Antwoord wordt opgeslagen

advertisement
Alle (proef)examenvragen bij elkaar
" De prijs van aardappelen is sterk gedaald als gevolg van uitzonderlijke oogsten en een
toegenomen voorkeur van de consumenten voor pasta en rijst."
Deze zin zegt dat de prijsdaling het gevolg was van:
A. een verschuiving van de aanbodcurve en een beweging langs de vraagcurve;
B. een verschuiving van de vraagcurve en een beweging langs de aanbodcurve;
C. een verschuiving van de vraag- en aanbodcurve; x
D. geen van de vorige
In een economie worden kleding en graan geproduceerd. De productie van kleding
verloopt volgens de productiefunctie: xA = 2 lA1/2 (met lA de hoeveelheid arbeid en xA het
aantal geproduceerde eenheden van kleding). De productie van granen verloopt volgens
de productiefunctie xB = lB (met lB de hoeveelheid arbeid en xB het aantal geproduceerde
eenheden van graan). In deze economie zijn 10 eenheden arbeid beschikbaar. Welke
uitspraak is FOUT?
A. Het marginaal product van arbeid voor goed A is dalend.
B. De curve van de productiemogelijkheden kan weergegeven worden door de
vergelijking xB = 10 - (xA2/4)
C. Het marginaal product van arbeid voor goed B is constant.
D. Een productie van 6 eenheden van goed xA en 1 eenheid van goed xB verloopt niet
efficiënt. x
A. De opportuniteitskost van dvd's stijgt naarmate de productie ervan toeneemt. x
B. De opportuniteitskost van ab dvd's bedraagt a'b' TV's.
C. Een herallocatie van de productiefactoren kan de economie die zich in e bevindt
toelaten een goederenbundel op de productiemogelijkhedencurve te bereiken.
D. Door een energiebesparende uitvinding kan goederenbundel f bereikt worden.
Op de markt is de vraag gegeven door xv = -2p + 300 en het aanbod door xA = 50 + 3p.
Welke uitspraak is FOUT?
A. De absolute waarde van de prijselasticiteit van de vraag is in het marktevenwicht
gelijk aan 0,5.
B. Na de invoering van een consumentenbelasting van 10 euro per eenheid worden er
nog 188 eenheden gevraagd.
C. De invoering van een maximumprijs van 75 euro is in deze markt een zinloze
maatregel.
D. Het marktevenwicht bevindt zich in het prijselastische deel van de aanbodcurve. x
De consument beschikt over een inkomen gelijk aan 1200 dat hij volledig aan twee
goederen besteedt. De prijzen van beide goederen bedragen p1 = 20 en p2 = 50. De
preferenties van een consument worden beschreven door de nutsfunctie u = x1x2². Bepaal
de optimale goederenbundel.
A. x1= 20 en x2 = 16. x
B. x1= 16 en x2 = 20.
C. x1= 30 en x2 = 12.
D. x1= 12 en x2 = 30.
Voor een prijs van 10 euro per eenheid en een prijs van 50 euro per eenheid worden er
respectievelijk 260 en 500 eenheden aangeboden. De vraag wordt gekenmerkt door de
vergelijking xv = 300-2p. Welke van onderstaande uitspraken is FOUT?
A. De invoering van een minimumprijs van 15 is een nuttige maatregel om de producenten
te beschermen.
B. De prijselasticiteit van het aanbod in het evenwicht is gelijk aan 3/11.
C. Het marktevenwicht bevindt zich in het prijselastisch deel van de vraagcurve. x
D. De invoering van een maximumprijs van 20 euro zou een zinloze maatregel zijn.
Ga uit van een markt die gekenmerkt wordt door de volgende vraag- en aanbodfunctie:
xv = -2p + 100 en xa = 2p + 20. De overheid besluit een producentenbelasting van 10 euro
te heffen op elke geproduceerde eenheid van het goed. Welke uitspraak is FOUT?
A. De prijsstijging van het goed bedraagt 5 euro.
B. De uitgaven van de consumenten nemen toe met 50 euro.
C. De belastingsopbrengsten bedragen 250 euro.
D. De netto-ontvangsten van de producenten nemen af met 450 euro.
De prijselasticiteit van het aanbod voor een goe is gelijk aan 1.2. Om de aangeboden
hoeveelheid te doen toenemen met 3.6%, zal de prijs moeten:
A. Stijgen met 1.2%.
B. Stijgen met 3.6%
C. Dalen met 1.2
D. Stijgen met 3%
Stel dat de vraagcurve V in onderstaande grafiek van het type x = a / p is (a is een
positieve constante), dan is de absolute waarde van de prijselasticiteit van de vraag in
punt z gelijk aan: (tweede antwoord)
Er ontstaat een verschuiving van de vraagcurve van een goed naar rechts wanneer:
A. het inkomen daalt en het goed een inferieur goed is; x
B. de prijs van een complementair goed toeneemt;
C. de prijs van een substituut afneemt;
D. de productiekosten van het goed afnemen.
Onderstaande grafiek geeft drie indifferentiecurves, evenals twee mogelijke
budgetrechten weer. Welke van de onderstaande uitspraken is altijd JUIST? (laatste
antwoord)
Overeenkomstig de wet van het afnemend marginaal nut geldt:
A. het totaal nut van een goed daalt naarmate men meer van dat goed bezit;
B. een goed wordt minder nuttig naarmate men meer van dat goed bezit;
C. het nut dat uit een bijkomende eenheid van een goed wordt afgeleid, neemt af
naarmate men meer van dat goed bezit
D. geen van de vorige.
Welke uitspraak is FOUT?
A. Als MK < GVK, dan dalen de GVK en GK.
B. Het minimum van de GVK komt overeen met een kleiner outputniveau dan het
minimum van de GK.
