leerling - BEDRIJF + SCHOOL Scholen leren met bedrijven

advertisement
Een kijkje in je hersenen
Naam:
Klas:
Een kijkje in je hersenen
Een module uit het Food and Health Project
Ontworpen voor derde jaar HAVO/VWO
2010
Ontwikkeld door:
Citadel College te Lent
B. van den Oetelaar
J. van den Broek
2
Inhoudsopgave
Inleiding
4
Literatuuronderzoek
Oriëntatiefase
Hoofdstuk 1: Wat denken je hersenen over gedrag en leren?
Voorbereidingsfase
Hoofdstuk 2: Een kaart van de hersenen
Uitvoeringsfase
Hoofdstuk 3: Lezen is teamwork!
Hoofdstuk 4: Geheugentest
Afsluitingsfase
Hoofdstuk 5: Je hersenen in een notendop
5
5
12
12
19
19
28
38
38
Eigen onderzoek
Oriëntatiefase Eigen onderzoek
Hoofdstuk 6: Gastles Optische Illusies
Voorbereidingsfase Eigen onderzoek
Hoofdstuk 7: Je eigen illusie onderzoeken (1)
Uitvoeringsfase Eigen onderzoek
Hoofdstuk 8: Je eigen illusie onderzoeken (2)
Afsluitingsfase Eigen onderzoek
Hoofdstuk 9: Je eigen illusie onderzoeken (3)
40
40
44
44
51
51
53
53
Afsluitingsfase Module
Hoofdstuk 10: Excursie Donders-Instituut
Bronnen
56
56
59
3
Inleiding
In deze module maak je kennis met de hersenen. Over dit belangrijke
orgaan is nog veel onbekend. Hersenwetenschap is “hot” op dit moment,
juist omdat er nog zoveel te ontdekken valt. Hoe komt het bijvoorbeeld
dat de ene persoon meer problemen heeft met lezen dan de ander? Hoe
ontstaat autisme? En hoe ontwikkelen onze hersenen zich tijdens ons
leven?
Deze module geeft je ook een kijkje in het doen van onderzoek. Een
goed onderzoek opzetten en uitvoeren is nog niet zo makkelijk als het op
het eerste gezicht lijkt! Waar moet je allemaal rekening mee houden?
Wat kun je met je resultaten doen om goede conclusies te trekken?
Deze vragen ga je met behulp van deze module uiteindelijk zelf leren
beantwoorden.
4
Oriëntatiefase
Hoofdstuk 1
Wat denken je hersenen over gedrag en leren?
Inleiding
Nu je op school zit, speelt
leren een belangrijke rol in
je dagelijks leven. Je wilt
straks je eindexamen halen
en daarna waarschijnlijk
studeren. Eigenlijk gaat
leren altijd door.
Gedurende je hele leven
ben je bezig met het leren
van nieuwe dingen.
En toch is voor de meeste
mensen “leren” iets
vanzelfsprekends. Heb jij je
wel eens afgevraagd hoe
leren eigenlijk werkt?
Bij het leren zijn je
hersenen heel belangrijk.
Maar wat gebeurt er
Bron: http://commons.wikimedia.org
eigenlijk in je hersenen als
je leert? En hoe kun je
zorgen dat zij hun werk optimaal kunnen doen?
Bestaat zoiets als “slimme” hersenen en kun je je hersenen slimmer
maken?
Niet alleen voor jou, maar eigenlijk voor iedereen zijn deze vragen heel
belangrijk. Niet gek dus, dat onderzoeken over de hersenen vaak in het
nieuws komen. De afgelopen jaren zijn wetenschappers steeds meer te
weten gekomen over hoe je hersenen werken.
Bijvoorbeeld dat de hersenen van jongens anders werken dan die van
meisjes. Of dat computerspelletjes niet altijd slecht zijn voor je hersenen,
maar zelfs je leervermogen kunnen verbeteren.
In de komende weken gaan we kijken naar een aantal aspecten van wat
er in je hersenen gebeurt.
5
Wnodelijrk
eiglnejik, hoe
het mnelijlsek
berin wkret
En wrljondiek dat egnres in dat biern ons ‘ik’ hsiut ........
Vraagstelling
Wat weet je al over de rol van hersenen bij je gedrag en leren?
Verwachting
6
Materiaal
 Eerst alleen pen en papier
 Later ook een computer
Werkwijze
1. Hieronder staan zeven vragen over hersenen, gedrag en leren.
2. Beantwoord elke vraag voor jezelf met ja of nee.
3. Probeer vooral (kort) op te schrijven waarom je dit antwoord
geeft.
4. Als iedereen deze vragen voor zichzelf heeft beantwoord,
worden de verschillende antwoorden in de klas besproken.
5. Na de bespreking kiest elke leerling één van de acht vragen uit
om met behulp van internet (je docent heeft per vraag één link
beschikbaar) te beantwoorden.
6. Elke leerling presenteert de resultaten aan elkaar.
Resultaten eerste deel (elke leerling voor zichzelf)
1. Geven ouders zoiets als “intelligente genen” door aan hun kinderen?
ja/nee, want:
2. Heeft het spelen van computerspellen ook een positieve werking op
de ontwikkeling van je hersenen?
ja/nee, want:
3. Hebben langdurige stress of slaapproblemen een negatieve invloed
op het gedrag en op het leren?
