
daarvan te gaan werken. => Uitkeringen moeten laag zijn zodat ze alsnog arbeid
stimuleert.
“Teveel om te sterven, te weinig om te overleven.”
 Dit werd later de sociale kwestie
Ongelijke machtsverhoudingen in een politiek zonder staat: er was een politiek maar die
greep niet in, in de staat.
De taart begon te groeien maar die werd nog niet eerlijk verdeeld. De arbeiders kregen
enkel de kruimels.
2. Voorbereiding (1880-1940)
- 1886: Stakingsgolf en volksopstanden
o Bijzonder gewelddadig met zelfs doden
o veel stakingen en onrust. Omdat men in een periode zat van economische crisis.
Ook toen had het een onmiddellijke geweldige impact op de arbeidsmarkt want
de lonen werden enorm verlaagd ondanks ze al heel laag waren.
o De parlementaire commissie werd achteraf opgericht om te zien wat er was
misgelopen. De conclusie was dat het de schuld van de arbeiders was. Het
individueel moraal: ze zijn niet goed opgevoed geweest.
- Ze beseffen dat er iets aan de gang is waar er geen controle over is waardoor ze beseffen
dat er nood is aan overheidsingrijpen.
- Daardoor hebben ze angst voor revoltes en socialisme. Want ze beginnen zich
langzaamaan te organiseren en er ontstaat een socialistische beweging wat als een
bedreiging werd gezien voor de katholieke en liberale partijen.
6
-
-
1883: Duitsland
o Bismark organiseert verplichte sociale verzekeringen omdat hij angst krijgt voor
het socialisme en de revoltes.
Bij ons begonnen de vrije politieke bewegingen vorm te krijgen.
o Belangrijkste: Rerum Novarum (1891)
De katholieke kerk had zich tot dan toe helemaal ingeschreven in het idee van
individuele vrijheid en verantwoordelijkheid waarbij de staat niet moet
tussenkomen. Dit was de omslag van de katholieke samenleving. Ze erkennen het
probleem van de sociale kwestie en ze vinden dat ze hun verantwoordelijkheid
er terug in moeten nemen. Dit heeft een lot gespeeld in het verbeteren van de
arbeidsomstandigheden.
o 1885: Oprichting Belgische werkliedenpartij (BWP)
Er gebeuren heel veel zaken in deze periode. Er verandert iets in de hoofden van
de mensen en hoe de arbeiders zich gaan organiseren
 Conclusie welvaartstaat:
o Van onderuit gegroeid (= incrementeel).
o Het vormt een antwoord op de sociale kwestie, het probleem van de 19de eeuw.
o Het gaat samen met de veranderende opvatting over vrijheid. Het wordt
intellectueel ondersteund door een aantal sociologen (bv Saint Simon, August
Comt). Zij zijn de eerste die de samenleving als een subject, als een groot geheel
bezien dat ze gaan onderzoeken.
o Politiek wordt mogelijk gemaakt door:
 Algemeen stemrecht: 1 man = 1 stem
 Sociaal-politieke bewegingen en drukkingsgroepen zoals onder andere
vakbonden en mutualiteiten.
o Heel belangrijk: De welvaartstaat of de samenlevingsordening is geen
automatisch gevolg van industrialisering. De ervaringen van de 19de eeuw tonen
aan dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend is maar dat het juist politiek
afgedwongen was. Het was GEEN automatisme.
o Het ging grotendeels over macht. Iedereen wilde macht, arbeiders, industriëlen,
etc.
De voorbereiding (1880-1940) werd vooral gekenmerkt door politieke instabiliteit.
o Russische revolutie 1917: Het communisme dat heel concreet werd. Het ontstaan
van een helemaal andere samenlevingsmodel.
o Het fascisme en nazisme
 We krijgen een samenleving die heel instabiel is.
o Het ontstaan van economische crisis (1930) zorgde ervoor dat de werkloosheid
enorm hard steeg. (TABEL).
7
Download