C. Als de GVK stijgen, weten we dat MK > GK.
D. De GVK-curve en GK-curve kunnen elkaar nooit snijden, als er een positieve vaste
kost is.
Beschouw de curve van de productiemogelijkheden. Welke uitspraak is FOUT?
A. In een punt onder de curve is de opportuniteitskost van een bijkomende eenheid van
elk goed nul.
B. In een punt op de curve kan men van geen enkel goed de geproduceerde hoeveelheid
verhogen, omdat de productie in dit punt efficiënt is. x
C. De keuze tussen twee punten op de curve staat bekend als een allocatieprobleem.
D. Een punt boven de curve kan bereikt worden als er meer productiefactoren
beschikbaar worden.
A.
B.
C.
D.
een wijziging in de voorkeuren van de consument;
een toename in het inkomen van de consument; x
een toename in de prijs van goed X;
een toename in de prijs van goed Y.
De productiefunctie geeft:
A. de productiekosten in functie van het geproduceerde outputvolume;
B. de maximale output die met een willekeurige inputcombinatie kan gerealiseerd
worden; x
C. de maximale winst in functie van de output;
D. geen van bovenstaande zaken.
Welke van de onderstaande fenomenen kan NIET verantwoordelijk zijn voor een
opwaartse verschuiving van de curve van productiemogelijkheden?
A. Het geven van een gerichte opleiding aan nieuwe werknemers.
B. Een toename van de bevolking.
C. Een belangrijke ontwikkeling in de telecommunicatie.
D. Het verlagen van de pensioenleeftijd. x
Welke uitspraak is JUIST?
A. De getalwaarde van een isoquant heeft in tegenstelling tot deze van een
indifferentiecurve wel een kardinale betekenis. x
B. Een sunk cost is een opportuniteitskost.
C. De isoquant van een product met vaste inputverhoudingen heeft de vorm van een
rechte.
D. De MTSGkl wordt groter naarmate de helling van de raaklijn aan de isoquant vlakker
wordt (met k op de verticale en l op de horizontale as).
Wanneer de isoquant de vorm heeft van een winkelhaak (rechte hoek), dan wordt het
productieproces gekenmerkt door:
A. toenemende schaalvoordelen;
B. afnemende schaalvoordelen;
C. substitueerbaarheid van de productiefactoren;
D. vaste inputverhoudingen. x
Gegeven de volgende productiefunctie x = 10 l1/2 en TKkt = 200 + 50l (met l de
hoeveelheid ingezette arbeid). Als de producent 4 eenheden arbeid inzet, geldt:
A. GPl = 2,5 en MPl = 10.
B. GK = 20 en GPl = 2,5.
C. GK = 20 en MPl =10.
D. GPl = 5 en MPl =2,5.
Welke van de volgende uitspraken is JUIST?
Als de Gini-coëfficiënt 1 bedraagt, heeft iedereen hetzelfde inkomen.
Hoe groter de Gini-coëfficiënt, hoe armer de bevolking.
Hoe kleiner de Gini-coëfficiënt, hoe gelijkmatiger het inkomen verdeeld is.
Alle bovenstaande uitspraken zijn fout.
In 2008 bedroeg het nominale bbp van een bepaald land 400 miljard euro. In 1998 was
dat 250 miljard euro. Het reële bbp (in prijzen van 1998) bedroeg 300 miljard euro in
2008. Hoeveel bedraagt de stijging van de impliciete prijsindex van het bbp van 1998
naar 2008? (1998=100)
-25%
+20%
+33%
+60%
Welke van de volgende uitspraken is steeds geldig in het winstmaximaliserende
optimum in gelijk welke marktvorm?
De MO is gelijk aan de GO.
De helling van de TK-curve is gelijk aan 1.
De helling van de TO-curve is gelijk aan de helling van de TK-curve.
Geen van de vorige.
De vraag naar een goed onder zuivere mededinging wordt gekenmerkt door xv = 60-3p,
het aanbod wordt gekenmerkt door xa = -10 + 2p. Verder wordt er een
consumentenbelasting geheven van 5 euro per eenheid. Welke uitspraak is FOUT?
Het welvaartsverlies na belasting bedraagt 15.
Het producentensurplus na belasting bedraagt 96.
Het producentensurplus voor belasting bedraagt 81.
Het consumentensurplus na belasting bedraagt 24.
In het geval van negatieve externe effecten:
leidt de vrije marktwerking tot de hoogst mogelijke welvaart voor de
gemeenschap.
houdt de maatschappelijke kost van het goed onvoldoende rekening met
schadelijke neveneffecten.
zal de overheid een maatregel opleggen die een opwaartse verschuiving van de
aanbodcurve tot gevolg heeft.
houden de ondernemingen in de sector onvoldoende rekening met de marginale
productiekosten die ze zelf dragen.
Onderbesteding (bestedingstekort) verwijst naar een situatie waarbij:
Ye < Y*
Y < Ye
Y* daalt
Ye daalt
Ga uit van het Solow groeimodel. In dit model neemt de kapitaalvoorraad toe wanneer:
S>I
I>0
S > δK
δK > I
Gegeven is de consumptiefunctie C = 10 + 3/5Y. Stel dat Y = 100. Welke van de
onderstaande uitspraken is dan JUIST?
De gemiddelde consumptiequote bedraagt 3/5.
het autonome sparen bedraagt 10.
De marginale spaarquote bedraagt 2/5.
Geen van bovenstaande uitspraken is correct.
Onderstaande grafiek stelt het inkomensevenwicht voor in een gesloten economie zonder
overheid. Y' is geen evenwichtsinkomen omdat:
er dan overproductie is.
er dan ongewenste investeringen zijn.
de gewenste bestedingen dan kleiner zijn dan de productie.
er dan ongewenste uitputting van de voorraden is.