7
ja/nee, want:
4. Kunnen andere delen van de hersenen de functie van het
beschadigde deel overnemen, wanneer een deel van je hersenen
beschadigd wordt?
ja/nee, want:
5. Krimpen je hersenen op latere leeftijd minder als je je hersenen veel
gebruikt?
ja/nee, want:
6. Vanaf een leeftijd van 16 jaar is het toegestaan om zelfstandig alcohol
te kopen. Heeft alcohol vanaf een leeftijd van 16 jaar dan geen
negatieve invloed meer op je hersenen?
ja/nee, want:
8
7. Zijn jongens beter in exacte vakken dan meisjes?
ja/nee, want:
Resultaten tweede deel (één vraag beantwoorden met behulp van
internet)
Voor elke vraag is een website beschikbaar:
1. http://www.xs4all.nl/~sfg/volkskrant/artikel.htm
2. http://tweakers.net/nieuws/37891/hersenen-gamers-verwerken-visueleprikkels-sneller.html
3. http://www.psycholoog.net/?p=968
4. http://www.museumkennis.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i003267.
html
5. http://gezondheid.plusonline.nl/ouder-worden/artikelen/2030/ouderworden-en-het-geheugen
6. http://www.alcoholreclame.nl/content/bestanden/27565-nr90-bijlagerapport-trimbos-schade-bij-16-18jarigen.pdf (zie de conclusie)
7. http://www.kennislink.nl/publicaties/waar-zijn-de-wiskundevrouwen
1. Welke vraag ga jij beantwoorden?
2. Welke website heb je gebruikt?
3. Wat is het antwoord op de vraag?
ja/nee, want:
4. Beschrijf het onderzoek dat antwoord gaf op deze onderzoeksvraag.
9
Conclusie
Wat kun je concluderen?
Discussie
Komt je conclusie overeen met de verwachting die je aan het begin van
de les had? Leg uit.
10
Reflecteren
Heb je bij het beantwoorden van de vragen last gehad van
vooroordelen? Licht je antwoord toe.
Bron: http://www.morguefile.com
11
Voorbereidingsfase
Hoofdstuk 2
Een kaart van de hersenen
Inleiding
Je hersenen zijn
opgedeeld in
verschillende
gebieden. Die theorie
bestaat al zo'n
tweehonderd jaar, en
nu we steeds betere
technieken krijgen om
in de hersenen te
kijken blijkt dat vaak te
kloppen. Zo heb je een
gebied voor taal, voor
je geheugen, je
emoties,
vooruitdenken, honger
Bron: http://www.morguefile.com
en dorst enzovoorts.
Veel verschillen tussen mensen zijn te verklaren doordat die gebieden
groter of kleiner zijn tussen individuen. Ook kunnen ze op een andere
plek liggen dan "normaal". Daar worden ook vaak grapjes over gemaakt.
Kijk maar eens naar de volgende plaatjes op internet!
Off The Mark Cartoons (Mark Parisi):
http://www.offthemarkcartoons.com/cartoons/2002-04-21.gif
The Female Brain/The Male Brain:
http://2.bp.blogspot.com/__Mg3KS_n9EU/SBpKu_ze9cI/AAAAAAAAAaY
/LkxS1h5EJfA/s400/SexDifferencesBrainCartoon01.jpg
12
Voorbereiden
Voordat je een onderzoek begint,
schrijf je voor jezelf vaak een
onderzoeksvraag op. Dit is de
belangrijkste vraag die je met je
onderzoek wilt gaan beantwoorden.
Een voorbeeld van een
onderzoeksvraag kan bijvoorbeeld
zijn: hoe veranderen onze hersenen
vanaf onze geboorte tot we bejaard
zijn?
Een dergelijke onderzoeksvraag is
vaak moeilijk om in één keer te
beantwoorden. Vaak is het
makkelijker om de onderzoeksvraag
op te splitsen in een aantal
‘deelvragen’. De antwoorden van
deze deelvragen helpen je dan om
uiteindelijk de onderzoeksvraag (of
Bron: http://office.microsoft.com/nl-nl/clipart/default.aspx
‘hoofdvraag’) te beantwoorden. Een
aantal deelvragen kunnen bijvoorbeeld zijn: hoe zien onze hersenen
eruit als we worden geboren? Wanneer zullen hersencellen afsterven?
Kunnen er ook nieuwe hersendelen aangroeien? Heb je zelf invloed op
de groei van je hersenen? Wat gebeurt er bij oude mensen met hun
hersenen?
Al deze vragen zijn eigenlijk kleine deelonderzoekjes, waardoor je
uiteindelijk de hoofdvraag kunt beantwoorden. Het is belangrijk om
goede deelvragen te kiezen, die je ook echt kunnen helpen met de
hoofdvraag. Je moet dus niet zomaar wat deelvragen kiezen.
In dit hoofdstuk zul je met behulp van een aantal deelvragen de
volgende hoofdvraag proberen te beantwoorden:
Vraagstelling
Wat is de functie van verschillende hersengebieden en hoe werken deze
samen?
Verwachting
13
Materiaal
 Een computer
Werkwijze
1. De klas wordt verdeeld in 5 of 10 groepen van maximaal drie
leerlingen per groep.
2. Zoek de volgende vragen op internet op, zodat je een algemeen beeld
krijgt van de hersenen.
Uit welke onderdelen bestaat het centrale zenuwstelsel en wat is de
functie van deze verschillende onderdelen?
Hoe is een zenuwcel of neuron opgebouwd en hoe werkt deze?
3. Elke groep gaat op de onder 5. genoemde internetsites op zoek naar
een antwoord op een aantal vragen over een ander deel van de
hersenen. Kies een hersenonderdeel uit de volgende lijst:
a.
b.
c.
d.
e.
Hippocampus
Cerebellum / kleine hersenen
Amygdala
Frontale cortex
Thalamus
4. De deelvragen die voor het gekozen hersengebied moeten worden
beantwoord:
14
1. Waar ligt het gekozen hersengebied? Geef weer in een
tekening.
2. Wat is de functie van het gekozen hersengebied?
3. Wat gebeurt er als dit hersenonderdeel niet goed werkt?
Denk aan bepaalde ziektes, bijvoorbeeld Alzheimer.
