Overal Natuurkunde 5 havo

advertisement
Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen
Keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
1
Dit lukt niet. Je neemt of het één waar, of het ander. Het flipt om van het een naar het ander. Maar
tegelijkertijd beide dingen zien, lukt niet.
ML.1 Diepte zien
3
1
2
3
4
5
6
A4
a
b
Het meisje met het donkerblauwe hemdje bedekt het meisje met de blauwe spijkerrok. Het
meisje met het donkerblauwe hemdje staat dus voor het meisje met de spijkerrok.
In het openstaande hek is perspectief zichtbaar: de lijnen lopen naar elkaar toe. Het
scharnierpunt van het hek (daar waar de lijnen het verst uit elkaar liggen) is het dichtste bij.
Het meisje met de blauwe spijkerrok is kleiner op de foto dan het meisje met het donkerblauwe
hemdje, terwijl je kunt bedenken dat de meisjes in werkelijkheid ongeveer even groot zullen zijn.
Het meisje met de blauwe spijkerrok is dus verder weg. Het zelfde geldt ook voor de bladeren:
de bladeren van de maïs zijn dichterbij op de foto groter dan de bladeren verder weg.
Aan de schaduw van het meisje met het roze hemdje kun je zien dat zij verder weg is (van de
fotograaf) dan het meisje met het blauwe hemdje.
Kijk ook eens naar de groene stengel bij de linkerhand van het meisje met het roze hemdje.
Vraag: wat is dichter bij de fotograaf: die stengel, of het meisje met het blauwe hemdje?
Het antwoord op die vraag is: het meisje met het blauwe hemdje. Hoe kun je dat weten? Dat
kun je alleen opmaken uit de schaduwen. Je ziet dat de schaduw naar rechts valt, en een heel
klein beetje naar de fotograaf toe is gericht. Het meisje met het blauwe hemdje bevindt zich
voor de schaduw van de groene stengel. Conclusie: zij is dus dichterbij.
Deze informatie kun je alleen uit de schaduw van die groene stengel afleiden.
De voeten van het meisje met het blauwe hemdje bevinden zich dichter bij de onderkant van de
foto dan de voeten van de andere meisjes. Je mag ook zeggen: de voeten van het meisje met
het blauwe hemdje bevinden zich verder van de horizon dan de voeten van de andere meisjes.
Het meisje met het blauwe hemdje is dus het dichtste bij.
Je kunt van de zandgrond helemaal onder aan de foto meer structuur onderscheiden, dan van
de zandgrond wat hoger op de foto (daar ziet de grond er wat egaler uit). Daar waar meer
structuur zichtbaar is, is de zandgrond het dichtste bij.
Monoculaire diepteaanwijzingen, binoculaire diepteaanwijzingen, niet-visuele
diepteaanwijzingen
Bijvoorbeeld:
• monoculair: bedekking (of occlusie), perspectief – verdwijnpunt (ofwel lineair perspectief),
luchtperspectief (of atmosferisch perspectief), et cetera.
• binoculair: stereozicht, hoek tussen de kijkrichtingen van je ogen.
• niet-visueel: hoek tussen de kijkrichtingen van je ogen, oogspierinspanning bij het
scherpstellen.
A5
Psychofysica bestudeert zintuigen en waarneming.
B6
Bedekking (of occlusie)
B7
a
b
Met één oog kun je diepte zien, alle monoculaire diepteaanwijzingen kun je gebruiken, en ook
accommodatie.
Deze mensen verwarren diepte zien met stereo zien. Voor stereozicht zijn twee ogen
noodzakelijk.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
1
B8
a
b
Je bent (veel) beter in het schatten van relatieve afstanden.
Relatieve afstanden zijn (over het algemeen) belangrijker dat absolute afstanden. Je hebt er
meer aan om te weten dat een stoel ‘dicht’ bij je been is (dichterbij dan een tafel), dan om te
weten dat een stoel op bijvoorbeeld 1,03 m van je vandaan is.
B9
Je moet proberen om extra diepteaanwijzingen beschikbaar te maken. Meest effectief is
bewegingsparallax. Dit kun je toevoegen door bijvoorbeeld een camera op een rails te zetten, en die
camera tijdens het filmen van de bal de laten bewegen.
Met een 3D-televisie maak je de extra diepteaanwijzing stereozicht beschikbaar.