Wat stelt de endogene groeitheorie in verband met het marginaal product van kapitaal
en de aard van de schaalopbrengsten van de productie?
constant marginaal product van kapitaal en constante schaalopbrengsten.
stijgend marginaal product van kapitaal constante schaalopbrengsten en.
constant marginaal product van kapitaal en toenemende schaalopbrengsten.
stijgend marginaal product van kapitaal en toenemende schaalopbrengsten.
Welke uitspraak is FOUT?
Hoe meer open een economie is, hoe kleiner het effect van een toename van de
uitvoer op het nationaal inkomen in evenwicht.
De automatische stabilisatorwerking bij progressieve inkomstenbelastingen is
groter dan bij lineaire inkomstenbelastingen.
Schommelingen van het nationaal inkomen ten gevolge van een wijziging in de
autonome investeringen zijn groter bij autonome inkomstenbelastingen dan bij
lineaire inkomstenbelastingen.
De investeringsmultiplicator is groter bij lineaire inkomstenbelastingen dan bij
autonome inkomstenbelastingen.
Ga uit van linaire inkomstenbelastingen. Wanneer de overheidsbestedingen en de
nettobelastingen toenemen met hetzelfde bedrag zullen:
het evenwichtsinkomen en het budgettair saldo toenemen.
het evenwichtsinkomen ongewijzigd blijven en het budgettair saldo toenemen.
het evenwichtsinkomen toenemen en het budgettair saldo ongewijzigd blijven.
het evenwichtsinkomen en het budgettair saldo ongewijzigd blijven.
Ga uit van een open economie met overheid waarbij de consumptiefunctie evenals de
invoerfunctie lineair worden verondersteld. De nettobelastingen en
overheidsbestedingen zijn autonoom, evenals de investeringen. Welke van de volgende
uitdrukkingen geeft dan de multiplicator voor de overheidsbestedingen weer?
A
B
C
D
Welke uitspraak is JUIST? Het Stabiliteits- en Groeipact van de EMU stelt dat:
lidstaten die geen jaarlijkse groei van minstens 3% nastreven een sanctie kunnen
krijgen.
welvarende lidstaten die geen 3% van hun bbp bijdragen om zwakke lidstaten te
helpen groeien een sanctie kunnen krijgen.
lidstaten die hun overheidsdeficit boven 3% van het bbp laten stijgen een sanctie
kunnen krijgen.
lidstaten die hun overheidsbudget met meer dan 3% van het bbp laten stijgen een
sanctie kunnen krijgen.
In een markt met zuivere mededinging ziet de langetermijnkostenfunctie van een
onderneming er als volgt uit: TKlt = 2x3 - 4x2 + 10x met x de output van de onderneming.
Veronderstel dat de individuele output in het langetermijnevenwicht strikt positief is. De
evenwichtsoutput van de betrokken onderneming bedraagt in de lange termijn:
8
1
4
16
Ga uit van het Keynesiaanse 45°-schema. In een gesloten economie zonder overheid
stijgt de helling van de rechte die de aggregatieve vraag weergeeft als:
de autonome consumptie toeneemt.
de marginale consumptiequote toeneemt.
de marginale spaarquote toeneemt.
de investeringen toenemen.
Ga uit van het macro-economisch langetermijnevenwicht. Welke uitspraak is JUIST?
Een positieve vraagschok leidt tot een permanente stijging van het algemeen
prijspeil en een permanente outputexpansie.
Een positieve aanbodschok leidt tot een permanente daling van het algemeen
prijspeil en een permanente outputexpansie.
Een negatieve vraagschok leidt tot een permanente daling van het algemeen
prijspeil en een permanente outputvermindering.
Een negatieve aanbodschok leidt tot een permanente stijging van het algemeen
prijspeil en een tijdelijke outputvermindering.
Gegeven onderstaande grafiek. Welke uitspraak is FOUT?
Door het specifieke kostenverloop, zien we op de grafiek het voorbeeld van een
natuurlijk monopolie. Dit impliceert dat de monopolist in zijn optimum verlies
maakt en dat er van overheidswege interventie nodig is (door bijvoorbeeld
subsidiëring) om de markt te doen overleven.
Bij de invoering van een minimumprijs d, wordt er winst gemaakt die wordt
weergegeven door oppervlakte degf.
Vertrekkende van het allocatief optimum, bij de invoering van een minimumprijs
d, ontstaat er een welvaartsverlies ten grote van oppervlakte eio.
Het optimum bij volledige mededinging op lange termijn ligt in het punt n en
bevindt zich buiten de relevante zone van de vraagcurve.
Wat wordt meegerekend in het bni van België?
De winst van Belgische bedrijven gerepatrieerd uit het buitenland.
Het loon van Franse grensarbeiders in België.
De rente op buitenlands kapitaal dat belegd werd in België.
Geen van de voorgaande mogelijkheden.
Ga uit van de Keynesiaanse consumptie- en spaarfunctie. Welke uitspraak is JUIST?
A. GCQ < MCQ
B. MCQ + MSQ = 0
C. GSQ daalt wanneer Y toeneemt
D. GSQ < MSQ
Welke van de volgende opsommingen bevat een voorbeeld van elk van de eigenlijke
productiefactoren:
A. Landbouwers, uraniummijn, interest
B. Aandeelhouders, ligging aan de rivier, drukpers
C. Arbeiders, windmolenpark, openbare wegen
D. Taaldocenten, vruchtbare grond, elektriciteitsnet
De productie van kleding verloopt volgens de productiefunctie: x = l0.5 waarbij x de
geproduceerde hoeveelheid kleding is en l de gebruikte hoeveelheid arbeid. Welke uitspraak
is fout?