5. De volgende bronnen mogen worden gebruikt:
a. http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.
nl/i003264.html
b. http://members.chello.nl/~rwielens/
c. http://www.kennislink.nl/hersenen-en-gedrag
d. http://nl.wikipedia.org/wiki/Hersenen
e. http://www.juniorhersenen.nl/
Resultaten
1. Welk hersengebied ga jij onderzoeken?
2. Welke websites heb je gebruikt?
3. Wat zijn de antwoorden op je deelvragen?
1.
15
Tekening bij deelvraag 1:
2.
16
3.
Conclusie
Probeer kort een samenvatting te geven van je resultaten en geef
antwoord op de hoofdvraag.
Discussie
Hebben je deelvragen je goed geholpen met het beantwoorden van je
hoofdvraag? Denk je dat je ook een goed antwoord had kunnen geven
zonder deelvragen? Licht je antwoord toe.
Afsluiten
Presenteer je resultaten aan de klas door middel van een kort verslag
van maximaal 1 A4-tje per groep. Denk bij het maken van een verslag
aan de afspraken over bronvermelding.
17
Nadat je docent je verslag heeft goedgekeurd, wordt je verslag aan je
klasgenoten uitgereikt. De uitgereikte verslagen moeten door iedereen
worden bestudeerd. Jullie groep is er dus verantwoordelijk voor dat je
klasgenoten de benodigde kennis krijgen.
De resultaten en hoe de hersengebieden samenwerken, bespreekt de
docent aan het einde van de opdrachten.
Reflecteren
1. Denk je dat je nu in staat bent om zelf goede hoofd- en deelvragen op
te stellen? Leg uit.
2. Dit onderzoek was een internetonderzoek. Wat vond je het lastigste
bij het uitvoeren van dit onderzoek?
18
Uitvoeringsfase
Hoofdstuk 3
Lezen is Teamwork!
Inleiding
In het vorige hoofdstuk heb je
kennisgemaakt met
verschillende hersengebieden.
Hoe de hersengebieden
samenwerken is heel belangrijk
om waar te nemen en te
reageren.
Bij het lopen heb je bijvoorbeeld
je kleine hersenen nodig om je
evenwicht te bewaren.
Tegelijkertijd heb je ook het
visuele gebied in je grote
hersenen nodig. Het is dus
belangrijk dat deze goed
samenwerken.
1. Welke zintuigen heb je nodig om te kunnen lezen?
Vraagstelling
Welke hersengebieden zou je moeten gebruiken bij het lezen van een
woord? Als je de namen van de hersengebieden niet weet, kun je ook
hun functie beschrijven.
Verwachting
19
Om te lezen moet je:
- Goed kunnen zien.
- Woorden en letters van elkaar kunnen onderscheiden (b en d
bijvoorbeeld).
- Letters in klanken omzetten.
- Klanken in begrippen omzetten (uit je geheugen halen).
- Nieuwe begrippen in je geheugen plaatsen.
Voor deze verschillende dingen gebruik je zintuigen en verschillende
delen van je hersenen. Deze moeten onderling goed samenwerken.
Het is voor blinde mensen dus zo dat zij, ondanks dat zij niet kunnen
zien, toch een beeld van een gelezen (Braille)woord krijgen, omdat hun
hersengebieden en de samenwerking daartussen, prima functioneren.
Er zijn ook mensen die wel goed kunnen zien, maar waarbij de
samenwerking tussen de gebieden niet goed is.
Twee hersengebieden zijn vooral belangrijk bij taal en lezen.
1. Zoek op http://nl.wikipedia.org/wiki/Taal op, welke gebieden dit
zijn:
2. Waar liggen deze gebieden in de hersenen?
Bron: http://www.morguefile.com
20
Bekijk het volgende filmpje:
http://www.youtube.com/watch?v=f2IiMEbMnPM&feature=related
3. Bij deze patiënt is het gebied van Broca beschadigd. Wat is denk je,
als je let op wat de patiënt niet meer kan, de functie van het gebied van
Broca?
Bekijk nu het volgende filmpje:
http://www.youtube.com/watch?v=aVhYN7NTIKU&feature=related
4. Deze patiënt heeft een beschadiging van het gebied van Wernicke.
Wat is de functie van dit gebied?
Op deze site vind je oefeningen. Hiermee kunnen mensen met een
taalstoornis weer leren hoe taal werkt. Door deze site te bekijken krijg je
een idee wat moeilijk is voor mensen met afasie.
http://www.afasie-digitaal.nl/
5. Wat zou jij het grootste probleem vinden? Dat je woorden niet kunt
spellen bijvoorbeeld, of iets anders?
Patiënten met een afwijking in de taalgebieden kunnen problemen met
lezen krijgen. Hun ogen werken goed, maar toch kunnen ze moeilijk
lezen. Een voorbeeld hiervan is dyslexie, ook wel leesblindheid
genoemd.
21
Hoe groter hoe beter?
Vraagstelling:
Zou iemand die dyslectisch is gebaat zijn bij grotere letters?
Verwachting
ja/nee, want:
Je zou misschien verwachten dat grotere letters niet uitmaken voor
iemand met dyslexie. Toch helpt het wel, omdat mensen die dyslectisch
zijn vaak moeite hebben om letters uit elkaar te houden die erg op elkaar
lijken. Bijvoorbeeld de ‘b’ en ‘d’.
Lettermix
Probeer het volgende stukje maar eens te lezen:
Dzee tkset kpolt neit. Waoram?
Je merkt (als je geen dyslexie hebt tenminste), waarschijnlijk dat het
weinig moeite kost om de tekst te lezen, ook al staan de letters door
elkaar. Hoe zou dat komen?