Je zou ook schaduw kunnen toevoegen: als het je lukt om een enorm grote en sterke lamp heel ver
boven het stadion te hangen, zodat de schaduw van de bal recht onder de bal komt, zou je uit de
schaduw van de bal diepte-informatie kun afleiden.
B10
a
b
c
Foto 1 verschilt meer van foto 2 als het object dichtbij is. Je kunt dit eenvoudig zelf nagaan.
Houd een voorwerp voor je neus, op 20 cm van je vandaan. Kijk eerst met rechts, daarna met
links, en observeer of je hetzelfde ziet of niet. Zet het voorwerp vervolgens op een tafel en loop
naar achteren. Kijk wederom eerst met rechts, daarna met links. Wat observeer je nu voor
verschillen?
Op grote afstanden verschilt foto 1 te weinig van foto 2. Als er geen verschillen zijn, dan levert
stereozicht geen extra informatie op voor de hersenen. Die kunnen er dan dus niets mee.
Het blijkt dat stereozicht tot een meter of vijf werkt.
B11
Bedekking (of occlusie). Als een hand de ogen bedekt, dan zijn de ogen niet zichtbaar en bevinden ze
zich achter de hand.
B12
Bewegingsparallax werkt ook als je je hoofd naar voren beweegt. Voorwerpen dichterbij veranderen
dan sneller van grootte dan voorwerpen verder weg, hieruit kun je diepte-informatie afleiden.
C13
a
b
c
d
C14
a
b
c
d
Deze regel geldt niet voor de bovenkant van een voorwerp. Het ene voorwerp is anders van
lengte dan het andere. De bovenkant van een langer voorwerp bevindt zich automatisch dichter
bij de horizon (het kan er zelfs overheen gaan). De bovenkant van een voorwerp dat zo hoog is
als jouw ogen, bevindt zich zelfs precies op de horizon, onafhankelijk van hoe ver het van je
vandaan staat.
In een heuvelachtig landschap kan een voorwerp zich op een heuvel bevinden, waardoor de
onderkant zich om die reden dichter bij de horizon bevindt.
Het onderste gedeelte van een voorwerp dat aan het plafond hangt, bevindt zich automatisch
dichter bij de horizon naarmate het voorwerp langer is. (Het kan zelfs onder de horizon
geraken.)
Hoe kleiner de verticale afstand tussen de bovenkant van het voorwerp en de horizon, hoe
verder weg het voorwerp hangt.
Stereozicht
Hoek tussen de kijkrichtingen van je ogen (de vergentiehoek) en oogspierspanning bij het
scherpstellen (of accommodatie)
En eigenlijk ook met stereozicht. Het filmdoek bevindt zich namelijk vaak op meer dan vijf meter
van je ogen. Te ver dus voor stereozicht.
Sommige mensen klagen over vermoeide ogen, en soms zelfs over hoofdpijn.
De ogen van een dwerg bevinden zich dichter bij elkaar dan de ogen van een mens. De ogen
van een mens staan zo’n zes centimeter van elkaar. Om de indruk te wekken dat je door de
ogen van een mens kijkt, moet je dus filmen met twee camera’s die zo’n zes centimeter uit
elkaar staan. Om de indruk te wekken dat je door de ogen van een dwerg kijkt, moet je filmen
met twee camera’s die (bijvoorbeeld) maar vier centimeter uit elkaar staan.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
2
C15
a
Zie onderstaande tabel.
diepteaanwijzing
bedekking (of occlusie)
perspectief, verdwijnpunt
perspectief, verticale afstand tot de horizon
perspectief, bekendheid met grootte
perspectief, verloop van waargenomen
oppervlaktestructuur
schaduw
luchtperspectief (of atmosferisch perspectief)
schijnbare snelheid (of bewegingsparallax)
b
C16
a
b
C17
a
b
wel
voorkennis
x
x
x
x
x
geen
voorkennis
x
x
x
Zonder voorkennis kun je van de diepteaanwijzingen die je bij a links gerangschikt hebt, niet
‘zien’ waar ze zich bevinden. Je hersenen hebben (onbewust) een aantal wetmatigheden
geleerd.
Opmerking: het blijkt dat bij waarneming veel hersenactiviteit is. Maar zo’n 10 á 20 % van die
hersenactiviteit is afkomstig uit oogsignalen. ‘Zien’ doe je dus net zo hard (of misschien wel
harder) met je hersenen, als met je ogen.