 Het marginaal product van arbeid is dalend
 Met 16 eenheden arbeid kan men maximaal 4 eenheden kleding produceren
 Het marginaal product van arbeid is steeds positief.
 Als men 4 eenheden arbeid gebruikt, bedraagt het MP van arbeid 4 eenheden kleding. x
In een economie produceert men 2 goederen x1 en x2 volgens de productiefuncties x1 = 2l
en x2 = 6l2 (met l1 de hoeveelheid arbeid ingezet voor de productie van x1 en l2 de
hoeveelheid arbeid ingezet voor productie van x2) Men beschikt over 100 eenheden
arbeid. Welke uitspraak is fout?
 de curve van de productiemogelijkheden is een rechte
 als men 120 eenheden van elk goed produceert verloopt de productie niet efficiënt
 als men 80 eenheden x1 en 360 eenheden x2 produceert, dan is de opportuniteitskost van
en extra eenheid x2 nul
 in elk punt van de productiemogelijkheden is de opportuniteitskost van een extra eenheid
x1 gelijk
Ga uit van een lineaire vraagcurve. De absolute waarde van de prijselasticiteit van de
vraag zal:
* afnemen als de prijs daalt
* toenemen als de prijs daalt
* dezelfde blijven bij elke prijs
* overal gelijk zijn aan 1
Ga uit van de volgende lineaire aanbodcurve: xa = 200 + 6p. De v wordt gekenmerkt door
De vergelijking xv = 300-2p. Welke van onderstaande uitspraken is fout?
* De invoering van een minimumprijs van 15 is een nuttige maatregel om de producenten
te beschermen
* de prijselasticiteit van het aanbod in het evenwicht = 3/11
* het marktevenwicht bevindt zich in het prijselastisch deel van de V-curve x
* de invoering van een maximumprijs zou een zinloze maatregel zijn
De vraag naar goed x kan weergegeven worden door de vergelijking xv = 200 – 3p, terwijl
de aanbodfunctie weergegeven wordt door xa = 80 + 2p. De overheid wil dat de
consumptie van goed x = 140. Hoe kan ze dit bereiken?
* subsidie aan producent van € 10 per stuk x
* subsidie aan producent van € 6 per stuk
* belasting
* belasting
De V naar sigaretten hangt niet alleen af van de prijs van een pakje sigaretten, maar ook
van de p van roltabak. Bovendien is de p van een pakje sigaretten de belangrijkste
verklarende variabele voor de v naar roltabak. Een Fins onderzoek wijst uit dat wanneer de p
van een pakje sigaretten met 10% stijgt, de v naar sigaretten daalt met 5%. Maar diezelfde
prijsstijging doet de V naar roltbabak toenemen met 22%. Welke uitspraak is juist?
* De V naar sigaretten is prijsinelastisch (-0,5) terwijl de v naar roltabak zeer prijselastisch(2,2) is
*Sommige rokers zullen stoppen met sigaretten roken (-5%) terwijl er meer roltabakgebruikers
(22%) bijkomen. Het totaal aantal rokers neemt toe met 17%. (percentages niet zomaar
optellen)
* sommige rokers zullen stoppen met roken als gevolg van de prijsstijging, terwijl anderen
waarschijnlijk overstappen op roltabak omdat de kruiselingse prijselasticiteit positief is. x
* uit de prijselastisciteit van de vraag naar sigaretten blijkt duidelijk dat sigaretten een inferieur
goed zijn. Daarom neemt de vraag naar roltabak toe, wanneer de p van een pakje sigaretten
stijgt.
De preferenties van Ken worden geschreven door de nutsfunctie u=x 1.x2 Het eerste goed
kost 10 per eenheid, het tweede 20 per eenheid. Ken probeert met een budget van 1000
zijn nut te maximaliseren. Wat is de optimale combinatie van beide goederen?
* x1 = 33,33 en x2 = 66,66
* x1 = 50 en x2 = 25 x
* x1 = 40 en x2 = 30
* x1 = 60 en x2 = 20
Gegeven is de volgende productiefunctie: x = 1000 l0,6.k0,4. Welk besluit kunnen we trekken
over de aard van de schaalopbrengsten van de productie?
* De productie wordt gekenmerkt door toenemende schaalopbrengsten
* De productie wordt gekenmerkt door constante schaalopbrengsten x
* De productie wordt gekenmerkt door afnemende schaalopbrengsten.
* de schaalopbrengsten kunnen we niet afleiden omdat de productiefunctie niet
homogeen is
Het MP van arbeid is gegeven door 1/(2l) (met l de hoeveelheid arbeid). Het marginaal
product van kapitaal is gegeven door 1/(2k) (met k de hoeveelheid kapitaal). De prijs van
arbeid bedraagt 10. De kosten worden geminimaliseerd mits inzet van 7 eenheden
kapitaal en 14 eenheden arbeid. Welke uitspraak is juist?
* de prijs van kapitaal bedraagt 20 x
* De prijs van kapitaal bedraagt 10
* de prijs van kapitaal bedraagt 5
* de prijs van kapitaal bedraagt 2,5
De GVK-functie van een onderneming is gegeven door: GVK = 50x+45. De FK van de
onderneming bedragen 15. Welke uitspraak is juist?
* MK = 50x + 45
* MK = 100x + 45 x
* MK = 50x + 60
* MK = 100x + 60
De v naar een goed wordt gekenmerkt door xv = 60 – 3p, het a wordt gekenmerkt door xa =
-10+2p. Verder wordt er een consumentenbelastingen geheven van €5/eenheid. Welke
uitspraak is fout?