Als je de volgende tekst leest, merk je dan een verschil?
Un tsata ceht lalse rodo kelara.
Wat is het verschil en waardoor denk je dat dit komt?
22
Waarschijnlijk ging de tweede tekst moeilijker dan de eerste. Dat komt
omdat je hersenen nu de woorden minder snel herkennen. De voorste
en laatste letters zijn namelijk niet meer gelijk aan de letters die normaal
op die plaats staan. Omdat je hersenen woorden snel kunnen
herkennen, scheelt dat je heel veel tijd met lezen. Je hoeft niet meer elke
letter stuk voor stuk te lezen om het woord te begrijpen.
Als je dyslectisch bent, gaat dat lastiger. Je kunt dan namelijk geen
gebruik meer maken van woordherkenning, alleen nog maar invullen wat
je verwacht te lezen. En dat klopt natuurlijk niet altijd met wat er echt
staat. Bovendien duurt dat ook een stuk langer. Dat zal je in de tekst
hierboven wel gemerkt hebben. Lezen kost daardoor meer energie en
daardoor doe je er langer over om een tekst door te lezen.
Klinkt als…
Om te kunnen lezen moet je niet alleen de woorden en letters van elkaar
kunnen onderscheiden. Ook moet je klanken in je hoofd kunnen vormen
van de letters die je ziet. Als je de klanken in je hoofd niet goed kan
vormen is het moeilijk om het juiste begrip uit je geheugen te gebruiken.
Probeer in de volgende opdracht zelf maar eens de tekst te lezen terwijl
je buurman of buurvrouw in jouw oor fluistert of terwijl je naar muziek
luistert.
Dyslexie is een taalstoornis die ontstaat doordat visuele prikkels
moeilijk worden omgezet in fonetische gegevens. Daardoor komt de
informatie niet goed aan.
Probeer nu ook een Engelse zin:
If English is not your primary language, it will be more difficult to
read this text without hearing the words in your head.
Bij mensen die dyslectisch zijn geeft dit nog eens extra problemen. In
een luidruchtige situatie hebben zij veel moeite met lezen. Ze kunnen het
beste werken als het in de klas echt helemaal stil is.
23
Op hersenscans blijkt dat ook vaak het gebied in de hersenen waarmee
zij klanken uit woorden vormen minder groot is. Zij hebben daardoor
meer tijd nodig om de geschreven letters van het woord om te vormen
tot klanken. Pas dan kunnen ze een begrip uit hun geheugen naar boven
halen.
Zou het als je dyslectisch bent, helpen om een luisterboek te gebruiken?
Waarom?
ja/nee want:
Vraagstelling
Welke beperkingen kunnen optreden bij lezen en op welke wijze kunnen
deze worden verholpen?
Verwachting
Materiaal
- Een computer
Werkwijze
1. Ga uit van de vijf voorwaarden die nodig zijn om te kunnen lezen,
zoals deze in de oriëntatie staan (goed zien, woorden en letters
van elkaar onderscheiden, letters in klanken omzetten, klanken in
begrippen omzetten, nieuwe begrippen in je geheugen plaatsen).
2. Zoek op hoe de verschillende beperkingen genoemd worden.
Maak hierbij gebruik van internet.
-alexie / visuele afasie : http://nl.wikipedia.org/wiki/Visuele_afasie
- hemianopsie / halfzijdige gezichtsveld uitval:
http://www.hersenstichting.nl/alles-overhersenen/hersenaandoeningen/hemianopsie.html
24
- agnosie: http://www.tkstenmeer.nl/tvv/tvvklinischelesnah.htm &
http://nl.wikipedia.org/wiki/Agnosie
- dyspraxie: http://www.orthopedagogiek.com/dyspraxie.htm
- semantische dementie:
http://www.pick.nl/site/index.php?option=com_content&view=article
&id=51:alzheimermagazine1&catid=34:undefend&Itemid=50
3. Geef per beperking een voorbeeld van hoe dit zou kunnen worden
verholpen. We noemen zo’n maatregel een “remedie”. Met zo’n
remedie zou het mogelijk moeten zijn om toch goed te kunnen
lezen, ook al voldoe je niet aan alle vijf de voorwaarden.
4. Geef je bevindingen weer in een tabel. Voor de eerste voorwaarde
is deze tabel al als voorbeeld ingevuld.
Voorwaarde
Beperking
Goed zien
Slechtziendheid of
blindheid
Onderzoek/test
Met
Aandachtspunten
Oogtest.
Belangrijk bij deze
oogtest is dat niet
wordt gevraagd naar
het benoemen van
cijfers of letters,
maar dat alleen
figuren worden
gebruikt!
Remedie
- Bril
- Contactlenzen
- Braille aanleren
Woorden en letters
van elkaar
onderscheiden
25
Letters in klanken
omzetten
Klanken in
begrippen omzetten
Nieuwe begrippen in
je geheugen
plaatsen
Conclusie
Nu je de tabel hebt ingevuld, heb je een aantal remedies tegen
verschillende leesproblemen gevonden. Welke remedie helpt volgens jou
voor de meeste mensen met leesproblemen? Waarom?
Discussie
Zijn er beperkingen waar je nog nooit van had gehoord? Denk je dat
deze vaak voorkomen?
26
Je had vast al weleens van dyslexie gehoord. Kijk je hier nu anders
tegen aan?
Reflectie
Hebben jij en je partner de taken goed verdeeld? Waarom?
Bron: http://www.morguefile.com
27
Hoofdstuk 4
Inleiding
Ieder mens is anders dus
ook onze hersenen zijn
uniek. Zij maken dat
iedereen op situaties net
iets anders reageert.
Als je een onderzoek over
hersenen bedenkt, moet je
hier rekening mee houden.