In de eerste figuur is geen conflict, in de tweede figuur is perspectief in conflict met: hoe kleiner
de verticale afstand tussen de onderkant van een voorwerp en de horizon, hoe verder weg het
voorwerp staat.
Met schaduw
Met bewegingsparallax. Als je je hoofd zo’n zes centimeter opzij beweegt, krijg je via
bewegingsparallax dezelfde informatie als via stereozicht.
Als je je hoofd meer dan zes centimeter opzij beweegt, krijg je meer diepte-informatie (dit werkt
uiteraard ook met twee ogen).
Opmerking: er zijn kleine dieren die hiervan gebruikmaken. Bij kleine dieren staan de ogen veel
dichter bij elkaar dan bij een mens. Zij hebben dus maar stereozicht tot (bijvoorbeeld) minder
dan een meter. Er zijn kleine dieren die voordat ze een grote sprong wagen (bijvoorbeeld naar
een tak), eerst flink met hun hoofd naar rechts en naar links bewegen, zodat ze precies kunnen
mikken om op de tak te belanden.
D18
Het is gebaseerd op de aanname dat de lijnen in werkelijkheid evenwijdig aan elkaar lopen.
D19
a
b
c
D20
a
b
In figuur A zie je zeven bolle bulten, in figuur B zie je één bolle bult.
In figuur A zie je nu één bolle bult, in B zie je er zeven.
Je waarneming gaat uit van de veronderstelling dat de belichting van boven komt, de schaduw
van een bolle bult bevindt zich dan onder aan de bult, de schaduw van een hol dal bevindt zich
aan de bovenkant (op het plaatje) van het holle dal.
Bij diepte zien maken je hersenen (onbewust) gebruikt van veel fysische informatie. Je hebt
fysica nodig om te snappen hoe diepte zien werkt.
Bij diepte zien komt ook psychologie om de hoek kijken. Je hersenen werken op basis van
(onbewuste) aannames, psychologie wil onderzoeken hoe dat werkt. Je merkt dat er aannames
zijn, als je die aannames opzettelijk gaat ‘verpesten’, zodat de hersenen fouten gaan maken.
Een voorbeeld daarvan zag je bij opgave D19: of iets daar hol of bol was, hing af van of je de
figuur omdraaide.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
3
ML.2 Horen
21
Je kunt zo bepalen of een baby kan horen. Zien kan een pasgeboren baby nog niet zoals een
volwassene. De oogbeweging naar het geluid toe is een aangeboren reflex.
A22
a
b
Je hebt twee oren nodig voor verschil in aankomsttijd en verschil in geluidsintensiteit.
Je hebt slechts één oor nodig voor vervorming en reflecties in de oorschelp.
A23
Geluidsintensiteit meet je in W/m 2, geluidsniveau meet je in dB.
Geluidsniveau neemt met een vaste term af als de afstand tot een bron met een bepaalde factor
toeneemt, terwijl de geluidsintensiteit juist kwadratisch afneemt.
A24
1
2
3
4
5
B25
a
b
onjuist
juist
onjuist
juist
juist
Bijvoorbeeld als een auto op je afrijdt die je niet ziet dat je kunt horen van welke kant die komt,
zodat je naar de juiste kant wegduikt. Bijvoorbeeld als je in een groep aan het praten bent en
iemand roept jouw naam, dat je weet welke kant je op moet kijken.
Voor geluid recht van voren helpt stereogehoor je niet. Er is dan geen verschil in aankomsttijd,
en ook geen verschil in geluidsintensiteit.
B26
De noot ais is 1,05945 keer hoger dan de noot die direct eronder ligt (a1). Tussen alle andere
aansluitende noten zit ook diezelfde factor. De factor is dus maximaal 1,05945.
B27
a
b
c
d
C28
a
b
c
20 m is twee keer zo ver. De geluidsintensiteit is evenredig met
1
. De geluidsintensiteit is dus
r2
22 = 4 keer zo klein.
Een twee keer zo kleine geluidsintensiteit scheelt 3 dB. Een vier keer zo kleine geluidsintensiteit
scheelt dus 2 × 3 dB = 6 dB. Je neemt een geluidsniveau waar van 80 − 6 = 74 dB.
100 m is tien keer zo ver. Het geluid is dan 102 = 100 keer zo zacht.
Je weet dat tien keer zo zacht een afname is van 10 dB.
Het scheelt dus 2 × 10 = 20 dB. Je neemt een geluidsniveau waar van 80 − 20 = 60 dB.