* Het welvaartsverlies na belasting bedraagt 15
* het producentensurplus na belasting bedraagt 96
* het producentensurplus voor belasting bedraagt 81
* het consumentensurplus na belasting bedraagt 24
Veronderstel dat de oorspronkelijke verdeling van 2 goederen over consumenten a en b
wordt weergegeven door punt Z in onderstaand Edgeworth-box-diagram. Consumenten a
en b onderhandelen over eventuele reallocaties van de 2 goederen in hun bezit. Dit levert
een goederenallocatie gegeven door punt H. Wat kunnen we hieruit afleiden?
* consument B heeft meer onderhandelingsmacht dan consument A
* consument A heeft meer onderhandelingsmacht dan consument B
* het nut van consument A is door reallocatie gedaald
* het nut van consument B is door reallocatie gedaald
De kapitaalvoorraad van een land zal verminderen als:
* de afschrijvingen hoger zijn dan de brutoinvesteringen x
* de afschrijvingen hoger zijn dan de nettoinvesteringen
* de nettoinvesteringen 0 zijn
* de investeringen lager zijn dan de consumptie
Ga uit van een open economie met overheid. Welke van onderstaande macroeconomische gelijkheden hoeft niet altijd op te gaan?
* Y = C + Iep + G + X – Z
* S – Iep = (G-T) + (X-Z)
*Y–T=C+S
* S – (T+Z) = Iep – (G+X) x
Bij toenemende schaalopbrengsten:
A. Stijgen de gemiddelde kosten op lange termijn.
B. Zijn de marginale kosten kleiner dan de gemiddelde vaste kosten.
C. Zijn bij voldoende hoge output in de lange termijn de marginale kosten kleiner dan de
gemiddelde kosten.
D. Zijn de gemiddelde kosten kleiner dan de gemiddelde variabele kosten.
Wat verstaan we onder “gammavoordelen” of “diversificatievoordelen”?
A. De gemiddelde kost per eenheid van een goed daalt naarmate je meer van dat goed
produceert.
B. Een bedrijf dat zijn goed produceert in meerdere fabrieken kan zijn productie efficiënter
organiseren en heeft dus lagere kosten.
C. Het is goedkoper meerdere producten binnen één bedrijf te produceren dan in
verschillende bedrijven.
D. Grote bedrijven kunnen de voordelen van teamwork beter benutten dan kleine
bedrijven.
Het bruto binnenlands product is gelijk aan het netto binnenlands product vermeerderd met:
A. De voorraadinvesteringen
B. De uitbreidingsinvesteringen.
C. De netto investeringen
D. De vervangingsinvesteringen
In een land worden pralines en bier geproduceerd. De productie van pralines verloopt volgens
de productiefunctie xP = 300 lP^2/3 met lP de hoeveelheide arbeid en xP het aantal
geproduceerde pralines. De productiefunctie van bier wordt gegeven door x B = lB met lB de
hoeveelheid arbeid en xB het aantal vaten bier. Er zijn 1000 eenheden arbeid beschikbaar in
de economie. Welke uitspraak is altijd juist?
A. Het is optimaal om meer pralines dan bier te produceren.
B. Het is optimaal om meer bier dan pralines te produceren.
C. Het marginaal product van pralines is dalend.
D. Het marginaal product van pralines is stijgend.
Ga uit van de volgende gegevens (open economie, met overheid): Sparen = € 90 mld,
Gerealiseerde investeringen = € 30 mld, Nettobelastingen = € 50 mld, Overheidsbestedingen =
€ 80 mld, Uitvoer = € 70 mld. Hoeveel bedraagt de invoer?
A. 0
B. € 40 mld
C. € 70 mld
D. € 100 mld
Basisgeld bestaat uit:
A. Alle uitgegeven munten en bankbiljetten (inclusief deposito’s van de banken bij de
centrale bank).
B. Chartaal geld, giraal geld en quasi-geld (inclusief deposito’s van de banken bij de centrale
bank).
C. Zichtdeposito’s en termijndeposito’s (inclusief deposito’s van de banken bij de centrale
bank).
D. Alle bankbiljetten in handen van het publiek en het giraal geld (inclusief deposito’s van
de banken bij de centrale bank).
Welke uitspraak is juist ivm groeiboekhouding?
A. Groeiboekhouding legt de klemtoon op technologische vooruitgang als verklaring voor
de economische groei van een land.
B. Groeiboekhouding beklemtoont de geografische concentratie van de industrialisering
van een welbepaald gebied als groeipoolstrategie van een land.
C. Groeiboekhouding registreert de gegevens over de groei van het bbp, het nationaal
inkomen en de bestedingen in nationale rekeningen.
D. Groeiboekhouding splitst de productietoename in een land uit volgens de bijdragen van
de verschillende productiefactoren.
De preferenties van een consument worden beschreven door de nutsfunctie u = 2x1 + 3x2 +
x1x2. De prijzen van twee goederen bedragen p1 = 20 en p2 = 20. Als je weet dat de consument
over een inkomen gelijk aan 180 beschikt, welke bundel zou hij dan kopen?
A. X1 = 4 en x2 = 5
B. X1 = 6 en x2 = 7
C. X1 = 5 en x2 = 4
D. X1 = 0 en x2 = 9
Kwantitatieve versoepeling (quantitative easing; QE) heeft als onmiddellijk effect:
A. Een toeneme van de geldhoeveelheid
B. Een daling van de basisrente (basisherfinancieringsrente).
C. Een toename van de liquiditeiten in handen van de banken.
D. Een toename van de kredietverlening door banken.
Welke beheersproblemen van Scitovsky kunnen grafisch geïllustreerd worden via de curve
van de productiemogelijkheden?
A. Het stabilisatieprobleem en het allocatieprobleem
B. Het distributieprobleem en het stabilisatieprobleem
C. Het allocatieprobleem en het distributieprobleem
D. Het allocatieprobleem, het stabilisatieprobleem en het distributieprobleem.
Welke stelling is fout?