Goed nadenken over
hoeveel proefpersonen je
wilt gebruiken en welke
proefpersonen er mee
gaan doen. Dit helpt je om
je resultaten zo betrouwbaar
mogelijk te maken.
Geheugentest
Bron: http://www.morguefile.com
Hoe meer zielen, hoe meer vreugd?
Als onderzoeker kan je zelf uitzoeken hoeveel mensen je mee laat doen
aan je onderzoek. Je kunt je testjes doen op één persoon of op de hele
school. Wat denk je zelf dat beter is? Waarom?
Toch kun je niet altijd het ideale aantal proefpersonen testen. Dat zijn er
namelijk veel te veel. Je zou dan bijvoorbeeld een jaar bezig zijn om
iedereen in Nederland te onderzoeken. Je moet dus helaas wat water bij
de wijn doen om het onderzoek uitvoerbaar te houden.
Wie mag er meedoen?
Naast dat je kan kiezen hoeveel mensen je gaat testen, is het ook
belangrijk wélke mensen dat zijn.
Als je bijvoorbeeld wilt weten hoe snel Nederlandse mensen gemiddeld
kunnen rennen, test je natuurlijk niet alleen je klasgenoten. Dan moet je
28
ook je oma, ouders, buren etc. testen om een goed resultaat te krijgen.
Oudere mensen kunnen minder snel rennen dan jonge mensen. Je dikke
buurman rent misschien weer minder snel dan je sportieve oom.
Bij je hersenen werkt dat ook zo. Ze kunnen gedurende je leven heel erg
veranderen. Ook kunnen ze heel verschillend zijn tussen verschillende
mensen.
Maar er zijn ook gelijkenissen: de hersenen van oudere mensen werken
allemaal minder snel dan die van jonge mensen bijvoorbeeld.
Twee onderzoekers doen hetzelfde onderzoek, met eenzelfde aantal
proefpersonen. Toch verschillen hun resultaten, want ze kiezen een
andere samenstelling van proefpersonen.
De eerste onderzoeker doet zijn onderzoek met een groep mensen
tussen de 16 en 18 jaar.
De tweede onderzoeker doet zijn onderzoek met een groep mensen
tussen de 8 en 40 jaar. Wie zal de meeste verschillen zien tussen
onderlinge proefpersonen? Waarom?
Wie heeft de meest betrouwbare steekproef om een gemiddelde voor
heel Nederland te maken?
En wie heeft de beste steekproef om een gemiddelde voor de
bovenbouw te maken?
29
Vraagstelling
 Hoe beïnvloedt herhaling van een oefening het korte termijn
geheugen?
 Wat is de invloed van andere zintuiglijke waarnemingen (bijv.
horen) op het korte termijn geheugen?
Verwachting
In deze proef kun je je visuele geheugen testen, om precies te zijn: je
korte termijn geheugen voor afbeeldingen. Je krijgt hierbij figuren in een
bepaalde volgorde te zien. Je moet onthouden in welke volgorde de
figuren worden getoond.
Materiaal
 Een computer
Onderzoek 1
Werkwijze
1. De klas wordt in twee groepen verdeeld: groep A krijgt alleen de
figuren te zien; groep B krijgt bij de figuren ook een geluid te horen.
Ga naar:
http://www.technopolis.be/nl/index.php?n=4&e=48&s=266&exp=12
2. Bepaal hoe lang jouw reeks van onthouden figuren is. Doe dit een
aantal keren, totdat er geen toename meer zit in de lengte van je
reeks. Schrijf op bij welke poging je het maximale resultaat hebt.
Noteer je resultaten in de tabel hieronder.
3. Verzamel de resultaten van de andere leerlingen in jouw groep.
Noteer het gemiddelde in de tabel.
4. Verzamel het gemiddelde resultaat van leerlingen uit de andere
groep. Noteer het gemiddelde per poging in de tabel.
30
Poging
Lengte reeks
eigen meting
Groepsgemiddelde
met geluid
Groepsgemiddelde
zonder geluid
1
2
3
4
5
Enz.
Resultaten
1. Neemt de lengte van jouw reeks inderdaad toe naarmate je de proef
vaker doet? Hoe komt dat?
2. Bereik je een maximum aan de lengte van de reeks die je kunt
onthouden? Hoe groot is dit maximum?
3. Maak een grafiek van de resultaten van je groep. Zet het aantal
pogingen op de X-as en de gemiddelde lengtereeks op de Y-as.
31
4. Noem enkele factoren waardoor deze resultaten kunnen variëren?
Conclusie
1. Hoe beïnvloedt herhaling van een oefening het korte termijn
geheugen?
2. Vergelijk het gemiddelde van jouw groep met het gemiddelde van de
andere groep. Kun je uit het verschil conclusies trekken over de invloed
32
van geluid bij het onthouden van figuren?
Bron: http://www.morguefile.com
Je hebt nu onderzocht hoe het korte termijn geheugen wordt beïnvloed
door het herhalen van een proef, en door een geluid toe te voegen aan
de proef.
Met deze proef zou je nog meer onderzoeksvragen kunnen
beantwoorden, zoals bijvoorbeeld:
- In hoeverre is leeftijd van invloed op de resultaten?
- Zitten er verschillen in de resultaten tussen jongens en
meisjes?
- Kun je het korte termijn geheugen verbeteren door een paar
dagen achter elkaar de test te doen?
Kies een onderzoeksvraag uit bovenstaande voorbeelden, of verzin zelf
een onderzoeksvraag.
1. Welke vraag heb je gekozen?
2. Hoeveel proefpersonen zou je nodig hebben om deze vraag te
beantwoorden? Waarom?