Het is geluidsniveau is 3 dB hoger, de geluidsintensiteit is dan twee keer zo groot.
10
De afstand is dan 2 keer zo klein → de afstand =
= 7,1 m.
2
Ongeveer van 1 tot 7 kHz
Oorzaak van die extra gevoeligheid is dat dit de resonantiefrequentie is van je gehoorgang.
Nee, voor tonen in genoemd gebied (zie a) ligt je gevoeligheid onder de 0 dB.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
4
C29
Bij het McGurk-effect hoor je niet de klank die wordt uitgesproken, maar je hoort datgene wat je ziet,
dus wat blijkbaar je hersenen denken wat je zou moeten horen.
Opmerking: zo zit het overigens ook met zien. Je ziet niet alleen datgene wat fysisch in je omgeving
aanwezig is: je hersenen vullen veel in. Je ziet datgene wat je hersenen denken wat je zou moeten
zien.
Een voorbeeld dat dit illustreert: een bekende goocheltruc is dat een goochelaar een aantal keer een
bal omhoog gooit. Opeens maakt hij nog wel de omhooggooibeweging, maar hij blijft de bal
vasthouden. Toeschouwers ‘zien’ dan toch nog eventjes een bal omhooggaan, die lijkt dan opeens te
verdwijnen.
C30
1
2
C31
a
b
c
d
C32
a
b
c
Bijvoorbeeld voorkennis: je weet hoe hard een auto normaal gesproken klinkt. Hoor je een
zacht geluid van een automotor, dan is de auto verder weg dan in het geval dat je een harder
geluid hoort.
Bijvoorbeeld echo’s/galm: geluiden van ver hebben vaak meer echo/galm. Dus een galmend
geluid klinkt verder weg. Het stemgeluid van iemand die vlak bij je oor praat, bevat nauwelijks
galm.
De geluidssnelheid bij 20 °C is v = 343 m/s. ∆x = v ∙ ∆t = 343 × 30∙10−6 = 0,010 m.
Het weglengteverschil is dus 0,010 m.
De diameter van je hoofd is ongeveer 20 cm.
De golflengte van geluid van 2,0 kHz: v = f ∙ λ → 343 = 2000 × λ → λ = 0,17 m = 17 cm.
Conclusie: de golflengte van geluid van 2 kHz is 17 cm en dat is ongeveer gelijk aan de
diameter van het hoofd.
Bij hogere frequenties wordt de golflengte kleiner. Er treedt dan minder buiging op. Dan komt er
dus minder geluid van hogere frequenties bij het achterste oor. Bij hogere frequenties krijg je
dus een groter niveauverschil.
Aflezen: het niveauverschil is 9 dB. 3 dB komt overeen met een factor 2.
De verhouding van de geluidsintensiteiten is dus 23 : 1 = 8 : 1.
De dB-meterknop staat op ‘laag’, dus aflezen: het geluidsniveau = 57 dB.
Aflezen in het diagram levert voor de afstand: 160 m.
De gehele voorgevel ontvangt een vermogen P, met P = 6,3·10−7 × 40 = 2,52·10−5 W.
Dan is Egevel = P · t = 2,52·10−5 × (20:00 − 8:00) × 3600 = 1,09 = 1,1 J.
De kromme komt 3 dB (= 6 mm in het diagram) hoger te liggen.
Aflezen in het nieuwe diagram levert voor de afstand: 200 m.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
5
D33
a
b
c
I=
2  10 3
P
=
= 3,25∙10−4 W/m2
2
4π  0,702
4π  r
 3, 25  104 
LI = 10 ∙ log 
= 85 dB
 1012 
Geluidsniveaus kun je niet bij elkaar optellen. Bereken van beide geluidsniveaus daarom eerst
de geluidsintensiteiten. Die intensiteiten tel je bij elkaar op, en uit de totale geluidsintensiteit
bereken je het totale geluidsniveau.