A. De economische analyse spreekt zich in principe niet uit over de waarde van de
behoeften.
B. De rangorde en de intensiteit van de behoeften liggen vast voor elk individu.
C. De behoeften in de economie kunnen betrekking hebben op zowel materiële als
immateriële goederen.
D. De behoeften in de economie kunnen zowel van individuele als collectieve aard zijn.
In een economie worden 2 goederen (A en B) geproduceerd. De productie verloopt voor A
volgens de productiefunctie xA = 12lA (met lA de vereiste arbeid voor de productie van goed A)
en voor B volgens de productiefunctie xB = 6lB (met lB de vereiste arbeid voor de productie van
goed B). In de economie zijn 100 eenheden arbeid (l) beschikbaar. De curve van de
productiemogelijkheden wordt gegeven door:
A. XA = 600 – 2xB
B. XA = 1200 – 2xB
C. XA = 100 – 3xB
D. XA = 900 – 6xB
De prijzen van wintersportvakanties (skiën, langlaufen, snowboarden) in Europa zijn de
laatste jaren sterk gestegen. De reden hiervoor is dat er steeds minder sneeuw op de pisttes
ligt, wat volgens kenners te wijten is aan het fenomeen van “global warming”. Nochtans
zijn wintersporten steeds meer in trek bij de Europeanen. Waarom zijn de prijzen van deze
wintersportvakanties zo sterk gestegen? Veronderstel een markt gekenmerkt door zuivere
mededinging.
A. De vraag naar wintersportvakanties is toegenomen, terwijl het aanbod is gedaald.
B. De vraag naar wintersportvakanties is gelijk gebleven maar het aanbod ervan is gedaald.
C. Het aanbod naar wintersportvakanties is de laatste jaren sterk toegenomen.
D. De vraag naar wintersportvakanties is de laatste jaren afgenomen maar het aanbod ervan
is nog meer afgenomen
Stel dat de vraagfunctie van pintjes gegeven is door xV = 200-4p en de aanbodsfunctie door
xa = 60p. Als de overheid beslist een minimumprijs te heffen van €105 per pintje, welk effect
verwacht je dan op de markt van cocktails? Veronderstel zowel voor de pintjes als voor de
cocktails een markt gekenmerkt door zuivere mededinging.
A. Zowel de vraag als het aanbod zullen stijgen.
B. De vraag stijgt, het aanbod blijft ongewijzigd.
C. De vraag daalt, het aanbod blijft ongewijzigd.
D. Geen effect.
De preferenties van een consument worden beschreven door de nutsfunctie u =
(x1+5)2(x2+15). De prijzen van twee goederen bedragen p1 = 15 en p2 = 15. Als je weet dat
de consument over een inkomen gelijk aan 1500 beschikt, welke bundel zou hij dan
kopen?
A. X1 = 25 en x2 = 75
B. X1 = 20 en x2 = 80
C. X1 = 80 en x2 = 20
D. X1 = 75 en x2 = 25
Stel dat Jean-Pierre beslist om van vandaag op morgen onmiddellijk en definitief zijn
broodjeszaak te sluiten. Welke situatie kan aan de basis liggen van deze drastische
beslissing?
A. MO < MK
B. GO < GVK
C. P < GK
D. GO < GK
Bij negatieve externe effecten zal het evenwicht dat op de vrije markt tot stand komt:
A. Aanleiding geven tot overheidsinterventie via subsidies.
B. Zorgen voor een overconsumptie vanuit sociaal oogpunt.
C. Zorgen voor een onderconsumptie vanuit sociaal oogpunt
D. Zorgen voor de grootste maatschappelijke welvaart.
Wat is geen kenmerk van een indifferentiecurve?
A. De helling van een indifferentiecurve wordt vlakker naarmate men naar beneden
opschuift langs een indifferentiecurve.
B. Indifferentiecurves hebben een negatieve helling omdat consumenten bereid zijn het
ene goed te substitueren voor het andere.
C. Een consument zal opschuiven van de ene goederenbundel naar de andere bundel op
eenzelfde indifferentiecurve om zijn/haar nut te verhogen.
D. Indifferentiecurves zijn convex tov de oorsprong.
In een economie worden 2 goederen (A en B) geproduceerd. De productie verloopt voor A
volgens de productiefunctie xA = 2lA (met lA de vereiste arbeid voor de productie van goed
A) en voor B volgens de productiefunctie xB = 4lB (met lB de vereiste arbeid voor de
productie van goed B). In de economie zijn 100 eenheden arbeid (l) beschikbaar. De curve
van de productiemogelijkheden wordt gegeven door:
A. XA = 400 – 2xB
B. XA = 200 – 2xB
C. XA = 200 – xB/2
D. XA = 400 – xB/2
Welke uitspraak is fout?
A. De curve van productiemogelijkheden illustreert het begrip ‘opportuniteitskosten’.
B. De vorm van de productiefuncties bepaalt de vorm van de
productiemogelijkhedencurve.
C. Als er meer van een bepaald goed geproduceerd kan worden zonder minder van de
andere goederen te produceren, moet de economie zich onder de curve van de
productiemogelijkheden bevonden hebben.
D. Arbeidsverdeling (specialisatie in het productieproces) verschuift de
productiemogelijkhedencurve dichter naar de oorsprong.
De prijs van de aardappel is in 2012 sterk gestegen ten opzichte van het vorige jaar. De
hoofdreden is de mislukte oogst. Bovendien blijven de mensen ongeveer evenveel
aardappelen kopen als vorig jaar. Hoe vertaal je dit in een vraag- aanbodschema?
 De vraag naar aardappelen is afgenomen, terwijl het aanbod constant blijft.