33
3. Waar ga je de proefpersonen vandaan halen (klasgenoten, docenten,
ouders)? Kies je juist proefpersonen die op elkaar lijken, of juist
verschillende? Waarom?
4. Beschrijf hoe je het experiment gaat uitvoeren. Hoe vaak laat je iedere
proefpersoon de test doen? Wat doe je met de resultaten?
Onderzoek 2
Werkwijze
1. Laat jouw onderzoeksopzet nakijken door je docent.
2. Maak in de onderstaande figuur een tabel om je resultaten
overzichtelijk in te kunnen opschrijven.
3. Voer vervolgens het experiment uit, en noteer de resultaten.
34
Resultaten
Je hebt nu alle resultaten verzameld. Beantwoord de volgende vragen.
1. Zien je resultaten er op het eerste gezicht betrouwbaar uit? Vallen er
geen waarden op die heel hoog of heel laag zijn?
2. Als je waarden hebt gezien waarvan je denkt dat ze niet kloppen, wat
zou je hiermee kunnen doen? Zou je ze mogen weggooien? Waarom
denk je wel/niet?
35
3. Moet je nog verdere berekeningen doen met de resultaten, zoals
bijvoorbeeld een gemiddelde uitrekenen? Zo ja, doe dit en schrijf de
resultaten in de tabel.
4. Maak een grafiek van je resultaten.
Conclusie
Wat is de invloed van andere zintuiglijke waarnemingen (bijv. horen) op
het korte termijn geheugen?
Discussie
1. Komt dit antwoord overeen met je verwachting?
ja/nee, want:
36
2. Denk je dat je conclusie betrouwbaar is? Wat zou je in de toekomst
kunnen veranderen aan je onderzoeksopzet, waardoor de conclusie nog
betrouwbaarder wordt (denk aan het aantal en type proefpersonen)?
Afsluiten
Presenteer de resultaten van je onderzoek aan je klasgenoten. Bij de
presentatie maak je gebruik van een poster waar duidelijk de
onderzoeksvraag, de grafiek(en) en je conclusie(s) te lezen zijn. Zorg
voor een mondelinge toelichting van maximaal ca. 5 minuten.
Reflecteren
Je hebt bij het uitvoeren van het geheugenonderzoek gebruik gemaakt
van een aantal proefpersonen (inclusief jezelf).
Welke drie aspecten zijn volgens jou het belangrijkste bij het selecteren
van deze proefpersonen?
37
Afsluitingsfase
Hoofdstuk 5
Je hersenen in een notendop
Inleiding
In de afgelopen lessen heb je onderzocht:
- Uit welke onderdelen de hersenen bestaan
- Hoe deze onderdelen samenwerken (voorbeeld: dyslexie)
- Hoe je met proefpersonen een experiment uitvoert
Het is nu tijd om dit eerste gedeelte van deze module af te sluiten en
alles voor jezelf nog eens op een rijtje te zetten.
Denk terug aan de afgelopen hoofdstukken. Haal in gedachte terug wat
je hebt geleerd en lees ook de antwoorden op de vragen nog eens door.
Wat heb je geleerd over hersengebieden?
Wat heb je geleerd over de werking van je hersenen?
Wat heb je geleerd over onderzoek met proefpersonen?
38
Verwerk in kleine groepjes van 3-4 personen de informatie en conclusies
die voor jullie het belangrijkst waren, zodat je het aan je klasgenoten
kunt presenteren. Maak bijvoorbeeld een poster, website of tekening.
Reflecteren
Denk je dat je nu klaar bent om je eigen hersenonderzoek op te stellen?
Welke kennis mis je nog? Hoe zou je deze kunnen opzoeken?
Bron: http://www.morguefile.com
39
Oriëntatiefase Eigen onderzoek
Hoofdstuk 6
Gastles Optische Illusies
Inleiding
Zoals je bij het vorige hoofdstuk al hebt
gemerkt, kunnen je hersenen een
heleboel voor je invullen wat je eigenlijk
met je ogen niet kunt zien. Ze kunnen
woorden lezen, terwijl die er niet staan.
Ook bij andere dingen die je ziet, maken
je hersenen er soms wat anders van dat
wat er écht te zien is. Een situatie
waarin je je hersenen voor de gek kunt
houden, noem je een optische illusie.
Waarom laten onze hersenen zich
eigenlijk foppen? Is dat niet hartstikke
onhandig?
Op het eerste gezicht zou je zeggen van
Bron: http://commons.wikimedia.org
wel. Maar eigenlijk zorgen je hersenen
ervoor dat je in normale situaties heel
snel een idee hebt waar je naar kijkt. Je hoeft alle gegevens van je ogen
dan niet af te wachten, maar je kan snel een beslissing nemen. Je
hersenen vullen in wat je verwacht te zien. En vaak gaat dat prima, want
dat zijn de dingen die we het meeste tegenkomen.
Welke dingen denk je dat dit zijn? Heb je zelf in je dagelijks leven wel
eens een “optische illusie” meegemaakt?
In dit hoofdstuk ga je bekijken hoe een optische illusie tot stand komt.
Een gastdocent geeft een presentatie over optische illusies. Het is
belangrijk om tijdens de presentatie goed op te letten, zodat je
onderscheid kunt maken tussen hoofd- en bijzaken. Om dit te oefenen
zul je tijdens de presentatie aantekeningen maken van wat, volgens jou,
belangrijke informatie is. Met deze informatie ga je uiteindelijk de
40
onderzoeksvraag proberen te beantwoorden. Ook ga je de komende
lessen met deze informatie zelf een optische illusie onderzoeken bij
proefpersonen.
Vraagstelling
Wat is er nodig om een optische illusie tot stand te brengen?
Verwachting
Materiaal:
 presentatie van gastdocent
Werkwijze
1. Luister naar de presentatie van de gastdocent.
2. Schrijf tijdens de les de belangrijkste zaken voor jezelf op, onder
‘Resultaten’.