 I 
 I 
30 dB: 10 ∙ log  112  = 30 → log  112  = 3 →
 10 
 10 
 I1 
3
3
−12
−9
2
 10 12  = 10 → I1 = 10 × 10 = 1,0∙10 W/m
 I 
 I 
50 dB: 10 ∙ log  212  = 50 → log  212  = 5 →
 10 
 10 
 I2 
5
5
−12
−7
2
 10 12  = 10 → I2 = 10 × 10 = 1,0∙10 W/m
Itotaal = I1 + I2 = 1,0 × 10−9 + 1,0 × 10−7 = 1,01∙10−7 W/m2
 1,01 107 
LI = 10 ∙ log 
= 50 dB
 1012 
ML.3 Zenuwen en prikkels
34
a
b
B35
a
b
c
Ja, dergelijke prikkels zijn er. Als je bijvoorbeeld je hand brandt, gaat de pijnprikkel eerst naar
de ruggenmerg en via de ruggenmerg naar je hersenen. Je ruggenmerg stuurt ook een reflex
terug naar de hand: je trekt in een reflex je hand terug, sneller dan dat je dat zou kunnen als dit
alles via de hersenen was verlopen.
Alle reflexen die je ruggenmerg aanstuurt. Zie het antwoord bij a.
Spanning is een ander woord voor potentiaalverschil. Als ergens evenveel positief als negatief
geladen deeltjes zijn, is de potentiaal 0 volt. Een voorbeeld hiervan is de aarde. Als je ergens
een stroomkring aardt, dan verbind je hem op die plek met de aarde.
Je aardt het linkereinde van een spanningsbron met een spanning van 10 V, zie figuur ML.35a.
Hierdoor is de potentiaal links van de bron 0 V (plaats 1), en rechts van de bron 10 V (plaats 2).
De potentiaal tussen de weerstanden is 6 V (plaats 3). De spanning over weerstand 1 is 6 V, de
spanning over weerstand 2 is 4 V.
Daarna aard je dezelfde schakeling tussen de twee weerstanden, zie figuur ML.35b. Nu is de
potentiaal op plaats 3 0 V, op plaats 1 is de potentiaal −4 V en op plaats 2 is hij +6 V. De
spanning over de bron blijft dus 10 V, de potentiaal links en rechts verandert wel.
Als je een wasmachine aardt, dan zorg je dat de wand ervan is verbonden met de aarde. De
potentiaal van de wand is dan 0 V. Als je een wasmachine niet zou aarden en er komt een los
draadje per ongeluk in contact met de wand, dan kan zich lading ophopen op de wand,
waardoor de potentiaal van de wand gevaarlijk hoog wordt. Als jij die wand aanraakt, is er
spanning tussen de wand en je voeten op de grond, waardoor er ongewenst stroom door je
heen gaat.
B36
Er is sprake van een netto elektrische stroom: per pomp‘slag’ gaan drie eenwaardig positieve natriumdeeltjes de cel uit, er komen twee eenwaardig positieve kaliumdeeltjes de cel in. Er is dus sprake van
een nettostroom van 3 − 2 = 1 positieve lading de cel uit, per pompslag.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
6
B37
a
b
c
B38
a
b
c
d
groter
kleiner
groter
Droge huid heeft een hele grote weerstand (tot wel 100 000 Ω). De stroom die door je heengaat
bij een spanning van 230 V is veel kleiner dan 0,05 A.
Als huid nat wordt, neemt de weerstand enorm af. Dan kan 230 V wel leiden tot een
stroomsterkte groter dan 0,05 A.
Een grote spanning is niet altijd gevaarlijk. Bij statische elektriciteit heb je bijvoorbeeld ook te
maken met hoge elektrische spanning. Die spanning ontstaat doordat ergens een overschot (of
een tekort) aan elektronen (aan geladen deeltjes) is. De doorslagspanning van lucht is zo’n
30 000 V per cm. Dat betekent dat als bijvoorbeeld jij ongeladen bent en je buurman is geladen,
dat er eenmalig elektronen tussen jullie vingers zullen overspringen als jullie vingers 1 cm (of
minder) van elkaar vandaan zijn en de spanning tussen jullie vingers minimaal 30 000 V is.
Dergelijke overspringende elektronen zie je als piepkleine bliksemflitsjes. Ze komen regelmatig
voor, vooral op dagen dat de luchtvochtigheid laag is. Je ziet en hoort dergelijke statische
ontladingen ook soms als je in de winter een wollen trui uitdoet.
In alle bovenstaande gevallen is er sprake van grote elektrische spanningen die niet gevaarlijk
zijn. De reden dat die spanning niet gevaarlijk is, is dat het maar om het eenmalig overspringen
van een relatief kleine hoeveelheid lading gaat.
Het kan helpen om op je rechterbeen staan en je linkerhand in je zak te houden. Je voorkomt
dan dat er stroom door je hart loopt.