 De vraag naar aardappelen is constant gebleven en verloopt inelastisch, het aanbod
is gedaald.
 De vraag naar aardappelen is constant gebleven, terwijl het aanbod stijgt.
 De vraag naar aardappelen is constant gebleven en verloopt zeer elastisch, het
aanbod ervan is gedaald.
Ga uit van een lineaire aanbodfunctie en een markt met zuivere mededinging. Bij een prijs
van 1 euro worden er 100 ijsjes aangeboden. In het punt (100,1) bedraagt de
prijselasticiteit van het aanbod 0,5.De aanbodfunctie van ijsjes wordt weergegeven door:
 xa = 150 + 2p.
 xa = 150 + 50p.
 xa = 50 + 50p.
 xa = 100 + 2p
Stel dat de vraag naar pizza’s weergegeven wordt door xv = 16 – p en het aanbod door xa =
4 + 2p. Bereken de verhandelde hoeveelheid indien de overheid een belasting van 1,5 euro
per pizza oplegt.
 x = 14,5.
 x = 13.
 x = 12,5.
 x = 11.
Beschouw een prijsdaling van goed x. Welke uitspraak is juist?
 Het substitutie-effect verhoogt steeds de consumptie van goed x.
 Het inkomenseffect verhoogt steeds de consumptie van goed x .
 Het substitutie-effect verlaagt steeds de consumptie van goed x.
 Het inkomenseffect verlaagt steeds de consumptie van goed x .
Lies gaat een avondje op stap en besluit om enkel cava (c) en frisdrank (f) te drinken.
Haar preferenties worden beschreven door de nutsfunctie u(xf,xc) = xf xc + xf. Een
glaasje cava kost 2 euro, een glaasje frisdrank kost 1 euro. Bepaal de optimale
goederenbundel als je weet dat Lies over een budget van 22 euro beschikt.
 xf = 6 en xc = 6
 xf = 12 en xc = 5
 xf = 10 en xc = 6
 xf = 14 en xf = 4
De productiefunctie wordt weergegeven door x(l,k) = 2l0.5k0.5. De prijs van arbeid
bedraagt 10 euro, de prijs van kapitaal bedraagt 20 euro. Bepaal de vergelijking van
het expansiepad.
 k = 2l.
 k = l.
 k = l/2.
 k = 10l.
De productie van hoeden wordt bepaald door de hoeveelheid ingezette arbeid l en
kapitaal k, en verloopt volgens de volgende productiefunctie x = (l0.5 + k0.5)2. Op korte
termijn ligt kapitaal vast op 9 eenheden. De prijs van arbeid bedraagt 2 euro, de prijs
van kapitaal bedraagt 1 euro. Bepaal de korte termijn totale kostenfunctie voor de
productie van hoeden.
 TK = 2(x0.5 – 3)2 + 9

TK = (x0.5 – 3)2
 TK = 2x0.5 + 9
 TK = x2 + 18
Monopolistische concurrentie is een marktvorm die gekenmerkt wordt door:
 Een beperkt aantal producenten omdat het onmogelijk is voor nieuwe producenten
om tot de markt toe te treden.
 Een beperkt aantal vragers omdat het om een zeer specifiek product gaat (bv.
militaire apparatuur).
 Een groot aantal producenten die een heterogeen product op de markt brengen.
 Een beperkt aantal producenten die een homogeen product op de markt brengen.
Welke uitspraak is juist?
 Bij een gegeven marginale kosten niveau zal een monopolist een hogere prijs zetten
op een markt met een lagere prijselasticiteit van de vraag.
 De totale opbrengsten van een monopolist vertonen een lineair stijgend verband met
de verkochte hoeveelheden.
 Op korte termijn geldt bij zuivere mededinging dat de aanbodcurve van een
individuele producent samenvalt met dat gedeelte van de MK-curve dat zich boven
de GK-curve bevindt.
 De GK-curve snijdt de MK-curve steeds in het minimum van deze laatste curve.
Wat is een foutieve manier om het bruto binnenlands product van een land te
berekenen? (Ga eenvoudigheidshalve uit van een gesloten economie)
 de sommatie van de toegevoegde waarden van alle bedrijven.
 de sommatie van de waarde van de consumptie en de gewenste investeringen.
 de sommatie van alle gecreëerde inkomens.
 de sommatie van alle bestedingen.
De accelerator legt een verband tussen:
 de kapitaalvoorraad en de verandering van de output.
 de kapitaalvoorraad en de investeringen.
 de verandering van de kapitaalvoorraad en de verandering van de output.
 de investeringen en de output.
In het Solow model wordt de steady-state kapitaalvoorraad bereikt als:
 de afschrijvingen hoger zijn dan de brutoinvesteringen.
 de afschrijvingen hoger zijn dan de nettoinvesteringen.
 de nettoinvesteringen nul zijn.
 de investeringen lager zijn dan de consumptie.
Welke uitspraak is fout? In het Solow-groeimodel leidt een afname van de spaarquote
tot:
 een permanent lager langetermijn outputniveau.
 een tijdelijk negatieve groeivoet van de productie.
 een opwaartse verschuiving van de investeringscurve.
 een permanent lager langetermijn outputniveau per capita.
Wat biedt geen verklaring voor het negatief verband tussen de aggregatieve vraag en
het algemeen prijsniveau?
 Het effect van een prijsstijging op het internationaal concurrentievermogen.
 Het effect van een prijsstijging op de interestvoet en de netto-investeringen.
 Het effect van een prijsstijging op het reële vermogen en de consumptie.
 Het effect van een prijsstijging op de nominale loonrigiditeit.
Wat moet de overheid volgens Keynesiaanse economen doen in geval van een
negatieve vraagschok?