3. Beantwoord vervolgens de onderstaande vragen.
Resultaten
Probeer tijdens de presentatie zo goed en zo compleet mogelijk samen
te vatten wat de gastdocent vertelt.
41
Conclusie
Kun je met deze samenvatting de onderzoeksvraag “Wat is er nodig om
een optische illusie tot stand te brengen?” beantwoorden?
Zo ja, beantwoord deze. Zo nee, wat voor informatie ontbreekt er nog
aan je samenvatting? Heeft de gastdocent dit wel verteld?
Discussie
Hoe vind je het dat je hersenen zich zo laten foppen? Vind je het handig
of juist onhandig?
42
Afsluiten
Schrijf voor jezelf op waaruit de meeste optische illusies zijn opgebouwd.
Dit kun je later gebruiken als je zelf een optische illusie gaat
onderzoeken.
Reflectie
Is je door de gastles beter duidelijk geworden hoe optische illusies
werken?
Lukte het om de hoofdzaken uit deze les te halen voor je samenvatting?
Wat vond je hier moeilijk aan en wat ging goed?
43
Voorbereidingsfase Eigen onderzoek
Hoofdstuk 7
Je eigen illusie onderzoeken (1)
Inleiding
Zoals je in de gastles hebt gehoord, zijn er een aantal manieren om je
hersenen te misleiden. Je gaat de komende lessen een aantal van deze
methoden onderzoeken. Daarbij maak je gebruik van illusies die op
internet te vinden zijn. Je gaat later onderzoeken hoe deze werken op
verschillende proefpersonen. Maar je kunt ook andere dingen
onderzoeken, bijvoorbeeld de werking van het geheugen, of hoe
dyslectische mensen verschillen van anderen. Je stelt hierbij een eigen
onderzoeksvraag op.
Ga naar de volgende website om kennis te maken met de optische
illusies die je kunt gebruiken:
http://www.utahsciencecenter.org/lows/exhibit_preview/interactive/optical_illusion.php
Op deze website staan verschillende optische illusies. Bekijk een aantal
illusies en kijk hoe deze werken. Wat kun je zelf aanpassen?
Je gaat de komende lessen in tweetallen onderzoeken hoe optische
illusies werken bij verschillende proefpersonen. Hiervoor ga je eerst zelf
een hoofdvraag bedenken. Je kunt ook een hoofdvraag bedenken die
betrekking heeft op het geheugen of op dyslexie.
Deze hoofdvraag moet betrekking hebben op één variabele. Dat wil
zeggen, je kunt maar één ding tegelijk onderzoeken. De rest moet je zo
constant mogelijk houden. Zo’n variabele is bijvoorbeeld de leeftijd. Je
moet er dan voor zorgen dat de rest van de proef gelijk blijft. Je kunt dan
bijvoorbeeld niet ook nog het verschil tussen jongens en meisjes
onderzoeken.
Je kunt ook de optische illusie als variabele gebruiken. Je zou dan
kunnen onderzoeken welke optische illusie het beste werkt. Als je gaat
testen hoe dyslexie werkt, kun je bijvoorbeeld testen of dyslectische
mensen net zo snel lezen als niet dyslectische mensen. Dyslectisch of
niet is dan de variabele.
44
Welke variabele willen jullie onderzoeken?
Welke onderzoeksvraag gebruik je om deze variabele te onderzoeken?
Verwachting
Materiaal
 website met illusies die je kunt aanpassen
http://www.utahsciencecenter.org/lows/exhibit_preview/interactive/optical_illusi
on.php
 website over het geheugen
http://www.technopolis.be/nl/index.php?n=4&e=48&s=266&exp=12
Werkwijze
In dit hoofdstuk ga je het onderzoek voorbereiden: je gaat een
onderzoeksopzet maken. Denk er goed over na hoe je het onderzoek
wilt uitvoeren en hoe je de resultaten gaat verwerken. Beantwoord de
volgende vragen.
1. Wie ga je als proefpersonen gebruiken voor je onderzoek?
45
2. Hoeveel proefpersonen ga je gebruiken? Is dit genoeg? Waarom?
3. Welke optische illusie(s) ga je onderzoeken? Kies er een één of meer
van de website. Of ga je dyslexie of geheugen onderzoeken? Schrijf dan
ook op wat je precies gaat onderzoeken.
4. Hoe ga je de vragen stellen aan de proefpersonen? Geef je ze de
vragen op papier, of stel je ze zelf? Kun je deze manier bij alle
proefpersonen gelijk houden?
5. Wat ga je de proefpersonen vragen? Wat wil je dat ze doen?
Maak deze vragenlijst ook echt onder ‘resultaten’.
6. Hoe noteer je de resultaten? (Hint: tabel)
Maak deze tabel, of wat je hebt gekozen, vast onder ‘resultaten’.
46
7. Wat ga je na de uitvoering van het onderzoek met deze resultaten
doen? (Hint: grafiek maken, gemiddelden berekenen)
Resultaten
1. Vragenlijst (zie vraag 5 bij werkwijze).
47
48
2. Overzicht waar je je resultaten op kan schrijven (zie vraag 6 bij
werkwijze).
49
Reflecteren
Denk je dat je nu genoeg informatie hebt om volgende keer je onderzoek
uit te voeren?
Zo niet, wat mis je nog?
50
Uitvoeringsfase Eigen onderzoek
Hoofdstuk 8
Je eigen illusie onderzoeken (2)
Inleiding
In het vorige hoofdstuk heb je een eigen onderzoeksopzet gemaakt. In
dit hoofdstuk ga je het onderzoek ook echt uitvoeren.