C39
Op korte termijn verandert de rustpotentiaal niet, voor ieder natriumion dat de cel in diffundeert,
diffundeert één kaliumion de cel uit. Netto verandert de lading binnen en buiten de cel dus niet.
Op lange termijn verandert de rustpotentiaal uiteindelijk wel. In de tekst is uitgelegd: allereerst is er
geen potentiaalverschil, enkel een concentratieverschil (in de cel is een overschot aan kaliumionen,
buiten de cel is een overschot aan natriumionen). Omdat kaliumionen zo’n tien keer gemakkelijker
diffunderen, daardoor ontstaat de rustpotentiaal. Daarna zullen er stuk voor stuk ‘langzaam’
diffunderende natriumionen uitwisselen voor kaliumionen. Maar als je lang genoeg wacht, zullen
uiteindelijk de concentratieverschillen verdwijnen. En daarmee verdwijnt ook het potentiaalverschil.
C40
a
b
c
d
e
f
g
h
i
j
De afstand r wordt dan kleiner en de potentiële energie neemt dan toe.
De toegenomen hoeveelheid potentiële energie moet ergens vandaan komen: dat is de energie
die je erin moet stoppen om de deeltjes dichter naar elkaar te brengen.
Als het elektron het proton nadert, komt er energie vrij.
aantrekken; naar
aantrekken; naar
afstoten; van
Bij plaats 3 is er sprake van evenwicht. Als de atomen dichter naar elkaar gaan, stoten ze
elkaar af, als ze verder uit elkaar gaan, trekken ze elkaar aan. De afstand tussen de atomen is
bij plaats 3 gelijk aan de zogenaamde bindingsafstand.
Als ze nog ver uit elkaar zijn (helemaal rechts in het diagram), neemt in eerste instantie de
potentiële energie toe als ze elkaar naderen: ofwel, ze stoten elkaar af.
Als ze elkaar meer naderen (wat meer naar links in het diagram), zie je dat de grafiek een bult
heeft: zodra ze elkaar tot zo dicht genaderd zijn dat die bult is overwonnen, gaan de ADP en P
elkaar aantrekken.
Er is activeringsenergie nodig om over ‘de bult’ in figuur ML.39 te komen.
Het grafiekpunt dat overeen komt met P die gebonden is in ATP, is het onderste punt van het
dal. Zowel als P dan ADP verder nadert, als dat P verder van ADP afgaat, kost dat energie (de
grafiek stijgt zowel links als rechts van het dal).
Als P losraakt van ATP, gaat het in de grafiek van het dalpunt, naar het punt helemaal rechts in
het diagram. Dit punt rechts ligt lager dan het dalpunt, dus komt er energie vrij.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
7
D41
a
70% van 80 kg is 56 kg.
b
Eén mol watermoleculen heeft een massa van 18,0 g. In 56 kg zit dus:
c
d
e
f
g
h
i
j
56
= 3,1·103 mol.
0,0180
1 mol = 6,02·1023 deeltjes. → Aantal watermoleculen = 3,1·103 × 6,02·1023 = 1,9·1027.
10
10 × 1,9·1027 = 1,9·1028 elektronen
De lading van alle elektronen bij elkaar = 1,9·1028 × −1,6·10−19 = −3,0·109 C.
De lading van Kees is 1% hiervan, dus +3·107 C; de lading van Joost is dan −3·107 C.
9  109  Q1  Q2
9  109  3  107  (  )3  107
Fel =
=
= (−)1·1025 N
r2
12
(Het minteken is niet zo belangrijk: het teken geeft alleen de richting van een kracht weer.)
Opmerkingen:
1 Deze kracht is – onvoorstelbaar – groot. 1025 N is 10 miljoen × miljoen × miljoen × miljoen
newton.
2 Het antwoord op deze vraag is zelfs een onderschatting van de werkelijkheid: je mocht
immers aannemen dat Kees alleen uit 70% water bestaat. In werkelijkheid bezit Kees dus
meer elektronen dan wat je in de opgave schatte, en zou de kracht dus groter zijn.
Uit het grote antwoord uit vraag g kun je concluderen dat het absoluut onmogelijk is om 1% van
je elektronen te missen. Je kunt procentueel gezien bijna niets van je elektronen missen (zelfs
bij 10−10% overdracht treden dodelijke krachten op). Je kunt verder concluderen dat jij blijkbaar
enorm neutraal bent, en alles om je heen ook. Alles wat met (statische) elektriciteit te maken
heeft, gaat altijd maar om een procentueel gezien zeer kleine disbalans tussen aantallen
protonen en elektronen.