 Het marktmechanisme via prijsdaling ervoor laten zorgen dat het langetermijnoutputniveau terug bereikt wordt.
 De aggregatieve vraag opvoeren zodat het natuurlijk outputniveau opnieuw bereikt
wordt.
 Het aggregatieve aanbod beter afstemmen op de afgenomen aggregatieve vraag.
 Het aggregatieve aanbod opvoeren door de productie van goederen en diensten
zoveel mogelijk zelf te organiseren.
Gegeven is de consumptiefunctie C = 5 + 1/5Y. Stel dat Y = 1000. Welke van de
onderstaande uitspraken is dan juist?
 De gemiddelde consumptiequote bedraagt 1/5.
 De marginale spaarquote bedraagt 4/5.
 Het autonome sparen bedraagt 5.
 Geen van bovenstaande uitspraken is correct
Wat verstaat men in de economie onder ‘crowding out’?
 Een toename van de overheidsbestedingen leidt via een stijging van de intrestvoet tot
minder private investeringen.
 Een toename van de overheidsbestedingen leidt bij gegeven belastingen tot een
hogere overheidsschuld.
 Progressieve inkomstenbelastingen verminderen de multiplicator van de
overheidsbestedingen, in vergelijking met lineaire inkomstenbelastingen.
 Bij hoge overheidsschuld nemen de intrestlasten op de schuld proportioneel sterker
toe dan het nationaal inkomen zodat de schuld exponentieel toeneemt.
Gegeven een gesloten economie zonder overheid. De investeringen zijn autonoom.
Indien de spaarneiging van de gezinnen toeneemt, dan zal ceteris paribus:
 het evenwichtsinkomen stijgen en het sparen gelijk blijven.
 het evenwichtsinkomen gelijk blijven en het sparen toenemen.
 het evenwichtsinkomen dalen en het sparen gelijk blijven.
 het evenwichtsinkomen dalen en het sparen toenemen.
Welke uitspraak in verband met de investeringen is fout?
 Er is een negatief verband tussen de investeringen en de hoogte van de rentevoet .
 Ondernemers realiseren enkel investeringen waarvan het verwachte rendement gelijk
is aan de rentevoet.
 Investeringen die een lagere verwachte opbrengst opleveren dan de verwachte
opbrengst van een alternatieve belegging worden niet verwezenlijkt.
 Ook wanneer investeringen met eigen middelen worden gefinancierd speelt de
rentevoet een belangrijke rol bij de investeringsbeslissing.
In een gesloten economie met overheid is de autonome consumptie gelijk aan 300 en
de marginale consumptiequote 0,5. De autonome belastingen zijn gelijk aan 30 en de
marginale aanslagvoet van de belastingen bedraagt 20%. De gewenste investeringen
van de ondernemingen bedragen 130. De overheidsbestedingen zijn gelijk aan 185.
Het natuurlijk of langetermijn inkomen Y* bedraagt 900. Welke uitspraak is juist?
 Het evenwichtsinkomen is gelijk aan 1100.
 De overheid wil een nationaal inkomen in evenwicht gelijk aan 900. Om dit te
bereiken moet ze de belastingen met 30 laten dalen.
 Deze economie bevindt zich in een situatie van onderbesteding.
 De overheid kan het natuurlijk of lange termijn inkomen Y* bereiken door haar
bestedingen met 60 te verminderen.
Welke uitspraak is juist?
 De waarde van de productie uitgevoerd door Belgische werknemers actief in
Nederland behoort tot het Belgische bbp.
 Om de prijsinvloed te elimineren berekent men de impliciete prijsindex of bbp-deflator
 De waarde van de productie uitgevoerd door Belgische werknemers actief in
Nederland behoort tot het Belgische bnp.
 Om de hoeveelheidsinvloed te elimineren berekent men de hoeveelheidsindex .
Ga uit van het langetermijn evenwicht. Veronderstel dat door het stimuleren van de
consumptie zich een positieve vraagschok optreedt. Wat zal het effect hiervan zijn op
output en prijspeil?
 Een permanente outputexpansie en permanent hoger prijspeil.
 Een tijdelijke outputexpansie en een permanent hoger prijspeil.
 Een permanente outputexpansie en een tijdelijk hoger prijspeil.
 Een tijdelijke outputexpansie en een tijdelijk hoger prijspeil.
In een gesloten economie met overheid is de consumptiefunctie gegeven door C = 200
+0,5 . De overheid heft belasting T = 100 + 0,5Y. De gewenste investeringen van de
bedrijven bedragen 100 en de overheidsbestedingen 50. Het evenwichtsinkomen
bedraagt?
 400.
 700.
 1 200.
 Geen van bovenstaande antwoorden is correct.
Gegeven een economie met overheid en met een inkomen van 1 000 miljard euro. Bij
een toename van het beschikbare inkomen spenderen de gezinnen 50% aan
consumptie, de rest wordt gespaard. De overheid heft een forfaitaire belasting. Stel
dat de overheid door budgettair beleid het evenwichtsinkomen wil verhogen tot 1 200
miljard euro. Met hoeveel moeten de overheidsbestedingen toenemen om dat inkomen
te bereiken?
 50.
 100.
 150.
 200.
Welke uitspraak is juist?
 Een toename van de investeringen oefent het grootste effect uit op het
evenwichtsinkomen als de belastingen autonoom zijn.
 Een toename van de investeringen oefent het grootste effect uit op het
evenwichtsinkomen als er een lineaire inkomstenbelasting is.
 Een toename van de investeringen oefent het grootste effect uit op het
evenwichtsinkomen als er een progressieve inkomensbelasting is.
 Het effect van een toename van de investeringen op het evenwichtsinkomen is
onafhankelijk van het belastingsregime.
Download