De resultaten die je verkrijgt ga je vervolgens verwerken, zodat je
antwoord kunt geven op je onderzoeksvraag.
Lees je onderzoeksopzet nog eens goed door, zodat je precies weet wat
je moet doen.
Materiaal
- Onderzoeksopzet zoals gemaakt in hoofdstuk 7.
- Website met illusies die je kunt aanpassen of met de
geheugentest:
(http://www.utahsciencecenter.org/lows/exhibit_preview/interactive/optical_illu
sion.php) of
http://www.technopolis.be/nl/index.php?n=4&e=48&s=266&exp=12
Werkwijze
- Voer je onderzoek uit, en noteer de resultaten in het door jouw
gemaakte overzicht (hoofdstuk 7).
- Na het uitvoeren van je onderzoek verwerk je de resultaten zoals je
in hoofdstuk 7 hebt beschreven. Zorg dat je uiteindelijk een
duidelijke grafiek/tabel hebt waarmee je de onderzoeksvraag kunt
beantwoorden.
Resultaten
- Grafiek of tabel waarin je resultaten verwerkt zijn.
Conclusie
Als het goed is kun je nu je onderzoeksvraag beantwoorden.
51
Discussie
Komt het antwoord overeen met je verwachting?
Reflecteren
1. Denk je dat je een betrouwbare conclusie hebt kunnen trekken?
2. Is het je goed gelukt om maar één variabele te veranderen en de rest
constant te houden? Hoe zou je dit in het vervolg beter kunnen doen?
52
Afsluitingsfase Eigen onderzoek
Hoofdstuk 9
Je eigen illusie onderzoeken (3)
Inleiding
In de vorige hoofdstukken heb je je eigen onderzoek uitgevoerd. Behalve
het uitvoeren van je onderzoek en het verwerken van de gegevens, is
het ook belangrijk dat je jouw resultaten goed kunt presenteren.
Dat ga je in dit hoofdstuk doen.
Resultaten
Om je resultaten te presenteren maak je een poster. Op een poster moet
natuurlijk alle informatie over je onderzoek staan (onderzoeksvraag,
werkwijze, resultaten, conclusies), maar hij moet er ook aantrekkelijk
uitzien. Bovendien moet hij duidelijk zijn. Zet je poster in elkaar en geef
een korte mondelinge toelichting van ongeveer 5 minuten aan je
klasgenoten.
Jullie gaan elkaars posters beoordelen.
Bekijk de posters van je medeleerlingen en beoordeel ze met de
volgende vragen:
Vraag
Antwoord
1. Ik vind de poster er leuk uitzien.
1–2–3–4–5
2. Ik vind dat de poster er duidelijk uitziet.
1–2–3–4–5
3. Het is duidelijk wat de onderzoeksvraag
is.
1–2–3–4–5
4. Het is duidelijk hoe het onderzoek is
uitgevoerd.
1–2–3–4–5
4. Er zijn duidelijke grafieken.
1–2–3–4–5
5. Er zijn goede conclusies getrokken.
6. Het onderzoek is goed uitgevoerd.
7. Ik vind de conclusie betrouwbaar.
1–2–3–4–5
1–2–3–4–5
1–2–3–4–5
53
De antwoorden kun je per poster op een blaadje schrijven. Lever deze in
bij de docent nadat je alle posters hebt beoordeeld. Schrijf ook je eigen
naam op het blaadje, zodat de docent je om een toelichting kan vragen
bij je beoordeling.
De docent bespreekt klassikaal de onderzoeksresultaten, de
presentaties en jullie oordeel over de posters.
Reflecteren
1. Hoe vind je dat je eigen onderzoek is gegaan?
2. Wat vond je van je eigen poster?
3. Hoe werd je poster beoordeeld en wat voor tips heb je gekregen voor
je onderzoek?
4. Wat zou je nu nog willen veranderen aan je poster?
54
5. Hoe zou je volgende keer je onderzoek aanpakken? Wat zou je
anders doen?
55
Afsluitingsfase Module
Hoofdstuk 10
Excursie Donders-Instituut
Inleiding
De afgelopen hoofdstukken zijn een aantal onderwerpen in het
hersenonderzoek belicht. Ook heb je zelf een hersenonderzoek gedaan.
Je hebt dus kennis gemaakt met de onderzoekspraktijk.
Lijkt het je nu wat om zelf hersenonderzoek te doen? Waarom wel / niet?
Vraagstelling
Wat doet een hersenonderzoeker in de praktijk?
Verwachting
In dit hoofdstuk ga je op bezoek bij een echte hersenonderzoeker. Hij of
zij zal je laten zien hoe onderzoek naar hersenen in de praktijk wordt
uitgevoerd.
Afsluiting
Wat ben je door deze excursie te weten gekomen? Klopte je
verwachting? Wat was het meest verrassende wat je hebt geleerd?
56
Reflecteren
Welke kennis heb je nu bijgeleerd?
Welke vaardigheden heb je nu extra gekregen?
Hoe vond je het onderwerp van de module?
Wat vond je van de werkvorm in deze module?
Literatuur onderzoek:
Leerzaam?
Leuk?
Praktijk onderzoek:
Leerzaam?
57
Leuk?
Vraag
Antwoord
1. Ik vond deze module leuk
1–2–3–4–5
2. Ik vond deze module leerzaam
1–2–3–4–5
3. Ik vond deze module moeilijk
1–2–3–4–5
4. Ik heb een beter beeld gekregen van de
studies en beroepen in dit werkveld
1–2–3–4–5
58
Bronnen
Bronnen afbeeldingen voorkant:
 http://commons.wikimedia.org
Bronnen in de leerlingenhandleiding:
 http://commons.wikimedia.org
 http://www.morguefile.com
 http://office.microsoft.com
59
Download