De potentiaal is 0 volt als ergens evenveel protonen als elektronen zijn. In deze opdracht heb je
gezien dat een ‘voorwerp’ van 70 kg procentueel gezien al bijna niets mag missen, voor een
voorwerp zo groot en zo zwaar als de aarde is dit percentage nog vele malen lager. Het is dus
redelijk om de potentiaal van de aarde op 0 volt te stellen. Het aantal elektronen kan
procentueel gezien vrijwel niets verschillen van het aantal protonen.
Jij staat regelmatig in geleidend contact met de aarde, daarmee staat ook de buitenkant van je
cellen in contact met de aarde. Het is dus redelijk om de potentiaal buiten je cellen op 0 volt te
stellen.
ML.4 G-kracht
42
a
b
Dit kan van persoon tot persoon verschillen. Veel mensen vinden een vrije val het heftigste
gevoel in hun buik geven, de grootste versnelling (dus kracht) treedt vaak op net na de vrije val
als je opeens weer omhooggaat. Ook dit kan heftig aanvoelen.
Als vrije val het heftigst voor je voelt, is de tijd dat je (vrijwel) gewichtloos bent bepalend.
Daarna is versnelling het meest bepalend.
B43
In dalen en in schuine bochten
B44
a
b
A, E, C, D, B
B, D, C, E, A
B45
De positieve G-kracht mag veel groter worden dan de negatieve G-kracht. De twee wieltjes aan de
bovenkant vangen de positieve G-kracht op, de wieltjes aan de onderkant de negatieve G-kracht.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
8
B46
De looping heeft overal dezelfde kromming. Er zijn dan twee dingen van belang:
1
de snelheid,
2
in hoeverre drukt de zwaartekracht je meer of minder in je stoel.
Onder in de looping geldt:
1
daar is de snelheid het grootst,
2
de zwaartekracht drukt je daar maximaal in je stoel.
Conclusie: Paul ervaart de grootste G-kracht onder in de looping.
C47
93,4 km/h = 25,9 m/s
v
25,9
a=
=
= 8,95 m/s2
t
2,90
De stoel oefent dus daarvoor een kracht uit in horizontale richting: Fh = m · a = m × 8,95.
De stoelkracht in verticale richting is Fn = Fz = m · g = m × 9,81.
De Fres van de stoel bereken je met Pythagoras: Fres =
G-kracht =
(m  8,95)2  (m  9,81)2 = m × 13,3.
Fres
m  13,3
=
= 1,35
Fz
m  9,81
C48
Het maakt verschil of je voor in de ‘trein’ zit, of achterin. Als de karretjes voor in de trein bijvoorbeeld al
een lange steile heuvel afgaan, gaan de achterste karretjes nog (bijvoorbeeld) de heuvel op. De
achterste karretjes remmen dan de trein. Maar als de achterste karretjes vervolgens diezelfde steile
heuvel afgaan, gaan ze juist harder. Hierdoor verschilt dus hoe hard een voorste karretje of een
achterste karretje op een bepaalde locatie in de achtbaan gaat. Daarmee verschilt ook de G-kracht.
C49
Als je de zwaartekracht mag verwaarlozen, is de kracht op de astronaut gelijk aan de middelpuntm v2
m v2
zoekende kracht. G-kracht = 9, dus 9 × Fz = Fmpz =
→ 9 × 9,81 × m =
→ v = 40 m/s.
r
18
C50
a
Uit de grafiek blijkt dat de maximale waarde van Fstoel = 1,68·103 N.
De zwaartekracht Fz op Jody: m · g = 65 × 9,81 = 638 N.
F
1, 68  10 3
Hieruit volgt dat de G-kracht op Jody gelijk is aan stoel =
= 2,6.
638
Fz
2π  r
51, 6  42,8
, waarin r = 7,9 m en T=
= 4,40 s.
2
T
2π  7,9
Hieruit volgt dat v =
= 11,3 = 11 m/s.
4, 40
b
Voor de snelheid geldt: v =
c
Voor de middelpuntzoekende kracht geldt: Fmpz =
m v2
, waarin m = 65 kg, v = 11,3 m/s en
r
r = 7,9 m.
Hieruit volgt dat Fmpz =
d
65  112
= 1,0·103 N.
7,9
Zie onderstaand figuur.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
9
De lengte van de pijl Fstoel is 26 mm.
C51
a
b
C52
a
b
C53
a
b
c
Als je verticaal door de bocht gaat, is er sprake van een zijwaartse G-kracht. De totale kracht op
jou is gelijk aan de middelpuntzoekende kracht en die is horizontaal gericht. De zwaartekracht
op jou is verticaal omlaag gericht. Dan moet de stoelkracht schuin omhoog gericht zijn, ofwel: er
is sprake van een zijwaartse G-kracht. Zijwaartse G-kracht moet je voorkomen.
Ook nu is er sprake van een zijwaartse G-kracht. De totale kracht is gelijk aan de middelpuntzoekende kracht en die is horizontaal gericht. De zwaartekracht op jou is verticaal omlaag. De
stoel moet dus een kracht op jou uitoefenen die schuin omhoog gericht is. Conclusie: er is
sprake van een zijwaartse G-kracht.
Bij een positieve G-kracht ben je bijvoorbeeld onder in een looping (aan de binnenkant). De
middelpuntzoekende kracht is dan naar het midden van de looping gericht, ofwel: in de richting
van je hersenen. Er is dus een kracht nodig op het bloed in de richting van je hersenen. Omdat
er niets is dat die middelpuntzoekende kracht kan leveren aan het bloed, stroomt het bloed je
hersenen uit.
Bij een negatieve G-kracht ben je bijvoorbeeld boven in een looping aan de buitenkant. Nu is de
middelpuntzoekende kracht je hersenen uit gericht. Omdat wederom niets die kracht levert aan
het bloed, stroomt het bloed je hersenen in.
Opmeten in de figuur: de verplaatsing van de pop is in de eerste 0,060 s 2,0 cm.
De werkelijke verplaatsing is dan 24 keer zo groot: ∆x = 24 × 0,020 = 0,48 m.
x
0, 48
vgem =
=
= 8,0 m/s
t
0,060
De verplaatsing is gelijk aan de oppervlakte onder de grafiek. Deze oppervlakte is (ongeveer)
gelijk aan 40 cm.
De pop is in de eerste 0,060 s nog op geen enkele manier geremd. De pop gaat dus gedurende
de eerste 0,060 vooruit met een constante snelheid van 16 m/s.
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
10
d
a=
v
11
=
= 2,75·103 m/s2
t
0,0040
G-kracht =
e
f
Fcontact
2,75  103
ma
a
=
=
=
= 280
Fz
9,81
mg
g
Fcontact
ma
a
260
=
=
=
= 26,5 (En dat is ook nog erg hoog.)
Fz
mg
g
9, 81
De totale remafstand srem is dan 50 cm + 20 cm = 70 cm.
G-kracht =
Methode 1
vbegin = a · t = 260 × t invullen in de volgende vergelijking:
srem = vgem · t → 0,70 = vgem · t = ½ × vbegin · t = ½ × 260 × t · t = 130 × t2 → t = 0,0734 s
Dus: vbegin = 260 × t = 260 × 0,0734 = 19 m/s.
g
C54
a
b
c
d
Methode 2
Bereken eerst F:
F = m · a = 72 × 260 = 18,7 kN
Wtot = ∆Ek → F · srem = ½ × m · v2begin
Invullen: 18,7·103 × 0,70 = ½ × 72 × v2begin → vbegin = 19 m/s
Uit Wtot = ∆Ek → F · srem = ½ × m · v2begin volgt: als de remweg groter wordt, wordt de remkracht
kleiner.
Lees af: v = 4,5 m/s.
s = vgem · t = ½ × veind · t, dus 5,0 = ½ × 4,5 · t → t = 2,22 s
v
4,5
a=
=
= 2,0 m/s2
t
2, 22
Fres = m · a = 70 × 2,0 = 140 N
Fres = Fliftbodem − Fz → Fliftbodem = 140 + 9,81 × 70 = 827 N
F
827
G-kracht = liftbodem =
= 1,2
Fz
9,81  70
Tussen 5,0 en 10,0 m is de snelheid constant, dus is de kracht van de liftbodem gelijk aan de
zwaartekracht → G-kracht = 1,0
Van 10 tot 15 m geldt: Fliftbodem = Fz − Fres = 9,81 × 70 − 140 = 547 N.
F
547
G-kracht = liftbodem =
= 0,80
Fz
9,81  70
© Noordhoff Uitgevers Overal Natuurkunde 5 havo
Uitwerkingen keuzehoofdstuk Menselijk lichaam
11
Download